Overslaan en naar de inhoud gaan

GHSHE 260825 procesafspraken bij mondelinge behandeling na aanbrengen; benoeming neuroloog en (evt) neuropsycholoog

GHSHE 260825 procesafspraken bij mondelinge behandeling na aanbrengen; benoeming neuroloog en (evt) neuropsycholoog
- kosten voor rekening verzoekend ass.: neuroloog 40 uur x € 280 + 6% + 21%, neuropsycholoog 20 uur x 264 + 21%

in vervolg op

GHSHE 281124 vdo ergotherapeut hangende hoger beroep, ter beoordeling van behoefte aan 24-uurs zorg bij ernstig hersenletsel

en:

RBLIM 280623 24 uurs zorg bij ernstig hersenletsel
- beslissing in deelgeschil gegrond op onjuiste feiten; in 2016 wist rb niet van % alcohol; blijkt 2,4 te zijn geweest
- meerkosten particuliere zorg boven wlz/pgb
        - voor nu: begroting cf tarieven uit Financiële Paragraaf
        - voor de toekomst: schadebeperkingsplicht noopt tot wonen in wlz instelling
- onvoldoende duidelijkheid rond overwaarde verbouwde mantelzorgwoning; bij verkoop dient inzicht gegeven te worden
- SO is in beginsel vrij te kiezen voor som ineens maar voor zorgkosten is i.c. periodieke afwikkeling aangewezen
- toekomstverwachting 29 jarige magazijnmedewerker; begroting cf carrière als magazijnchef
- afwijzing fiscale component; wettelijke basis voor de berekening is komen te ontvallen
- 50% rapport rekenkundigen vergoed, ook kantoorkosten afgewezen
- organisatie contacten met advocaat (met tussenkomst van ander bureau) niet kostenefficiënt
- kosten fiscaal jurist (€ 267.321,00) integraal afgewezen

6De beoordeling

Waar deze zaak over gaat

6.1.

[de volmachtgever] is het slachtoffer van een verkeersongeval waardoor hij ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Zijn ouders, [appellanten] vorderen namens hem vergoeding van de schade die hij hierdoor lijdt van de aangesproken partij Transdev en van de verzekeraar van Transdev, NN.

De feiten

6.2.

Gelet op de huidige stand van het hoger beroep volstaat het hof wat betreft de vaststelling van de feiten voorshands met een verwijzing naar de feiten zoals deze zijn vastgesteld door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.13 van het bestreden tussenvonnis.

De door partijen ingediende aktes met het oog op de benoeming van een neuroloog ten behoeve van te verrichten neurologisch onderzoek

6.3.

Op 26 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden. Tijdens die mondelinge behandeling heeft het hof met partijen (proces)afspraken gemaakt. Die (proces)afspraken zijn opgenomen op de pagina’s 2 en 3 van het proces-verbaal van die zitting, onder 1 tot en met 5. Onderdeel daarvan is dat een neurologisch onderzoek zal worden verricht. Op grond van die (proces)afspraken hebben partijen op de rolzitting van 29 april 2025/13 mei 2025 ieder een akte genomen als bedoeld onder 2 van vermelde (proces)afspraken, te weten voor het doel zich uit te laten over de persoon van de neuroloog en de aan de neuroloog te stellen vragen met het oog op een te verrichten neurologisch onderzoek. Ook hebben partijen zich uitgelaten over de wijze waarop ergotherapeut [persoon A] (hierna: [persoon A] ) - die als zodanig is benoemd naar aanleiding van de daartoe door [appellanten] separaat bij het hof aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure (rolnummer 200.344.396/01) - verder zal gaan met haar onderzoek. Daarbij heeft Transdev in haar akte te kennen gegeven dat zij zich volledig schaart achter de inhoud van de akte van NN. Hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot de akte van NN heeft daarom ook te gelden ten aanzien van Transdev.

6.4.

Door NN zijn bij haar akte zes producties overgelegd, te weten de producties A tot en met F. Productie A betreft een medisch advies van 18 april 2025 van [persoon B] (hierna: [persoon B] ), medisch adviseur bij NN. [appellanten] hebben tegen die productie bezwaar gemaakt op de grond dat het in het geding brengen ervan strijd oplevert met het beginsel van hoor en wederhoor, omdat - kort gezegd - zij redelijkerwijs binnen de termijn die is gegeven voor het indienen van hun akte niet kunnen reageren op dat medisch advies. Uit de door NN in haar akte op productie A gegeven toelichting begrijpt het hof dat NN deze productie heeft overgelegd ter toelichting op de door NN onder 2.4 van haar akte voorgestelde neurologen en de door haar in randnummer 2.9 van haar akte bepleite inrichting van het onderzoek. Het hof overweegt als volgt.

6.5.

Wat betreft de door NN voorgestelde neurologen begrijpt het hof uit de verdere inhoud van de akte van NN, in het bijzonder hetgeen is uiteengezet in onderdeel 7 van die akte, dat haar eerdere voorstel inmiddels is achterhaald. Tussen partijen bestaat thans, zo volgt ook uit in de periode tussen 22 juli 2025 en 7 augustus 2025 door partijen met het hof gewisselde e-mailcorrespondentie, consensus over de te benoemen neuroloog, te weten: dr. W.B. Gunning (hierna: Gunning). Partijen zijn het blijkens de zojuist bedoelde e-mailcorrespondentie ook eens over de te benoemen neuropsycholoog, te weten: mw. J. Ebbinge (hierna: Ebbinge). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan niet in te zien welke betekenis in dit opzicht nog toekomt aan het als ‘medisch advies’ betitelde document dat door NN als productie A is overgelegd. Dan valt zonder nadere toelichting, die als gezegd ontbreekt, evenmin in te zien welk belang [appellanten] in dit opzicht nog hebben bij hun bezwaar tegen productie A.

6.6.

Ten aanzien van de inrichting van het onderzoek bepleit NN, onder verwijzing naar het medisch advies van [persoon B] , dat het dient te zijn gebaseerd op een meerdaagse intramurale observatie, opdat de deskundigen een volledig beeld krijgen van het functioneren van [de volmachtgever] door de tijd heen in plaats van dat zij slechts een beeld krijgen op basis van een momentopname. NN acht dit temeer van belang, omdat door [appellanten] is gesteld dat [de volmachtgever] last heeft van zogeheten ‘freezing’ en ‘prikkelintolerantie’, maar hiervan volgens NN tot heden iedere objectieve waarneming ontbreekt (randnummer 2.10 van de akte van NN). Verder ziet NN als meerwaarde van een onderzoek dat is gebaseerd op een meerdaagse intramurale observatie dat het een onderzoek zal zijn zonder aanwezigheid van derden en zonder invloeden van buitenaf (randnummer 2.11 van de akte van NN).

6.7.

[appellanten] hebben zich in hun akte (randnummer 8) gemotiveerd verweerd tegen de argumenten die NN in haar akte heeft gegeven voor het door haar bepleite neurologisch onderzoek gebaseerd op een meerdaagse intramurale observatie. Het hiervoor bedoelde medisch advies van [persoon B] bevat over de door NN voorgestane inrichting van het onderzoek niet meer of andere argumenten dan die door NN in haar akte zijn gehanteerd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat [appellanten] zich daartegen voldoende hebben kunnen verweren met hetgeen zij daartegen in hun akte hebben aangevoerd. Daarom valt ook in dit opzicht niet in te zien welk belang [appellanten] nog hebben bij hun bezwaar tegen productie A. Voor zover zij hun standpunt eveneens hadden willen laten controleren of bevestigen door een partijdeskundige, staat het [appellanten] vrij dat alsnog te doen en dat aan de deskundige te doen toekomen. Zoals hierna zal blijken (6.13) neemt het hof in dit tussenarrest enkel een processuele en geen inhoudelijke beslissing over de inrichting van het onderzoek.

6.8.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen grond voor weigering van productie A. Productie A maakt deel uit van de gedingstukken.

De te benoemen deskundigen

6.9.

Nu tussen partijen overeenstemming bestaat over de benoeming van Gunning en Ebbinge als deskundigen zal het hof deze als zodanig benoemen. Daarbij begrijpt het hof uit hetgeen [appellanten] hebben uiteengezet in randnummer 11 van hun akte en NN in de randnummers 2.7 en 6.15 en volgende van haar akte, in onderlinge samenhang bezien, dat partijen een neuropsychologisch onderzoek zien als hulponderzoek van de neuroloog waarbij het aan Gunning als neuroloog moet worden gelaten om te beslissen of zo’n neuropsychologisch onderzoek in dit geval nodig is. Mocht Gunning zo’n onderzoek nodig oordelen, dan dient dit te worden verricht door Ebbinge, zo verstaat het hof de zienswijze van partijen verder. Gelet hierop zal het hof bepalen dat het aan Gunning wordt gelaten om te beslissen of in het kader van het te verrichten neurologisch onderzoek nodig is dat ook een door Ebbinge uit te voeren neuropsychologisch onderzoek wordt verricht.

De aan de deskundigen te stellen vragen

6.10.

Uit hetgeen [appellanten] hebben uiteengezet in randnummer 13 van hun akte en NN heeft uiteengezet in de randnummers 2.7 en 6.13 van haar akte begrijpt het hof dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de aan Gunning voor te leggen vragen in het kader van het neurologisch onderzoek. Transdev heeft in randnummer 5 van haar akte nog wel gesteld dat daarover tussen partijen geen overeenstemming zou zijn bereikt, maar nu Transdev in randnummer 3 van haar akte ook uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zich volledig te scharen achter de inhoud van de akte van NN en zij daarbij heeft verzocht om alles wat in de akte van NN is opgenomen als herhaald en ingelast te beschouwen in haar eigen akte, houdt het hof het ervoor dat dit ook geldt voor hetgeen NN heeft betoogd ten aanzien van de aan de deskundigen voor te leggen vragen. Het hof gaat daarom voorbij aan wat Transdev over de te stellen vragen heeft opgenomen in randnummer 5 van haar akte.

6.11.

De tussen partijen bestaande overeenstemming over de aan Gunning te stellen vragen houdt in dat daartoe de zogenoemde IWMD-vraagstelling zal worden gehanteerd. Gelet daarop zal het hof Gunning de volgende vragen stellen:

ALGEMENE TOELICHTING OP DE VRAAGSTELLING

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld?
Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en 2.2.7 RMSR)
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR)
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en 2.2.18 RMSR)
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR).

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?


Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3 OVERIG (aanbeveling2.2.11 RMSR)

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

b. Acht u onderzoek op een ander vakgebied aangewezen?

6.12.

NN heeft in randnummer 2.7 van haar akte ook voorgesteld deze vragen aan te vullen met de aldaar onder A. tot en met C. geformuleerde vragen. Het hof verstaat echter dat dit voorstel van NN inmiddels in zoverre is achterhaald dat partijen het eens zijn dat, zoals hiervoor al overwogen (rechtsoverweging 6.9), het aan Gunning moet worden gelaten om over nut en noodzaak van een aanvullend neuropsychologisch onderzoek te beslissen en dat, als zo’n onderzoek nodig wordt geoordeeld, dit zal worden verricht door Ebbinge. In dit verband heeft NN in haar akte verder voorgesteld dat Ebbinge dan de standaardvraagstelling uit de Richtlijnen Functieverlies 2020 zal hanteren, meer in het bijzonder de in randnummer 6.18 van haar akte onder 1 tot en met 4 geformuleerde vragen. In hun akte hebben [appellanten] daartegen geen verweer gevoerd, althans niet een voldoende concreet verweer. Gelet daarop zal het hof bepalen dat, indien Gunning nodig oordeelt dat een neuropsychologisch onderzoek wordt verricht, aan Ebbinge de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?

2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een bepaalde (nader te omschrijven) gebeurtenis of aandoening?

3. Zijn er wellicht andere oorzaken dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?

4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?

De inrichting van het door de deskundigen te verrichten onderzoek

6.13.

Partijen zijn het niet eens over de inrichting van het door de deskundigen te verrichten onderzoek. Zoals hiervoor (rechtsoverweging 6.6) al is overwogen, bepleit NN een onderzoek gebaseerd op een meerdaagse intramurale observatie. [appellanten] verzetten zich daartegen, omdat in hun visie een aldus ingericht onderzoek naar verwachting zal leiden tot forse en langdurige ontregeling van [de volmachtgever] , terwijl partijen niet is gevraagd zich uit laten over de inrichting van het onderzoek.

6.14.

Naar het oordeel van het hof dient aan het oordeel van de deskundigen te worden overgelaten hoe het onderzoek dient te worden ingericht gelet op het doel waarvoor het wordt verricht, waarbij het hof ervan uitgaat dat de deskundigen daarbij eveneens rekening houden met de belangen van [de volmachtgever] . Mocht Gunning nodig oordelen dat een neuropsychologisch onderzoek plaatsvindt, dient Gunning dat zo spoedig mogelijk aan de raadsheer-commissaris in deze zaak (zie hierna onder 7.14) te berichten, opdat nadere afstemming met Ebbinge zal kunnen plaatsvinden over het moment waarop zij dat onderzoek zal verrichten. Mocht één van de deskundigen, of beiden, een meerdaagse intramurale observatie van [de volmachtgever] nodig oordelen voor hun onderzoek, dan dienen [appellanten] en [de volmachtgever] daaraan hun medewerking te verlenen. Zodra de deskundigen, of één van hen, een meerdaagse intramurale observatie van [de volmachtgever] nodig oordelen, dient dat aan de raadsheer-commissaris in deze zaak (zie hierna onderdeel 7.14) te worden bericht, opdat dan in overleg met partijen kan worden bezien waar een dergelijke observatie zal kunnen plaatsvinden en aan welke eventuele eisen daarbij zal moeten worden voldaan, bijvoorbeeld ten aanzien van de locatie.

Aan te vullen medische informatie over [de volmachtgever]

6.15.

NN betoogt gemotiveerd (randnummers 6.28 tot en met 6.30 van haar akte) dat voorafgaande aan het door de deskundigen te verrichten onderzoek eerst het medisch dossier over [de volmachtgever] moet worden aangevuld met de medische informatie die door [persoon B] is opgevraagd in zijn medisch advies van 23 oktober 2024, onderste helft van pagina 2 en bovenaan pagina 3 (onderdeel van productie C bij de akte van NN). Het hof begrijpt uit de akte van [appellanten] (randnummer 14) dat zij tot zodanige aanvulling bereid zijn. Het hof zal in het dictum van dit arrest bepalen dat [appellanten] voorafgaande aan het door de deskundigen te verrichten onderzoek, het medisch dossier over [de volmachtgever] dienen aan te vullen met de hiervoor bedoelde door [persoon B] in zijn brief van 23 oktober 2024 aangeduide medische informatie.

De kosten van het onderzoek door de deskundigen

6.16.

Het hof ziet geen aanleiding om NN te volgen in haar standpunt dat het aandeel van NN en Transdev in het te deponeren voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek op 75% moet worden gesteld. Van het door NN aangehaalde vonnis van de rechtbank Limburg van 24 januari 2024 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. Om die reden ligt aansluiting daarbij naar het oordeel van het hof in dit stadium niet voor de hand. Voorts acht het hof hierbij van belang dat Transdev c.s. de partijen zijn die hebben verzocht om een neuro(psycho)logisch onderzoek. Het hof zal bepalen dat Transdev c.s. het voorschot op de kosten voor het deskundigenonderzoek dienen te voldoen. Door Gunning is als voorschot op de kosten een bedrag van € 14.365,12 opgegeven, gebaseerd op 40 uur à € 280/u + 6% bureaukosten + 21% BTW. Hierbij is nog geen rekening gehouden met eventuele meerkosten als het onderzoek deels meerdaags intramuraal dient te worden verricht. Ebbinge heeft als voorschot op de kosten een bedrag van € 6.388,80 opgegeven, gebaseerd op 20 uur maal 264 euro plus 21 % BTW. Het hof zal in zijn beslissing aan het slot van dit arrest uitgaan van de aldus opgegeven voorschotbedragen.

Het onderzoek door zorgschade-expert [persoon A]

6.17.

Tussen partijen is bij dit hof een verzoekschriftprocedure aanhangig geweest, met zaaknummer 200.344.396. Daarin is bij beschikking van 28 november 2024 beslist tot een voorlopig onderzoek door zorgschadedeskundige [persoon A] . Uit wat partijen daarover over en weer naar voren hebben gebracht, begrijpt het hof dat [persoon A] inmiddels een concept-rapportage heeft opgesteld, gedateerd 7 april 2025.

6.18.

[appellanten] bepleiten in hun akte (randnummer 18) dat partijen nu de gelegenheid wordt gegeven vragen te stellen naar aanleiding van het concept-rapport, waaronder over de noodzakelijke zorguren, opdat [persoon A] de komende periode kan gebruiken om de vragen van partijen te beantwoorden en aldus onnodige vertraging wordt voorkomen. Het als uitvloeisel van het onderhavige arrest op te stellen bericht van de deskundigen Gunning en Ebbinge kan dan te zijner tijd met [persoon A] worden gedeeld waarbij dan aan [persoon A] de vraag kan worden voorgelegd of, en zo ja, in hoeverre de bevindingen op neuro(psycho)logisch vlak aanleiding geven tot aanpassing van het rapport. NN bepleit daarentegen dat het te verrichten neurologisch onderzoek aanleiding geeft het zorgschade-onderzoek van [persoon A] in de huidige concept-fase aan te houden, stellende dat uit pragmatisch oogpunt en omwille van de proces-en kosten-efficiency eerst de uitkomst van het neurologisch onderzoek moet worden afgewacht voordat op het concept-rapport van [persoon A] wordt gereageerd (randnummers 5.1 tot en met 5.4 in combinatie met randnummers 6.31 tot en met 6.33 van de akte van NN).

6.19.

Het hof overweegt naar aanleiding van het voorgaande het volgende.

6.20.

De verzoekschriftprocedure die eerder door [appellanten] aanhangig is gemaakt, is procesrechtelijk een aparte en op zichzelf staande procedure. Zij heeft geresulteerd in een aparte en op zichzelf staande beslissing tot een voorlopig onderzoek door [persoon A] , neergelegd in de hiervoor genoemde beschikking van 28 november 2024. Aan die aparte en op zichzelf staande beslissing dient daarom uitvoering te worden gegeven. Dat wordt niet anders door de (proces)afspraken die het hof met partijen heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen op 26 maart 2025, maar zou hooguit anders kunnen zijn als partijen na overleg met [persoon A] onderling overeenkomen om afronding van het onderzoek van [persoon A] aan te houden totdat het in de onderhavige procedure te verrichten neurologisch onderzoek is afgerond. Van een dergelijke overeenkomst tussen partijen is het hof thans niet gebleken. Het hof ziet geen grond voor de door NN verzochte aanhouding van het zorgschade-onderzoek van [persoon A] in de concept-fase. Partijen dienen zich met [persoon A] te verstaan over hetgeen nodig is om tot afronding van het rapport van [persoon A] te geraken als ook over het daarbij verder aan te houden tijdpad. Na afronding daarvan kan het eindrapport van [persoon A] door partijen in het onderhavige geding als productie worden ingebracht waarbij zij te gelegener moment te kennen kunnen geven dat zij reden zien voor aanvullend onderzoek door [persoon A] naar aanleiding van de resultaten van het neurologisch onderzoek en het eventuele neuropsychologische onderzoek, waarna in het onderhavige geding dan benoeming van [persoon A] als deskundige voor dat doel kan volgen, ervan uitgaande dat [persoon A] bereid is dergelijk aanvullend onderzoek te doen.

Slotoverweging

6.19.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 augustus 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2313