RBROT 070126 Westenberg-Smit; Schadestaatprocedure Kat; deel juridische kosten toegewezen; afwijzing omzetderving en immateriële schade
- Meer over dit onderwerp:
RBROT 070126 Westenberg-Smit; Schadestaatprocedure Kat; deel juridische kosten toegewezen; afwijzing omzetderving en immateriële schade
zie ook
VVCS.nl 011218 Westenberg/Smit – derogerende werking R&B en korte verjaringstermijn art. 3:310 BW
1De zaak in het kort
1.1.
Deze zaak is een schadestaatprocedure en volgt op de volgende hoofdprocedures:
1) de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met zaaknummer 200.172.773/02, die is geëindigd bij eindarrest van 26 mei 2020, en
2) de zaak tussen [eiser] en de Staat bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met zaaknummer 200/280.336/01, die is geëindigd bij eindarrest van 21 maart 2023.
1.2.
Deze hoofdprocedures volgden op hun beurt op een procedure (in eerste aanleg en in hoger beroep) die [gedaagde] , oud-rechter in de rechtbank Den Haag, tegen [eiser] , journalist, had gevoerd. De aanleiding daarvan was de publicatie van een door [eiser] geschreven boek, waarin [eiser] verslag deed van een gesprek met een advocaat die [gedaagde] verweet dat hij in de zogenoemde Chipshol-zaak voorafgaand aan een zitting met advocaten had gebeld. Volgens [gedaagde] had dat telefoongesprek niet plaatsgevonden. Deze procedure is in eerste aanleg en in hoger beroep voor [gedaagde] gefinancierd door de Staat.
1.3.
In de hoofdprocedure van [eiser] tegen [gedaagde] heeft het gerechtshof
’s-Hertogenbosch vastgesteld dat het hiervoor bedoelde telefoongesprek wel had plaatsgevonden en heeft het hof geoordeeld dat [gedaagde] , door een procedure tegen [eiser] aan te spannen op de onjuiste feitelijke grondslag van ontkenning van dat telefoongesprek, misbruik van procesrecht heeft gemaakt/onrechtmatig heeft gehandeld. Om die reden heeft het hof [gedaagde] veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van dat misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen.
1.4.
In de hoofdprocedure van [eiser] tegen de Staat en de Raad voor de rechtspraak heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de Staat veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden de schade die het gevolg is van het feit dat de Staat de procedure heeft gefinancierd die [gedaagde] tegen [eiser] heeft gevoerd, vanaf de procedure in hoger beroep.
1.5. In deze schadestaatprocedure stelt [eiser] dat de door hem geleden schade bestaat uit inkomensschade, immateriële schade en juridische kosten en vordert hij dat [gedaagde] en de Staat tot vergoeding daarvan worden veroordeeld. In dit vonnis beoordeelt de rechtbank de door [eiser] gestelde schadeposten. De rechtbank komt tot de conclusie dat alleen toewijsbaar is een deel van de gevorderde juridische kosten ten aanzien van [gedaagde] . De overige vorderingen worden afgewezen Rechtbank Rotterdam 7 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6
