Overslaan en naar de inhoud gaan

PHR 100426 Hartlief; aansprakelijkheid wg-er voor RSI klachten; oordeel over deskundigenrapport, relatie met werkdruk en aangeboren afwijking

PHR 100426 Hartlief; aansprakelijkheid wg-er voor RSI klachten; oordeel over deskundigenrapport, relatie met werkdruk en aangeboren afwijking

in vervolg op:
GHARL 210125  wg-er ook in HB aansprakelijk voor RSI klachten wn-er, oordeel over deskundigenrapport, relatie met werkdruk en aangeboren afwijking

[verweerder] is per 1 juli 2009 in dienst getreden bij EBN. [verweerder] heeft een aangeboren aandoening, waardoor hij beperkingen heeft aan zijn linkerarm/-hand en zijn beide benen. Medio april 2015 heeft [verweerder] aan EBN schriftelijk melding gemaakt van RSI-klachten. Later die maand heeft hij zich daarvoor ziekgemeld. [verweerder] heeft sindsdien geen werkzaamheden meer voor EBN verricht en krijgt een uitkering van het UWV. EBN heeft het dienstverband enkele jaren geleden met toestemming van het UWV opgezegd.

In deze procedure heeft [verweerder] onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat EBN op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor de geleden en te lijden schade in verband met de gezondheidsklachten die zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden. Daartoe heeft hij gesteld dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen bestaande uit blijvende RSI-klachten aan de rechterkant. EBN heeft verweer gevoerd en in dit verband onder andere gewezen op persoonlijke omstandigheden van [verweerder] , waaronder de aangeboren beperking aan zijn linkerarm/-hand.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is [verweerder] in het gelijk gesteld. De kantonrechter en het hof zijn, kort gezegd, tot het oordeel gekomen dat [verweerder] aan RSI-klachten lijdt, dat deze klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden, en dat EBN niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Daarbij hebben de kantonrechter en het hof zich gebaseerd op een door de kantonrechter gelast deskundigenbericht.

In cassatie richt EBN hoofdzakelijk klachten tegen het causaliteitsoordeel van het hof, waarin het hof ook uitvoerig is ingegaan op de bezwaren van EBN tegen het hiervoor bedoelde deskundigenbericht. Dat oordeel zou op verschillende punten niet deugen. Zo zou het hof – vrij weergegeven – de betekenis van de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] in het kader van de causaliteit verkeerd hebben gewaardeerd, de reguliere stel- en bewijsregels hebben miskend door in wezen – en dat dan ten onrechte – de arbeidsrechtelijke omkeringsregel te hebben toegepast, en geen eigen oordeel hebben geveld maar slechts het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht hebben overgenomen.


 

(.... red. LSA LM)

3Werkgeversaansprakelijkheid, multicausale beroepsziekten en RSI-klachten

3.1

In de onderhavige zaak is de vraag of de werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor RSI-klachten van de werknemer. In dat verband is een condicio sine qua non-verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden noodzakelijk. Dat vereiste stelt de werknemer die met dergelijke klachten kampt vaak voor problemen, omdat ook andere oorzaken dan de arbeidsomstandigheden van belang kunnen zijn. Ter inleiding op de bespreking van de klachten in paragraaf 4 maak ik hier nu een aantal opmerkingen over RSI en vervolgens over de toepassing van art. 7:658 BW bij multicausale beroepsziekten, waarvan RSI vaak een voorbeeld wordt genoemd.32 Bij een dergelijke ziekte kan de oorsprong liggen in verschillende factoren, werkgerelateerde en andere, of in een combinatie daarvan en is in een concreet geval vaak niet meteen duidelijk of andere dan werkgerelateerde factoren daadwerkelijk een rol hebben gespeeld en, zo ja, in welke mate.

3.2

RSI is volgens de RSI-vereniging een verzamelnaam voor alle klachten aan armen, nek en schouders. Het draait om klachten door overbelasting van spieren, pezen, gewrichten en soms zenuwen, zonder dat dat komt door een ongeluk of ziekte.33

3.3

RSI is een van de meest voorkomende beroepsziekten. Uit de publicatie Beroepsziekten in cijfers 2024 van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten blijkt dat het hoogste aantal nieuwe gevallen van beroepsziekten per 100.000 werknemers wordt gemeld voor psychische aandoeningen, gevolgd door aandoeningen aan het houding- en bewegingsapparaat.34 En uit het rapport Arbobalans 2024 van TNO blijkt dat 1,3% van de werkzame bevolking last heeft van RSI-klachten.35

3.4

RSI wordt, als gezegd, gezien als een multicausale beroepsziekte. Volgens de Multidisciplinaire richtlijn aspecifieke Klachten Arm, Nek en/of Schouders36 kunnen verschillende factoren een rol spelen bij het ontstaan van de klachten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen fysieke factoren (bijvoorbeeld langdurig en vaak computerwerk doen), psychische en sociale factoren (zoals stress en geringe arbeidssatisfactie) en levensstijlfactoren (bijvoorbeeld te weinig nachtrust). Volgens deze richtlijn kan werk van invloed zijn op het ontstaan of beloop (bijvoorbeeld instandhouding en verergering) van de klachten. Volgens de richtlijn zijn er aanwijzingen dat repeterende arbeid het risico op pijn in de arm, hand en elleboog vergroot en dat een geringe arbeidssatisfactie gepaard gaat met een verhoogd risico op nek-schouderpijn.

3.5

In art. 7:658 BW is de aansprakelijkheid van de werkgever wegens een schending van zijn zorgplicht voor een veilige werkomgeving geregeld. In dit kader geldt een ogenschijnlijk gunstig regime voor de werknemer. In het kader van art. 7:658 lid 2 BW hoeft de werknemer slechts te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij (1) schade heeft geleden (2) tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden.37 Als de werknemer hierin slaagt, is de werkgever voor die schade aansprakelijk, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of, voor het geval dat niet zo is, dat de schade van de werknemer in belangrijke mate het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid. In de zinsnede dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, ligt besloten dat voor werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW is vereist dat causaal verband bestaat tussen de door de werknemer gestelde schade enerzijds en de uitoefening van de werkzaamheden anderzijds.38 Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv is het in beginsel aan de werknemer om het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen.

3.6

Als we ‘inzoomen’ op de werkgeversaansprakelijkheid op basis van art. 7:658 BW bij multicausale beroepsziekten zoals RSI, blijkt dat Uw Raad zich slechts vier keer heeft hoeven uitlaten over de aansprakelijkheid van de werkgever voor RSI-klachten.39 Er is vooralsnog geen rechtspraak van Uw Raad waaruit een algemene lijn kan worden gedestilleerd.

3.7

Wat we wel kunnen zeggen is dat zich in het kader van de toepassing van art. 7:658 BW bij RSI op verschillende punten een vergelijkbare problematiek voordoet als bij psychische aandoeningen zoals overspanning en burn-out. Zo worden beide beroepsziekten in verband gebracht met multicausaliteit. Verder worden zij beide gekenmerkt door overbelasting. Juist in dat verband treedt naar voren dat niet iedere werknemer hetzelfde aankan en dat de ene eerder uitvalt dan de andere. Dat heeft ook consequenties voor de van de werkgever te verlangen zorg. Die wordt in eerste instantie natuurlijk bepaald door algemene uit arboregels voortvloeiende en in het kader van art. 7:658 BW gesanctioneerde verplichtingen.40 Gewezen kan worden op art. 5.10 Arbeidsomstandighedenbesluit, op grond waarvan beeldschermwerk zodanig georganiseerd moet zijn dat dit werk op gezette tijden wordt afgewisseld door andersoortig werk of door een pauze, zodat de met het beeldschermwerk gemoeide belasting wordt verlicht.41

3.8

Het op basis van de arboregels en art. 7:658 BW treffen van algemene maatregelen zal in veel gevallen overbelasting (en daarmee ook eventuele werkgeversaansprakelijkheid) voorkomen, maar soms kan van de werkgever meer worden gevergd, te weten meer op de specifieke werknemer toegespitste maatregelen, die betrekking kunnen hebben op verschillende vlakken: instructies, specifieke voorzorgsmaatregelen (aanpassing van de werkplek, aanpassing van de werktijden, aanpassing van het werk) en toezicht. Ik wijs op art. 3 lid 1 sub c Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan – vrij weergegeven – de werkgever een arbeidsomstandighedenbeleid moet voeren en in dat verband de arbeidsomstandigheden zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd moet aanpassen aan de persoonlijke eigenschappen van werknemers. Verder noem ik art. 5 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan de werkgever een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) moet uitvoeren, waarin hij moet ingaan op de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers, onder wie, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis, personen met een handicap.42

3.9

In het kader van de beantwoording van de vraag of ten aanzien van een specifieke werknemer extra zorg van de werkgever kan worden verlangd is dan wel van belang dat de werkgever weet dat de specifieke situatie van de betrokken werknemer om een meer op maat gesneden zorg vraagt.43 Dat zien we duidelijk terug in de feitenrechtspraak over overspanning en burn-out.44 Daarvoor kan het van belang zijn dat de betrokken werknemer signalen heeft afgegeven (een minder eerbiedige maar in het veld wel gehoorde formulering is dat hij heeft ‘gepiept’).45 Bij gebreke van dergelijke signalen gaat de werkgever in het kader van art. 7:658 BW nog wel eens vrijuit, (mede) omdat hem dan niet kan worden verweten dat hij die specifieke extra zorg niet heeft betracht.46

3.10

Ik zal nu iets meer ‘inzoomen’ op de causaliteitsproblematiek.

3.11

Voor werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW is, als gezegd, vereist dat causaal verband bestaat tussen de door de werknemer gestelde schade enerzijds en de uitoefening van de werkzaamheden anderzijds. Dat ligt besloten in de zinsnede dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv is het in beginsel aan de werknemer om het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen.

3.12

Waar dat bij klassieke arbeidsongevallen in de regel niet problematisch is, ligt dat anders bij beroepsziekten. Voor een werknemer die meent door een beroepsziekte te zijn getroffen en daarom zijn werkgever aanspreekt, is het vaak lastig, in ieder geval veel moeilijker dan bij een arbeidsongeval, om aan te tonen dat zijn schade in causaal verband staat met de uitoefening van zijn werkzaamheden. In dit type zaken gaat het doorgaans om de schadelijke gevolgen van (langdurige) blootstelling aan gevaarlijke stoffen of bijvoorbeeld fysieke of psychische overbelasting.47 Wat het bewijs van causaal verband in deze zaken ingewikkeld maakt, is enerzijds dat ziekten vaak geleidelijk ontstaan (en soms pas na lange tijd aan de oppervlakte komen) en anderzijds dat zij vaak ook een oorzaak kunnen hebben in omstandigheden die buiten de werksfeer liggen zoals activiteiten buiten het betrokken werk (hobby’s, sporten, andere werkzaamheden) of kunnen zijn beïnvloed door het fysieke of psychische gestel van de werknemer of privéproblemen aan zijn kant.48 Uw Raad is de werknemer met de arbeidsrechtelijke omkeringsregel en het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid enigszins tegemoetgekomen in diens moeilijke bewijspositie in gevallen waarin onzekerheid bestaat over het causaal verband. Daaraan besteed ik hierna enige aandacht. Over de betekenis van het fysieke of psychische gestel of privéproblemen heeft Uw Raad zich ook al vaker uitgelaten, meer specifiek in het kader van art. 6:98 BW. Ook daarop kom ik hierna terug.

3.13

Uw Raad heeft wat in de doctrine bekend staat als de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’ in het arrest Unilever/Dikmans49 geïntroduceerd. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel houdt in dat als een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan gevaarlijke arbeidsomstandigheden en schade heeft die daardoor kan zijn veroorzaakt, het causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever zijn zorgplicht ter voorkoming van die schade heeft geschonden. In latere rechtspraak is verdere invulling aan de regel gegeven.

3.14

De laatste stand van zaken blijkt uit de weergave in Gemeente Rheden:50

“Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt, en zo nodig bewijst, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.

De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat, indien de zojuist genoemde feiten komen vast te staan, de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.”

3.15

De voorwaarden voor toepassing van deze regel zijn dat de werknemer (1) stelt en, zo nodig, bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn gezondheid, (2) stelt en, zo nodig, aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten en (3) stelt en, zo nodig, aannemelijk maakt dat die gezondheidsklachten door genoemde werkomstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. Toepassing van de regel leidt tot een rechterlijk vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden. Het is vervolgens aan de werkgever om dit vermoeden te ontzenuwen. Wanneer het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald is, bestaat, zo blijkt uit de slotzin uit het citaat, geen rechtvaardiging voor het rechterlijke vermoeden dat de gezondheidsschade door die arbeidsomstandigheden is veroorzaakt. Dit laatste gaat terug op een tweetal arresten van Uw Raad van 7 juni 2013 (de zogeheten 7 juni-arresten) waarvan één, het arrest SVB/ […], betrekking heeft op RSI-klachten.51

3.16

Het gevolg is dat de meerwaarde van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voor degenen die door een beroepsziekte (menen te) zijn getroffen, beperkt is. Is het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald, dan leent het geval zich niet voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Uit het arrest SVB/ […] wordt in ieder geval afgeleid dat de betekenis van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voor RSI-klachten beperkt is; eigenlijk is er geen plaats voor toepassing van deze regel, zolang tenminste niet substantieel meer bekend wordt over aard en oorzaken van RSI-klachten.52

3.17

Een enkele auteur heeft zich kritisch uitgelaten over de door Uw Raad geformuleerde toepassingsvoorwaarden voor de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, vanuit de gedachte dat het hanteren van (te) strenge voorwaarden afbreuk doet aan de werknemersbescherming die met de regel is beoogd.53 Hier staat echter tegenover dat het (te) gemakkelijk inzetten van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel óók een prijs heeft, namelijk een grotere kans dat werkgevers gehouden worden schade te vergoeden die zij niet hebben veroorzaakt.54 Het is dus kiezen tussen twee kwaden. Tegen die achtergrond55 heeft Uw Raad in de al genoemde 7 juni-arresten – bevestigd in het hiervoor in randnummer 3.14 genoemde arrest Gemeente Rheden – gekozen voor de huidige invulling van de toepassingsvoorwaarden. Daarbij moet worden bedacht dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel een alles-of-niets-benadering is; bij toepassing wordt de causaliteitsonzekerheid volledig op de werkgever afgewenteld. Is niet aan de toepassingsvoorwaarden voldaan, dan kan met toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid eventueel nog tot een verdeling van de causaliteitsonzekerheid over werkgever en werknemer worden gekomen.56

3.18

Dit laatste in het arrest Nefalit/Karamus57 geïntroduceerde leerstuk is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde partij (hier: de werkgever) of van iemand voor wie hij aansprakelijk is, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf (hier: de werknemer) komt of door een combinatie van beide, en waarin de kans dat de schade door de normschending in de sfeer van de aansprakelijke persoon (hier: de werkgever) is veroorzaakt niet zeer klein en evenmin zeer groot is.58 In de context van de betreffende zaak, waarin de vraag speelde of een werknemer door het werk of (mede) door andere oorzaken aan longkanker leed, noemde Uw Raad in het kader van omstandigheden die aan de werknemer moeten worden toegerekend: roken, genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken.59 Waar voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden niet te onzeker of onbepaald mag zijn, ligt de drempel voor toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid lager; voldoende is dat de veroorzakingskans niet ‘zeer klein’ is. Anderzijds mag die kans ook niet zodanig groot zijn dat toewijzing van de volledige vordering op haar plaats zou zijn. Aangenomen mag worden dat de onder- en bovengrens zich niet in algemene regels laten vaststellen.60 Wat wel nodig is, is dat de niet zeer kleine noch zeer grote kans met een redelijke mate van zekerheid te bepalen is.61 Ook dat lijkt bij RSI een probleem, zodat ook het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid bij RSI-klachten niet snel toepassing zal vinden.62

3.19

Gelet op het voorgaande is het niet verwonderlijk dat het beeld dat uit de op www.rechtspraak.nl gepubliceerde feitenrechtspraak63 naar voren komt niet rooskleurig is voor werknemers met RSI-klachten.64 Een blik op die rechtspraak levert weinig zaken op waarin een succesvol beroep is gedaan op art. 7:658 BW.65 Een van die zaken is de onderhavige.

3.20

Wat bij werkgeversaansprakelijkheid voor beroepsziekten voor de werknemer lastig kan zijn, is dat de persoonlijke omstandigheden van de werknemer op meerdere fronten onder de aandacht kunnen worden gebracht door de werkgever. Dat kan immers gebeuren bij het hiervoor in randnummers 3.11 e.v. besproken causaal verband (het condicio sine qua non-verband tussen schade en werk), dat ik hier laat rusten, maar bijvoorbeeld ook bij de toerekening van gevolgen in de zin van art. 6:98 BW en bij de schadebegroting (wat zou er in de hypothetische situatie zonder normschending van deze persoon geworden zijn?). In dit verband wordt wel onderscheid gemaakt tussen pre-existentie of een predispositie. We spreken van pre-existentie in het geval dat er al klachten waren. 66 Spreken we van predispositie, dan hebben we het over een lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheid die klachten of letsel (en daardoor schade) eerder doet ontstaan dan bij een ander of die klachten of de gevolgen ervan langer laat duren en/of erger doet zijn dan normaal is. In deze zaak lijkt pre-existentie niet aan de orde. De aangeboren beperking van [verweerder] is in ieder geval niet als zodanig te begrijpen. Het zou hier dan hebben moeten gaan om reeds bestaande RSI-klachten of daarmee vergelijkbare klachten. Omdat van pre-existentie geen sprake is, beperk ik me hierna tot een enkele opmerking over de betekenis van een predispositie.

3.21

Daarmee bedoelen we dus dat een lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheid die klachten of letsel (en daardoor schade) eerder doet ontstaan of de gevolgen ervan langer laat duren en/of erger doet zijn dan normaal is. Wat het (eerder) ontstaan betreft wordt vaak het voorbeeld gebruikt van een slachtoffer met een ‘eierschaalschedel’67 die met de consequenties daarvan wordt geconfronteerd door onrechtmatig handelen van een ander (een klap bijvoorbeeld). Ook een persoonlijkheidsstructuur (‘eierschaalpersoonlijkheid’) kan een dergelijke bijzondere kwetsbaarheid opleveren.68 Maar het gaat niet alleen om een bijdrage aan het ontstaan van klachten of letsel. Op een vergelijkbare manier kunnen fysieke en geestelijke kwetsbaarheden (denk aan het geval van de renteneurose69) bijvoorbeeld ook een nadelige invloed hebben op het aanhouden van de klachten en op (de duur van) het herstel. In al deze gevallen zijn deze specifieke omstandigheden aan de zijde van het slachtoffer condiciones sine quibus non voor (een deel van) zijn schade, maar betekent dat niet dat deze schade in zoverre ook voor rekening van het slachtoffer blijft. Bij een predispositie nemen we immers in principe aan, dat de aansprakelijke persoon het slachtoffer te nemen heeft zoals hij of zij is (the tortfeasor takes the victim as he finds him), zeker bij schending van veiligheidsnormen zoals EBN in deze zaak wordt aangewreven.70 Dit betekent dat de aansprakelijke persoon het slachtoffer bij schending van een veiligheidsnorm niet kan tegenwerpen dat hij of zij zwakker is dan de gemiddelde persoon.71 Dat levert de aansprakelijke persoon in ieder geval niets op: de gevolgen van een dergelijke zwak- of kwetsbaarheid (die het gevolg kan zijn van de lichamelijke constitutie of persoonlijkheidsstructuur) worden in het kader van art. 6:98 BW aan de aansprakelijke persoon toegerekend. Datzelfde geldt voor moeilijkheden in het privéleven van het slachtoffer die bijvoorbeeld het herstel belemmeren. Ook deze komen in beginsel, zeker bij schending van een veiligheidsnorm zoals hier, voor rekening van de aansprakelijke persoon doordat hun gevolgen in het kader van art. 6:98 BW worden toegerekend.72 Kwetsbaarheden of privémoeilijkheden zoals zojuist genoemd leiden dus niet tot vermindering van de vergoedingsplicht door de schade over de aansprakelijke persoon en het slachtoffer te verdelen. Voor een dergelijke vermindering van de vergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW is slechts plaats onder bijzondere omstandigheden. Daarbij kan volgens Uw Raad gedacht worden aan het geval dat het slachtoffer zich, mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur en zijn privémoeilijkheden, onvoldoende inspant om een bijdrage te leveren aan het herstelproces.73 Omdat dat niet eenvoudig is aan te tonen, lijkt het voor de praktijk relevanter dat deze factoren (lichamelijke kwetsbaarheid, persoonlijkheidsstructuur en privémoeilijkheden) bij de schadebegroting worden ‘meegenomen’: daar komt het slachtoffer immers ‘zichzelf’ tegen. In dit verband gaat het om gevallen waarin een kwetsbaarheid ook in het scenario zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis op enig moment tot problemen (bijvoorbeeld uitval) zou hebben geleid.74 Dat laatste, zo blijkt uit de rechtspraak van Uw Raad, mogen we echter ook weer niet te snel aannemen.75 Vereist zijn concrete aanwijzingen dat deze factoren de betrokkene ook in de situatie ‘zonder normschending’ parten zouden hebben gespeeld.76

3.22

Tegen deze achtergrond bespreek ik nu de klachten.

4Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

De procesinleiding vangt aan met een aantal inleidende paragrafen. In de ongenummerde paragraaf “Kern van de zaak” zet EBN uiteen waar de onderhavige zaak volgens haar om draait. In paragraaf 1 “Achtergrond van het geschil” schetst EBN de achtergrond van en de aanloop naar de onderhavige zaak. In paragraaf 2 “RSI” legt EBN uit dat er volgens haar in algemene zin onduidelijkheid bestaat over de oorzaken van RSI. In paragraaf 3 lijkt EBN te willen aangeven dat (1) de arbeidsrechtelijke omkeringsregel zich niet goed leent voor toepassing bij RSI, (2) de werknemer het ook lastig zal hebben bij toepassing van de gewone bewijsregels ten aanzien van het verband tussen het werk en de klachten van de werknemer en (3) predispositie(s) en factoren in de privésfeer van de werknemer in een geval waarin diens arbeidsongeschiktheid meer oorzaken kan hebben, zoals bij RSI het geval is, niet (zonder meer) voor rekening van de werkgever komen. In dit verband citeert EBN eerst het arrest SVB/ […],77 mijn NJ-noot bij dit arrest78 en de conclusie van A-G Spier79 voor het arrest Campen/Köpcke Global Trading.80 Ten slotte wordt ook nog verwezen naar de NJ-noot bij het arrest Nefalit/Karamus81 en naar de conclusie van A-G Spier voor het arrest SVB/ […].82

4.2

Paragraaf 4 “Middel van cassatie” bevat het cassatiemiddel dat in paragraaf 5 “Klachten” wordt uitgewerkt. Gelet op randnummer 5.1 van de procesinleiding moeten de klachten tegen de achtergrond van de in het vorige randnummer besproken paragrafen worden bezien. Paragraaf 5 vangt aan met een sub-paragraaf “Aanloop naar de klachten”. Daarin worden eerst rov. 4.15., 4.16., 4.25. en 4.26. uit het bestreden arrest geciteerd. Vervolgens begint EBN in randnummer 5.3 van de procesinleiding weliswaar met een verwijzing naar het bijzondere eigen schuld-regime van art. 7:658 BW en de ‘alles-of-niets-benadering’ in dat verband, maar wijst zij er, onder verwijzing naar eerder door EBN in de procedure betrokken standpunten, tegelijkertijd op dat bij de beoordeling van het condicio sine qua non-verband niet (zonder meer) kan worden voorbijgegaan aan factoren in de persoonlijke sfeer van de werknemer. Deze komen niet (zonder meer) ten laste van de werkgever, althans niet in het geval van een ‘multifactoriaal’ klachtsyndroom als RSI. In paragraaf 5 worden tot slot rov. 4.3.1 en 4.3.2 uit het arrest […] BV/ […]83 geciteerd. In de procesinleiding is niet toegelicht welk punt EBN hiermee beoogt te maken. Omdat de in de klacht geciteerde rechtsoverwegingen uit het arrest BV/ […] zien op proportionele aansprakelijkheid neem ik aan dat EBN bedoelt dat, mocht zij tekortgeschoten zijn in haar zorgplicht, in het geval van causaliteitsonzekerheid eventueel sprake kan zijn van proportionele aansprakelijkheid (in plaats van volledige aansprakelijkheid). Er volgen acht met Arabische cijfers aangeduide klachten, die overigens in de uitwerking in verschillende klachten uiteenvallen. Klacht 7 is opgedeeld in klacht 7a en klacht 7b.

4.3

Ik merk op dat daar waar de klachten het over het door de kantonrechter gelaste deskundigenonderzoek en het daaruit voortvloeiende deskundigenbericht hebben, er afwisselend over ‘deskundige’ (enkelvoud) en ‘deskundigen’ (meervoud) wordt gesproken. Voor de duidelijkheid benadruk ik dat Sorgdrager door de kantonrechter als deskundige is benoemd, maar dat hij samen met [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] en [gezondheidspsycholoog] een multidisciplinair onderzoek heeft verricht (zie randnummer 1.28 hiervoor). Ik spreek hierna zelf steeds van ‘deskundige’ (enkelvoud), behalve waar het gaat om de weergave van de klachten en in de klachten ‘deskundigen’ (meervoud) is gebruikt.

Klacht 1

4.4

Klacht 1 is gericht tegen rov. 4.26. De klacht neemt als vertrekpunt dat de kantonrechter voor recht heeft verklaard dat EBN aansprakelijk is voor de door [verweerder] geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn RSI-klachten en dat het hof het vonnis, waarin de kantonrechter dit heeft geoordeeld, heeft bekrachtigd. De klacht stelt vervolgens dat de RSI-klachten in de optiek van EBN, zoals het hof ook in rov. 4.25. en 4.17. zou hebben weergegeven, geheel of gedeeltelijk moeten worden toegeschreven aan (een combinatie van werk- en) niet-werkgerelateerde factoren in de privésfeer van [verweerder] (zoals zijn aangeboren beperking (met een daaraan verbonden grotere kans op overbelasting van zijn rechterarm), zijn persoonlijkheids(structuur), zijn relationele problemen en zijn psychische klachten). In dit verband wijst de klacht erop dat EBN in dit kader heeft verwezen naar de bevindingen van [medisch adviseur 2] en van [onafhankelijk bedrijfsarts] en overigens ook naar de bevindingen van de door de kantonrechter benoemde deskundigen.84 Volgens de klacht is het hof van dit rapport en van deze bevindingen uitgegaan.

4.5

De klacht stelt ter discussie het door het hof aangenomen causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden en het gewicht dat factoren in de privésfeer van [verweerder] in dit verband in de schaal leggen. In verband met de factoren in de privésfeer van [verweerder] wordt telkens gewezen op de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren: [verweerder] aangeboren beperking, zijn persoonlijkheid(sstructuur), zijn relationele problemen en zijn psychische problemen.85 Volgens de klacht is het hof er bij de beoordeling van het causaal verband aan voorbijgegaan dat het in rov. 4.29. een aan de aangeboren beperking van [verweerder] inherent verhoogd gevaar op het ontwikkelen van RSI-klachten heeft vastgesteld en dat het in rov. 4.15., 4.16. en 4.29. de mogelijke veroorzaking door en mogelijke bijdrage van zijn aangeboren beperking en van zijn karakterstructuur en stressgevoeligheid – bedoeld zal zijn: aan het ontwikkelen van de RSI-klachten – heeft onderkend. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat aan deze factoren enkel betekenis zou toekomen als zij een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten vormen, heeft het hof volgens de klacht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu deze factoren bij RSI-klachten, waarvoor veelal niet één oorzaak kan worden aangewezen, niet zonder meer voor risico van de werkgever komen. Voor zover het hof bij de beoordeling van het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden heeft geoordeeld dat de factoren in de privésfeer van [verweerder] niet van betekenis zijn, getuigt dit oordeel eveneens van een onjuiste rechtsopvatting, omdat deze factoren niet zonder meer voor risico van EBN komen “enkel nu zij niet ieder voor zich (of tezamen) de zelfstandige oorzaak zijn van (het multifactoriaal bepaalde klachtsyndroom) RSI.” Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom het hof EBN volledig aansprakelijk heeft gehouden voor de schade van [verweerder] , althans waarom het hof geen betekenis heeft toegekend aan de factoren in de privésfeer van [verweerder] . Aan deze klachten zou het verweer van EBN tegen het kennelijk door EBN in de inleidende dagvaarding van [verweerder] gelezen (subsidiaire) beroep op proportionele aansprakelijkheid niet afdoen, aangezien EBN dit enkel aanvoerde nu zij, in haar visie, haar zorgplicht niet schond (en niet voor het geval daarover in rechte anders zou worden geoordeeld en aansprakelijkheid zou worden vastgesteld).86

4.6

In klacht 1 is een aantal (deel)klachten te ontwaren. Ik loop ze hierna een voor een af.

4.7

Ik wijs er daarbij op dat het slot van randnummer 5.5 van de procesinleiding op twee manieren kan worden gelezen: als inleiding op de klachten in randnummer 5.6 van de procesinleiding en als zelfstandige klacht. Ik bespreek het slot van het randnummer 5.5 van de procesinleiding hierna als ware het een zelfstandige klacht. Mocht het slot van randnummer 5.5 van de procesinleiding toch enkel als inleiding op de klachten in randnummer 5.6 van de procesinleiding bedoeld zijn, dan is de hiernavolgende bespreking alsnog relevant, omdat de klachten in randnummer 5.6 van de procesinleiding dan tegen de achtergrond van de inleiding in randnummer 5.5 moeten worden bezien.

4.8

In randnummer 5.5 van de procesinleiding wordt het hof in de eerste plaats verweten dat het bij de beoordeling van het causaal verband is voorbijgegaan aan hetgeen het in rov. 4.15., 4.16. en 4.29. heeft overwogen. Wat het hof in die rechtsoverwegingen heeft overwogen is echter iets anders dan de klacht suggereert. De klacht faalt dan ook vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Ik licht dit in de volgende drie randnummers toe.

4.9

Het hof heeft in rov. 4.15. het deskundigenbericht samengevat en in rov. 4.16. beschreven waar dit op neerkomt. Anders dan de klacht suggereert (“Het hof onderkent de mogelijke veroorzaking [door] en de mogelijke bijdrage (…) van zijn karakterstructuur en stressgevoeligheid [aan het ontwikkelen van RSI-klachten].”), heeft het hof in die rechtsoverwegingen dus nog geen eigen oordeel over de (mogelijke) oorzaken van de RSI-klachten gegeven, laat staan dat het in die rechtsoverwegingen heeft onderkend dat [verweerder] karakterstructuur en stressgevoeligheid (mogelijk) een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de RSI-klachten. Het hof heeft pas in rov. 4.26. een eigen oordeel over de (mogelijke) oorzaken van de RSI-klachten gegeven (dat overigens wel is gebaseerd op het deskundigenbericht). Ik kom nog te spreken over deze rechtsoverweging.

4.10

Het hof heeft in rov. 4.29. eerst vastgesteld dat EBN niet heeft bestreden dat [verweerder] , gelet op zijn beperking en de aard van zijn werkzaamheden, een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten had, waarna het heeft overwogen dat EBN evenmin heeft bestreden dat het om die reden op haar weg lag om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen om RSI-klachten te voorkomen en dat niet kon worden volstaan met maatregelen die voor al haar medewerkers golden. Anders dan de klacht suggereert (“Het hof stelt, gelijk de kantonrechter, een aan de aangeboren beperkingen van [verweerder] inherent verhoogd gevaar op het ontwikkelen van RSI-klachten vast (...).”), heeft het hof niet overwogen dat dat verhoogde risico slechts valt toe te schrijven aan de beperking van [verweerder] . Dat verhoogde risico wordt bepaald door zijn beperking én de aard van zijn werkzaamheden, aldus het hof. Verder gaat de klacht eraan voorbij dat rov. 4.29. niet moet worden bezien in het kader van de causaliteitsvraag (rov. 4.6.-4.26.) maar in het kader van de daaropvolgende, door de door EBN aangevoerde grief 3 aan de orde gestelde, vraag of EBN aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan (rov. 4.27.-4.33.). Bij de beoordeling in dat verband van de vraag welke te treffen maatregelen en te geven aanwijzingen redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, kan betekenis toekomen aan de bijzondere situatie van een specifieke werknemer of specifieke groep werknemers en dus ook aan een aan een beperking verbonden verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten (vergelijk randnummers 3.7-3.9 hiervoor). Daar draait het om in rov. 4.29.

4.11

In de tweede plaats zou het hof hebben geoordeeld dat aan de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren enkel betekenis toekomt als zij een ‘zelfstandige’ oorzaak van de RSI-klachten vormen (randnummer 5.6 van de procesinleiding). Dat vermeende oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, nu die factoren bij RSI-klachten, waarvoor veelal niet één oorzaak kan worden aangewezen, niet zonder meer voor risico van de werkgever zouden komen. Ook deze klacht faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag.

4.12

Uit het bestreden arrest kan niet worden opgemaakt dat het hof de rechtsopvatting is toegedaan dat de aangevoerde factoren in het algemeen slechts van betekenis zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden als zij een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ik zet hierna uiteen wat het hof wel heeft overwogen en uiteindelijk heeft geoordeeld.

4.13

Het hof heeft in de eerste volzin van rov. 4.26. geoordeeld dat uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden: “Uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van een expositie aan beeldschermwerk die geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio.

4.14

Het hof is in de daaropvolgende volzinnen van rov. 4.26. ingegaan op de eerder door EBN betrokken stelling (rov. 4.17.), die het hof in rov. 4.25. nog heeft beschreven, dat niet de arbeidsomstandigheden maar juist allerlei andere omstandigheden (zoals de aangeboren beperking) de RSI-klachten bij [verweerder] hebben veroorzaakt. Voor die conclusie heeft het hof noch in het deskundigenbericht noch in de berichten van [medisch adviseur 2] aanknopingspunten gevonden: “Het hof heeft in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren – spanning door het arbeidsconflict en dreigend ontslag, de aangeboren beperking aan de rechterarm [bedoeld zal zijn: de linkerarm, A-G] waardoor er een verhoogde kwetsbaarheid is, de persoonlijkheidsstructuur – een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ook in de berichten van [medisch adviseur 2] leest het hof niet dat – de hiervoor vastgestelde arbeidsomstandigheden weggedacht – de genoemde factoren tot RSI-klachten zouden hebben geleid.

4.15

Het hof heeft in rov. 4.26. vervolgens nog toegelicht waarom het niet overtuigd is door de berichten van [medisch adviseur 2] . In de eerste plaats zien de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren volgens het hof vooral op de predispositie (de lichamelijke en geestelijke constitutie) van [verweerder] die van invloed kan zijn op de mate en het voorbestaan van de RSI-klachten. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat een beroep op dergelijke persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [verweerder] EBN geen soelaas kan bieden. En dat klopt ook. Strikt genomen zijn zulke omstandigheden weliswaar condiciones sine quibus non zijn voor (een deel van) zijn RSI-klachten en de daarmee gemoeide schade, maar deze schade komt desondanks niet voor rekening van [verweerder] maar die van EBN (vergelijk randnummer 3.21 hiervoor87). In de tweede plaats heeft [medisch adviseur 2] volgens het hof geen enkele onderbouwing gegeven voor de stelling dat de overbelastingsklachten aan de rechterarm op den duur hoe dan ook zouden optreden vanwege de aangeboren beperkingen aan de linkerarm/-hand. Ik wijs er in dit verband op dat het hof in rov. 4.18. heeft geoordeeld dat [medisch adviseur 2] op twee fundamentele onderdelen van een onjuist vertrekpunt is uitgegaan, wat wezenlijk afbreuk doet aan de inhoudelijke betekenis van zijn conclusies (zie ook mijn behandeling van klacht 4 in randnummers 4.39-4.45 hierna). Daar komt in de derde plaats bij dat Sorgdrager volgens het hof heeft gemotiveerd waarom hij in de aangeboren beperking aan de linkerarm/-hand juist geen zelfstandige oorzaak voor de RSI-klachten aan de rechterkant ziet.

4.16

Uit de hiervoor beschreven oordelen volgt dat het hof in deze zaak tot het oordeel is gekomen dat de arbeidsomstandigheden de enige oorzaak van de RSI-klachten van [verweerder] zijn. Met de in dit verband in rov. 4.26. gebruikte woorden “zelfstandige oorzaak” heeft het hof slechts gerespondeerd op de stelling van EBN dat niet de arbeidsomstandigheden maar juist de persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [verweerder] zijn RSI-klachten hebben veroorzaakt (rov. 4.17. en 4.25.). Ter beoordeling van dat betoog, dat er in wezen op neerkomt dat enkel die omstandigheden de klachten zouden hebben veroorzaakt, heeft het hof, zo blijkt uitdrukkelijk bij de beoordeling van de berichten van [medisch adviseur 2] , de vraag gesteld of, de arbeidsomstandigheden weggedacht, ook klachten ook zouden zijn ontstaan (zo nee: geen “zelfstandige oorzaak”). Voor die conclusie heeft het hof noch in het deskundigenbericht noch in de berichten van [medisch adviseur 2] aanknopingspunten gevonden.

4.17

In de derde plaats zou het hof hebben geoordeeld dat de aangevoerde factoren in de privésfeer van [verweerder] niet van betekenis zijn (randnummer 5.6 van de procesinleiding). Ook dat vermeende oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, nu die factoren niet zonder meer voor risico van EBN komen. In de uitleg van de bestreden rechtsoverweging die ik in randnummers 4.11-4.16 hiervoor heb uiteengezet, kan uit deze rechtsoverweging ook niet worden opgemaakt dat het hof van oordeel is geweest dat factoren in de privésfeer van een werknemer per definitie niet van betekenis zijn bij het beoordelen van de vraag of sprake is van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. De oordelen van het hof zijn op deze zaak toegespitst en hebben niet de daaraan door de klacht toegedichte algemene gelding.88

4.18

Mochten de rechtsklachten falen, dan zou in de vierde plaats (randnummer 5.6 van de procesinleiding) onbegrijpelijk zijn waarom het hof EBN volledig aansprakelijk heeft gehouden voor de schade van [verweerder] , althans waarom het geen betekenis aan de factoren in de privésfeer van [verweerder] heeft toegekend. In het licht van mijn uiteenzetting over de bestreden rechtsoverweging in randnummers 4.11-4.16 hiervoor, faalt ook deze klacht vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Bovendien is de bestreden rechtsoverweging in ieder geval niet onbegrijpelijk.

4.19

Klacht 1 treft geen doel.

Klacht 2

4.20

Klacht 2 is eveneens gericht tegen rov. 4.26. Voor zover uit het oordeel van het hof in die rechtsoverweging moet worden begrepen dat het hof is uitgegaan van een verwaarloosbare of zeer kleine bijdrage aan of kans op veroorzaking van de RSI-klachten door de in rov. 4.25. genoemde factoren, hetgeen de benoemde deskundigen, wier rapport het hof heeft gevolgd, niet hebben kunnen uitmaken,89 dan behoeft het volgens de klacht nadere motivering, om begrijpelijk te zijn, van welk percentage het hof is uitgegaan, althans waarom het hof de bijdrage aan of kans op veroorzaking van de RSI-klachten door die factoren in deze zaak te klein acht om tot een proportionele benadering te komen, en hoe het hof dit heeft kunnen bepalen (c.q. vaststellen).

4.21

Klacht 2 lijkt voort te bouwen op klacht 1 en faalt in ieder geval eveneens vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht als optie suggereert, is het hof in rov. 4.26. niet uitgegaan van een verwaarloosbare of zeer kleine bijdrage aan of kans op veroorzaking van de RSI-klachten door de in rov. 4.25. weergegeven door [medisch adviseur 2] genoemde factoren (dat zijn: het arbeidsconflict en het dreigende ontslag, de functionele eenhandigheid gecombineerd met de persoonlijkheidsstructuur, langdurige overbelasting als gevolg van aangeboren afwijkingen, getriggerd door het arbeidsconflict). Het hof is in essentie tot het oordeel gekomen dat in deze zaak de arbeidsomstandigheden de enige veroorzakingsfactor van de RSI-klachten zijn en dat de genoemde factoren niet (ook) een relevante veroorzakingsfactor zijn.90 Het heeft daarin de deskundige gevolgd, na uitvoerige bespreking van de tegen het deskundigenbericht ingebrachte bezwaren. Zie in dit verband de behandeling van klacht 1 in randnummers 4.4-4.19 hiervoor. Uit de weergave van het oordeel van het hof in randnummers 4.13-4.15 volgt dat niet kan worden gezegd dat het hof heeft aangenomen dat van een verwaarloosbare of zeer kleine bijdrage of kans sprake was.

4.22

Klacht 2 treft geen doel.

Klacht 3

4.23

Klacht 3 is gericht tegen rov. 4.1.-4.33. en dus tegen de gehele inhoudelijke beoordeling door het hof, zij het dat het toch vooral weer over het causaliteitsoordeel gaat. Naar het in hoger beroep onbestreden en volgens de klacht juiste oordeel van de kantonrechter in rov. 5.4. in het tussenvonnis van 30 juni 2021 is “gezien de onduidelijkheid over de aard en de oorzaken van RSI, het verband tussen de door [verweerder] gestelde schade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald (…)” en is er daarom “geen aanleiding (…) de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe te passen als omschreven in [rov.] 4.2.” Dit betekent, zo overwoog de kantonrechter, “dat [verweerder] in deze procedure dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat zijn bewijslast op dit punt dus niet wordt verlicht door toepassing van een bewijsvermoeden.

4.24

Volgens de klacht kon [verweerder] tegen deze achtergrond niet volstaan met stellen en (zo nodig) bewijzen dat hij werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid; hij had ook moeten stellen en zo nodig aannemelijk moeten maken dat hij lijdt aan klachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.

4.25

De klacht werkt dit vervolgens uit. De stelplicht en (zo nodig) de bewijslast ten aanzien van zijn schade en van het causaal verband met de uitvoering van zijn werkzaamheden91 alsmede van de omstandigheden op het werk rusten volgens de klacht op [verweerder] .92 Hier helpt de arbeidsrechtelijke omkeringsregel uit het arrest Unilever/ […]93 van Uw Raad [verweerder] niet, aldus de klacht. In het geval van RSI-klachten en blootstelling op het werk aan risicofactoren is, aldus de klacht, het hiervoor bedoelde causaal verband nog niet gegeven, omdat blootstelling aan risicofactoren helemaal niet tot RSI-klachten hoeft te leiden.

4.26

De klacht bespreekt daarna enkele oordelen van het hof. De klacht haalt in de eerste plaats de weergave van de conclusies van de door de kantonrechter benoemde deskundige (Sorgdrager) door het hof in rov. 4.17. – bedoeld zal zijn: rov. 4.16. – aan dat de spanning en druk die [verweerder] heeft ervaren, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid hebben bijgedragen “aan de mate waarin [verweerder] de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan”. De klacht wijst in de tweede plaats op rov. 4.15., waar het hof het oordeel van de deskundigen zou hebben onderschreven “dat het niet zozeer gaat om het overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden (vraag 3)”. De klacht wijst tot slot nogmaals op rov. 4.15., waar het hof de bevinding van de deskundigen zou hebben overgenomen dat een ontspannen werkhouding naast ergonomische principes ook te maken heeft “met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en de stressgevoeligheid.

4.27

Na deze aanloop worden (vanaf halverwege randnummer 5.13 van de procesinleiding) de daadwerkelijke klachten geformuleerd. In dit verband wordt aangevoerd dat de gewone bewijsregels gelden, maar dat nergens uit blijkt dat het hof heeft beoordeeld of [verweerder] hieraan heeft voldaan, althans of sprake is van een condicio sine qua non-verband tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden. Voor zover het hof heeft beoordeeld of dit causaal verband bestaat, heeft het zich volgens de klacht verlaten op de bevindingen van de deskundigen. De klacht stelt in dit verband dat het hof hiermee niet had mogen volstaan, maar dienaangaande een eigen oordeel had moeten geven. Voor zover het hof heeft miskend dat niet de arbeidsrechtelijke omkeringsregel maar de reguliere bewijsregels van art. 7:658 lid 2 BW gelden, getuigt het oordeel van het hof volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting, omdat RSI een multicausale ziekte is, over de aard en oorzaken van RSI veel onduidelijkheid bestaat en, mede als gevolg hiervan, onvoldoende aannemelijk is dat de arbeidsomstandigheden waaronder [verweerder] werkte zijn RSI-klachten hebben veroorzaakt.94 Voor zover het hof dit (dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing is en dat de gewone bewijsregels van art. 7:658 lid 2 BW gelden) niet heeft miskend, is volgens de klacht zonder nadere motivering, die volgens de klacht ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom het hof niet zelf heeft beoordeeld of [verweerder] heeft voldaan aan de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de door hem opgelopen schade en zijn werkzaamheden voor EBN. Voor zover het hof heeft gemeend zich voor de beoordeling van het causaal verband, in mijn woorden, te hebben kunnen aansluiten bij het deskundigenbericht, getuigt het oordeel van het hof volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting, omdat, gelet op de onduidelijkheden over de aard en oorzaken van RSI-klachten, niet kan worden volstaan met het overnemen of volgen van de bevindingen van de deskundigen.95 Dit geldt te meer, aldus de klacht, nu de deskundigen van wier bevindingen het hof is uitgegaan, mede hebben gewezen op factoren in de privé- of risicosfeer van [verweerder] die ervoor zouden hebben gezorgd dat [verweerder] geen ontspannen werkhouding had terwijl juist zijn gespannenheid de RSI-klachten (mede) zou hebben teweeggebracht.96

4.28

De klacht stelt tot slot dat het hof in wezen de omkeringsregel heeft toegepast, terwijl daar, gelet op het multicausale klachtensyndroom RSI en het in randnummer 4.23 van deze conclusie reeds genoemde en in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter, geen ruimte voor was. In dit verband wordt geciteerd uit een recente conclusie van A-G Lindenbergh.97 Waar het hof in wezen zonder eigen beoordeling van het causaal verband tussen de werkzaamheden en de RSI-klachten, ter zake waarvan de stelplicht en (zo nodig) de bewijslast op [verweerder] rusten, aansprakelijkheid op de voet van art. 7:658 BW heeft aangenomen, heeft het hof volgens de klacht miskend dat het in deze zaak geen toepassing aan de omkeringsregel had mogen geven en, nu daartegen niet is opgekomen met een grief, ook niet had mogen afwijken van het in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter in rov. 5.4. en 5.5. van het tussenvonnis van 30 juni 2021.

4.29

Bij de behandeling van klacht 3 stel ik het volgende voorop. Net als klacht 1 stelt klacht 3 in essentie het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden ter discussie. Klacht 3 voert in de kern twee verwijten aan. In de eerste plaats zou het hof de reguliere bewijsregels van art. 7:658 BW hebben miskend door eigenlijk toch de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe te passen, terwijl de kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om deze regel toe te passen en het hof aan dat oordeel was gebonden. In de tweede plaats zou het hof, voor zover het de reguliere bewijsregels heeft toegepast, geen eigen oordeel over het causaal verband hebben geveld, maar zich enkel op het deskundigenbericht hebben verlaten. De klachten falen en wel om de volgende redenen.

4.30

In de eerste plaats heeft het hof, anders dan de klacht suggereert, beoordeeld of en uiteindelijk geoordeeld dat sprake is van een causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. Ik verwijs in dit verband naar de behandeling van klacht 1 en de beschrijving in dit verband van hetgeen het hof ten aanzien van dit causaal verband heeft overwogen en uiteindelijk heeft geoordeeld, beide in randnummers 4.4-4.19 hiervoor. Nergens in het bestreden arrest heeft het hof melding gemaakt van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof desondanks toch de arbeidsrechtelijke omkeringsregel heeft toegepast. Uit het bestreden arrest volgt juist dat het hof het bestaan van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden voldoende aannemelijk heeft geacht en dat toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet aan de orde was. Daaruit blijkt dat het hof, anders dan de klacht suggereert, niet heeft miskend dat de reguliere bewijsregels van art. 7:658 BW (en dus niet de arbeidsrechtelijke omkeringsregel) van toepassing waren en in zoverre dan ook niet van het in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter in rov. 5.4. en 5.5. van het tussenvonnis van 30 juni 2021 is afgeweken. En daaruit volgt dat het hof, anders dan de klacht suggereert, heeft beoordeeld of en uiteindelijk heeft geoordeeld dat [verweerder] heeft voldaan aan zijn stelplicht en, waar nodig, bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden.

4.31

In de tweede plaats heeft het hof, anders dan de klacht suggereert, zelf geoordeeld over het bestaan van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. Dat het hof zich in dit verband op het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht en de daarin opgenomen conclusies van de deskundige heeft gebaseerd, maakt niet dat het hof geen eigen juridisch oordeel over het causaal verband heeft gegeven. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op rov. 4.24. en 4.26. Het hof heeft in rov. 4.24. geoordeeld dat uit een (her)beoordeling van de oordelen van de kantonrechter en de daartegen gerichte bezwaren van EBN volgt dat Sorgdrager in zijn onderzoek terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de arbeidsomstandigheden werden gekenmerkt door een blootstelling aan beeldschermwerk die de geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Het hof heeft vervolgens in rov. 4.26. geoordeeld dat uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de zojuist genoemde omstandigheden. Dat het hof zich hier steeds bij het deskundigenbericht heeft aangesloten, telkens na gemotiveerde verwerping van daartegen door EBN geformuleerde bezwaren, betekent niet dat niet van eigen oordelen van het hof sprake is. Overigens heeft het hof zijn oordeel niet uitsluitend op het deskundigenbericht gebaseerd. Ik wijs in dit verband bijvoorbeeld op rov. 4.22. en 4.23. In rov. 4.22. heeft het hof, voortbouwend op het in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter op dit punt, vastgesteld dat niet is gebleken dat [verweerder] regelmatig pauzes inlaste. In rov. 4.23. heeft het hof mede op basis van de door [verweerder] overgelegde e-mailberichten en verklaring van zijn toenmalige echtgenote aannemelijk geacht dat [verweerder] een hoge werkdruk en spanning heeft ervaren.

4.32

Bovendien getuigt de beslissing van het hof om zich in het kader van zijn (juridische) beoordeling van het causaal verband en het in dat verband te vellen juridische oordeel (deels) op het deskundigenbericht en de daarin vervatte (feitelijke) conclusies te baseren niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ik stel voorop dat de bewijswaardering van deskundigenrapporten als zodanig aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.98 Verder is het vaste rechtspraak van Uw Raad dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Indien de rechter in een geval waarin de opinie van een partijdeskundige op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door de door de rechter benoemde deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem benoemde deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.99 Voordat het hof tot het oordeel is gekomen dat het de inhoud van dit deskundigenbericht overneemt, is het in rov. 4.6.-4.26. uitvoerig op de bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht ingegaan. Voor zover de bezwaren van EBN al een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van het deskundigenbericht in de zin van de hiervoor bedoelde rechtspraak hebben ingehouden, is het hof in de zojuist genoemde rechtsoverwegingen (uitvoerig) op deze bezwaren ingegaan. In ieder geval heb ik in de procesinleiding geen klachten gelezen met de strekking dat het hof op een bepaald bezwaar niet heeft gerespondeerd en dat zijn oordeel om het deskundigenbericht over te nemen daarom onvoldoende is gemotiveerd en/of dat het zich daarom niet op het deskundigenbericht heeft mogen baseren. De betreffende overwegingen van het hof zijn overigens goed te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk.

4.33

Ik wijs er in dit verband nog op dat aan het eind van randnummer 5.13 van de procesinleiding wordt aangevoerd dat de deskundigen, van wier bevindingen het hof uitgaat, mede wijzen op factoren in de privé- of risicosfeer van [verweerder] waardoor hij geen ontspannen werkhouding had terwijl zijn gespannenheid de RSI-klachten mede heeft teweeggebracht. In randnummer 5.12 van de procesinleiding, dat ik in samenhang met randnummer 5.13 lees, wordt gewezen op de volzin “De spanning en druk die [verweerder] ervaart, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid dragen bij aan de mate waarin [verweerder] de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan.” uit rov. 4.17. – bedoeld zal zijn: rov. 4.16 – alsmede de zinsnede “dat het niet zozeer gaat om overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden” en de volzin “Een ontspannen werkhouding heeft naast ergonomische principes ook te maken met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en de stressgevoeligheid.” uit rov. 4.15.

4.34

Klacht 3 mag dan gericht zijn tegen rov. 4.1.-4.33., het hiervoor beschreven punt stelt eigenlijk alleen de begrijpelijkheid ter discussie van het causaliteitsoordeel van het in hof rov. 4.26., dat het in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren in de privésfeer van [verweerder] een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ik verwijs naar hetgeen ik reeds over dat oordeel in randnummers 4.14 en 4.15 hiervoor heb gezegd. Om de aldaar uiteengezette redenen kan klacht 3 niet tot cassatie leiden voor zover zij klacht 1 herhaalt.

4.35

Hierna leg ik nog uit waarom ook de hiervoor aangehaalde passages uit rov. 4.15. en 4.16. het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk maken. Ik stel voorop dat het hof in rov. 4.15. het deskundigenbericht heeft samengevat en in rov. 4.16. heeft beschreven waar het deskundigenbericht op neerkomt.

4.36

De klacht merkt op zich terecht op dat het hof in rov. 4.15. heeft opgeschreven dat het niet zozeer gaat om het overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden en dat een ontspannen werkhouding naast ergonomische principes ook te maken heeft met [verweerder] functioneel eenhandigheid, perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en stressgevoeligheid. Daaruit kan echter niet worden opgemaakt dat in het deskundigenbericht staat dat [verweerder] juist door de zojuist genoemde persoonlijke omstandigheden een gespannen werkhouding had. In de samenvatting door het hof van het deskundigenbericht staat namelijk ook dat [verweerder] de bij EBN opgetreden klachten ook in een andere werksituatie zou hebben opgelopen, indien die situatie zou bestaan uit een vergelijkbare blootstelling aan beeldschermwerk, veel druk, onvoldoende rustmomenten en door de werkhouding een onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Voorts staat in dat deskundigenbericht dat de pijnklachten zijn veroorzaakt doordat het beeldschermwerk in een periode onder hoge druk met ontoereikende ergonomie is verricht en dat de deskundige van mening is dat de werkhouding en de gespannenheid de klachten hebben veroorzaakt. Gelet op het voorgaande heeft de deskundige de gespannenheid toegeschreven aan veel druk, onvoldoende rustmomenten en ontoereikende ergonomie. Hieruit volgt dat het de arbeidsomstandigheden zijn die voor de gespannenheid hebben gezorgd (en niet de persoonlijke omstandigheden). Nu een ontspannen werkhouding, zo staat in de samenvatting, ook te maken heeft met de persoonlijke omstandigheden, kunnen persoonlijke omstandigheden wel van invloed zijn geweest op de ernst en het voortduren van de gespannen werkhouding.

4.37

In de in de klacht aangehaalde volzin uit rov. 4.16. staat dat bepaalde factoren in de privésfeer van [verweerder] (te weten: de spanning en druk die hij heeft ervaren, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid) bijdragen aan de mate waarin hij de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan. In de aangehaalde volzin uit rov. 4.16. staat niet dat [verweerder] door bepaalde factoren in de privésfeer geen ontspannen werkhouding had (en (mede) daardoor RSI-klachten heeft ontwikkeld). Er staat in wezen dat, nadat de RSI-klachten zijn ontstaan, de factoren in de privésfeer van [verweerder] hooguit van invloed kunnen zijn geweest op de ernst en de duur van de klachten.

4.38

Klacht 3 treft geen doel.

Klacht 4

4.39

Klacht 4 is gericht tegen rov. 4.18. en 4.19. De klacht vangt aan met het nagenoeg volledig citeren van de bestreden rechtsoverwegingen:

“4.18. (…) Op twee fundamentele onderdelen gaat [medisch adviseur 2] naar het oordeel van het hof uit van een onjuist vertrekpunt en dat doet wezenlijk afbreuk aan de inhoudelijke betekenis van de conclusies van [medisch adviseur 2] . Allereerst gaat [medisch adviseur 2] er ten onrechte van uit dat [verweerder] voor het eerst op 8 april 2015 de schouder-, nek-, arm- en handklachten heeft ervaren. [verweerder] heeft in het voorjaar van 2015 zowel tegen zijn huisarts als de fysiotherapeut gezegd dat hij die klachten al sinds zes tot acht maanden heeft. Het hof ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De deskundige is er naar het oordeel van het hof terecht vanuit gegaan dat de klachten al langer (zes tot acht maanden) bestonden.

4.19

[medisch adviseur 2] gaat er verder ten onrechte vanuit dat de werkomstandigheden bij EBN ‘vrij ideaal’ zijn en voldoen aan de Arbonormen. Het hof denkt daar anders over en schaart zich achter de hierna te bespreken oordelen van de kantonrechter.”

4.40

Volgens de klacht is daarmee, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk waarom bij [verweerder] geen RSI is ontstaan als gevolg van de daarvoor door [medisch adviseur 2] aangedragen persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn aangeboren beperking en zijn persoonlijkheid. In dit verband voert de klacht aan dat ook de deskundigen aan deze omstandigheden betekenis hebben toegekend en dat deze omstandigheden bestaan ongeacht of [medisch adviseur 2] uitgaat van een juist ontstaansmoment van de RSI-klachten en van een correcte visie op de werkomstandigheden.100

4.41

Klacht 4 faalt. Voordat ik dit toelicht, breng ik in herinnering de in het kader van klacht 3 aangehaalde vaste rechtspraak van Uw Raad over de eisen die worden gesteld aan de motivering van de beslissing om een deskundigenbericht te volgen (zie randnummer 4.32 hiervoor). Zoals ik in het kader van klacht 3 heb geconcludeerd, is het hof in rov. 4.6.-4.26. uitvoerig ingegaan op de bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht (zie eveneens randnummer 4.32 hiervoor). De betreffende overwegingen van het hof zijn bovendien goed te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk. Tegen deze achtergrond heeft het hof het deskundigenbericht mogen overnemen, zonder daarbij per bevinding van Sorgdrager uit te moeten leggen waarom de berichten van [medisch adviseur 2] niet tot een andere uitkomst leiden.

4.42

Overigens slaat het eerste deel van de klacht wat mij betreft de plank mis. Dat deel luidt: “Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is daarmee niet duidelijk waarom bij [verweerder] geen RSI is ontstaan als gevolg van de daarvoor door [medisch adviseur 2] aangedragen persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn aangeboren beperking en zijn persoonlijkheid (…).” Het hof heeft in de bestreden rechtsoverwegingen namelijk nog niets overwogen over de mogelijke oorzaak van de RSI-klachten; het heeft daar slechts overwogen dat [medisch adviseur 2] op twee fundamentele onderdelen van een onjuist vertrekpunt is uitgegaan. Het hof heeft zich pas in rov. 4.26. uitgelaten over de oorzaak van de RSI-klachten. De klacht gaat daarmee voorbij aan de andere overwegingen die het hof in het kader van de vraag of de RSI-klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden heeft gedaan en die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.

4.43

Zoals ik eerder aanstipte, heeft het hof zich pas in rov. 4.26. uitgelaten over de oorzaak van de RSI-klachten. In het licht van hetgeen het hof daar heeft overwogen (zie randnummers 4.13-4.15 hiervoor) is niet onbegrijpelijk waarom – in de woorden van de klacht – bij [verweerder] geen RSI is ontstaan als gevolg van de daarvoor door [medisch adviseur 2] aangedragen persoonlijke omstandigheden.

4.44

Overigens is, anders dan de klacht suggereert, wel degelijk relevant dat [medisch adviseur 2] er ten onrechte van is uitgegaan dat de arbeidsomstandigheden ‘vrij ideaal’ waren. Als de arbeidsomstandigheden inderdaad ‘vrij ideaal’ waren (en [medisch adviseur 2] op dit punt dus niet van een onjuist vertrekpunt was uitgegaan), dan had dat zijn conclusie, dat niet de arbeidsomstandigheden maar andere buiten het werk gelegen omstandigheden de RSI-klachten bij [verweerder] hebben veroorzaakt, bepaald aannemelijker gemaakt.101

4.45

Klacht 4 treft geen doel.

Klacht 5

4.46

Klacht 5 is gericht tegen rov. 4.32. Het hof is in de bestreden overweging voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van EBN om [hoofd HRM] te horen over de door [verweerder] bestreden stelling dat EBN adequaat heeft toegezien op een goede werkhouding, een juist ingestelde werkplek en voldoende rustmomenten, omdat EBN deze stelling volgens het hof, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [verweerder] , onvoldoende heeft onderbouwd.

4.47

Volgens de klacht gaat het bestreden oordeel uit van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof te hoge eisen aan het bewijsaanbod heeft gesteld. In dit verband wordt gewezen op de arresten UIB/ZZC c.s.,102M./Stichting Saenwonen103 en VNP/ […].104 De klacht voert aan dat EBN hetgeen zij te bewijzen heeft aangeboden niet eerst voldoende onderbouwd hoeft te hebben of op voorhand aannemelijk hoeft te hebben gemaakt. Voor toelating tot getuigenbewijs hoeft hetgeen waarvan bewijs wordt aangeboden volgens de klacht zelf nog niet voldoende te zijn onderbouwd. Het hof had dan ook niet op de daartoe aangedragen gronden mogen voorbijgaan aan het aanbod om [hoofd HRM] als getuige te horen, aldus de klacht. Volgens de klacht geldt dit ook voor zover het hof het bewijsaanbod om [hoofd HRM] te horen heeft gepasseerd op de grond dat EBN van haar al een uitvoerige schriftelijke verklaring heeft ingebracht, maar daarin niet is ingegaan op de wijze waarop en de persoon door wie erop werd toegezien dat “[verweerder] regelmatig werd aangesproken op een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en het zorgen voor voldoende rustmomenten”. In dit verband stelt de klacht onder verwijzing naar een van Uw arresten – bedoeld zal zijn OZ/ […]105 – dat een partij in beginsel tot getuigenbewijs moet worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden, waarbij volgens de klacht niet is vereist dat, indien al een verklaring is overgelegd van degene die als getuige wordt voorgedragen, in die verklaring al is ingegaan op het punt waarvan getuigenbewijs wordt aangeboden. Geen rechtsregel schrijft voor dat indien van een als getuige te horen opgevoerd persoon al een schriftelijke verklaring in het geding is gebracht, in deze schriftelijke verklaring het desbetreffende punt al wordt aangestipt, wil een partij tot getuigenbewijs kunnen worden toegelaten.

4.48

Klacht 5 faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht suggereert, is het hof niet aan het bewijsaanbod om [hoofd HRM] te horen voorbijgegaan, omdat EBN hetgeen zij te bewijzen heeft aangeboden niet voldoende zou hebben onderbouwd of op voorhand niet aannemelijk zou hebben gemaakt. Evenmin heeft het hof het bewijsaanbod gepasseerd op de grond dat EBN van [hoofd HRM] al een uitvoerige schriftelijke verklaring heeft ingebracht, maar daarin niet zou zijn ingegaan op – kort weergegeven – hetgeen EBN te bewijzen heeft aangeboden. Het hof is niet aan waardering van het bewijsaanbod toegekomen. Het bestreden oordeel in rov. 4.32. moet namelijk zo worden gelezen dat EBN haar stellingen in het licht van [verweerder] gemotiveerde betwisting daarvan niet voldoende heeft onderbouwd en daarom niet tot bewijslevering is toegelaten. Dat blijkt uit de volgende passage uit rov. 4.32.: “EBN heeft bewijs aangeboden van de door [verweerder] bestreden stelling dat er door EBN op is toegezien dat [verweerder] regelmatig werd aangesproken op een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en het zorgen voor voldoende rustmomenten. (…) Daaruit [uit de uitvoerige schriftelijke verklaring van [hoofd HRM] , A-G] volgt niet dat en op welke wijze en door wie hierop is toegezien. Ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft EBN de stelling dat zij toezag op een goede werkhouding, optimaal ingestelde werkplek en voldoende rustmomenten niet nader onderbouwd door uit te leggen hoe dat toezicht er concreet uitzag en wie dat toezicht hield.

4.49

Deze lezing van rov. 4.32. sluit overigens aan bij hetgeen het hof in rov. 4.30. heeft geoordeeld: EBN heeft onvoldoende gesteld dat zij erop heeft toegezien dat [verweerder] ook daadwerkelijk de nodige pauzemomenten inlaste.

4.50

Klacht 5 treft geen doel.

Klacht 6

4.51

Klacht 6 is gericht tegen rov. 4.30. waar het hof het volgende heeft overwogen: “Daaruit [uit de door EBN bij akte na mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde RI&E van 26 augustus 2014, A-G] blijkt niet, zoals [verweerder] in zijn laatste akte heeft aangevoerd, dat bijzondere aandacht is besteed aan de handicap van [verweerder] , terwijl die verplichting wel volgt uit artikel 5 Arbobesluit.

4.52

Volgens de klacht mag de rechter uit hoofde van de goede procesorde, waaronder het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, slechts beslissen aan de hand van stukken als partijen voldoende gelegenheid geboden hebben gekregen om daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. EBN heeft geen afstand gedaan van het recht op hoor en wederhoor, laat staan dat zij dat ondubbelzinnig heeft gedaan, aldus de klacht. In dit verband wordt gewezen op het arrest […]/Nederlands Omroep Productiebedrijf106 van Uw Raad en de NJ-noot van Snijders bij het arrest. De klacht stelt ook dat EBN met de enkele instemming ter zitting met een nadere akte van [verweerder] , zoals opgetekend in het proces-verbaal van het hof, haar recht op hoor en wederhoor ter zake niet prijsgaf. Voor zover het hof zijn oordeel over de aansprakelijkheid van EBN heeft gebaseerd op een door [verweerder] in zijn laatste na mondelinge behandeling genomen akte ingenomen standpunt, waarop EBN niet meer heeft kunnen reageren, heeft het hof miskend dat het zijn oordeel hierop niet heeft mogen baseren zonder EBN eerst in de gelegenheid te hebben gesteld om zich hierover nog uit te laten.

4.53

Klacht 6 faalt vanwege een gebrek aan belang. In rov. 4.21. van het eindvonnis van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter overwogen dat EBN heeft gesteld dat zij RI&E’s heeft opgesteld, maar deze niet in het geding heeft gebracht. Daaraan heeft de kantonrechter toegevoegd dat EBN niet heeft gesteld dat zij ook een RI&E voor de specifieke situatie van [verweerder] of voor werknemers met een beperking heeft opgesteld, zodat de kantonrechter ervan is uitgegaan dat EBN dit niet heeft gedaan (zie ook rov. 4.27. van het bestreden arrest). Het hof heeft kennelijk geen grief gevonden tegen dit oordeel. Ik heb in de memorie van grieven in ieder geval niet een dergelijke grief gelezen. Sterker nog: ik lees in randnummer 62. van de memorie van grieven dat EBN heeft onderkend dat zij niet in staat is om RI&E’s over te leggen waarin aandacht is besteed aan de specifieke positie en noden van [verweerder] . Het hof heeft dan ook moeten uitgaan van de hiervoor beschreven door de kantonrechter vastgestelde feiten. Dit geldt ook voor zover het hof EBN in de gelegenheid had moeten stellen om zich uit te laten over de door [verweerder] genomen akte. Nu kennelijk niet tegen het hiervoor genoemde oordeel van de kantonrechter is gegriefd, stond in hoger beroep namelijk al vast dat EBN geen RI&E heeft opgesteld voor de specifieke situatie van [verweerder] of voor werknemers met een beperking. Het betoog van [verweerder] in zijn laatste akte heeft daaraan in principe niet bijgedragen en een reactie van EBN op deze akte had dat niet anders kunnen maken.

4.54

Overigens komen de reactie van [verweerder] op de door EBN overgelegde productie en het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.21. van het eindvonnis van 8 maart 2023 materieel gezien op hetzelfde neer: EBN heeft geen RI&E opgesteld voor de specifieke situatie van [verweerder] . Bovendien lees ik in randnummer 60. van de inleidende dagvaarding de stelling van [verweerder] dat niet is gebleken dat EBN een RI&E heeft uitgevoerd waarmee specifiek rekening is gehouden met de gevaren die betrekking hebben op [verweerder] , terwijl EBN in randnummer 62. van de memorie van grieven zelf heeft onderkend dat zij niet in staat is om RI&E’s over te leggen waarin aandacht is besteed aan de specifieke positie en noden van [verweerder] . In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 21 augustus 2024 staat dat de advocaat van [verweerder] de overgelegde spreekaantekeningen met het volgende heeft aangevuld: “Ik hoor nu dat er een RI&E is, maar dat zal een RI&E voor gezonde werknemers zijn. Dat is hier niet het geval.107 Tegen deze achtergrond zie ik niet in waarom zou moeten worden geconcludeerd dat [verweerder] in zijn reactie op de overgelegde RI&E een nieuwe stelling heeft ingenomen en dat het hof EBN in de gelegenheid had moeten stellen om zich over de reactie van [verweerder] uit te laten.108 Er is immers ruim aanleiding en gelegenheid geweest om op de in die laatste akte ingenomen standpunten te anticiperen.

4.55

Klacht 6 treft geen doel.

Klacht 7a

4.56

Klacht 7a is gericht tegen rov. 4.23. Volgens de klacht heeft het hof hier overwogen dat [verweerder] in verband met het ontstaan van de RSI-klachten heeft gewezen op een gesprek, waarin hij op zijn functioneren werd aangesproken, en op e-mailberichten van 13 maart 2015 en 22 april 2015, waarin dit eveneens het geval was. Het hof heeft het vervolgens, gelet op de inhoud en de toon van deze berichten, aannemelijk geacht dat [verweerder] een hogere werkdruk en spanning heeft ervaren, aldus de klacht. Mede op basis hiervan is het hof volgens de klacht tot een bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter gekomen.

4.57

Voor zover het hof EBN aansprakelijk heeft gehouden voor de bejegening door de leidinggevende, door wie [verweerder] werd aangesproken op zijn functioneren, en voor de aankondiging van zijn ontslag, getuigt dit volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting, omdat psychische schade als gevolg van de bejegening van de werkgever niet onder de zorgplicht van art. 7:658 BW valt.109

4.58

Klacht 7a, die kennelijk beoogt aan te haken bij de opvatting dat bepaalde gevallen van psychische schade, zoals schade veroorzaakt door onzorgvuldige bejegening door de werkgever, buiten het beschermingsbereik van art. 7:658 BW vallen,110 faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat sprake is van psychische schade, maar van RSI-klachten (zie rov. 4.34.). Dat zijn, in ieder geval in deze zaak, fysieke klachten (zie rov. 2.1.).

4.59

Overigens heeft het hof EBN niet rechtstreeks aansprakelijk gehouden voor de bejegening door de leidinggevende. Het hof heeft geoordeeld dat uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van onder andere een hoge ervaren werkdruk (rov. 4.26.). In het kader van die omstandigheid heeft het hof het, gelet op de inhoud en de toon van de in de klacht genoemde berichten, aannemelijk geacht dat [verweerder] een hoge werkdruk en spanning heeft ervaren (rov. 4.23.). De bejegening door de leidinggevende heeft dus slechts een (ondersteunende) rol gespeeld bij de beoordeling van het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden.

4.60

Klacht 7a treft geen doel.

Klacht 7b

4.61

Klacht 7b is gericht tegen rov. 4.13., 4.20. en 4.21. Volgens de klacht heeft het hof in deze rechtsoverwegingen, hoewel het heeft overwogen dat het onduidelijk is van welke mate van blootstelling aan beeldschermwerk de deskundige is uitgegaan en dat het wat betreft de stoel, armleuning en muis om kleine aanpassingen ging, een schending van de zorgplicht aangenomen.

4.62

Volgens de klacht komt het bij het aannemen van een schending van zorgplicht aan op de duur en de intensiteit van de blootstelling aan de gevaarlijke omstandigheden. Voor zover het hof dit heeft miskend, getuigt zijn oordeel volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof dit – bedoeld zal zijn: niet – heeft miskend, is zijn oordeel volgens de klacht, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.

4.63

De rechtsklacht van klacht 7b faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de duur en intensiteit van de blootstelling aan de gevaarlijke omstandigheden in zijn overwegingen betrokken.

4.64

Dat blijkt wat betreft de blootstelling aan beeldschermwerk uit rov. 4.13. en 4.21. Omdat deze rechtsoverwegingen een behoorlijke gelijkenis vertonen, bespreek ik hoofdzakelijk aan de hand van rov. 4.21. wat het hof heeft overwogen en uiteindelijk heeft geoordeeld. Het hof heeft in rov. 4.21. overwogen dat de door de kantonrechter benoemde deskundige de exacte tijd, te lezen als: duur, van het beeldschermwerk niet relevant heeft geacht, wel dat de tijd van het beeldschermwerk de normen uit de registratierichtlijn D022 overschreed. Nadat het hof de grieven van EBN hieromtrent heeft weergegeven, heeft het geoordeeld dat EBN heeft miskend dat het niet zozeer erom gaat of het werk voor 90% uit beeldschermwerk bestond maar of de in de richtlijn beschreven normen zijn overschreden. Uit de beschrijving van de inhoud van de registratierichtlijn D022 door het hof in rov. 4.13. volgt dat in het kader van deze richtlijn de duur en de intensiteit van de blootstelling aan beeldschermwerk relevant zijn. Bij de regio’s nek, schouder, elleboog en onderarm, pols en hand wordt bijvoorbeeld een werk-rustverhouding risicovol geacht van minder dan tien minuten pauze binnen elke 60 minuten dat bewegingen voorkomen die meer dan tweemaal per minuut moeten worden gemaakt. Bij fysieke factoren wordt een bepaalde houding en beweging die gemiddeld meer dan vier uur tijdens een werkdag voorkomt als risicovol aangeduid. Hieruit volgt dat het hof de duur en intensiteit van de blootstelling aan het beeldschermwerk wel degelijk in zijn overwegingen heeft betrokken. De hiervoor beschreven overwegingen zijn overigens goed te volgen en niet onbegrijpelijk. Waarom dat wel zo zou zijn, wordt in de procesinleiding ook niet duidelijk. De motiveringsklacht van klacht 7b faalt dus ook.

4.65

Voor wat betreft de risicovolle werkplek wijs ik op rov. 4.20. Het hof heeft daar eerst het oordeel van de kantonrechter aangehaald: de werkhouding van [verweerder] is risicovol geweest. Het hof heeft ook het werkplekonderzoek van ENRGY aangehaald, waaruit is gebleken dat tot april 2015 de stoel van [verweerder] niet goed stond afgesteld, zijn bureaublad niet op de goede hoogte stond, hij scheef voor zijn bureau zat en hij een gewone muis gebruikte terwijl een aangepaste muis beter voor hem was. Het hof heeft daarna de hiertegen gerichte bezwaren van EBN besproken: de constateringen van ENRGY in april 2015 zouden momentopnames kunnen zijn, het zou slechts om kleine aanpassingen gaan, [verweerder] zou tijdens eerdere onderzoeken zijn voorgelicht over de juiste werkhouding en [verweerder] had hier zelf ook op kunnen toezien. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze bezwaren niet opgaan. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de constatering van ENRGY dat de armleuningen van de stoel te lang zijn, waardoor [verweerder] niet goed kon aanschuiven, hij niet de juiste houding kon aannemen en hij scheef voor zijn bureau zat. Volgens het hof valt niet in te zien hoe de lengte van de stoelleuning een momentopname kan zijn. Ditzelfde geldt volgens het hof voor de gewone muis die [verweerder] gebruikte. Hieraan heeft het hof toegevoegd dat zelfs als de hoogte van het bureau en de stoel een momentopname betreft, wat volgens het hof op zichzelf niet voor de hand ligt, dan nog geldt dat de werkplek ook op andere onderdelen (de gewone in plaats van een aangepaste muis, A-G) risicovol was. Het hof heeft afgesloten met de opmerking dat het zo kan zijn dat het om kleine aanpassingen ging, maar uit het rapport van ENRGY volgt dat de kleine ergonomische onvolkomenheden en voornamelijk een opeenstapeling hiervan een werkplek onveilig en ongezond kunnen maken. Hierin ligt besloten dat het hof de duur en de intensiteit van de blootstelling aan de gevaarlijke werkplek in zijn overwegingen heeft meegenomen. De hiervoor besproken overwegingen van het hof zijn ook goed te volgen en niet onbegrijpelijk. Waarom dat wel zo zou zijn, wordt in de procesinleiding ook niet duidelijk.

4.66

Klacht 7b treft geen doel.

Klacht 8

4.67

Klacht 8 is gericht regen rov. 4.30. waarin het hof heeft overwogen: “Het hof is echter met de kantonrechter van oordeel dat (ook) van de werkgever mag worden verwacht, juist in het geval van [verweerder] waarin sprake is van een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zij erop toezag dat de werkplek van [verweerder] op de juiste wijze was ingesteld.

4.68

Volgens de klacht is het bestreden oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. In dit verband wordt gewezen op de stelling van EBN dat zij bij [verweerder] een individuele, op zijn werkplek toegesneden en inspectie en afstelling heeft laten uitvoeren door het daarin gespecialiseerde externe bureau ENGRY.111

4.69

De klacht faalt, omdat het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk is. Anders dan de klacht lijkt te veronderstellen, heeft het hof met het werkwoord ‘toezien’ in het bestreden oordeel niet (alleen) gedoeld op ‘zorgen voor’ maar ook op ‘toezichthouden op’ een gezonde werkplek. Dit blijkt uit het in rov. 4.27. door het hof beschreven oordeel van de kantonrechter, waarnaar door het hof in rov. 4.30. wordt verwezen. Volgens het hof in rov. 4.27. heeft de kantonrechter geoordeeld dat het gelet op het verhoogde risico op het ontwikkelen van RSI-klachten op de weg van EBN lag om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen om RSI-klachten te voorkomen en niet te volstaan met maatregelen die voor al haar medewerkers golden. Het in de klacht aangehaalde werkplekonderzoek valt hieronder te scharen. Verder heeft de kantonrechter, opnieuw volgens het hof in rov. 4.27., geoordeeld dat het aan de werkgever is om erop toe te zien dat uit de werkplekonderzoeken volgende instructies – als [verweerder] die heeft gekregen – worden nageleefd en dat het niet voldoende is onderbouwd dat EBN dit heeft gedaan. Tegen deze achtergrond komt het bestreden oordeel erop neer dat van EBN had mogen worden verwacht dat zij ervoor zou zorgen dat de werkplek van [verweerder] op de juiste wijze was ingesteld en zou controleren dat [verweerder] zijn werkplek conform de werkplekinstructies gebruikte. Zo bezien is het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in de klacht aangehaalde stelling.

4.70

Klacht 8 treft geen doel.

Slotsom

4.71

Nu geen van de klachten slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen.

4.72

Dat brengt mij bij een slotopmerking. In deze zaak is, anders dan in zaken over werkgeversaansprakelijkheid voor RSI-klachten doorgaans het geval is, in feitelijke instanties geoordeeld dat sprake is van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. Daarbij is de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in de gereedschapskist van de feitenrechter gebleven. Het hof heeft in dit specifieke geval uit het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht het vereiste causaal verband tussen de werkomstandigheden en de klachten opgemaakt. Dat heeft het volgens mij ook kunnen doen. Dat betekent niet dat bij andere werknemers met RSI-klachten die hun pijlen willen richten op hun werkgever nu de vlag uit kan.

5Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

1Deze feiten zijn, met een enkele redactionele aanpassing, ontleend aan het bestreden arrest: hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:281, rov. 3.1.-3.30.

2Het hof heeft dit gedaan omdat het debat in hoger beroep voor een groot deel is gestoeld op de inhoud van deze berichten. Zie het bestreden arrest, rov. 3.1.

3Naar ik begrijp, staat “KANS-klachten” voor ‘Klachten aan Arm, Nek en Schouder’ en “CANS-klachten” voor ‘Complaints of the Arm, Neck and/or Shoulder’.

4WIA staat voor Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

5WGA staat voor Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.

6IVA staat voor Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.

7Rb. Midden-Nederland 22 december 2021, zaaknummer: 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

8Het SALTSA-rapport is een Europese richtlijn voor het diagnosticeren en beoordelen van werkgerelateerde aandoeningen aan de nek en bovenste ledematen zoals RSI. Het biedt criteria om te bepalen of klachten zijn veroorzaakt door fysieke risicofactoren op het werk en wordt gebruikt bij de screening en beoordeling van beroepsziekten.

9Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 3.1.

10Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 3.2.

11Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 3.3.

12Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 3.3.

13Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666.

14Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 4.1.-4.17.

15Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 5.1.

16Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 5.1.-.5.7.

17Rb. Midden-Nederland 1 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4197.

18Rb. Midden-Nederland 1 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4197, rov. 2.1.

19Rb. Midden-Nederland 1 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4197, rov. 2.2.-2.13.

20Rb. Midden-Nederland 22 december 2021, zaaknummer: 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

21Rb. Midden-Nederland 22 december 2021, zaaknummer: 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 3.2.

22Omdat [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] zelf geen revalidatiearts is, is de opdracht in samenwerking met Sorgdrager en [gezondheidspsycholoog] uitgevoerd en is de opdracht formeel door Sorgdrager aangenomen. Zie Rb. Midden-Nederland 22 december 2021, zaaknummer: 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 1.4.

23Rb. Midden-Nederland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1043.

24Rb. Midden-Nederland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1043, rov. 4.28.-4.30.

25Rb. Midden-Nederland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1043, rov. 4.5., 4.18. en 4.27.

26Bestreden arrest, rov. 2.3.

27Bestreden arrest, rov. 4.3. en 4.34.

28In een eindnoot heeft het hof hier verwezen naar HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468, RvdW 2013/673, JBPr 2013/42 m.nt. H.L.G. Wieten en JIN 2013/117 m.nt. L.F. Dröge (Stichting Ziekenverpleging Aruba).

29PBM staat voor persoonlijk beschermingsmiddel (bijvoorbeeld een veiligheidshelm).

30PAGO staat voor periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek en PMO staat voor preventief medisch onderzoek.

31Ingevolge art. 402 lid 1 Rv moet het cassatieberoep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Ingevolge art. 1 Algemene Termijnenwet (ATW) wordt een termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Het bestreden arrest is van 21 januari 2025. Het cassatieberoep had daarom normaal gesproken uiterlijk op maandag 21 april 2025 moeten worden ingesteld. Maandag 21 april 2025 was tweede paasdag. Tweede paasdag is ingevolge art. 3 ATW een algemeen erkende feestdag in de zin van de ATW. Het cassatieberoep moest daarom uiterlijk op dinsdag 22 april 2025 worden ingesteld. De procesinleiding is van 22 april 2025. Het cassatieberoep is dus tijdig ingesteld.

32Daarbij bouw ik voort op mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:286) voor HR 12 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1260, RvdW 2025/1001 (NedTrain) (art. 81 RO), randnummers 3.8-3.13.

33Zie https://rsi-vereniging.nl/over-rsi/wat-is-rsi/.

34Zie https://www.beroepsziekten.nl/sites/default/files/cijfers/beroepsziekten-in-cijfers/2024/Beroepsziekten-in-cijfers-2024.pdf.

35Zie https://monitorarbeid.tno.nl/wp-content/uploads/sites/16/2025/05/TNO-Arbobalans-2024.pdf (p. 237).

36Zie https://rsi-vereniging.nl/wp-content/uploads/2018/01/Richtlijn-aspecifieke-kans-2012.pdf.

37Zie in dit verband A.E.B. ter Heide, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.), Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:658 BW (actueel tot en met 1 januari 2018).

38Zie in dit verband T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:658 BW (actueel tot en met 1 september 2025), aant. 3 onder c (I.A. van der Burg).

39Voor zover ik heb kunnen nagaan, gaat het om HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406, RvdW 2005/75 en JA 2005/65 m.nt. M.S.A. Vegter ([…] /Zee Electronics) (geen aansprakelijkheid aangenomen in hoger beroep; vernietiging in cassatie maar overwegingen op de concrete zaak gericht), HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6167, RvdW 2006/546, SR 2006/54 m.nt. D.J. Buijs en JAR 2006/155 m.nt. M.S.A. Vegter (Campen/Köpcke Global Trading) (geen aansprakelijkheid aangenomen; cassatieberoep werknemer met toepassing van art. 81 RO verworpen), HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041, NJ 2012/195 m.nt. C.E. du Perron en TRA 2011/6 m.nt. M.S.A. Vegter (arrest ziet specifiek op verjaring: beroep door werkgever op verjaring door hof gehonoreerd; cassatieberoep werknemer verworpen) en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98 m.nt. T. Hartlief, JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen en JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons (SVB/ […]) (werkgever komt in cassatie met succes op tegen toepassing in hoger beroep van arbeidsrechtelijke omkeringsregel). Zie mede naar aanleiding van de twee eerstgenoemde zaken overigens A.G. Castermans & P.W. den Hollander, ‘Werkgeversaansprakelijkheid voor RSI, repetitive strain voor de rechter’, in A.G. Castermans, I.S.J. Houben, K.J.O. Jansen, P. Memelink en J.H. Nieuwenhuis (red.), Het zwijgen van de Hoge Raad (BW Krant Jaarboek 25), Deventer: Kluwer 2009, p. 161 e.v. Ook uit de rechtspraak van Uw Raad over overspanning en burn-out kunnen moeilijk inhoudelijke lijnen worden getrokken, nu deze rechtspraak door toepassing van art. 81 RO wordt beheerst. Zie HR 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2619, RvdW 2009/494 en TRA 2009/56 m.nt. M.S.A. Vegter (Dow Benelux BV) (geen werkgeversaansprakelijkheid aangenomen; art. 81 RO), HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:944, RvdW 2021/665 (Urenco Nederland BV) (geen werkgeversaansprakelijkheid aangenomen; art. 81 RO) en HR 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:480, RvdW 2025/478 en JIN 2025/67 m.nt. R.D. Beudeker (Samsung Electronics Air Conditioner Europe BV) (geen werkgeversaansprakelijkheid aangenomen; art. 81 RO).

40Zie in dit verband bijvoorbeeld HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129, NJ 2009/332, TRA 2009/26 m.nt. M.S.A. Vegter en JAR 2009/15 m.nt. M.S.A. Vegter (Maatzorg), rov. 3.5.2. Zie verder bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 25. De inhoud en omvang van de zorgplicht uit art. 7:658 BW wordt niet alleen bepaald door geschreven recht in de vorm van de arboregels maar ook door ongeschreven recht en in dat kader een weging van de bekende Kelderluik-factoren. Zie in dit verband bijvoorbeeld mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:348) voor HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:872, RvdW 2023/665 (art. 81 RO), randnummers 3.12-3.16.

41In rov. 4.22. van het eindvonnis van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter deze regel aangehaald, waarna hij heeft geoordeeld dat EBN niet heeft aangetoond dat zij daaraan heeft voldaan.

42Kamerstukken II 1997/1998, 25879, nr. 3, p. 12. Zie in dit verband ook de hiervoor in randnummers 2.24 en 2.27 geciteerde rov. 4.27. en 4.30. uit het bestreden arrest.

43Zie over dit ‘kenbaarheidsvereiste’ de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2021:21) voor HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:994, RvdW 2021/665 (art. 81 RO). Zie verder bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 25.2 en 27.5 en Arbeidsovereenkomst, art. 7:658 BW (online, actueel tot en met 26 januari 2022), aant. 9.4.4 (J.P. Kroon).

44Zie S.D. Lindenbergh, Psychische schade. Civielrechtelijke aansprakelijkheid voor schade door aantasting van geestelijke gezondheid, verdriet, angst, spanning, frustratie, ergernis en (ander) onbehagen, Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 65-66 en het rechtspraakoverzicht in voetnoot 35 op p. 66. In zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:21) voor HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:994, RvdW 2021/665 (Hydrauvision Systems BW c.s.) (art. 81 RO) heeft ook plv. P-G Langemeijer dit rechtspraakoverzicht van Lindenbergh aangehaald.

45Zie bijvoorbeeld hof ’s-Hertogenbosch 9 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO4408, TRA 2011/39 m.nt. J.N. Stamhuis, JA 2011/24 m.nt. M.S.A. Vegter en JAR 2011/41 m.nt. M.S.A. Vegter, rov. 4.15.1.-4.15.2. en hof ’s-Hertogenbosch 19 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:593, rov. 9.6.

46Zie bijvoorbeeld hof ’s-Gravenhage 16 februari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA0761 (ABN Amro), rov. 4.6. en hof ’s-Gravenhage 27 april 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA6359 (cassatieberoep verworpen in HR 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2619, RvdW 2009/494 en TRA 2009/56 m.nt. M.S.A. Vegter (Dow Benelux BV) (art. 81 RO)), rov. 3.7.

47Zie in dit verband bijvoorbeeld A.E.B. ter Heide, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.), Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:658 BW (actueel tot en met 1 januari 2018) en S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 1. Zie over psychische overbelasting (burn-out) nog de conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2025:169) voor HR 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:480, RvdW 2025/478 en JIN 2025/67 m.nt. R.D. Beudeker (Samsung Electronics Air Conditioner Europe BV) (art. 81 RO).

48Zie bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 16 en 18.

49HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369, NJ 2001/596 m.nt. W.D.H. Asser, AV&S 2001, p. 24 m.nt. C.J.M. Klaassen en JAR 2000/261 m.nt. D.M. Thierry.

50HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:536, NJ 2018/291 m.nt. J. Spier, JA 2018/85 m.nt. J.P. Quist, JIN 2018/110 m.nt. J. Hoekstra & J. van Ittersum en JAR 2018/111 m.nt. E.M. Hoogeveen, rov. 3.3.2.

51Zie het op RSI-klachten betrekking hebbende HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons en JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen (SVB/ […]), rov. 4.2.2 en 4.2.3 en het op de blootstelling aan gevaarlijke stoffen betrekking hebbende HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…] BV/ […]), rov. 4.1.2 en 4.1.3.

52Zie behalve de in de vorige voetnoot genoemde annotaties bij SVB/ […] bijvoorbeeld H. de Hek, ‘Thuis, maar ver van huis. Over de werkgeversaansprakelijkheid voor thuiswerken’, Afwikkeling Personenschade 2022, afl. 3, p. 56 en B. Barentsen, ‘Werkgeversaansprakelijkheid en compensatieregelingen’, O&A 2022/75, p. 159.

53Zo heeft W. van Veen, ‘Discussie over causaliteit bij beroepsziekten’, L&S 2022, afl. 4, p. 14 bijvoorbeeld bepleit om het vereiste dat het causaal verband ‘niet te onzeker of te onbepaald’ mag zijn, te beschouwen als een lagere drempel dan het condicio sine qua non-verband.

54Zie in vergelijkbare zin de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2020:714) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996, RvdW 2021/43 ([…] / […] BV) (art. 81 RO), randnummer 3.5 en mijn NJ-noot (nr. 26) bij HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…] BV/ […]).

55Zie in het bijzonder de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2013:BZ1717) voor HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons en JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen (SVB/ […]), randnummers 4.1 e.v. en de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:HR:2013:BZ1721) voor HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…] BV/ […]), randnummers 4.1 e.v.

56Zie onder meer mijn NJ-noot (nrs. 13 e.v.) bij HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99, JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen en JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed ([…] BV/ […]) en het vervolg in die zaak, die uiteindelijk is uitgemond in een vergoedingsplicht van 25% van de schade van de nabestaanden van de voormalig werknemer: HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996, RvdW 2021/43 (art. 81 RO).

57HR 31 maart 2006, ECLI:NL:2006:AU6092, NJ 2011/250 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, Ars Aequi 2006, p. 736 m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2006/81 m.nt. W.H. Bouman, AV&S 2006/27 m.nt. M.S.A. Vegter, NTBR 2006/44 m.nt. Chr.H. van Dijk en JB 2006/109 m.nt C.L.G.F.H. Albers. Zie verder nog HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491, NJ 2012/237 m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2013/41 m.nt. Chr.H. van Dijk & A.J. Akkermans en FED 2013/31 m.nt. P. van der Wal (Deloitte Belastingadviseurs BV/ […] BV c.s.) en HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1454, NJ 2024/198 m.nt. AJ. Verheij en JA 2023/21 m.nt. J. Verstoep (Cardiologen/Staat).

58In die laatste gevallen is (volledige) afwijzing respectievelijk toewijzing van de schadevergoedingsvordering aangewezen, niet toewijzing van een percentage daarvan.

59HR 31 maart 2006, ECLI:NL:2006:AU6092, NJ 2011/250 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, Ars Aequi 2006, p. 736 m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2006/81 m.nt. W.H. Bouman, AV&S 2006/27 m.nt. M.S.A. Vegter, NTBR 2006/44 m.nt. Chr.H. van Dijk en JB 2006/109 m.nt C.L.G.F.H. Albers, rov. 3.13.

60Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2020:714) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996, RvdW 2021/43 ([…] / […] BV) (art. 81 RO), randnummer 3.12.

61Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2020:714) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996, RvdW 2021/43 ([…] / […] BV) (art. 81 RO), randnummer 3.12, S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 19 en H. de Hek, ‘Thuis, maar ver van huis. Over de werkgeversaansprakelijkheid voor thuiswerken’, Afwikkeling Personenschade 2022, afl. 3, p. 57.

62Zo bijvoorbeeld H. de Hek, ‘Thuis, maar ver van huis. Over de werkgeversaansprakelijkheid voor thuiswerken’, Afwikkeling Personenschade 2022, afl. 3, p. 57.

63Ik zocht op www.rechtspraak.nl op ‘RSI’, filterde op ‘Uitspraak’ en ‘Civiel recht’, stelde het datumbereik in op ‘na 7 juni 2013’ en sorteerde de 79 resultaten anti-chronologisch. Het is niet mijn bedoeling om in deze conclusie een compleet overzicht te geven van de feitenrechtspraak over werkgeversaansprakelijkheid voor RSI-klachten.

64Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 3 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:815 (geen aansprakelijkheid aangenomen; geen toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel), Rb. Midden-Nederland 3 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4618 (Koninklijke Begeer BV) (geen aansprakelijkheid aangenomen; geen toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel; toepassing gewone bewijsregels), hof Amsterdam 15 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5236 (Accenture) (geen aansprakelijkheid aangenomen), Rb. Noord-Holland 25 november 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:10965 (Hemera Textiles BV) (geen aansprakelijkheid aangenomen; geen toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel; werknemer heeft niet voldaan aan stelplicht ten aanzien van causaal verband) en Rb. Den Haag 19 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6278 (vordering afgewezen; geen toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel; oorzakelijke relatie tussen werkomstandigheden en klachten werknemer kan niet worden vastgesteld).

65Zie bijvoorbeeld hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NLGHARL:2016:3981 (aansprakelijkheid aangenomen).

66Zie over pre-existentie en waarin zij verschilt van een predispositie C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2 (Mon. BW B35), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 41.3.

67Zie bijvoorbeeld A.L.M. Keirse en R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2013, nrs. 32, 58 en 60.

68Zie bijvoorbeeld H.T.M. Kloosterhuis & C.E. Smith, Vijf minuten rechtsfilosofie. Speurtochten langs veertig rechtsspreuken, Den Haag: Boom 2025, p. 167-168.

69HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961, NJ 1986/137 m.nt. C.J.H. Brunner.

70De in het kader van art. 7:658 BW na te leven geschreven arbonormen en ongeschreven normen beogen immers de veiligheid van werknemers te bevorderen. Zie reeds HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4960, NJ 1986/136 m.nt. C.J.H. Brunner (Joe/Chicago Bridge).

71Zie bijvoorbeeld mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:883) voor HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1944, RvdW 2023/87 (Hertz Holdings Netherlands 2 BV) (art. 81 RO), randnummer 3.34 en de aldaar aangehaalde bronnen, alsmede T. Hartlief, ‘Toerekening naar redelijkheid‘, in C.G. Breedveld-de Voogd e.a. (red.), Sluitertijd (Hijma-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 158 en C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2 (Mon. BW B35), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 41.3.

72Zie bijvoorbeeld HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920, NJ 1989/751 m.nt. C.J.H. Brunner (ABP/ […]), rov. 3.2.

73Zie bijvoorbeeld HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920, NJ 1989/751 m.nt. C.J.H. Brunner (ABP/ […]), rov. 3.2 en ook HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391 m.nt. J. Spier, JA 2020/1 m.nt. F.T. Oldenhuis en M.C. Gozoglu en JIN 2020/32 m.nt. D.G.J. Sanderink (Gaswinning Groningen), rov. 2.10.4.

74Vergelijk bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh en I. van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon. BW B37), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 20 en T. Hartlief, ‘Toerekening naar redelijkheid‘, in C.G. Breedveld-de Voogd e.a. (red.), Sluitertijd (Hijma-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 164-165. In HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391 m.nt. J. Spier, JA 2020/1 m.nt. F.T. Oldenhuis en M.C. Gozoglu en JIN 2020/32 m.nt. D.G.J. Sanderink (Gaswinning Groningen), rov. 2.10.5 heeft Uw Raad ervoor gekozen deze gevallen niet onder de noemer van schadebegroting te bespreken maar onder de noemer van het (voor een deel van de schade) ontbreken van condicio sine qua non-verband. Het voert te ver de (beperkte) betekenis van het verschil in benadering hier te bespreken. Ik verwijs naar T. Hartlief, ‘Heeft de aansprakelijke persoon niet alleen de benadeelde maar ook een getroffen zaak te nemen zoals deze is? Het adagium ‘The tortfeasor takes the victim as he finds him’ na de prejudiciële beslissing inzake de Gaswinning in Groningen’, NTBR 2022/5, p. 45 e.v.

75Zie bijvoorbeeld mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:883) voor HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1944, RvdW 2023/87 (Hertz Holdings Netherlands 2 BV) (art. 81 RO), randnummer 3.37 en de aldaar aangehaalde bronnen alsmede A. Kolder, ‘Vijf jaar personenschade bij de Hoge Raad (2020 t/m 2024): twintig kernarresten’, AV&S 2025/21, p. 128-129.

76Zie bijvoorbeeld HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172 en JA 2022/93 m.nt. E.W. Bosch, rov. 3.1.1.

77HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98 m.nt. T. Hartlief, JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen en JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons, rov. 4.2.5.

78NJ-noot bij HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98, JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen en JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons, nrs. 12-14 en 23-24.

79Conclusie (ECLI:NL:PHR:2006:AW6167) voor HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6167, RvdW 2006/546, SR 2006/54 m.nt. D.J. Buijs en JAR 2006/155 m.nt. M.S.A. Vegter (Campen/Köpcke Global Trading), randnummers 3.7.1, 3.7.2 en 3.9.

80HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6167, RvdW 2006/546, SR 2006/54 m.nt. D.J. Buijs en JAR 2006/155 m.nt. M.S.A. Vegter.

81NJ-noot (nr. 3) bij HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6092, NJ 2011/250 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, Ars Aequi 2006, p. 736 e.v. m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2006/81 m.nt. W.H. Bouman, NTBR 2006/44 m.nt. Chr.H. van Dijk, AV&S 2006/27 m.nt. M.S.A. Vegter, SR 2006/37 m.nt. M.S.A. Vegter en JB 2006/109 m.nt. C.L.G.F.H. Albers.

82Conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:BZ1717) voor HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98 m.nt. T. Hartlief, JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen en JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons, randnummers 5.56.1-5.56.2.

83HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99 m.nt. T. Hartlief, JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen en JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed.

84In randnummer 5.5 van de procesinleiding staat (met weglating van voetnoten): “(…) EBN verwees hiervoor naar [medisch adviseur 2] en [onafhankelijk bedrijfsarts] en overigens ook naar de bevindingen van de benoemde deskundigen waar die als één van de drie domeinen waaruit “factoren mee hebben gespeeld (rov. 3.23) ervaren onrecht noemen en waar zij voor een ontspannen werkhouding van [verweerder] relevant achten: “de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, en mogelijk beperkte copingmechanismen en de stressgevoeligheid (onrecht, conflictsituaties)”, waaraan zij toevoegen: “percentages van oorzakelijke en bijdragende factoren zijn lastig te geven”, met de toevoeging: “er is een blijvende beperking, namelijk de eenhandigheid”, zoals weergegeven door het hof (rov. 3.23).

85In dit verband wordt in het kader van iedere factor herhaaldelijk gewezen op randnummers 3.12.-3.14. en 5.18. van de conclusie van antwoord, randnummers 4.3. en 4.5.-4.7. van de conclusie van dupliek en randnummers 2.13., 2.15., 3.6., 3.8.-3.10., 3.16., 3.17., 3.23. en 3.25.-3.27. van de memorie van grieven.

86In dit verband wordt gewezen op randnummers 5.12. en 5.18. van de conclusie van antwoord.

87Niet ondenkbaar is dat de causale bijdrage van privéfactoren wel rechtens relevant is, maar dan zou het moeten gaan om andere factoren dan die liggen in de sfeer van predispositie en privémoeilijkheden nu deze laatste juist voor rekening van de aansprakelijke komen (randnummer 3.21 hiervoor). Meer heil zou de aangesproken persoon kunnen verwachten van een beroep op de causale relevantie van intensief gamen of het uitoefenen van andere hobby’s bijvoorbeeld. Daarop heeft het debat in deze zaak niet werkelijk betrekking gehad. Uit rov. 4.17. (randnummer 2.18 hiervoor) kan enkel worden afgeleid dat [medisch adviseur 2] in abstracto op de mogelijke bijdrage van privécomputergebruik of hobby’s heeft gewezen.

88In dit verband geldt wel dat de ene factor in de privésfeer de andere niet is. Zie randnummer 3.21 en ook voetnoot 87 hiervoor.

89In dit verband wordt gewezen op rov. 3.23. van het bestreden arrest, waarin het hof bepaalde passages uit het deskundigenbericht heeft weergegeven.

90Overigens is de verwijzing in de procesinleiding naar (de weergave van bepaalde passages uit het deskundigenbericht in) rov. 3.23. (zie ook randnummer 1.28 hiervoor) wat mij betreft niet to the point. Daar valt in de eerste plaats te lezen dat aan het werk gerelateerde omstandigheden de oorzaak zijn (bij een vergelijkbare werksituatie zou [verweerder] de klachten ook hebben gekregen). Vervolgens noemt de deskundige in het kader van de werkhouding ook de invloed van andere factoren, maar die komen eigenlijk gelet op de predispositie-rechtspraak voor rekening van de werkgever. Verder stelt de deskundige weliswaar niet in staat te zijn om percentages te noemen, maar daarbij doelt hij op alle in het betreffende antwoord genoemde factoren (die soms zouden hebben bijgedragen aan het ontstaan van de klachten, soms enkel aan de duur of ernst ervan). Hier wordt niet (anders dan EBN suggereert) een percentageverdeling tussen ‘arbeidsomstandigheden’ en ‘privéomstandigheden’ bedoeld.

91In dit verband wordt gewezen op HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, NJ 2001/377, JAR 2001/96 m.nt. D.M. Thierry en AV&S 2001, p. 158 e.v. m.nt. C.J.M. Klaassen ([…] / […]).

92In dit verband wordt gewezen op HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406, RvdW 2005/75 en JA 2005/65 m.nt. M.S.A. Vegter ([…] /Zee Electronics).

93HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369, NJ 2001/596 m.nt. W.D.H. Asser, AV&S 2001, p. 24 m.nt. C.J.M. Klaassen en JAR 2000/261 m.nt. D.M. Thierry.

94Ook in dit verband wordt gewezen op randnummers 4.1.-5.18. van de conclusie van antwoord en randnummers 3.16.-4.27. van de memorie van grieven.

95In dit verband wordt gewezen op HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98 m.nt. T. Hartlief, JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen en JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons (SVB/ […]).

96In dit verband wordt gewezen op randnummers 3.6.-3.10. en 3.24.-3.27. van de memorie van grieven.

97Conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2025:169) voor HR 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:480, RvdW 2025/478 en JIN 2025/67 m.nt. R.D. Beudeker (Samsung Electronics Air Conditioner Europe BV) (art. 81 RO), randnummers 4.6 en 4.7.

98Zie art. 152 lid 2 Rv en HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1027, NJ 2018/294 en JIN 2018/138 m.nt. P.S. […] , rov. 3.3.4 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3654, RvdW 2015/91 en JIN 2015/38 m.nt. J. van Weerden (Achmea Schadeverzekeringen NV), rov. 3.4.1. Zie verder bijvoorbeeld GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 152 Rv (actueel tot en met 16 januari 2026), aant. 2.1 (G. de Groot), G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, Den Haag: Sdu 2019, par. 6.4.1 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 68.

99HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921, NJ 2011/599 (Stichting Flevoziekenhuis), rov. 3.4.5, HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279, RvdW 2017/261 (Goedvast Vastgoed BV), rov. 3.4.3 en HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:649, NJ 2024/48 m.nt. M.A. Verbrugh en JOR 2023/155 m.nt. M.W. Josephus Jitta (Minister van Financiën/Stichting Beheer SNS Reaal en FNV c.s.), rov. 3.1.2.

100In dit verband wordt gewezen op randnummers 2.13.-3.10. van de memorie van grieven.

101Vergelijk randnummer 51. van de schriftelijke toelichting van [verweerder] .

102HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1605, RvdW 2024/1072.

103HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0865, NJ 2004/520 en JBPr 2005/16 m.nt. J. Dammingh.

104HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0901, NJ 2002/385 m.nt. H.J. Snijders en Ars Aequi 2002, p. 268 e.v. m.nt. T. Hartlief.

105HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser, Ars Aequi 2005, p. 270 e.v. m.nt. G.R. Rutgers en JBPr 2004/65 m.nt. M.A.J.G. Janssen. In randnummer 5.23 van de procesinleiding staat: “(…) Een partij moet in beginsel tot getuigenbewijs worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden (ECLI:NL:HR:2004:AO7816). (…)” Ik ga uit van een typefout in de procesinleiding en neem aan dat niet ECLI:NL:HR:2004:AO7816 is bedoeld, maar ECLI:NL:HR:2004:AO7817.

106HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4039, NJ 2007/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2006/29 m.nt. J.G.A. Linssen.

107Blad 3 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 21 augustus 2024.

108Vergelijk in het bijzonder HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2879, NJ 2017/15, JIN 2017/16 m.nt. G.J. de Bock en R.A.G. de Vaan en Jurisprudentie Grondzaken m.nt. F.M.A. van der Loo, rov. 3.4.1. Vergelijk verder onder (veel) meer HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4039, NJ 2007/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2006/29 m.nt. J.G.A. Linssen, rov. 3.3, HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1751, RvdW 2015/881, rov. 3.3.2 en HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:588, RvdW 2024/443 en JIN 2024/89 m.nt. M.A.J.G. Janssen, rov. 3.3.2. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft Uw Raad zich nog niet eerder uit hoeven laten over de toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor in het geval dat een procespartij die bij akte producties heeft overgelegd niet bij antwoordakte heeft gereageerd of mogen reageren op de na de eerst genoemde akte door de andere procespartij genomen akte van uitlatingen. Ik zie in ieder geval niet in, gegeven het belang van hoor en wederhoor, waarom de bestendige lijn van Uw Raad, dat de rechter in een civiele procedure slechts mag beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven, niet ook zou gelden in deze situatie.

109In dit verband wordt gewezen op Asser Bijzondere overeenkomsten/G.J.J. Heerma van Voss, Deel 7-V. Arbeidsovereenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 259.

110Zie in dit verband HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6657, NJ 2010/309 m.nt. T. Hartlief, JA 2005/39 m.nt. S.D. Lindenbergh, SR 2005/45 m.nt. M.S.A. Vegter en JAR 2005/84 m.nt. M.S.A. Vegter (ABN Amro/ […]), waaruit overigens blijkt dat art. 7:658 BW wel degelijk ook bescherming kan bieden tegen het ontstaan van psychisch letsel, en ook HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1032, NJ 1993/667 m.nt. P.A. Stein (Nuts/ [gezondheidspsycholoog]) dat steun biedt aan genoemde opvatting (psychische schade door onzorgvuldige bejegening valt onder (schending van de eisen van) goed werkgeverschap). Beide arresten worden overigens vermeld in de in de vorige voetnoot genoemde bron.

111In dit verband wordt verwezen naar p. 11 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep.

 

Parket bij de Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:PHR:2026:381