GHSHE 021225 zelfstandig airco-installateur; hypothetisch pensioen op 65 wegens fysiek zwaar werk; dat en waarom het bedrijf ook daarna waarde vertegenwoordigd is onvoldoende aangetoond
- Meer over dit onderwerp:
GHSHE 021225 uitgangspunten VAV zelfstandig airco-installateur; bepalend is winst uit eigen uitvoerend werk; groei naar 8 fte niet aannemelijk, wel uitbreiding met 1 fte
- dat en waarom het bedrijf ook bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd waarde vertegenwoordigd is onvoldoende aangetoond
- hof hanteert gemiddelde winst over 5 jaar voor ongeval als referte, zonder correctie voor inflatie in die 5 jaar
- hypothetisch pensioen op 65 wegens fysiek zwaar werk; rekenkundig desk. te benoemen, kapitalisatie per 1-1-2026
- als erkend toegewezen: HH € 76.521, zwzh € 14.549, zelfredzaamheid en begeleiding € 5.000, smartengeld € 35.000;
- vergoeding voor in opdracht van hof gemaakte rekenkundige rapporten voor 50% toegewezen; onrealistische uitgangspunten
in vervolg op
GHSHE 030924 SO valt met palletkooi en al van lepels heftruck, opdrachtgever o.b.v. art. 6:162 en 6:170 BW aansprakelijk; ES slachtoffer 30%
- hof passeert tijdens mondelinge behandeling gevoerd verweer gebaseerd op 7A:1781; i.s.m goede procesorde en onvoldoende onderbouwd
5Het verloop van de procedure
5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 3 september 2024 waarbij het hof onder meer een mondelinge behandeling heeft gelast en de daarin genoemde stukken;
- het proces-verbaal van de op 26 maart 2025 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde stukken, zijnde de akte wijziging eis met producties 30 tot en met 39 aan de zijde van [appellant] , de akte indiening producties E tot en met G aan de zijde van [geïntimeerden] , de spreekaantekeningen van [appellant] met productie 40 en de spreekaantekeningen van [geïntimeerden] ;
- de memorie van uitlating omvang schade tevens wijziging van eis met producties 41 tot en met 49 aan de zijde van [appellant] ;
- de memorie van antwoord met producties H (van welke productie de bijlage ontbrak die op 11 augustus 2025 alsnog door het hof in ontvangen) tot en met P aan de zijde van [geïntimeerden]
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Nadat arrest was bepaald, zijn zijdens [appellant] per respectievelijk een H16-formulier van 11 augustus 2025 en een H10-formulier van 14 november 2025 verzoeken gericht aan het hof om nog een akte te mogen nemen wegens, kort gezegd, een gestelde desastreuze wending binnen het bedrijf van [appellant] . Het hof laat deze berichten buiten beschouwing. Er is niet gebleken van instemming van de wederpartij, terwijl het hof daarnaast geen reden ziet om anders te beslissen waartoe het van belang acht hetgeen verderop in rechtsoverweging 6.6.2 van dit arrest is overwogen.
6De verdere beoordeling
6.1.1.
In het tussenarrest van 3 september 2024 heeft het hof geoordeeld, zakelijk samengevat, dat de feiten en omstandigheden die zich bij en na het sluiten van de overeenkomst tussen [appellant] en [xx] hebben voorgedaan, meebrengen dat [appellant] er vanuit mocht gaan dat hij de overeenkomst had gesloten met [xx] als zijn contractuele wederpartij (rechtsoverweging 3.5.2). Ook heeft het hof geoordeeld dat de oorzaak van het aan [appellant] overkomen ongeval is gelegen in de omstandigheid dat [persoon B] aan [appellant] een heftruck met palletkooi ter beschikking heeft gesteld om te gebruiken voor het werken op een hoogte van vier meter voor het plaatsen van een buiten-unit van het airconditioningsysteem. [persoon A] , die werkzaam was voor [xx] en die door [persoon B] , haar bestuurder, was geïnstrueerd om met de heftruck de palletkooi op te halen, heeft bij het bevestigen van de palletkooi op de heftruck de lepels van de heftruck ingestoken aan de verkeerde en kantelgevaarlijke zijde van de pallet waar de kooi op was bevestigd, waardoor voor [appellant] een kantelgevaarlijke situatie ontstond, welk gevaar zich vervolgens heeft verwezenlijkt (rechtsoverweging 3.6.5). Verder heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheden van dit geval meebrengen dat het ter beschikking stellen aan [appellant] van de ondeugdelijk geprepareerde heftruck met palletkooi tegenover [appellant] een onrechtmatige daad oplevert en dat grond bestaat voor toerekening daarvan aan [xx] (rechtsoverwegingen 3.6.8 en 3.6.13). Het hof acht [xx] daarom aansprakelijk ex artikel 6:162 BW voor de schade die [appellant] door het ongeval heeft geleden (rechtsoverweging 3.6.16). Daarnaast brengen de feiten en omstandigheden in deze zaak mee dat [xx] ook op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is te achten tegenover [appellant] voor diens schade als gevolg van het ongeval (rechtsoverweging 3.6.17). Voorts heeft het hof geoordeeld dat sprake is van dertig procent eigen schuld van [appellant] (rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3). Vervolgens heeft het hof overwogen dat het hof op grond van artikel 612 Rv in deze procedure zal beoordelen wat de omvang van de schade is die [appellant] als gevolg van het ongeval heeft geleden en waarvoor [xx] voor 70% aansprakelijk is. Met het oog daarop en op een te gelasten mondelinge behandeling met als doel het beproeven van de mogelijkheden van een minnelijke regeling heeft het hof [appellant] opgedragen om te zorgen voor een schadebegroting met onderbouwing, waaronder bewijs van inkomsten over de periode van vijf jaar vóór tot en met vijf jaar na het ongeval en om het percentage blijvende invaliditeit te onderbouwen met een onderliggend oordeel van een medisch deskundige (rechtsoverwegingen 3.9.1 en 3.9.2).
6.1.2.
Op 26 maart 2025 heeft de gelaste mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij bij aanvang door de voorzitter is medegedeeld dat, gelet op de aard van de zitting, in beginsel wordt afgezien van het opnemen van verklaringen (proces-verbaal van mondelinge behandeling na tussenarrest, pagina 2). Van de zijde van het hof is gedurende de zitting verduidelijkt dat hetgeen bij die gelegenheid tussen partijen en het hof aan gedachten is gewisseld, een voorlopig karakter heeft. Partijen hebben geen minnelijke regeling bereikt, waarna de voorzitter de zaak naar de rol heeft verwezen voor memorie omtrent uitlating hoogte van de schade aan de zijde van appellant (proces-verbaal, pagina 2). Vervolgens hebben partijen ieder een memorie met nadere producties genomen.
De eiswijziging van [appellant]
6.2.1.
In de memorie van uitlating omvang schade tevens wijziging van eis heeft [appellant] zijn eis opnieuw gewijzigd en gevorderd:
1. te vernietigen de vonnissen waarvan beroep;
2. alsnog te verklaren voor recht dat:
a. a) [xx] aansprakelijk is voor de door [appellant] ten gevolge van het ongeval van
26 juni 2019 geleden en nog te lijden schade;
b) NN, op grond van de directe actie ex artikel 7:954 BW, jegens [appellant] gehouden is
tot volledige vergoeding van de door [appellant] ten gevolge van het ongeval van 26
juni 2019 geleden en nog te lijden schade;
3. [xx] en NN hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] ten gevolge van voornoemd ongeval (d.d. 26 juni 2019) geleden en nog te lijden schade,
te weten primair: met verwijzing naar de als [appellant] productie 48 overgelegde schadestaat een totaalbedrag van € 2.700.000,-;
te weten subsidiair: met verwijzing naar de als [appellant] productie 49 overgelegde
schadestaat een totaalbedrag van € 1.825.000,-;
althans meer subsidiair: conform de als productie 48 door [appellant] overgelegde schadestaat, echter waarbij wordt bepaald dat het verlies aan arbeidsvermogen op jaarbasis wordt afgewikkeld, in die zin dat bij arrest enkel voor de hypothetische situatie zonder ongeval het beloop (tot en met bereiken pensioenleeftijd) van het netto consumptief inkomen en de hypothetisch te realiseren verkoopwaarde van de onderneming wordt vastgesteld, zoveel mogelijk conform de als [appellant] productie 47 overgelegde berekening van [yy] Expertise, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade;
althans meer subsidiair: nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade;
4. [xx] en NN Schadeverzekering hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 450.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente, op de door [appellant] ten gevolge van voornoemd ongeval (d.d. 26 juni 2019) geleden en nog te lijden schade;
5. [xx] en NN Schadeverzekering hoofdelijk te veroordelen, des de ene partij betaalt aan [appellant] de ander is gekweten voor dat bedrag, in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en rente;
één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.
6.2.2.
Het door [appellant] primair gevorderde schadebedrag van € 2.700.000,- is opgebouwd uit zeventig procent van de volgende schadeposten minus het betaalde voorschot van € 100.000,-:
- Verlies aan arbeidsvermogen € 3.504.474,80
- Kosten huishoudelijke hulp € 114.786,-
- Verlies zelfwerkzaamheid € 56.998,83
- Verlies zelfredzaamheid € 5.000,-
- Diverse kosten € 27.137,57 + p.m.
- Begeleidingskosten € 2.500
- Reiskosten € p.m.
- Zaakschade € p.m.
- Evt. kosten zonder nut/gemist onstoffelijk voordeel € p.m.
- Ziekenhuis- en Revalidatievergoeding € 1.515,-
- Smartengeld € 35.000,-
In het subsidiair gevorderde schadebedrag is de post verlies aan arbeidsvermogen op
€ 2.263.074,60 gesteld (de hoogte van de overige posten is gelijk aan die in het primair gevorderde bedrag).
6.2.3.
De eiswijziging van [appellant] is het gevolg van de beslissing van het hof om de schade in deze procedure vast te stellen. [geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis. Ter toelichting op de gewijzigde eis heeft [appellant] , naar de kern genomen, het volgende aangevoerd. Door de beperkingen die [appellant] aan het ongeval heeft overgehouden, kan hij zijn gebruikelijke uitvoerende werk (het plaatsen, monteren en onderhouden van airconditioningsystemen) niet meer zelf verrichten. Hierdoor loopt hij de daarmee gemoeide omzet mis. Een substantieel deel van het uitvoerende werk dat [appellant] vóór het ongeval verrichtte, bestond uit het leveren, plaatsen en monteren van nieuwe airconditioninginstallaties. Verder is [appellant] niet meer in staat anderen op te leiden, waardoor hij de groeipotentie van zijn onderneming niet kan benutten. In het geval dat het ongeval hem niet zou zijn overkomen, zou hij in beginsel, net als vóór het ongeval, wekelijks zo’n 50 uren met uitvoerend werk bezig zijn geweest. Het administratieve werk zou hij in de avonden doen en overige commerciële en organisatorische werkzaamheden zou hij verspreid over de dag en avond hebben uitgevoerd. Pas later zou hij zijn uitvoerende arbeid wat zijn gaan afbouwen.
Bij het bepalen van uitgangspunten is het onontbeerlijk om bepaalde aannames te doen, zo vervolgt [appellant] zijn toelichting. We zullen immers nooit zeker weten hoe het [appellant] en zijn onderneming in de hypothetische situatie zonder ongeval zou zijn vergaan. Aannames ten aanzien van ‘zwarte’ omzet, en daarmee verrichte betalingen en daaruit genoten privé-onttrekkingen, zijn achterwege gelaten.
Volgens [appellant] leent deze zaak zich niet voor een schadeafwikkeling ineens, maar ligt een periodieke schadeafwikkeling in de rede.
[appellant] heeft eerder bepleit dat zijn onderneming in het licht van de exponentiële groei van de markt voor airconditioningsystemen in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben kunnen doorgroeien tot 8fte, zo betoogt [appellant] verder. Dat de onderneming van [appellant] in het verleden, vóór het ongeval, niet is gegroeid, rechtvaardigt niet de aanname dat dit in een exponentieel groeiende markt voor [appellant] niet haalbaar zou zijn geweest. Na heroverweging na de mondelinge behandeling op 26 maart 2025 stelt [appellant] dat het redelijk is te verwachten dat in de hypothetische situatie zonder ongeval in zijn onderneming uiteindelijk per 2029 zou hebben bestaan uit hemzelf, zijn huidige medewerker [persoon C] (hierna: [persoon C] ) en een derde arbeidskracht. Doordat [appellant] niet meer in staat is arbeidskrachten op te leiden, zal dat laatste niet meer mogelijk zijn waarbij [appellant] dus mede schade lijdt doordat hij opgeleid en dus duurder personeel aan zijn bedrijf zal moeten zien te binden met het oog op de continuïteit hetgeen zijn bedrijf economisch kwetsbaarder maakt, zo begrijpt het hof het verdere betoog van [appellant] op dit punt.
[yy] Expertise (hierna: [yy] ) heeft twee scenario’s doorgerekend aan de hand van opgesomde uitgangspunten (productie 47 bij memorie van uitlating omvang schade tevens wijziging van eis): een scenario waarin de onderneming van [appellant] tot pensioendatum bestaat uit [appellant] met één andere arbeidskracht ( [persoon C] ) en een scenario waarin de onderneming tot pensioendatum zal bestaan uit [appellant] met eerst één extra arbeidskracht en vervolgens, per 2029, met nog een tweede extra arbeidskracht. [appellant] verwijst voor de schadeomvang per scenario naar de met het oog daarop opgestelde schadestaat (producties 48 en 49 bij memorie van uitlating omvang schade tevens wijziging van eis).
6.2.4.
[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd tegen de schade zoals deze door [appellant] met zijn gewijzigde eis is gevorderd en hebben bepleit dat de nog te vergoeden schade moet worden vastgesteld op een bedrag van € 339.477,12 (zeventig procent van € 627.824,45 verminderd met het betaalde voorschot van € 100.000,-).
Ter motivering van het verweer hebben [geïntimeerden] aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de schade van [appellant] niet nauwkeurig is vast te stellen, omdat zijn eenmanszaak sterk wisselende omzetten vertoont, de looptijd van de schade bijna twintig jaar is waarin zich allerlei schadeverhogende en schadeverlagende omstandigheden kunnen voordoen en [appellant] vooral na het ongeval veel inkomsten en uitgaven buiten zijn boekhouding om liet lopen, zodat de jaarrekeningen van na het ongeval een te lage omzet weergeven. Verder geldt dat [appellant] als uitvoerend airco-installateur een fysiek zwaar beroep had en hij te maken had met premorbiditeit (te hoge bloeddruk; te hoog cholesterolgehalte) die in de situatie zonder ongeval tot vervroegde uitval had kunnen leiden.
Voor een periodieke schadeafwikkeling bestaat geen grond. Zij is zeer ongebruikelijk en brengt extra (afwikkelings)kosten met zich.
De schadepost ‘verlies arbeidsvermogen’, zo vervolgen [geïntimeerden] hun betoog, dient te worden berekend aan de hand van de volgende uitgangspunten:
a. het ongeluk staat niet in de weg aan uitbreiding van [zz] , en daarom is niet aannemelijk dat [zz] in de hypothetische situatie zonder ongeval meer monteurs in dienst zou hebben dan in de werkelijke situatie met ongeval;
b. de ongevalsgevolgen verhinderen slechts dat [appellant] zelf uitvoerende installatiewerkzaamheden verricht, maar niet dat hij de administratie voert, medewerkers aanstuurt en begeleidt, de inkoop doet, offertes en facturen opstelt en contacten onderhoudt met klanten, de leveranciers en de boekhouder;
c. [zz] heeft als kleine installatieonderneming, waarbij de goodwill verbonden is aan de persoon van de eigenaar, geen noemenswaardige verkoopwaarde;
d. in de hypothetische situatie zonder ongeval moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van € 85.291, zijnde het gemiddelde van de winst voor belastingen over de jaren 2017 en 2018 waarop de inflatiecorrectie werd toegepast, afgezet tegen de gerealiseerde resultaten, exclusief ‘zwarte’ verdiensten, in de werkelijke situatie met ongeval;
e. uitgegaan moet worden van een gemiddelde brutowinstmarge van 36,92%;
f. een afbouw door [appellant] van zijn werkzaamheden vanaf enkele maanden na zijn 63ste maar wel met de aanname dat hij, afbouwend, blijft doorwerken tot zijn AOW-leeftijd;
g. hantering van 1 juli 2025 als kapitalisatiedatum.
Daarnaast gaan [geïntimeerden] in op de schadeposten ‘huishoudelijke hulp’, ‘verlies zelfwerkzaamheid’, diverse kosten en vergoedingen, de post ‘smartengeld’ en de post ‘wettelijke rente’. Een en ander mondt uit in een samenvattende schadestaat.
Aan de door [yy] , de door [appellant] ingeschakelde deskundige, berekende bedragen in verband met de post ‘verlies arbeidsvermogen’ kan geen waarde worden toegekend.
De schade van [appellant] moet worden vastgesteld op € 627.824,45, te verminderen met 30% wegens eigen schuld van [appellant] en het verstrekte voorschot van € 100.000,-, waarna een schadebedrag van € 339.477,12 resteert, aldus nog steeds [geïntimeerden]
6.2.5.
Het hof zal hierna eerst een aantal nadere feiten vaststellen die het van belang acht voor het vaststellen van de hoogte van schade. Daarbij stelt het hof voorop dat het gronden ziet voor het vaststellen van een bedrag aan schadevergoeding ineens; voor een periodieke afwikkeling, op jaarbasis, ziet het hof geen grond. Vervolgens zal het hof ingaan op de door [appellant] opgevoerde schadeposten en waar mogelijk de omvang ervan vaststellen, met inachtneming van het verweer van [geïntimeerden] daartegen. In dat verband zal blijken dat het hof wat betreft de post ‘verlies aan arbeidsvermogen’ het weliswaar mogelijk acht de uitgangspunten voor de wijze waarop de omvang van die post moet worden vastgesteld te formuleren, maar het ook nodig acht een deskundige te benoemen om de hoogte van het ermee gemoeide bedrag te berekenen. Tegen deze achtergrond overweegt het hof verder als volgt.
Nadere feitenvaststelling in verband met het vaststellen van de hoogte van de schade
6.3.1.
[appellant] , geboren op 20 september 1969, was ten tijde van het ongeval op 26 juni 2019 49 jaar. [appellant] bereikt de pensioengerechtigde leeftijd op 20 december 2036 (67 jaar en 3 maanden).
6.3.2.
[appellant] is begonnen met zijn eenmanszaak [zz] in het jaar 2000. Vanaf de start in 2000 tot aan het ongeval in 2019 had hij geen personeel in dienst. [appellant] voerde in de regel alle werkzaamheden zelf uit. Soms schakelde hij voor opdrachten derden in.
6.3.3.
Bij [appellant] is op 19 november 2024 een expertiseonderzoek verricht door Assoc. Prof. Dr. [persoon D] , wervelkolom, orthopedisch en kinderorthopedisch chirurg (hierna: [persoon D] ). Daarvan is een rapport opgesteld, gedateerd 4 januari 2025 (hierna: het expertiserapport; productie 30 bij akte wijziging van eis van 25 maart 2025). In het onderdeel ‘Speciële anamnese en huidige klachten’ staat onder meer het volgende:
“Direct na het ongeval had de betrokkene hevige klachten. Zijn onderrug bleek gebroken en versplinterd, en hij had bovendien zijn onderbeen en linkerheup gebroken, aldus de betrokkene. (…).
De medische zorg na het ongeval was uitgebreid en er volgden meerdere operaties. Betrokkene werd op de vrijdag na het ongeval geopereerd aan zijn heup en been in het MMC te [A] . Vervolgens werd hij overgebracht naar het Catharinaziekenhuis voor een ingreep aan zijn rug, waarbij met behulp van osteosynthesemateriaal [hof: in het onderdeel “Beantwoording der vragen” afgekort als OSM] zijn ruggenwervels werden gefixeerd. De totale duur van zijn opname in het ziekenhuis besloeg van 26 juni tot en met 9 juli 2019, gevolgd door een periode van revalidatie van 9 juli tot 16 augustus 2019.
(…).
De psychische impact van het ongeval op de betrokkene was aanzienlijk. Het heeft zijn leven ingrijpend beperkt, wat leidde tot financiële onzekerheid en ook gevolgen had voor zijn sociale en intieme leven.
De pijn is voor de betrokkene constant aanwezig, pijnstillers worden gebruikt waaronder PCM en NSAID’s. Bij dagelijkse activiteiten zoals wassen en aankleden ervaart hij pijn, waardoor hij deze handelingen langzaam en voorzichtig uitvoert. Hij kan alleen heel lichte voorwerpen tillen en kan door de pijn niet verder lopen dan 500 meter. Zitten en staan zijn ook problematisch; hij kan niet langer dan één uur zitten en door de pijn kan hij niet langer dan 10 minuten blijven staan. Betrokkene geeft aan [dat hij, toevoeging hof] de laatste tijd meer last heeft van uitstraling naar de benen, met name bij vermoeidheid te ervaren. (…). Daarnaast geeft betrokkene aan huidklachten te ervaren, vermoedelijk ten gevolge van een bacteriële infectie aan het onderbeen, (…).
(…).
Al met al heeft het ongeval niet alleen fysieke, maar ook psychologische en sociale gevolgen voor de betrokkene, die zijn leven nu moet aanpassen aan de beperkingen die het ongeluk met zich heeft meegebracht. Voor het ongeval had de betrokkene geen klachten of beperkingen.”
6.3.4.
In het onderdeel “Beantwoording der vragen” (pagina 15 e.v.) bevat het expertiserapport onder meer het volgende:
“ Diagnose
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven?
De diagnose op mijn vakgebied luidt: posttraumatische klachten als gevolg van een pertrochantaire linker heupfractuur, een linkeronderbeenfractuur en een fractuur van de tweede lumbale wervel. Deze fracturen zijn radiologisch geobjectiveerd op de dag van het ongeval (26-06-2019) en chirurgisch behandeld. De posttraumatische rechterschouderklachten worden gerelateerd aan een relatieve overbelasting van de supraspinatuspees op basis van een verstoort frontaal alignement.
Invaliditeit
g. welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA Guides, 6de druk), aangevuld met eventuele richtlijnen/leidraad van uw eigen beroepsvereniging?
Voor de berekening van het percentage invaliditeit maak ik gebruik van de AMA Guide 6de editie aangevuld met de leidraad van de NOV.
(…).
Concluderend: rekening houdend met de Combined values chart (blz. 604) komt het totaal aan WPI hiermee op:
1% (rechterschouder) + 9% (linkerbeen) + 14% (lumbale wervelkolom) = 23% WPI.
(…).
Medische eindsituatie
i. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
Rechterschouder: Impingement klachten kunnen in het verloop van de tijd afnemen. Ik verwacht niet dat de klachten en beperkingen zullen verergeren.
Linker heup/pertrochantaire fractuur: Ik acht dat er ten aanzien van het linkerheup letsel over een eindsituatie kan worden gesproken. (…). Bovendien bestaat de kans dat na het verwijderen van het OSM nieuwe klachten ontstaan.
Linker onderbeen/tibia fractuur: Er is sprake van een eindsituatie: (…). Ik verwacht geen verslechtering. (…). Bovendien bestaat de kans dat na het verwijderen van het OSM nieuwe klachten ontstaan.
Lumbale wervelkolom/L2 fractuur: Een verbetering of verslechtering van het, aan de wervelkolomletsels gerelateerde klachtenpatroon zal niet binnen afzienbare tijd optreden. Mogelijk dat er een kans is op (versnelde) degeneratieve veranderingen op het fractuur niveau. Dit geldt ook voor de mogelijke discopatische en artrotische veranderingen op de niveaus boven en onder de splondylodese. Mogelijk zal dit resulteren in een toename van het WPI percentage binnen de huidige Klasse. Of de oorspronkelijke fractuur en behandeling uiteindelijk ook een progressieve scoliose, kyfose of drehgleiten kan induceren is onwaarschijnlijk daar de actuele röntgendiagnostiek sinds 2021 een stabiel beeld vertoond.”
6.3.5.
[persoon D] gaat in het expertiserapport ook in op vragen betreffende de situatie zonder ongeval. Het expertiserapport bevat in dat verband onder meer het volgende (pagina 21):
“a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
Voor het ongeval bestonden er bij betrokkene geen relevante klachten en afwijkingen op orthopedisch vakgebied.
(…).
c. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
Er zijn op orthopedisch vakgebied geen klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen.”
6.3.6.
Bij het expertiserapport is een beperkingenlijst gevoegd. Daaruit volgt dat [appellant] volgens [persoon D] ernstige beperkingen kent wat betreft: staan; lopen; trappenlopen; klimmen en klauteren; knielen, kruipen en hurken; gebogen werken; bukken en torderen; tillen; duwen en trekken; dragen. Verder kent [appellant] volgens [persoon D] lichte tot matige beperkingen wat betreft: zitten; reiken. Als persoonlijk risico ziet [persoon D] voor [appellant] het werken op ladders en steigers. De vibratiebelasting bij werken met zware machines kwalificeert [persoon D] als ernstig.
6.3.7.
De medisch adviseur van NN Schadeverzekering heeft het rapport van [persoon D] beoordeeld en is het eens met de uitkomsten van het rapport. Het rapport van [persoon D] kan ook volgens [geïntimeerden] als uitgangspunt voor de schadeberekening dienen.
6.3.8.
[appellant] kan als gevolg van het ongeval het uitvoerende werk niet meer zelf verrichten. Per 2021 heeft [appellant] voor het uitvoerend werk [persoon C] (hierna: [persoon C] ) in dienst genomen. [persoon C] is zelfstandig inzetbaar en wordt regelmatig ondersteund door een derde. [appellant] doet de administratie en haalt de opdrachten binnen.
6.3.9.
Blijkens een uittreksel uit het handelsregister, gedateerd 24 december 2024, is op 26 juni 2024 de besloten vennootschap [zz] B.V. opgericht (bijlage 4 bij het rapport van het door [xx] ingeschakelde Pott Expertise dat is overgelegd als productie E bij akte overlegging producties zijdens [geïntimeerden] ). Volgens datzelfde uittreksel is de besloten vennootschap [++] Holding B.V. de enig aandeelhouder en bestuurder van [zz] B.V. is. Uit een uittreksel uit het handelsregister betreffende [++] Holding B.V., eveneens gedateerd 24 december 2024, volgt dat ook deze vennootschap is opgericht op 26 juni 2024, met [appellant] als enig aandeelhouder en bestuurder (bijlage 5 bij het rapport van het door [xx] ingeschakelde Pott Expertise dat is overgelegd als productie E bij akte overlegging producties zijdens [geïntimeerden] ).
Uitgangspunten voor berekening verlies aan arbeidsvermogen
6.4.1.
Bij het berekenen van het verlies aan arbeidsvermogen van [appellant] stelt het hof het volgende voorop. Het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel op de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273). Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt (zie onder meer HR 15 mei 1998, ECLI:NLHR:1998:ZC2654 en HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277). In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Hoewel het resultaat van die afweging in cassatie beperkt toetsbaar is, dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273).
6.4.2.
In dit verband wijst het hof hier al op het volgende. Hiervoor is bij de feiten vermeld dat op 26 juni 2024 de besloten vennootschap [zz] is opgericht. Naar het hof begrijpt, mede in het licht van hetgeen daarover verder in de stukken is uiteengezet, heeft [zz] B.V. per 26 juni 2024 de voorheen door [appellant] in de vorm van een eenmanszaak gedreven onderneming (‘vestiging’) voortgezet. Pott Expertise, de deskundige die door [geïntimeerden] is ingeschakeld met het oog op de vaststelling van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen, maakt daarvan melding in zijn rapport van 20 februari 2025 (productie E bij akte overlegging aanvullende producties, pagina 11). [appellant] en [geïntimeerden] hebben aan deze omstandigheid echter geen consequenties verbonden wat betreft de omvang van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen, althans geen voor het hof kenbare consequenties. Het hof gaat daarom hierna bij de begroting van de omvang van de schade aan deze omstandigheid voorbij en gaat uit van de door [appellant] als zelfstandige geleden schade.
6.4.3.
Zoals hiervoor al is overwogen (rechtsoverweging 6.2.3), heeft [appellant] zijn gewijzigde eis wat betreft de component ‘verlies aan arbeidsvermogen’ toegelicht met een verwijzing naar de documenten die zijn overgelegd als productie 47 bij zijn memorie van uitlating omvang schade. Het eerste van die documenten bevat een opsomming van uitgangspunten waarop kennelijk de daarop volgende berekeningen van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen zijn gebaseerd. Zonder concrete nadere toelichting die is gegrond op onderliggende documentatie en onderbouwing, welke nadere toelichting ontbreekt, zijn de gehanteerde uitgangspunten niet voldoende navolgbaar. Naar het oordeel van het hof kunnen zij daarom niet als uitgangspunt dienen voor de berekening van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen in deze zaak. Het hof gaat er daarom aan voorbij. Voor het begroten van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen acht het hof, daarbij in aanmerking nemend wat partijen daarover over en weer hebben aangevoerd, het volgende van belang.
De situatie zonder ongeval
6.5.1.
Bij de begroting van de door [appellant] geleden inkomensschade acht het hof van belang dat [appellant] ten tijde van het ongeval een eenmanszaak dreef en zijn inkomen toen verwierf als zelfstandige, waarbij hij naar eigen zeggen alleen bij grotere projecten af en toe aanvullend derden inschakelde om te assisteren bij de uitvoering. [appellant] heeft aanvankelijk het standpunt ingenomen, zakelijk weergegeven, dat buiten twijfel staat dat [appellant] een substantiële groei van zijn bedrijf zou hebben verwezenlijkt als het ongeval hem niet was overkomen en hij volledig arbeidsgeschikt zou zijn geweest, en dat het redelijk is te verwachten dat hij zijn bedrijf zou hebben uitgebreid tot 8 fte met de bijbehorende omzetstijging (pleitnota [appellant] mondelinge behandeling op 26 maart 2025, randnummers 10/11). Daarbij heeft hij, onder verwijzing naar het rapport van [yy] van 10 juli 2024 (productie 33 bij akte wijziging van eis tevens indiening stukken), gewezen op de groei binnen de branche van de koeltechniek (pleitnota mondelinge behandeling 26 maart 2025, randnummer 10). Hoewel de schadevordering van [appellant] na de hiervoor in rechtsoverweging 6.2.1 weergegeven eiswijziging niet langer mede is gebaseerd op een uitbreiding van de onderneming tot 8 fte zal het hof toch ingaan op deze gestelde uitbreiding, mede omdat [appellant] er nog wel op wijst in zijn toelichting op de gewijzigde eis en omdat ook [geïntimeerden] zijn ingegaan op de veronderstelde uitbreidingsmogelijkheden voor [appellant] . Het hof overweegt daarover als volgt.
6.5.2.
Het hof acht niet aannemelijk dat [appellant] in de situatie zonder ongeval zijn onderneming substantieel zou hebben uitgebreid, zoals tot de door hem aanvankelijk gestelde 8 fte. Hiervoor is vastgesteld dat [appellant] ten tijde van het ongeval, op 26 juni 2019, 49 jaar oud was en toen al sinds 2000, en dus al ongeveer 19 jaar, zijn bedrijf in de vorm van een eenmanszaak exploiteerde (rechtsoverwegingen 6.4.1/6.4.2) Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] ten tijde van het ongeval concrete plannen had om zijn bedrijf uit te breiden op de wijze en in de mate die door hem is gesteld. Ook heeft [appellant] geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat hij op 49-jarige leeftijd, nadat hij gedurende een periode van 19 jaar zijn bedrijf als zelfstandige in de vorm van een eenmanszaak had geëxploiteerd waarbij hij slechts af en toe derden inschakelde voor assistentie bij grote projecten, erin zou zijn geslaagd om qua wijze van werken een zodanige omslag te maken dat hij leiding zou hebben kunnen geven aan een bedrijf met, naast [appellant] zelf, nog zeven andere krachten. Het exploiteren van een bedrijf met een dergelijke omvang zou van [appellant] wezenlijk andere acquisitieve, delegerende en aansturende vaardigheden hebben gevergd. Uit niets blijkt dat [appellant] destijds ambieerde om zich in die richting te ontwikkelen en dat hij daartoe in staat was. Het hof gaat er daarom aan voorbij.
6.5.3.
Als niet dan wel onvoldoende concreet weersproken staat vast dat de omzetcijfers van de branche waarin [appellant] met zijn eenmanszaak actief was in de jaren voorafgaand aan het ongeval een stijgende lijn lieten zien, welke lijn zich ook in de jaren na het ongeval heeft voortgezet. Zo was de branche-brede omzet in 2022 57% hoger dan in 2015 en ook de winstgevendheid is in die periode toegenomen van ongeveer 7,2% in 2016 tot 10,7% in 2022/2023 ( [yy] , pagina 14, productie 33 van [appellant] ). Ook de onderneming van [appellant] liet in de jaren voorafgaande aan het ongeval gemiddeld genomen groei van de omzet en winst zien. Het hof wijst op het overzicht van de winst- en verliesrekeningen van [zz] over de jaren 2014 tot en met 2018 dat onderdeel is van bijlage 1 bij het rapport van Pott Expertise van 20 februari 2025 (productie E bij akte overlegging aanvullende producties zijdens [geïntimeerden] ). In dit verband komt naar het oordeel van het hof ook betekenis toe aan de uiteenzetting van [yy] over de verwachte toekomstige marktontwikkelingen die erop neerkomen dat sprake zal zijn van verdere groei van de markt voor airconditioningsystemen (pagina’s 15 en 16 van het hiervoor genoemde rapport). Verder heeft [appellant] een verklaring van [persoon C] ingebracht waarin staat dat [persoon C] [appellant] sinds 2012 kent, dat [appellant] hem heeft geadviseerd om eerst diverse airconditioning-, koeltechniek en elektro-opleidingen te volgen en dat het altijd de bedoeling is geweest om bij [appellant] in dienst te treden. Volgens [appellant] zou hij [persoon C] ook in de situatie zonder ongeval per 2021 hebben aangenomen. Gegeven het feit dat [appellant] al eerder af en toe derden inschakelde, de positieve marktontwikkelingen in de branche en de verklaring van [persoon C] dat het voorafgaand aan het ongeval al de bedoeling was dat [appellant] hem in dienst zou nemen en, gelet op de hiervoor genoemde groei van de omzet en winst van de eigen onderneming van [appellant] en de verwachte verdere groei van de markt voor airconditioningsystemen, acht het hof het, daarbij de goede en kwade kansen afwegende, een redelijke verwachting dat [appellant] in de situatie zonder ongeval wel tot enige uitbreiding van zijn onderneming zou zijn overgegaan. Op grond van voornoemde concrete aanwijzingen gaat het hof ervan uit dat [appellant] in dat geval het bedrijf zou hebben uitgebreid door één persoon full time (voor 40 uur per week) in dienst te nemen per 2021. Voor verdere uitbreiding bestaan naar het oordeel van het hof geen (voldoende) concrete aanwijzingen, dus ook niet per 2029 met nog een tweede extra arbeidskracht. Naar het oordeel van het hof valt redelijkerwijs te verwachten dat [appellant] zijn bedrijf op die wijze (met één werknemer full time in dienst) zou hebben voortgezet tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd.
6.5.4.
Dat de heer [appellant] vóór het ongeval bekend was met een te hoge bloeddruk en een hoog cholesterolgehalte, zoals [geïntimeerden] hebben aangevoerd, acht het hof een onvoldoende concrete aanwijzing voor de aanname dat [appellant] vanwege medische redenen al eerder zou zijn uitgevallen dan met 67 jaar en 3 maanden. Dat met dit soort klachten over het algemeen die werkzame leeftijd niet wordt gehaald, hebben [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd. Desalniettemin acht het hof het, wederom de goede en kwade kansen afwegende, geen redelijke verwachting dat [appellant] in de situatie zonder ongeval tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar en drie maanden de door hem tot het ongeval uitgevoerde montage- en installatiewerkzaamheden zou zijn blijven verrichten. Voor zover [appellant] daarvan is uitgegaan bij de door hem berekende inkomensschade volgt het hof [appellant] daarin niet. De situatie zonder ongeval gaat er immers vanuit dat [appellant] zelf de airconditioningsystemen zou zijn blijven monteren en installeren. Uit hetgeen partijen in dit geding over dat werk hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd, leidt het hof af dat het fysiek belastend werk betreft. Er wordt immers gewerkt met zware apparaten die moeten worden gedragen en getild, en die vaak op zodanige hoogte moeten worden aangebracht dat een ladder of steiger nodig is. Met inachtneming van de onzekerheden en de goede en kwade kansen die gemoeid zijn met het bepalen van de leeftijd waarop [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval met pensioen zou zijn gegaan, stelt het hof het moment waarop [appellant] dat zou hebben gedaan in redelijkheid op een datum die is gelegen in het jaar dat hij 65 wordt, namelijk op 26 juni 2034, zijnde 15 jaar na het ongeval.
De situatie met ongeval
6.6.1.
Niet in geschil is dat [appellant] als gevolg van het ongeval zelf geen uitvoerende werkzaamheden meer kan verrichten. [appellant] doet de acquisitie en administratie van de onderneming. De uitvoerende werkzaamheden zijn na het ongeval in 2019 gedurende twee maanden geheel stopgezet en in de direct daarop volgende jaren is de omzet en de winst van de onderneming gelimiteerd geweest door de beperkt beschikbare arbeid. [appellant] heeft per 2021 [persoon C] full time (voor 40 uur) in dienst genomen om de uitvoerende werkzaamheden te verrichten die [appellant] niet meer kan verrichten. [persoon C] werkt zelfstandig en (net als in de situatie voorafgaand aan het ongeval) worden er regelmatig (niet zelfstandig inzetbare) derden ingeschakeld. Tot op heden heeft [appellant] het bedrijf niet verder uitgebreid en er bestaan geen (voldoende) concrete aanknopingspunten voor de verwachting dat dit in de toekomst wel zal gebeuren, waarbij het hof ook wijst op hetgeen hiervoor bij de bespreking van de situatie zonder ongeval is overwogen over de wijze waarop [appellant] zijn onderneming gedurende 19 jaar, tot het hem overkomen ongeval, heeft bestierd. Het hof gaat er daarom bij de verdere schadebegroting vanuit dat [appellant] in de situatie met ongeval zijn onderneming niet verder uitbreidt dan met één vaste arbeidskracht opdat deze het uitvoerende werk kan verrichten ter vervanging van [appellant] . In dit verband acht het hof ook van belang dat uit het rapport van [persoon D] en de daarbij gevoegde beperkingenlijst voldoende blijkt dat [appellant] zelf geen onopgeleid personeel kan opleiden als gevolg van het ongeval. Zo is [appellant] ernstig beperkt in lopen en staan en zijn knielen, kruipen, hurken en gebogen werken ernstig beperkt tot onmogelijk.
6.6.2.
[appellant] heeft er in zijn memorie van uitlating omvang schade op gewezen dat de continuïteit van zijn bedrijf als gevolg van het ongeval (economisch) kwetsbaar is geworden doordat hij zelf geen uitvoerende werkzaamheden meer kan verrichten en ook zelf geen nieuw personeel meer kan opleiden. Als [persoon C] vertrekt, waarmee volgens [appellant] serieus rekening moet worden gehouden, zal het bedrijf volgens [appellant] de opdrachten niet meer kunnen uitvoeren, hetgeen desastreus zou zijn voor zijn bedrijf. Ten eerste stelt het hof vast dat [appellant] daarmee al is ingegaan op de eventualiteit van een vertrek van [persoon C] en de mogelijk desastreuze gevolgen daarvan voor zijn bedrijf. Mede gelet daarop ziet het hof geen reden om [appellant] daartoe nogmaals de gelegenheid te geven, zoals verzocht bij H-formulieren van respectievelijk 11 augustus 2025 en 14 november 2025. Verder overweegt het hof hierover het volgende. Dat [persoon C] op korte termijn vertrekt, omdat hij voor zichzelf wil beginnen of om andere redenen, acht het hof gezien zijn jonge leeftijd en het feit dat dit zijn eerste baan is, een reële eventualiteit. [geïntimeerden] hebben (al tijdens de op 26 maart 2025 gehouden mondelinge behandeling) in dit verband aangevoerd dat [appellant] dan ander opgeleid personeel kan aannemen en inzetten. [appellant] is daarop in zijn memorie van uitlating omvang schade niet (voldoende) ingegaan. Dat en waarom [appellant] geen ander opgeleid personeel kan aantrekken of inzetten ter vervanging van [persoon C] , heeft hij naar het oordeel van het hof in dit licht onvoldoende onderbouwd. Uit de verklaring van [persoon C] blijkt dat ook hij eerst elders is opgeleid en daarna pas bij [appellant] in dienst kwam. Dit was na het ongeval. Onduidelijk blijft waarom [appellant] niet opnieuw iemand in dienst zou kunnen nemen die elders is opgeleid. Zonder concrete nadere toelichting, die ontbreekt, is de enkele opmerking dat het moeilijk is om personeel te vinden, onvoldoende. Zo heeft [appellant] niet nader toegelicht waarom bijvoorbeeld het bieden van een meer dan marktconform salaris er toch niet in zou resulteren dat hij na een vertrek van [persoon C] een nieuwe uitvoerende medewerker zou kunnen aantrekken. Dat een vertrek van [persoon C] desastreuze gevolgen heeft in die zin dat [appellant] dat in het geheel niet kan opvangen, heeft hij daarmee onvoldoende onderbouwd.
Waardedaling onderneming bij verkoop/’zwarte’ verdiensten
6.7.
Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellant] dat in de hypothetische situatie zonder ongeval de verkoopwaarde van de onderneming bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van [appellant] hoger was geweest met een groter klantenbestand.
Vast staat dat [appellant] nog altijd het gezicht is van de onderneming in die zin dat hij zelf de opdrachten binnenhaalt (onderdeel 12 van de memorie van uitlating omvang schade). Dat en waarom het bedrijf zonder hem waarde vertegenwoordigt en dat het klantenbestand ook zonder [appellant] waarde vertegenwoordigt, hebben [geïntimeerden] gemotiveerd betwist en is in dit licht onvoldoende onderbouwd.
6.8.
Voorts gaat het hof voorbij aan aannames over door [appellant] gegenereerde ‘zwarte’ omzet, zowel waar het gaat om de periode vóór het ongeval als wat betreft de periode erna. [appellant] heeft deze bij de schadeberekening die ten grondslag ligt aan de gewijzigde eis achterwege gelaten (memorie van uitlating omvang schade tevens gewijzigde eis, randnummer 8), terwijl [geïntimeerden] er wel op wijzen, maar er geen conclusies aan verbinden, althans geen voor het hof kenbare conclusies (antwoordmemorie uitlating omvang schade, pagina 9/10 sub d).
De vergelijking van de hypothetische situatie zonder ongeval met die met ongeval
6.8.1.
Wat betreft de post ‘verlies arbeidsvermogen’ voert het voorgaande naar het oordeel van het hof, alle onzekerheden en goede en kwade kansen afwegende, tot het volgende. Het is in de hypothetische situatie zonder ongeval redelijkerwijs te verwachten dat [appellant] zelf het uitvoerende werk zou zijn blijven verrichten op (nagenoeg) dezelfde wijze als waarop hij werkte tot de datum van het ongeval, met de bijbehorende omzet en winst. Gelet op de groei van zijn bedrijf in de jaren voor het ongeval en de gunstige verwachtingen omtrent de toekomstige groei van de branche waarin de onderneming van [appellant] opereerde, is wel aannemelijk dat [appellant] zijn onderneming met één arbeidskracht zou hebben uitgebreid, met de daarbij behorende omzet en winst. In de situatie met ongeval is [appellant] niet meer in staat zijn werk te verrichten op (nagenoeg) dezelfde wijze als waarop hij werkte tot de datum van het ongeval, met verlies dus van de daarmee gemoeide omzet en winst. Het uitvoerende werk dat voorheen door [appellant] werd verricht, moet in die situatie worden verricht door een vervangende arbeidskracht. Naar het oordeel van het hof, daarbij de goede en kwade kansen afwegende, zijn de omzet en winst die zijn gemoeid met het aantrekken door [appellant] van een extra arbeidskracht in de hypothetische situatie zonder ongeval redelijkerwijs weg te strepen tegen de omzet en winst die is gemoeid met het aantrekken van [persoon C] als arbeidskracht dan wel, bij diens eventuele vertrek, een vervangende arbeidskracht in de situatie met ongeval. Naar het oordeel van het hof is daarmee de winst die [appellant] in de situatie zonder ongeval zou hebben gegenereerd met de door hemzelf uitgevoerde montage- en installatiewerkzaamheden bepalend voor de omvang van de post ‘verlies arbeidsvermogen’.
6.8.2.
Naar het oordeel van het hof dient voor een redelijke begroting van de post ‘verlies arbeidsvermogen’ te worden uitgegaan van de gemiddelde winst die [appellant] genereerde in de vijf jaren voor het jaar waarin het ongeval plaatsvond, dus in 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018. Het hof neemt dus niet tot uitgangspunt de door [geïntimeerden] genoemde gemiddelde winst over de jaren 2017 en 2018, om reden dat het ook de verder door [geïntimeerden] bepleite uitgangspunten niet zonder meer overneemt, zoals uit het voorgaande blijkt, en geen grond bestaat om [geïntimeerden] dan wel te houden aan dat ene door hen geformuleerde uitgangspunt. Bijlage 1 bij het rapport van Pott Expertise van 20 februari 2025 (productie E bij de akte overlegging aanvullende producties van [geïntimeerden] ) bevat een verkorte weergave van de verlies- en winstrekeningen van [zz] over de jaren 2014 tot en met 2023. Die weergave is door [appellant] niet bestreden, zodat het hof uitgaat van de juistheid ervan. Uit de weergave volgt dat [zz] over 2014 een winst noteerde van: € 51.809,-, over 2015; € 62.392,- over 2015; € 59.736,- over 2016; € 88.803,- over 2017; en € 81.779,- over 2018. De gemiddelde winst over die jaren komt daarmee uit op € 68.903,80. Dat bedrag van € 68.903,80 dient naar het oordeel van het hof te worden gebruikt als uitgangspunt om de schade tot en met nu en de toekomstige gekapitaliseerde schade over een periode van in totaal 15 jaren (zie hiervoor rechtsoverweging 6.5.5) te berekenen, rekening houdend met rendement, inflatie, sterftekans en fiscaliteit, en met als percentages voor toekomstige rente en inflatie over de periode 0 tot en met 5 jaar van respectievelijk 1,5% en 2,0% en over de periode 6 tot en met 15 jaar van respectievelijk 2,0% en 2,0%. Als kapitalisatiedatum geldt 1 januari 2026.
6.8.3.
Het hof is voornemens een rekenkundig expert te benoemen opdat deze de berekening als bedoeld onder 6.8.2 zal maken. Het hof is vooralsnog voornemens om als rekenkundig expert te benoemen:
de heer mr. [persoon E] van [--] B.V.
[adres]
[postcode] [B]
Telefoon: [telefoonnummer]
Email: info@ [--] .nl
Het hof is voorts voornemens aan de rekenkundig expert de volgende vragen te stellen:
1. Kunt u, rekening houdend met de door het hof hiervoor in rechtsoverweging 6.8.2 geformuleerde uitgangspunten, een rekenkundige opstelling van de schade van [appellant] vaststellen?
2. Heeft u opmerkingen die u van belang acht voor de beoordeling van de door u te maken berekening?
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de door het hof voorgestelde persoon van de rekenkundig expert en de aan de rekenkundig expert voor te leggen vragen.
Kosten huishoudelijke hulp en Verlies zelfwerkzaamheid
6.9.1.
[appellant] vordert vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp. Die heeft hij als volgt onderbouwd onder verwijzing naar de Richtlijn Letselschaderaad (productie 48):
“Periode 26-6-2019 t/m 26-9-2019 € 1.818,00 Alleenstaand, zwaar beperkt
Periode 27-9-2019 t/m 26-12-2019 € 910,00 € 10,- p/u | 7 u/w | 13 weken
Periode 27-12-2019 t/m 31-12-2022 € 10.955,00 € 10,- p/u | 7 u/w | 156,5 weken
Periode 1-1-2023 t/m 31-12-2024 € 8.190,00 € 11,-, € 11,50 p/u | 7 u/w | 104 weken
Periode 1-1-2025 t/m 20-9-2044 € 92.913,00 € 11,- € 12,- p/u | 7 u/w | contantewaarde berekening m.i.v. 1-1-2026”
6.9.2.
Daarnaast vordert [appellant] vergoeding van kosten wegens verlies aan zelfwerkzaamheid onder verwijzing naar de Richtlijn Letselschaderaad:
“Periode 26-6-2019 t/m 31-12-2019 € 809,17 27 weken dus 0,52 * 1197 * 1,3 (aandeel 100%)
Periode 2020 € 1.556,10 1197 * 1,3
Periode 2021 € 1.673,10 1287 * 1,3
Periode 2022 € 1.673,10 1287 * 1,3
Periode 2023 € 1.760,20 1354 * 1.3
Periode 2024 € 1.866,80 1436 * 1,3
Periode 1-1-2025 t/m 20-9-2044 € 42.330,00 1531 * 1,3 p/j |
contantewaarde berekening m.i.v. 1-1-2026”
6.9.3.
Volgens [geïntimeerden] had [appellant] voorafgaand aan het ongeval naast zijn beroepsmatige werkzaamheden geen tijd voor het huishouden (of andere werkzaamheden) omdat hij naar eigen zeggen 50 uur per week uitvoerende werkzaamheden verrichtte en daarnaast in de avonden en in het weekend acquisitie en administratie werkzaamheden had.
Hieruit blijkt weliswaar dat [appellant] veel tijd kwijt was aan zijn werk, maar het hof kan hieruit niet afleiden dat er helemaal geen tijd overbleef voor [appellant] om huishoudelijke, of andere werkzaamheden te doen.
6.9.4.
Wel had van [appellant] enige toelichting mogen worden verwacht op deze door hem gestelde schadeposten. Ten behoeve van de op 26 maart 2025 gehouden zitting in hoger beroep, had [appellant] al een schadestaat overgelegd en hadden [geïntimeerden] in het kader van huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid al opgemerkt dat [appellant] een zoon en/of vriendin lijkt te hebben en geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn gezinssituatie. Ook hebben [geïntimeerden] toen aangegeven dat [appellant] zijn schadeposten ten onrechte doorrekent tot 75 jarige leeftijd (zie de spreekaantekeningen van [geïntimeerden] onder punt 8.3).
6.9.5.
Van [appellant] had mogen worden verwacht dat hij hierop was ingegaan en in zijn laatste memorie alsnog duidelijkheid had verschaft en zijn schadeposten enigszins had onderbouwd. [appellant] heeft echter helemaal niets toegelicht, bijvoorbeeld ook niet waarom hij kosten voor huishoudelijke hulp vordert over de periode dat hij in de revalidatiekliniek was opgenomen of waarom hij uitgaat van factor 1,3 uit de Letselschaderichtlijn Zelfwerkzaamheid. Daarmee heeft [appellant] (de omvang van) zijn schadeposten onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom enkel de bedragen toekennen voor zover [geïntimeerden] de verschuldigdheid daarvan (althans van 70% daarvan) niet heeft betwist. Het hof stelt deze posten vast op € 76.521 voor huishoudelijke hulp en op € 14.549 voor verlies zelfwerkzaamheid.
Verlies zelfredzaamheid / Begeleidingskosten
6.10.1.
[appellant] heeft een schadepost opgevoerd van € 5.000 aan verlies zelfredzaamheid. De onderbouwing daarbij luidt: “Stelpost lump sum | met name vriendin heeft veel voor cliënt gezorgd”. Daarnaast heeft [appellant] een schadepost opgevoerd aan begeleidingskosten van
€ 2.500. De onderbouwing daarbij luidt: “Stelpost lump sum | met name vriendin heeft cliënt veelvuldig begeleid bij afspraken”.
6.10.2.
Het hof is het met [geïntimeerden] eens dat [appellant] de hoogte van deze posten onvoldoende heeft onderbouwd. Er hadden met de gegeven toelichting immers evengoed heel andere bedragen kunnen staan. Het hof zal dan ook een bedrag van € 5.000 toekennen voor deze posten samen omdat [geïntimeerden] de verschuldigdheid daarvan (althans van 70% daarvan) niet heeft betwist.
Diverse kosten
6.11.1.
Onder deze post vordert [appellant] “Kosten honorarium Soetens Letschade Advocatuur p.m.”. Voor zover het gaat om kosten die zijn gemaakt ter voorbereiding of instructie van de huidige gerechtelijke procedure, komen ze niet voor vergoeding in aanmerking en geldt de forfaitaire proceskostenveroordeling die het hof zal uitspreken. Datzelfde geldt voor de opgevoerde posten “griffierecht hoger beroep”, “Kosten deurwaarder betekenen appeldagvaarding” en “verschotten Soetens Letselschade advocatuur ivm fourneren procesdossier”. Voor zover het volgens [appellant] gaat om andere, buitengerechtelijke kosten, heeft [appellant] dat niet voldoende onderbouwd. [appellant] heeft daaromtrent geen enkele toelichting gegeven en ook geen nota’s overgelegd waaruit de onderbouwing voldoende blijkt. [geïntimeerden] hebben betwist dat dergelijke kosten zijn gemaakt.
6.11.2.
Verder vordert [appellant] :
“Medisch advies Triage d.d. 11/9/24 € 378,54 factuur met nummer 24010304
Medisch advies Triage d.d. 7/10/24 € 536,96 factuur met nummer 24011490
Medisch advies Triage d.d. 18/12/24 € 948,12 factuur met nummer 24014910
Medisch advies Triage d.d. 8/1/25 € 145,03 factuur met nummer 25000317
UOGN expertise d.d. 10/2/25 € 5.057,80”
6.11.3.
Ook volgens [geïntimeerden] (onderdeel 4.24 van de laatste memorie) kan deze kostenpost worden vastgesteld op € 7.066,45 zodat het hof daarvan zal uitgaan.
6.11.4.
[appellant] vordert kosten voor het laten opstellen van de rapporten door [II] (€ 6.231,84) en [yy] (€ 9.952,26 + p.m.). Volgens [geïntimeerden] is in deze rapporten uitgegaan van onrealistische uitgangspunten en waren de rekenmethodieken niet volgens de professionele standaard zodat niet is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets.
Verder wijst [geïntimeerden] erop dat de nota’s waarschijnlijk vanuit het bedrijf (exclusief btw) zijn betaald. [appellant] heeft hierop niet kunnen reageren, maar het hof kan wel vaststellen dat de eerste factuur van [yy] op naam is gesteld van het bedrijf en de factuur van [II] op naam van het kantoor van mr. Soetens (de factuur van [II] en de eerste factuur van [yy] zijn bijgevoegd in productie 36). Met betrekking tot de factuur van [II] heeft [appellant] het bedrag inclusief btw gevorderd. Dat in de rapporten is uitgegaan van onrealistische uitgangspunten volgt ook uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de post ‘verlies van arbeidsvermogen’. In zoverre hebben deze rapporten niet bijgedragen aan de bepaling van de omvang van de door [appellant] geleden schade en ligt volledige vergoeding van de ermee gemoeide kosten niet in de rede. Anderzijds geldt ook dat het in het licht van de omstandigheid dat het hof in dit geding zou overgaan tot het vaststellen van de omvang van de door [appellant] geleden en nog te lijden schade en [appellant] heeft opgedragen de schadeomvang nader te onderbouwen voor de hand lag dat [appellant] zich zou wenden tot deskundigen zoals [yy] en [II] , terwijl het hof bij de begroting van de schade ook gebruik heeft gemaakt van delen van de door de deskundigen in hun rapporten opgenomen gegevens. Het hof zal op grond van al het voorgaande de helft van de kosten die zijn gemaakt voor het opstellen van beide rapporten meenemen als schadepost (€ 8.092,05). Toekomstige kosten zijn niet onderbouwd en wijst het hof af.
6.11.5.
De gevorderde kosten van € 677,98 voor orthopedisch schoeisel hebben [geïntimeerden] betwist. Volgens [geïntimeerden] zit de factuur niet in het dossier en worden kosten voor orthopedische schoenen vergoed vanuit de basisverzekering.
De factuur zit wel degelijk in het dossier achter productie 36 en daarop staat “Indien de verzekeringsmaatschappij waarbij ondergetekende is verzekerd voor medische hulpmiddelen, niet tot betaling overgaat, verplicht ondergetekende zich tot het voldoen van bovenstaande bedrag.” In dit licht is de betwisting van [geïntimeerden] onvoldoende. Het hof zal deze schadepost meenemen.
6.11.6.
[appellant] heeft € 1.515,- gevorderd aan Ziekenhuis- en Revalidatievergoeding zonder daarop enige nadere toelichting te geven. Het hof kan de hoogte van deze schadepost daarom niet controleren en [appellant] heeft de omvang van deze schadepost daarmee onvoldoende onderbouwd. Het hof zal deze schadepost vaststellen op € 1.380,-, zijnde het bedrag dat door [geïntimeerden] wordt erkend.
6.11.7.
Tot slot heeft [appellant] in zijn schadestaat opgenomen:
“Reiskosten € p.m.
Zaakschade € p.m.
Evt. kosten zonder nut/gemist onstoffelijk voordeel € p.m.”
Voor zover [appellant] hiermee heeft bedoeld te stellen dat hij kosten heeft gemaakt of in de toekomst moet maken als gevolg van het ongeval, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd. Ook de omvang van deze posten is niet genoemd, laat staan onderbouwd. Het hof kent hiervoor geen vergoeding toe.
Smartengeld
6.12.
Over de hoogte van het smartengeld (€ 35.000) zijn partijen het eens.
Tussenconclusie ten aanzien van de diverse schadeposten
6.13.1.
Het voorgaande leidt met betrekking tot de diverse schadeposten tot het volgende overzicht (waarbij de hoogte van de post verlies aan arbeidsvermogen pas na de berekening door een deskundige zal kunnen worden vastgesteld):
- Verlies aan arbeidsvermogen € p.m.
- Kosten huishoudelijke hulp € 76.521,-
- Verlies zelfwerkzaamheid € 14.549,-
- Verlies zelfredzaamheid en begeleidingskosten € 5.000,-
- Kosten medische rapporten € 7.066,45
- Kosten rapportage [II] en [yy] € 8.092,05
- Orthopedisch schoeisel € 677,98
- Ziekenhuis- en Revalidatievergoeding € 1.380,-
- Smartengeld € 35.000,-
Wettelijke rente
6.14.
[appellant] heeft de wettelijke rente gevorderd vanaf het ontstaan van de schade. Omdat dit het uitgangspunt is, heeft [appellant] daar in beginsel recht op. Op de wijze waarop de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, zal het hof terugkomen in het eindarrest.
Slotoverwegingen
6.15.
De zaak zal naar de rol worden verwezen van zes weken na de datum van dit arrest voor akte uitlating als bedoeld in rechtsoverweging 6.8.3 van dit arrest.
6.16.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2 december 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3433
