CRvB 160726 GGD heeft voldaan aan zorgplicht bij rugletsel ambulancemedewerker t.g.v. duwen brancard in 2010
- Meer over dit onderwerp:
CRvB 160726 GGD heeft voldaan aan zorgplicht bij rugletsel ambulancemedewerker t.g.v. duwen brancard in 2010
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene was sinds maart 2009 werkzaam als [functie] bij de GGD Brabant-Zuidoost. Op [datum 1] 2010 heeft een incident plaatsgevonden waarbij betrokkene door een patiënt tegen de punt van een kast is geduwd. Verder heeft op [datum 2] 2010 een incident plaatsgevonden terwijl betrokkene hielp om een zware patiënt op een brancard de ambulance in te duwen. Hierbij heeft zij rugletsel opgelopen. Kort na het incident van [datum 2] 2010 is betrokkene arbeidsongeschikt geworden. Het dagelijks bestuur heeft beide incidenten aangemerkt als dienstongeval en aanvaard dat er een causaal verband is tussen de arbeidsongeschiktheid van betrokkene en het incident van [datum 2] 2010. Het salaris van betrokkene is op grond hiervan doorbetaald en aan haar is een aanvullende uitkering toegekend.
1.2.
Betrokkene heeft het dagelijks bestuur op 8 juni 2015 aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade wegens schending van de zorgplicht en heeft verzocht deze schade te vergoeden.
1.3.
Met een besluit van 3 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur dit verzoek afgewezen.
1.4.
Betrokkene heeft verzocht om rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht. Het dagelijks bestuur heeft hiermee ingestemd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door betrokkene gevraagde schadevergoeding. De rechtbank is ervan uitgegaan dat alleen het incident van [datum 2] 2010 aan de orde is en dat er een causaal verband bestaat tussen dat incident en de door betrokkene geleden schade. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat het dagelijks bestuur zijn zorgplicht heeft geschonden. Daaraan legt de rechtbank ten grondslag dat uit het rapport van Locomotion uit 2007 volgt dat een meer fundamentele herbezinning en aandacht voor nieuwe technieken nodig zijn en dat een oplossing in termen van optimale werktechnieken gezien de vastgestelde overbelasting niet aan de orde is. Gelet op de conclusies van dit rapport zijn tilinstructies en ergocoaches niet voldoende. Het dagelijks bestuur heeft niet aannemelijk gemaakt dat naar aanleiding van dit rapport in de periode 2007 tot en met 2010 voldoende maatregelen zijn genomen dan wel onderzoek is gedaan om gezondheidsschade als gevolg van het werken met brancards te voorkomen. Dat er volgens de GGD in 2010 geen andere mogelijkheid was dan de brancards die toen werden gebruikt, is gelet op de genoemde andere technieken in het rapport, niet voldoende voor de conclusie dat aan de zorgplicht is voldaan. Gelet op de bekendheid in 2007 met de structurele overbelasting en daarmee samenhangende, soms ernstige en voorzienbare gezondheidsrisico’s voor medewerkers, mocht van het dagelijks bestuur in redelijkheid worden verlangd dat hij ten minste onderzoek had gedaan naar alternatieve systemen of andere maatregelen.
Het standpunt van het dagelijks bestuur
3. Het dagelijks bestuur is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat sinds het rapport van 2007 wel degelijk onderzoek is gedaan naar betere hulpmiddelen, maar dat deze in 2010 nog niet beschikbaar waren op de Europese markt en technisch gezien ook nog niet konden worden toegepast. Verder waren de destijds bestaande werktechnieken zoveel mogelijk geoptimaliseerd.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat het dagelijks bestuur in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013. Onder het oude recht is het besluit van het dagelijks bestuur op het verzoek van betrokkene om vergoeding van schade wegens schending van de zorgplicht een zelfstandig schadebesluit.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak1 heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar. De zorgplicht van het bestuursorgaan strekt niet zover dat elk denkbaar risico op voorhand moet worden uitgebannen, maar tot het treffen van alle maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs van het bestuursorgaan kunnen worden gevergd om de veiligheid van het personeel te waarborgen. Het enkele feit dat een ongeval of een ander incident heeft plaatsgevonden betekent niet dat het bestuursorgaan zijn zorgplicht heeft geschonden.2
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het incident op [datum 2] 2010 een ongeval in de uitoefening van de werkzaamheden is en dat geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van betrokkene. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het dagelijks bestuur aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.
4.4.
Het dagelijks bestuur heeft gemotiveerd toegelicht dat iedere werknemer een inwerkprogramma doorloopt, waarvan een training door een interne ergocoach deel uitmaakt. Verder is een ergocoach te allen tijde beschikbaar binnen de organisatie. Uit het verzuim jaarplan 2009 blijkt dat begin 2009 een preventieve cursus fysieke belasting en tiltraining voor ambulancemedewerkers heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de bedrijfsarts. Deze cursus wordt jaarlijks herhaald en daarbij is de ergocoach eenmaal in de twee jaar aanwezig. Betrokkene heeft niet weersproken dat zij gedurende haar loopbaan op verschillende momenten tilinstructies heeft gekregen.
4.5.
Verder blijkt uit het ARBO jaarplan 2010 (plan van aanpak Risico Inventarisatie & Evaluatie 2009 t/m 2012) dat binnen de GGD Brabant-Zuidoost een eerder aanbevolen evaluatie van bruikbaarheid voor voorzieningen voor tillen en dragen en de inventarisatie van overige risico’s in december 2009 is afgerond.
4.6.
Het dagelijks bestuur heeft in hoger beroep nogmaals toegelicht dat de landelijke brancheorganisatie Ambulancezorg Nederland naar aanleiding van het (landelijke) onderzoek van Locomotion uit 2007 reeds onderzoek had gedaan naar mogelijke technische oplossingen, maar dat het gebruik van alternatieven grote nadelen had in de vorm van extra gewicht en ruimtebeslag in de ambulance en fysieke belasting op een ander moment, aanzienlijk hogere kosten en meer tijd in het nadeel van de patiënt bij een spoedrit. Bovendien waren deze alternatieven destijds nog niet beschikbaar en konden zij systeemtechnisch en functioneel nog niet worden gebruikt in het destijds gangbare type ambulance. Het dagelijks bestuur heeft er op gewezen dat er op het moment van het ongeval op [datum 2] 2010 ook nog geen andere systemen waren goedgekeurd voor de Europese markt en dat de GGD Brabant-Zuidoost als één van de eerste GGD’s elektrische brancards heeft aangeschaft, nadat deze in 2012 wel waren goedgekeurd voor de Europese markt. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in aanvulling op de al bestaande (landelijke) onderzoeken zelf nog nader onderzoek had moeten doen naar alternatieve hulpmiddelen.
4.7.
Uit wat in 4.4 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het dagelijks bestuur ten tijde van het incident op [datum 2] 2010 de maatregelen had getroffen die in de gegeven situatie van hem konden worden gevergd. Dit betekent dat de zorgplicht niet is geschonden en dat het dagelijks bestuur niet aansprakelijk is voor de (rest)schade die het gevolg is van het incident op [datum 2] 2010.
1Zie de uitspraken van de Raad van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98.
2Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3032.
Centrale Raad van Beroep 16 juli 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:934