Overslaan en naar de inhoud gaan

GHSHE 040826 zkh niet aansprakelijk voor klachten t.g.v. fixatie tijdens delier na eenzijdig auto-ongeval - onvoldoende invulling stelplicht, verzoek desk. bericht en getuigenverhoor afgewezen

GHSHE 040826 zkh niet aansprakelijk voor klachten t.g.v. fixatie tijdens delier na eenzijdig auto-ongeval 
- onvoldoende invulling stelplicht, verzoek desk. bericht en getuigenverhoor afgewezen

in vervolg op

RBZWB 091024 fixatie bij hersenletsel na eenzijdig auto-ongeval; afwijzing vordering

2De beoordeling

De vaststaande feiten

2.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de door de rechtbank in rov. 3.1 van het vonnis vastgestelde feiten, waartegen geen grief is gericht. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden die feiten hieronder weergegeven:

  1. [appellant] is in de periode van 24 december 2019 tot en met 30 januari 2020 in het ziekenhuis opgenomen geweest in verband met de gevolgen van een eenzijdig auto-ongeval op 24 december 2019.

  2. Op 24 december 2019 werd [appellant] op de SEH van het ziekenhuis binnengebracht met hoogenergetisch letsel. Hij was op dat moment niet aanspreekbaar. Bij CT onderzoek werd een beperkt subduraal hematoom (bloeduitstorting binnen de schedel) links gezien en fracturen in het os frontale/orbitadak, in de mediale en laterale orbitawand (breuken van de oogkas), in het os nasale (neus) en in het os zygoma (jukbeen) links. Daarnaast trof men een spoor traumatisch subarachnoidaal bloed en enkele hemorraghische contusiehaarden in de hersens aan.

  3. Omdat er sprake was van een bedreigde ademweg en een lage bewustzijnsscore (Glasgow Coma Score), werd hij overgebracht naar de IC waar hij werd gesedeerd, geïntubeerd en invasief mechanisch beademd.

  4. In eerste instantie was [appellant] diep gesedeerd. In de dagen na het trauma werd de sedatie stapsgewijs afgebouwd. [appellant] vertoonde hierbij forse onrust. Er werd geprobeerd om hem met medicatie rustig te krijgen om te voorkomen dat hij zichzelf voortijdig zou detuberen. Omdat dit met alleen medicatie onvoldoende lukte, werd besloten om hem met gepolsterde bandjes om zijn polsen en enkels aan het bed te fixeren.

  5. Op 27 december kon [appellant] worden gedetubeerd. Ook na detubatie bleef [appellant] ondanks sederende medicatie erg onrustig. Er was sprake van een delier. [appellant] probeerde uit bed te komen en hij trok regelmatig zijn sonde, catheter en/of infuus eruit, waardoor hij zichzelf schade toebracht. Omdat sederende medicatie onvoldoende werkte, werd [appellant] opnieuw gefixeerd.

  6. Geleidelijk verbeterde de situatie van [appellant] . Omdat het fixatiemateriaal druk- en schaafplekken gaf bij [appellant] , is het fixatiemateriaal op 7 januari 2020 in overleg met de psychiater vervangen door een tentbed.

  7. Op 9 januari 2020 werd [appellant] naar de afdeling neurologie overgeplaatst. Hier mocht zijn tentbed openblijven, zolang er familie bij hem aanwezig was (rooming in).

  8. Vanaf 14 januari 2020 was een tentbed niet meer nodig en kon [appellant] in een normaal bed met de bedhekken omhoog slapen.

  9. Uiteindelijk kon [appellant] op 30 januari 2020 uit het ziekenhuis worden ontslagen en naar huis.

  10. [appellant] heeft sinds het ongeval last van onder meer pijn aan zijn benen en meent dat dit het gevolg is van de fixatie tijdens de opname. Hij heeft het ziekenhuis op 7 juli 2023 aansprakelijk gesteld voor de schade.

  11. Het ziekenhuis heeft de aansprakelijkstelling doorgeleid naar haar aansprakelijkheidsverzekeraar MediRisk. MediRisk heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen omdat zij meent dat het fixeren van [appellant] tijdens de opname noodzakelijk was, zorgvuldig is uitgevoerd en niet heeft geleid tot de klachten die [appellant] ervaart.

  12. [appellant] is in het kader van een second opinion naar het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) gegaan. Op 17 maart 2023 noteert de neuroloog van UZA:

“Uw 52-jarige patiënt werd gezien op de raadpleging op 29/11/2022 ikv second opinion wegens pijnklachten in de onderste ledematen.

Patiënt heeft in 2019 een ernstig verkeersongeval doorgemaakt met cerebraal trauma met langdurige hospitalisatie waarbij nood tot fixatie tijdens delier. Nu nog persisterend littekens aan de enkels van de fixatie. Sindsdien persisterende zeurende pijnklachten in de kuiten alsook veranderd gevoel van onder de knie tot en met de voeten. Klinisch neurologisch rechts pyramidaal syndroom na cerebraal trauma alsook verminderde vibratiezin en verminderd gevoel beide onderste ledematen.

Met patiënt uitgebreid gesproken over de oorzaak van het delirium en de noodzakelijkheid om beschermende maatregelen zoals een fixatie in bed uit te voeren. Vervolgens de mogelijke behandelingen besproken (…).”

Op 19 december 2023 is er weer een controle in het UZA. De neuroloog noteert, voor zover thans van belang, het volgende:

“53-jarige man die het slachtoffer was van een verkeersongeval waarbij hij een ernstig neurotrauma heeft opgelopen. Het ongeval heeft een diffuus axonaal trauma veroorzaakt met multiple kleine bloedingen verspreid doorheen de hersenen. Ongetwijfeld dragen deze bij aan de spasticiteit in de onderste ledematen. De pijn in de benen is dus gerelateerd aan een centraal neurologisch traumatisch letsel. De patiënt verklaart dat hij blijvende pijn heeft ter hoogte van de littekens in de benen als gevolg van de fixatie. We weten dat spasticiteit door veel factoren beïnvloed kan worden. Het is dus helemaal niet uitgesloten dan een deel van zijn klachten veroorzaakt zijn door het lokale trauma als gevolg van de fixatie.”

De procedure bij de rechtbank en het geschil in hoger beroep

2.2.

Bij de rechtbank heeft [appellant] gevorderd het ziekenhuis te veroordelen tot vergoeding van de schade (met rente) die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de fixatie, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Aan deze vordering heeft [appellant] , samengevat, ten grondslag gelegd dat de fixatie, indien al nodig, zonder blijvend letsel voor hem had moeten gebeuren. Nu hij door de fixatie letsel heeft opgelopen, is die volgens hem niet zorgvuldig gebeurd. Ook stelt [appellant] dat niet is gebleken dat de door de fixatie ontstane verwondingen goed zijn behandeld, dat voor de fixatie geen toestemming is gevraagd en dat daarover onvoldoende uitleg is gegeven. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3.

De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen, omdat niet is gebleken dat de pijnklachten van [appellant] aan zijn onderbenen door de fixatie zijn veroorzaakt en ook niet dat het ziekenhuis bij de fixatie een fout heeft gemaakt.

2.4.

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd en zijn eis vermeerderd. Tegen deze eisvermeerdering heeft het ziekenhuis geen bezwaar gemaakt. Zij is ook overigens niet in strijd met de goede procesorde. Het hof zal daarom beslissen op de gewijzigde eis. [appellant] vordert dat het hof het vonnis vernietigt, voor recht verklaart dat het Ziekenhuis toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst met [appellant] , althans dat het ziekenhuis onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en zijn vordering zoals bij de rechtbank ingesteld alsnog toewijst. Het verweer van het ziekenhuis zal voor zover nodig hierna worden weergegeven.

Het beoordelingskader

2.5.

Met de grieven van [appellant] ligt allereerst de vraag voor of het ziekenhuis een fout heeft gemaakt tegenover [appellant] door hem te fixeren en door de wijze waarop het ziekenhuis die fixatie heeft uitgevoerd, bij de uitvoering van de tussen [appellant] en het ziekenhuis tot stand gekomen geneeskundige behandelovereenkomst (art. 7:446 lid 1 BW).

2.6.

Op grond van de geneeskundige behandelovereenkomst rustte op de bij de behandeling van [appellant] betrokken medewerkers van het ziekenhuis de verplichting om bij hun werkzaamheden de zorg van goed hulpverleners in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden (art. 7:453 lid 1 BW). Dit betekent dat de medewerkers van het ziekenhuis jegens [appellant] de zorg moesten betrachten die redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoten in dezelfde omstandigheden zouden hebben betracht. Daarnaast rustte op de medewerkers van het ziekenhuis de verplichting tot zorgvuldige verslaglegging van de behandeling van [appellant] (art. 7:454 lid 1 BW; hierna ook: dossierplicht). Ook waren zij gehouden [appellant] (of familie van [appellant] ) vooraf informatie daarover te verstrekken en voor het medisch handelen toestemming te vragen (art. 7:448 leden 1 en 4 BW; art. 7:450 lid 1 BW; hierna samen ‘informed consent’ genoemd).

Bewijslastverdeling; verzwaarde motiveringsplicht; dossierplicht

2.7.

Het is aan [appellant] om te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door het ziekenhuis, te bewijzen dat de medewerkers van het ziekenhuis één of meer van deze verplichtingen hebben geschonden. Wel geldt daarbij voor het ziekenhuis een verzwaarde motiveringsplicht van de betwisting van de gemaakte verwijten, om zo [appellant] – die een informatieachterstand heeft – aanknopingspunten te bieden voor (het bewijs van) zijn stellingen.

2.8.

Het hof volgt [appellant] niet in zijn opvatting dat het ziekenhuis niet aan deze verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan. Het ziekenhuis heeft zijn verpleegkundig en neurologisch medisch dossier in het geding gebracht, naast het medisch dossier van het UZA. Daarnaast heeft het een in opdracht van MediRisk op basis van die stukken opgesteld medisch advies van de neuroloog dr. [persoon A] overgelegd. In zijn processtukken voor de procedure bij rechtbank en bij het hof heeft het ziekenhuis uitgebreid geciteerd uit en verwezen naar deze medische stukken ter onderbouwing van zijn betwisting van de stellingen van [appellant] . Daarmee is voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht van het ziekenhuis.

2.9.

In het verlengde hiervan acht het hof ook het verwijt van [appellant] aan het ziekenhuis ongegrond dat de verslaglegging van de behandeling van [appellant] tekortschiet en niet conform art. 7:454 BW is inzake de noodzaak tot fixatie en de wijze, de duur en de controle op verwondingen daarvan alsmede de afwegingen inzake alternatieven en het informeren van de familie. Het verpleegkundig dossier bevat over de gehele periode dat [appellant] in het ziekenhuis verbleef meerdere aantekeningen per dag over de aan hem geboden zorg. In al die aantekeningen komen de genoemde aspecten rondom de fixatie voldoende frequent en transparant aan bod.

Het ziekenhuis is niet tekort geschoten in de geboden zorg

2.10.

[appellant] meent dat het ziekenhuis de noodzaak tot fixatie niet heeft aangetoond. Voor zover [appellant] al stelt dat die noodzaak niet bestond, heeft hij deze stelling in het licht van alles wat het ziekenhuis in dit verband heeft aangevoerd onvoldoende gemotiveerd. Op basis van de vele aantekeningen in het verpleegkundig dossier heeft het ziekenhuis toegelicht dat, samengevat, [appellant] bijzonder onrustig was vanaf het begin van zijn opname door een delier, [appellant] zichzelf dreigde te beschadigen door te vallen en/of door intuberings-, infuus- en/of katheterslangen uit zijn lichaam te trekken, sedatie door medicijnen dit niet tegenhield en daarom is overgegaan tot fixatie aan polsen en enkels met zachte gepolsterde banden. Deze fixatie heeft het ziekenhuis voortgezet totdat minder ingrijpende vrijheidsbeperkende maatregelen (tentbed, rooming-in) konden worden ingezet en uiteindelijk geen maatregelen meer nodig waren. [appellant] heeft in het licht hiervan onvoldoende aangevoerd ter staving van zijn (eventuele) stelling dat de noodzaak tot fixatie ontbrak.

2.11.

Hetzelfde geldt voor [appellant] stelling dat de fixatie te strak is geweest. Het enkele gegeven dat [appellant] door de fixatie verwondingen aan zijn polsen en enkels heeft opgelopen en dat de littekens daarvan nog zichtbaar zijn, is daarvoor onvoldoende. [appellant] heeft ook niet toegelicht hoe minder strakke fixatie bij de (door hem niet bestreden) hevige fysieke onrust het ontstaan van verwondingen aan zijn polsen en enkels zou hebben kunnen voorkomen. Het hof volgt het ziekenhuis in zijn verweer dat het ontstaan van huidbeschadiging door fixatiebanden niet altijd is te voorkomen en niet duidt op onzorgvuldig handelen.

2.12.

Ook de stellingen dat te weinig controle op en verzorging van de verwondingen aan zijn polsen en enkels heeft plaatsgevonden, dat de fixatie te lang heeft geduurd en dat alternatieven onvoldoende zijn afgewogen, heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. Het ziekenhuis heeft per verwijt gewezen op aantekeningen die daarover in het verpleegkundig dossier zijn te vinden die deze stellingen weerspreken. Zonder nadere toelichting, die [appellant] niet heeft gegeven, zijn er geen concrete aanwijzingen dat het ziekenhuis onvoldoende oog heeft gehad voor het ontstaan en de verzorging van de verwondingen die [appellant] tijdens zijn onrust door de fixatie opliep. Ook blijkt genoegzaam uit hetgeen het ziekenhuis heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar betwisting dat door (de diverse medewerkers van) het ziekenhuis vanaf het begin steeds zorgvuldig is afgewogen of het gevaar dat [appellant] voor zichzelf vormde met minder ingrijpende maatregelen kon worden afgewend. Uit door het ziekenhuis aangehaalde aantekeningen volgt dat dat tussentijds steeds is uitgeprobeerd, maar ook dat bij die pogingen geregeld bleek dat het ingezette alternatief op dat moment (nog) niet voldoende veiligheid voor [appellant] bood. Het zorgplan voor [appellant] werd aldus steeds aangepast op basis van zijn toestand op dat moment. Zodra een tentbed kon worden toepast in plaats van fixatie, heeft het ziekenhuis dat ook gedaan, op 7 januari 2020. [appellant] voert op zich terecht aan dat zijn onrust toen afnam, maar het ziekenhuis wijst erop dat [appellant] ook in het tentbed op 8 januari 2020 nog een infuusslang uit zijn lichaam trok en hij volgens het verpleegkundig dossier ook toen nog oncontroleerbaar gedrag vertoonde.

Het ziekenhuis heeft voldaan aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit ‘informed consent’

2.13.

[appellant] verwijt het ziekenhuis tot slot dat het niet om toestemming voor de fixatie heeft gevraagd en geen acceptabele uitleg heeft gegeven over het toegebrachte letsel. De rechtbank heeft in het vonnis geoordeeld dat ook dit verwijt geen doel treft. Tegen dit oordeel heeft [appellant] geen grief gericht, zodat dit in hoger beroep vast staat. Ten overvloede overweegt het hof dat het zich kan vinden in wat de rechtbank over de ongegrondheid van dit verwijt heeft overwogen. De behandeling op de afdeling intensive care van het ziekenhuis is direct besproken met de moeder van [appellant] die daarover informatie heeft gekregen en daarvoor toestemming heeft gegeven. Verder staat vast dat het ziekenhuis – zoals blijkt uit het verpleegkundig dossier – ook in het vervolg veelvuldig, en naar het oordeel van het hof: voldoende, met de familie van [appellant] heeft overlegd over zijn onrust, de vrijheidsbeperkende interventies en de alternatieven.

Het ziekenhuis is niet aansprakelijk; geen benoeming deskundige(n); geen getuigenverhoor

2.14.

Uit het voorgaande volgt dat [appellant] zijn stellingen over de verwijten die hij het ziekenhuis maakt in relatie tot de fixatie – in het licht van de gemotiveerde en gedocumenteerde betwisting door het ziekenhuis – onvoldoende nader heeft toegelicht. Omdat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, wordt aan het leveren van bewijs van die stellingen door [appellant] niet toegekomen. Voor het benoemen van een deskundige ter beoordeling van het medisch handelen door het ziekenhuis, zoals [appellant] wenst, is geen plaats.

2.15.

In het verlengde hiervan geldt dat niet is komen vast te staan dat de medewerkers van het ziekenhuis bij de behandeling en de verzorging van [appellant] en de bijkomende dossier- en informatieverplichtingen niet hebben gehandeld zoals van redelijk handelend vakgenoten in dezelfde omstandigheden mocht worden verwacht. Er is dus geen sprake van enige tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de geneeskundige behandelovereenkomst. Van onrechtmatig handelen door het ziekenhuis – dat [appellant] overigens niet nader heeft onderbouwd – is evenmin sprake. Het ziekenhuis is dan ook niet aansprakelijk voor de schade die [appellant] stelt te hebben geleden als gevolg van zijn behandeling en verblijf in het ziekenhuis.

2.16.

Bij deze stand van zaken hoeft ook niet meer, aan de hand van een deskundigenbericht en/of door het horen van getuigen, te worden onderzocht of de pijnklachten die [appellant] ondervindt aan zijn onderbenen het gevolg zijn van de fixatie. Tot toewijzing van zijn vorderingen kan de uitkomst daarvan immers niet leiden.

Conclusie en proceskostenveroordeling

2.17.

Geen van de grieven van [appellant] tegen het vonnis slaagt. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen, de gevorderde verklaring voor recht afwijzen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het ziekenhuis in het hoger beroep.

2.18.

Het hof zal de kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van het ziekenhuis vaststellen op:

- Griffierechten € 851,-

- Salaris advocaat € 3.225,- (2,5 punten x tarief II)

- - Nakosten € 189,- +(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 4.265,-. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 augustus 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2097