Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOVE 230626 chroom-6 op POMS-site; COPD diagnose 14 jr na laatste blootstelling; latentietermijn 10 jr uit Regeling uitkering chroom-6 niet te kort;

RBOVE 230626 chroom-6 op POMS-site; COPD diagnose 14 jr na laatste blootstelling; latentietermijn 10 jr uit Regeling uitkering chroom-6 niet te kort;

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].

Standpunten van partijen

4. [eiser] voert aan dat de termijn van tien jaar, waarbinnen diagnose COPD moet zijn gesteld na de laatste blootstelling aan chroom-6, te kort is. De gevolgen van chroom-6 slepen immers al jaren voort en deze kunnen [eiser] na jaren worden gediagnostiseerd. Daarnaast hebben collega’s die hetzelfde werk hebben uitgevoerd wel financiële compensatie gekregen. Ook zijn er collega’s die door het werken met chroom-6 vroegtijdig zijn overleden. Verder verwijst [eiser] naar de Regeling tegemoetkoming Stoffen gerelateerde Beroepsziekten. Tot slot doet [eiser] een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

5. Volgens de staatssecretaris kent de regeling op dit punt een gebonden beoordelingskader en is er geen beleidsvrijheid om van de daarin gestelde voorwaarden af te wijken. Dat de gevolgen van blootstelling aan chroom-6 zich mogelijk [eiser] na langere tijd manifesteren en dat collega’s van [eiser] onder andere omstandigheden een tegemoetkoming hebben ontvangen, maakt dat niet anders.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

6.1.

De regeling voorziet in een schadevergoeding voor (voormalige) werknemers van het Ministerie van Defensie, die in de uitoefening van een in de bijlage 1 van de regeling genoemde functie zijn blootgesteld aan chroom-6 houdende stoffen en ten gevolge daarvan lijden aan 1 of meerdere aandoeningen die worden vermeld in de bijlage 2 van de regeling. De functie van monteur tracks-werkplaats op POMS-Site Vriezenveen en de aandoening COPD van [eiser], staan beschreven in bijlagen 1 en 2 van de regeling.

6.2.

De regeling stelt in artikel 3, derde lid, bij de aandoening COPD als aanvullende voorwaarde dat de diagnose moet zijn gesteld binnen tien jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6 bij defensie. In dit geval is de diagnose COPD van [eiser] volgens de verklaring van de huisarts gesteld in 2020, terwijl [eiser] in 2006 uit militaire dienst is ontslagen. Daarmee voldoet [eiser] niet aan de voorwaarde van artikel 3, derde lid, van de regeling.

6.3.

Uit de toelichting3 bij artikel 3 van de Regeling volgt waarom is gekozen voor een latentieperiode van 10 jaar:

“Volgens het RIVM-onderzoek4 geldt bij COPD een maximale latentieperiode van vijf jaar. Dat wil zeggen: als de COPD zich meer dan vijf jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6 heeft geopenbaard, is niet aannemelijk dat de COPD (mede) daardoor is veroorzaakt. Dit houdt verband met het herstellend vermogen van de longen. Omdat men niet altijd direct naar de arts gaat of de diagnose niet altijd direct wordt gesteld, geldt voor de regeling dat de diagnose binnen tien jaar na de laatste blootstelling moet zijn gesteld (derde lid).”.

6.4.

Gelet op bovenstaande toelichting volgt de rechtbank [eiser] niet in zijn standpunt dat de latentieperiode van 10 jaar te kort is. Immers, bij een openbaarbaring van COPD meer dan vijf jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6, is het al niet meer aannemelijk dat de COPD (mede) daardoor is veroorzaakt. Omdat een diagnose niet altijd direct wordt gesteld is er in de regeling gekozen voor een langere latentieperiode van 10 jaar. [eiser] heeft in deze procedure geen informatie in het geding gebracht, waaruit zou kunnen blijken dat de onderzoeksbevindingen van het RIVM onjuist zijn.

6.5.

Uit het Formulier Medische Informatie bij het aanvraagformulier van [eiser] blijkt dat hij sinds 2020 (afgezien van eenmalig atrovent gebruik in 2016) klachten heeft van COPD. De COPD heeft zich in dit geval dus meer dan 5 jaar na de laatste blootstelling aan chroom-6 in 2006 geopenbaard, daarmee is het gelet op het RIVM onderzoek niet aannemelijk dat zijn COPD (mede) daardoor is veroorzaakt. Dat collega’s van [eiser], zoals hij stelt, wél financiële compensatie hebben gekregen óf vroegtijdig overleden zijn, kan hem in deze procedure niet helpen, omdat de rechtbank niets weet van de specifieke en concrete omstandigheden van deze collega’s, doordat [eiser] daarover aan de rechtbank geen enkele informatie heeft gegeven.

6.6.

Verder stelt de rechtbank vast dat de verwijzing van [eiser] naar de Regeling tegemoetkoming Stoffen gerelateerde Beroepsziekten geen doel treft, omdat dit niet de regeling is op grond waarvan hij in deze zaak een aanvraag heeft gedaan. Ook het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn hoeft niet verder behandeld te worden omdat [eiser] deze grond ter zitting heeft laten vallen in verband met de door hem ontvangen dwangsom van € 15.000,00.

6.6.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris het verzoek om schadevergoeding van [eiser] op goede gronden heeft kunnen afwijzen.

1ECLI:NL:RBOVE:2024:5338.

2ECLI:NL:RBOVE:2025:4800.

3Zie Wijziging Regeling uitkering chroom-6 Defensie in Staatscourant 2021, nummer 28073, d.d. 07-06-2021

4Onderzoek naar blootstelling aan chroom-6 en arbeidsomstandigheden op Defensielocaties; periode 1970–2015 (RIVM Rapport 2021-0066)

 

Rechtbank Overijssel 23 juni 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3511