Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 270526 tijdens eerder deelgeschil is psychiatrische expertise overeengekomen, met patiëntenkaart 5 jaar voor ongeval; deze blijkt niet beschikbaar; ass. dient medewerking te verlenen aan onderzoek

RBLIM 270526 tijdens eerder deelgeschil is psychiatrische expertise overeengekomen, met patiëntenkaart 5 jaar voor ongeval; deze blijkt niet beschikbaar; ass. dient medewerking te verlenen aan onderzoek
- verzocht € 6.467; korting op uren voor verzoekschrift; begroot en toegewezen, 15,5 uur x € 280 + 21% = € 5.251,40

2De feiten

2.1.

Op 25 maart 2011 is [verzoeker] een verkeersongeval overkomen waarbij hij letsel heeft opgelopen. Het betrof een aanrijding waarbij [verzoeker] met zijn auto door een vrachtwagen tegen de vangrail werd gedrukt en tweehonderd meter werd meegesleurd tussen de vrachtwagen en de vangrail. Na het ongeval heeft [verzoeker] lichamelijke en psychische klachten gekregen waardoor hij arbeidsongeschikt is geworden.

2.2.

[orthopeed] (orthopeed) en [psychiater 1] (psychiater) hebben onafhankelijke medisch-specialistische onderzoeken verricht. De klachten en beperkingen van [verzoeker] zijn ná die twee onderzoeken toegenomen. Volgens [verzoeker] moeten deze toegenomen klachten ook aan het ongeval van 25 maart worden toegerekend. [verzoeker] is daartoe reeds een deelgeschilprocedure gestart op 2 april 2024.

2.3.

Tijdens de mondelinge behandeling op 13 augustus 2024 van voornoemde deelgeschilprocedure hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze vaststellingsovereenkomst zijn partijen voor zover van belang het volgende overeengekomen:

Ter beëindiging van dit deelgeschil zijn partijen de volgende vaststellingsovereenkomst aangegaan:

  1. [verzoeker] is gehouden binnen drie maanden na vandaag buiten rechte medewerking te verlenen aan aanvullende psychiatrische expertise in persoon bij dr. [psychiater 2].
  2. [verzoeker] is bij de expertise zoals hiervoor bedoeld gehouden om aan beide medische adviseurs (en eventuele expertiseartsen) te verstrekken:

a. een ongecensureerd huisartsenjournaal van vijf jaar voorafgaand aan het ongeval tot heden,

b. alle (medische) informatie van de bedrijfsarts vanaf twee jaar voorafgaand aan het ongeval,

c. alle (medische) informatie van het UWV vanaf twee jaar voorafgaand aan het ongeval tot heden.

3. Bij gebreke van de medewerking als bedoeld onder 1 en 2 binnen drie maanden, de door [orthopeed] en [psychiater 1] vastgestelde klachten en beperkingen, als uitgangspunt hebben te gelden bij de definitieve afwikkeling van de letstelschade van [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 25 maart 2011,

4. De vraagstelling: partijen komen overeen dat aan dr. [psychiater 2] de vraagstelling zal worden voorgelegd zoals hierna verwoord:

Geachte heer [psychiater 2],

Ter beoordeling van de ongevalsgevolgen van een ongeval op 25 maart 2011 wensen partijen over te gaan tot ene onafhankelijk aanvullend deskundige psychiatrisch onderzoek. Graag zouden partijen u willen vragen, dit expertiseonderzoek te verrichten en de heer [verzoeker] daarvoor te bezoeken. Alle partijen ter beschikking staande medische gegevens doe ik u hierbij toekomen.

(…).”

2.4.

Bij brief van 14 augustus 2024 heeft [verzoeker] zijn huisarts aangeschreven met het verzoek om het ongecensureerd huisartsenjournaal van vijf jaar voorafgaand aan het ongeval tot dat moment op te sturen.

2.5.

Op 27 augustus 2024 heeft [verzoeker] advocaat aan de huisarts uitgelegd waarom de informatie nodig was. De vereiste machtiging werd meegestuurd. Op 13 augustus 2024 stuurt [verzoeker] advocaat een herinnering aan de huisarts.

2.6.

Op 25 november 2024 stuurt [verzoeker] advocaat nogmaals een herinnering aan de huisarts. Per e-mail van 27 november 2024 laat de huisarts weten een gerechtelijk bevel te willen ontvangen alvorens informatie te sturen. [verzoeker] advocaat dringt diezelfde dag nogmaals aan op verstrekking van de informatie.

2.7.

De huisarts heeft op 27 november 2024 informatie verstuurd aan [verzoeker]. De aangeleverde informatie was niet volledig zoals beschreven in de vaststellingsovereenkomst van 13 augustus 2024. De advocaat van [verzoeker] heeft op 3 januari 2025 de huisarts nogmaals aangeschreven, waarop de huisarts het dossier van dr. [huisarts] – zijn voorganger – heeft opgevraagd bij de Orde der Geneesheren. De huisarts benoemt dat dr. [huisarts] plotseling is overleden, hetgeen volgens hem de lacune allicht verklaart.

2.8.

Op 31 januari 2025 bevestigt de huisart dat hij zijn eigen volledige dossier én het dossier van de Orde der Geneesheren heeft ontvangen en heeft opgestuurd aan [verzoeker]. De eerst beschikbare informatie in dat dossier is van 21 juni 2011, zijnde minder dan drie maanden na het ongeval.

2.9.

Op 7 februari 2025 bevestigt de huisarts dat alle beschikbare medische informatie aan [verzoeker] is verstrekt en dat gegevens van vóór 2011 niet beschikbaar zijn vanwege het overlijden van zijn rechtsvoorganger.

2.10.

Op 28 februari 2025 stuurt [verzoeker] de beschikbare aanvullende medische informatie naar Achmea.

2.11.

Op 21 mei 2025 reageert Achmea inhoudelijk op het bericht waarin Achmea bevestigt dat niet alle gewenste informatie beschikbaar is gekomen. Tevens vraagt Achmea aan [verzoeker] om een machtiging te ondertekenen waarmee Achmea’s medisch adviseur zelf informatieverzoeken zou kunnen uitsturen.

2.12.

Op 15 december 2025 laat Achmea weten over te gaan tot afwikkeling.

2.13.

Bij bericht van 16 december 2025 laat [verzoeker] weten dat Achmea wat hem betreft niet de juist weg bewandelt, waarop [verzoeker] dit deelgeschil aankondigt.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt (na wijziging van het verzoek) dat de rechtbank bij beschikking:

I. bepaalt dat Achmea gehouden is medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een psychiatrische expertise door mevrouw drs. [psychiater 3], waarbij de vraagstelling wordt gebruikt die partijen op 13 augustus 2024 overeen kwamen; en om – indien mevrouw [psychiater 3] niet langer beschikbaar blijkt – zelf een deskundig psychiater te benoemen;

II. bepaalt dat deze expertise dient plaats te vinden op basis van de reeds door [verzoeker] verstrekte medische informatie waarbij het aan de deskundige is om, indien zij dit nodig acht, zelf aanvullende medische informatie op te vragen bij de relevante zorgverleners of instantie;

III. de kosten van het deelgeschil als bedoeld in artikel 1019aa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) begroot op € 6.608,80, inclusief btw, en Achmea veroordeelt tot vergoeding hiervan.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn vordering – kort gezegd – ten grondslag dat partijen met de vaststellingsovereenkomst hebben beoogd overeen te komen dat slechts een verplichting bestaat tot het verstrekken van informatie voor zover deze informatie daadwerkelijk bestaat en beschikbaar is. [verzoeker] heeft aan de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst voldaan, zodat Achmea gehouden is medewerking te verlenen aan het verrichten van het verzochte expertiseonderzoek.

3.3.

Achmea verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Achmea stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de onder punt 2 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen gehoudenheid moet worden aangemerkt als een resultaatsverbintenis. Volgens Achmea is aan die verplichting niet voldaan, zodat de tussen partijen getroffen regeling dient te worden afgewikkeld op basis van de reeds voorhanden zijnde medische expertiserapporten en geen ruimte bestaat voor het verzoeken van een aanvullend psychiatrisch onderzoek.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

De deelgeschilprocedure

4.1.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.

4.2.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.3.

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of Achmea gehouden kan worden om medewerking te verlenen aan een psychiatrische expertse met betrekking tot de klachten van [verzoeker], welke zijn ontstaan na de eerder door [orthopeed] en [psychiater 1] verrichte onderzoeken. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

Verzoek

4.4.

Uit de door [verzoeker] overgelegde correspondentie is gebleken dat de eerder door partijen aangewezen deskundige [psychiater 3], niet langer beschikbaar blijkt te zijn voor het uitvoeren van een psychiatrische expertise. [verzoeker] heeft ter zitting desgevraagd nader toegelicht dat zijn verzoek onder I. aldus dient te worden begrepen dat de rechtbank wordt verzocht te bepalen dat Achmea is gehouden medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een psychiatrische expertise, waarbij partijen in onderling overleg een deskundige zullen aanwijzen.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de uitleg van de tussen hen getroffen minnelijke regeling. Partijen verschillen van mening over de betekenis van de daarin opgenomen afspraken. De rechtbank dient de minnelijke regeling daarom uit te leggen. De kern van het geschil betreft daarbij de vraag of [verzoeker] zijn aanspraak op een psychiatrisch expertiseonderoek heeft verloren, dan wel of op Achmea nog steeds de verplichting rust medwerking te verlenen aan het verrichten van een dergelijk deskundigenonderzoek.

4.6.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat partijen in de vaststellingsovereenkomst van 13 augustus 2024 zijn overeengekomen dat [verzoeker] zijn medewerking verleent aan het laten uitvoeren van een aanvullende psychiatrische expertise en aan het opvragen van aanvullende informatie. In het geval [verzoeker] zijn medewerking niet zou verlenen, zouden de bevindingen van [orthopeed] en [psychiater 1] als uitgangspunt dienen voor de schadevergoeding. Het feit dat de vaststellingovereenkomst spreekt over “medewerking verlenen” aan het verstrekken van de informatie, houdt volgens [verzoeker] in dat hij bereid moet zijn de informatie te verstrekken die bestaat en beschikbaar is. Volgens [verzoeker] heeft hij alle redelijkerwijs van hem te verlangen inspanningen verricht om de aanvullende medische informatie te verstrekken. Bovendien heeft hij inzage gegeven in die inspanningen. Voorts heeft Achmea – door op 21 mei 2025 aan te kondigen zelf medische informatie te zullen opvragen – bij [verzoeker] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat het (verdere) verkrijgen van de informatie niet langer uitsluitend op zijn weg lag.

4.7.

Achmea voert aan dat onder punt 3 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat “bij gebreke aan medewerking als bedoeld onder 1 en 2 binnen drie maanden (…)”, het bedoelde rechtsgevolg intreedt. Onder punt 2 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat [verzoeker] “gehouden” is om informatie te verstrekken. Volgens Achmea is de verstrekkingsplicht als resultaatverbintenis opgenomen. Punt 2 bepaalt dát [verzoeker] de genoemde medische gegevens dient te verstrekken. Bij het maken van die afspraak is geen voorbehoud geformuleerd, aldus Achmea.

4.8.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de sanctie zoals opgenomen onder punt 3 van de vaststellingsovereenkomst is gekoppeld aan het verlenen van medewerking aan de onder punten 1 en 2 genoemde verplichtingen. Voor de uitleg van deze verplichtingen komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank laten de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst geen andere uitleg toe dan dat onder het verlenen van medewerking moet worden verstaan: het verstrekken van medische gegevens voor zover deze daadwerkelijk beschikbaar zijn. De formulering van de overeenkomst duidt erop dat partijen hebben beoogd dat [verzoeker] zich bereid verklaart alle relevante informatie te verstrekken die hem ter beschikking staat, en niet dat hij gehouden zou zijn gegevens te verschaffen die feitelijk niet (meer) bestaan of niet (meer) voorhanden zijn.

4.10.

Deze uitleg vindt steun in de tekst van punt 4 van de vaststellingsovereenkomst, in het bijzonder in de eerste alinea, laatste zin, waarin is opgenomen dat “alle partijen ter beschikking staande medische gegevens” worden toegezonden aan de psychiater. Hieruit volgt dat partijen uitdrukkelijk zijn uitgegaan van de bedoeling dat slechts die gegevens worden verstrekt die daadwerkelijk beschikbaar zijn.

4.11.

Voor een uitleg die erop neerkomt dat [verzoeker] zijn rechten zou prijsgeven of tekort zou schieten indien bepaalde medische gegevens niet (meer) beschikbaar blijken te zijn, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Dat bepaalde informatie niet (meer) voorhanden is, als gevolg van het overlijden van zijn vorige huisarts, kan [verzoeker] niet worden tegengeworpen. Achmea heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat partijen met de vaststellingsovereenkomst een verdergaande verplichting hebben willen overeenkomen. Voorts verhoudt de door Achmea voorgestane strikte uitleg van het begrip “gehouden” zich niet met de omstandigheid dat Achmea zelf [verzoeker] heeft verzocht een machtiging te verstrekken teneinde medische gegevens rechtstreeks op te vragen.

4.12.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat partijen hebben beoogd dat [verzoeker] medewerking verleent aan het verstrekken van bepaalde medische gegevens, van een specifieke aard en over een begrensde periode, voor zover deze gegevens beschikbaar zijn. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat [verzoeker] zich in aanzienlijke mate heeft ingespannen om de relevante medische informatie te verkrijgen, maar dat een deel daarvan niet (meer) voorhanden is. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] in volle omvang aan zijn verplichting tot het verlenen van medewerking heeft voldaan.

4.13.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zal bepalen dat Achmea gehouden is medewerking te verlenen aan een psychiatrische expertise, teneinde onderzoek te doen verrichten naar de gestelde verslechtering van de gezondheidstoestand van [verzoeker] na de reeds uitgevoerde onderzoeken.

4.14.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen geen discussie bestaat over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Deze zijn reeds neergelegd in de vaststellingsovereenkomst, terwijl daartegen door Achmea geen verweer is gevoerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen aan de deskundige de vraagstelling voorleggen zoals zij deze zijn overeengekomen in de op 13 augustus 2024 gesloten vaststellingsovereenkomst.

4.15.

Ten aanzien van het verzoek van [verzoeker] dat de expertise zal plaatsvinden op basis van de reeds door hem verstrekte medische informatie, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank overweegt in algemene zin dat het de deskundige is die bepaalt welke door partijen te verschaffen gegevens voor de uitvoering van het hem opgedragen onderzoek noodzakelijk zijn. Aantekening verdient verder nog dat de deskundige in zijn bericht zal hebben aan te geven welke medische gegevens hij heeft ontvangen en waaraan zijn bevindingen en conclusies zijn ontleend en die welke hij weliswaar heeft ontvangen maar niet aan zijn deskundig oordeel ten grondslag heeft gelegd (HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5626).

4.16.

Dit brengt mee dat het aan de deskundige is om te beoordelen of de reeds beschikbare medische informatie toereikend is, dan wel of aanvullende gegevens noodzakelijk zijn, en zo ja, welke. Indien de deskundige tot het oordeel komt dat het oorzakelijk verband tussen de klachten en het gestelde schadeveroorzakende feit niet kan worden vastgesteld wegens het ontbreken van (voldoende) medische gegevens, dan zal dat in de uitkomst van het deskundigenonderzoek tot uitdrukking komen.

De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] dan ook in die zin toewijzen dat de deskundige het onderzoek verricht op basis van de reeds beschikbare medische informatie, met de bevoegdheid om – indien de deskundige daartoe aanleiding ziet – zelf nadere medische informatie op te vragen.

Kosten deelgeschil

4.17.

[verzoeker] verzoekt onder III. om de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten op een bedrag van in totaal € 6.608,80, inclusief btw en inclusief € 341,00 griffierecht. [verzoeker] verzoekt daarbij tevens om Achmea te veroordelen tot betaling van dit bedrag.

4.18.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.19.

Achmea heeft geen (afzonderlijk) onderbouwd verweer gevoerd tegen het door mr. Leemhuis gehanteerde uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren heeft Achmea aangevoerd dat 11 uren voor het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig is, gelet op de herhaling van de inhoud van prepocessuele correspondentie waaruit het verzoekschrift overwegend bestaat. Achmea heeft geen verweer gevoerd tegen de urenaantallen voor de overige door mr. Leemhuis uitgevoerde werkzaamheden.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat het door mr. Leemhuis gehanteerde uurtarief van € 280,00 (exclusief btw) niet bovenmatig is. De rechtbank overweegt hiertoe dat het uurtarief van mr. Leemhuis gebruikelijk is in letselchadezaken en conform het landelijke gemiddelde is. Voor wat betreft het urenaantal van 11 uren met betrekking tot het opstellen van het verzoekschrift, oveweegt de rechtbank dat zij met Achmea van oordeel is dat het verzoekschrift voor een groot deel herhaling bevat van prepocessuele correspondentie. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om voor het opstellen van het verzoekschrift uit te gaan van een tijdsbesteding van 8 uren. De rechtbank is van oordeel dat het urenaantal voor de overige werkzaamheden redelijk is en ziet derhalve geen aanleiding om dit te matigen. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 15,5 uren × € 280,00 exclusief btw, dus op € 4.340,00 exclusief btw en € 5.251,40 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341,00. Achmea zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat Achmea gehouden is medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een psychiatrische expertise, waarbij de vraagstelling wordt gebruikt die partijen op 13 augustus 2024 zijn overeengekomen,

5.2.

bepaalt dat deze expertise dient plaats te vinden op basis van de reeds door [verzoeker] verstrekte medische informatie waarbij het aan de deskundige is om, indien deze dit nodig acht, zelf aanvullende medische informatie op te vragen bij de relevante zorgverleners of instanties;

5.3.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.251,40 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341,00 en veroordeelt Achmea tot betaling daarvan aan [verzoeker]. Rechtbank Limburg 27 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:5389