Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 291123 val na bedrijfsfeestje Ziggo op parkeerterrein; verzekeraar zoekt regres op eigenaar terrein; vordering verjaard

RBMNE 291123 val na bedrijfsfeestje Ziggo op parkeerterrein; verzekeraar zoekt regres op eigenaar terrein; vordering verjaard

over hetzelfde feestje en de zaak tussen Ziggo en de heer [C]:
RBMNE 250718 val op glas op parkeerplaats bij bedrijfsfeest, omstandigheden enigszins onduidelijk, maar wg-er had mogelijk maatregelen moeten treffen
- kosten: gevorderd 26 uren, begroot op 20 uren x € 220,- + 7% + 21 % + € 476 = € 6.172,68.

2Waar deze zaak over gaat

2.1.

Op 20 september 2013 vierde Ziggo haar 5-jarig jubileum op de evenementenlocatie [naam] te [plaats] . Voor dit feest waren alle medewerkers van Ziggo uitgenodigd. Zo ook de heer [C] . De heer [C] is na afloop van het feest ten val gekomen op een nabijgelegen terrein waar hij zijn auto had geparkeerd. [C] heeft hier blijvend letsel aan overgehouden waarvoor hij Ziggo op 6 april 2017 aansprakelijk heeft gesteld op grond van artikel 7:658 en 7:611 van het Burgerlijke Wetboek (BW).

2.2.

In het kader van de vaststelling van de aansprakelijkheid heeft op 31 oktober 2019 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden. Tijdens het getuigenverhoor werd duidelijk dat het terrein waarop [C] geparkeerd had rommelig, oneffen en overlicht was. Op 18 december 2020 heeft Nationale Nederlanden, de aansprakelijkheidsverzekeraar van Ziggo, een eerste voorschot op de schade van € 25.000,00 aan [C] betaald.

2.3.

Op 3 januari 2020 heeft Ziggo [naam] aansprakelijk gesteld voor de staat waarin het terrein zich bevond op grond van artikel 6:174 jo 6:181 en 6:162 BW en zich het recht voorbehouden regres te nemen. Achmea, de verzekeraar van [naam] , heeft de aansprakelijkheid afgewezen.

2.4.

Nationale Nederlanden en [C] hebben op 17 november 2021 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter regeling van de letselschade zonder erkenning van de aansprakelijkheid. [C] heeft op 18 november 2021 een slotbetaling van € 205.000,00 ontvangen. Nationale Nederlanden meent dat [naam] aansprakelijk is en wenst regres te nemen voor het gehele door haar uitgekeerde bedrag. Achmea handhaaft haar afwijzende standpunt.

2.5.

Nationale Nederlanden vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat Ziggo en [naam] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [C] . Daarnaast vordert zij een hoofdelijke veroordeling tot betaling van al hetgeen Nationale Nederlanden namens Ziggo aan [C] heeft voldaan, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.6.

[naam] voert verweer welke ertoe strekt dat de vorderingen van Nationale Nederlanden moet worden afgewezen omdat de vordering is verjaard, met veroordeling van Nationale Nederlanden in de proces- en nakosten.

3De beoordeling

3.1.

De rechtbank moet in de eerste plaats beoordelen of de vordering van Nationale Nederlanden is verjaard. Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.

3.2.

Volgens Nationale Nederlanden is de vordering niet verjaard omdat de Hoge Raad1 heeft bepaald dat de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:310 lid 1 BW niet eerder gaat lopen dan het moment waarop de regresvordering is ontstaan. Dit laatste is het geval zodra één van de hoofdelijk schuldenaren de vordering van de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. De verjaringstermijn voor wat betreft de regresvordering staat los van de vordering van [C] en is ten aanzien van het voorschot gaan lopen op 18 december 2020 en ten aanzien van het resterende bedrag op 18 november 2021. Ziggo heeft [naam] daarom op 3 januari 2020 tijdig aansprakelijk gesteld.

3.3.

Volgens [naam] gaat de uitspraak van de Hoge Raad waar Nationale Nederlanden naar verwijst in onderhavige kwestie niet op, omdat er geen sprake is van hoofdelijk verbonden schuldenaren. In dit verband voert [naam] aan dat eerst moet vastgesteld worden dat op ten minste twee personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust, voordat gesproken kan worden van hoofdelijke verbondenheid. In onderhavige kwestie is dat nooit gedaan en nu ook niet meer mogelijk omdat [naam] nooit aansprakelijk is gesteld door [C] en niet tijdig door Ziggo. Dat is nu ook niet meer mogelijk. De rechtsvordering van [C] op [naam] tot vergoeding van schade is verjaard. Hetzelfde geldt voor de vordering van Ziggo. Op het moment dat Ziggo [naam] aansprakelijk stelde was de verjaringstermijn al bijna 1,5 jaar verstreken. Dit verweer slaagt en de rechtbank ligt dat hieronder toe.

3.4.

De door Nationale Nederlanden aangehaalde jurisprudentie staaft niet haar stelling dat haar gesubgrogeerde recht niet is verjaard, omdat de onderliggende zaken op een essentieel punt afwijken van de onderhavige casus: er was reeds sprake van hoofdelijk schuldenaren op het moment dat de regresvordering werd ingesteld. In de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2012 waarnaar Nationale Nederlanden verwijst was tussen partijen niet in geschil dat de gedaagde als mede-eigenaar hoofdelijk aansprakelijk was voor de door hun paard veroorzaakte schade, zoals bedoeld in artikel 6:10 BW. Evenmin was in geschil dat zij gehouden zijn ieder voor de helft bij te dragen aan dergelijke schade. In de door Nationale Nederlanden aangehaalde uitspraak van het hof Arnhem Leeuwarden2 werd de hoofdelijke aansprakelijkheid vastgesteld nadat Prorail Volkerrail en DB Schenker in een eerder stadium al aansprakelijk had gesteld voor de schade aan de infrastructuur. Ook in de aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden Nederland van 2 december 20203 zijn beide verzekerden van de betrokken aansprakelijkheidsverzekeraars na het ongeval aansprakelijk gesteld en was er tussen de betrokken verzekeraars niet in geschil of er sprake was van mede-schuld.

3.5.

In onderhavige kwestie staat – zoals door [naam] terecht is aangevoerd - de hoofdelijke aansprakelijkheid en/of medeschuld van [naam] tussen partijen niet vast, is [naam] niet tijdig aansprakelijk gesteld door [C] , Ziggo of Nationale Nederlanden en is er ook geen andere stuitingshandeling verricht. Dit was wel nodig voor een geslaagd beroep op artikel 6:10 BW en de toepassing van de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2012. De rechtbank concludeert dat de vordering van Ziggo op 3 januari 2020 reeds was verjaard omdat de verjaringstermijn van vijf jaar na het ongeval destijds al was verstreken en dat het vaststellen van de hoofdelijke aansprakelijkheid in deze procedure om dezelfde reden ook niet meer mogelijk is. De rechtbank wijst de vorderingen van Nationale Nederlanden af.

3.6.

Nationale Nederlanden zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [naam] begroot op € 5.737,00 aan griffierecht en (€ 2.645,00 x 2 punten =) € 5.290,00 aan salaris advocaat, dus in totaal op € 11.027,00. De door [naam] gevorderde nakosten worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

1ECLI:NL:HR:2012:BU3784 HR 6 april 2012 (ASR/Achmea)

2ECLI:NL:GHARL:2015:1089 Hof Arnhem Leeuwarden 17 februari 2015

3ECLI:NL:RBMNE:2020:6025 Rechtbank Midden Nederland 2 december 2020

4type: 5346 coll:

 

Rechtbank Midden-Nederland 29 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:7786