GHAMS 240226 uitvaartondernemer vraagt zoon op verzoek van diens zus uitvaart moeder te verlaten; zus hoeft ook in HB geen immateriële schade te vergoeden
- Meer over dit onderwerp:
GHAMS 240226 uitvaartondernemer vraagt zoon op verzoek van diens zus uitvaart moeder te verlaten; zus hoeft ook in HB geen immateriële schade te vergoeden
in vervolg op: RBNHO 090125 uitvaartondernemer vraagt zoon op verzoek van diens zus uitvaart moeder te verlaten; zus hoeft geen immateriële schade te vergoeden
6Beoordeling
Principaal hoger beroep
6.1.
[appellant] heeft in principaal hoger beroep zeven grieven gericht tegen het bestreden vonnis, genummerd 1 tot en met 6 en 8.
6.2.
[appellant] legt, in de kern, het volgende aan zijn grieven ten grondslag. [appellant] heeft ernstige immateriële schade geleden doordat hij de kerk vóór afloop van de afscheidsdienst heeft moeten verlaten op verzoek van de uitvaartverzorger, welk verzoek is gedaan namens [geïntimeerde] . Dit verzoek was in strijd met artikel 6:162 BW en met artikel 8 EVRM, dat recht geeft op het uitoefenen van ‘family life’, en daarom onrechtmatig jegens hem. [appellant] is door de publiekelijke weigering ernstig geschaad, psychisch getekend en blijvend geraakt in zijn rouwproces. Ter onderbouwing van zijn emotionele schade wijst [appellant] er (onder meer) op dat hij een hernia heeft.
6.3.
Het hof oordeelt als volgt. Het recht om afscheid te nemen van een overleden ouder is een fundamenteel onderdeel van het in artikel 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Dit mensenrecht kan doorwerken in de verhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] via de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Of [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als bedoeld in artikel 6:162 BW, moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dat verband is het volgende van belang.
6.4.
[geïntimeerde] heeft [appellant] op 3 april 2023, na het overlijden van moeder op 31 maart 2023, een bericht gestuurd en gevraagd naar zijn adres, zodat zij hem een rouwkaart kon sturen. [appellant] heeft daarop geantwoord met zijn adres. [appellant] heeft enige dagen later de rouwkaart ontvangen.
6.5.
De verstandhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] was op dat moment ernstig verstoord na het voorval van 11 december 2022, waarvan een politiedossier is opgemaakt. Anders dan [appellant] meent, mocht hij daarom niet erop vertrouwen dat hij zonder meer welkom was bij de afscheidsdienst. De ontvangst van de rouwkaart, waarop hij met zijn naam ‘ [appellant] ’ als eerste van de twee kinderen werd vermeld, of de daarin in algemene bewoordingen gestelde uitnodiging om de afscheidsdienst bij te wonen, maken dat niet anders. Gegeven de verstoorde familieverhoudingen en in het bijzonder het conflict dat tussen de twee kinderen bestond, had [appellant] dat kunnen navragen bij [geïntimeerde] . [appellant] heeft dat niet gedaan en is zonder vooraankondiging in de kerk verschenen. Het hof gaat ervan uit dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een pijnlijk misverstand is ontstaan over het al dan niet welkom zijn van [appellant] bij de afscheidsdienst. Dit maakt het handelen van [geïntimeerde] echter nog niet onrechtmatig, zoals het hof hierna verder zal toelichten.
6.6.
De aanwezigheid van [appellant] op de eerste rij, voorin in de kerk, bracht [geïntimeerde] van haar stuk. De kantonrechter is ervan uitgegaan dat het verzoek aan [appellant] om de afscheidsdienst te verlaten, dat hem via de uitvaartverzorger heeft bereikt, vooral was gedaan vanuit de vrees van [geïntimeerde] dat de onaangekondigde aanwezigheid van [appellant] een waardige afscheidsdienst in de weg zou staan, gezien de verstandhouding tussen partijen. Ook het hof gaat ervan uit dat het verzoek is gedaan ter voorkoming van (verdere) verstoring dan wel escalatie van de familieverhoudingen. Verder is van belang dat er een alternatieve, zinvolle gelegenheid was voor [appellant] om afscheid te nemen van moeder, zoals hierna zal worden toegelicht. Tegen deze achtergrond kan het verzoek de afscheidsdienst te verlaten, waaraan [appellant] vrijwillig heeft voldaan, niet als onrechtmatig jegens hem worden aangemerkt. Bij dit oordeel heeft het hof mede in ogenschouw genomen dat óók [appellant] – naar eigen zeggen – het in niemands belang en ook niet veilig vond als er ruzie tijdens de afscheidsdienst zou ontstaan (zie nr. 29 inleidende dagvaarding).
6.7.
De stelling dat [geïntimeerde] haar rol als uitvaartexecuteur heeft misbruikt door [appellant] het fundamentele recht op afscheid te ontzeggen, mist ook om de volgende redenen doel.
6.8.
De stelling van [appellant] in nr. 21 van de inleidende dagvaarding dat de begrafenis op dezelfde dag plaatsvond als de afscheidsdienst, is niet juist. Ook zijn stelling dat hij door [geïntimeerde] bewust en met opzet bij de afscheidsdienst voor een voldongen feit werd geplaatst, waardoor hij geen persoonlijk afscheid van moeder heeft kunnen nemen (onder meer nr. 32 memorie van grieven), is niet juist. [geïntimeerde] heeft [appellant] een rouwkaart toegestuurd. Uit de rouwkaart bleek dat de afscheidsdienst op 10 april 2023 zou plaatsvinden en de crematie pas de dag daarna. [appellant] had dus in overleg met [geïntimeerde] een moment kunnen afspreken waarop hij voorafgaand aan de crematie persoonlijk afscheid van moeder kon nemen. [geïntimeerde] heeft naar voren gebracht, en [appellant] heeft onvoldoende betwist, dat [geïntimeerde] aan een dergelijk verzoek haar medewerking zou hebben verleend. [appellant] heeft zijn wens om afscheid te nemen van moeder echter niet aan [geïntimeerde] of de uitvaartverzorger kenbaar gemaakt, ook niet nadat hem was verzocht de kerk vóór afloop van de afscheidsdienst te verlaten. De mogelijkheid om persoonlijk afscheid te nemen van moeder is dáárdoor voorbijgegaan, en niet doordat [geïntimeerde] hem die mogelijkheid heeft ontzegd.
6.9.
Van handelen van [geïntimeerde] in strijd met de ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW is ook anderszins geen sprake. Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] niet gehouden is tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] . Bij een bespreking van de grieven van [appellant] die zijn schade betreffen, bestaat bij deze uitkomst geen voldoende belang. Een bespreking van deze grieven kan namelijk niet alsnog tot toewijzing van zijn vorderingen leiden.
Incidenteel hoger beroep
6.10.
[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep één grief gericht tegen het bestreden vonnis. [geïntimeerde] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hierover overweegt het hof als volgt.
6.11. Artikel 237 lid 1 Rv maakt tussen broers en zussen compensatie van proceskosten mogelijk. Deze proceskostencompensatie is in de praktijk van de rechtspraak ook gebruikelijk. Het hof ziet geen reden hiervan in deze zaak af te wijken. De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] een ongegronde althans nodeloze procedure voert omdat [appellant] volgens [geïntimeerde] al veel eerder actie had kunnen ondernemen als hij daadwerkelijk psychisch lijden had ervaren, is daartoe niet voldoende. De stelling dat [appellant] deze procedure enkel is gestart en in hoger beroep heeft vervolgd met het oogmerk [geïntimeerde] dwars te zitten en op kosten te jagen, maakt dat niet anders. Deze stellingen van [geïntimeerde] steunen vooral op een gevoel van [geïntimeerde] , en niet op voldoende concrete feiten of omstandigheden die een proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] zouden kunnen rechtvaardigen. Gerechtshof Amsterdam 24 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:490
