Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 021225 ook in HB opzet tot misleiding bij aanvraag AOV vanwege verzwijging letsel na ongeval; opname in IVR en EVR rechtmatig, maar 8 jaar is te lang

GHARL 021225 ook in HB opzet tot misleiding bij aanvraag AOV vanwege verzwijging letsel na ongeval; opname in IVR en EVR rechtmatig, maar 8 jaar is te lang

in vervolg op:
RBMNE 260624 opzet tot misleiding bij invullen gezondheidsverklaring AOV; opname in IVR en EVR rechtmatig

 

3Het oordeel van het hof

De klachten tegen het vonnis van de kantonrechter en de conclusie van het hof

3.1.

[appellante] is met vijf klachten (‘grieven’) opgekomen tegen het vonnis van de kantonrechter. [appellante] vindt dat de kantonrechter de feiten niet juist heeft weergegeven (grief 1). Daarnaast is [appellante] het niet eens met het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van opzet tot misleiding in de zin van artikel 7:930 lid 5 BW en dat ASR daarom gerechtigd was om de persoonsgegevens van [appellante] in de verwijzingsregisters op te nemen (grieven 2 en 3). Voor het geval het hof tot het oordeel zou komen dat ASR niet onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld, stelt [appellante] dat de looptijd van de registraties moet worden verkort (grief 4). Tot slot klaagt [appellante] over de proceskostenveroordeling (grief 5).

3.2.

Het hof zal [appellante] deels in het gelijk stellen. Het hof is van oordeel dat ASR de persoonsgegevens van [appellante] in haar registers mocht opnemen. De duur van acht jaar vindt het hof in de huidige omstandigheden echter disproportioneel. Het hof zal ASR daarom veroordelen om de looptijd van de registraties in het EVR en het IVR te verkorten tot vier jaar.

Het hof legt hierna uit hoe het tot deze beslissing is gekomen. Eerst zet het hof de daartoe relevante feiten uiteen.

De feiten

3.3.

[appellante] meent dat de kantonrechter de feiten te summier dan wel onjuist heeft weergegeven. Het staat een rechter echter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken die hij voor de beoordeling van het geschil relevant vindt. Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende vaststaande feiten.

3.4.

Op 11 juni 2018 heeft [appellante] een verkeersongeval gehad, waarbij zij als fietser is aangereden door een automobilist. [appellante] heeft daarbij letsel opgelopen aan onder andere haar rechterschouder. Zij heeft daarvoor verschillende medische onderzoeken ondergaan en een revalidatieprogramma gevolgd. In het kader van het letselschadetraject zijn er verschillende medische expertiserapporten opgesteld, waaronder een orthopedische expertise in augustus 2021. In mei 2022 heeft [appellante] een vaststellingsovereenkomst getekend waarmee de schade definitief werd afgewikkeld. Op grond van deze vaststellingsovereenkomst heeft [appellante] een bedrag van € 447.500,- ontvangen van de betrokken WAM-verzekeraar.

3.5.

Begin 2022 heeft [appellante] bij een bank een financieringsaanvraag gedaan om een eigen tandartspraktijk te starten. Voor deze financiering vereiste de bank onder andere een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: AOV).

3.6.

[appellante] heeft de AOV aangevraagd bij ASR. Bij de aanvraag hoort een gezondheidsverklaring, die [appellante] op 13 april 2022 naar ASR heeft opgestuurd. Tussen partijen is niet in geschil dat zij een aantal van de in de gezondheidsverklaring gestelde vragen onjuist heeft beantwoord. Dit betreft de volgende vragen en antwoorden:

Had u ooit of heeft u klachten, ziekten of aandoeningen van:

Botten, spieren, pezen en/of gewrichten

Bij een aandoening aan botten, spieren, pezen en/of gewrichten kunt u bijvoorbeeld denken aan: botbreuken, rugklachten, spit, hernia, nekklachten, naar armen of benen uitstralende klachten, schouderklachten, knieklachten, meniscusklachten, KANS of RSI, bekkeninstabiliteit, fibromyalgie en of een reumatische aandoening.

Verzekerde heeft deze vraag met NEE beantwoord.

[…]

Had of heeft u een aandoening of klacht(en) welke hiervoor niet is genoemd? U kunt bijvoorbeeld denken aan pijnklachten […]

Verzekerde heeft deze vraag met NEE beantwoord.

[…]

Bent u ooit door een van de volgende hulpverleners behandeld? Het gaat alleen om behandelingen die u nog niet bij de hiervoor gestelde vragen hebt vermeld […]

Heeft u in de afgelopen 5 jaar een huisarts of medisch specialist bezocht, gebeld of op een andere manier contact gehad?

Voor welke, klacht, ziekte of aan was dit?: anticonceptie

Wanneer wat dit: 2021

Heeft u nog klachten: Nee

[…]

Is een van de aandoeningen, ziekte of klachten een (indirect) gevolg geweest van een ongeval?

Heeft u wel eens langer dan 2 weken hele dagen of een deel van de dag niet gewerkt door lichamelijke of psychische klachten of door een arbeidsconflict?

De medisch adviseur wil weten wat het risico is dat u om medische redenen niet kunt werken. Dit heet arbeidsongeschikt. Daarom stelt hij vragen over uw werk. U vult ook in of u vroeger een tijd niet kon werken. Of dat u onderdelen van uw werk niet kon doen. Of als u zich via een bedrijfsarts ziek meldde. Dit zegt iets over het risico dat u in de toekomst niet kunt werken. Ook vult u hier in of u om medische redenen minder werkt of werkte dan u normaal doet.

Verzekerde heeft deze vraag met NEE beantwoord.

U verklaart het volgende:

Ik heb de toelichting op de gezondheidsverklaring gelezen. Deze toelichting hoort bij de gezondheidsverklaring.

Ik heb alle vragen beantwoord. Mijn antwoorden kloppen. Daarmee voorkom ik dat de rechten uit deze overeenkomst kunnen vervallen.

3.7.

In de toelichting bij deze vragen is het volgende opgenomen:

Was het lang geleden?

Bij “Gegevens over uw gezondheid” vraagt de verzekeraar naar bepaalde aandoeningen, ziekten, klachten of gebreken die u ooit heeft gehad. Sommige dingen zijn misschien al heel lang geleden. Is dat nog wel belangrijk, vraagt u zich misschien af. Ja. Het kan zijn dat de ziekte van toen na een aantal jaren weer voor klachten zorgt. Dat moet de medisch adviseur kunnen beoordelen. U moet daarom alles invullen wat u ooit heeft gehad.

Bij de volgende vragen moet u aangeven of u een of meer van de genoemde klachten, ziekten of aandoeningen had of heeft.

Let op!

Kruis ook ‘ja’ aan als u:

bij een huisarts, hulpverlener, alternatief zorgverlener of medisch specialist bent geweest. Of als u hier contact mee heeft opgenomen;

was opgenomen in het ziekenhuis, een psychiatrische inrichting of andere instelling. Dat geldt ook voor een dagopname;

geopereerd bent of geopereerd wordt, een kijkoperatie valt hier ook onder;

medicijnen gebruikt of gebruikt heeft;

onder controle staat of onder behandeling bent of bent doorverwezen.

[…]

Wat moet u vertellen?

Heeft u of had u een bepaalde klacht, ziekte of aandoening? Meld dit dan altijd. Ook als dit lang geleden was. Of als niet duidelijk is waardoor dit veroorzaakt wordt.

Het kan belangrijk zijn voor uw aanvraag. Niet elke doorgemaakte klacht, ziekte of aandoening betekent dat u geen verzekering krijgt of een hogere premie moet betalen.

Wat is een klacht?

Lichamelijk of geestelijk ongemak of pijn noemen we een klacht. Bij een klacht is niet altijd duidelijk waardoor deze veroorzaakt wordt.

Wat is een aandoening?

Een aandoening is een afwijking van de gezonde lichamelijke of geestelijke toestand.

3.8.

Nadat [appellante] de gezondheidsverklaring had opgestuurd aan ASR, is de verzekeringsovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen.

3.9.

Op 15 augustus 2022 heeft [appellante] het volgende bericht aan ASR gestuurd:

Dit jaar zal ik in verband met mijn zwangerschap beroep willen doen op een zwangerschaps uitkering via mijn AOV verzekering bij de ASR. Ik ben zzp tandarts.

Kunt u in mijn polis bekijken hoeveel weken dit bedraagt en welk bedrag ik hiervoor zal ontvangen?

3.10.

Naar aanleiding van dit bericht heeft ASR het register van de Stichting Centrale Informatie Systeem (hierna: CIS) geraadpleegd. Daaruit volgde dat [appellante] een letselschade-uitkering had ontvangen. Vanwege de omvang van de schadevergoeding heeft ASR haar medisch adviseur gevraagd om te controleren of er uit de gezondheidsverklaring van [appellante] volgt dat zij letsel of een ongeval heeft gehad.

3.11.

Omdat dit niet uit de gezondheidsverklaring volgde, heeft ASR de medisch adviseur gevraagd contact met [appellante] op te nemen om meer informatie over de achtergrond van de letselschade-uitkering te verkrijgen. Op 6 september 2022 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [appellante] en de medisch adviseur van ASR. Daarin heeft [appellante] verteld over het ongeval uit 2018 en aangegeven dat zij dacht dat zij op de gezondheidsverklaring alleen actuele klachten hoefde door te geven.

3.12.

Op 9 september 2022 heeft de medisch adviseur [appellante] verzocht om een medische machtiging af te geven zodat zij, de medisch adviseur, informatie kon opvragen bij de huisarts van [appellante] . [appellante] heeft daaraan niet meegewerkt.

3.13.

Op 12 oktober 2022 heeft de bank de financieringsaanvraag van [appellante] afgewezen. Op 26 oktober 2022 heeft [appellante] de AOV met ASR beëindigd. ASR heeft het onderzoek naar de onjuiste beantwoording van de vragen voortgezet. Daartoe heeft ASR opnieuw om een medische machtiging gevraagd, die [appellante] opnieuw niet heeft verleend. Op 31 januari 2023 is ASR overgegaan tot registratie van de persoonsgegevens van [appellante] in het IVR. ASR heeft vervolgens zelf medische informatie opgevraagd bij de WAM-verzekeraar.

3.14.

Op 18 april 2023 heeft ASR de persoonsgegevens van [appellante] opgenomen in het EVR voor acht jaar wegens het schenden van de precontractuele mededelingsplicht met het opzet om de verzekeraar te misleiden.

Het toetsingskader: de AVG en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen

3.15.

De registratie in het IVR en EVR is een verwerking van persoonsgegevens, zodat moet worden voldaan aan de eisen van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)1 en de Uitvoeringswet op de AVG (UAVG). Deze regelgeving is door het Verbond van Verzekeraars nader uitgewerkt in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (PIFI). De Autoriteit Persoonsgegevens heeft het PIFI goedgekeurd.

3.16.

In het IVR en het EVR worden ‘incidenten’ opgenomen. Volgens de begripsbepalingen in het PIFI moet onder een ‘incident’ worden verstaan: “een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

3.17.

Artikel 5.2.1 van het PIFI bepaalt dat de gegevens van een betrokkene in het EVR moeten worden opgenomen indien in voldoende mate vaststaat dat een betrokkene betrokken is bij een gedraging die een bedreiging vormt, vormde of kan vormen voor de (financiële) belangen van ASR of haar klanten en/of medewerkers of voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Ook moet het proportionaliteitsbeginsel in acht zijn genomen.

3.18.

De persoonsgegevens moeten uiterlijk acht jaar na opname in het Incidentenregister uit het EVR en het IVR verwijderd worden (artikel 5.3.2 en artikel 4.3.3 PIFI). Degene van wie de persoonsgegevens zijn geregistreerd, heeft het recht om bezwaar te maken tegen de registratie (artikel 9.5 PIFI en artikel 21 AVG). Ook kan die om verwijdering van zijn persoonsgegevens vragen (artikel 9.4 PIFI en artikel 17 AVG). Bij een dergelijk verzoek moet de financiële instelling een nieuwe belangenafweging maken.

ASR heeft niet onrechtmatig gehandeld door de persoonsgegevens van [appellante] te registreren

3.19.

[appellante] heeft gesteld dat de opname van haar persoonsgegevens in het IVR en het EVR onrechtmatig is, omdat geen sprake is van opzet tot misleiding in de zin van artikel 7:930 lid 5 BW: zij heeft met het onjuist beantwoorden van de vragen in de gezondheidsverklaring niet de bedoeling gehad om ASR te bewegen een overeenkomst te sluiten die ASR anders niet, of onder andere voorwaarden was aangegaan. Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] zo, dat zij bedoelt dat geen sprake is van een ‘incident’ in de zin van het PIFI, dat de registratie dus niet conform het PIFI is gedaan en daarom onrechtmatig is.

3.20.

Het hof is van oordeel dat ASR voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een incident in de zin van het PIFI. Daarbij neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking. [appellante] heeft wisselend verklaard over de reden dat zij de vragen onjuist heeft beantwoord. Zij verklaart enerzijds dat zij te snel en onnauwkeurig is geweest en het ongeval niet meer op haar netvlies had. Anderzijds verklaart zij dat zij dacht dat zij uitsluitend actuele klachten hoefde op te geven.

In de vragenlijst van ASR staat duidelijk dat ook klachten en aandoeningen van lang geleden moeten worden vermeld. De door [appellante] onjuist beantwoorde vragen zijn duidelijk en concreet geformuleerd. [appellante] , die hoogopgeleid is en medisch onderlegd, had daarom behoren te begrijpen dat zij niet alleen actuele klachten hoefde op te geven.

Daarnaast is van belang dat het ongeval heeft plaatsgevonden in 2018 en de vragenlijst is ingevuld in 2022. Vanwege dit relatief korte tijdsverloop acht het hof het niet aannemelijk dat [appellante] dit ongeval niet meer op haar netvlies had, temeer omdat uit de overgelegde medische informatie blijkt dat zij nog langdurig last hield van klachten: in 2021 vond nog een orthopedische expertise plaats, waarbij [appellante] forse beperkingen als gevolg van de schouderklachten aangaf, gerelateerd aan het verkeersongeval in 2018. Bovendien was de afwikkeling van het letselschadetraject op het moment van het invullen van de vragenlijst nog niet afgerond. Integendeel, slechts één maand na het invullen van de vragenlijst heeft [appellante] de vaststellingsovereenkomst getekend. Mede gelet op de omvang van het bedrag aan schadevergoeding (bijna € 450.000,-) acht het hof het niet aannemelijk dat [appellante] in het geheel niet meer bezig was met het ongeval, ook al is zij zeer vermogend.

Ook valt niet te verklaren dat [appellante] bij het invullen te snel en onnauwkeurig zou zijn geweest, maar wel specifiek heeft aangegeven in 2021 een huisartsenconsult te hebben gehad voor anticonceptie. Dit wijst erop dat [appellante] de vragen wel goed heeft gelezen.

3.21.

Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat [appellante] belang had bij het verkrijgen van de AOV in het kader van haar financieringsaanvraag. [appellante] heeft herhaaldelijk verklaard dat zij de AOV uitsluitend heeft afgesloten in het kader van haar financieringsaanvraag. Dit was een vereiste van de bank en daarmee een administratief punt op haar ‘to-do-lijst’. Om die reden heeft [appellante] ook specifiek gekozen voor een dagelijks opzegbare AOV, die door ASR werd aangeboden. Haar bedoeling was om de AOV na het verkrijgen van de financiering direct weer op te zeggen. Zij had niet de bedoeling om een beroep op de AOV te doen, aldus telkens [appellante] .

Deze verklaring strookt niet met het feit dat [appellante] in augustus 2022 aankondigde een beroep te willen doen op een zwangerschapsuitkering onder de AOV. Dat [appellante] ASR alleen maar wilde informeren over een verandering in haar gezondheid, zoals zij heeft aangevoerd, volgt niet uit haar bericht waarin zij expliciet aangeeft aanspraak te gaan maken op de AOV en vraagt hoe hoog de uitkering is.

Als het hof [appellante] al zou volgen in haar verklaring dat zij de AOV uitsluitend als één van de formele voorwaarden zag voor haar financieringsaanvraag en dat zij deze na het verkrijgen daarvan direct weer zou opzeggen, dan miskent [appellante] daarmee het belang van de bank bij de AOV. Anders dan [appellante] aanvoert, acht het hof het aannemelijk dat de bank verlangt dat [appellante] de AOV ook behoudt tijdens de looptijd van de financiering. Uit deze verklaringen van [appellante] volgt dat zij de AOV zag als een instrument voor het verkrijgen van de financiering, daarmee belang had bij het verkrijgen daarvan, en dat zij geen oog heeft gehad voor de belangen van de bank die, net als ASR, een financiële instelling is.

3.22.

Anders dan [appellante] naar voren heeft gebracht, is het aannemelijk dat [appellante] ASR met het verstrekken van de onjuiste informatie in haar belangen heeft geschaad. Zoals ASR onbestreden heeft aangevoerd, is een verzekeringsovereenkomst voor een groot deel gebaseerd op vertrouwen. In het geval van een AOV weet een verzekeringnemer immers wel welke klachten en kwalen hij/zij heeft (gehad), en de verzekeraar niet, terwijl die informatie voor de verzekeraar essentieel is bij het (kunnen) doen van een aanbod tot een verzekeringsovereenkomst. Een verzekeraar moet er daarom op kunnen vertrouwen dat zij juiste informatie van de verzekeringnemer ontvangt. Door onjuiste informatie te verstrekken, wordt dat vertrouwen geschonden en kan ASR als verzekeraar geen correcte risicoafweging maken. Dat moet voor [appellante] ook duidelijk zijn geweest.

3.23.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat ASR bij de juiste kennis van zaken niet dezelfde overeenkomst had gesloten als zij nu heeft gedaan. Daardoor hoeft de vraag of in dat geval in het geheel geen overeenkomst tot stand was gekomen (het standpunt van ASR), of dat er een uitsluitingsclausule was toegepast (standpunt [appellante] ), niet te worden beantwoord.

3.24.

Uit deze omstandigheden kan worden afgeleid dat [appellante] niet alle feiten aan ASR heeft meegedeeld die zij kende of behoorde te kennen en waarvan zij wist of behoorde te begrijpen dat de beslissing van ASR of, en zo ja op welke voorwaarden, zij de verzekering zou willen sluiten, zou afhangen. Ook volgt hieruit dat [appellante] aldus heeft gehandeld met de bedoeling ASR ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.2 Er is dus sprake van opzettelijke misleiding in de zin van artikel 7:930 lid 5 BW. ASR voert terecht aan dat dit een gebeurtenis is die als gevolg heeft of zou kunnen hebben dat de belangen, integriteit of veiligheid van ASR of de financiële sector als geheel in het geding komt (een ‘incident’ in de zin van het PIFI, zie hiervoor bij 3.16). Dat [appellante] bij deze gebeurtenis was betrokken, staat niet ter discussie. Aan de eisen van artikel 5.2.1 onder a en b van het PIFI is dan ook voldaan.

De belangen van [appellante] om niet in het EVR te worden geregistreerd waren groot, omdat een registratie haar ernstig belemmert in het verkrijgen van financiële producten en diensten. Daar tegenover staat het belang van de bescherming van de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Gelet op de aard en ernst van het betreffende incident en de specifieke omstandigheden van het geval heeft ASR voldoende onderbouwd dat de registratie in het EVR noodzakelijk was om haar belangen en die van de financiële sector te behartigen en dat die belangen zwaarder wogen dan de belangen van [appellante] om niet te worden geregistreerd. Op het moment van registratie werd dan ook aan het proportionaliteitsvereiste van artikel 5.2.1 onder c van het PIFI voldaan.

Gezien het voorgaande heeft ASR de gegevens van [appellante] rechtmatig in het EVR opgenomen.

3.25.

Het oordeel dat ASR de persoonsgegevens in het EVR mocht registreren brengt mee dat ASR de persoonsgegevens van [appellante] ook in het IVR mocht opnemen, omdat de vereisten daarvoor minder streng zijn en de gevolgen voor [appellante] minder groot (artikel 4 van het PIFI).

Beoordeling van het bezwaar tegen de registratie en de vordering tot verkorting van de looptijd

3.26.

[appellante] heeft gevorderd dat, indien het hof oordeelt dat de registraties rechtmatig zijn, de looptijd daarvan dient te worden verkort. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellante] verduidelijkt dat zij heeft bedoeld bezwaar te maken tegen de registraties en verwijdering daarvan te vragen. Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] dan ook als een beroep op het recht van bezwaar in de zin van artikel 21 AVG en artikel 9.5 van het PIFI, en een verzoek om verwijdering in de zin van artikel 17 lid 1 onder c AVG en artikelen 9.4, 5.3 (EVR) en 4.3 (IVR) van het PIFI.

3.27.

Op grond van artikel 21 en (in samenhang met) artikel 17 lid 1 onder c AVG moet ASR de persoonsgegevens van [appellante] verwijderen, tenzij sprake is van dwingende gerechtvaardigde gronden voor ASR die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van [appellante] . Het gaat daarbij om een nieuwe belangenafweging, beoordeeld naar de huidige omstandigheden. De bewijslast dat de belangen van ASR zwaarder wegen dan de belangen van [appellante] , rust op ASR (overweging 69 AVG). De vraag die dus beantwoord moet worden, is of de belangen van ASR en van de financiële sector zodanig zwaarder wegen dan die van [appellante] , dat haar persoonsgegevens nog voor de resterende termijn van ongeveer 5,5 jaar in het EVR en IVR geregistreerd moeten blijven.

3.28.

ASR heeft gesteld wat haar belangen, dan wel (gelet op de definitie van het begrip ‘incident’ en artikel 5.2.1 in het PIFI) de belangen van de financiële sector bij de registratie voor de maximale termijn van acht jaar na opname op dit moment nog zijn. Zij wijst op de omvang van het verzekerde bedrag van de AOV, de lange looptijd, de weigering van [appellante] om aan het onderzoek mee te werken, de tegenstrijdige verklaringen en het miskennen van de belangen van andere financiële dienstverleners, zoals de bank die om de AOV vroeg. Ook heeft ASR gesteld dat de handelwijze van [appellante] een bedreiging zou vormen voor de zorgverzekeraars die tandartsen financieren.

3.29.

[appellante] heeft met stukken onderbouwd dat zij als gevolg van de registraties ernstig wordt belemmerd in het starten van haar zelfstandige onderneming. Zij loopt daardoor, mede gelet op haar leeftijd, een achterstand op in de start van haar professionele carrière die niet meer is in te halen. Ook heeft zij voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij geen optimale verzekering kan afsluiten voor haar ernstig zieke zoontje.

3.30.

ASR heeft haar stelling dat de handelwijze van [appellante] een bedreiging zou vormen voor de zorgverzekeraars die tandartsen financieren niet onderbouwd. Bovendien volgt uit hetgeen ASR naar voren heeft gebracht niet hoe zij de belangen van [appellante] heeft meegewogen. Dat en waarom de registratie voor de resterende 5,5 jaar, bezien tegen de belangen van [appellante] gehandhaafd moet blijven, heeft zij onvoldoende toegelicht. Dat [appellante] zeer vermogend is en daarom minder belang zou hebben bij (de mogelijkheid tot) een betere verzekering, zoals ASR heeft aangevoerd, doet er niet aan af dat [appellante] in haar belangen wordt geraakt, bijvoorbeeld met betrekking tot haar ernstig zieke zoontje. Wel is het zo dat, zoals hiervoor is geoordeeld, de handelwijze van [appellante] de belangen van ASR heeft geschaad en een bedreiging kan vormen voor de financiële sector. Het hof acht aan de andere kant relevant dat [appellante] tijdens de mondelinge behandeling herhaaldelijk heeft erkend dat zij haar mededelingsplicht heeft geschonden en daarmee een ernstige fout heeft gemaakt. De door ASR aangevoerde gronden, afgewogen tegen de belangen van [appellante] , rechtvaardigen daarom een registratie van vier jaar na opname, maar niet langer dan dat.

Dit geldt zowel voor de registratie in het EVR als in het IVR. ASR heeft immers geen specifieke argumenten aangevoerd waaruit zou volgen dat de registratie in het IVR wel (langer) in stand zou moeten blijven. Dit geldt ook voor de melding van de registraties bij het CBV.

De buitengerechtelijke kosten

3.31.

Nu een van de klachten (‘grieven’) van [appellante] slaagt en [appellante] het geschil in volle omvang aan het hof heeft voorgelegd, dient het hof ook de in eerste aanleg ingestelde vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten te beoordelen.

3.32.

Hoewel deze vordering binnen de omvang van het hoger beroep valt, heeft [appellante] niet geklaagd (‘gegriefd’) tegen de afwijzing van deze vordering door de kantonrechter. Het hof is dan ook aan dat oordeel van de kantonrechter gebonden. Gelet op het oordeel van het hof dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van ASR, bestaat er overigens ook geen grond voor vergoeding van deze kosten.

De conclusie

3.33.

Het hoger beroep slaagt deels. De vordering om voor recht te verklaren dat ASR onrechtmatig heeft gehandeld door de persoonsgegevens van [appellante] op te nemen in het IVR en EVR is niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de primaire vordering tot ongedaanmaking van deze registraties. De subsidiaire vordering tot beperking van de looptijd van de registraties is wel toewijsbaar. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten blijft afgewezen. Omdat beide partijen deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen, bepaalt het hof dat elke partij zijn eigen kosten bij de kantonrechter en bij het hof moet dragen (compensatie van proceskosten).

3.34.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

1Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG van 27 april 2016, PB 2016 L119/1.

2HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507, r.o. 3.3.3.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:76