Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 150926 Aansprakelijkheid bbh; definitieve regeling bij afwezigheid medische eindtoestand en dreigende bijstand 

GHARL 150926 Aansprakelijkheid bbh; definitieve regeling bij afwezigheid medische eindtoestand en dreigende bijstand  
 

in vervolg op:
RBMNE 210824 geen beroepsfout belangenbehartiger bij afhandeling whiplashschade

2De kern van de zaak

2.1.

[appellante] is op 15 januari 2016 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Als gevolg van dit ongeval raakte zij arbeidsongeschikt. Voor de afhandeling van haar letselschade heeft zij [geïntimeerde1] als belangenbehartiger in de arm genomen. [geïntimeerde1] heeft in mei 2017 een regeling getroffen met de aansprakelijke verzekeraar en die regeling ter goedkeuring voorgelegd aan [appellante] . Die is daarmee akkoord gegaan. Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is [geïntimeerde1] in de bijstand terechtgekomen.

2.2.

[appellante] heeft zich daarna op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde1] in de verlening van zijn bijstand aan [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten. Zij heeft een klacht ingediend bij het Nederlands Instituut van Registerexperts (NIVRE), waarbij [geïntimeerde1] als expert is aangesloten. Die klacht is door het tuchtcollege bij beslissing van 22 november 2019 ongegrond verklaard.

2.3.

[appellante] heeft [geïntimeerde1] en Jurilex vervolgens gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht en (samengevat) gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde1] en/of Jurilex aansprakelijk zijn voor de als gevolg van de beroepsfout van [geïntimeerde1] door [appellante] geleden schade.

2.4.

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. [appellante] heeft in hoger beroep ook verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd.

2.5.

Het hof zal beslissen dat [geïntimeerde1] en Jurilex aansprakelijk zijn jegens [appellante] en hoofdelijk de door haar als gevolg van de tekortkoming van [geïntimeerde1] geleden schade moeten vergoeden. Die schade moet worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Het hof licht dat oordeel hierna toe.

3De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten

3.1.

Op 15 januari 2016 is [appellante] betrokken geraakt bij een auto-ongeval. Zij heeft daarna klachten ontwikkeld die wel worden aangeduid als een whiplash. Omstreeks 25 januari 2016 heeft [appellante] aan [geïntimeerde1] , die is aangesloten bij Jurilex, gevraagd om haar te begeleiden bij het verhaal van haar schade op de aansprakelijke verzekeraar, Achmea. [geïntimeerde1] heeft die opdracht aanvaard.

3.2.

[appellante] werkte ten tijde van de aanrijding voor 24 uren per week als servicemedewerkster bij [naam] op een tijdelijk contract tot en met 31 december 2016. Na het ongeval is [appellante] van haar werkzaamheden uitgevallen en uiteindelijk niet succesvol gere-integreerd in haar oorspronkelijke werkzaamheden. Een arbeidsdeskundige van Achmea heeft [appellante] begeleid vanuit de vraag of zij in aanmerking kwam voor re-integratie-activiteiten. Uit het rapport van 4 november 2016 blijkt dat op dat moment [appellante] op korte termijn niet belastbaar was voor re-integratiewerk.

3.3.

De arbeidsovereenkomst is door [naam] niet verlengd. De beëindiging was gelegen in bedrijfseconomische omstandigheden.

3.4.

Na het einde van de arbeidsovereenkomst met [naam] heeft [appellante] een Ziektewetuitkering ontvangen. Die is bij beslissing van het UWV van 6 maart 2017 beëindigd, waarna [appellante] aanspraak heeft gemaakt op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). [geïntimeerde1] heeft [appellante] geadviseerd om bezwaar te maken tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering. [appellante] heeft dat gedaan, maar dat bezwaar is afgewezen. De aan [appellante] toegekende WW-uitkering liep tot 7 juli 2017. Sindsdien heeft [appellante] een bijstandsuitkering.

3.5.

Op verzoek van Achmea heeft op 1 mei 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen [appellante] , [geïntimeerde1] en een schaderegelaar van Achmea. Het doel was een regeling. In dat gesprek zijn geen bedragen uitgewisseld. Op 8 mei 2017 heeft [geïntimeerde1] een telefonisch gesprek gehad met de schaderegelaar van Achmea. [geïntimeerde1] stelde toen voor dat een slotbetaling zou worden gedaan van € 20.000. Na onderhandeling kwam dit bedrag uit op € 15.000. In het contact met [appellante] daarna heeft [appellante] aan [geïntimeerde1] laten weten dat zij bij een neuroloog was geweest die haar had meegedeeld dat het heel onwaarschijnlijk was dat zij van haar klachten afkomt en dat zij werd doorverwezen naar een revalidatiearts. In haar e-mail van 18 mei 2017 schrijft [appellante] onder meer:

Mijn neuroloog vond het bedrag ook aan de lage kant voor een regeling dit omdat ik niet meer van mijn klachten afkom.

Natuurlijk vond hij ook dat er uiteindelijk wel een oplossing voor moet komen anders krijg ik alleen maar meer stress erdoor.

Wat zal nu het beste zijn?

3.6.

[geïntimeerde1] heeft hierop in een e-mail van 23 mei 2017 als volgt geantwoord:

Ik denk dat het goed is dat je bent doorverwezen naar de revalidatiearts.

Dat de neuroloog het bedrag te laag vind, is een vreemd oordeel. Daar gaat hij niet over en kan hij niet beoordelen.

Bij dit soort klachten blijft er toch discussie over de medische causaliteit.

Hoe langer de klachten duren, hoe moeilijker de maatschappij gaat doen.

Ik weet ook niet wat er uit gaat komen als je dit bod afwijst. Het kan best zijn dat Achmea dan tzt minder gaat betalen.

Qua inkomen is er nauwelijks verschil tussen wat je eerst verdiende en de hoogte van de bijstandsuitkering.

Als je dit accepteert moet we ervoor zorgen dat dit niet wordt verrekend met de bijstandsuitkering.

Ik denk toch dat er een reëel bod ligt. Dus denk er nog maar eens goed over na.

Hierop antwoordt [appellante] in een e-mail van 24 mei 2017:

Wat mij heel erg dwars blijft zitten dat de klachten niet van tijdelijke aard zijn. En ook natuurlijk dat ik niet meer in het werk kan terug keren wat ik zo graag wilde doen.

Maar zoals u ook zegt, ik kan het ook niet riskeren om het bod af te wijzen.

Kan er ook niet te lang mee wachten ivm bijstand als die in beeld zal komen misschien.

Heb er goed over nagedacht en wil de regeling wel accepteren.

In een telefoongesprek van diezelfde datum heeft zij dit herhaald, waarna de vaststellingsovereenkomst is opgemaakt en op 2 juni 2017 door Achmea en [appellante] is ondertekend.

3.7.

Bij brief van 7 november 2017 heeft [appellante] Jurilex en [geïntimeerde1] aansprakelijk gesteld. Zij maakt hen diverse verwijten, waaronder het regelen van de zaak zonder dat sprake is van een medische eindtoestand en met een beperkte hoeveelheid medische informatie; het onvoldoende uitzoeken van het verlies aan verdienvermogen en het onder druk zetten van [appellante] om de regeling met de verzekeraar te accepteren. [geïntimeerde1] en Jurilex hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

De positie van [geïntimeerde1] en Jurilex

3.8.

[geïntimeerde1] is rechtsbijstandverlener en heeft de bijstand verleend aan [appellante] . [geïntimeerde1] is niet in dienst bij Jurilex, maar is, zoals hij op de zitting van het hof heeft toegelicht, franchise-ondernemer van Jurilex. Hij was desgevraagd wel bevoegd om Jurilex ter zitting te vertegenwoordigen. Hoe die relatie precies in elkaar zit en hoe die zich verhoudt tot de cliënt, zoals hier [appellante] , is in de processtukken niet uit de doeken gedaan. Uit de beperkte correspondentie die is overgelegd over de verlening van de opdracht door [appellante] blijkt dat de opdracht is aanvaard door [geïntimeerde1] , maar verwezen wordt naar algemene voorwaarden. De aansprakelijkstelling van Achmea is door ‘Jurilex Letselschade B.V., praktijk mr. [geïntimeerde1] ’, gedaan. Onderaan dat briefpapier staat vermeld dat de algemene voorwaarden van Jurilex van toepassing zijn. [geïntimeerde1] en Jurilex hebben niet op enig moment ter discussie gesteld dat zij beide als contractspartij (opdrachtnemer) van [appellante] zijn aan te merken, zodat het hof daarvan uitgaat.

Het beoordelingskader

3.9.

In het vonnis van de rechtbank van 21 augustus 2024 is onder 3.1 tot en met 3.3 de maatstaf voor de beoordeling van een beroepsfout opgenomen. Tegen dat kader zijn geen grieven (bezwaren) gericht. De maatstaf is of gehandeld is zoals van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam vakgenoot in een soortgelijke situatie mocht worden verwacht.

3.10.

[geïntimeerde1] is als register-expert in de onderhandelingsfase grotendeels gelijk te stellen met een adviserende advocaat. Hij dient zijn cliënt te informeren over de aanpak van de zaak en te waarschuwen voor risico’s. Hierbij zal hij zich moeten vergewissen van wat het belang van de cliënt is en wat die cliënt zelf wil. In aanvulling op het kader dat de rechtbank heeft geschetst, voegt het hof toe dat de expert op het terrein waarop hij zich beweegt ter zake kundig dient te zijn, zodat hij in staat is zijn cliënt deugdelijk te informeren over opkomende beslispunten, zodat die een weloverwogen beslissing kan nemen over de te volgen koers.

Geen binding aan het oordeel van het tuchtcollege

3.11.

[geïntimeerde1] is aangesloten bij het NIVRE, dat een vorm van tuchtrechtspraak kent. De door het tuchtcollege te geven oordelen geven inzicht in de norm van de redelijk handelend en redelijk bekwaam register-expert. Aan het oordeel van het tuchtcollege komt in de onderhavige zaak echter geen beslissende betekenis toe. Het college geeft immers in overweging 5.2 van zijn oordeel van 22 november 2019 aan dat het geen oordeel geeft over de inhoud van het professionele werk van de expert, omdat dit niet ter beoordeling van het tuchtcollege staat. Wel overweegt het tuchtcollege:

5.2 (…)

Alleen indien een expert een inhoudelijk standpunt heeft betrokken of een gedraging heeft verricht dat/die redelijkerwijze niet verdedigbaar is, kan dat strijd opleveren met de gedragsregels en tot een gegrondverklaring leiden alsmede tot een eventuele tuchtrechtelijke veroordeling. Daarbij dienen echter alle omstandigheden van het geval betrokken te worden zodat het mogelijk is dat ook indien een expert achteraf/objectief gezien een (inhoudelijke) fout gemaakt heeft daar niet automatisch uit volgt dat hij tevens klachtwaardig gehandeld heeft.

Het tuchtcollege werkt dit in de volgende alinea ten aanzien van een aantal verwijten als volgt uit:

5.3

Concreet volgt uit het voorgaande dat de (on)tijdigheid en de hoogte van de desbetreffende regeling in beginsel buiten het beoordelingskader van het Tuchtcollege vallen. Bij gebreke van een nadere onderbouwing van met name de hoogte van de getroffen regeling - die volgens klaagster veel te laag geweest is -, mede in het licht van de meer concrete stellingen van de expert in dezen, acht het Tuchtcollege niet aanstonds aannemelijk dat er wat dat betreft daadwerkelijk sprake is geweest van een fout, laat staan redelijkerwijs onredelijk en dus klachtwaardig gedrag van de expert. Ook de stelling dat de expert klaagster uit de bijstand had moeten houden kan het Tuchtcollege bij gebreke van nadere onderbouwing niet volgen. Klaagster had in dat opzicht moeten stellen en aannemelijk moeten maken dat zij objectief bezien daadwerkelijk ten onrechte in de bijstand terecht gekomen is en hoe de expert haar daarvoor had kunnen behoeden. De (algemene) stelling dat de regeling veel te vroeg tot stand gekomen is kan het Tuchtcollege evenmin volgen. Het enkele feit dat er nog geen medische eindtoestand is en er niet eerst een (nader) traject van medische expertise heeft plaatsgevonden staat op zichzelf aan het treffen van een regeling niet in de weg. De expert heeft in dat verband terecht opgemerkt dat het heel wel in het belang van zijn client kan zijn om een regeling te treffen.

3.12.

Uit deze passages blijkt dat de (on)gegrondheid van de klacht grotendeels afhankelijk is van een afbakening van de klachtprocedure, zoals opgenomen in overweging 5.2, en voorts van de stellingen die door partijen zijn ingenomen en de onderbouwing die per klachtonderdeel is gegeven, waarbij het hof opvalt dat het tuchtcollege zwaar leunt op de stelplicht van en de onderbouwing door de klagende partij. Bij de procedure voor het hof gaat het om de inhoud van het professionele werk en zal het hof acht slaan op de in deze procedure ingenomen standpunten van partijen, waarbij het gewicht toekent aan het verschil in kennis tussen de expert en diens cliënt. Daar waar in de onderhandelingen met de verzekeraar keuzes worden gemaakt door de expert die niet vooraf besproken zijn met de cliënt mag van de expert worden verwacht dat die een solide onderbouwing hebben. Hij zal immers nadien aan de cliënt hebben uit te leggen dat die keuze verantwoord en in het belang van de cliënt was. Hierna zal blijken dat [geïntimeerde1] op dit punt is tekortgeschoten. Dit alles maakt dat het hof aan de ongegrondheid van de tegen [geïntimeerde1] ingediende klacht geen beslissende betekenis toekent, maar tot een eigen afweging komt.

De regeling met Achmea

3.13.

Op 8 mei 2017 heeft [geïntimeerde1] een telefonisch overleg gehad met de schaderegelaar van Achmea. Dat gesprek volgde na een onderhoud op 1 mei 2017, waarbij [appellante] ook aanwezig was. Tijdens het gesprek met [appellante] zijn geen bedragen genoemd. [geïntimeerde1] heeft op 8 mei 2017 de onderhandelingen ‘geopend’ met een voorstel van € 20.000. Voor een goed begrip van dat bod vat het hof samen wat de stand van zaken was ten tijde van de onderhandelingen.

a. [appellante] had een tijdelijke arbeidsovereenkomst met een omvang van 24 uren per week ten tijde van het ongeval. Zij verdiende met haar werk ongeveer € 980 per maand. Voorafgaand aan deze arbeidsovereenkomst met [naam] had [appellante] een bijstandsuitkering over de periode van ongeveer twee jaren (2013-2015). Voor 2013 had zij een aantal kortdurende banen, waarbij zij (vermoedelijk) tot 36 uren per week werkte. In 2013 volgde een echtscheiding, zorg voor een jong kind en een periode van bijstandsverstrekking.

b. Uit het arbeidsdeskundige rapport van Achmea blijkt dat [appellante] in november 2016 op korte termijn niet belastbaar was voor re-integratie in haar werkzaamheden. Als toekomstvisie van [appellante] staat vermeld dat zij graag wil blijven werken als facilitair medewerker en openstaat voor scholing, eventueel richting de zorg (niveau 3-4).

c. De arbeidsovereenkomst met [naam] is niet verlengd wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Ook collega’s van [appellante] zijn toen ontslagen.

d. [appellante] was nog onder medische behandeling, onder meer van een neuroloog.

e. De aan [appellante] toegekende ziektewetuitkering werd bij beschikking van 7 maart 2017 beëindigd, omdat [appellante] , rekening houdend met de vastgestelde beperkingen, in staat werd geacht tot het verrichten van vervangende/passende arbeid met een hoger uurloon.

f. Tot 7 juli 2017 zou [appellante] een WW-uitkering hebben en het vooruitzicht was dat daarna aanspraak op bijstand zou moeten worden gemaakt.

g. De hoogte van de bijstandsuitkering zou iets minder zijn dan het inkomen dat [appellante] genoot bij [naam] .

h. Er bestond geen aanspraak meer op vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid.

i. Aan [appellante] was door de verzekeraar een voorschot onder algemene titel verstrekt ter hoogte van € 5.250.

h. [geïntimeerde1] had als medische gegevens het ambulanceverslag, een bericht van de huisarts van 12 april 2016 en een tweetal berichten van de bedrijfsarts van 21 maart 2016 en 23 september 2016. Een medisch advies was niet gevraagd.

3.14.

[geïntimeerde1] heeft het ‘openingsbod’ van € 20.000 niet vooraf besproken met [appellante] . Hij kon op de zitting van het hof niet aangeven hoe hij tot dit bedrag is gekomen. Wel was volgens hem hooguit sprake van een gering verlies aan inkomen. Zoals uit de toelichting van [geïntimeerde1] bleek, is hij uitgegaan van het verschil in inkomen dat [appellante] verdiende bij [naam] en de te verwachten bijstandsuitkering. Dat was volgens hem een paar tientjes per maand. Hij heeft enkel een vergoeding gevraagd voor economische kwetsbaarheid.

[geïntimeerde1] en Jurilex zijn tekortgeschoten

3.15.

Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam expert mag worden verwacht dat die (ten minste basale) kennis heeft van de juridische regelingen die invloed kunnen hebben op de hoogte van een schadevergoeding waarop een slachtoffer aanspraak kan maken. Gebleken is dat [geïntimeerde1] die (basale) kennis ten tijde van de bespreking van een regeling met Achmea niet had. Gevraagd op de zitting van het hof naar het karakter van de bijstandsuitkering was dat volgens [geïntimeerde1] een inkomensvervangende voorziening. Hij heeft niet met de verzekeraar besproken of de uitkering door de aansprakelijke partij moest worden gezien als een voorliggende voorziening, zoals bedoeld in de artikelen 5 en 15 Participatiewet. Het aanvullende karakter van een bijstandsuitkering was hem, zoals bleek op de zitting, onbekend. [geïntimeerde1] is bij het adviseren van de regeling dan ook ten onrechte ervan uitgegaan dat [appellante] vanwege de bijstandsuitkering geen arbeidsvermogensschade heeft die voor vergoeding van een schadeplichtige partij in aanmerking komt.

3.16.

Hij is daarnaast voetstoots ervan uitgegaan dat [appellante] in staat was tot het verrichten van arbeid, waarbij hij zich baseerde op de beslissing van het UWV met betrekking tot de Ziektewet. Niet gebleken is dat hij zich realiseerde dat dit een theoretische afschatting betrof en geen situatie dat [appellante] ook daadwerkelijk, met de vastgestelde beperkingen, in staat was om inkomen te genereren, laat staan meer dan haar laatstverdiende loon. Onbekend is hoe hij de mening van de arbeidsdeskundige van Achmea heeft gewogen die enerzijds vaststelt in november 2016 dat [appellante] niet op korte termijn kan re-integreren, maar ook overweegt dat zij graag weer wil werken. Onduidelijk is ook gebleven waarom niet meer moest worden gekeken naar verdere re-integratie van [appellante] . Dat is kennelijk niet meer aan de orde gekomen in het gesprek met de schaderegelaar van Achmea. Ook op deze grond heeft [geïntimeerde1] ten tijde van het adviseren van de regeling in redelijkheid niet kunnen aannemen dat van arbeidsvermogensschade geen sprake was.

3.17.

Verder tekent het hof aan dat het best denkbaar is, en in de praktijk niet geheel ongebruikelijk, dat een finale regeling wordt getroffen als nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam expert mag wel worden verwacht dat die de daaraan verbonden risico’s dan vooraf met zijn cliënt bespreekt en beschikt over de laatste medische informatie, zodat hij zijn cliënt een verantwoorde afweging kan laten maken, uitgaande van de verschillende scenario’s. [geïntimeerde1] is ook op dit punt tekortgeschoten. Hij beschikte niet over de laatste medische informatie, had geen overleg gehad met een medisch adviseur en heeft [appellante] niet betrokken bij het doen van een voorstel voordat hij een regeling trof met Achmea (onder voorbehoud van instemming van [appellante] ).

3.18.

In de e-mailwisseling na het gesprek met Achmea heeft [geïntimeerde1] aan [appellante] de regeling (een slotuitkering van € 15.000) voorgelegd en haar het alternatief voorgehouden: een lastige discussie over het causale verband. Gebleken is dat dit laatste niet gebaseerd was op concrete informatie uit het dossier van [appellante] , maar op zijn ‘algemene ervaring’, zoals hij op de zitting van het hof verklaarde. Het aan [appellante] geschetste alternatief staat haaks op zijn stellingname in de memorie van antwoord onder 2.10 en 2.11 waarin hij stelt dat de medische informatie van [appellante] (ook niet toen die compleet was) geen aanleiding gaf voor een dergelijke lastige discussie en er geen reden was om te twijfelen aan het medische causale verband. In zoverre schoot zijn voorlichting over de gegrondheid van de regeling ernstig tekort. Ook het wegwimpelen van de bezwaren van de neuroloog, die nogmaals aangaf dat sprake is van blijvende beperkingen, is onterecht. Gezien het grote verschil in kennis over de materie van de regeling van een letselschadezaak tussen [geïntimeerde1] en [appellante] is het hof van oordeel dat [appellante] door de wijze waarop [geïntimeerde1] de regeling aan haar presenteerde, zich terecht gedrongen voelde die te accepteren, omdat zij op heel korte termijn een bijstandsuitkering zou moeten aanvragen. Het lag op de weg van [geïntimeerde1] de (wel aanwezige) inkomensschade te verhalen op Achmea en hij had zich moeten inspannen om te voorkomen dat [appellante] afhankelijk zou worden van een bijstandsuitkering.

3.19.

Uit het bovenstaande blijkt dat [geïntimeerde1] en Jurilex zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichting om [appellante] deugdelijk te adviseren en dat de grieven die betrekking hebben op de totstandkoming en acceptatie van de regeling in zoverre gegrond zijn (grieven 7, 11, 12 en 13). De overige grieven behoeven geen verdere bespreking. Omdat aan de voorwaarden voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldaan, zal ook die vordering worden toegewezen. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5936

 

Met dank aan mw. mr. Susan du Plessis, www.duplessis-letselschade.nl voor het attenderen op deze uitspraak

↑