RBDHA 280126 ernstige brandwonden bij gebruik zonnebank; met (partij)deskundigenrapport is bewijsvermoeden ontzenuwd; afwijzing
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 280126 ernstige brandwonden bij gebruik zonnebank; met (partij)deskundigenrapport is bewijsvermoeden ontzenuwd; afwijzing
in vervolg op
RBDHA 150125 ernstige brandwonden bij gebruik zonnebank; voorshands aangenomen causaal verband en aansprakelijkheid
2De verdere beoordeling
Bewijswaardering
2.1.
In genoemd vonnis van 15 januari 2025 is de zonnestudio toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat de schade bij [eiseres] is veroorzaakt door de toerekenbare tekortkoming van de Zonnestudio, als bedoeld onder 4.8 van dat vonnis. In 4.8 is overwogen:
“De rechtbank overweegt dat het tijdsverloop en de aard van het letsel doen vermoeden dat de straling van de zonnebank een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het letsel. Gelet daarop en mede gelet op de normschending en het feit dat de volgens de gebruiksaanwijzing bij huidtype twee behorende veilige bruiningsduur ruimschoots is overschreden, ligt in dit geval het oordeel dat de schade veroorzaakt is door het gebruik van de zonnebank in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank meer voor de hand dan het tegendeel. De rechtbank neemt daarom voorshands het bestaan van een causaal verband (condicio sine qua non verband) tussen de tekortkoming en de schade – en daarmee aansprakelijkheid van de Zonnestudio – aan. De zonnestudio zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs om daarmee het voornoemde vermoeden te ontzenuwen.”
2.2.
De vraag die voorligt is of dit bewijsvermoeden is ontzenuwd met het door de zonnestudio overgelegde rapport van [adviseur] van 5 mei 2025. Voor het antwoord op die vraag geldt het volgende toetsingskader. Dat de zonnestudio wordt geconfronteerd met een bewijsvermoeden, betekent niet dat op haar ook het bewijsrisico komt te rusten. Zij zal in beginsel niet hoeven te bewijzen door welke oorzaak de schade is ontstaan en kan volstaan met het ontkrachten van het vermoeden door bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waardoor voldoende onzeker wordt dat de schade door een toerekenbare tekortkoming aan haar kant is ontstaan. Voor het slagen van het te leveren tegenbewijs is dus voldoende dat het bewijsvermoeden wordt ontzenuwd, wat het geval is wanneer voldoende twijfel wordt gezaaid. In dat geval herleeft de normale bewijslast (en het daarbij behorende bewijsrisico), die op [eiseres] rust. Het te leveren tegenbewijs kan bestaan in het bewijs dat geen tekortkoming aan de kant van de zonnestudio de schade heeft doen ontstaan, maar dat is geen eis. Of in een concreet geval dit tegenbewijs geleverd moet worden geacht, ook als de oorzaak van de schade niet is komen vast te staan, is aan het oordeel van de rechter overgelaten.
2.3.
In het licht van dit beoordelingskader geldt het volgende.
2.4.
[adviseur], die zich als arts en wetenschapper in Duitsland al bijna dertig jaar bezighoudt met fotobiologische vraagstukken, met name de biologische effecten van licht op levende weefsels en organismen, heeft in zijn rapport van 5 mei 2025 – dat is opgesteld na dossierstudie – de volgende vragen beantwoord:
(1) Is het mogelijk dat een belichting met het solarium van twintig minuten, hoewel in de gebruiksaanwijzing officieel maximaal zes minuten voorgeschreven zijn, tot ernstige huidbeschadigingen (d.w.z. brandwonden van de tweede en derde graad) kan leiden?
(2) Is het mogelijk dat de overschrijding van de stralingswaarden van het solarium (0,368 W/m2 in plaats van de toegestane 0,3 W/m2 – of zelfs 0,3499 W/m2, zoals tegenover de rechtbank werd benadrukt met verwijzing naar de tolerantie van de voedsel- en consumentenbeschermingsautoriteit voor nieuwe lampen) tot een letsel van deze omvang kan leiden?
(3) Hoe waarschijnlijk het is dat deze verwonding door een andere factor is veroorzaakt? Bijvoorbeeld door een fototoxische reactie, medicijnen, enz.
2.5.
In reactie op de derde vraag heeft [adviseur] – samengevat – beschreven dat in de door hem bestudeerde literatuur geen vergelijkbare gevallen voorkomen. Hij wijst erop dat bij [eiseres] na twee weken nog steeds blaarvorming optrad, wat zeer ongebruikelijk is voor pure stralingsschade. Een dergelijk verschijnsel kan wel optreden bij gebruik van een fotosensibiliserende stof. De strikt gelokaliseerde schade (hoofd, decolleté en knieholtes waren niet aangetast) past volgens hem waarschijnlijk bij een stof die als olie, lotion of crème op de huid is aangebracht. Zonder topische fotosensibilisatie (overgevoelige huidreactie die ontstaat door de combinatie van een lokaal aangebracht product en UV(A)-straling) zou moeilijk te verklaren zijn waarom juist een gevoelige regio niet is aangetast. Gezien de buitengewone ernst van de huidbeschadiging (blaarvorming en diepteschade) acht [adviseur] het hoogstwaarschijnlijk dat de oorzaak niet alleen door UV-blootstelling in de zonnebank te verklaren is. Het klinische beeld in combinatie met de lang aanhoudende symptomen wijst sterk op een fototoxische reactie, zoals die kan optreden bij gelijktijdige blootstelling aan UVA-straling en fotosensibiliserende stoffen. In reactie op de andere twee vragen schrijft [adviseur] onder meer het volgende. Dat [eiseres] twintig minuten onder de zonnebank lag waar zes minuten was toegestaan en dat de straling van de lampen de norm (met 0,019 tot 0,068 W/m2) overschreed, kan volgens [adviseur] niet de enige oorzaak zijn van de bij [eiseres] opgetreden tweede- en derdegraads brandwonden over 30% van haar lichaam. De in de literatuur beschreven drempels voor vorming van blaren zijn in de onderhavige situatie niet gehaald. In zijn nadere reactie van 13 augustus 2025 (op het schrijven van de medisch adviseur van [eiseres] ) schrijft [adviseur] (opnieuw) onder meer nog dat een belangrijk gegeven is dat er geen leasies zijn gedocumenteerd in de knieholten, een gebied dat doorgaans onbedekt, zeer gevoelig en bijzonder kwetsbaar is voor UV-straling. Betrokkenheid van een fotosensibiliserende factor acht hij daarom plausibel. Ook het feit dat sprake was van het ontstaan van nieuwe leasies gedurende meerdere dagen is kenmerkend voor een fototoxische reactie in combinatie met een exogene fotosensibilisator (van buitenaf komende stof die de huid overgevoelig maakt voor UV-licht). Een langdurig en recidiverend beloop zoals hier aan de orde was, acht [adviseur] niet in overeenstemming met een zuiver door straling veroorzaakte schade.
2.6.
De medisch adviseur van de zonnestudio, die blijkens zijn rapport van 3 september 2025 ervaring heeft als chirurg met het behandelen van brandwonden, onder meer opgedaan in het brandwondencentrum Rode Kruis ziekenhuis, meldt onder meer het volgende. Over de expertise van [adviseur] schrijft hij dat hij als arts is gepromoveerd op het onderzoek naar licht geïnduceerde effecten op levende cellen en dat hij al dertig jaar onderzoek doet naar de biologische effecten van licht op levende weefsels en organismen. Ook doet [adviseur] wetenschappelijk onderzoek en heeft hij volgens de medisch adviseur veel meer kennis dan een gemiddeld dermatoloog of (plastisch) chirurg over effecten van UV-straling op weefsel en is hij dus bij uitstek deskundig te noemen. Onder meer merkt de medisch adviseur op dat [adviseur] perfect weergeeft dat de brandwonden niet het gevolg zijn van een genetische component of gebruikte medicatie, omdat het gezicht en de knieholtes niet zijn aangedaan. Het moet gaan om een middel dat is aangebracht. Dat kan niet de lotion zijn die [eiseres] bij de zonnestudio had gekocht, omdat zij dit voornamelijk op haar gezicht heeft gesmeerd en daar geen reactie is opgetreden. De schade kan niet (alleen) door UV-straling zijn veroorzaakt, omdat die straling ophoudt zodra de bron is weggenomen en nog enige dagen kan doorwerken, maar daarna zou genezing moeten optreden. In dit geval ontstonden na ruim tien dagen nog nieuwe blaren. Verder meldt hij onder meer dat ook de behandelend artsen van [eiseres] in het brandwondencentrum twijfels hadden bij alleen blootstelling aan UV-straling in een zonnebank en hebben geprobeerd te achterhalen wat er is gebruikt.
2.7.
In het door [eiseres] overgelegde medisch dossier is over dat laatste onder meer vermeld:
“14-02-2022 (…) Verder nog besproken dat het opvalt dat er verschillende plekken zijn, waaronder haar billen en knieholtes, die niet aangedaan zijn. En dat mocht er een andere reden zijn (bijv mishandeling) voor haar verbranding dat ze dit aan kan geven. Had onder zonnebank een broekje aan en knieen opgetrokken. Nu geen reden voor twijfel aan verhaal. Voornamelijk nu veel pijnklachten. (…) Zus van patient ook op de hoogte gebracht van huidige stand van zaken. Beide geen vragen. Goed gesprek.
Patient akkoord dat wij geannonimiseerd contact opnemen met de zonnebank studio.
Geannonimiseerd contact gehad met [kliniek] in [woonplaats 1] . Gebruiken al hun cremes van Devoted Creations. Hiervan zijn echter multipele producten. Dus nu annoniem niet aan te geven welke er is gebruikt. Zus gaat met patient kijken of ze dit kunnen achterhalen bij de studie en geven dit dan door aan ons.”
2.8.
Wat opvalt aan deze passage – die ter zitting van 28 november 2024 met [eiseres] is besproken – is dat kennelijk contact is opgenomen met een andere zonnestudio. Niet duidelijk is geworden wat de reden daarvan was en of door [eiseres] geprobeerd is bij de juiste zonnestudio te achterhalen welke producten er zijn gebruikt en of dit vervolgens nog met de behandelaren van het brandwondencentrum is besproken. Wat daarvan ook zij, voor de rechtbank is met de rapporten van [adviseur] en de medisch adviseur van [eiseres] voldoende onzeker geworden dat de schade door een toerekenbare tekortkoming van de zonnestudio is ontstaan. Beschreven is dat en waarom er geen sprake kan zijn van alleen door UV-straling veroorzaakte schade. Het voorgaande ontzenuwt het onder 2.1 bedoelde bewijsvermoeden voldoende.
2.9.
Hetgeen van de zijde van [eiseres] is aangevoerd leidt niet tot een andere uitkomst. De medisch adviseur van [eiseres] heeft geschreven (op 13 augustus 2025) dat hem is verzocht het rapport van [adviseur] ‘medisch inhoudelijk te becommentariëren, dit ook vanuit de vraag of hij hiertoe over de vereiste deskundigheid beschikt’. Dat laatste is volgens de medisch adviseur niet het geval. Vooropgesteld wordt dat de medisch adviseur heeft nagelaten toe te lichten welke kennis en ervaring hij zelf heeft op het gebied van brandwonden en het effect van UV-straling op het lichaam, zodat onduidelijk is welke waarde kan worden gehecht aan zijn beknopt weergegeven reactie. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van [adviseur] ten aanzien van de hem voorgelegde vragen. De veronderstelling van [eiseres] voorts dat de zonnestudio mogelijk niet het volledige dossier aan [adviseur] heeft verstrekt, maakt ook niet dat geen waarde aan zijn rapport kan worden gehecht. Uit het rapport blijkt niet dat daarin wordt uitgegaan van informatie die strijdig is met het dossier of dat relevante informatie niet bij [adviseur] bekend was. [eiseres] heeft ook niet gesteld dat dit het geval was. De stelling dat [adviseur] [eiseres] niet heeft gezien of onderzocht kan [eiseres] ook niet baten. Op basis van dossierstudie – met onder meer een tussenvonnis waarin de feiten zijn vastgesteld – heeft [adviseur] een oordeel kunnen geven over de hier te beantwoorden vragen. Niet valt in te zien waarom [eiseres] voor beantwoording van deze vragen had moeten worden gezien of onderzocht.
2.10.
Aldus is het tegenbewijs geleverd. Bij deze stand van zaken is de gevorderde verklaring voor recht dat de zonnestudio aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] , niet toewijsbaar. Dat betekent dat de vordering zal worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure op de hierna te melden wijze. Daarbij geldt dat de door de zonnestudio gemaakte deskundigenkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De zonnestudio heeft vergoeding van die kosten niet expliciet gevorderd. Op grond van artikel 239 Rv vallen kosten van een partijdeskundige niet onder de proceskosten (tot betaling waarvan de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld). Ook komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 BW (ECLI:NL:GHARL:2013:9176). Rechtbank Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4722
