Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 250326 wn-er met letsel na (aangestoken) brand spreekt wg-er aan; geen beroepsfout advocaat wn-er door (verjaringstermijn) vordering wg-er op avb-ass. niet te bewaken

RBNHO 250326 wn-er met letsel na (aangestoken) brand spreekt wg-er aan; geen beroepsfout advocaat wn-er door (verjaringstermijn) vordering wg-er op avb-ass. niet te bewaken
- opmerking op schadeformulier is geen omstandighedenmelding, geen dekking
- kostenbeding (uurtarief) niet oneerlijk: indicatieve urenopgave en maandelijkse facturatie afgesproken
 

in vervolg op:
GHARL 290823 mededelingsplicht verzekeringsovereenkomst; uitleg vraag naar strafrechtelijk verleden zag niet op feitelijk leidinggevende

De zaak in het kort

In de hoofdzaak houdt [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk voor het mislopen van een verzekeringsuitkering op grond van werkgeversaansprakelijkheid. De verzekeraar van werkgever [gedaagde 3] heeft dekking geweigerd voor de aanspraak van [eiser]. [eiser] meent dat [gedaagde 1] een beroepsfout heeft gemaakt doordat [gedaagde 1] heeft verzuimd erop toe te zien dat de vordering van [gedaagde 3] op de verzekeraar veilig werd gesteld, dan wel dat zij in dat kader een waarschuwingsplicht heeft geschonden. Ook vordert [eiser] het door hem aan [gedaagde 1] betaalde honorarium van € 4.002,08 als onverschuldigd betaald terug, omdat het overeengekomen kostenbeding oneerlijk is en moet worden vernietigd.

In de vrijwaringszaak stelt [gedaagde 1] zich op het standpunt dat de werkgever van [eiser], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] dan wel [gedaagde 2], als assurantietussenpersoon van [gedaagde 3], een zorgplicht hebben geschonden en daarom op grond van de bijdrageplicht gehouden zijn [gedaagde 1] (deels) te vrijwaren tegen de vordering van [eiser] in de hoofdzaak.

De rechtbank wijst de vorderingen in de hoofdzaak af, omdat [gedaagde 1] geen beroepsfout heeft gemaakt en bovendien de kans op schade niet aannemelijk is. Van een oneerlijk kostenbeding is geen sprake, zodat het honorarium niet terugbetaald hoeft te worden. De afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak brengt mee dat de vorderingen in de vrijwaringszaak worden afgewezen.

1De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 september 2025

- de akte aanvullende producties TH24 t/m TH26 van [gedaagde 1]

- de aanvullende producties 30 en 31 van [eiser]

- een aanvulling op productie TH13 van [gedaagde 1]

- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026 waarbij namens [eiser] en [gedaagde 1] spreekaantekeningen zijn voorgedragen en overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 november 2026

- het incidenteel vonnis van 21 januari 2026

- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026 waarbij namens de partijen spreekaantekeningen zijn voorgedragen en overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3De feiten

3.1.

In de nacht van 17 op 18 april 2016 heeft een brand gewoed. Daarbij heeft [eiser] zeer ernstig letsel opgelopen. Hij is daardoor arbeidsongeschikt geraakt en ontvangt een IVA-uitkering.

3.2.

De brand heeft plaatsgevonden in een pand met meerdere adressen en gedeeltes in [plaats 3]. De brand is ontstaan in een naast café/restaurant [gedaagde 3] gelegen ruimte. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat de brand is aangestoken.

3.3.

Het café/restaurant werd gedreven door [gedaagde 3]. Beherend vennoot van deze commanditaire vennootschap is [gedaagde 4], de zus van [eiser]. [eiser] was in loondienst bij [gedaagde 3] en verrichtte onder meer werkzaamheden als chef-kok.

3.4.

Ten tijde van de brand had [gedaagde 3] een bij a.s.r. (hierna: de verzekeraar) afgesloten pakketpolis. Onderdeel daarvan waren onder meer een inventaris- en goederenverzekering, een bedrijfsschadeverzekering en een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering (hierna: AVB), waarbij als dekking 2 werkgeversaansprakelijkheid was meeverzekerd. De pakketpolis is afgesloten via [gedaagde 2], de assurantietussenpersoon van [gedaagde 3].

3.5.

Op 18 april 2016 heeft [gedaagde 2] namens [gedaagde 3] bij de verzekeraar een schademelding ingediend onder de polis Brand Zakelijk Inventaris/goederen. Bij schadegegevens wordt als omschrijving van de schade gegeven: Brand- en waterschade en wordt het schadebedrag geschat op € 50.000,00. De vraag of de schade kan worden hersteld wordt met ja beantwoord. Als eventuele extra opmerking is ogenomen: Ook schade op verzekering Bedrijfsschade, Huurderbelang, Glas. Onderaan het formulier is opgenomen: werknemer van verzekerde is gewond geraakt bij de brand.

3.6.

Op 17 mei 2016 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), de partner van [eiser], telefonisch contact opgenomen met mr. [betrokkene 2], (toen) advocaat bij [gedaagde 1], met de vraag of het mogelijk was om iemand aansprakelijk te stellen voor de door [eiser] geleden (letsel)schade. [eiser] verbleef op dat moment in het brandwondencentrum in Beverwijk en werd in coma gehouden in verband met zijn verwondingen.

3.7.

Diezelfde dag is [gedaagde 1] per e-mail aan [betrokkene 1] ingegaan op de vraag wie mogelijk aansprakelijk gesteld kan worden voor de schade van [eiser]. Daarbij is onder meer aangegeven dat de verdere onderzoeken naar de brand moeten worden afgewacht om dit beter te kunnen beoordelen. Ten aanzien van werkgeversaansprakelijkheid is daarbij gewezen op een verjaringstermijn van vijf jaar.

3.8.

Vanwege het staken van de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde 3] door de brand heeft [gedaagde 2] per e-mail van 30 mei 2016 aan de verzekeraar verzocht om de polis per 18 april 2016 “stil” te zetten. Hierop heeft [gedaagde 2] van de verzekeraar polisbladen ontvangen waaruit volgde dat de pakketpolis per 18 april 2016 was geroyeerd.

3.9.

Op 10 juni 2016 heeft [gedaagde 2] overleg gehad met [betrokkene 3] (partner van [gedaagde 4]) en [betrokkene 4] (zwager van [eiser]). Tijdens dit overleg is onder andere het door de verzekeraar aangekondigde royement besproken.

3.10.

[gedaagde 2] heeft de verzekeraar vervolgens in een e-mail van 13 juni 2016 verzocht de beëindiging in te laten gaan per 19 april 2016 en aan hem te bevestigen dat alle verzekeringen dekking bieden naar aanleiding van de schade van 18 april 2016.

3.11.

Op 29 juni 2016 heeft de verzekeraar aan [gedaagde 2] een royementspolis gestuurd waarin staat dat de aansprakelijkheidsverzekering behorend bij de pakketpolis per 19 april 2016 is beëindigd.

3.12.

In een e-mail van 18 november 2016 heeft [betrokkene 1] aan [gedaagde 1] bericht dat het politieonderzoek is afgerond en er geen concrete dader is aangewezen. [betrokkene 1] gaf aan dat het aanspreken van een dader daarom geen optie is en dat de verzekering ook niet echt dol is op uitkeren. [betrokkene 1] eindigde de mail met de vraag of [gedaagde 1] hen kan helpen met hoe nu verder.

3.13.

In e-mails van 21 november 2016 en 3 januari 2017 heeft [gedaagde 1] [betrokkene 1] gewezen op het vragen van een vergoeding bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Ook heeft [gedaagde 1] gevraagd onder welke verzekering uitkering werd geweigerd.

3.14.

Op 10 januari 2017 berichtte [betrokkene 1] per e-mail aan [gedaagde 1] dat zij de verzekering van [gedaagde 3] bedoelde, inclusief de verzekering voor het doorbetalen van het salaris van [eiser]. Zij gaf daarbij aan dat de verzekering eindelijk iets had uitbetaald. Ook gaf zij aan dat zij waarschijnlijk nog wel gebruik wilde maken van de kennis en kunde van [betrokkene 2] wanneer daar de tijd voor zou zijn, maar dat zij eerst wilde wachten tot de politie klaar zou zijn.

3.15.

Nadat [eiser] voldoende van zijn verwondingen was hersteld, heeft hij op 26 januari 2017 contact opgenomen met [gedaagde 1] om een afspraak te maken voor het bespreken van de vervolgstappen. Op 27 januari 2017 heeft [betrokkene 2] een bezoek gebracht aan [eiser]. [gedaagde 1] heeft vervolgens op 2 februari 2017 een advies uitgebracht over de vraag of [eiser] zijn werkgever of de verhuurder van het pand aansprakelijk kon stellen voor zijn schade. Kort gezegd liet [gedaagde 1] zich in het advies negatief uit over beide aansprakelijkstellingen omdat er sprake was van brandstichting in een ruimte van de buren, maar gaf zij aan eerst het dossier van de politie en brandweer te willen inzien voordat definitief uitsluitsel geven kan worden. Dit standpunt herhaalde [gedaagde 1] in e-mails van

10 februari 2017 en 2 oktober 2017.

3.16.

Begin oktober 2017 heeft [eiser] een afschrift van het politiedossier op het kantoor van [gedaagde 1] afgegeven.

3.17.

In een brief van 24 november 2017 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] laten weten dat er geen grond is om de eigenaar van het pand aansprakelijk te stellen. Verder berichtte [gedaagde 1]: Bij je zuster als werkgever ligt dat iets anders. Op grond van art. 7:658 BW is de bewijslast bij haar omgedraaid. Doordat jij tijdens je werk letsel hebt opgelopen moet je zuster (lees: haar verzekeraar) in haar hoedanigheid van werkgever aantonen dat ze afdoende maatregelen heeft genomen om zo’n brand te voorkomen.

En dat is weliswaar niet eenvoudig maar uiteindelijk zal ze dat wel lukken, te meer omdat de brand nu eenmaal is aangestoken door een onbekende dader zodat eigenlijk wel duidelijk is dat je zuster geen enkel verwijt treft.

Aan de andere kant willen wij natuurlijk best beginnen met het aansprakelijk stellen van je zuster, dan zien we wel waar haar verzekeraar mee komt. En heel misschien levert het toch iets op, of bieden ze een X-bedrag om er van af te zijn, maar verwacht er dan niet te veel van.

3.18.

Op 15 februari 2018 heeft mr. Horstman, advocaat bij [gedaagde 1], namens [eiser] een aansprakelijkstelling aan [gedaagde 3] verzonden, waarin [gedaagde 3] wordt geadviseerd de kwestie zo spoedig mogelijk te melden bij haar verzekeraar. [gedaagde 1] heeft daarbij aangegeven graag een bevestiging van deze melding te ontvangen.

3.19.

Op 27 februari 2018 heeft [gedaagde 3] de aansprakelijkstelling aan [gedaagde 2] toegezonden met het verzoek om deze door te zenden aan de verzekeraar. Diezelfde dag heeft [gedaagde 2] de aansprakelijkstelling doorgeleid aan de verzekeraar met het verzoek om de schade in behandeling te nemen en af te wikkelen conform de voorwaarden. [gedaagde 2] verwees daarbij naar het schadedossier “brand” dat reeds bij de verzekeraar bekend was.

3.20.

De verzekeraar heeft op 28 februari 2018 – onder verwijzing naar artikel 5 van de polisvoorwaarden AHO 14-1 – dekking onder de AVB afgewezen, omdat de polis per 18 april 2016 is geroyeerd, de melding niet is binnengekomen tijdens de geldigheidsduur van de polis, er geen clausule is opgenomen met een naloop-risico en er ook geen omstandighedenmelding bij de verzekeraar is ingediend.

3.21.

In artikel 5 van de polisvoorwaarden AHO 14-1 van de verzekeraar staat:

1. Dekking van een aanspraak

a. Wij bieden dekking voor de aansprakelijkheid van een verzekerde in de verzekerde hoedanigheid voor schade van derden, als:

- de aanspraak over deze schade voor de eerste maal tegen een verzekerde is ingesteld tijdens de geldigheidsduur van deze dekking en

- de schriftelijke melding hiervan door ons is ontvangen tijdens de geldigheidsduur van deze dekking en

- de aanspraak of omstandigheid bij het aangaan van deze dekking bij u of de aansprakelijk gestelde verzekerde niet bekend was.

b. Melding van een omstandigheid

Als een omstandigheid tijdens de geldigheidsduur van deze dekking voor de eerste maal schriftelijk bij ons is aangemeld en door ons is ontvangen, beschouwen wij de aanspraak die daaruit voortvloeit, ongeacht op welk tijdstip, als ontvangen op de datum van ontvangst van de melding van deze omstandigheid.

3.22.

Op 14 maart 2018 heeft [gedaagde 1] [eiser] nogmaals gewezen op de optie van het indienen van een aanvraag bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In een e-mail van diezelfde dag heeft [betrokkene 1] aan [gedaagde 1] laten weten dat de verzekeraar in een bericht aan [gedaagde 4] heeft aangestuurd op een royement omdat zij van mening zijn dat [eiser] eigenaar was van [gedaagde 3], maar dat dit wordt aangevochten via aangewezen advocaten.

3.23.

In een e-mail van 19 maart 2018 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] de contactgegevens van de advocaat van [gedaagde 4], mr. [betrokkene 5], doorgestuurd. [gedaagde 1] heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met mr. [betrokkene 5]. Van dit gesprek heeft [gedaagde 1] verslag uitbracht aan [eiser] in een e-mail van 20 april 2019. In deze e-mail staat, onder meer: Hij deelde mij mede dat zij dit royement zullen aanvechten. Tevens sommeert hij de verzekering tot uitkering over te gaan. Naar verwachting zal hierover moeten worden geprocedeerd aangezien de verzekering tot op heden iedere medewerking weigert. Omdat de verzekeraar als standpunt inneemt dat er geen geldige verzekeringsovereenkomst was afgesloten tijdens het ongeval, moeten wij vooralsnog de uitkomst van deze procedure afwachten. Pas in het geval de rechter oordeelt dat de verzekering ten tijde van het ongeval onverkocht van kracht was, kunnen wij met de aansprakelijkstelling verder doorpakken.

3.24.

In afwachting van de uitkomst van de dekkingsdiscussie tussen [gedaagde 3] en de verzekeraar hebben [eiser] en [gedaagde 1] besloten het dossier op ‘stand-by’ te zetten.

3.25.

In een e-mail van 30 april 2018 heeft [gedaagde 1] [eiser] geattendeerd op de verjaringstermijn van vijf jaar die op de vordering op [eisers] van toepassing was.

3.26.

Op 6 februari 2019 heeft [eiser] opnieuw contact opgenomen met [gedaagde 1] voor een afspraak om het verhaal van zijn schade op te starten. Daarbij deelde hij mee dat [gedaagde 3] met de verzekeraar in de afwikkelende fase van een schikking zat en er nog maar een kleine kans op een procedure was.

3.27.

Een andere bij [gedaagde 1] werkzame advocaat, mr. [betrokkene 6], heeft het dossier overgenomen. Op 25 februari 2019 hebben [eiser] en mr. [betrokkene 6] met elkaar gesproken op het kantoor van [gedaagde 1].

3.28.

Op 1 maart 2019 heeft [gedaagde 1] per e-mail aan [eiser] de volgende documenten gestuurd: een brief met informatie over de zaak, een brief met opdrachtbevestiging, de algemene voorwaarden van [gedaagde 1], een factuur voor de eigen bijdrage en een financiële bijsluiter. In de brief met opdrachtbevestiging wordt vermeld dat voor [eiser] een aanvraag voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand zal worden ingediend. De brief met opdrachtbevestiging is door [eiser] voor akkoord ondertekend.

3.29.

Begin mei 2019 is de aanvraag voor gefinancierde rechtsbijstand afgewezen. [eiser] en [gedaagde 1] hebben vervolgens nieuwe/aanvullende (financiële) afspraken gemaakt, die door [gedaagde 1] per e-mail van 13 juni 2019 aan [eiser] zijn bevestigd.

3.30.

Op 19 juni 2019 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] bericht dat [gedaagde 3] een bodemprocedure tegen de verzekeraar zou starten. Om die reden verzocht hij [gedaagde 1] ‘rustig aan te doen met de uurtjes’ die hij in de zaak steekt.

3.31.

Op 13 november 2019 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde 1] waarin is besproken dat [gedaagde 1] aan [eisers] een herhaalde aansprakelijkstelling zou sturen. De herhaalde aansprakelijkstelling is bij aangetekende post en e-mail van 19 november 2019 verzonden. In de brief deelt [gedaagde 1] mee [gedaagde 3] en haar vennoten onverminderd aansprakelijk te houden en verzoekt [gedaagde 1] melding te doen bij de verzekeraar. Ook zegt [gedaagde 1] aan de verjaring van de rechtsvorderingen te stuiten.

3.32.

In een e-mail van 13 januari 2020 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] bericht dat een reactie van [gedaagde 3] op de aansprakelijkstelling is uitgebleven en zij daarom niet wist of [gedaagde 3] de brief had doorgestuurd aan de verzekeraar. [gedaagde 1] heeft [eiser] gevraagd of hij die informatie wel had.

3.33.

In maart 2020 heeft [eiser] [gedaagde 1] verzocht om de verdere werkzaamheden op te schorten. [gedaagde 1] heeft in een e-mail van 15 maart 2020 aan [eiser] bevestigd aan dit verzoek gehoor te zullen geven. Daarbij heeft [gedaagde 1] [eiser] verzocht om haar op de hoogte te houden van de uitkomst van de zaak tussen de werkgever en haar verzekeraar. In een e-mail van 14 mei 2020 heeft [gedaagde 1] de opschorting van de werkzaamheden herbevestigd en is opnieuw verzocht haar op de hoogte te houden van de uitkomst van de zaak tussen de werkgever en de verzekeraar.

3.34.

In een e-mail van 17 januari 2022 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] bericht dat de verjaring van de vordering uit hoofde van werkgeversaansprakelijkheid vóór 19 november 2024 gestuit moest worden. In reactie hierop heeft [eiser] laten weten dat [gedaagde 3] in de aankomende maanden een definitieve uitspraak verwachtte en dat hij bij een positieve uitspraak zelf zijn recht zou gaan proberen te halen.

3.35.

[eiser] heeft in een e-mail van 25 oktober 2022 aan [gedaagde 1] verzocht om het dossier weer te openen. [eiser] en [gedaagde 1] hebben vervolgens telefonisch overleg gehad. [gedaagde 1] heeft in een e-mail van diezelfde dag vastgelegd hetgeen besproken is.

3.36.

Op 1 december 2022 heeft [gedaagde 1] telefonisch gesproken met mr. [betrokkene 7], de nieuwe advocaat van [eisers] [gedaagde 1] heeft diezelfde dag een e-mail aan [eiser] gestuurd. Daarin heeft zij [eiser] meegedeeld dat de advocaat van [eisers] heeft gezegd dat de claim van [eiser] niet onder de verzekeringsdiscussie valt die [eisers] met de verzekeraar heeft en dat dat haar bevreemdt omdat [eiser] nog wel het meest onder de dekking zou moeten vallen. [gedaagde 1] heeft daarbij aangegeven dat zij dit niet kan controleren omdat zij de stukken van [eisers] niet heeft en [eisers] geen toestemming heeft gegeven om die te delen. Zij heeft [eiser] gevraagd om hierover contact op te nemen met [gedaagde 4], omdat er open kaart gespeeld moet worden. Ook heeft [gedaagde 1] gevraagd of [gedaagde 3] een werkgeversaansprakelijkheidsverzekering had.

3.37.

Op 14 december 2022 heeft mr. [betrokkene 7] een afschrift van het procesdossier van de procedure tussen [gedaagde 3] en de verzekeraar aan [gedaagde 1] gestuurd. [gedaagde 1] heeft aan [eiser] laten weten dat het niet mogelijk was om zonder bestudering van dat procesdossier vast te stellen of de claim van [eiser] onder de dekking van de verzekering van [gedaagde 3] viel en gevraagd of [eiser] wilde dat [gedaagde 1] het procesdossier zou bestuderen.

3.38.

In september 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] een afschrift van het eindarrest van de procedure tussen [gedaagde 3] en de verzekeraar van 29 augustus 2023 toegezonden. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de verzekeraar geen beroep op verzwijging toekomt en heeft de verzekeraar veroordeeld tot betaling aan [gedaagde 3] van € 146.276,89 (€ 92.632,10 aan materiële schade en € 53.644,88 aan bedrijfsschade), vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3.39.

In e-mails van 13 en 15 september 2023 heeft [gedaagde 1] [eiser] nogmaals gewezen op de verjaringstermijn van de vordering op [eisers] en aangegeven dat [eiser] er goed aan doet de verjaring wederom te stuiten. In de laatste mail heeft [gedaagde 1] gevraagd wat er van haar wordt verwacht.

3.40.

[eiser] heeft vervolgens de overeenkomst met [gedaagde 1] beëindigd en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) benaderd om de behandeling van de zaak over te nemen. [bedrijf 2] heeft in een e-mail van 24 april 2024 aan [eiser] laten weten dat de aanspraak van [gedaagde 3] op de verzekeraar is verjaard en alleen nog een vordering op de werkgever resteert. [bedrijf 2] geeft verder aan dat [bedrijf 3] mogelijk een beroepsfout heeft gemaakt, omdat zij niet gezorgd hebben voor stuiting binnen drie jaar na de afwijzing door de verzekeraar.

3.41.

In een brief van 10 december 2024 heeft de nieuwe advocaat van [eiser] – onder toezending van een concept-dagvaarding – aan [gedaagde 1] verzocht aansprakelijkheid voor een beroepsfout te erkennen en de beroepsfout bij haar aansprakelijkheidsverzekering te melden. In een e-mail van 24 december 2024 heeft [gedaagde 1] de aansprakelijkheid betwist en meegedeeld dat de kwestie bij de verzekeraar is gemeld.

4Het geschil

in de hoofdzaak

4.1.

[eiser] vordert, samengevat:

I. een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de met [eiser] gesloten overeenkomst van opdracht;

II. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding als gevolg van die tekortkoming, nader op te maken bij staat;

III. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 4.002,08, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van de betaling door [eiser] van de door [gedaagde 1] aan hem verzonden facturen, althans vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

IV. [gedaagde 1] te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

[eiser] legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat [eisers] uit hoofde van werkgeversaansprakelijkheid een aanspraak zou hebben gehad onder de bij haar verzekeraar afgesloten AVB, die door toedoen van [gedaagde 1] is verjaard. [eiser] verwijt [gedaagde 1] dat zij er niet voor heeft gezorgd dat [eisers] de vordering op de verzekeraar tijdig hebben gestuit, althans er niet op heeft toegezien dat dit zou gebeuren, [eiser] niet heeft gewaarschuwd voor de verkorte verjaringstermijn van de claim op de verzekeraar en hem niet met klem heeft geadviseerd zich ervan te vergewissen dat de verjaring van de rechtsvordering op de verzekeraar tijdig werd gestuit. Door dit na te laten heeft de behandelend advocaat van [gedaagde 1] een beroepsfout gemaakt, voor de gevolgen waarvan [gedaagde 1] door [eiser] als benadeelde partij aansprakelijk kan worden gehouden. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden die [gedaagde 1] moet vergoeden. Het aan [gedaagde 1] betaalde honorarium is onverschuldigd betaald, omdat het tussen partijen overeengekomen kostenbeding oneerlijk is en vernietigd kan worden.

4.3.

[gedaagde 1] voert verweer. [gedaagde 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

4.4.

[gedaagde 1] betwist iedere aansprakelijkheid. Primair stelt [gedaagde 1] zich op het standpunt dat vanwege de overschrijding van de vervaltermijn van artikel 6 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding, althans aan hem geen vorderingsrecht toekomt. Subsidiair betwist [gedaagde 1] dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming c.q. zorgplichtschending harerzijds. Meer subsidiair voert [gedaagde 1] aan dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de door [eiser] gestelde aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis niet aannemelijk is. Wat betreft de gevorderde terugbetaling van het honorarium meent [gedaagde 1] dat [eiser] geen betalingen heeft gedaan die terug te voeren zijn op een kostenbeding dat oneerlijk zou zijn en vernietigd zou moeten worden.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.6.

[gedaagde 1] vordert, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde 2], [gedaagde 4] en/of [gedaagde 3] hoofdelijk te veroordelen om aan [gedaagde 1] te betalen 100%, althans 80% van al hetgeen waartoe [gedaagde 1] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [gedaagde 2], [gedaagde 4] en/of [gedaagde 3] in de kosten van de vrijwaringsprocedure;

II. voor recht te verklaren dat [gedaagde 2], [gedaagde 4] en/of [gedaagde 3] gehouden zijn/is de nadelige gevolgen van een veroordeling van [gedaagde 1] in de hoofdzaak voor 100%, althans voor 80%, althans te dragen voor een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen bedrag en/of aandeel.

4.7.

[gedaagde 1] voert aan dat uit de door de verzekeraar van [gedaagde 3] opgegeven afwijzingsgronden blijkt dat [gedaagde 2] zijn zorgplicht als assurantietussenpersoon geschonden heeft, omdat hij ondanks de wetenschap dat [eiser] bij de brand ernstig gewond was geraakt, de AVB heeft laten beëindigen terwijl [gedaagde 3] geen dekking voor uitlooprisico heeft aangekocht en voorafgaand aan het royement geen omstandighedenmelding onder de AVB is gedaan. Ook [eisers] hebben hun zorgplicht geschonden. Door de pakketpolis te (laten) royeren zonder afdoende maatregelen te treffen om de verzekeringsdekking voor de (potentiële) claim van [eiser] zeker te stellen hebben [eisers] zich tegenover [eiser] niet gedragen als een goed werkgever.

4.8.

[gedaagde 2] en [eisers] voeren verweer. [gedaagde 2] en [eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde 1], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde 1], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van deze procedure.

4.9.

[gedaagde 2] betwist een zorgplichtschending. Hij zegt dat hem in de gegeven omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt. Hij is niet eerder dan in februari 2018 op de hoogte geraakt dat [eiser] meende dat er sprake was van een arbeidsongeval. Onder die omstandigheden kan hem niet worden verweten dat hij geen omstandighedenmelding heeft gedaan. Hij heeft overigens wel een omstandighedenmelding gedaan bij de eerste melding van de schade. Ook heeft hij [eisers] volledige en tijdige informatie verstrekt over het royement. Naar zijn mening is er geen sprake van een arbeidsongeval en kan er daarmee ook geen sprake zijn van werkgeversaansprakelijkheid. Daarmee is er geen sprake van een causaal verband tussen de gestelde fout en de gestelde schade. [gedaagde 2] voert verder aan dat eventuele aanspraken uit schending van zijn contractuele zorgplicht verjaard zijn. [eisers] voeren aan dat zij niet hoeven bij te dragen aan het vergoeden van de letselschade van [eiser] omdat hun zorgplicht als goed werkgever niet verder reikte dan het afsluiten van een verzekering en het melden van de letselschade bij assurantietussenpersoon [gedaagde 2]. [gedaagde 3] heeft beide gedaan.

4.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

in de hoofdzaak

Het beroep op het vervalbeding uit de algemene voorwaarden gaat niet op

5.1.

[gedaagde 1] heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat sprake is van schending van een ververvaltermijn uit haar algemene voorwaarden. Dit verweer faalt.

De rechtbank zal dat oordeel hierna toelichten.

5.2.

[gedaagde 1] brengt naar voren dat zelfs als aangenomen moet worden dat [eiser] tegenover [gedaagde 1] een recht op schadevergoeding zou zijn toegekomen, dit recht per 28 februari 2022 is vervallen. [gedaagde 1] voert daartoe het volgende aan. In artikel 6 van haar algemene voorwaarden is bepaald dat het recht op schadevergoeding in ieder geval vervalt twaalf maanden na de gebeurtenis waaruit de schade (in)direct voortvloeit en waarvoor [gedaagde 1] aansprakelijk is. Uitgaande van de stellingen van [eiser] heeft de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsgevonden op 28 februari 2021, omdat op die datum de vordering van [gedaagde 3] op de verzekeraar zou zijn verjaard.

5.3.

[eiser] voert aan dat het vervalbeding zoals dat in de opdrachtbevestiging zelf is opgenomen prevaleert boven het vervalbeding uit de algemene voorwaarden. In de opdrachtbevestiging staat dat het vorderingsrecht op [gedaagde 1] eerst vervalt twaalf maanden na het moment waarop de opdrachtgever met dat vorderingsrecht bekend werd, of redelijkerwijs bekend kon zijn. [eiser] nam voor het eerst kennis van de beroepsfout door het bericht van [bedrijf 2] van 24 april 2024. Binnen twaalf maanden, op 10 december 2024, is [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld. Bovendien is het vervalbeding zoals opgenomen in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend en nietig. Het vervalbeding maakt volgens [eiser] daarom geen deel uit van zijn verhouding tot [gedaagde 1], althans moet buiten toepassing worden gelaten.

5.4.

In de e-mail van 13 juni 2019, waarin de tussen [eiser] en [gedaagde 1] gemaakte afspraken zijn vastgelegd, wordt voor de voorwaarden van de dienstverlening verwezen naar de al eerder aan [eiser] toegezonden opdrachtbevestiging en algemene voorwaarden.

5.5.

In artikel 6 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] staat:

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:89 BW van het Burgerlijk Wetboek, vervalt het recht op schadevergoeding in ieder geval twaalf maanden na de gebeurtenis waaruit de schade direct of indirect voortvloeit en waarvoor [gedaagde 1] N.V. aansprakelijk is.

5.6.

In de opdrachtbevestiging van 26 februari 2019 staat, voor zover van belang:

Beperking aansprakelijkheid

(…)

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek, vervallen alle vorderingsrechten jegens [gedaagde 1] N.V. uit welke hoofde dan ook in ieder geval twaalf maanden na het moment waarop de opdrachtgever bekend werd of redelijkerwijs bekend kon zijn met het bestaan van deze vorderingsrechten.

5.7.

De vraag die voorligt is hoe de overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [gedaagde 1] op dit punt moet worden uitgelegd. De uitleg van de afspraken kan niet plaatsvinden op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg. Het komt aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars wilsuitingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1

5.8.

De rechtbank komt tot het oordeel dat een redelijke uitleg met zich brengt dat op de opdracht alleen het vervalbeding als beschreven in de opdrachtbevestiging van 26 februari 2019 van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat partijen voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst met elkaar gesproken hebben over het door [gedaagde 1] gewenste vervalbeding. Duidelijk is echter dat [gedaagde 1] in de individuele opdrachtbevestiging een vervalbeding heeft opgenomen dat veel minder ver gaat dan het beding dat in haar algemene voorwaarden staat. Omdat de bedingen niet verenigbaar zijn, moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde 1] met het beding in de opdrachtbevestiging bewust is afgeweken van het strenge vervalbeding in de algemene voorwaarden.

5.9.

Dit betekent dat het (eventuele) vorderingsrecht van [eiser] pas verviel twaalf maanden na het moment waarop [eiser] met dat vorderingsrecht bekend werd of redelijkerwijze bekend kon zijn. Vast staat dat [eiser] op de hoogte kwam van een mogelijke beroepsfout door [gedaagde 1] door het bericht van [bedrijf 2] van 24 april 2024. Dat [eiser] redelijkerwijs eerder op de hoogte had moeten zijn heeft [gedaagde 1] niet voldoende onderbouwd. [eiser] heeft met zijn dagvaarding van 14 februari 2025 daarmee binnen de geldende vervaltermijn, dus tijdig, een vordering tegen [gedaagde 1] ingesteld.

[gedaagde 1] is niet aansprakelijk voor het niet aanspreken van de eigenaar van het pand

5.10.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] voor het eerst aangevoerd dat [gedaagde 1] ook een verwijt te maken valt omdat zij geen actie (uit hoofde van zaakwaarneming) heeft ondernomen tegen de eigenaar van het pand waarin de brand is ontstaan. [gedaagde 1] heeft terecht aangevoerd dat deze stelling tardief is, omdat [eiser] [gedaagde 1] in de dagvaarding enkel het verwijt maakt dat zij heeft nagelaten ervoor te zorgen dat de vordering van de werkgever op de verzekeraar tijdig werd gestuit, dan wel [eiser] hiervoor te waarschuwen. De (niet nader onderbouwde) stelling dat [gedaagde 1] ook de eigenaar van het pand had moeten aanspreken vormt een uitbreiding van de rechtsstrijd waarop [gedaagde 1] zich niet kon voorbereiden. Zij blijft daarom buiten de beoordeling.

[gedaagde 1] heeft geen beroepsfout gemaakt

5.11.

De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde 1] geen beroepsfout heeft gemaakt bij de dienstverlening in het kader van het aanspreken van [eisers] Zij heeft als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid betracht die in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht. De rechtbank licht dat als volgt toe.

5.12.

[eiser] maakt [gedaagde 1] kort gezegd het verwijt dat zij, in de wetenschap dat [eiser] de schade niet wilde verhalen op zijn zus (c.q. [gedaagde 3]) maar op haar verzekeraar, er niet op heeft toegezien dat de verjaring van de claim die [gedaagde 3] op de verzekeraar had tijdig werd gestuit. Dit betoog gaat niet op.

5.13.

[gedaagde 1] heeft [gedaagde 3] op 15 februari 2018 aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiser] en [gedaagde 3] geadviseerd de schade te melden bij haar verzekeraar. Ook heeft [gedaagde 1] [eiser] een aantal malen gewezen op de verjaringstermijn van de vordering op [gedaagde 3]. [gedaagde 1] heeft verder in maart/april 2018 contact opgenomen met de advocaat van [gedaagde 3], mr. [betrokkene 5]. Blijkens de vastlegging van dit gesprek in een e-mail aan [eiser] (r.o. 3.23) heeft mr. [betrokkene 5] [gedaagde 1] meegedeeld dat sprake was van een royement door de verzekeraar, dat [gedaagde 3] zou aanvechten. Ook is meegedeeld dat de verzekering zou worden gesommeerd tot uitkering over te gaan en dat de verwachting was dat hierover geprocedeerd zou moeten worden aangezien de verzekering iedere medewerking weigerde.

5.14.

De rechtbank is van oordeel dat de zorgplicht die op [gedaagde 1] rustte er niet toe noopte om uit zichzelf de verjaringstermijn in de gaten te houden van de vordering die [gedaagde 3] op haar verzekeraar had. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat het aan de aansprakelijk gestelde zelf is om de verjaringstermijn van zijn vordering op een verzekeraar te bewaken. In beginsel weet alleen diegene welke verzekeringen hij heeft, wanneer hij aanspraak heeft gemaakt op een verzekeringsuitkering of een aansprakelijkstelling heeft doorgeleid en wat naar aanleiding daarvan het dekkingsstandpunt van de verzekeraar is. Dat [gedaagde 1] ermee bekend was dat [eiser] niet (de onderneming van) zijn zus, maar uitsluitend haar verzekeraar wenste aan te spreken, maakt dit in de gegeven omstandigheden niet anders. Op grond van het gesprek met mr. [betrokkene 5] mocht [gedaagde 1] er namelijk van uitgaan dat de claim van [eiser] was doorgeleid naar de verzekeraar en dat hierover waarschijnlijk met de verzekeraar zou moeten worden geprocedeerd. Ook [eiser] zelf ging daar blijkens de vaststaande feiten van uit. Zo heeft hij bijvoorbeeld op 6 februari 2019 contact opgenomen met [gedaagde 1] en meegedeeld dat [gedaagde 3] met de verzekeraar in de afwikkeling van een schikking zat (r.o. 3.26). Vervolgens heeft [eiser] aan [gedaagde 1] laten weten dat [gedaagde 3] een bodemprocedure tegen de verzekeraar zou starten en dat [gedaagde 1] “rustig aan moest doen met de uurtjes” (r.o. 3.30). Nadat [gedaagde 1] in november 2019 een herhaalde aansprakelijkstelling aan [gedaagde 3] had verzonden, aan [eiser] had laten weten dat een reactie was uitgebleven en hem had gevraagd of [eiser] die informatie wél had, heeft [eiser] [gedaagde 1] in maart 2020 verzocht de verdere werkzaamhedenheden op te schorten. Uit twee e-mails van [gedaagde 1] aan [eiser] van 15 maart 2020 en 14 mei 2020 (r.o. 3.33) blijkt dat zowel [eiser] als [gedaagde 1] er op dat moment van uitgingen dat de procedure tussen [gedaagde 3] en haar verzekeraar mede betrekking had op – of in elk geval de uitkomst daarvan doorslaggevend was voor – de mogelijke claim van [eiser] op [gedaagde 3].

5.15.

De zaak heeft vervolgens geruime tijd stil gelegen. [eiser] heeft [gedaagde 1] (na een e-mail van [gedaagde 1] waarin [eiser] op de verjaringstermijn van zijn vordering op [gedaagde 3] werd gewezen) begin 2022 laten weten dat [gedaagde 3] in de aankomende maanden een definitieve uitspraak verwachtte en dat [eiser] bij een positieve uitspraak zelf zijn recht zou gaan proberen te halen (r.o. 3.34). [eiser] heeft vervolgens pas in een e-mail van 25 oktober 2022 aan [gedaagde 1] verzocht om het dossier weer te openen (r.o. 3.35).

Uit de correspondentie tussen [gedaagde 1] en [eiser] blijkt niet dat [eiser] zijn advocaat in die periode ooit andere instructies heeft gegeven dan af te wachten totdat de procedure tussen [gedaagde 3] en haar verzekeraar was afgerond. Het voert te ver om onder die omstandigheden van een redelijk handelend advocaat te verwachten dat hij zijn cliënt zou waarschuwen voor een verjaringstermijn die (de advocaat van) de wederpartij als uitgangspunt zelf diende te bewaken.

5.16.

Dit geldt temeer omdat [gedaagde 1] er niet van op de hoogte was dat de verzekeraar van [gedaagde 3] al op 28 februari 2018 dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering had afgewezen (en dus kennelijk geen sprake was van een royement). [eiser] heeft tijdens de zitting gezegd dat [gedaagde 1] bekend was met die afwijzing, maar [gedaagde 1] heeft dit betwist en [eiser] heeft dit verder niet onderbouwd. En met de hiervóór weergegeven correspondentie is ook niet goed te rijmen dat [gedaagde 1] van de afwijzing op de hoogte zou zijn geweest.

5.17.

Omdat niet komt vast te staan dat [gedaagde 1] een beroepsfout heeft gemaakt, zijn de vorderingen van [eiser] onder I en II niet toewijsbaar.

De mogelijkheid van schade is niet aannemelijk

5.18.

Daar komt bij dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door de gestelde beroepsfout schade heeft geleden. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.

5.19.

Voor toewijzing van een vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat moet de mogelijkheid van schade aannemelijk zijn. Deze aannemelijkheidstoets geldt ook voor de onderwerpen die direct van invloed zijn op de aansprakelijkheidsvraag, zoals bijvoorbeeld de vraag of er causaal verband bestaat tussen de verweten gedraging (of het verweten nalaten) en de schade. Het is aan [eiser] als eiser om de mogelijkheid dat schade is geleden door de aan [gedaagde 1] verweten gedraging aannemelijk te maken. [eiser] heeft dat niet gedaan.

5.20.

[eiser] stelt dat zijn schade bestaat uit het bedrag waarop [gedaagde 3] als werkgever onder de AVB bij haar verzekeraar aanspraak had kunnen maken. Daarbij moet aannemelijk zijn dat het handelen van [gedaagde 1] heeft geleid tot het mislopen van een verzekeringsuitkering onder de AVB.

5.21.

[eiser] voert in de dagvaarding voornamelijk aan dat de verzekeraar zijn schadeclaim heeft geweigerd omdat deze vordering zou zijn verjaard, hetgeen bij juist handelen door [gedaagde 1] niet zou zijn gebeurd. [gedaagde 1] betwist dat [eiser] door handelen of nalaten van [gedaagde 1] een verzekeringsuitkering onder de AVB is misgelopen. Zij zegt dat 1) [gedaagde 3] voor de claim van [eiser] nooit een aanspraak op dekking heeft gehad onder de AVB, en 2) er geen sprake is van werkgeversaansprakelijkheid.

Dekking voor de claim?

5.22.

[gedaagde 1] beroept zich erop dat de verzekeraar met het bericht van 28 februari 2018 dekking onder de AVB heeft afgewezen omdat de melding van 27 februari 2018 niet is binnengekomen tijdens de geldigheidsduur van de polis, er geen clausule is opgenomen met een naloop-risico en er ook geen omstandighedenmelding bij de verzekeraar is ingediend. [eiser] heeft hier (aanvullend) tegen ingebracht dat [gedaagde 3] door het nalaten van [gedaagde 1] de kans is ontnomen om in een procedure tegen de verzekeraar aan te vechten dat de melding op het schadeformulier geen geldige omstandighedenmelding is. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank legt dat hieronder uit.

5.23.

Tussen partijen is niet in geschil dat de AVB per 19 april 2016 is beëindigd en er geen clausule is opgenomen met een naloop-risico. De discussie tussen partijen ziet op de vraag of er een omstandighedenmelding bij de verzekeraar is ingediend. [eiser] meent dat dit het geval is en stelt daartoe dat [gedaagde 2] namens [gedaagde 3] een melding heeft gedaan die is aan te merken als omstandighedenmelding. Op de dag van de brand heeft [gedaagde 2] namelijk een schadeformulier ingevuld om een schademelding onder de polis inventaris/goederen in te dienen waarop aan het slot van het formulier onder het kopje ‘ruimte voor bijzonderheden en/of toelichting’ staat: Werknemer van verzekerde is gewond geraakt bij de brand. Vervolgens heeft [gedaagde 2] per e-mail aan de verzekeraar gevraagd om hem te bevestigen dat alle verzekeringen dekking boden. Volgens [eiser] staat daarmee vast dat tijdens de looptijd van de verzekering tijdig melding aan de verzekeraar is gemaakt van feiten en omstandigheden waaruit de aanspraak van [eiser] kon volgen.

[gedaagde 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de opmerking op het schadeformulier niet voldoet aan de vereisten van een omstandighedenmelding (en geen rechten gaf richting de verzekeraar). [gedaagde 1] betoogt – onder verwijzing naar de polisvoorwaarden van de verzekeraar – dat een omstandighedenmelding voldoende reëel en specifiek moet zijn en dat er een reële dreiging van een schadeclaim moet bestaan.

5.24.

Het begrip ‘omstandigheid’ wordt in artikel 1 van de polisvoorwaarden BVA omschreven als feit(en) waaruit een reële dreiging tot een aanspraak kan worden afgeleid. In het artikel staat verder dat de verzekeraar daaronder feiten verstaat waarover de verzekerde concreet kan meedelen van wie de aanspraak kan worden verwacht en van welk handelen of nalaten de aanspraak een gevolg kan zijn en/of welke maatregelen de verzekerde heeft genomen om de aanspraak te voorkomen of te beperken.

5.25.

De opmerking die is geplaatst op het schadeformulier van 18 april 2016 is naar het oordeel van de rechtbank volgens deze toepasselijke voorwaarden niet aan te merken als een omstandighedenmelding. In het formulier wordt de gemelde schade omschreven als herstelbare brand- en waterschade voor een geschat bedrag van € 50.000,00. Daaraan is als extra opmerking toegevoegd dat er ook een beroep wordt gedaan op de verzekering van bedrijfsschade, huurdersbelang en glas. Pas onderaan het formulier is bij ruimte voor bijzonderheden en/of toelichting kort opgenomen: werknemer van verzekerde is gewond geraakt bij de brand. Informatie over van welk handelen of nalaten de aanspraak een gevolg kan zijn en/of maatregelen die de verzekerde heeft genomen om de aanspraak te voorkomen of te beperken ontbreken. Daarbij komt dat het schadeformulier is ingediend onder de polis inventaris/goederen en niet onder de polis AVB, waaronder aanspraken van werknemers vallen.

5.26.

Omdat met het formulier van 18 april 2016 geen omstandighedenmelding over de schade van [eiser] is gedaan, de polis al per 19 april 2016 was beëindigd en er geen dekking was voor nalooprisico viel de aanspraak van [eiser] op schadevergoeding niet onder de dekking van de AVB-polis. Die situatie is al op 19 april 2016 ontstaan, nog voordat de vriendin van [eiser] voor het eerst contact opnam met [gedaagde 1]. Ook als [gedaagde 1] de vordering van [gedaagde 3] op de verzekeraar had gestuit (of laten stuiten), dan wel [eiser] tijdig had ingelicht over de verjaringstermijn van drie jaar voor aanspraken van [gedaagde 3] op de verzekeraar, heeft te gelden dat de verzekeraar de claim van [eiser] terecht heeft afgewezen wegens het ontbreken van dekking onder de AVB, zodat die beslissing stand zou hebben gehouden in een procedure tegen de verzekeraar.

5.27.

Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake kan zijn van werkgeversaansprakelijkheid van [gedaagde 3].

5.28.

Omdat de rechtbank concludeert dat geen sprake is van een beroepsfout en [eiser] bovendien de mogelijkheid van schade door de gestelde beroepsfout onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, zal zij de vorderingen van [eiser] afwijzen.

Het honorarium is niet onverschuldigd betaald

5.29.

[eiser] vordert terugbetaling van het door hem aan [gedaagde 1] betaalde honorarium van € 4.002,08, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering zal worden afgewezen. Het volgende is hiervoor van belang.

5.30.

[eiser] stelt – onder verwijzing naar artikel 4 lid 2 van de Richtlijn, artikel 6:231 BW en het arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 januari 20232 – dat het overeengekomen kostenbeding, waarin de kosten van juridische diensten alleen zijn vastgelegd op basis van een uurtarief, oneerlijk is en moet worden vernietigd. [eiser] betoogt dat hij daarom in de situatie moet worden gebracht waarin hij zich zou hebben bevonden als het kostenbeding nooit zou zijn overeengekomen, zodat hij gerechtigd is het aan [gedaagde 1] betaalde honorarium als onverschuldigd betaald terug te vorderen.

5.31.

[gedaagde 1] voert aan dat [eiser] er ten onrechte van uitgaat dat [gedaagde 1] haar werkzaamheden heeft verricht op basis van de opdrachtbevestiging van 1 maart 2019. Nadat bleek dat [eiser] niet in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand kon geen doorgang worden gegeven aan die opdracht. [eiser] en [gedaagde 1] hebben vervolgens nieuwe financiële afspraken gemaakt, die in een e-mail van 13 juni 2019 aan [eiser] zijn bevestigd. Op basis van deze afspraken heeft [gedaagde 1] in de periode juni 2019 – september 2023 uitvoering gegeven aan de werkzaamheden. Ter raming van de kosten heeft [gedaagde 1] een indicatieve urenopgave aan [eiser] gestuurd en is afgesproken dat [gedaagde 1] maandelijks haar kosten zou factureren. Er is volgens [gedaagde 1] dan ook geen sprake van een situatie waarin alleen het toepasselijke uurtarief is vastgelegd, zodat het beroep van [eiser] op het arrest van het Europese Hof van Justitie niet opgaat.

5.32.

Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 12 januari 2023 overwogen dat een kostenbeding tussen een advocaat en een consument, waarin de kosten van de juridische diensten worden vastgelegd op basis van een uurtarief, niet voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van de Richtlijn, als de consument vóórdat de overeenkomst wordt gesloten geen informatie ontvangt die hem in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de economische consequenties die het sluiten van deze overeenkomst met zich brengt zijn beslissing te nemen. In dit geval heeft [gedaagde 1] gemotiveerd betwist dat met [eiser] slechts een uurtarief is afgesproken, omdat ook vooraf een indicatieve urenopgave is verstrekt en de kosten maandelijks gefactureerd zijn. [gedaagde 1] verwijst daartoe naar de e-mail van 6 juni 2019. In de opdrachtbevestiging van 1 maart 2019 staat ook dat de werkzaamheden in beginsel maandelijks worden verricht. [eiser] heeft die betwisting onweersproken gelaten. Het beroep van [eiser] op het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie faalt daarom. Dit betekent dat geen sprake is van een oneerlijk kostenbeding en er geen grond bestaat voor terugbetaling van het door [eiser] aan [gedaagde 1] betaalde honorarium.

Proceskosten

5.33.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:

- griffierecht2.995,00
 
- salaris advocaat1.306,00(2 punten × € 653,00)
- nakosten189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal4.490,00
 

5.34.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in de vrijwaringszaak

5.35.

Omdat de vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen bestaat geen reden tot vrijwaring en zullen de vorderingen in de vrijwaringszaak eveneens worden afgewezen. Hetgeen partijen in de vrijwaringszaak hebben aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

5.36.

[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 2] en [eisers] betalen.

De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht1.374,00
 
- salaris advocaat1.306,00(2 punten × € 653,00)
- nakosten189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal2.869,00
 

Gebleken is dat aan [eisers] desverzocht maar ten onrechte het griffierecht voor onvermogende natuurlijke personen in rekening is gebracht. Het juiste griffierecht zal worden nageheven.

De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- griffierecht2.995,00
 
- salaris advocaat1.306,00(2 punten × € 653,00)
- nakosten189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal4.490,00
 

5.37.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

1De ‘Haviltex-maatstaf’, zoals gepreciseerd in onder meer het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5262

2Europees Hof van Justitie 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14.

 

Rechtbank Noord-Holland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6591