RBNHO 150126 mishandeling staat onvoldoende vast; nadere bewijslevering nodig; niet geschikt voor deelgeschil - kosten begroot, niet toegewezen, conform verzoek: 13,3 uur x € 245 + 21% = € 3.942,79
- Meer over dit onderwerp:
RBNHO 150126 mishandeling staat onvoldoende vast; nadere bewijslevering nodig; niet geschikt voor deelgeschil
- kosten begroot, niet toegewezen, conform verzoek: 13,3 uur x € 245 + 21% = € 3.942,79
2De feiten
2.1.
Op 14 september 2024 heeft er een handgemeen plaatsgevonden op de parkeerplaats van de McDonalds nabij Schiphol, als gevolg waarvan [verzoeker] letsel heeft opgelopen.
2.2.
[verzoeker] stelt dat hij door [verweerder] is mishandeld en [verzoeker] heeft aangifte gedaan van mishandeling.
2.3.
Het Openbaar Ministerie (OM )heeft de zaak geseponeerd. In de toelichting schrijft het OM onder andere het volgende:
“Er is sprake geweest van mishandeling op 14 september 2024 te Schiphol. Op basis van de aangifte, de getuigenverklaring en de verklaring van de verdachte dat hij een klap heeft gegeven. U heeft behoorlijk letsel opgelopen op uw hoofd. Van zelfverdediging vanuit de verdachte is geen sprake, dit omdat de getuige als aangever zeggen dat verdachte de eerste was die sloeg. Wel houdt de officier rekening mee dat u zeer beledigende teksten heeft verstuurd naar verdachte voorafgaand aan de mishandeling. Dit rechtvaardigt niet de klap die u heeft gegeven, maar het kleurt wel de zaak. Bovendien dat u degene bent geweest die naar de parkeerplaats is geweest om de confrontatie met verdachte op te zoeken. Officier is van mening dat die met een bepaalde mate van agressie is gedaan.”
2.4.
In de nacht van 13 september op 14 september 2024 heeft [verzoeker] verschillende Whatsapp berichten verstuurd naar [verweerder] . Deze berichten zijn geschreven in het Dari en door een vertaler vertaald naar het Nederlands. Onder andere het volgende bericht is verstuurd:
“Verdomme, jij, een lafaard [eerloos] en duivel. Je bent echt een smerig, oneervol persoon. Het was voor iedereen duidelijk, vooral voor [naam] , je moet je schamen, de afvallige schoft”.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter – samengevat – om bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
I. voor recht te verklaren dat [verweerder] onrechtmatig jegens [verzoeker] heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de gevolgen van de mishandeling en de daaruit voortvloeiende gelegen en nog te lijden materiële en immateriële schade;
II. de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten op € 3.942,79 inclusief BTW, te vermeerderen met het griffierecht van € 331,-, en [verweerder] te veroordelen om het totaalbedrag van € 4.273,79 binnen 14 dagen na het wijzen van deze beschikking te betalen.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd.
Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] hem mishandeld en heeft hij als gevolg van deze mishandeling zowel immateriële als materiële schade geleden. [verzoeker] wijst ter onderbouwing van zijn stelling op de sepotbrief van het OM, waaruit volgens [verzoeker] volgt dat [verweerder] hem heeft mishandeld en dat van zelfverdediging aan de zijde van [verweerder] geen sprake was. [verweerder] heeft onrechtmatig jegens hem gehandeld en moet zijn schade te vergoeden.
3.3.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Volgens [verweerder] leent de zaak zich niet voor behandeling in deelgeschil, omdat de lezingen van partijen over wat er gebeurd is sterk uiteenlopen. [verzoeker] verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen naar een sepotbrief van het OM, maar daaruit volgt geen aansprakelijkheid aan de zijde van [verweerder] . Het gaat slechts om een beslissing om niet verder te vervolgen, niet om een inhoudelijk oordeel. De getuigenverklaring waar in de brief naar wordt verwezen is door [verzoeker] niet overgelegd. Dit betekent dat de feiten niet zijn komen vast te staan. Verder voert [verweerder] aan dat hij niet aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade. Het was juist [verzoeker] die – nadat hij ’s nachts allerlei beledigende Whatsapp berichten had verstuurd – hard de parkeerplaats kwam oprijden waar [verweerder] zijn auto aan het opladen was. [verzoeker] parkeerde zijn auto pal naast die van [verweerder] en kwam woedend op hem afgelopen. [verweerder] heeft geprobeerd [verzoeker] tot bedaren te brengen, maar hij werd door [verzoeker] geslagen. Daarop heeft hij [verzoeker] hard van zich af geduwd en is [verzoeker] gevallen. Het verzoek van [verzoeker] moet dus worden afgewezen.
4De beoordeling
Juridisch kader
4.1.
[verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv). Daarbij moet ook worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop; als uitvoerige bewijsvoering nodig is en/of deskundigenberichten kan geoordeeld worden dat het geschil zich niet leent voor de deelgeschilprocedure.
Ontvankelijkheid
4.3.
Partijen verschillen – kort gezegd – van mening over de vraag of [verweerder] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade. Omdat een uitspraak van de kantonrechter over de aansprakelijkheidsvraag kan bijdragen aan het tot stand brengen van een vaststellingsovereenkomst acht de kantonrecht [verzoeker] ontvankelijk in zijn verzoek.
Aansprakelijkheid
4.4.
De kantonrechter komt op grond van de overgelegde stukken en wat partijen verklaard hebben echter tot het oordeel dat het verzoek van [verzoeker] zich niet leent voor behandeling in deelgeschil. De kantonrechter ligt dit als volgt toe.
4.5.
Voor zover er aan de zijde van [verweerder] sprake zou zijn van enige mate van aansprakelijkheid, kan de omvang van deze aansprakelijkheid naar het oordeel van de kantonrechter niet 100% zijn. Dit gelet op de rol die [verzoeker] heeft gespeeld bij het ontstaan van de situatie op 14 september 2024. Aan het oordeel van de kantonrechter ligt onder meer ten grondslag dat [verzoeker] – door naar de parkeerplaats te rijden waar [verweerder] vaak zijn auto oplaadt – in een al gespannen situatie de confrontatie met [verweerder] heeft opgezocht. Aan het oordeel ligt daarnaast ten grondslag het feit dat onbetwist is gebleken dat [verzoeker] zich agressief heeft gedragen jegens [verweerder] , in ieder geval via de verstuurde Whatsapp berichten.
4.6.
Dit betekent dat er naar het oordeel van de kantonrechter sprake zal zijn van een mate van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] . De feitelijke omstandigheden rondom het handgemeen van 14 september 2024 staan gelet op de tegenstrijdige lezingen van partijen onvoldoende vast om een percentage eigen schuld te kunnen vaststellen. Om meer duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke omstandigheden rondom het handgemeen zal nadere bewijslevering moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld in de zin van het opvragen van stukken of het horen van getuigen. Gelet op de hiermee gepaard gaande investering in tijd, geld en moeite, afgewogen tegen het belang van [verzoeker] , is de kantonrechter van oordeel dat er in deze deelgeschilprocedure geen plaats is voor nadere bewijslevering.
Conclusie
4.7.
Gelet op het voorgaande leent het geschil tussen [verzoeker] en [verweerder] zich niet voor afdoening binnen de kaders van een deelgeschil. Het verzoek van [verzoeker] zal daarom op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
4.8.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.9.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.10.
[verzoeker] maakt aanspraak op € 3.942,79 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht.
4.11. De kantonrechter is van oordeel dat de door [verzoeker] opgegeven tijdsbesteding en het gehanteerde uurtarief niet onredelijk zijn. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 13,30 uren × € 245,- exclusief btw, dus op een totaal van € 3.942,79 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,-. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en [verweerder] niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door [verweerder] te worden betaald, als zijn aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan. Rechtbank Noord-Holland 15 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2392
