Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 040326 regres; verhaal medische kosten na geweldpleging; verweren t.z.v. verjaring, noodweer(-exces) en groepsaansprakelijkheid slagen niet;

RBGEL 040326 regres; verhaal medische kosten na geweldpleging; verweren t.z.v. verjaring, noodweer(-exces) en groepsaansprakelijkheid slagen niet;


 

2De feiten

2.1.

Op 2 april 2017 zijn de heren [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) slachtoffer geworden van openlijke geweldpleging. Zij hebben als gevolg daarvan medische behandelingen ondergaan.

2.2.

Bij vonnissen van 9 april 2018 heeft de meervoudige kamer voor kinderstrafzaken van de rechtbank Gelderland gedaagden veroordeeld tot werkstraffen voor het ‘openlijk in vereniging plegen van geweld’ (artikel 141 Sr) tegen zowel [persoon 1] als [persoon 2] . Alleen [gedaagde 1] is daarnaast ook veroordeeld voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [persoon 1] (waaronder een zware beschadiging van zijn gebit met verlies van tanden).1

Zowel [gedaagde 1] , [gedaagde 2] als [gedaagde 3] zijn in de strafrechtelijke uitspraken ook veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen (via de Staat) aan [persoon 1] en [persoon 2] . Het ging voor elk van hen om een bedrag van € 4.276,61 ten behoeve van [persoon 1] (€ 2.276,61 aan materiële schadevergoeding en € 2.000,00 aan immateriële schadevergoeding) en om een bedrag van € 577,23 ten behoeve van [persoon 2] (€ 77,23 aan materiële schadevergoeding en € 500,00 aan immateriële schadevergoeding).

[gedaagde 4] heeft als enige hoger beroep ingesteld en is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2019 vrijgesproken van het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [persoon 1] . Voor [gedaagde 4] resteerde alleen de veroordeling voor het openlijk in vereniging plegen van geweld jegens [persoon 2] .2

2.3.

Bij brieven van 24 augustus 2018 aan gedaagden heeft CZ hen gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor de medische kosten die zijn ontstaan door de mishandeling, voor [persoon 1] ter hoogte van € 11.325,00 en voor [persoon 2] ter hoogte van € 1.176,80. CZ heeft hen verzocht elk 1/4e deel van de genoemde bedragen binnen 30 dagen te betalen.

2.4.

Bij brieven van 29 februari 2024 heeft de gemachtigde van CZ [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verzocht de nog openstaande bedragen aan medische kosten van [persoon 1] en [persoon 2] plus rente binnen vijftien dagen te betalen, bij gebreke waarvan hij de verschuldigdheid van incassokosten heeft aangezegd. Daarnaast heeft de gemachtigde van CZ bij brief van 29 februari 2024 [gedaagde 4] verzocht het nog openstaande bedrag aan medische kosten van [persoon 2] plus rente binnen vijftien dagen te betalen, bij gebreke waarvan hij de verschuldigdheid van incassokosten heeft aangezegd.

3De vordering

3.1.

CZ vordert dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar te verklaren vonnis:

  1. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan haar van het bedrag van € 15.051,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot alles is betaald;
  2. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de btw over de daarvoor in aanmerking komende posten;
  3. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling aan haar van het bedrag van € 1.509,56, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nog openstaande hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding tot dat alles is betaald;
  4. [gedaagde 4] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de btw over de daarvoor in aanmerking komende posten.

3.2.

CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op grond van de door [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gepleegde onrechtmatige daad recht heeft op een vergoeding van haar schade, bestaande uit de kosten voor medische behandelingen van € 11.235,00 die zij heeft gemaakt voor [persoon 1] . Zij zijn hiervoor volgens haar hoofdelijk aansprakelijk. Ook stelt CZ dat zij op grond van de door [gedaagde 4] gepleegde onrechtmatige daad recht heeft op een schadevergoeding van hem van € 1.176,80, zijnde de medische kosten die zij heeft gemaakt voor [persoon 2] . Zij stelt dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] op 2 april 2017 lichamelijke en/of psychische schade hebben toegebracht aan [persoon 1] en [persoon 2] , waarvoor zij strafrechtelijk zijn veroordeeld. [persoon 1] en [persoon 2] hebben als gevolg hiervan medische behandelingen moeten ondergaan. [persoon 1] en [persoon 2] hadden hun zorgverzekering bij CZ, die deze medische kosten heeft vergoed. De vorderingen van [persoon 1] en [persoon 2] zijn op grond van artikel 7:962 lid 1 BW overgegaan op haar, aldus CZ.

Zij heeft de vordering tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als volgt gespecificeerd:

  • -

    hoofdsom € 12.411,80 (€ 11.235,00 + € 1.176,80)

  • -

    buitengerechtelijke incassokosten € 1.087,94

  • -

    rente € 1.551,71 +

Totaal € 15.051,45

De vordering tegen [gedaagde 4] heeft zij als volgt gespecificeerd:

  • -

    hoofdsom € 1.176,80

  • -

    buitengerechtelijke incassokosten € 213,59

  • -

    rente € 119,17 +

Totaal € 1.509,56

3.3.

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren verweer tegen de vorderingen. Ten eerste voeren zij aan dat de vorderingen van CZ zijn verjaard en daarom al moeten worden afgewezen.

Subsidiair, indien de vorderingen niet zouden zijn verjaard, voeren [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan dat zij niet in groepsverband onrechtmatig hebben gehandeld en daarom niet hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van groepsaansprakelijkheid.

Verder voeren [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan dat sprake is van rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW juncto artikel 41 Sr (noodweer/noodweerexces). Het onrechtmatig handelen kan hen daarom niet worden toegerekend. Meer subsidiair, voor het geval de kantonrechter anders oordeelt, betwisten zij de hoogte, redelijkheid en noodzakelijkheid van de schade. Zij voeren aan dat CZ heeft nagelaten om aan te tonen dat de medische behandelingen van [persoon 1] en [persoon 2] waarvoor kosten zijn gedeclareerd ook daadwerkelijk nodig waren als gevolg van de openlijke geweldpleging. Zij betwisten daarom het causaal verband tussen de schade door medische kosten en de openlijke geweldpleging waarvoor zij zijn veroordeeld en benadrukken daarnaast dat zij, anders dan [gedaagde 1] , niet zijn veroordeeld voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, terwijl een deel van de vordering ziet op dit zwaar lichamelijk letsel, namelijk de door [persoon 1] opgelopen schade aan zijn gebit. Daarnaast betwisten zij dat is voldaan aan het relativiteitsvereiste omdat zij de schade al via de Staat aan de slachtoffers hebben betaald zoals bepaald in het strafvonnis, en de geschonden norm niet ziet op bescherming van het financiële belang van zorgverzekeraars (dat al wordt gediend door de ook door gedaagden betaalde premies). Nog meer subsidiair beroepen zij zich op eigen schuld van [persoon 1] en [persoon 2] van artikel 6:101 lid 1 BW en stellen zij dat [persoon 1] en [persoon 2] niet hebben voldaan aan hun schadebeperkingsplicht, onder meer omdat [persoon 1] ook voor bruggen had kunnen kiezen in plaats van implantaten, en doen zij een beroep op de matigingsbevoegdheid van de rechter op grond van artikel 6:109 BW. Uiterst subsidiair verzoeken zij om een betalingsregeling. Zij betwisten ten slotte ook de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.

3.4.

Ook [gedaagde 1] voert verweer tegen de vorderingen en vindt dat deze moeten worden afgewezen. Ook hij voert aan dat hij niet aansprakelijk is voor de door CZ gevorderde schade op grond van onrechtmatige daad omdat het causaal verband tussen het incident van 2 april 2017 en de gevorderde schade niet is komen vast te staan. Aan de hand van het door CZ overgelegde overzicht van zorgkosten van [persoon 1] en [persoon 2] kan volgens hem niet worden vastgesteld dat die rechtstreeks verband houden met het strafrechtelijk feit waarvoor hij is veroordeeld. Hij betwist dat bij gebrek aan wetenschap. Ook blijkt daaruit niet dat al die kosten noodzakelijk zijn geweest. [gedaagde 1] stelt verder dat CZ bij haar vordering geen rekening heeft gehouden met de al aan [persoon 1] en [persoon 2] betaalde schadevergoeding. Hij voert ten slotte aan dat hij de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten niet hoeft te betalen.

3.5.

Op de stellingen van partijen en het verweer wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Tegen gedaagde sub 4, [gedaagde 4] , zal verstek worden verleend omdat hij niet is verschenen en daarmee geen verweer heeft gevoerd. De vordering tegen [gedaagde 4] zal dan ook worden toegewezen, behalve voor zover deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarop wordt later nog ingegaan. Omdat de overige gedaagden wel in de procedure zijn verschenen is dit vonnis op grond van artikel 140 lid 3 Rv een vonnis op tegenspraak.

Verjaring

4.2.

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren het verweer dat de vorderingen van CZ zijn verjaard. De vorderingen hebben op grond van artikel 3:310 BW een verjaringstermijn van vijf jaar. CZ heeft hen bij brief van 24 augustus 2018 aansprakelijk gesteld voor de schade van [persoon 1] en [persoon 2] . De verjaringstermijn is dus verstreken op 25 augustus 2023. Pas daarna, op 29 februari 2024, hebben zij een 14- dagenbrief van CZ ontvangen, aldus [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

4.3.

CZ betwist dat haar vorderingen zijn verjaard en stelt dat zij genoeg stuitingshandelingen heeft verricht. Zij stelt dat zij na de aansprakelijkheidstelling op 24 augustus 2018 verschillende betalingsherinneringen en sommaties aan gedaagden heeft gestuurd, waaronder op 23 oktober 2018, 2 januari 2019 en 15 januari 2019 (zoals overgelegd bij dagvaarding). Verder heeft de door haar ingeschakelde deurwaarder sommaties gestuurd op 21 februari 2019, 2 mei 2019, 30 augustus 2019, 10 oktober 2019, 17 april 2020, 6 mei 2021 en 10 augustus 2021, allemaal betreffende het letsel van [persoon 1] , aldus CZ. Over het letsel en de kosten van [persoon 2] heeft de deurwaarder brieven gestuurd op 6 mei 2021, 10 augustus 2021, 12 november 2021, 28 februari 2022 en 10 januari 2023. Zij wijst op telefoonnotities uit de administratie van de deurwaarder van 25 april 2022, 28 april 2022 en 24 juni 2022 over een reactie van [gedaagde 3] op de brief van 28 februari 2022. Ter onderbouwing heeft zij de genoemde brieven vanaf 21 februari 2019 en de telefoonnotities als aanvullende producties overgelegd. Daarnaast heeft zij uittreksels uit de Basisregistratie Personen overgelegd waaruit volgens CZ blijkt dat deze brieven aan het juiste adres zijn gestuurd, behalve die van 10 januari 2023 aan [gedaagde 1] . Zij acht het zeer onaannemelijk dat geen of bijna geen van die brieven gedaagden hebben bereikt.

4.4.

De kantonrechter overweegt ten eerste dat [gedaagde 1] ter zitting heeft verklaard geen beroep meer te doen op verjaring. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben verklaard het beroep op verjaring wel te willen handhaven. Zij betwisten dat zij tussen 15 januari 2019 en 29 februari 2024 brieven van of namens CZ hebben ontvangen. Mochten zij die al hebben ontvangen, dan vinden zij dat daarin geen stuitingshandelingen zijn verricht.

4.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de door CZ overgelegde, hiervoor genoemde notities van telefoongesprekken van de deurwaarder met [gedaagde 3] dat in elk geval [gedaagde 3] in 2022 nog een aanmaning van de deurwaarder heeft ontvangen. In elk van die notities staat duidelijk dat [gedaagde 3] heeft meegedeeld dat hij van mening is dat hij naar aanleiding van de strafzaak al een schadevergoeding heeft betaald en daarom nu niets meer aan CZ is verschuldigd. [gedaagde 3] heeft ter zitting verklaard dat hij zich deze gesprekken niet meer kan herinneren, maar hij heeft wel bevestigd dat het daar genoemde telefoonnummer eindigend op [nummer] van hem is. Het komt de kantonrechter zeer onaannemelijk voor dat die telefoonnotities niet naar waarheid zouden zijn opgemaakt. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat, gelet op de overgelegde hoeveelheid brieven van de deurwaarder aan zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] (van 6 mei 2021, 10 augustus 2021, 12 november 2021, 28 februari 2022 en 10 januari 2023), waarbij is bevestigd dat deze aan het juiste adres zijn gestuurd, in samenhang met de genoemde telefoonnotities van gesprekken met [gedaagde 3] , ook het standpunt van [gedaagde 2] dat hij geen enkele van deze aanmaningen heeft ontvangen geen stand kan houden. Van zowel [gedaagde 2] en [gedaagde 3] mocht worden verwacht dat zij gemotiveerd hadden onderbouwd hoe het zou kunnen dat zij al deze brieven en telefoontjes niet hebben ontvangen. Dit betekent dat CZ de verjaring van de vorderingen heeft gestuit en dat het beroep van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op verjaring niet slaagt.

Groepsaansprakelijkheid

4.6.

CZ legt aan haar vordering tot het betalen van schadevergoeding groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW) dan wel individueel onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW) ten grondslag. CZ gaat er kennelijk vanuit dat de genoemde strafrechtelijke veroordelingen voor het ‘openlijk in vereniging plegen van geweld’ (artikel 141 Sr) tegen [persoon 1] en/of [persoon 2] automatisch meebrengen dat de schade die door deze delicten is ontstaan aan ieder van de verdachten, hoofdelijk, kan worden toegerekend op grond van civielrechtelijke groepsaansprakelijkheid.

4.7.

Op grond van artikel 6:166 lid 1 BW bestaat hoofdelijke aansprakelijkheid als (tenminste) één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Om te kunnen spreken van handelen in groepsverband moet niet alleen de individuele deelnemer een bijdrage hebben geleverd aan de groepsgedragingen die de kans op schade hebben doen ontstaan, maar is ook vereist dat sprake is geweest van een bewust gezamenlijk optreden van de verschillende deelnemers.

4.8.

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] erkennen dat de veroordelingen voor het ‘openlijk in vereniging plegen van geweld’ onrechtmatig handelen van elk van hen oplevert maar zij betwisten dat deze ook leiden tot civielrechtelijke groepsaansprakelijkheid voor de schade waarvan CZ nu vergoeding vordert, althans zij stellen dat zij daartegen nu tegenbewijs hebben geleverd. Voor groepsaansprakelijkheid en onrechtmatig handelen in groepsverband als bedoeld in artikel 6:166 lid 1 BW moet de civiele kantonrechter volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een eigen, nieuwe beoordeling maken. Van het bewust gezamenlijk optreden als deelnemers van de groep is volgens hen geen sprake geweest. Dit lichten zij als volgt toe. Uit de overgelegde processen-verbaal van (getuigen)verhoor uit het strafdossier volgt volgens hen dat [persoon 2] als eerste fysiek geweld heeft gebruikt tegen [gedaagde 1] . De groep is [gedaagde 1] te hulp geschoten. Daarbij heeft de groep zich feitelijk in twee delen opgesplitst door [persoon 1] en [persoon 2] uit elkaar te trekken, waarbij enerzijds [gedaagde 1] en [gedaagde 3] bij de vechtpartij met [persoon 1] betrokken raakten (en [gedaagde 3] dus geen betrokkenheid heeft gehad bij het geweld jegens [persoon 2] ) en anderzijds [gedaagde 2] en [gedaagde 4] bij de vechtpartij met [persoon 2] betrokken raakten (en [gedaagde 2] dus geen betrokkenheid heeft gehad bij het geweld jegens [persoon 1] ). Ook volgt volgens hen uit die verklaringen dat [gedaagde 1] erkent dat hij aan [persoon 1] letselschade heeft toegebracht door met een vuistslag zijn tanden uit zijn gebit te slaan. [gedaagde 1] heeft, zo stellen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , op eigen initiatief besloten om achter [persoon 2] en [persoon 1] aan te fietsen nadat die doorliepen, terwijl de rest van de groep op een afstandje bleef staan. Nadat [persoon 2] [gedaagde 1] duwde, hebben zij zich bij [persoon 2] en [gedaagde 1] gevoegd ter verdediging van [gedaagde 1] . Alleen [gedaagde 1] heeft zwaar lichamelijk letsel toegebracht aan [persoon 1] . [gedaagde 2] en [gedaagde 3] konden niet voorzien dat [gedaagde 1] dit zou doen. De gedragingen van [gedaagde 1] zijn volgens hen zodanig afwijkend en te isoleren van de rest van de groep dat (ten aanzien van het letsel van [persoon 1] ) niet kan worden gesproken van handelen in groepsverband. Zij stellen zich daarom op het standpunt dat zij, ondanks de strafrechtelijke veroordelingen, niet op grond van groepsaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door [gedaagde 1] aan [persoon 1] toegebrachte letselschade. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn ook niet veroordeeld voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, alleen [gedaagde 1] .

4.9.

De kantonrechter overweegt als volgt. Om vast te kunnen stellen of sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op grond van artikel 6:166 lid 1 BW, zijn de strafrechtelijke vonnissen jegens hen van belang. Een in kracht van gewijsde gegaan vonnis op tegenspraak van de strafrechter, waarbij de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert op grond van artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in een civiele procedure dwingend bewijs op van dat feit. In dit geval van het ‘openlijk in vereniging plegen van geweld’ tegen [persoon 1] en/of [persoon 2] (artikel 141 Sr). [gedaagde 2] en [gedaagde 3] erkennen dit ook. Het staat een partij wel vrij om tegen dit dwingend bewijs van het strafbaar feit tegenbewijs te leveren, zo is bepaald in artikel 151 lid 1 Rv en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] stellen dat zij voldoende tegenbewijs hebben geleverd.

4.10.

De kantonrechter overweegt dat het strafrechtelijk begrip ‘in vereniging’ uit 141 Sr en het begrip ‘in groepsverband’ uit artikel 6:166 BW nauw aan elkaar verwant zijn: ook voor geweldpleging ‘in vereniging’ is een nauwe en bewuste samenwerking vereist, waarbij een bijdrage van voldoende gewicht aan het gepleegde geweld noodzakelijk is. In de strafvonnissen van 9 april 2018 heeft de strafrechter overwogen dat uiteindelijk sprake is geweest van één vechtpartij, waarbij aan de ene zijde vier jongens waren betrokken en aan de andere zijde twee mannen ( [persoon 2] en [persoon 1] ). In het uitgewerkte vonnis tegen [gedaagde 3] staat bij de veroordeling onder ‘De vechtpartij’ onder meer: ‘ [persoon 2] rent op dat moment achter de groep aan. [gedaagde 2] ( [gedaagde 2] ) draait zich om en geeft de man die achter hem aanrent – [persoon 2] – nog een duw met zijn beide handen tegen een van zijn schouders. [gedaagde 3] ( [gedaagde 3] ) komt terug en duwt [persoon 2] weg van [gedaagde 2] ( [gedaagde 2] ). [gedaagde 3] gooit een fiets tegen de linkerzijde van het lichaam van [persoon 2] , waardoor [persoon 2] op de grond valt’. De strafrechter heeft geoordeeld dat [gedaagde 3] een voldoende bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld omdat zijn bijdrage bestond uit het wegduwen van één van de mannen, het trappen van de ander, het duwen van [persoon 2] en het gooien van een fiets tegen het lichaam van [persoon 2] . Daarom heeft de strafrechter het, na bestudering van alle processen-verbaal en getuigenverklaringen, wettig en overtuigend bewezen geacht dat ook [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zich, naast [gedaagde 1] , schuldig hebben gemaakt aan het tezamen in vereniging plegen van openlijk geweld tegen zowel [persoon 1] als [persoon 2] . Hoewel de strafrechter daarbij niet letterlijk heeft geoordeeld dat sprake was van bewust gezamenlijk optreden van [gedaagde 3] en/of [gedaagde 2] als deelnemers van de groep, leidt de kantonrechter dit wel af uit de overwegingen, met name uit het (onder het kopje ‘Tussenconclusie’) toegepaste toetsingskader voor openlijke geweldpleging in vereniging , namelijk “Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen …”.

4.11.

Ondanks dat de kantonrechter de (groeps)aansprakelijkheid opnieuw beoordeelt, weliswaar met medeneming van de dwingende bewijskracht van de strafrechtelijke veroordelingen, komt naar het oordeel van de kantonrechter uit de door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] overgelegde processen-verbaal van getuigenverhoor uit het strafdossier niet een heel ander beeld naar voren, waaruit blijkt dat in het geheel geen sprake was van het bewust gezamenlijk optreden als deelnemers van de groep en handelen in groepsverband. Er is sprake geweest van een scheldpartij tussen een deelnemer van de groep jongens enerzijds en [persoon 2] en [persoon 1] anderzijds. Uit alle verklaringen volgt dat [gedaagde 1] achter [persoon 2] en [persoon 1] aan is gefietst, toen die verder liepen. [gedaagde 1] verklaart in het proces-verbaal van verhoor bij de politie onder meer: “ik fietste een stukje verder” en daarna “ik stapte van de fiets af en inmiddels waren de vrienden van mij al gekomen” en daarna “ik zag dat vrienden van mij die man wegduwde”, en, nadat hij had verklaard dat hij een van de mannen met een vuist in zijn gezicht had geslagen en ze weer weggingen “ja, we zijn al die tijd bij elkaar gebleven” (daarna verklaart hij dat hij niet weet of zijn vrienden ook iemand geslagen hebben). Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onvoldoende ontzenuwd als bedoeld in artikel 151 lid 2 Rv dat zij met de andere gedaagden ‘in vereniging’ en ‘in groepsverband’ een onrechtmatige daad hebben gepleegd en kunnen zij daarom beiden, naast [gedaagde 1] , op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor schade van [persoon 1] en [persoon 2] , vanwege het bewust gezamenlijk optreden als deelnemers van de groep. Daarvoor is dus niet vereist dat elke deelnemer zelf schade heeft toegebracht (in dit geval heeft bijvoorbeeld alleen [gedaagde 1] schade toegebracht aan het gebit van [persoon 1] ), maar wel dat is deelgenomen aan een handelen in groepsverband waarbij er een reële mogelijkheid was dat de gedragingen in groepsverband zouden uitmonden in schade.

Rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond?

4.12.

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren nog aan dat het onrechtmatig handelen niet aan hen kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:162 lid 2 en/of 3 BW, nu het [persoon 2] was die als eerste [gedaagde 1] heeft mishandeld. Zij stellen dat uit de getuigenverklaringen genoegzaam volgt dat niet één van hen, maar [persoon 2] de agressor was, omdat hij [gedaagde 1] zo hard heeft geduwd dat die op de grond is gevallen. Zij stellen dat zij zich daardoor genoodzaakt hebben gezien om hun vriend te gaan verdedigen en dat zij [persoon 2] en [persoon 1] uit elkaar hebben getrokken om te voorkomen dat zij samen [gedaagde 1] konden aanvallen. Dat de strafrechter het beroep op noodweer niet heeft gehonoreerd maakt niet uit omdat de civiele rechter dit zelfstandig opnieuw moet beoordelen, aldus [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

4.13.

Met de strafrechter is de kantonrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van noodweer van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en dat dit niet kan dienen als rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW die maakt dat hun handelingen hun onrechtmatig karakter verliezen. Weliswaar is voldoende aannemelijk dat [persoon 2] [gedaagde 1] heeft (weg)geduwd, maar dat was pas nadat [gedaagde 1] [persoon 2] en [persoon 1] achtervolgde en vervolgens verbaal en fysiek agressief benaderde. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hadden vervolgens ook een andere keus kunnen maken dan zich te gaan bemoeien met de vechtpartij waarin [gedaagde 1] betrokken was. Er bestond ruimschoots gelegenheid om zich te onttrekken aan de vechtpartij. Het bestaan van een schulduitsluitingsgrond (bijvoorbeeld noodweer-exces van artikel 41 lid 2 Sr) waardoor het onrechtmatig handelen niet aan hen kan worden toegerekend is ook niet aannemelijk geworden.

Schade

4.14.

Nu de kantonrechter van oordeel is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] naast [gedaagde 1] hoofdelijk op grond van artikel 6:166 BW aansprakelijk zijn voor de schade van CZ als gevolg van het op 2 april 2017 gepleegde onrechtmatige handelen moeten, gelet op het verweer daartegen, de afzonderlijke door CZ gevorderde schadeposten worden beoordeeld.

4.15.

CZ heeft ter onderbouwing van haar schade een overzicht overgelegd van kosten die zij heeft betaald voor een groot aantal medische behandelingen van [persoon 1] in de periode van 2 april 2017 tot en met 23 mei 2018. Ook van de kosten die zij heeft gemaakt voor medische behandelingen van [persoon 2] heeft zij een overzicht overgelegd, waarbij het gaat om behandelingen in de periode van 3 april 2017 tot en met 11 april 2018. Ter toelichting op het overzicht van [persoon 1] heeft zij geschreven dat van het totaal van € 11.235,00 een bedrag van € 4.794,42 tandartskosten betreft (code 12). De rest betreft fysiotherapie (code 07) , herstelkosten ziekenhuis die niet met implantaten van doen hebben (codes 51 en 54), ambulance (code 85) en consulten (code 01). De op het overzicht genoemde ‘ [huisarts] ’ is de huisarts van [persoon 1] . De niet-vergoede bedragen en eigen risico-bedragen zijn niet meegeteld. Uit het vijfde blad van het overzicht blijkt dat CZ een fors deel van het implantaat/(implantaat)kroonkosten niet aan [persoon 1] heeft vergoed, aldus CZ. Ten aanzien van de schadebeperkingsplicht stelt CZ dat [persoon 1] er recht op had om zijn gebit via implantaten in zijn kaak in de oude staat te herstellen en dat een brug niet een kwalitatief vergelijkbare oplossing is omdat er daarbij niets wordt vastgezet in de kaak. CZ stelt ten slotte dat de schadevergoedingen waartoe gedaagden al in de strafrechtelijke vonnissen waren veroordeeld schade van [persoon 1] en [persoon 2] zelf betrof die niet werd vergoed door CZ. Er is volgens haar dus geen sprake van overlap.

4.16.

De kantonrechter overweegt als volgt. Bij de behandelingen en bijbehorende kosten op de door CZ overgelegde overzichten staat telkens een korte omschrijving. Van een aantal van die omschrijvingen op het overzicht van [persoon 1] is duidelijk dat zij verband houden met het op 2 april 2017 toegebrachte kaak- en gebitsletsel, zoals bijvoorbeeld ‘kaakoverzichtsfoto’, ‘consult na tandheelkundig ongeval’ op 2 april 2027 en ‘operatief verwijderen van deel van tand of kies’ op 3 april 2027 en een aantal daaropvolgende tandheelkundige behandelingen door [tandarts] (bijvoorbeeld ‘noodkunstgebit’). Van ‘screening en intake en onderzoek fysiotherapie’ op 5 april 2017 is ook nog wel aannemelijk dat dit verband houdt met het incident op 2 april 2017. Er zijn echter ook veel algemene omschrijvingen van behandelingen op latere data (bijvoorbeeld ‘gebitsreiniging’, ‘drievlaksvulling composiet’, ‘periodieke controle’, ‘individuele zitting reguliere fysiotherapie’) waarbij niet zonder meer is vast te stellen of er een verband is met het incident op 2 april 2017. Ook voor het overzicht van de kosten voor [persoon 2] geldt dat daarbij veelvuldig de algemene beschrijving ‘individuele zitting reguliere fysiotherapie’ voorkomt.

4.17.

Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] terecht aangevoerd dat van een aantal op de overzichten van CZ genoemde medische behandelingen voor zowel [persoon 2] als [persoon 1] zonder nadere toelichting niet is vast te stellen of er een causaal verband is met het incident op 2 april 2017. De kantonrechter ziet daarin echter geen aanleiding om de vorderingen van CZ zonder meer af te wijzen, zoals gedaagden (ook) hebben betoogd.

4.18.

Wel ziet de kantonrechter daarin aanleiding om CZ in de gelegenheid te stellen om zich bij nadere akte nader uit te laten over het causaal verband tussen de diverse onderdelen van de door haar gevorderde schade en het onrechtmatig handelen op 2 april 2027. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden om daarvoor eventueel een machtiging te vragen voor toegang tot de medische dossiers van [persoon 2] en [persoon 1] . Nadat CZ zich bij akte nader heeft uitgelaten als voornoemd zullen gedaagden de gelegenheid krijgen om hier bij antwoordakte op te reageren.

4.19.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

1Rechtbank Gelderland 9 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1572

2Hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4497

 

Rechtbank Gelderland 4 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6617