Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 280126 WAMCA; Klimaatzaak Bonaire

RBDHA 280126 WAMCA; Klimaatzaak Bonaire

1Waar gaat deze zaak over?

1.1.

Deze WAMCA-procedure gaat over de vragen of:

  1. de Staat voldoende tijdige en passende maatregelen heeft genomen om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie), en

  2. of het klimaatbeleid van de Staat voldoet aan de eerlijke bijdrage die hij moet leveren op grond van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties en het daarop voortbouwende Akkoord van Parijs. Daarin is bepaald dat landen wereldwijd maatregelen moeten nemen om de mondiale opwarming van de aarde aan het einde van deze eeuw te beperken tot minder dan 1,5 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau (mitigatie).

1.2.

Greenpeace treedt in deze zaak op voor de inwoners van Bonaire en vindt dat de Staat te weinig mitigatie- en adaptatiemaatregelen neemt om de inwoners van Bonaire te beschermen. Volgens Greenpeace voldoet de Staat daardoor niet aan de verplichtingen die het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) hem opleggen. De Staat beschermt de inwoners van Bonaire ook minder goed tegen klimaatverandering dan de bewoners van Europees Nederland en houdt volgens Greenpeace onvoldoende rekening met het recht van de inwoners van Bonaire om de eigen cultuur te beleven en in de praktijk te brengen. Dit alles is volgens Greenpeace onrechtmatig tegenover de inwoners van Bonaire.

1.3.

De Staat meent dat hij op het gebied van adaptatie en mitigatie wel voldoende voor de inwoners van Bonaire doet. De Staat voert aan dat hij voor de inwoners van Bonaire niet minder maatregelen neemt, maar andere maatregelen die juist gericht zijn op de van Europees Nederland afwijkende situatie in de Cariben. Op het gebied van mitigatie wijst de Staat erop dat hij veel beleidsvrijheid heeft en dat de rechter die niet voor hem kan invullen; ook wijst de Staat erop dat Nederland al meer doet dan veel andere landen en niet in zijn eentje verantwoordelijk kan worden gehouden voor het wereldwijde probleem van klimaatverandering.

1.4.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de Staat tegenover de inwoners van Bonaire niet heeft voldaan aan de positieve verplichtingen die artikel 8 EVRM hem oplegt, omdat het geheel van de door de bevoegde organen genomen mitigatie- en adaptatiemaatregelen ten opzichte van de inwoners van Bonaire niet voldoet aan de verplichtingen die de Staat in VN-verband op zich heeft genomen.

Het systeem van het VN-Klimaatverdrag is door de lidstaten bewust zo opgezet dat landen individueel verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor een deel van het wereldwijde probleem van klimaatverandering. Het argument dat Nederland en/of de EU verhoudingsgewijs meer doet dan andere landen, is in dit systeem niet doorslaggevend, alleen al omdat landen geacht worden bij te dragen naar draagkracht en met inachtneming van hun historische uitstoot. Nederland en de EU hebben verhoudingsgewijs zowel een flinke draagkracht als een flink aandeel in de historische uitstoot.

1.5.

Daar komt bij dat de Staat veel later en minder systematisch mitigatie- en adaptatie-maatregelen heeft getroffen voor de inwoners van Bonaire dan voor de inwoners van Europees Nederland, hoewel in elk geval sinds begin jaren negentig bekend was dat:

a. a) Bonaire eerder ernstige negatieve gevolgen van klimaatverandering zou ondervinden dan Europees Nederland, en

b) de lokale autoriteiten op Bonaire niet voldoende mensen, middelen en specialistische kennis hadden om die ernstige negatieve gevolgen het hoofd te bieden.

De Staat heeft niet voldoende uitgelegd waarom voor de inwoners van Bonaire later en minder systematisch maatregelen zijn getroffen dan voor de inwoners van Europees Nederland. Het is duidelijk dat de omstandigheden op Bonaire anders zijn dan die in Europees Nederland en dus een eigen aanpak vragen; alleen wijzen die omstandigheden juist in de richting van een noodzaak tot het eerder nemen van méér mitigatie- en adaptatiemaatregelen.

Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat de Staat ook het verbod op discriminatie van artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM heeft geschonden. Ook dit is onrechtmatig tegenover de inwoners van Bonaire.

1.6.

Anders dan hoe Greenpeace haar vorderingen heeft opgebouwd, kunnen de mitigatie- en adaptatiemaatregelen niet los van elkaar worden beoordeeld; het in de KlimaSeniorinnen-uitspraak neergelegde toetsingskader bestaat namelijk uit een overall-beoordeling van alle maatregelen die binnen een lidstaat zijn genomen. Niet elk gezichtspunt waarbij in die overall-beoordeling vraagtekens zijn te plaatsen, is zelfstandig een schending van het EVRM en/of een onrechtmatige daad. De verklaringen voor recht die Greenpeace heeft gevorderd komen daarom slechts gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking.

1.7.

Bij de keuze voor de maatregelen waarmee de Staat wil voldoen aan de verplichtingen die hij in VN-verband op zich heeft genomen, komt de Staat een ruime beleidsvrijheid toe. De rechtbank beveelt de Staat daarom wel om effectieve maatregelen te nemen om tijdig aan zijn VN-verplichtingen te voldoen, maar zij geeft geen bevelen over hoe de Staat dat precies moet doen. Die keuze is voorbehouden aan de andere machten binnen de trias politica.

1.8.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat de lidstaten van het EVRM grote vrijheid hebben bij het maken van keuzes over hun eigen staatinrichting. De keerzijde van deze vrijheid is dat lidstaten moeilijkheden die voortvloeien uit de gekozen staatsinrichting niet als verweer kunnen gebruiken tegen burgers die klagen over schending van hun mensenrechten. De rechtbank heeft daarom getoetst of het geheel van alle door de bevoegde instanties getroffen klimaatmaatregelen tegenover de inwoners van Bonaire aan de eisen van het EVRM voldoet; voor dit ‘totaalplaatje’ draagt de Staat eindverantwoordelijkheid. Daarmee is niet gezegd dat in de interne verhoudingen tussen (het bestuur van) Bonaire en de Staat – die worden geregeld door het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, de Nederlandse Grondwet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – alleen de Staat is tekortgeschoten. Of ook andere bestuurslagen steken hebben laten vallen, lag in deze procedure niet als vraag voor.Rechtbank Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1344