Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 220126  ongeval wielrenner bij metalen rand betonplaat; afwijzing in deelgeschil; nader bewijs nodig t.z.v. aansprakelijkheid gemeente

RBOBR 220126  ongeval wielrenner bij metalen rand betonplaat; afwijzing in deelgeschil; nader bewijs nodig t.z.v. aansprakelijkheid gemeente
- verzocht 39,4 x € 300 + 21%, begroot, niet toegewezen, 25 uur x € 270 + 21% = € 8.167,50
- inzet en effectiviteit deelgeschil kan verloren gaan als steeds hogere urenaantallen en tarieven worden gepresenteerd

1De zaak in het kort

[verzoeker] is op 2 april 2023 in [plaats] ten val gekomen toen hij met zijn wielrenfiets over [straat 1] fietste en daar met zijn fiets in contact kwam met de metalen rand van een betonplaat in het wegdek. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. De Gemeente en haar verzekeraar Melior weigeren aansprakelijkheid voor dit ongeval te erkennen.

[verzoeker] verzoekt de rechter in deelgeschil te bepalen dat de Gemeente en Melior aansprakelijk zijn voor zijn schade. De rechtbank wijst dit verzoek van [verzoeker] af omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de weg gebrekkig was, of dat sprake was van een gevaarzettende situatie, in verband waarmee de Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk zou zijn voor de gevolgen van het ongeval van [verzoeker] . Voor het horen van getuigen en het eventueel laten uitvoeren van een onderzoek door een of meer deskundigen is in dit deelgeschil geen plaats.

2De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties 1-25

- het verweerschrift met producties 1-6

- de brief van [verzoeker] van 24 november 2025 met nagezonden producties 26 en 27.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De advocaat van de Gemeente en Melior heeft tevens een productie 7 overgelegd, de advocaat van [verzoeker] heeft producties 26 tot en met 29 overgelegd. Van wat er overigens op de zitting aan de orde is geweest, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

2.3.

De beschikking is bepaald op vandaag.

3De feiten

Het ongeval en de situatie ter plaatse

3.1.

Op zondag 2 april 2023 omstreeks 12:00 uur is [verzoeker] ten val gekomen toen hij met zijn wielrenfiets over [straat 1] (hierna: de weg) reed, ter hoogte van de kruising met de iets hoger gelegen [straat 2] , in de gemeente [gemeente] . Voorbij het kruispunt gaat [straat 1] over in de [straat 3] . Foto 1 toont het kruispunt van enige afstand, foto 2 toont de situatie bij het kruispunt, beide bezien vanaf [straat 1] .

Foto 1

Foto 2

3.2.

De weg is verhard met asfalt. Enkele meters voor het kruispunt bestaat de wegverharding uit klinkers. In het gedeelte van de weg met klinkerverharding bevindt zich een grote rechthoekige betonplaat van ongeveer 3,60 meter lang en 2,90 meter breed, met daaromheen een metalen rand van ongeveer 6,5 centimeter breed. Rechts naast de rand van de betonplaat ligt een klinkerstrook van ongeveer 60 centimeter. Tussen de klinkerstrook en de berm ligt een strook met grasbetontegels. Er is geen fietspad of fietsstrook.

3.3.

Op het moment van het ongeval was het droog weer en het zicht was goed. [verzoeker] reed alleen en er was geen ander verkeer toen hij de kruising naderde. [verzoeker] verminderde de snelheid waarmee hij reed van ongeveer 30 tot 33 kilometer per uur tot ongeveer 28 tot 30 kilometer per uur toen hij het kruispunt naderde en de betonplaat passeerde. [verzoeker] wilde rechtdoor over de kruising rijden. Bij het passeren van de betonplaat is [verzoeker] met zijn fiets in contact gekomen met de metalen rand rondom de betonplaat die, net als de betonplaat zelf, iets boven het wegdek (de klinkers) uitstak. Hij heeft de controle over zijn fiets verloren en is ten val gekomen.

3.4.

[verzoeker] heeft bij het ongeval diverse letsels opgelopen. Na de val is [verzoeker] opgevangen door een buurtbewoner, de heer [A] (hierna: buurtbewoner), die [verzoeker] naar huis heeft gebracht, waarna [verzoeker] naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis is gebracht.

3.5.

Op 20 juli 2023 is op de plaats waar [verzoeker] ten val kwam opnieuw een wielrenner ten val gekomen, de heer [B] .

3.6.

Nadien heeft de Gemeente de klinkers naast de betonplaat opgehoogd en een algemeen waarschuwingsbord geplaatst (gevaarlijke kruising).

Aansprakelijkstelling en buitengerechtelijk overleg

3.7.

Op 26 mei 2023 heeft rechtsbijstandsverzekeraar DAS namens [verzoeker] de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval van 2 april 2023. Daarbij heeft DAS een toedrachtsomschrijving van het ongeval van [verzoeker] van 18 april 2023 overgelegd, en een door de buurtbewoner op 11 mei 2023 ingevuld vragenformulier getuige.

3.8.

Namens de Gemeente heeft Melior op 21 september 2023 afwijzend op de aansprakelijkstelling gereageerd.

3.9.

Nadien heeft nog correspondentie plaatsgevonden tussen [verzoeker] en Melior waarbij aanvullende stukken zijn uitgewisseld. Dit heeft niet geleid tot een erkenning van aansprakelijkheid.

3.10.

Medio februari 2025 is de zaak van [verzoeker] in behandeling genomen door mr. Munten, die omstreeks 25 juli 2025 een verzoekschrift deelgeschil heeft ingediend.

4Het verzoek en het verweer

4.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

  • -

    voor recht te verklaren dat de Gemeente en/of Melior (hoofdelijk) aansprakelijk is/zijn voor de schade die het gevolg is van het ongeval van 2 april 2023, en

  • -

    de kosten voor het deelgeschil van [verzoeker] te begroten op een bedrag van in totaal € 14.516,- (salaris advocaat en griffierecht) en te beslissen dat de Gemeente en/of Melior (hoofdelijk) gehouden zijn die kosten te vergoeden.

4.2.

[verzoeker] meent dat de Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk is voor het ongeval op grond van artikel 6:174 dan wel artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [verzoeker] voldeed de weg ter plaatse van de betonplaat niet aan de daaraan in redelijkheid te stellen veiligheidseisen. De kosten van het deelgeschil vordert [verzoeker] op grond van artikel 1019aa lid 2 Rv. [verzoeker] spreekt verzekeraar Melior aan op grond van artikel 7:954 BW (directe actie).

4.3.

De Gemeente en Melior voeren gemotiveerd verweer en verzoeken de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen.

4.4.

De stellingen van partijen zullen, voor zover nodig, hierna bij de beoordeling aan de orde komen.

5De beoordeling

5.1.

Het verzoek van [verzoeker] is een verzoek in deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv.

5.2.

De deelgeschilprocedure is bedoeld om partijen die met elkaar in onderhandeling zijn over de afwikkeling van een letselschade, en daarbij in een impasse raken omdat zij het over een bepaalde kwestie niet eens kunnen worden, te helpen om – met een deelbeslissing van de rechter over die kwestie – de onderhandelingen weer te kunnen voortzetten. Uitgangspunt is dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en kostenefficiënt is. Deelvragen waarvan te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag neemt, bijvoorbeeld omdat bewijslevering nodig zal zijn in de vorm van getuigenverhoren of deskundigenberichten, lenen zich minder goed voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Een dergelijk verzoek wordt doorgaans afgewezen (artikel 1019z Rv).

5.3.

In dit geval verschillen partijen van mening over de vraag of er aansprakelijkheid is voor het ongeval van 2 april 2023. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen worden voortgezet. De zaak leent zich in zoverre voor behandeling in deelgeschil. De rechtbank kan echter op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht de voorgelegde aansprakelijkheidsvraag niet beantwoorden. Daarvoor zal bewijslevering moeten plaatsvinden in de vorm van getuigenverhoren en/of een of meer deskundigenberichten. De rechtbank ziet daarvoor in deze deelgeschilprocedure geen ruimte en zal het verzoek daarom afwijzen. Hierna volgen de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht.

De maatstaf van artikelen 6:174 en 6:162 BW

5.4.

[verzoeker] houdt de Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk voor zijn schade op grond van artikel 6:174 en/of 6:162 BW.

5.5.

Uit een arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2283) volgt dat op de wegbeheerder de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (artikel 6:174 BW). Ook volgt uit dat arrest dat het bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, aankomt op de (naar objectieve maatstaven te beantwoorden) vraag of deze weg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. De Hoge Raad overweegt daarbij dat deze maatstaven overeenkomen met de ‘kelderluikcriteria’ voor het beoordelen van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige gevaarzetting (artikel 6:162 BW).

5.6.

Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Gemeente als wegbeheerder gaat het dus voor wat betreft de beide grondslagen die [verzoeker] daarvoor aanvoert – artikelen 6:174 en 6:162 BW – in de kern om de beoordeling van de gevaarzetting. Daarbij geldt dat een weggebruiker er rekening mee moet houden dat een weg niet altijd in goede staat verkeert en dus zelf voldoende oplettend en voorzichtig moet zijn.

5.7.

Het is aan [verzoeker] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het ongeval dat hem is overkomen het gevolg was van een gebrekkige weg en/of onrechtmatige gevaarzetting door de Gemeente.

Toedracht van het ongeval

5.8.

Voordat de rechtbank de aansprakelijkheid kan beoordelen, moet eerst duidelijk zijn wat de toedracht is geweest van het ongeval. Tot het moment van deze procedure hadden partijen geen geschil over die toedracht, maar in het verzoekschrift heeft [verzoeker] de toedracht iets anders omschreven dan in de eerdere correspondentie en met die gewijzigde omschrijving is de Gemeente het niet eens.

5.9.

[verzoeker] omschrijft in nr. 9 van het verzoekschrift de toedracht van zijn val als volgt:

“Tijdens het passeren van de betonplaat over genoemde klinkerstrook maakte verzoeker een kleine stuurbeweging naar links, waardoor zijn voorwiel boven op het gladde stalen frame van de betonplaat terechtkwam. Tegelijkertijd kwam zijn achterwiel in contact met de richel naast de betonplaat. Als gevolg hiervan voelde verzoeker tegelijkertijd een gebrek aan grip op zijn voorwiel alsmede dat zijn achterwiel in/achter de richel bleef haken. Verzoeker verloor vervolgens de controle over zijn fiets en kwam hard ten val.”

5.10.

Waar [verzoeker] in zijn verzoekschrift spreekt over een ‘richel’, doelt hij niet alleen op de boven het wegdek uitstekende metalen rand van de betonplaat maar ook op een ruimte of voegwijdte met een breedte van 3 centimeter die volgens hem over de lengte van de betonplaat aanwezig was tussen die metalen rand en de klinkerstrook (zie nrs. 6, 8 en 18 van het verzoekschrift, en de daarin genoemde producties met foto’s van de “richel”). [verzoeker] stelt dat die – volgens hem te brede – voegwijdte ook een rol heeft gespeeld bij zijn val. Ter zitting heeft hij toegelicht dat de voeg een zekere diepte heeft, waardoor als het ware een geul ontstaat waarin fietsbanden kunnen vastlopen of klem kunnen komen te zitten.

5.11.

De Gemeente betwist niet dat [verzoeker] is gevallen doordat hij met zijn fiets in contact kwam met de metalen rand van de betonplaat. De Gemeente betwist wel dat een ruimte of voegwijdte tussen de metalen rand van de betonplaat en de klinkerstrook een rol heeft gespeeld bij de valpartij, nu er geen sprake is van een ‘geul’ en [verzoeker] hierover ook nooit iets naar voren heeft gebracht in de correspondentie voorafgaand aan het verzoekschrift.

5.12.

De rechtbank is met de Gemeente van oordeel dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de val van [verzoeker] mede is veroorzaakt door een ruimte of voegwijdte (hierna ook wel aangeduid als een geul) tussen de metalen rand van de betonplaat en de klinkerstrook, zoals [verzoeker] in zijn verzoekschrift stelt. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

5.12.1.

[verzoeker] heeft, voordat hij zijn verzoekschrift indiende, meermaals schriftelijk verklaard over de wijze waarop hij is gevallen, en daarbij zeer uitvoerige beschrijvingen gegeven van de naar zijn mening gevaarlijke elementen op de weg die volgens hem bij het ongeval een rol speelden. Die verklaringen waren (1) de toedrachtsomschrijving van 18 april 2023 die de basis vormde voor de aansprakelijkstelling van 26 mei 2023, (2) de brief van 12 januari 2024 met een 23 pagina’s tellende reactie van [verzoeker] op de afwijzing van aansprakelijkheid door Melior, en (3) de beantwoording door [verzoeker] van een aantal vragen van DAS van 30 april 2024. [verzoeker] heeft in deze verklaringen telkens uitsluitend de boven de klinkerstrook uitstekende metalen rand van de betonplaat genoemd als oorzaak van zijn val. Hij heeft verklaard dat hij wat naar links stuurde, dat zijn voorwiel óp de gladde metalen rand van de betonplaat terechtkwam en dat vervolgens zijn achterwiel in aanraking kwam met die opstaande rand (op 18 april 2023 schreef hij dat hierdoor de achterzijde van zijn fiets naar rechts zwiepte, op 30 april 2024 schreef hij dat hij met zijn achterwiel bleef haken achter de metalen rand, die hoger lag dan het wegdek). De bijgevoegde foto’s zagen ook op die boven het wegdek uitstekende metalen rand.

5.12.2.

In geen van de hiervoor bedoelde verklaringen heeft [verzoeker] melding gemaakt van een brede voeg of geul tussen de metalen rand van de betonplaat en de klinkerstrook, die een rol zou hebben gespeeld bij het ongeval. Hij heeft daar eerder ook geen foto’s van bij zijn verklaringen gevoegd. Pas in het verzoekschrift heeft [verzoeker] voor het eerst aandacht besteed aan de in zijn ogen gevaarzettende voeg van 3 centimeter breed, waarin volgens hem fietsbanden kunnen vastlopen of waar zij achter kunnen blijven haken. Bij de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat [B] – de wielrenner die op 20 juli 2023 op dezelfde plek ten val kwam – met zijn voorband in diezelfde voeg reed en daardoor over de kop sloeg. Ook heeft [verzoeker] bij de mondelinge behandeling voor het eerst verklaard dat hij zelf reed op een wielrenfiets met banden van 25 millimeter breed en dat hij met zijn achterwiel in die voeg is gekomen. Tegelijk heeft [verzoeker] daarbij ook verklaard dat hij niet goed kon zien wat er achter hem gebeurde met zijn achterwiel.

5.12.3.

Op de vraag van de rechtbank waarom hij in zijn eerdere uitvoerige verklaringen geen melding heeft gemaakt van die voeg of geul, heeft [verzoeker] ter zitting verklaard dat hij in zijn eerdere verklaringen bij het gebruik van het woord ‘richel’ ook al doelde op die voeg. Gelet op de inhoud van die eerdere verklaringen, acht de rechtbank dat niet aannemelijk. Het woord ‘richel’ wordt doorgaans gebruikt voor een uitsteeksel of verhoging, en uit de eerdere verklaringen van [verzoeker] blijkt onmiskenbaar dat hij daarmee (uitsluitend) doelde op de boven het wegdek uitstekende metalen rand van de betonplaat.

5.12.4.

Het late moment waarop [verzoeker] is gekomen met zijn stelling over de gevaarlijke geul die een rol zou hebben gespeeld bij zijn ongeval, maakt naar het oordeel van de rechtbank die stelling weinig aannemelijk.

5.12.5.

Uit de getuigenverklaringen van de buurtbewoner, waar [verzoeker] een beroep op doet, blijkt ook niet dat de voeg een rol heeft gespeeld bij de val van [verzoeker] . Deze buurtbewoner heeft de uitstekende metalen rand van de betonplaat genoemd als oorzaak van de val van [verzoeker] , en ook van andere valpartijen. Hij heeft over een voeg of geul tussen de metalen rand en de klinkerstrook niets verklaard.

5.12.6.

Tot slot staat niet vast dat een gevaarlijke voeg of geul aanwezig was. Op de door [verzoeker] overgelegde foto’s (de foto onderaan op pagina 6 van het verzoekschrift en de vier foto’s van productie 8) is te zien dat (een deel van) de klinkers niet helemaal aansluiten op de metalen rand, maar de ruimte daartussen lijkt te zijn opgevuld tot bijna de hoogte van de klinkers. Dat er sprake is van een voeg met een zekere diepte waardoor als het ware een geul ontstaat waarin fietsbanden kunnen vastlopen of klem kunnen komen te zitten, zoals [verzoeker] stelt, is op de foto’s niet te zien.

5.13.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande te weinig aanknopingspunten om te kunnen aannemen dat de voeg een rol heeft gespeelt bij de val van [verzoeker] , en neemt tot uitgangspunt dat [verzoeker] is gevallen omdat hij in onbalans is geraakt nadat hij met zijn voorwiel op de metalen rand van de betonplaat terecht is gekomen en met zijn achterwiel ook in aanraking is gekomen die metalen rand, die hoger was gelegen dan de ernaast gelegen klinkerstrook.

5.14.

De vraag is nu of de aanwezigheid van die boven het wegdek uitstekende metalen rand van de betonplaat zodanig gevaarzettend was dat dit leidt tot aansprakelijkheid van de Gemeente (en Melior).

Hoogteverschil tussen de metalen rand en het wegdek

5.15.

Partijen zijn het er onder meer niet over eens hoever de metalen rand van de betonplaat uitstak boven de ernaast gelegen klinkers.

5.16.

[verzoeker] stelde aanvankelijk in zijn toedrachtsomschrijving, op basis van vier foto’s die hij had bijgevoegd van eigen metingen, dat het hoogteverschil 2,0 tot 2,5 centimeter was. In zijn verzoekschrift stelt [verzoeker] dat het hoogteverschil 2,0 tot meer dan 3,0 centimeter was, en hij verwijst daarvoor naar drie foto’s van eigen metingen (overgelegd als productie 3.2 bij verzoekschrift), waaronder één nieuwe foto, die niet bij de toedrachtsomschrijving was opgenomen.

5.17.

De Gemeente betwist het door [verzoeker] gestelde hoogteverschil. In haar verweerschrift stelt zij dat zij (althans Melior) weliswaar eerder het door [verzoeker] gestelde hoogteverschil van 2,0 tot 2,5 centimeter heeft erkend, maar dat zij nadien heeft moeten vaststellen dat het hoogteverschil hooguit 1,0 tot 1,5 centimeter was, in ieder geval minder dan 2 centimeter. De Gemeente beroept zich daarbij op twee foto’s van door haar verrichte metingen (overgelegd als productie 3 bij verweerschrift). Bij de mondelinge behandeling heeft de Gemeente toegelicht dat de foto’s van [verzoeker] geen bewijs bieden omdat die foto’s niet (allemaal) aan de rechterzijde van de betonplaat zijn gemaakt, waar [verzoeker] is gevallen, en omdat de foto’s vanwege het gekozen perspectief geen zekerheid bieden over de precieze hoogte van de rand.

5.18.

De rechtbank constateert dat op basis van de door [verzoeker] overgelegde foto’s een hoogteverschil van 3,0 centimeter (of zelfs meer) tussen de metalen rand en de ernaast gelegen klinkers niet is vast te stellen. Door het gekozen perspectief en omdat de gefotografeerde rolmaat niet telkens direct tegen de metalen rand is geplaatst, geven de foto’s een vertekend beeld. Op de tweede foto van productie 3.2 van het verzoekschrift is het laagste perspectief gekozen en daarop is op de geplaatste rolmaat een hoogteverschil van nog geen 2,0 centimeter te zien. Op de foto’s van de Gemeente – die vanuit een ander perspectief heeft gemeten met gebruikmaking van een rolmaat én waterpas – is een hoogteverschil van 1,0 tot 1,5 centimeter te zien, waarbij opmerking verdient dat die hoogte is gemeten vanaf de bovenkant van de klinkers, en niet vanaf de (opgevulde) ruimte direct naast de metalen rand, die vermoedelijk enkele millimeters lager ligt dan de klinkers. De foto’s geven aldus geen eenduidig beeld van het hoogteverschil, en tonen ook niet aan dat dit hoogteverschil aanwezig was over de hele lengte van de metalen rand van 3.60 meter. Bovendien staat niet vast dat de foto’s zijn genomen op de plaats waar [verzoeker] is gevallen, aan de rechterzijde van de betonplaat. Zoals de Gemeente op de zitting heeft toegelicht, lijkt het erop dat sommige foto’s – in elk geval de derde foto van productie 3.2 – zijn gemaakt vanaf de linkerzijde van de weg en het hoogteverschil tonen aan de linkerzijde van de betonplaat. Die linkerzijde is niet de plaats waar [verzoeker] ten val is gekomen.

5.19.

Al met al staat niet vast wat het hoogteverschil was met de metalen rand aan de rechterzijde van het betonplaat, waar [verzoeker] is gevallen. Mogelijk is er een hoogteverschil tot maximaal 2,5 centimeter geweest, maar zeker is dat niet. Een verkeersveiligheidsdeskundige kan wellicht beoordelen hoe het hoogteverschil in dit geval moet worden gemeten en wat uit de foto’s daarover kan worden afgeleid. [verzoeker] heeft bewijs middels een deskundige aangeboden.

Gevaarzetting door een hoogteverschil van 2,5 centimeter?

5.20.

Partijen twisten over de vraag of een hoogteverschil van 2,5 centimeter tussen de metalen rand en het wegdek, voor zover daarvan sprake is, de weg gebrekkig maakte.

5.21.

[verzoeker] meent van wel, omdat een dergelijk hoogteverschil een overschrijding betekent van de norm van 15 millimeter uit de Standaard RAW Bepalingen 2020 van het CROW voor betonverhardingen zonder oppervlaktebeperking, zodat sprake is van een ‘ernstige oneffenheid’. Volgens [verzoeker] valt de betonplaat vanwege haar omvang van meer dan 5 vierkante meter niet onder het door de Gemeente gehanteerde kader van CROW publicatie 146b, pagina 26.

5.22.

De Gemeente stelt, met verwijzing naar deel II van het Handboek aansprakelijkheid beheer openbare ruimte, dat [straat 1] een licht belaste weg is (wegtype 4), waarbij – zowel bij asfalt als bij klinkers – sprake mag zijn van 20 oneffenheden van 15-30 millimeter per 100 meter weglengte, voordat sprake is van een afwijking van de norm. In reactie op wat [verzoeker] daarover stelt, voert de Gemeente aan dat [verzoeker] een denkfout maakt, aangezien niet de gehele betonplaat oneffen is en er dus geen sprake is van een oneffenheid met een oppervlakte van meer van 5 vierkante meter. De gemeente stelt verder dat de normen in de CROW richtlijnen aangeven wanneer onderhoud geïndiceerd is, wat niet wil zeggen dat bij een overschrijding van deze normen hoe dan ook sprake is van een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW. De Gemeente stelt dat elke twee jaar een inspectie plaatsvindt van [straat 1] en dat de laatste inspectie voor het ongeval van [verzoeker] plaatsvond in juli 2021. Toen zijn geen normoverschrijdingen vastgesteld bij de ongevalslocatie.

5.23.

De rechtbank is met de Gemeente van oordeel dat een overschrijding van een norm uit de CROW richtlijnen niet zonder meer betekent dat sprake is van een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW. Die richtlijnen zijn niet wettelijk verankerd en bevatten geen (strikte) veiligheidsvoorschriften, maar zien op de technische staat van de weg en het onderhoud daarvan. Dat neemt niet weg dat, gelet op het karakter van die richtlijnen, daarin wel objectieve aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het antwoord op de vraag of een weg voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Een overschrijding van een CROW norm is een gezichtspunt dat daarbij kan worden betrokken. Overigens kan ook in situaties waarin geen sprake is van een normoverschrijding onder bepaalde omstandigheden sprake zijn van gevaarzetting.

5.24.

Of ten tijde van het ongeval met het hoogteverschil tussen de betonplaat en het wegdek een norm uit een CROW richtlijn werd overschreden, zoals [verzoeker] stelt, kan de rechtbank niet vaststellen. Dat bij de inspectie in juli 2021 geen overschrijding van de CROW richtlijnen is vastgesteld, zoals de Gemeente stelt, sluit niet uit dat daarvan ten tijde van het ongeval, bijna twee jaar later, wel sprake was. Het is immers mogelijk dat de klinkers in de loop van de tijd lager zijn komen te liggen, waardoor het hoogteverschil met de metalen rand van de betonplaat is toegenomen tot 2,5 centimeter. Maar dat met een hoogteverschil van 2,5 centimeter in dit specifieke geval, van een (3.60 meter lange) metalen rand naast een lager gelegen klinkerstrook, sprake was van een normoverschrijding, is door de Gemeente gemotiveerd betwist. Partijen zijn het niet eens over de vraag welke CROW richtlijn hier van toepassing is en de rechtbank kan dat op basis van hun uiteenlopende stellingen ook niet vaststellen. Daarover zou eventueel een onafhankelijke deskundige moeten worden bevraagd.

5.25.

Los van de vraag of sprake was van een overschrijding van de CROW richtlijnen, overweegt de rechtbank dat zij over de mate van gevaarzetting van een hoogteverschil van 2,5 centimeter in een situatie zoals die zich hier voordeed, geen oordeel kan geven. Partijen hebben daar geen onderbouwd standpunt over ingenomen, bijvoorbeeld door overlegging van een analyse van een deskundige.

Gevaarzetting door gladheid van de metalen rand ?

5.26.

[verzoeker] stelt dat ook de gladheid van de metalen rand een rol heeft gespeeld bij zijn val, en dat met de aanwezigheid van die gladde rand, zonder anti-slipprofiel, niet is voldaan aan het veiligheidsvereiste van “een stroef wegdek” genoemd in de SWOV-publicatie “Duurzaam Veilig Wegverkeer DV3 (2018-2030), overgelegd als productie 23 bij verzoekschrift.

5.27.

De Gemeente voert ter verweer aan dat de betonplaat inclusief metalen rand in bezit is van het Waterschap Aa en Maas (het betreft een inspectieput), en dat de Gemeente als beheerder van de openbare weg verantwoordelijk is voor een goede aansluiting tussen de weg en de inspectieput, maar niet voor eventuele gebreken aan de inspectieput zelf.

5.28.

De rechtbank laat de vraag of de Gemeente, die geen bezitter stelt te zijn van de inspectieput, kan worden aangesproken voor gevaarlijke gladheid van de metalen rand, hier onbeantwoord. De verwijzing van [verzoeker] naar de SWOV-publicatie kan niet dienen als onderbouwing voor een gebrek aan de weg vanwege de aanwezigheid van de metalen rand waarop geen anti-slipprofiel was aangebracht. Bedoelde publicatie is een visiestuk, dat geen richtlijnen of normen bevat. Een andere toelichting of onderbouwing van de gladheid van de rand, en van de mate van gevaarzetting daarvan, heeft [verzoeker] niet gegeven. [verzoeker] heeft bewijs middels een deskundige aangeboden.

Gevaarzetting door te smalle klinkerstrook ?

5.29.

[verzoeker] stelt dat de klinkerstrook naast de betonplaat maar 60 centimeter breed is, waarvan slechts 50 centimeter effectief veilig berijdbaar is voor fietsers, door de schuine kanteling van het buitenste deel van de strook. Fietsers moeten over deze beperkte ruimte van 50 centimeter over een lengte van 3.60 meter navigeren, waardoor er nauwelijks ruimte is voor een zijwaartse stuurbeweging, terwijl dit wel nodig is voor het oversteken van, of afslaan op, de kort hierna volgende kruising, zo stelt [verzoeker] .

5.30.

De Gemeente voert aan dat fietsers veilig over de klinkerstrook van 60 centimeter kunnen fietsen, en dat er naast de weg nog een strook met grasbetontegels is waardoor er een veilige uitwijkmogelijkheid in de berm is. Volgens de Gemeente kunnen fietsers ook gewoon óver de betonplaat rijden, wat [verzoeker] had kunnen doen gelet op zijn verklaring dat er geen ander verkeer aanwezig was.

5.31.

De rechtbank kan op basis van wat partijen hebben gesteld niet vaststellen of de klinkerstrook van 60 centimeter in dit geval voldoende is voor fietsers om veilig over te rijden. In dit verband overweegt de rechtbank dat in februari 2023 (enkele weken voor het ongeval van [verzoeker] ) de grasbetontegels naast [straat 1] zijn aangebracht. Uit de door [verzoeker] als productie 15.1 overgelegde correspondentie tussen Melior en de Gemeente blijkt dat nadat ook [B] op 20 juli 2023 bij de betonplaat ten val was gekomen, binnen de gemeente de vraag is opgekomen of het zo zou kunnen zijn dat sinds de grasbetontegels er liggen, fietsers meer geneigd zijn de rechterkant van de weg te nemen en de betonplaat dus anders benaderen/passeren dan voorheen. Bedoeld zal zijn dat fietsers eerder voornamelijk óver de betonplaat reden. Of [verzoeker] die mogelijkheid ook had, of dat hij dat niet kon doen omdat hij niet kon zien of er eventueel verkeer hem tegemoet kwam, staat niet vast. Ook kan de rechtbank op basis van de stellingen van partijen niet vaststellen of het zo is dat het aanbrengen van de grasbetontegels heeft geleid tot een hogere mate van gevaarzetting voor fietsers, die de betonplaat vaker rechts zouden passeren, maar waarvoor het rijden over de grasbetontegels geen veilige uitweg zou bieden. Een deskundige zou daarover mogelijk helderheid kunnen bieden.

Gevaarzetting door slechte zichtbaarheid van de betonplaat ?

5.32.

[verzoeker] stelt dat de betonplaat slecht zichtbaar is door de ligging bijna boven aan de dijk en door zijn grijze kleur. Bovendien is volgens [verzoeker] de aandacht van fietsers bij het naderen van het kruispunt gericht op eventueel ander verkeer. [verzoeker] stelt dat hij van een afstand kon zien dat er geen verkeer van links of rechts naderde over de dijk, maar dat hij bij het naderen van de kruising goed moest opletten of er geen verkeer hem tegemoet kwam van achter de dijk, over de [straat 3] .

5.33.

De Gemeente betwist dat de betonplaat met zijn in kleur afwijkende metalen randen niet goed zichtbaar zou zijn en wijst daarbij op de overgelegde foto’s.

5.34.

De rechtbank overweegt als volgt. Mogelijk is het zo dat door het omhoog lopen van de weg de betonplaat niet al van grote afstand zichtbaar is, maar op de foto’s die partijen hebben overgelegd lijkt het zo te zijn dat bij het naderen van de kruising deze plaat met de metalen rand eromheen voldoende zichtbaar is. Dat [verzoeker] rekening moest houden met de mogelijkheid van tegemoetkomend verkeer, maakt niet dat van hem niet kon worden verwacht dat hij ook lette op de weg waarop hij reed. Hij reed op een smalle weg in het buitengebied, die wordt gebruikt door zware landbouwvoertuigen. Hij moest rekening houden met eventuele onvolkomenheden in het wegdek waar hij met zijn wielrenfiets met smalle banden hinder of gevaar van zou kunnen ondervinden. Bij het naderen van de kruising heeft hij kunnen en moeten zien dat de asfaltbedekking daar overging in een klinkerbestrating, met daarin de betonplaat. [verzoeker] heeft bovendien niet gesteld dat hij de betonplaat niet heeft gezien. Dat [verzoeker] op het wegdek lette blijkt uit de opmerking in de spreekaantekeningen van zijn advocaat, dat [verzoeker] bij het rijden richting het kruispunt probeerde vooral niet op de grasbetonblokken terecht te komen. Mogelijk is de verhoogde ligging van de metalen rand voor hem niet goed zichtbaar geweest, maar dat heeft [verzoeker] niet gesteld of onderbouwd. Het beroep van [verzoeker] op de slechte zichtbaarheid van de betonplaat met de metalen rand, slaagt daarom niet.

Gevaarzetting blijkend uit meerdere ongevallen ?

5.35.

[verzoeker] stelt dat op de plaats waar hij is gevallen zich nog minstens vier andere soortgelijke ongevallen hebben voorgedaan. Niet alleen is [B] enkele maanden na hem daar gevallen. Volgens [verzoeker] blijkt uit de verklaringen van de buurtbewoner dat in de twee jaar daarvoor ook drie of vier andere fietsers op dezelfde plaats en wijze zijn gevallen.

5.36.

De Gemeente voert hiertegen aan dat haar slechts één ander fietsongeval bekend is waarbij de betonplaat mogelijk een rol heeft gespeeld, te weten het ongeval van [B] op 23 juli 2023. De Gemeente stelt dat in haar ongevallenregistratiesysteem in de periode vanaf 1 januari 2020 op de kruising waar [verzoeker] ten val kwam drie ongevallen zijn geregistreerd, waarbij in geen enkel geval de betonplaat of de weginrichting een rol speelde. Een afschrift van die registratie heeft de Gemeente overgelegd als productie 6 bij verweerschrift.

5.37.

De rechtbank kan niet vaststellen hoeveel fietsongevallen zich hebben voorgedaan en of de metalen rand van de betonplaat daarbij een rol heeft gespeeld. De buurtbewoner heeft in mei 2023 weliswaar verklaard dat in de twee jaar daarvoor 3 tot 4 fietsers op dit specifieke punt onderuit zijn gegaan, door dezelfde oorzaak als [verzoeker] , maar deze ongevallen komen niet voor in de ongevallenregistratie van de Gemeente. Dit wijst erop dat het in elk geval niet is gegaan om ongevallen met (ernstig) letsel. [B] heeft verklaard dat hij enkele maanden na [verzoeker] is gevallen doordat zijn voorwiel blokkeerde omdat deze bleef steken in een voeg/groef tussen de betonplaat en de klinkers, wat een andere oorzaak is dan van het ongeval van [verzoeker] . De juistheid van de (eenzijdig ingebrachte) verklaringen van de buurtbewoner en [B] kan de rechtbank niet verifiëren. De rechtbank wil daarmee niet zeggen dat zij niet de waarheid spreken, maar de rechtbank kan op basis van hun verklaringen niet met zekerheid vaststellen dat er meerdere fietsongevallen hebben plaatsgevonden waarbij de metalen rand van de betonplaat een rol heeft gespeeld, wat zou wijzen op een hoge mate van gevaarzetting. Een getuigenverhoor zou daarover mogelijk meer duidelijkheid kunnen bieden.

Te verwachten gebruik en bestemming

5.38.

[straat 1] is een betrekkelijk smalle weg in het buitengebied, met een toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. De weg wordt intensief bereden in die zin dat hij wordt gebruikt door vrachtwagens en zware landbouwvoertuigen, wat volgens de Gemeente de reden was om de berm te verstevigen met grasbetontegels. Dat de weg intensief wordt gebruikt in die zin dat er veel verkeer rijdt, en dat sprake is van een gevaarlijke verkeerssituatie die zou moeten leiden tot een lagere maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, zoals [verzoeker] stelt, kan de rechtbank niet vaststellen. [verzoeker] heeft die stelling niet onderbouwd en de Gemeente betwist het. Wel staat onbetwist vast dat de weg (ook) wordt gebruikt door fietsers en wielrenners.

5.39.

De Gemeente moet als wegbeheerder dus rekening houden met de aanwezigheid van wielrenners zoals [verzoeker] , die met smalle banden en met een wat hogere snelheid dan toerfietsers, over de weg rijden. Anderzijds mag van een wielrenner als [verzoeker] worden verwacht dat hij er rekening mee houdt dat het wegdek van een dergelijke smalle weg in het buitengebied, waar ook zware landbouwvoertuigen rijden, niet altijd in optimale staat verkeert en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer men daar met smalle banden en met 28 tot 30 (zelfs tot 33) kilometer per uur overheen rijdt. Bovendien naderde [verzoeker] naar eigen zeggen een gevaarlijke kruising, waar hij geen goed zicht had op het eventuele tegemoetkomend verkeer, zodat van [verzoeker] mocht worden verwacht dat hij zijn snelheid (verder) zou matigen.

Onderhoud en veiligheidsmaatregelen

5.40.

[verzoeker] stelt dat de Gemeente op de hoogte moet zijn geweest van de gevaarlijke situatie op [straat 1] . De Gemeente zal meldingen of klachten hebben ontvangen. Bovendien moet bij het aanbrengen van de grasbetontegels in februari 2023 bij inspectie zijn opgemerkt dat de betonplaat zover uitstak. Volgens [verzoeker] was dit uitsteken van de betonplaat te zien op een foto die hij op internet zag van de werkzaamheden met de grasbetontegels.

5.41.

De Gemeente voert ter verweer aan dat zij voorafgaand aan het ongeval van [verzoeker] geen meldingen of klachten heeft ontvangen over de betonplaat. De laatste inspectie van [straat 1] vond volgens de Gemeente plaats in juli 2021 en daarbij werden geen afwijkingen geconstateerd rond de locatie waar [verzoeker] later ten val is gekomen. Er was op dat moment dus geen aanleiding voor onderhoud of aanpassing van de situatie bij de betonplaat. Na het ongeval van [B] heeft de Gemeente in november 2023 de klinkers naast de betonplaat verhoogd en een algemeen waarschuwingsbord voor de kruising geplaatst. Dit maakt volgens de Gemeente nog niet dat zij aansprakelijk is voor het ongeval van [verzoeker] .

5.42.

De rechtbank overweegt dat niet vaststaat dat er voor het ongeval van [verzoeker] meldingen of klachten over de betonplaat bij de Gemeente zijn binnengekomen. Het staat vast dat er in februari 2023 werkzaamheden op die plek hebben plaatsgevonden, waarbij grasbetontegels zijn aangebracht, maar daarmee staat nog niet vast dat er omstreeks die tijd ook een inspectie van de weg inclusief de betonplaat heeft plaatsgevonden. Volgens de Gemeente vond die voor het laatst plaats in juli 2021. Dat de Gemeente op de hoogte was van het uitsteken van de betonplaat, en eerder maatregelen had kunnen en moeten nemen, staat dan ook niet vast.

5.43.

De maatregelen die de Gemeente uiteindelijk, na het ongeval van [B] , heeft genomen, waren relatief eenvoudig en goedkoop. Dit betekent echter nog niet dat de Gemeente aansprakelijk is omdat zij deze maatregelen niet eerder heeft genomen. Niet staat vast dat de situatie daartoe eerder aanleiding gaf.

Het samenstel van omstandigheden: bewijslevering is nodig

5.44.

[verzoeker] stelt dat de verschillende gebreken (hoogteverschil, voegwijdte, glad frame, beperkte ruimte, slechte zichtbaarheid) en het ontbreken van veiligheidsmaatregelen (waarschuwingsbord) ieder voor zich, maar zeker als gecombineerde opeenstapeling van factoren, de weg naar objectieve maatstaven gebrekkig maakte. De voorkoming van gevaar voor personen en zaken was volgens [verzoeker] geenszins geborgd.

5.45.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de door [verzoeker] naar voren gebrachte factoren nog te veel onzeker is om de mate van gevaarzetting van ieder van die factoren of van de gezamenlijke factoren te kunnen vaststellen. Zo staat niet vast hoe groot het hoogteverschil was tussen de metalen rand van de betonplaat en het wegdek en in hoeverre dit hoogteverschil een gevaar opleverde (in dat verband staat ook niet vast of het hoogteverschil een overschrijding van een CROW norm opleverde en zo ja, van welke norm). Niet staat vast in hoeverre de metalen rand glad is en daarom een gevaar oplevert, en ook staat niet vast of de klinkerstrook van 60 centimeter mogelijk een gevaar oplevert. Of er meerdere soortgelijke ongevallen als die van [verzoeker] en [B] hebben plaatsgevonden, staat ook niet vast.

5.46.

Alles overziend is in dit deelgeschil dan ook onvoldoende komen vast te staan over de mate van gevaarzetting, om tot de conclusie te kunnen komen dat de weg gebrekkig was en dat de Gemeente als wegbeheerder aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van [verzoeker] . Ten aanzien van bovengenoemde aspecten zal bewijslevering moeten plaatsvinden en [verzoeker] heeft dat bewijs ook aangeboden. De rechtbank ziet daarvoor echter geen ruimte in deze deelgeschilprocedure gelet op de tijd en moeite die daarmee zijn gemoeid, wat niet past bij de aard en opzet van de deelgeschilprocedure, en zal het verzoek van [verzoeker] om aansprakelijkheid vast te stellen dan ook afwijzen.

Kosten deelgeschil

5.47.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen, zoals in dit geval. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

5.48.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

5.49.

[verzoeker] maakt aanspraak op € 14.516,00 inclusief 21% btw en inclusief griffierecht.

Voor de berekening van de kosten van de advocaat is gerekend met een uurtarief van € 300,- exclusief 21% btw. De tijdsbesteding tot het moment van indienen van het verzoekschrift beloopt volgens zijn advocaat 29,4 uur. De salariskosten over deze uren bedragen € 8.820,- x 1,21 = € 10.672,- (en niet € 6.000,- x 1,21 = € 10.572,20 zoals in nr.119 van het verzoekschrift staat vermeld). Voor de tijdsbesteding voor de werkzaamheden daarna (bestudering van het verweerschrift, voorbereiding van de zitting en bijwonen van de zitting) rekent zijn advocaat 10 uur tijdsbesteding à € 3.630,- inclusief btw. Voor het betaalde griffierecht is gerekend met een tarief van € 314,- maar feitelijk is € 331,- aan griffierecht geheven.

5.50.

De Gemeente en Melior voeren ter verweer aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is. Een tijdsbesteding van ruim 17 uur voor het opstellen van het verzoekschrift vinden zij bovenmatig voor een gespecialiseerde advocaat als mr. Munten. Het verzoekschrift komt ook grotendeels overeen met wat eerder al op schrift was gesteld door [verzoeker] . Ook de tijdsbesteding van 10 uur voor de werkzaamheden daarna, vinden zij zeer fors. Verder zijn zij van mening dat voor een relatief eenvoudig geschil als het onderhavige een specialistentarief in de hoogste categorie, waar mr. Munten mee rekent, niet passendis. Zij achten een uurtarief van maximaal € 270,- passend.

5.51.

De rechtbank is met de Gemeente en Melior van oordeel dat de kosten zoals die door de advocaat zijn gepresenteerd, moeten worden gematigd. Dat rechtsbijstand is ingeschakeld is zonder meer redelijk, maar een uurtarief van € 300,- exclusief btw en een tijdsbesteding van nagenoeg 40 uur voldoen niet aan de redelijkheidstoets.

5.52.

Een uurtarief van € 300,- exclusief btw (€ 363,- inclusief btw) is een bijzonder hoog tarief dat niet zonder meer aan een particulier in rekening wordt gebracht ( [verzoeker] heeft ter zitting ook verklaard nog geen factuur te hebben betaald). Dat geldt ook voor een tarief van € 270,- exclusief btw (€ 326,70 inclusief btw), maar nu de gemeente dat tarief wil aanvaarden ziet de rechtbank geen reden daarvan af te wijken.

5.53.

De rechtbank zal het aantal uren waarvoor een vergoeding wordt gevorderd terugbrengen tot 25. Het geschil is niet bijzonder complex en in het verzoek is veel herhaling te vinden van hetgeen tevoren in de correspondentie al op schrift was gesteld. Van een gespecialiseerde advocaat mag bovendien verwacht worden efficient te werken. Het valt de rechtbank op dat in de uitgebreide pleitaantekeningen nagenoeg niets nieuws naar voren is gekomen, wat niet al eerder in het verzoek naar voren was gebracht, terwijl verschillende stellingen van de gemeente in het verweerschrift onbesproken zijn gelaten.

5.54.

Alles overziend acht de rechtbank 25 uur tegen een tarief van € 270,- exclusief btw (meer dan) redelijk. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat het deelgeschil is bedoeld om als hulpmiddel in het buitengerechtelijk traject te fungeren en dat de speciale kostenbepaling is bedoeld interventie van de rechter in onderhandelingen mogelijk te maken zonder financieel bezwaar voor het slachtoffer. Inzet en effectiviteit van het deelgeschil als instrument in de buitengerechtelijke onderhandelingen zou verloren kunnen gaan als de speciale kostenbepaling wordt aangegrepen om steeds hogere tarieven en hogere urenaantallen te presenteren, wat gelet op de jurisprudentie aan de orde lijkt te zijn.

5.55.

De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 25 uren x € 326,70 inclusief btw, dus op € 8.167,50, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,-.

5.56.

Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Gemeente en Melior niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door Gemeente en Melior te worden betaald, als hun aansprakelijkheid op een later moment alsnog komt vast te staan. Rechtbank Oost-Brabant 22 januari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:477