HR 051297 voetganger valt op wegas, geraakt door passerende auto; maatstaf voor volwassen voetgangers; autobestuurder dient rekening te houden met onverwachte gedragingen
- Meer over dit onderwerp:
HR 051297 voetganger valt op wegas, geraakt door passerende auto; maatstaf voor volwassen voetgangers; autobestuurder dient rekening te houden met onverwachte gedragingen
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(i) Op 25 november 1992 is de moeder van de erven [D] , [D] (verder: [D] ), met een van haar dochters de St. Antoniusstraat te Oosterhout ter hoogte van perceel 9 gaan oversteken. Gezien vanaf de plaats waar zij de straat gingen oversteken, begaf het verkeer aan hun zijde zich in de richting van de Ridderstraat en begaf het verkeer aan de overzijde zich in de richting van het Wilhelminakanaal.
(ii) De St. Antoniusstraat werd ter plekke druk bereden.
(iii) [D] en haar dochter zijn de helft van de St. Antoniusstraat overgestoken. Zij zijn vervolgens op de as van die straat blijven wachten totdat verkeer op de andere weghelft zou zijn gepasseerd.
(iv) Staande op de as van de weg is [D] gevallen en - terwijl zij viel - aangereden door een op laatstvermelde weghelft rijdende auto die werd bestuurd door [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ) .
(v) [D] is bij de aanrijding door de buitenspiegel van de door [betrokkene 1] bestuurde auto aan het hoofd geraakt en op 30 december 1992 aan haar verwondingen overleden.
(vi) Ten tijde van het ongeval was [betrokkene 1] tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Klaverblad.
3.2 De erven [D] vorderen in dit geding van Klaverblad, op de voet van art. 6 lid 1 WAM, in hoofdzaak betaling van:
- een bedrag van f 3.061,50 terzake van door [D] geleden schade met rente;
- een bedrag van f 1.033, 32 wegens buitengerechtelijke kosten met rente.
De erven [D] hebben hun vordering erop gegrond dat [betrokkene 1] krachtens art. 31 (oud) WVW voor de genoemde schade aansprakelijk is. Klaverblad heeft tot haar verweer aangevoerd dat het ongeval is te wijten aan overmacht in de zin van genoemde bepaling. Daartoe heeft zij gesteld, samengevat weergegeven, dat [betrokkene 1] , die juist bij een stoplicht optrok, gezien de omstandigheden niet te snel of te kort langs de voetgangers reed en dat de val van [D] niet was te voorzien.
De Kantonrechter heeft geoordeeld, kort weergegeven, dat het vallen van [D] , terwijl zij stilstond, een zo incidentele gebeurtenis was dat daarmee in redelijkheid geen rekening kon worden gehouden; dat [betrokkene 1] van dit vallen geen verwijt kan worden gemaakt; dat de afstand die [betrokkene 1] aanhield tussen haar auto en de voetgangers niet een ongebruikelijk korte was; dat ook in de door de erven [D] genoemde snelheid van de auto van [betrokkene 1] geen grond is te vinden voor een verwijt aan [betrokkene 1] .
De Rechtbank heeft de tegen het vonnis van de Kantonrechter aangevoerde grieven verworpen en zich aangesloten bij diens oordeel dat op grond van de in zijn vonnis vermelde feiten aannemelijk is dat aan de zijde van [betrokkene 1] sprake is van overmacht. Daaraan heeft de Rechtbank toegevoegd dat het beroep van de erven [D] op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1982, NJ 1983, 443 faalt omdat, anders dan in dat arrest aan de orde was, het slachtoffer op geen enkele wijze ervan heeft blijk gegeven dat zij zich mogelijk onvoorzichtig zou gedragen zodat [betrokkene 1] daar niet op behoefde te anticiperen anders dan zij deed.
3.3 De Hoge Raad vindt aanleiding eerst onderdeel 4 te bespreken. Dit onderdeel strekt ten betoge dat niet langer als juist kan worden aanvaard de regel, waarvan de Rechtbank kennelijk is uitgegaan, dat bij de beoordeling van een beroep op overmacht door een eigenaar/bestuurder van een motorrijtuig eventuele fouten van andere weggebruikers - daaronder begrepen die van het slachtoffer zelf - alleen van belang zijn indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden (HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527) . Thans valt daarentegen aan te nemen, aldus het onderdeel, dat ook voor fietsers en voetgangers als regel geldt dat hun gedragingen in het kader van de overmachtsvraag slechts in aanmerking mogen worden genomen als zij aan hun opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid zijn te wijten, zoals de Hoge Raad heeft aanvaard voor aanrijdingen tussen een motorrijtuig en een niet door dat motorrijtuig vervoerd kind dat de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt (HR 1 juni 1990, NJ 1991, 720, en 31 mei 1991, NJ 1991, 721) .
Het onderdeel faalt. De Hoge Raad ziet geen goede redenen om in de door het onderdeel voorgestane zin af te wijken van hetgeen hij in voormeld arrest van 22 mei 1992 heeft overwogen. Anders dan het onderdeel en de toelichting erop betogen, geeft de omstandigheid dat met betrekking tot de aansprakelijkheid voor met een motorrijtuig toegebrachte schade een nieuwe wettelijke regeling in voorbereiding is, geen deugdelijke grond voor een dergelijke afwijking, reeds omdat in de bedoelde regeling van een ander stelsel dan dat van de huidige wetgeving wordt uitgegaan.
3.4 De onderdelen 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Onderdeel 1 verwijt de Rechtbank dat zij is voorbijgegaan aan het betoog van de erven [D] dat [betrokkene 1] meer rechts had kunnen en - mede gezien art. 22 (oud) RVV - had moeten houden en dat daarom niet voldoende is gemotiveerd het oordeel van de Rechtbank dat [betrokkene 1] geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het onderhavige ongeval. Onderdeel 2 klaagt dat laatstgenoemd oordeel onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is omdat niet beslissend is of het verkeersgedrag van [betrokkene 1] niet ongebruikelijk was, doch of haar rechtens van dat gedrag, voorzover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, geen enkel verwijt kan worden gemaakt.
Deze onderdelen treffen doel. In de eerste plaats heeft de Rechtbank, waar zij zich aansluit bij het oordeel van de Kantonrechter dat de afstand die [betrokkene 1] tussen haar auto en de voetgangers heeft aangehouden niet een ongebruikelijk korte was, een onjuiste maatstaf gehanteerd. Zoals het onderdeel terecht aanvoert, is immers niet beslissend of bedoelde afstand niet "ongebruikelijk" kort was, maar of [betrokkene 1] rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de afstand die zij tussen haar auto en de voetgangers heeft aangehouden. Daarbij verdient opmerking dat, indien zich duidelijk zichtbaar op de as van de weg daar stilstaande voetgangers bevinden - die aldus in een kwetsbare positie verkeren - een autobestuurder bij het bepalen van de afstand waarop hij zal passeren, mede rekening dient te houden met hun mogelijke onverwachte gedragingen, waaronder reacties op het passeren van zijn auto zelf, waardoor die afstand op het laatste ogenblik kan worden bekort. Bij de beoordeling van het gedrag van de autobestuurder te dier zake is mede van belang of hij in de gegeven verkeerssituatie die afstand ruimer heeft kunnen nemen dan hij heeft gedaan. Het is aan de autobestuurder om de desbetreffende omstandigheden te stellen en eventueel te bewijzen.
In dit licht is ook de klacht dat de Rechtbank in haar motivering is tekortgeschoten gegrond. De erven [D] hebben bij memorie van grieven in hoger beroep tegen het oordeel van de Kantonrechter dat de afstand die [betrokkene 1] aanhield tussen haar auto en de voetgangers, niet een ongebruikelijk korte was, en ter ondersteuning van hun stelling dat aan [betrokkene 1] kan worden verweten dat zij niet, zoals zij had behoren te doen, uiterst rechts heeft gereden, samengevat weergegeven, aangevoerd:
- dat de weghelft waarop [betrokkene 1] reed 4, 60 m. breed was, exclusief een rijwielstrook van 0,50 m .;
- dat de auto van [betrokkene 1] 1,45 m. breed was;
- dat [betrokkene 1] [D] op een afstand van 1, 30 m. voorbij reed;
- dat indien [betrokkene 1] zoveel mogelijk rechts zou hebben gereden, zonder op de voor (brom) fietsers bestemde strook te komen, haar afstand tot de wegas 3, 15 m. zou hebben bedragen zodat [D] niet tegen de auto van [betrokkene 1] zou zijn gevallen;
- dat de weg waarop [betrokkene 1] reed, enigszins naar links helt en dat zij daardoor te veel op de linker zijde van de voor haar bestemde weghelft is gekomen.
De Rechtbank heeft niet ervan blijk gegeven, zoals zij had behoren te doen, dat zij deze stellingen in haar beoordeling heeft betrokken. Nu zij zich, zonder nadere motivering, heeft aangesloten bij het hiervoor weergegeven oordeel van de Kantonrechter, is haar uitspraak niet toereikend gemotiveerd.
3.5 De gegrondbevinding van de onderdelen 1 en 2 brengt mee dat onderdeel 3 geen behandeling meer behoeft. Hetgeen daarin wordt betoogd kan na verwijzing alsnog aan de orde komen.
anders: PG De Vries Lentsch - Kostense Parket bij de Hoge Raad 10 oktober 1997, ECLI:NL:PHR:1997:56