RBDHA 110226 Staat handelt met zijn PFAS-beleid binnen de ruimte die de Staat toekomt
RBDHA 110226 Staat handelt met zijn PFAS-beleid binnen de ruimte die de Staat toekomt
1Waar gaat deze zaak over?
1.1.
Deze zaak is een collectieve actie van eiseressen tegen de Staat. Volgens eiseressen doet de Staat, in het kort gezegd, onvoldoende om de verspreiding van PFAS tegen te gaan en de risico’s van reeds verspreide PFAS teniet te doen. PFAS is een groep chemische stoffen die sinds de jaren '60 worden gebruikt in een zeer breed scala aan toepassingen zoals regenkleding, cosmetica, kookgerei en medicijnen. Er zijn op dit moment circa 10.000 verschillende PFAS-verbindingen. PFAS zijn vaak slecht afbreekbaar en kunnen door uitstoot tijdens industriële processen en bij gebruik in het milieu terechtkomen en via het (grond)water en de lucht verder verspreid raken. In de afgelopen decennia is steeds meer bekend geworden over de aanwezigheid van PFAS in het milieu en de risico’s daarvan voor de gezondheid van mensen en dieren.
1.2.
Door de aanwezigheid van PFAS in het milieu is in Nederland een wijdverbreide verontreiniging met PFAS ontstaan, met als gevolg (een vergroot risico op) schade aan mens en milieu. Partijen zijn het erover eens dat het noodzakelijk is om verspreiding van PFAS tegen te gaan en om maatregelen te treffen tegen de gezondheidsrisico’s van PFAS die al in het milieu aanwezig zijn. Eiseressen vinden echter dat de Staat op dat vlak onvoldoende en met te weinig voortvarendheid maatregelen treft. Daardoor blijft volgens hen wijdverbreide verontreiniging in stand met grote schade aan mens en milieu tot gevolg.
1.3.
De rechtbank stelt voorop dat de regering en het parlement een grote mate van vrijheid hebben om afwegingen te maken over de aanpak van de PFAS-problematiek. Die afwegingen zijn complex. Het is niet aan de rechter om keuzes hierin voor te schrijven. De rechter beoordeelt wel of de regering en het parlement bij hun besluitvorming zijn gebleven binnen de grenzen van het recht, waaraan ook de regering en het parlement zijn gebonden.
1.4.
De rechtbank wijst de vorderingen met betrekking tot de norm voor PFOS, één van de stoffen uit de stoffengroep van PFAS, in het oppervlaktewater af. In bijlage IIA bij Richtlijn 2013/39 EU is een PFOS-norm vastgesteld voor de goede chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam. Volgens eiseressen moet deze norm uiterlijk op 22 december 2027 worden behaald en het is volgens hen uitgesloten dat dit lukt. De rechtbank oordeelt echter dat met onvoldoende zekerheid gezegd kan worden dat de Staat gehouden zal zijn om uiterlijk 22 december 2027 deze norm te behalen. Volgens de Staat kan de termijn voor het halen van de norm nog worden uitgesteld op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Eiseressen hebben dat onvoldoende gemotiveerd weersproken zodat op dit moment onvoldoende concreet geworden dat sprake is van een dreigende schending van een rechtsplicht.
1.5.
Ook de overige vorderingen wijst de rechtbank af. De rechtbank acht de maatregelen die de Staat in dit verband treft, met de kennis die er nu is van PFAS, geschikt en voldoende. De Staat heeft, na afweging van alle relevante maatschappelijke belangen, ervoor heeft gekozen zich in eerste instantie te richten op het zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken dat PFAS in het milieu terechtkomen. Verder geeft de Staat er prioriteit aan om zijn middelen aan te wenden om zich in te zetten voor een zo breed mogelijk Europees verbod op het gebruik van vrijwel alle PFAS, mede gelet op de grensoverschrijdende verspreiding van PFAS, de Europese interne markt en de geharmoniseerde stoffenwetgeving. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Staat daarmee zijn vrijheid bij het kiezen van maatregelen overschrijdt. Rechtbank Den Haag 11 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2175