RBLIM 150426 verhuiskosten naar kleinere woning met kleinere tuin; toegewezen vanwege beperkingen voor tuinonderhoud
- Meer over dit onderwerp:
RBLIM 150426 whiplash; eindvonnis na diverse tussenvonnissen en deskundigenonderzoeken
- whiplash; geen schending schadebeperkingsplicht door niet onder behandeling gedurende enkele jaren
- verhuiskosten naar kleinere woning met kleinere tuin; toegewezen vanwege beperkingen voor tuinonderhoud
- smartengeld WAD € 25.000 x 50% vanwege ES; + € 7500 vanwege opstelling Arriva, zonder korting vanwege ES; totaal € 20.000
- wettelijke rente; smartengeld vanaf datum ongeval; geleden VAV vanaf opeisbaarheid jaarschadebedrag; toekomstige schade vanaf peildatum
- rb volgt vza en ad-er; geen vordering t.z.v. huishoudelijke hulp
- BGK t.z.v. deskundigenberichten en kosten deskundigenberichten verschieten niet van kleur; toegewezen 75 i.p.v. 50% vanwege opstelling wederpartij
2De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen.
Het gevorderde onder 1
2.2.
Onder 1 vordert [eisende partij] na eisvermeerdering dat de rechtbank voor recht verklaart dat Arriva aansprakelijk is voor de schade die [eisende partij] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval van 22 mei 2017.
2.3.
Bij tussenvonnis van 12 april 2023 heeft de rechtbank overwogen1 dat de buschauffeur (van Arriva) onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende afstand van [eisende partij] te houden, waardoor hij niet in staat was de bus tijdig tot stilstand te brengen op het moment dat [eisende partij] afremde. In datzelfde vonnis is ook overwogen2 dat een schuldverdeling bij helfte, derhalve een eigen schuld van 50% aan de zijde van [eisende partij] , gerechtvaardigd is. Dit omdat ook [eisende partij] een verkeersfout heeft gemaakt, die heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Het feit dat [eisende partij] tegen zijn voorganger is gebotst, levert daarmee een omstandigheid op die aan de schade heeft bijgedragen en die aan [eisende partij] zelf (en niet aan Arriva) kan worden toegerekend.3
Schending schadebeperkingsplicht (artikel 6:101 BW)?
2.4.
In het tussenvonnis van 12 april 2023 is overwogen dat een beslissing op het beroep van Arriva omtrent schending van de schadebeperkingsplicht (ex artikel 6:101 BW) zal worden aangehouden totdat bij eindvonnis zal worden beslist. Arriva heeft in dat kader aangevoerd dat [eisende partij] onvoldoende behandelingen heeft ondergaan. [eisende partij] stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om zijn klachten te beperken en betwist dat sprake is van een schending van de schadebeperkingsplicht.
2.4.1.
In geval van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is de benadeelde gehouden om de schade te beperken voor zover dit redelijkerwijze van hem kan worden verlangd. Schending van deze verplichting is een vorm van eigen schuld die kan leiden tot vermindering van de vergoedingsplicht van de aangesprokene partij op de voet van artikel 6:101 BW. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het door Allianz gestelde om de volgende redenen niet tot een vermindering van haar vergoedingsplicht en slaagt haar verweer dus niet. Voor whiplashgerelateerde klachten bestaat geen vaststaand of uniform behandeltraject, zoals dat bij een duidelijk objectiveerbare aandoening zoals bijvoorbeeld een botbreuk, wel het geval is. De behandeling wordt doorgaans afgestemd op het individuele klachtenpatroon en het beloop van de klachten. [eisende partij] is vrij in de keuze van zijn therapeuten en heeft door de jaren heen diverse (para)medische behandelingen ondergaan, waaronder bij de fysiotherapeut, acupuncturist en chiropractor. Het enkele feit dat [eisende partij] enkele jaren niet onder behandeling is geweest, lijdt er niet toe dat [eisende partij] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. Arriva heeft geen concrete behandelingen genoemd waarvan is onderbouwd dat deze tot het voorkomen of beperken van (een deel van) de schade hadden kunnen leiden. Het verweer van Arriva wordt dan ook verworpen.
2.5.
De rechtbank zal daarom de vordering onder 1 toewijzen, met dien verstande dat Arriva voor 50% aansprakelijk is voor de schade die [eisende partij] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval van 22 mei 2017.
Het gevorderde onder 2
2.6.
Onder 2 vordert [eisende partij] primair dat de rechtbank Arriva veroordeelt tot betaling aan [eisende partij] van € 880.113,53 ten titel van als gevolg van het ongeval door [eisende partij] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 226.706,98 vanaf 22 mei 2017 en over € 650.282,- vanaf 1 januari 2021. Het gevorderde bedrag bestond aanvankelijk bij dagvaarding en na vermeerdering van eis uit de volgende posten en bedragen:
Inkomensschade: € 764.946,00
Medische kosten: € 2.179,93
Overige kosten: € 4.088,50
Kosten verminderde zelfwerkzaamheid: € 7.355,72
Kosten huishoudelijke hulp: € 34.980,00
Smartengeld: € 15.000,00
Buitengerechtelijke en deskundigenkosten: € 77.646,32
Kosten voorlopig deskundigenbericht: € 7.206,00
Subtotaal: € 913.402,47
In mindering: uitgekeerde verschotten: € 36.413,49
Subtotaal: € 876.988,98
(Para)medische behandeling: (vermeerdering van eis) € 3.224,55
Totaal: € 880.113,53
De rechtbank tekent hierbij aan dat de optelling van voornoemde bedragen € 880.213,53 bedraagt in plaats van € 880.113,53.
2.7.
In de conclusie na deskundigenbericht van de rekenkundige heeft [eisende partij] onderstaande definitieve schadeopstelling opgenomen, waarbij hij aantekent dat een eiswijziging niet nodig is omdat deze schadeopstelling past in het petitum van de akte wijziging van eis.
Inkomensschade t/m 1 januari 2026: € 148.750,00
Inkomensschade na 1 januari 2026: € 232.499,00
Medische kosten: € 2.702,24
Diverse schadeposten: € 2.044,25
Zelfwerkzaamheid: € 2.727,50
Huishoudelijke hulp: € 17.490,00
Smartengeld: € 25.000,00
BGK: € 65.981,86
Kosten voorlopig deskundigenberichten: € 7.206,00
Onderzoek [deskundige 4] € 3.715,58
Onderzoek [deskundige 5] € 5.336,10
Onderzoek [deskundige 1] € 1.600,23
Kosten Triage € 3.573,04
Subtotaal: € 518.625,81
In mindering: uitgekeerde verschotten € 51.413,49
Totaal: € 467.212,32
De rechtbank zal hieronder achtereenvolgens ingaan op voornoemde schadeposten.
Inkomensschade
2.8.
De rekenkundige heeft in het deskundigenrapport de inkomensschade van [eisende partij] , rekening houdend met een correctie van 50% wegens eigen schuld, becijferd op € 388.086,-. Partijen hebben hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal uitgaan van dat bedrag aan inkomensschade.
Wettelijke rente over de inkomensschade
2.9.
[eisende partij] vordert bij dagvaarding en na eisvermeerdering de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 226.706,98 aan inkomensschade vanaf 22 mei 2017 en over € 650.282,- vanaf 1 januari 2021. [eisende partij] maakt in zijn conclusie na deskundigenbericht van de rekenkundige aanspraak op wettelijke rente over een bedrag van € 148.750,- vanaf 22 mei 2017. Over de toekomstschade van € 232.499,- maakt [eisende partij] aanspraak op wettelijke rente vanaf de kapitalisatiedatum, zijnde 1 januari 2026.
2.10.
Arriva voert aan dat een bedrag van € 148.750,- is aan te merken als reeds geleden schade. De wettelijke rente over dat bedrag is volgens Arriva pas verschuldigd nadat de schade opeisbaar is. Dit betekent dat voor de jaarschades van 2017 tot en met 2025 geldt dat de schade vermeerderd moet worden met de wettelijke rente vanaf het daaropvolgende jaar. De toekomstige schade is gecorrigeerd met rente en inflatie en daar is geen wettelijke rente over verschuldigd, aldus Arriva.
2.11.
De rechtbank oordeelt dat voor de reeds geleden schade geldt dat de wettelijke rente, zoals door Arriva aangevoerd, toewijsbaar is vanaf de opeisbaarheid van het desbetreffende jaarschadebedrag. Dit betekent dat niet over het volledige bedrag aan geleden schade vanaf datum van het ongeval wettelijke rente verschuldigd is, maar dat de rente steeds wordt berekend vanaf het daaropvolgende kalenderjaar na het jaar waarin de betreffende schade is geleden.
2.12.
Voor de gekapitaliseerde inkomensschade na 1 januari 2026 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 1 januari 2026. De rechtbank volgt Arriva niet in haar stelling dat geen wettelijke rente over dat bedrag zou zijn verschuldigd. Indien de rechter de schade begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens ter zake van toekomstige schade, moet deze schade geacht worden te zijn geleden op de bij deze kapitalisering tot uitgangspunt genomen peildatum: in dit geval 1 januari 2026. Arriva heeft niet aangevoerd dat zij het bedrag per peildatum volledig heeft uitbetaald aan [eisende partij] . [eisende partij] heeft daarmee recht op vergoeding van wettelijke rente over de gekapitaliseerde inkomensschade vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling. Het feit dat reeds rente is inbegrepen in de gekapitaliseerde inkomensschade laat onverlet dat [eisende partij] bij niet-nakoming van een verbintenis tot betaling van een geldsom op grond van artikel 6:119 BW recht heeft op wettelijke rente.
Medische kosten en kosten (para)medische behandeling
2.13.
[eisende partij] stelt dat hij voor zijn klachten is behandeld door diverse (para)medici en hiervoor kosten heeft gemaakt. Ook heeft hij zijn eigen risico moeten aanspreken voor behandeling en onderzoek. [eisende partij] voert verder aan dat hij op advies van zijn huisarts voor de als gevolg van het ongeval ervaren klachten wordt behandeld door een chiropractor.
Ook heeft hij diverse accupunctuurbehandelingen ondergaan. De totale kosten komen na eisvermeerdering uit op: € 5.404,48. Arriva heeft geen verweer gevoerd tegen deze kosten. Deze kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar. Met toepassing van correctiefactor 50% komt deze schadepost uit op € 2.702,24.
Diverse schadeposten
2.14.
[eisende partij] voert aan dat hij door het ongeval diverse andere kosten heeft moeten maken. Het betreft kosten voor herstel van zijn bestelbus en de kosten in verband met een noodzakelijke verhuizing naar een kleinere woning met een kleinere tuin. Tot slot stelt [eisende partij] dat hij als gevolg van het ongeval veel ligkussens heeft geprobeerd en moeten aanschaffen. Het totaal van deze kosten komt uit op € 4.088,50.
2.14.1.
Arriva voert aan dat onvoldoende gebleken is dat de verhuizing in verband staat met het ongeval waarvoor Arriva deels aansprakelijk is. De rechtbank volgt Arriva daarin niet. [eisende partij] heeft toegelicht dat de verhuizing ermee te maken had dat hij door zijn beperkingen de grote tuin behorend bij zijn vorige woning niet meer kon onderhouden. In deze procedure zijn de beperkingen waar [eisende partij] sinds het ongeval mee te maken heeft vastgesteld. Uit de FML volgt dat [eisende partij] onder meer in beperkte mate kan duwen of trekken en zware lasten kan hanteren tijdens het werk. Ook is [eisende partij] beperkt in het boven schouderhoogte actief zijn, waarbij de verzekeringsgeneeskundige heeft aangetekend dat hij minder dan 5 minuten achtereen boven schouderhoogte actief kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat het verband tussen de verhuizing en het ongeval kan worden aangenomen. De verhuiskosten zijn toewijsbaar.
2.14.2.
Arriva voert verder aan dat er geen facturen zijn overgelegd van de hoofdkussens. Deze schade staat daarom niet vast; Arriva is bereid om een bedrag van maximaal € 100,- te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost inderdaad onvoldoende is onderbouwd omdat facturen ontbreken. De rechtbank zal het door [eisende partij] op dit punt gevorderde bedrag (€ 500,- voor 10 kussens) dan ook verminderen tot € 100,- omdat Arriva bereid is om dat bedrag te betalen.
2.15.
Dit leidt ertoe dat de post “overige kosten” voor een bedrag van € 3.688,50 kan worden toegewezen. Toegepast met de correctiefactor van 50% kan voor deze post een bedrag van € 1.844,25 worden toegewezen.
Kosten verminderde zelfwerkzaamheid
2.16.
De rekenkundige heeft in zijn rapport de schade vanwege verlies zelfredzaamheid vastgesteld op € 5.455,-. Partijen hebben geen verweer gevoerd tegen het door de deskundige vastgestelde bedrag, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan. Uitgaande van de correctiefactor 50% komt deze post daarmee uit op € 2.727,50.
Kosten huishoudelijke hulp
2.17.
[eisende partij] maakt aanspraak op een bedrag van € 34.980, wegens kosten huishoudelijke hulp. De rekenkundige heeft in zijn rapportage – gebaseerd op het rapport van de arbeidsdeskundige – aangenomen dat de kosten huishoudelijke hulp nihil bedragen, omdat er op grond van de (door de verzekeringsgeneeskundige opgestelde) FML geen significante behoefte bestaat aan huishoudelijke hulp.
[eisende partij] voert aan dat de arbeidsdeskundige over het hoofd heeft gezien dat [eisende partij] met name energetische beperkingen heeft. Deze energetische beperkingen zijn in het rapport van de verzekeringsgeneeskundige beschreven. Arriva voert aan dat [eisende partij] destijds geen enkel bezwaar heeft gemaakt tegen het deskundigenrapport van de arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige is zeer nauwkeurig geweest in zijn rapportage en heeft tot op het uur nauwkeurig in kaart gebracht op welke vlakken er wel of geen beperkingen zijn, ook op het gebied van huishoudelijke taken.
2.18.
De rechtbank volgt de deskundigen. De arbeidsdeskundige is juist in verband met zijn kennis op het gebied van het vertalen van beperkingen naar arbeid, huishouden en zelfwerkzaamheid ingeschakeld. De arbeidsdeskundige is in zijn rapportage op pagina 48 tot en met 51 uitgebreid ingegaan op de belasting in huishoudelijk werk. De arbeidsdeskundige heeft per in het huishoudelijk werk voorkomend belastingsaspect de handelingen die daarbij horen uitgewerkt en de behoefte van [eisende partij] aan huishoudelijke hulp beoordeeld4. In zijn beoordeling concludeert de arbeidsdeskundige dat op grond van de FML de uitval in huishoudelijke taken gering is en er geen significante behoefte bestaat aan huishoudelijke hulp. [eisende partij] heeft de gelegenheid gekregen om op het concept-rapport van de arbeidsdeskundige te reageren en had daarbij kunnen aankaarten dat de arbeidsdeskundige volgens hem in zijn beoordeling van de huishoudelijke behoefte zijn energetische beperkingen over het hoofd heeft gezien. [eisende partij] heeft dat in zijn reactie niet aangekaart en bij conclusie na deskundigenbericht kenbaar gemaakt zich te kunnen vinden in de vaststellingen door de arbeidsdeskundige. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de bevindingen van de arbeidsdeskundige niet worden aangenomen dat sprake is van (significante) behoefte aan huishoudelijke hulp. Daarom moet de vordering voor zover die ziet op de kosten huishoudelijke hulp worden afgewezen.
Smartengeld
2.19.
[eisende partij] maakt aanspraak op smartengeld. Artikel 6:95 bepaalt dat ander nadeel dan vermogensschade slechts voor vergoeding in aanmerking komt voor zover de wet daar recht op geeft. Artikel 6:106 BW regelt onder welke voorwaarden een benadeelde aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding (smartengeld). Arriva betwist de verschuldigdheid van een smartengeldenvergoeding niet. Partijen twisten wel over de hoogte van het bedrag waarop [eisende partij] aanspraak kan maken.
Omstandigheden relevant bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld
2.20.
Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, (lichamelijk) letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 BW lid 1 en onder b BW). Bij de begroting moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij voor de omvang van de smartengeldvergoeding in het bijzonder bepalend is de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechter moet de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn en het gemis aan levensvreugde afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen, zoals de aard van het letsel en de (meer subjectief te duiden) gevolgen daarvan voor de concrete benadeelde. Bij de begroting moet de rechter daarnaast ook meewegen de aard van aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.
Het standpunt van [eisende partij]
2.20.1.
voert aan dat toewijzing van een bedrag van € 25.000,- op zijn plaats is. Ter onderbouwing daarvan voert hij aan dat hij nog steeds op dagelijkse basis de gevolgen ondervindt van het ongeval. Hij heeft stelselmatig last van hoofdpijn- en nekklachten, moet regelmatig rust pakken en kan zowel zakelijk als privé niet meer functioneren zoals voorheen. Ook voert hij aan dat de harde en vertragende opstelling van Arriva na het ongeval aanleiding vormt om een extra bedrag aan immateriële schadevergoeding toe te kennen.
Het standpunt van Arriva
2.20.2.
Volgens Arriva kan een bedrag van € 5.000,- aan smartengeldvergoeding (50% van € 10.000,-) worden toegewezen.
Het oordeel van de rechtbank
2.21.
De rechtbank oordeelt dat Arriva een bedrag van € 20.000,- aan smartengeldvergoeding aan [eisende partij] dient te voldoen. Zij is als volgt tot dat oordeel gekomen.
2.22.
De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende (enigszins) vergelijkbare gevallen uit de ANWB Smartengeldgids:
-
473, man, 38 jaar, zelfstandig ondernemer, whiplash: € 16.348,- (geïndexeerd bedrag);
-
nummer 498, man, 45 jaar, zelfstandige, ernstige whiplash: € 35.444,- (geïndexeerd bedrag);
-
nummer 1553, man, 48 jaar, zzp’er, whiplash maar niet aannemelijk dat sprake is van ernstige blijvende beperkingen: € 6.201,- (geïndexeerd bedrag);
-
nummer 2649, vrouw, beginnend zelfstandig ondernemer, whiplash: € 14.825,-. (geïndexeerd bedrag).
2.23.
De rechtbank heeft ook aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’ in samenhang met de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW. De Rotterdamse schaal betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. Paragraaf 5.2. van de Rotterdamse schaal heeft betrekking op de relevante factoren voor de omvang van het smartengeld in geval van een Whiplash Associated Disorder (WAD). De rechtbank gaat daarbij uit van een ernstige WAD omdat sprake is van vastgestelde fysieke klachten en mentale klachten en [eisende partij] bovendien blijvend (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, de mate van uitval vrij groot is en hij aanzienlijke beperkingen ervaart in het dagelijkse leven. Voor deze categorie geldt een indicatie van smartengeldbedragen van € 10.000 tot € 25.000.
2.24.
[eisende partij] (geboren [geboortedag] 1969) was ten tijde van het ongeval (22 mei 2017) 48 jaar. Hij is betrokken geraakt bij een kettingbotsing, waardoor hij een whiplash heeft opgelopen. [eisende partij] is zelfstandig ondernemer en drijft sinds 2011 een eigen aannemersbedrijf. Door het ongeval is [eisende partij] (blijvend) niet meer in staat om zijn onderneming te drijven op de manier zoals hij dat voor het ongeval deed. Om zijn onderneming te kunnen blijven voortzetten is [eisende partij] sinds het ongeval deels aangewezen op de inzet van derden. De mate van arbeidsongeschiktheid is door de arbeidsdeskundige vastgesteld op 36%.
[eisende partij] heeft sinds het ongeval last van fysieke klachten in de vorm van pijn en bewegingsbeperking van nek en schouders, krachtverlies in de rechterarm en hoofdpijn. Daarnaast kampt hij met cognitieve klachten in de vorm van concentratie- en geheugenproblemen, geïrriteerdheid en vermoeidheid. [eisende partij] is voor zijn klachten onder meer behandeld door een chiropractor, acupuncturist en fysiotherapeut. Hij ervaart als gevolg van het ongeval veel stress onder meer door geldzorgen, frustratie en gederfde levensvreugde. Dit alles heeft ook een weerslag op zijn sociaal leven/tijdsbesteding. [eisende partij] heeft zijn (door hem zelf verbouwde) huis moeten verkopen om kleiner te gaan wonen omdat hij tuin niet meer kon onderhouden. Zijn hobby hockey kan hij nog maar in beperkte mate uitoefenen.
2.25.
Dit alles in aanmerking nemend concludeert de rechtbank dat een bedrag van € 25.000,- redelijk is. Daarop moet naar het oordeel van de rechtbank een correctie van 50% worden toegepast, zodat het bedrag uit komt op € 12.500,-.
2.25.1.
De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om dit bedrag vanwege de opstelling van Arriva in en voor deze procedure te verhogen tot € 20.000,-. Daarvoor is het volgende van belang. Na het ongeval hebben partijen met elkaar gediscussieerd over de toedracht van het ongeval. Arriva heeft uiteindelijk pas na ruim 19 maanden aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van de achteropaanrijding. Arriva heeft lange tijd het bestaan van de dashboard camerabeelden - die gemaakt zijn in de bij het ongeval betrokken stadsbus van Arriva - ontkend. Deze beelden waren voor de beslechting van de discussie over de toedracht zeer relevant. Voor het achterhouden van deze beelden heeft Arriva geen deugdelijke reden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze opstelling van Arriva geleid tot een vertraging in de afhandeling van de schade van [eisende partij] . Daarbij komt dat de voorschotten die Arriva tot op heden aan [eisende partij] heeft verstrekt afgezet tegen de (te verwachten) schade vrij beperkt zijn te noemen. Arriva heeft in totaal aan [eisende partij] tot op heden een bedrag van € 40.000,- exclusief BGK (stelling [eisende partij] ) althans € 47.500,- (stelling Arriva) uitgekeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij geen sprake van redelijke bevoorschotting door Arriva gelet ook op de ontwikkelingen in deze procedure. Gelet op de inhoud van diverse tussenvonnissen had Arriva naar het oordeel van de rechtbank duidelijk moeten zijn dat het bedrag dat Arriva aan schade zal moeten vergoeden het door haar aan voorschotten uitgekeerde bedrag ruimschoots zou overschrijden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de wijze van behandeling van Arriva van dit dossier onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig is jegens [eisende partij] . De rechtbank vindt het aannemelijk dat [eisende partij] hierdoor immateriële schade heeft opgelopen (naast de door hem opgelopen schade door het ongeval). De rechtbank begroot deze aanvullende schade op € 7.500,-. Hierop zal geen correctie wegens eigen schuld worden toegepast. Dit alles leidt ertoe dat een bedrag van € 20.000,- (€ 12.500 + € 7.500) aan smartengeld toewijsbaar is.
Buitengerechtelijke kosten
2.26.
[eisende partij] heeft bij dagvaarding aanspraak gemaakt op een bedrag van € 77.646,32 aan buitengerechtelijke kosten. In de conclusie na deskundigenbericht van de rekenkundige heeft [eisende partij] het bedrag bijgesteld naar € 65.981,86.
2.27.
Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, verleend door een advocaat van zijn keuze. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, hangt ervan af of die kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Daarbij gaat het erom of het in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van het ongeval redelijk was om buitengerechtelijke rechtsbijstand in te roepen, en of de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.5
2.28.
De rechtbank stelt vast dat het gevorderde bedrag bestaat uit:
-
de kosten voor het opstellen van het rapport door Aeternus;
-
de extra accountantskosten;
-
kosten voor rechtsbijstand.
2.29.
Arriva stelt dat van het gevorderde bedrag van € 65.981,86 voor een bedrag van € 39.635,86 geldt dat dit de dubbele redelijkheidstoets doorstaat. Het verschil daartussen (
€ 26.346,-) moet worden afgewezen omdat dat bedrag ziet op gerechtelijke kosten waarvoor het liquidatietarief geldt. Op het toe te wijzen bedrag moet volgens Arriva bovendien de eigen schuldcorrectie van 50% doorgevoerd worden.
2.30.
Uit de stellingen van Arriva leidt de rechtbank af dat zij het verweer met betrekking tot de hoogte van de kosten van het rapport van Aeternus niet langer handhaaft. De rechtbank verwerpt verder het verweer van Arriva dat een bedrag van € 26.346,- de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. Naar [eisende partij] stelt, ziet dit bedrag op declaraties voor advocaatkosten (inclusief griffierecht) die gemaakt zijn in verband met de voorlopig deskundigenberichten van [deskundige 2] en [deskundige 3] . Deze bedragen waren nodig ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid buiten rechte. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten verbonden aan de voorlopig deskundigenberichten van [deskundige 2] en [deskundige 3] voor rekening van Arriva moeten komen. De onderzoeken van [deskundige 2] en [deskundige 3] waren namelijk nodig om nader zicht te krijgen in de aard, oorsprong en ernst van de gezondheidsklachten van [eisende partij] . Indien deze onderzoeken buiten rechte zouden zijn afgestemd, zouden de kosten in beginsel ook voor rekening van Arriva zijn gekomen. Het zijn naar hun aard geen buitengerechtelijke werkzaamheden die door het voeren van een procedure van kleur verschieten en onder artikel 241 Rv vallen.6
De conclusie is dat voor de buitengerechtelijke kosten kan worden uitgegaan van het door [eisende partij] genoemde bedrag van € 65.981,86.
Billijkheidscorrectie ten aanzien van BGK
2.31.
Als de schadevergoedingsplicht vanwege eigen schuld (op de voet van artikel 6:101 BW) wordt verminderd, wordt in beginsel ook de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden in dezelfde mate verminderd. Wel kan de billijkheidscorrectie van het slot van art. 6:101 lid 1 meebrengen dat de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 bedoelde kosten te vergoeden niet, of niet in gelijke mate als de primaire schadevergoedingsplicht, wordt verminderd.7
De rechtbank ziet in de in r.o. 2.25.1 genoemde omstandigheden aanleiding om in dit geval een billijkheidscorrectie toe te passen. Dit leidt ertoe dat Arriva 75% van de hiervoor genoemde kosten aan [eisende partij] moet voldoen. Daarmee komt het toe te wijzen bedrag uit op 75% van € 65.981,86 = € 49.486,-.
Kosten voorlopig deskundigenberichten
2.32.
[eisende partij] vordert een bedrag van € 7.206,- vanwege kosten voorlopig deskundigenberichten. Dit bedrag ziet op de kosten van [deskundige 2] en [deskundige 3] in verband met de voorlopig deskundigenberichten. Bij beschikking van 26 augustus 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de kosten van de voorlopig deskundigenberichten bij helfte moesten worden verdeeld. Het door [eisende partij] gevorderde bedrag ziet op door hem betaalde helft van die kosten. [eisende partij] stelt dat deze kosten volledig voor vergoeding in aanmerking komen en er ter zake geen ruimte bestaat voor een correctie vanwege eigen schuld. Arriva stelt dat deze kosten onder het bereik van artikel 241 Rv zijn komen te vallen. De kosten zijn van kleur verschoten door het aanhangig maken van de bodemprocedure. Volgens Arriva moet de vordering worden afgewezen omdat deze valt onder de proceskostenvergoeding die de rechtbank nog zal uitspreken.
2.33.
De beslissing van de rechter over het voorschot op de kosten van het deskundigenbericht heeft een provisioneel karakter8, zodat de rechter bij de uiteindelijke beslissing over de proceskostenveroordeling niet is gebonden aan de eerdere beslissing over de betaling van het voorschot. De rechtbank oordeelt dat ook hiervoor geldt om redenen als hiervoor genoemd dat Arriva 75% van de totale kosten aan [eisende partij] moet voldoen. Dit betekent dat van het bedrag dat [eisende partij] vordert een bedrag van € 3.603,- kan worden toegewezen.
Kosten deskundigenberichten
2.34.
Ook voor de kosten verbonden aan de onderzoeken door/rapporten van [deskundige 4] , [deskundige 5] en [deskundige 1] geldt dat Arriva gehouden is om 75% daarvan te voldoen. Omdat Arriva reeds de helft van de kosten verbonden aan de onderzoeken van [deskundige 4] , [deskundige 5] en [deskundige 1] heeft voldaan, betekent dat dat Arriva de helft van de door [eisende partij] ter zake betaalde bedragen moet voldoen. Voor het rapport van Triage geldt dat Arriva deze kosten nog niet gedeeltelijk heeft voldaan. Arriva moet daarom 75% van de door [eisende partij] gevorderde kosten van Triage aan [eisende partij] vergoeden. Voor de onderzoeken door [deskundige 4] , [deskundige 5] en [deskundige 1] komen de toe te wijzen bedragen daarmee uit op: € 1.858,-, € 2.668,- en € 800,-; voor het rapport van Triage op: € 2.680,-.
Wettelijke rente over deskundigenkosten
2.35.
[eisende partij] maakt aanspraak op wettelijke rente over de deskundigenkosten vanaf 22 mei 2017. De rechtbank is van oordeel dat de wettelijke rente niet eerder verschuldigd kan zijn dan vanaf het moment waarop de kosten zijn gemaakt, zodat de wettelijke rente niet vanaf 22 mei 2017 kan worden toegewezen. Voor de kosten van voorlopig deskundigenbericht zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf datum dagvaarding en voor de overige deskundigenkosten vanaf datum vonnis.
Reeds betaalde voorschotten
2.36.
Partijen twisten over het bedrag dat Arriva reeds als voorschot aan [eisende partij] heeft voldaan. Volgens [eisende partij] bedraagt dit bedrag € 51.413,49. Volgens Arriva € 58.913,49. Het verschil tussen deze bedragen is € 7.500,-. Daaruit leidt de rechtbank af dat het verschil zit in het door Arriva gestelde in 2017 – via Delta Loyd betaalde bedrag van € 7.500,-. [eisende partij] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist dat door hem in 2017 een bedrag van € 7.500,- aan voorschot is ontvangen van Delta Loyd (dat feitelijk is betaald door Arriva). De rechtbank gaat daarom uit van een bedrag van € 58.913,49 aan reeds betaalde voorschotten. Dit bedrag moet in mindering strekken op het door Arriva aan [eisende partij] te betalen bedrag.
Conclusie vordering onder 2
2.37.
Dit leidt tot de conclusie dat de vordering onder 2 tot een bedrag van € 410.705,00 kan worden toegewezen.
Inkomensschade t/m 1 januari 2026 € 148.750,00
Inkomensschade na 1 januari 2026 € 232.499,00
Medische kosten en para medische behandeling € 2.702,00
Diverse schadeposten € 1.844,00
Zelfwerkzaamheid € 2.728,00
Smartengeld € 20.000,00
BGK € 49.486,00
Kosten voorlopige deskundigenberichten € 3.603,00
Onderzoek [deskundige 4] € 1.858,00
Onderzoek [deskundige 5] € 2.668,00
Onderzoek [deskundige 1] € 800,00
Kosten Triage € 2.680,00
Subtotaal: € 469.618,00
Minus voorschotten: € 58.913,00
Totaal: € 410.705,00
De rechtbank komt niet toe aan bespreking van het subsidiair onder 2 gevorderde.
Wettelijke rente
2.38.
Partijen zijn het erover eens dat de betaalde voorschotten per 22 mei 2017 kunnen worden verrekend. Bovenstaand is geoordeeld over de (ingangsdatum van de) wettelijke rente over de inkomensschade en de deskundigenkosten. Het resterende schadebedrag waar dan nog apart wettelijke rente over loopt is € 17.847,- en kan zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 22 mei 2017.
Proceskosten
2.39.
Arriva zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding/ruimte om hierop de door Arriva verzocht correctie van 50% toe te passen.
1r.o. 4.4
2r.o. 4.22
3r.o. 4.21
4paragraaf 11.2 pagina 52
5HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586, NJ 2015/145.
6Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 mei 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1701
7HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624 (Manege Bergemo, Van der Slot/Bergemo)
8HR 30 juni 1995, NJ 1996, 200, ECLI:NL:HR:1995:ZC1778
