RBMNE 140126 fietser op [straat] komt in botsing met voetganger die [straat] oversteekt, fietser niet aansprakelijk
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 140126 fietser op [straat] komt in botsing met voetganger die [straat] oversteekt, fietser niet aansprakelijk
2De kern van de zaak
2.1.
Op 15 september 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de kruising van de [straat] en de [straat] in Hilversum tussen [eiser] als voetganger en [gedaagde] als fietser. Toen [eiser] in of vlak na de bocht de [straat] wilde gaan oversteken, botsten hij en [gedaagde] tegen elkaar op. [eiser] kwam ten val en liep letsel op aan zijn rechterarm. Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is. [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij onvoldoende oplettend en voorzichtig heeft gereden en zijn snelheid onvoldoende heeft aanpast aan de verkeerssituatie en de omstandigheden ter plaatse. [gedaagde] is het daar niet mee eens. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3De beoordeling
[gedaagde] heeft niet onzorgvuldig gehandeld en heeft geen wettelijke norm overtreden
3.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Van onrechtmatig handelen door [gedaagde] is namelijk geen sprake.
3.2.
Anders dan [eiser] stelt, heeft [gedaagde] niet onzorgvuldig gehandeld. Het ongeval heeft als volgt plaatsgevonden. [gedaagde] fietste over de [straat] en wilde aan het eind van de [straat] rechts afslaan, de [straat] in. [eiser] en drie vrienden liepen op de [straat] en waren voor de bocht met de [straat] de [straat] overgestoken om vervolgens langs de hekken lopend via de binnenbocht de [straat] in te lopen. Daar wilden zij de [straat] oversteken, naar het trottoir aan de overkant van de weg. Het staat vast dat twee van de vier vrienden al bezig waren met oversteken toen [gedaagde] met [eiser] in botsing kwam. Partijen zijn het niet eens over waar [eiser] precies liep c.q. overstak ten tijde van het ongeval. Op basis van de situatieschets1 en verklaringen2 staat echter wel vast dat [eiser] in de binnenbocht van de [straat] naar de [straat] , op de rijbaan van de [straat] , liep. [gedaagde] ontweek de twee vrienden van [eiser] die voorop liepen, maar kwam daarna in botsing met [eiser] , die achter hen de bocht om kwam lopen. Vanwege werkzaamheden was er geen trottoir aanwezig aan de zuidzijde van de [straat] en aan de westzijde van de [straat] en waren er hekken met doeken daartegenaan geplaatst langs de rijbaan. De verkeerssituatie ten tijde van het ongeval blijkt uit de onderstaande afbeelding (afbeelding 1).
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid
3.3.
Er was een trottoir aanwezig aan de oostzijde van de [straat] . Voetgangers die de [straat] in wilden, konden dus over het trottoir doorlopen tot voorbij de [straat] en daar oversteken naar de rechterkant van de [straat] , waar ook nog een trottoir was. Voetgangers moeten het trottoir gebruiken indien dat aanwezig is.3 [gedaagde] hoefde er daarom redelijkerwijs niet op bedacht te zijn dat voetgangers, over de rijbaan tegen het verkeer in de bocht om zouden komen, omdat er een trottoir aan de overzijde aanwezig was. Er was voor [eiser] ook geen noodzaak om tegen het verkeer in door de bocht over de weg te lopen. [eiser] gaf hierover op zitting slechts aan dat zij gewend waren om die route te nemen toen er nog wel een trottoir was en dat hij zijn vrienden volgde. Ter zitting bleef onduidelijk of [gedaagde] via links of rechts de twee vrienden heeft ontweken. De rechtbank laat dit in het midden nu het erom gaat dat [gedaagde] plotseling werd geconfronteerd met de aanwezigheid van [eiser] en zijn vrienden op de rijbaan. Doordat [eiser] en zijn vrienden, die dicht bij elkaar liepen, pas in het gezichtsveld van [gedaagde] zijn gekomen toen hij al vlakbij hen was, kan niet van [gedaagde] worden verwacht dat hij anders had gehandeld dan dat hij heeft gedaan. Omdat [eiser] nog in de binnenbocht of net na de binnenbocht met de [straat] liep, heeft [gedaagde] daarop niet kunnen anticiperen. Het argument van [eiser] dat de [straat] een lange weg is en [gedaagde] [eiser] al van verre had kunnen zien lopen, treft daarom geen doel.
3.4.
[eiser] heeft nog gesteld dat [gedaagde] meer voorzichtigheid had moeten betrachten, omdat het kruispunt zich bevindt in een drukke omgeving door de aanwezigheid van meerdere scholen en een station. De rechtbank gaat voorbij aan deze stelling. [eiser] heeft niet gesteld en het is ook niet gebleken dat het op het moment van het verkeersongeval zodanig druk was rondom het kruispunt dat [gedaagde] extra rekening had moeten houden met de aanwezigheid van een grote hoeveelheid voetgangers en al helemaal niet op dat gedeelte van de rijweg.
3.5.
[eiser] heeft verder nog gesteld dat [gedaagde] met een te hoge snelheid door de bocht fietste waardoor [gedaagde] artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV) zou hebben geschonden. Dit is echter niet komen vast te staan, en al helemaal niet dat hierdoor het ongeval heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat [gedaagde] te hard heeft gereden. [eiser] heeft niets concreets gesteld over de exacte snelheid waarmee [gedaagde] zou hebben gereden. De door [eiser] overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen bieden naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende steun voor de conclusie dat [gedaagde] te snel zou hebben gereden. Alleen [eiser] ’s vrienden [A] en [B] hebben immers verklaard dat [gedaagde] met “een goede snelheid” reed respectievelijk dat hij “razendsnel een BMX-er met een mega hoge snelheid om de hoek gefietst” kwam. Uit dergelijke niet specifieke verklaringen, die bovendien afkomstig zijn van niet onpartijdige getuigen, kan immers niet worden afgeleid dat [gedaagde] zodanig (te) hard heeft gereden dat hij daardoor een onveilige verkeerssituatie heeft veroorzaakt. Dit heeft [gedaagde] ook betwist. Dat [gedaagde] met ‘mega hoge snelheid’ fietste ligt bovendien niet erg voor de hand aangezien [gedaagde] vlak daarna zelf de bocht naar rechts moest nemen.
3.6.
De conclusie is dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot betaling van schadevergoeding worden afgewezen. Rechtbank Midden-Nederland 14 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:384