PHR 030726 De Bock; leerling-verpleegkundige wordt met vork gestoken door patiënt; overwegingen m.b.t. 7:658, verzekeringsplicht ex 7:611 en bewijsaanbod deskundige
PHR 030726 De Bock; leerling-verpleegkundige wordt met vork gestoken door patiënt; overwegingen m.b.t. 7:658, verzekeringsplicht ex 7:611 en bewijsaanbod deskundige
in vervolg op:
GHARL 270525 leerling-verpleegkundige wordt met vork gestoken door patiënt; schending zorgplicht maar plotseling en onverwacht incident was niet te voorkomen geweest
- finale kwijting in vso arbeidsovk ziet niet op letselschade;
- geen schending verzekeringsplicht;
1Inleiding en samenvatting
1.1
Werknemer was werkzaam op een gesloten afdeling van een GGZ-instelling (GGNet), toen hij onverhoeds werd aangevallen door een patiënt. De patiënt had een metalen vork als een soort boksbeugel in zijn hand geklemd en heeft Werknemer daarmee verschillende keren in het gezicht en arm gestoken. Werknemer heeft daardoor letselschade opgelopen.
1.2
In deze deelgeschilprocedure gaat het om de vraag of GGNet en Centramed (de aansprakelijkheidsverzekeraar van GGNet) aansprakelijk zijn voor de schade van Werknemer. Die aansprakelijkheid zou kunnen bestaan op grond van art. 7:658 BW (werkgeversaansprakelijkheid voor schade in de uitoefening van werkzaamheden) en/of op grond van art. 7:611 BW (goed werkgeverschap).
1.3
Het hof heeft aangenomen dat GGNet op verschillende punten haar zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 lid 1 BW heeft geschonden. Volgens het hof ontbreekt echter het causaal verband tussen schending van deze zorgplichten en de schade van Werknemer; de schade van Werknemer zou volgens het hof ook zijn ontstaan indien er geen schending van zorgplichten was geweest. Ook het beroep van Werknemer op art. 7:611 BW is door het hof verworpen.
1.4
In cassatie bestrijdt Werknemer deze oordelen van het hof. M.i. slagen meerdere klachten. Het oordeel van het hof dat causaal verband ontbreekt is onbegrijpelijk. Ook op andere punten is het oordeel van het hof niet toereikend gemotiveerd, onder meer op het punt dat geen zorgplicht is geschonden doordat de patiënt over een metalen vork kon beschikken, terwijl hij enkele dagen daarvoor was opgenomen wegens psychotische klachten en agressief gedrag.
1.5
Verder slagen m.i. ook de klachten tegen het oordeel van het hof dat geen aansprakelijkheid bestaat op grond van schending van de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW, zie daarover hoofdstuk 8 van deze conclusie). Nu een gesloten afdeling van de GGZ een risicovolle werkomgeving is waar met regelmaat incidenten plaatsvinden, is het m.i. in strijd met goed werkgeverschap indien een werkgever niet een breed dekkende verzekering heeft afgesloten die alle schade dekt die een werknemer tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft opgelopen. Zeker na het Afzinkkelder-arrest1 zou de Hoge Raad moeten terugkomen van zijn arresten uit 2011, waarin geoordeeld is de op art. 7:611 BW gebaseerde verzekeringsverplichting beperkt dient te blijven tot (bepaalde categorieën van) aan werknemers in de uitoefening van hun werkzaamheden overkomen verkeersongevallen.2
1.6
De klachten in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep slagen m.i. niet.
2Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.3
2.2
Werknemer is op 1 juli 2005 bij GGNet in dienst getreden in de functie van woonbegeleider op de afdeling voor volwassenenzorg. Op 22 april 2015 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Werknemer volgde vanaf 12 april 2015 in de functie van agogisch medewerker 2 een traineeship, als voortraject voor de opleiding tot verpleegkundige niveau 4. Per 1 september 2015 bekleedde hij de functie van leerling verpleegkundige in opleiding. In het kader van zijn opleiding is hij vanaf maart 2016 werkzaam geweest op de gesloten afdeling Acute Zorg, waar patiënten verblijven met ernstige gedragsproblemen met een psychiatrische oorzaak.
2.3
Op 26 maart 2016 heeft op de afdeling Acute Zorg een geweldsincident plaatsgevonden. Werknemer is op enig moment samen met een collega in het kantoortje op de afdeling als een patiënt (patiënt D.), nadat hij op zijn kamer heeft gegeten, zegt dat hij naar een arts in Leiden wil. Patiënt D. gaat weer weg uit het kantoortje nadat de collega van Werknemer hem heeft verteld dat dat niet kan. Vervolgens komt patiënt D. kort daarna terug, loopt rechtstreeks naar Werknemer, valt hem aan met een vork en steekt hem in zijn gezicht, hoofd, schouder en armen. Op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis in Doetinchem krijgt Werknemer verschillende hechtingen: in zijn bovenlip en op zijn voorhoofd. Ook krijgt hij een tetanusprik. Werknemer doet nog dezelfde dag aangifte van mishandeling.
2.4
Op 5 april 2016 is het incident tijdens een bijeenkomst van het team geanalyseerd. Werknemer is daarbij aanwezig. Van de bijeenkomst wordt een verslag gemaakt. In dat verslag staat onder meer het volgende:
(…)
Oorzaken
Onderstaand een opsomming van de factoren die mogelijk van invloed waren op het incident, middels de agressie analyse kaarten.
Organisatorische factoren
- Beleid - waarbij risicotaxatie vooral benoemd wordt. Risicotaxatie is onvoldoende/niet toegepast. Geen signaleringsplan aanwezig.
Onderbuikgevoel is wel benoemd naar elkaar, maar multidisciplinair te weinig aandacht geweest voor vervolgstappen (objectivering/acties/etc.) n.a.v. van dit gevoel.
- Onveilige cultuur - waarmee bedoeld wordt dat men elkaar niet altijd aanspreekt op onveilig werken, zoals het bespreken en uitzetten van acties of consequenties bij risicosignalen van patiënt. Bespreken van onveiligheid signalen (onderbuikgevoel/geen hand geven/intimideren) en dit MD 4 evalueren geeft gemeenschappelijke werkelijkheid waarop passend beleid gemaakt kan worden.
Technische factoren
- Accommodatie - kantoor is klein/smal, weinig bewegingsruimte, geen vluchtmogelijkheden.
- Materiaal defect - alarmering functioneerde wel, maar tekst in pieper is slecht af te lezen, zodat locatie niet duidelijk is. Bij gebruik telefoon, vallen de nummers weg als separeerbel gaat.
Medeweker(s) factoren
- Er is onvoldoende verband gelegd tussen escalatie signalen - zie punt organisatorische factoren
- Overdracht - assisterende afdelingen geven aan dat zij de wens hebben om korte overdracht van elkaar te hebben op bijzonderheden. Nu wist niemand wat er speelde.
- Assertiviteit - zie punt organisatorische factoren
- Risicotaxatie - zie punt organisatorische factoren
(…)
Conclusie
Hetgeen de aanwezigen concluderen uit bovenstaande bespreking is dat er signalen waren in de aanloop naar het incident die aangaven dat er iets niet in orde was. Ten eerste de concrete voorbeelden van intimidatie en dreiging (o.a. aanstaren, scannen, te dicht bij komen), maar ook het geen contact willen maken, geen hand willen geven, onderscheid tussen mannen en vrouwen maken en de dwingende opdrachten ("maak eten voor me”).
Daarnaast is het onderbuikgevoel dat door velen is ervaren een belangrijke graadmeter (essentie van ons werk). Echter deze lijkt onvoldoende benut.
Voor de toekomst is het belangrijk om deze onderbuik gevoelens te blijven uitspreken naar elkaar en dit ook terug laten komen in multidisciplinaire overleggen. Door dit dagelijks/meerdaags te evalueren creëer je een gemeenschappelijke werkelijkheid waarop beleid kan worden gemaakt. Bijvoorbeeld medicatiebeleid. Voorkomen dat onderbuik gevoel het gevoel van onmacht gaat betekenen, door objectivering en concrete acties in beleid.
2.5
Op 25 oktober 2016 heeft de zitting plaatsgevonden in de strafzaak tegen patiënt D. voor zijn aanval op Werknemer. Werknemer maakt gebruik van zijn spreekrecht. Deze slachtofferverklaring maakt onderdeel uit van de processtukken in deze zaak.
2.6
Werknemer volgt een behandeltraject bij Psychologenpraktijk Mobilé. In verband met het indienen van een schadeclaim bij het Schadefonds Geweldsdelicten noteert de [GZ-psycholoog] van genoemde praktijk in een brief van 5 december 2016 dat Werknemer sinds 11 november 2016 bij haar in behandeling is en dat ‘sprake is van een posttraumatische stressstoornis na het doormaken van een geweldsincident op zijn werk op 26 maart 2016’.
2.7
Op 8 juni 2017 laat GGNet Werknemer weten dat het leerproces in het kader van zijn traineeship als onvoldoende wordt beoordeeld. Op 20 juni 2017 meldt Werknemer zich ziek. Op 27 juni 2017 vindt een vervolggesprek plaats en wordt mondeling kenbaar gemaakt dat de opleiding zal worden beëindigd, waarna dit in de brief van 14 juli 2017 ook schriftelijk aan Werknemer wordt bevestigd. Omdat sprake is van een terugkeergarantie zal een nieuwe arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) worden opgemaakt voor de oude functie van agogisch medewerker 2 voor 32 uur per week.
2.8
GGNet en Werknemer bereiken – na een periode van overleg – overeenstemming over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met ingang van 1 maart 2018 en leggen de afspraken vast in een door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst gedateerd 8 november 2017.
2.9
De advocaat van Werknemer stelt GGNet in haar brief van 10 maart 2020 aansprakelijk voor de door hem geleden en nog te lijden schade op grond van art. 7:658 BW.
2.10
GGNet heeft onder meer een agressieprotocol en daarin zijn onder meer de volgende passages opgenomen:
1Visie en uitgangspunten ten aanzien van agressie en geweld in GGNet
(…)
Agressie en geweld zijn onacceptabel
(...)
Dit betekent dat er in GGNet altijd opgetreden dient te worden tegen deze vormen van gedrag als het zich voordoet, ook als dit gedrag voortkomt uit de psychiatrische stoornis waarvoor de patiënt bij GGNet in behandeling is. De wijze waarop opgetreden wordt, is mede afhankelijk van de ernst van de agressie en andere omstandigheden. (...)
2Omgaan met agressie en geweld
Hoe te handelen bij agressie en geweld
Binnen GGNet moeten werknemers van afdelingen waar dwang en drang een thema is een basistraining agressiehantering volgen. (...) agressie en geweld kunnen een gegeven zijn binnen de psychiatrie. Dit vraagt om professionele vaardigheden welke door middel van een training aangeleerd dan wel onderhouden kunnen worden. In deze training, gegeven door eigen medewerkers die tot Trainer agressiehantering & Sociale Veiligheid/Aandachtsfunctionaris zijn opgeleid, krijgen de werknemers, op een proactieve wijze, een introductie en instructie van de theoretische achtergronden, basisvaardigheden en technieken. Aan bod komen onder meer preventie, interventie, evaluatie, opvang en nazorg in situaties waarin agressief gedrag, zowel verbaal als non-verbaal, aan de orde is.
(...)
Fysiek ingrijpen
Het uitgangspunt is dat er geen geweld gebruikt wordt. Indien je persoonlijk wordt aangevallen, mag je jezelf wel bevrijden of verdedigen. De toegepaste kracht moet in verhouding staan tot wat jou wordt aangedaan en je moet geen andere mogelijkheid hebben om je doel te bereiken.
3Procesverloop
3.1
Werknemer heeft met een verzoekschrift van 20 juli 2021 een deelgeschil aanhangig gemaakt bij de kantonrechter in de rechtbank Gelderland tegen GGNet en Centramed (hierna in enkelvoud: GGNet).
3.2
In zijn verzoekschrift heeft Werknemer onder andere verzocht dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Werknemer tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, en dat GGNet aansprakelijk is op grond van art. 7:658 BW en gehouden is de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan hem te vergoeden.
3.3
In het verzoekschrift stelt Werknemer dat hij als gevolg van de aanval de opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige niet heeft afgerond en dat hij sinds de aanval niet meer werkt en een bijstandsuitkering ontvangt.5 Er is volgens Werknemer daarom sprake van schade wegens verlies aan arbeidsvermogen. Verder stelt Werknemer dat hij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis. Hij kan niet meer terugkeren in zijn oude functie en moet worden omgeschoold, waarmee kosten zijn gepaard. Werknemer heeft geprobeerd zelfstandig stappen te ondernemen, maar gebleken is dat hij vanwege de stoornis en het continue gevoel van onveiligheid dat hij aan het ongeval heeft overgehouden ongeschikt is geworden voor meer functies dan alleen het werken in de zorg.
3.4
GGNet heeft een verweerschrift ingediend.
3.5
Op 4 oktober 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.
3.6
Op 18 oktober 2021 heeft de kantonrechter een tussenbeschikking gewezen. Daarin heeft de kantonrechter GGNet opgedragen (in ieder geval) het agressieprotocol, het opvang- en nazorgprotocol en het visitatierapport in het geding te brengen.
3.7
Bij brief van 1 november 2021 heeft GGNet verschillende producties overgelegd, waaronder het agressieprotocol, het protocol separeren en een audit-rapportage.
3.8
Bij schrijven van 12 november 2021 heeft Werknemer hierop gereageerd.
3.9
Bij beschikking van 21 december 2021 heeft de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht afgewezen. Overwogen is het volgende:
- Van GGNet kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij patiënten op de afdeling Acute Zorg steeds met plastic bestek laat eten, omdat protocollen of reglementen dit niet voorschrijven en er goede behandelredenen zijn om dit na te laten. GGNet heeft onbetwist gesteld dat zich nooit eerder een incident met metalen bestek heeft voorgedaan (rov. 2.6);
- Door het aanleren van zelfverdedigingstechnieken niet aan te bieden aan de werknemers van GGNet heeft GGNet in beginsel haar zorgplicht geschonden (rov. 2.7);
- Vanwege het onverhoedse karakter van de aanval en de kracht en de snelheid ervan, moet het ervoor worden gehouden dat de schade ook bij het nakomen van de zorgplicht was ontstaan. GGNet is daarom niet aansprakelijk (rov. 2.8);
- Werknemer heeft de stelling van GGNet dat het uitspreken van het ‘niet-pluis-gevoel’ dat de werknemers van GGNet die dag ten aanzien van het gedrag van patiënt D. hebben opgemerkt en de aanwezigheid van een vluchtdeur in het kantoor, de aanval en de als gevolg daarvan ontstane schade niet hadden kunnen voorkomen, niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist (rov. 2.9);
- Het voorgaande betekent dat Werknemer een ongeval is overkomen dat door GGNet bij het volledig naleven van de zorgplicht niet voorkomen had kunnen worden, zodat GGNet voor de gevolgen van het ongeval niet aansprakelijk is (rov. 2.10).
3.10
Bij dagvaarding van 8 mei 2023 heeft Werknemer een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen GGNet en Centramed, waarbij hij tevens heeft verzocht om hem verlof te verlenen tot het instellen van hoger beroep tegen de beschikking in het deelgeschil. Bij vonnis van 7 juni 2023 is dit verzoek toegewezen en is de procedure in de hoofdzaak in afwachting van dit hoger beroep aangehouden (rov. 2.5 en 3.1).
3.11
Bij dagvaarding van 22 augustus 2023 heeft Werknemer hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 18 oktober 2021 en 21 december 2021.
3.12
Werknemer heeft een memorie van grieven ingediend.
3.13
GGNet heeft een memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend. Werknemer heeft een memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, tevens akte uitlating producties, ingediend.
3.14
Op 29 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
3.15
Bij beschikking van 27 mei 2025 heeft het hof het hoger beroep ongegrond verklaard en de beschikkingen van de kantonrechter bekrachtigd.
3.16
In de beschikking heeft het hof allereerst geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat het toepasselijk recht Nederlands recht is (rov. 5.11-5.13).
3.17
Het hof heeft vervolgens beoordeeld of de vorderingen van Werknemer afstuiten op de vaststellingsovereenkomst tussen GGNet en werknemer. Dat is niet het geval (rov. 5.18-5.21).
3.18
Het hof heeft daarna beoordeeld of GGNet een zorgplicht heeft geschonden. Volgens het hof is dat op vier punten het geval:
- GGNet heeft medewerkers niet gewezen op het bestaan van een aantal protocollen en heeft niet toegezien op de naleving daarvan (rov. 5.29);
- GGN heeft er niet voor gezorgd dat de overdracht tussen diensten goed was geregeld en dat daar voldoende tijd voor was, en heeft er niet op toegezien dat daaraan de benodigde tijd en aandacht werd besteed, in het bijzonder wanneer een medewerker in opleiding zoals Werknemer daarin betrokken was (rov. 5.29);
- GGNet heeft er niet voldoende voor gezorgd dat Werknemer bij aanvang van zijn dienst wist wat de achtergrond was van patiënt D. (te weten: opgenomen wegens psychotische klachten en agressief gedrag, vóór zijn opname een familielid naar de keel gegrepen, en hevig verzet bij een arrestatie door de politie) door hem dat te vertellen dan wel door hem te wijzen op het belang van het raadplegen van het dossier van voor hem nieuwe patiënten (rov. 5.32);
- GGNet heeft er niet voor gezorgd dat medewerkers zich vrij voelen signalen, zoals die waren ontvangen in de eerste week van de opname van patiënt D. en waarover achteraf is vastgesteld dat men die signalen naar elkaar had moeten uitspreken (‘niet pluis gevoelens’), te uiten en met elkaar te delen (rov. 5.32).
3.19
Ten aanzien van andere verwijten heeft het hof geoordeeld dat GGNet géén zorgplicht heeft geschonden:
- het niet aanbieden van plastic in plaats van metalen bestek aan patiënt D. (rov. 5.30 en 5.33);
- het niet aanbieden van pepperspray (rov. 5.27 en 5.37);
- het al dan niet bestaan van een vluchtmogelijkheid in het kantoor en het al dan niet gesloten houden van een deur naar het kantoor (rov. 5.31);
- het niet eerst plaatsen van Werknemer op een lichtere afdeling (rov. 5.38).
3.20
Het hof heeft in het midden gelaten of GGNet een zorgplicht heeft geschonden ten aanzien van het al dan niet aanbieden van bepaalde trainingen en het ter beschikking stellen van een beter werkend piepersysteem (rov. 5.37).
3.21
In rov. 5.37-5.38 heeft het hof vervolgens het causaal verband beoordeeld. Volgens het hof is dat causaal verband er niet. Het ging om een onverhoedse aanval met grote snelheid en kracht. Zelfs al zou Werknemer 1) fysieke weerbaarheidstrainingen hebben gevolgd, 2) veronderstellenderwijs de beschikking hebben gehad over een beter werkend piepersysteem en zelfs pepperspray, 3) en zou GGNet alle overige in rov. 5.29 genoemde maatregelen hebben getroffen, dan nog had dit geweldsincident niet voorkomen kunnen worden en/of zouden de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zijn geweest.
3.22
Dit leidt het hof tot de conclusie dat de vorderingen van Werknemer op grond van art. 7:658 BW niet toewijsbaar zijn omdat de zorgplichtschending van GGNet niet in causaal verband staat tot de ondervonden schade (rov. 5.39).
3.23
Volgens het hof is GGNet ook niet aansprakelijk op grond van art. 7:611 BW. De Hoge Raad heeft in een arrest van 11 november 20116 uitdrukkelijk overwogen dat de uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting beperkt is tot verkeersongevallen, dat een meer algemene verzekeringsplicht in strijd is met de strekking van art. 7:658 BW, dat het de taak van de wetgever is daarin te voorzien en dat het – mede met het oog op rechtszekerheid en hanteerbaarheid van het recht – de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat hier anders over te oordelen. Het hof ziet geen aanleiding van dit oordeel van de Hoge Raad af te wijken. Het standpunt van Werknemer dat het niet vergoeden van de door Werknemer geleden schade op zichzelf strijd oplevert met goed werkgeverschap, neemt het hof evenmin over. Werknemer doet daarnaast vergeefs een beroep op het Afzinkkelder-arrest (rov. 5.41).7
3.24
Ook het standpunt van Werknemer dat zijn schade volledig vergoed dient te worden uit het oogpunt van rechtsgelijkheid en billijkheid, gelet op de door de Hoge Raad in het TBS-arrest gemaakte vergelijking tussen de rechtspositie van een civiele werknemer en die van een ambtenaar (die in geval van een geweldsincident aanspraak kan maken op een ruimhartiger vergoeding), wordt door het hof verworpen (rov. 5.42).
3.25
De stelling van Werknemer dat het onredelijk is dat hij met zijn schade zou blijven zitten noopt niet tot een ander oordeel (rov. 5.43).
3.26
Het hof komt tot de conclusie dat de vorderingen van Werknemer dienen te worden afgewezen. De overige verweren van GGNet, het beroep op verjaring, het niet mogen instellen van een vordering op een andere grondslag dan genoemd in de brief van 10 maart 2020, heeft het hof buiten bespreking gelaten (rov. 5.44).
3.27
Nu de grieven van Werknemer niet slagen, wordt aan het voorwaardelijk incidenteel beroep van GGNet niet toegekomen (rov. 5.46).
3.28
Werknemer heeft volgens het hof geen voldoende specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod gedaan ten aanzien van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden (rov. 5.47).
3.29
Het hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt (rov. 5.48-5.49 en rov. 6.2-6.4).
3.30
Op 15 augustus 2025 heeft Werknemer tijdig cassatieberoep ingesteld, nadat hij daartoe bij beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 17 juli 2025 verlof had verkregen.
3.31
GGNet heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
3.32
Werknemer heeft een verweerschrift in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep ingediend.
3.33
Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht. Daarna heeft Werknemer gerepliceerd en GGNet gedupliceerd.
4Onderdeel I: causaal verband tussen zorgplichtschendingen en schade Werknemer
4.1
Onderdeel I richt zich tegen rov. 5.37, waarin het hof heeft beslist dat het geweldsincident niet voorkomen had kunnen worden en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest, als geen sprake was geweest van zorgplichtschendingen door GGNet. Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
4.2
De bestreden overweging luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“5.37 Vast staat dat de aanval van patiënt D. op [Werknemer] onverwacht en plotseling was nadat patiënt D. een kleine week zonder soortgelijke incidenten op de afdeling verbleven had. Onder meer uit de hiervoor geciteerde delen uit de slachtofferverklaring, het proces-verbaal van aangifte en het analyseverslag blijkt dat patiënt D. in één rechte lijn op [Werknemer] is afgelopen en hem direct heeft aangevallen. Er was dus sprake van een onverhoedse aanval met grote snelheid en kracht. Het hof is gelet daarop van oordeel dat zelfs al zou [Werknemer] 1) fysieke weerbaarheidstrainingen hebben gevolgd, 2) veronderstellenderwijs de beschikking hebben gehad over een beter werkend piepersysteem en zelfs pepperspray (waarvan overigens de terbeschikkingstelling aan [Werknemer] niet van GGNet kon worden verlangd, zoals in 5.27 is overwogen), 3) en zou GGNet alle overige hiervoor in 5.29 genoemde maatregelen hebben getroffen, dit geweldsincident niet voorkomen had kunnen worden en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest. Gelet op het onverwachte karakter van de gebeurtenis was er immers geen tijd voor [Werknemer] om ter voorkoming van het incident daadwerkelijk af te weren. Verder is het piepersysteem uit zijn aard geen preventief middel dat de aanval kan voorkomen maar een reactief middel om hulp van collega’s op te roepen. Door de aanwezigheid van collega [X] was die hulp al direct paraat. (…) Concrete voorlichting over en instructies in protocollen gaan over de gewenste manier van handelen in voorkomende gevallen maar kunnen die gevallen op zichzelf niet voorkomen. Tot slot kwam de aanval uit het niets, in ieder geval waar het [Werknemer] betreft. Patiënt D. verbleef op dat moment een kleine week op de afdeling en er hadden – voor zover aan het hof bekend – in die periode geen andere geweldsincidenten met betrekking tot patiënt D. plaatsgevonden. Direct voorafgaande aan het incident had patiënt D. niet met [Werknemer] maar met collega [X] een gesprek gehad. Dat een goed geregelde overdracht deze onverwachte aanval had kunnen voorkomen valt in die omstandigheden niet in te zien.”
4.3
Volgens Werknemer is deze overweging onbegrijpelijk. Weliswaar heeft het hof de maatstaf voor werkgeversaansprakelijkheid (neergelegd in het arrest De Rooyse Wissel) niet miskend. Ook heeft het hof terecht geoordeeld dat GGNet op een viertal punten haar zorgplicht heeft geschonden en heeft nagelaten een aantal maatregelen te treffen. Onbegrijpelijk is echter dat het hof overweegt dat als deze maatregelen wél zouden zijn getroffen, dit het geweldsincident niet had kunnen voorkomen en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest, gelet op het onverwachte karakter van de gebeurtenis.
4.4
De nadere uitwerking van het onderdeel zal hierna aan de orde aan de orde komen. Eerst wordt kort het toetsingskader voor werkgeversaansprakelijkheid op de voet van art. 7:658 BW besproken.
Art. 7:658 BW: vergoeding van schade geleden in de uitoefening van werkzaamheden
4.5
Op grond van art. 7:658 BW heeft de werknemer onder omstandigheden recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van de werkzaamheden. Art. 7:658 BW luidt voor zover relevant als volgt:
Artikel 658
1. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
2. De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
(…)
4.6
Art. 7:658 BW neemt dus tot uitgangspunt dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De werkgever kan ontkomen aan deze aansprakelijkheid indien hij aantoont dat hij, kort gezegd, zijn zorgplichten is nagekomen, of wanneer hij aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Op beide punten ligt de bewijslast bij de werkgever. De lat voor opzet of bewuste roekeloosheid ligt hoog: daarvan is pas sprake dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaande aan de schadetoebrengende gebeurtenis daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag.8 De bewijslast ter zake rust op de werkgever.
4.7
Art. 7:658 BW bevat géén risicoaansprakelijkheid van de werkgever voor schade die een werknemer lijdt tijdens zijn werkzaamheden. De aansprakelijkheid is gekoppeld aan schending van een zorgplicht, en beoogt geen absolute waarborg te scheppen voor de veiligheid van de werknemer, zoals de Hoge Raad verschillende malen heeft overwogen.9 Hoewel het dus niet gaat om een risicoaansprakelijkheid in eigenlijke zin, wordt de zorgplicht in de rechtspraak zeer streng opgevat. Daardoor heeft art. 7:658 BW wel karaktertrekjes van een risicoaansprakelijkheid, zo schrijft Houweling.10 In combinatie met de omkering van de bewijslast ten aanzien van de nakoming van de zorgplicht, kan worden gesproken van een schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast die naar een risicoaansprakelijkheid tendeert.11
4.8
In het arrest Pasteurziekenhuis heeft de Hoge Raad overwogen dat het bepaalde in art. 7:658 lid 2 BW meebrengt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die een werknemer tijdens zijn werkzaamheden heeft opgelopen, tenzij de werkgever aantoont dat hij hetzij zijn zorgplichten is nagekomen, hetzij dat de nakoming van die verplichtingen de schade niet zou hebben voorkomen, of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.12 Voor werkgeversaansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW is dus wel vereist dat er een causaal verband is tussen de door de werknemer geleden schade en een schending van de zorgplicht. Ook op dit punt ligt de bewijslast bij de werkgever; die moet aantonen dat er géén causaal verband is.13
4.9
In het arrest De Rooyse Wissel (ook aangeduid als het TBS-arrest)14 overweegt de Hoge Raad dat bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, in aanmerking moet worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van werknemers wier werkzaamheden bijzondere risico's van ongevallen meebrengen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW vergt een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies, aldus de Hoge Raad.
4.10
Verder overweegt de Hoge Raad dat dit voor het voorliggende geval – geweldpleging tegen een werknemer van een TBS-instelling waardoor deze volledig arbeidsongeschikt is geraakt – het volgende betekent.15 Het ligt op de weg van de TBS-instelling te stellen dat zij ervoor heeft zorg gedragen dat aan het vereiste, op de structurele gevaren toegesneden, hoge veiligheidsniveau van de werkomstandigheden is voldaan. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de algemene maatregelen tot beveiliging van de werknemers tegen de gevaren van hun dagelijkse omgang met TBS-patiënten, de daartoe gegeven voorlichting, de op die gevaren afgestemde instructies en het toezicht op de naleving daarvan. Daarnaast komt het aan op de specifieke maatregelen en instructies die tevens waren vereist ter beveiliging van haar werknemers in hun omgang met de betrokken TBS-patiënt. Aan deze stelplicht dienen in een geval als het onderhavige zeer hoge eisen te worden gesteld. Dat hangt samen met de zojuist aangeduide omstandigheid dat het hier gaat om een ongeval, met letselschade tot gevolg, dat voortvloeit uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met en inherent is aan de uitvoering van werkzaamheden in de TBS-instelling, waaraan de werknemer zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken, aldus de Hoge Raad.
4.11
Dat klemt temeer, zo voegt de Hoge Raad nog toe, wanneer de positie van de werknemer wordt vergeleken met die van een ambtenaar die in een soortgelijke functie als werknemer werkzaam is in een TBS-instelling (Forensisch Psychiatrisch Centrum) die als rijkskliniek onder het beheer van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie valt: die ambtenaar heeft op grond van (destijds) art. 69 lid 2 Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) recht op volledige vergoeding van de schade die hij lijdt ten gevolge van een beroepsincident als bedoeld in (destijds) art. 35 ARAR. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid en billijkheid moet worden gestreefd naar een zo beperkt mogelijk verschil in uitkomst tussen beide gevallen.
4.12
In het arrest Totaal Service uit 2014 (waarin het ging om een ongeval bij het lossen van een vrachtwagen) heeft de Hoge Raad zijn overwegingen uit het TBS-arrest over de zorgplicht van art. 7:658 lid 1 BW gedeeltelijk herhaald.16 Opnieuw is overwogen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies.
4.13
In het arrest Totaal Service is verder het volgende overwogen:17
“Indien de plaats waar de werkzaamheden worden verricht eraan in de weg staat dat de werkgever direct toezicht houdt op de naleving van de door hem gegeven instructies, dient deze zo nodig aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen. Het antwoord op de vraag welke maatregelen de werkgever dient te treffen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.”
4.14
Welke veiligheidsmaatregelen van een werkgever kunnen worden gevergd is dus afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij kunnen worden betrokken: (i) de aard van de werkzaamheden, (ii) de kans dat zich een ongeval zal voordoen, (iii) de ernst van de gevolgen van een mogelijk ongeval en (iv) de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.
4.15
Tegen deze achtergrond kunnen de klachten van onderdeel I worden besproken.
4.16
In rov. 5.29 overweegt het hof het volgende:
“5.29. In het debat tussen partijen over wat in het kader van de zorgplicht wel en niet van GGNet kon worden gevergd, zijn diverse maatregelen genoemd die volgens GGNet niet en volgens [Werknemer] wel van GGNet konden worden verwacht. Het hof is van oordeel dat in verband met het risico op agressiegevaar in het algemeen naast een goed werkend alarmsysteem, de volgende maatregelen noodzakelijk zijn. Periodieke deelname van medewerkers aan (agressie)trainingen, het opstellen van protocollen over de omgang met psychiatrische en mogelijk agressieve patiënten, het stipt en accuraat bijhouden van patiëntendossiers, voldoende tijd vrijmaken voor overdracht van diensten zodat medewerkers weten wat er speelt en daar alert op kunnen zijn, bijzondere aandacht voor nieuwe medewerkers op de afdeling en meer specifiek voor medewerkers in opleiding. De controle op naleving van deze maatregelen is daarbij cruciaal. Naar het oordeel van het hof is GGNet op een aantal van deze punten haar zorgplicht niet nagekomen. Zo heeft GGNet weliswaar diverse protocollen in het geding gebracht, maar zij heeft niet onderbouwd aangevoerd dat medewerkers worden gewezen op het bestaan van deze protocollen en dat op de naleving wordt toegezien. Evenmin is onderbouwd aangevoerd dat de overdracht tussen diensten goed was geregeld, dat daar voldoende tijd voor was en dat erop werd toegezien dat daaraan de benodigde tijd en aandacht werd besteed, in het bijzonder wanneer een medewerker in opleiding zoals [Werknemer] daarin betrokken was.”
4.17
Heel duidelijk is het niet, maar uit deze overweging is af te leiden dat het hof in ieder geval op de volgende punten vindt dat GGNet als werkgever haar zorgplicht heeft geschonden:
(1) GGNet heeft medewerkers niet gewezen op het bestaan van protocollen en heeft niet toegezien op de naleving ervan.
Ik merk op dat niet helemaal duidelijk is welke protocollen het hof precies op het oog heeft. Er zijn twee protocollen in het geding gebracht, namelijk het Agressieprotocol en het Protocol separeren.18 Het Protocol separeren was echter niet van toepassing, omdat patiënt D. niet was gesepareerd. Dan blijft dus alleen het Agressieprotocol over. Dat is ook het enige protocol waaruit het hof citeert (rov. 5.10). Het meervoud ‘protocollen’ is dan niet helemaal goed te begrijpen. Verder zou wellicht uit de derde volzin van rov. 5.29 kunnen worden afgeleid dat het hof ook van oordeel is dat er geen protocollen zijn opgesteld waar dat wel had gemoeten. Van die lezing lijkt Werknemer uit te gaan, waar hij schrijft dat als protocollen over de omgang met psychiatrische en mogelijke agressieve patiënten waren opgesteld (procesinleiding onder I.5). Maar dat het hof dat heeft bedoeld, blijkt m.i. verder niet uit het arrest. Ook heeft het hof niet toegelicht op welke punten het Agressieprotocol niet zou zijn nageleefd, maar mogelijk heeft het hof dat laatste niet bedoeld.
(2) GGNet heeft de overdracht tussen diensten niet goed geregeld, en er niet voor gezorgd dat daar voldoende tijd voor was, en heeft er niet op toegezien dat daaraan de benodigde tijd en aandacht werd besteed, in het bijzonder wanneer een medewerker in opleiding zoals Werknemer daarin betrokken was.
4.18
Verder overweegt het hof in rov. 5.32 het volgende:
“5.32. Volgens het verslag van de bespreking van het geweldsincident (deels geciteerd in 5.4 hiervoor) was patiënt D. een week daarvoor opgenomen met een inbewaringstelling op grond van de toen geldende Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen, in verband met psychotische klachten en agressief gedrag. In het verslag is niet alleen de achtergrond van patiënt D. beschreven waaruit onder meer blijkt dat hij voor zijn opname op de afdeling een familielid naar de keel heeft gegrepen en zich bij een arrestatie door de politie hevig heeft verzet, maar ook dat vanaf zijn opname op de afdeling Acute Zorg door collega’s van [Werknemer] zaken zijn opgevallen waarover later tijdens de bespreking blijkt dat daarmee niets is gedaan. Het hof is van oordeel dat gelet op het geweldverleden van patiënt D. het redelijkerwijs van GGNet kon worden verwacht dat zij maatregelen had getroffen en instructies had gegeven ten aanzien van de specifieke agressiegevaren van deze patiënt. Zo had zij, te meer nu [Werknemer] in opleiding was, ervoor moeten zorgdragen dat [Werknemer] bij aanvang van zijn dienst wist wat de achtergrond was van deze patiënt door hem dat te vertellen dan wel door hem te wijzen op het belang van het raadplegen van het dossier van voor hem nieuwe patiënten. GGNet heeft in dit verband weliswaar aangevoerd dat hij dit zelf in het dossier had kunnen lezen, maar [Werknemer] heeft betwist dat hij dossiers feitelijk kon raadplegen en dat daarvoor voldoende tijd was. GGNet heeft daar onvoldoende tegenovergesteld, zodat het hof het ervoor moet houden dat zij op dit punt haar zorgplicht heeft geschonden. Dezelfde conclusie verbindt het hof aan de vaststelling in het verslag van de bespreking van het incident dat medewerkers in de eerste week van de opname van patiënt D. signalen hebben ontvangen waarover achteraf is vastgesteld dat men die signalen naar elkaar had moeten uitspreken. Het ligt op de weg van een werkgever ervoor te zorgen dat medewerkers zich vrij voelen dergelijke signalen, in bedoeld verslag aangeduid met ‘niet pluis gevoelens’, te uiten en met elkaar te delen. Dat is niet gebeurd.”
4.19
Het hof oordeelt hier dus dat op nog twee punten sprake is van normschendingen door GGNet:
(3) GGNet heeft er niet voldoende voor gezorgd dat Werknemer bij aanvang van zijn dienst wist wat de achtergrond was van patiënt D. en op de hoogte was van de specifieke agressiegevaren van deze patiënt, door hem dat te vertellen dan wel door hem te wijzen op het belang van het raadplegen van het dossier van voor hem nieuwe patiënten, temeer nu Werknemer in opleiding was.
Ik merk op dat deze normschending, als ik het goed begrijp, in feite een concretisering is van de algemene zorgplichtschending die het hof onder (2) heeft aangenomen.
(4) GGNet heeft er niet voor gezorgd dat medewerkers zich vrij voelen signalen, zoals die waren ontvangen in de eerste week van de opname van patiënt D. en waarover achteraf is vastgesteld dat men die signalen naar elkaar had moeten uitspreken (‘niet pluis gevoelens’), te uiten en met elkaar te delen.
4.20
In de bestreden overweging 5.37 (geciteerd onder 4.2) overweegt het hof dan dat “zelfs al zou GGNet alle overige hiervoor in 5.29 genoemde maatregelen hebben getroffen, dit geweldsincident [niet] voorkomen had kunnen (…) worden en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest. Gelet op het onverwachte karakter van de gebeurtenis was er immers geen tijd voor [Werknemer] om ter voorkoming van het incident daadwerkelijk af te weren. (…) Concrete voorlichting over en instructies in protocollen gaan over de gewenste manier van handelen in voorkomende gevallen maar kunnen die gevallen op zichzelf niet voorkomen. Tot slot kwam de aanval uit het niets, in ieder geval waar het [Werknemer] betreft. Patiënt D. verbleef op dat moment een kleine week op de afdeling en er hadden – voor zover aan het hof bekend – in die periode geen andere geweldsincidenten met betrekking tot patiënt D. plaatsgevonden. Direct voorafgaande aan het incident had patiënt D. niet met [Werknemer] maar met collega [X] een gesprek gehad. Dat een goed geregelde overdracht deze onverwachte aanval had kunnen voorkomen valt in die omstandigheden niet in te zien.”
4.21
M.i. wordt bij onderdeel I.5 terecht aangevoerd dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Terecht wordt aangevoerd dat het zo moge zijn dat de gebeurtenis een onverwacht karakter had (en met grote snelheid en kracht plaatsvond) en dat Werknemer weinig tijd had om ter voorkoming van het incident daadwerkelijk af te weren, maar niet is in te zien waarom als de vier normschendingen (zie onder 4.17 en 4.19) achterwege waren gebleven, de gevolgen niet anders – minder ernstig – zouden zijn geweest.
4.22
In het bijzonder is niet in te zien waarom het niet had uitgemaakt als Werknemer wél zou zijn gewaarschuwd voor patiënt D. en de ‘niet pluis’ gevoelens die bij teamleden leefden, wél met hem zouden zijn gedeeld. Hij zou dan immers meer op zijn hoede zijn geweest. Hetzelfde geldt voor het niet naleven van de norm van een zorgvuldige overdracht. Dat hier toch echt een probleem zat, blijkt ook uit het interne verslag van GGNet over het incident (zie ook rov. 5.4), waarin geconstateerd wordt, als conclusie, dat het “voor de toekomst belangrijk is om deze onderbuik gevoelens te blijven uitspreken naar elkaar en dit ook terug te laten komen in multidisciplinaire overleggen”. De gedachte zal zijn geweest, zo neem ik aan, dat dit kan leiden tot een verbetering van de veiligheid en de kans op ernstige incidenten verkleint.
4.23
Voor wat betreft de normschending genoemd onder (1), het niet wijzen op protocollen en het niet toezien op de naleving daarvan, is de motivering van het hof ook niet goed te volgen. De gedachte van het hof dat protocollen “gevallen op zichzelf niet kunnen voorkomen” zou tot consequentie hebben dat het niet wijzen op protocollen en/of het niet toezien op de naleving daarvan (en wellicht: het niet opgesteld hebben van protocollen) geen toegevoegde waarde hebben als sprake is van onverwachte aanval van een patiënt. Dat lijkt mij bepaald onjuist. Als er duidelijke veiligheidsprotocollen zijn en op de naleving daarvan wordt toegezien, verkleint dat het risico op incidenten en daarmee de kans op schade, althans op ernstige schade, omdat medewerkers weten hoe ze moeten handelen in gevaarlijke situaties. Wat de gedachtegang van het hof hier precies is geweest, is onduidelijk, ook doordat niet expliciet is gemaakt wat het hof GGNet nu precies verwijt met betrekking tot “diverse protocollen” (zie onder 4.17).
4.24
Aan het voorgaande is nog toe te voegen dat voor aanvallen door patiënten zoals D., nu juist kenmerkend is dat deze onverwacht en plotseling plaatsvinden. Veiligheidsmaatregelen zijn precies bedoeld om dit risico, onverwachte en plotselinge aanvallen door patiënten, te voorkomen of op zijn minst de gevolgen daarvan zoveel als mogelijk te beperken. Met andere woorden, de mogelijkheid dat een patiënt onverwacht en plotseling handelt, is kenmerkend voor de werkomgeving op een gesloten GGZ-afdeling en vormt de context waarbinnen beoordeeld moet worden of voldoende veiligheidsmaatregelen waren getroffen. Tegen die achtergrond is het niet goed te begrijpen dat het hof het feit dat het ging om een onverwachte en plotselinge aanval (die met grote snelheid en kracht plaatsvond), gebruikt als doorslaggevend argument dat causaal verband ontbreekt tussen de vier geconstateerde normschendingen en de schade van Werknemer.
4.25
Kortom, uit de bestreden overweging wordt niet duidelijk waarom het hof heeft aangenomen dat GGN heeft aangetoond (dat vormt immers de bewijslast van de werkgever, zie onder 4.8) dat bij het wél naleven van alle door het hof genoemde zorgplichten van GGNet, Werknemer dezelfde schade zou hebben geleden. Niet begrijpelijk is waarom bij het wel naleven van alle zorgplichten door GGNet de schade bij Werknemer niet minder ernstig zou kunnen geweest, bijvoorbeeld omdat Werknemer zich toch had verweerd of omdat hij meer op zijn hoede zou zijn geweest jegens patiënt D. Als aannemelijk is dat het achterwege blijven van een normschending ertoe leidt dat weliswaar schade zou zijn geleden, maar in een geringere omvang dan het geval is geweest bij de normschending, is wel degelijk causaal verband (csqn-verband) aanwezig tussen de schade en de normschending.19
4.26
Hierbij komt dat als het gaat om schending van verkeers- of veiligheidsnormen met letsel als gevolg, in de rechtspraak een ruime toerekening redelijk wordt geacht.20 Ook gevolgen die in een zeer ver verwijderd verband staan tot de normschending worden dan toegerekend, ook wanneer die gevolgen buiten de normale lijn der verwachtingen liggen. Er bestaat dan ook weinig aanleiding om aansprakelijkheid via het causaliteitsvereiste van art. 6:98 BW te begrenzen, zo schrijft Lindenbergh:21
“De relevantie van de aard van de aansprakelijkheid en van de aard van de schade komt in de rechtspraak onder meer aldus tot uitdrukking dat, wanneer het gaat om schending van verkeers- of veiligheidsnormen met letsel als gevolg, een ruime toerekening redelijk wordt geacht. Ook gevolgen die in een zeer ver verwijderd verband staan tot de normschending worden dan toegerekend, ook wanneer die gevolgen buiten de normale lijn der verwachtingen liggen. Nu het bij schending van de zorgplicht van art. 7:658 BW gaat om een – al dan niet geschreven – veiligheidsnorm, terwijl het bovendien steeds zal gaan om personenschade van de werknemer, zal er weinig aanleiding bestaan de aansprakelijkheid met behulp van art. 6:98 BW te begrenzen.”
4.27
Deze ruime toerekening bij schending van verkeers- of veiligheidsnormen biedt steun voor het standpunt dat niet te snel moet worden geconcludeerd dat een schending van een norm die ertoe strekt bepaalde schade te voorkomen, niet in csqn-verband staat met deze (ingetreden) schade.
4.28
Voor zover het oordeel van het hof over het ontbreken van causaal verband betrekking heeft op het schenden van een zorgplicht omdat Werknemer geen fysieke weerbaarheidstraining zou hebben gevolgd, is op te merken dat het hof niet heeft geoordeeld dát geen fysieke weerbaarheidstrainingen zijn gevolgd door Werknemer. Bij het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zal worden besproken dat ik het arrest zo begrijp, dat het hof dit in het midden heeft gelaten (zie hoofdstuk 11). Dat laat onverlet dat het hof zijn oordeel over het ontbreken van causaliteit wel mede betrekt op deze, veronderstellenderwijs aangenomen, zorgplichtschending. Omdat een mogelijke zorgplichtschending op dit punt na verwijzing alsnog kan voorliggen, is het van belang om hier aandacht aan te besteden in relatie tot het volgens het hof ontbrekende causaal verband met de schade.
4.29
M.i. voert Werknemer terecht aan (procesinleiding onder I.5 en I.6) dat niet is uit te sluiten dat als hem wél agressietrainingen zouden zijn aangeboden (waarvan één op één zelfverdediging onderdeel vormde), hij wel zou hebben gedurfd om terug te slaan en de gevolgen minst genomen minder ernstig zijn geweest. Inderdaad is niet goed te begrijpen waarom het hof van oordeel is dat ook al zou Werknemer fysieke weerbaarheidstrainingen hebben gevolgd, het geweldsincident niet voorkomen had kunnen worden en/of de schadelijke gevolgen niet minder ernstig zouden zijn geweest. Ook op dit punt houdt het causaliteitsoordeel van het hof m.i. geen stand.
4.30
Het voorgaande geldt ook op het punt van het ter beschikking hebben gehad van een beter werkend piepersysteem. Ook hierover heeft het hof zich geen oordeel gevormd, zo begrijp ik althans het arrest, maar heeft het veronderstellenderwijs aangenomen dat ook als er een beter werkend piepersysteem zou zijn geweest, het geweldsincident nog niet had kunnen worden voorkomen en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest (rov. 5.37, geciteerd onder 4.2). Ook op dit punt is het hof dus van oordeel dat causaliteit ontbreekt.
4.31
Als dit causaliteitsoordeel geen stand houdt, kan na verwijzing opnieuw relevant worden of ten aanzien van het piepersysteem al dan niet sprake is geweest van een zorgplichtschending van GGNet. Werknemer heeft aangevoerd dat er wel een piepersysteem was, maar dat extra hulp van buiten de afdeling moest komen. Volgens hem duurde het zes tot acht minuten voordat er hulp kwam. Vervolgens kon Werknemer nog niet naar de spoedeisende hulp omdat eerst het beveiligingspersoneel moest komen en de politie. Al die tijd blokkeerde patiënt D. de uitgang van het kantoortje, zo heeft hij aangevoerd.22 Maar volgens GGNet is de patiënt direct op zijn slaapkamer ingesloten.23 Verder is in het door GGNet zelf opgestelde ‘verslag incident’ van 5 april 2016 (geciteerd onder 5.4 van het bestreden arrest) het volgende te lezen: “Materiaal defect – alarmering functioneerde wel, maar tekst in pieper is slecht af te lezen, zodat locatie niet duidelijk is. Bij gebruik telefoon, vallen de nummers weg als separeerbel gaat.” In ditzelfde verslag volgt uit de tijdlijn dat het drie minuten heeft geduurd totdat patiënt D. van Werknemer is afgetrokken en in bedwang is gehouden. Kortom, de precieze gang van zaken is nog niet op alle details duidelijk geworden.
4.32
Ter onderbouwing van zijn oordeel dat causaal verband ook op dit punt ontbreekt, overweegt het hof (naast het argument dat de aanval onverhoeds was en met grote kracht en snelheid plaatsvond): “Verder is het piepersysteem uit zijn aard geen preventief middel dat de aanval kan voorkomen maar een reactief middel om hulp van collega’s op te roepen.”
4.33
M.i. is dit geen steekhoudende motivering. Het enkele feit dat een goed werkend piepersysteem een incident niet kan voorkomen, laat onverlet dat als er bij een alarmmelding direct of zeer spoedig andere werknemers te hulp schieten, het incident daardoor wel degelijk minder ernstige gevolgen kan hebben.
4.34
Tot slot is nog op te merken dat het standpunt van GGNet dat er geen belang bij onderdeel I bestaat omdat Werknemer het oordeel van het hof in rov. 5.36 en rov. 5.37 dat er (hoe dan ook) geen tijd zou zijn geweest om de aanval (beter) af te weren niet zou hebben bestreden,24 onjuist is.
4.35
In rov. 5.36 is het bedoelde oordeel van het hof niet te lezen; daar is slechts overwogen dat onbetwist is dat patiënt D. Werknemer uit het niets heeft aangevallen. Rov. 5.37 wordt door Werknemer juist op dit punt bestreden met onderdeel I, dat immers tot strekking heeft dat als geen sprake was geweest van de door het hof aanwezig geachte zorgplichtschendingen door GGNet, het geweldsincident wellicht voorkomen had kunnen worden en/of de schadelijke gevolgen daarvan minder ernstig zouden zijn geweest voor Werknemer, gegeven het feit dat het ging om een onverhoedse aanval met grote snelheid en kracht.
4.36
Onderdeel I slaagt dus.
5Onderdeel II: gebruik van metalen dan wel plastic bestek
5.1
Onderdeel II richt zich tegen rov. 5.30, 5.33 en 5.37, waarin het hof oordeelt, samengevat, dat het niet inziet dat het metalen bestek een bijzonder gevaar oplevert in de zin van een algemene zorgplichtschending tegenover medewerkers, dat ook van plastic bestek een wapen kan worden gemaakt waarmee gestoken kan worden en dat zeer aannemelijk is dat met plastic bestek (soortgelijk) letsel kan worden toegebracht.
5.2
De bestreden overwegingen luiden als volgt:
“5.30. Naar het oordeel van het hof strekt de algemene zorgplicht van GGNet niet zo ver dat aan patiënten op de afdeling Acute zorg plastic bestek ter beschikking moet worden gesteld. GGNet heeft uitgelegd dat het voor op de afdeling verblijvende patiënten heel belangrijk is dat zij zo normaal mogelijk worden behandeld, dat plastic bestek in dat verband niet gebruikelijk is maar alleen aan patiënten in de separeer wordt verstrekt en dat patiënten vrij toegang hebben tot de keuken waar zich keukenladen met bestek bevinden. Deze uitleg overtuigt het hof en ziet daarom niet in dat het bestek een bijzonder gevaar oplevert in de zin van een algemene zorgplichtschending jegens medewerkers.
(…)
5.33.
De stelling van [Werknemer] dat GGNet haar zorgplicht heeft geschonden door aan patiënt D. geen plastic, maar gewoon bestek ter beschikking te stellen volgt het hof niet. Het hof acht daarvoor redengevend dat hoewel uit het verslag van het incident (prod 6 bij verweerschrift d.d. 23 september 2021) blijkt dat patiënt D. zich heeft verzet bij zijn arrestatie, hij opvallend rustig en gelaten reageerde op de beslissing tot in bewaring stelling, hij op het moment van het incident niet in de separeer zat en hij tijdens het verblijf op de afdeling gedurende een week, geen agressief gedrag heeft vertoond. Het hof acht voorts van belang dat zeer aannemelijk is dat met plastic bestek (soortgelijk) letsel kan worden toegebracht.
(…)
5.37 (…)
Dat de schadelijke gevolgen minder ernstig zouden zijn geweest als patiënt D. alleen de beschikking zou hebben gehad over plastic bestek ziet het hof, zoals hiervoor ook reeds overwogen, anders. Ook van plastic bestek kan een wapen worden gemaakt waarmee gestoken kan worden. Daarmee kan - bijvoorbeeld - ernstige schade aan de ogen worden toegebracht. (…)”
5.3
Volgens het onderdeel (procesinleiding onder II.1) is het van algemene bekendheid dat met plastic bestek niet het(zelfde) letsel kan worden toegebracht, zoals dat nu aan Werknemer is toegebracht. Plastic bestek zou immers meteen of al snel zijn afgebroken, zonder dat dit tot enig letsel (van betekenis) zou hebben geleid, dan wel tot veel minder ernstig letsel hebben kunnen leiden dan dat nu aan Werknemer is toegebracht. Het hof heeft dit ten onrechte niet bij zijn oordeel betrokken.
5.4
Verder voert Werknemer aan (procesinleiding onder II.2) dat na het eten had moeten worden gecontroleerd of patiënt D. het bestek had teruggebracht c.q. dit had bij hem moeten worden opgehaald. Zeker toen patiënt D. het signaal gaf dat het niet goed met hem ging, had in de gaten gehouden moeten worden en moeten worden gecontroleerd of hij een gevaar kon vormen voor zichzelf en zijn omgeving. Dit geldt temeer nu GGNet ermee bekend was dat patiënt D. eerder ernstig fysiek geweld niet schuwde, dwingend contact en intimiderend en provocerend gedrag vertoonde. Werknemer wist dit niet en GGNet heeft hem hiervan niet op de hoogte gesteld. Verder wijst Werknemer erop dat de bestekla niet op slot kon en vrij toegankelijk was.
5.5
Ook voert Werknemer aan (procesinleiding onder II.3) dat hij de (essentiële) stelling heeft betrokken dat de in het Protocol separeren genoemde maatregelen naar analogie op patiënt D. hadden moeten worden toegepast en ook zonder bezwaar hadden kunnen worden toegepast. GGNet heeft met het Protocol separeren onderkend dat het eten met gewoon (metalen) bestek zonder toezicht gevaren met zich meebrengt. Dat is voor een patiënt als D. (waarvan men nog niets weet) die alleen op een kamer eet niet anders: als daarop geen toezicht wordt gehouden, dan bestaat de kans dat de patiënt zichzelf iets aan doet en nu de patiënten met gewoon (metalen) bestek op de afdeling vrij kunnen rondlopen, kan dat tevens gevaar opleveren voor het personeel. Ook deze stellingen heeft het hof niet bij zijn beoordeling betrokken.
5.6
Het gaat bij dit onderdeel om de vraag of het oordeel van het hof dat GGNet geen zorgplicht heeft geschonden door metalen bestek aan patiënt D. ter beschikking te stellen, althans niet heeft toegezien op het gebruik en het retourneren van het metalen bestek door patiënt D., toereikend is gemotiveerd.
5.7
Hierbij is voorop te stellen dat het hier gaat om een incident op een gesloten afdeling in een GGZ-instelling, waar (onder meer) patiënten verblijven die met een rechterlijke machtiging gedwongen zijn opgenomen. Ook staat vast dat patiënt D. met een rechterlijke machtiging was opgenomen. Zoals het hof zelf overweegt, vormen gedwongen opgenomen patiënten standaard een gevaar voor zichzelf of voor hun omgeving (rov. 5.27). Dit betekent dat de kans dat zich een incident voordoet waarbij een patiënt een stuk bestek als steekwapen gebruikt, zeker niet denkbeeldig is.25
5.8
Zoals hiervoor is besproken, volgt uit het arrest Totaal Service (zie onder 4.12), dat de beoordeling van de vraag welke veiligheidsmaatregelen een werkgever dient te treffen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij kunnen worden betrokken (i) de aard van de werkzaamheden, (ii) de kans dat zich een ongeval zal voordoen, (iii) de ernst van de gevolgen van een mogelijk ongeval en (iv) de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.
5.9
Allereerst is op te merken dat het hof deze verschillende gezichtspunten niet kenbaar heeft betrokken in zijn beoordeling.
5.10
Ook heeft het hof niet voldoende gereageerd op de stelling van Werknemer – in lijn met wat GGNet hierover zelf had aangevoerd – dat volgens het Protocol separeren plastic bestek ook buiten de separeer kan worden verstrekt. Het hof overweegt weliswaar dat plastic bestek alleen wordt gegeven aan patiënten in separeer en dat plastic bestek niet gebruikelijk is (voor patiënten die zich niet in separeer bevinden, zo begrijp ik), maar dat vormt geen afdoende respons op de stelling van Werknemer. De overweging van het hof dat patiënt D. “opvallend rustig en gelaten reageerde op de beslissing tot in bewaring stelling, hij op het moment van het incident niet in de separeer zat en hij tijdens het verblijf op de afdeling gedurende een week, geen agressief gedrag heeft vertoond” (rov. 5.33), vormt daartoe geen steekhoudend argument, nu het hof óók heeft vastgesteld dat bij patiënt D. sprake was van specifieke agressiegevaren waarover Werknemer had moeten worden geïnformeerd, en bovendien sprake was van een ‘niet pluis gevoelens’ van medewerkers over de patiënt (rov. 5.32). Kenmerkend voor patiënten die gedwongen zijn opgenomen (en misschien ook voor psychiatrische patiënten in het algemeen) is dat zij uit het niets escalerend gedrag kunnen vertonen.
5.11
Verder is niet begrijpelijk op grond waarvan het hof heeft aangenomen “dat met plastic bestek (soortgelijk) letsel kan worden toegebracht”. Dit strookt niet met de constatering dat patiënten in de separeer plastic bestek krijgen; dat zal toch juist bedoeld om te voorkomen dat zij zichzelf of anderen schade kunnen toebrengen. De gedachte zal daarbij ongetwijfeld zijn dat met plastic bestek níet soortgelijk letsel kan worden toegebracht. Hierbij is op te merken dat het plastic bestek dat aan patiënten in de separeer wordt verstrekt geen hard plastic is, maar gemaakt is of kan zijn van buigzaam materiaal.
5.12
Ten slotte heeft het hof onbesproken gelaten of van GGNet kon worden gevergd dat zij zodanige veiligheidsmaatregelen nam, dat erop wordt toegezien dat als een patiënt als D. zonder toezicht op zijn kamer met metalen bestek eet, dit bestek na de maaltijd wordt ingenomen en niet wordt achtergehouden door de patiënt.
5.13
Gelet op het voorgaande heeft het hof zijn oordeel dat van GGNet uit hoofde van haar zorgplicht niet kon worden gevergd om maatregelen te nemen om te voorkomen dat een patiënt als D. beschikte over metalen bestek, m.i. onvoldoende gemotiveerd.
5.14
De vraag óf van GGNet kon worden gevergd dat maatregelen werden genomen om te voorkomen dat een patiënt op de gesloten afdeling beschikte over metalen bestek en/of dat er op werd toegezien dat het metalen bestek na het nuttigen van de maaltijd op de eigen kamer weer werd ingeleverd, ligt wat mij betreft nog open. Het antwoord hierop hangt er mede van af wat binnen de verplichte GGZ-zorg, ten tijde van het incident, op dit vlak zorgvuldig werd geacht. Op basis van het dossier is dat m.i. niet met voldoende zekerheid vast te stellen. Gelet op het feit dat de beantwoording van die vraag deskundige kennis vergt, kan de rechter m.i. de vraag niet beantwoorden zonder deskundige voorlichting.
5.15
Nu de bewijslast van het naleven van haar zorgplichten als werkgever bij GGNet ligt, zou de rechter GGNet kunnen opdragen te bewijzen dat zij ten aanzien van het bestek géén zorgplicht heeft geschonden. GGNet kan dan onafhankelijke expertise in het geding brengen die betrekking heeft op het gebruik van metalen dan wel plastic bestek.
5.16
Een andere mogelijkheid is dat de rechter zelf een deskundigenbericht inwint. De Werknemer heeft daarom ook verzocht, zo blijkt uit zijn bewijsaanbod:
“50. [Werknemer] meent dat hij met betrekking tot zijn stellingen in deze procedure ex artikel 7:658 BW niet gehouden is tot het leveren van nader bewijs. Hij biedt – doch slechts voor zover enige bewijslast op hem zou rusten en onder protest van gehoudenheid daartoe en derhalve geheel onverplicht - aanvullend bewijs aan door middel van alle middelen rechtens en meer in het bijzonder middels schriftelijk bewijs, waaronder (aanvullende) medische stukken, het inwinnen van een of meer op te stellen deskundigenberichten en/of een verhoor van getuigen.
51. Als deskundige zou kunnen worden aangewezen een veiligheidskundige met als specialisme de veiligheid in de zorg. De deskundige kan verzocht worden in ieder geval in kaart te brengen:
hoe ten tijde van het geweldsincident feitelijke gesteld was met de veiligheid in algemene en specifieke zin binnen de gesloten afdeling van GGNet waar [Werknemer] werkte, gelet op het gevaar verbonden aan de daar opgevangen (onberekenbare) patiënten in relatie tot de medewerkers, en in het bijzonder ten opzichte van [Werknemer] die er stage liep en nog een leerling was, alsmede
hoe het ten tijde van het geweldsincident feitelijk gesteld was met de veiligheid binnen de gesloten afdeling van GGNet specifiek in relatie tot de aan de persoon van [patiënt D.] verbonden gevaren, voor de medewerkers van GGNet en in het bijzonder voor de persoon van [Werknemer], mede gelet op de achtergrond van [patiënt D.] en het feit dat hij nog maar kort bij GGNet werd opgevangen, alsmede:
hoe het ten tijde van het geweldincident in de gegeven omstandigheden, mede gelet op geldende richtlijnen, protocollen, gebruiken in de branche, eventuele overige voorschriften en aanbevelingen, met de veiligheid binnen GGNet op de afdeling van Werknemers gesteld had behoren te zijn.
52. In ieder geval kan volgens [Werknemer] het beschikbare audit-verslag dat GGNet in de deelgeschilprocedure heeft overgelegd aan de deskundige worden meegezonden. Aan de hand van voorlichting middels een deskundigenbericht kan dan worden beoordeeld of de feitelijke situatie inzake de veiligheid ten tijde van het incident gelet op de eisen van art. 7:658 BW aan de maat was.
(…)
55. Mocht Uw Hof het nog nodig achten getuigen te horen, dan kunnen in ieder geval gehoord worden medewerkers/collega’s die destijds met [Werknemer] samenwerkten en de leidinggevende(n) van destijds, maar ook medewerkers van GGNet die thans op de gesloten afdeling werkzaam zijn. In ieder geval kan ook [Werknemer] zelf gehoord worden. Allen kunnen verklaren over de gang van zaken binnen GGNet op het gebied van de (on)veiligheid in relatie tot de inherent aan de daar opgevangen patiënten verbonden gevaren, over welke maatregelen werden getroffen en welke maatregelen getroffen hadden behoren te worden, alsook over het geweldsincident op 26 maart 2016 en de gevolgen daarvan voor [Werknemer].”
5.17
Het hof heeft m.i. onvoldoende gemotiveerd waarom aan dit bewijsaanbod voorbij kon worden gegaan, zoals Werknemer aanvoert bij onderdeel VI.
5.18
Gelet op het feit dat in zaken als de onderhavige de stelplicht en bewijslast bij de werkgever ligt en dat daaraan zeer hoge eisen moeten worden gesteld (vgl. hiervoor onder 4.10), is het primair aan de werkgever om te bewijzen dat is zorggedragen dat aan het vereiste, op de structurele gevaren toegesneden, hoge veiligheidsniveau van de werkomstandigheden is voldaan.
5.19
Nu het hof kennelijk van oordeel was dat GGNet in voldoende mate had aangetoond dat zij – op het punt van het bestek – aan haar zorgplicht had voldaan, had het Werknemer moeten toelaten tot het leveren van tegenbewijs. M.i. was het bewijsaanbod daarvoor voldoende specifiek, waarbij mede van belang is dat in een zaak zoals hier aan de orde is, niet té hoge eisen mogen worden gesteld aan het bewijsaanbod. Daardoor komt de bewijspositie van de werknemer in de knel.
5.20
Het bewijsaanbod van Werknemer omvat tevens het verzoek aan de rechter om een deskundige in te schakelen. Weliswaar staat het volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de rechter vrij om al dan niet een deskundigenbericht te gelasten en behoeft een oordeel naar aanleiding van een verzoek daartoe (in beginsel) geen motivering.26 Nog los van de kritiek die is gegeven op deze rechtspraak,27 had het hof in de specifieke context van deze zaak m.i. nader moeten motiveren waarom het voorbij is gegaan aan het expliciete verzoek van Werknemer om een deskundigenbericht in te winnen. Via een deskundigenbericht kan immers duidelijkheid worden verkregen over de vraag wat er (ten tijde van het incident) binnen de gesloten GGZ als zorgvuldig werd beschouwd ten aanzien van het bestek. Die deskundige kennis heeft de rechter nodig om hierover een goed gefundeerd oordeel te geven.
5.21
Hiermee slaagt ook onderdeel II. Ook onderdeel VI (passeren bewijsaanbod) slaagt voor zover het gaat over het gebruik van en toezien op dat gebruik van metalen bestek.
6Onderdeel III: het bieden van een vluchtmogelijkheid
6.1
Onderdeel III richt zich tegen rov. 5.31, waarin het hof heeft overwogen dat er een vluchtmogelijkheid was in de ruimte waarin het steekincident plaatsvond. Deze overweging luidt als volgt:
“[Werknemer] heeft er verder op gewezen dat de inrichting van de werkruimte niet veilig was. Zo heeft het geweldsincident plaatsgevonden in een klein kantoor zonder vluchtmogelijkheid en kon de deur niet op slot, aldus [Werknemer]. [Werknemer] miskent in zijn stellingname dat het een afdeling Acute zorg betreft waarvoor niet hetzelfde veiligheidsniveau geldt als in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK). GGNet heeft gemotiveerd betwist dat het kantoor niet veilig was ingericht en onder meer op de zitting bij het hof een foto van de betreffende ruimte getoond. Hoewel die ruimte niet meer op dezelfde manier is ingericht als ten tijde van het geweldsincident, is op die foto wel te zien dat de ruimte twee deuren heeft. In zoverre was er naar het oordeel van het hof dus wel degelijk een vluchtmogelijkheid via de deur die leidde naar het blok met de ambulance-ingang en de separeerruimte. Op de afdeling verbleven naast gedwongen opgenomen patiënten ook vrijwillig verblijvende patiënten. In de omstandigheid dat het een afdeling Acute zorg en geen FPK betrof is denkbaar dat een beleid wordt gevoerd waarbij de deur van het kantoor niet steeds is afgesloten om het contact met patiënten te houden en vertrouwen te geven. Daarmee heeft GGNET niet haar zorgplicht geschonden. Hiervoor is immers overwogen dat met de zorgplicht van de werkgever niet is beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van werknemers wier werkzaamheden bijzondere risico’s van ongevallen meebrengen. Voortdurende afsluiting van het kantoor had wellicht het geweldsincident kunnen voorkomen maar kon in de omstandigheden van dit geval als maatregel ter voldoening aan haar zorgplicht van GGNet niet worden gevergd.”
6.2
Volgens Werknemer is het oordeel van het hof in rov. 5.31 onbegrijpelijk, omdat het hof voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van Werknemer. In het door het hof in rov. 5.4 aangehaalde verslag dat binnen GGNet is opgesteld van het incident staat met zoveel woorden dat er geen vluchtmogelijkheden waren. De overweging in rov. 5.31 dat er een vluchtmogelijkheid was, is daarmee niet te rijmen. Werknemer heeft uitdrukkelijk aangevoerd dat er geen (extra) vluchtmogelijkheid was, en ook dat het kantoortje waar het onderhavige voorval zich heeft voorgedaan niet op slot kon en er aldus voor medewerkers als Werknemer geen veilige ruimte was gecreëerd, waarmee de werkruimte niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld. Ook heeft Werknemer op dit punt een specifiek bewijsaanbod gedaan, dat door het hof ten onrechte is gepasseerd (met verwijzing naar onderdeel VI).
6.3
Ter bespreking van de klacht geldt het volgende.
6.4
Volgens Werknemer was het kantoortje niet veilig, althans niet veilig ingericht, en heeft GGNet ook op dit punt haar zorgplicht geschonden. Werknemer heeft in dit kader het volgende aangevoerd:28
a. het kantoor was te klein om te vluchten c.q. zich aan de situatie te onttrekken;
b. het kantoor stond vol met stoelen, beveiligingscamera’s en beeldschermen en een medicijnkar die een mogelijke vluchtweg belemmerden;
c. er zaten twee deuren in het kantoortje, maar de tweede deur leidde naar de isoleercel en kon dus niet als vluchtroute worden gebruikt;
d. de deur van het kantoortje stond altijd open, wat ongebruikelijk en ongewenst is omdat het personeel dan altijd alert moet zijn;
e. het kantoortje is de enige ruimte waarin het personeel zich kan afzonderen van de patiënten zodat die ruimte ook echt veilig moet zijn;
f. het kantoortje kon niet op slot.
6.5
M.i. heeft het hof in rov. 5.31 niet toereikend gemotiveerd dat de tweede deur ‘in zoverre’ een vluchtmogelijkheid bood, in het licht van de stellingen van Werknemer onder a, b, en c. Partijen zijn het erover eens dat er een tweede deur in het kantoortje was, maar of daarmee ‘in zoverre’ een vluchtmogelijkheid werd geboden, volgt daaruit nog niet.
6.6
De stellingen onder d, e en f zijn, zo begrijp ik, door het hof terzijde gelegd met het argument dat nu het ging om een afdeling Acute Zorg en geen forensisch psychiatrische kliniek, het denkbaar is dat een beleid wordt gevoerd waarbij de deur van het kantoor niet steeds is afgesloten om het contact met patiënten te houden en vertrouwen te geven.
6.7
De vraag is echter niet of het denkbaar is dat een dergelijk beleid wordt gevoerd. De vraag is of GGNet voor wat betreft de inrichting en toegankelijkheid van het kantoortje ervoor heeft zorggedragen dat aan het vereiste, op de structurele gevaren van een gesloten GGZ-afdeling toegesneden, hoge veiligheidsniveau van de werkomstandigheden is voldaan (vergelijk maatstaf TBS-arrest, zie onder 4.9 e.v.).29 Dat dat het geval is geweest, heeft het hof m.i. niet toereikend gemotiveerd. Ook hier geldt dat de rechter een dergelijk oordeel m.i. niet kan geven zonder onafhankelijke deskundige voorlichting.
6.8
Hierbij komt nog dat in het door GGNet zelf opgestelde verslag van het incident d.d. 5 april 2016 (geciteerd onder 5.4 van het bestreden arrest) het volgende is te lezen:
“Oorzaken
Onderstaand een opsomming van de factoren die mogelijk van invloed waren op het incident, middels de agressie analyse kaarten:
(…)
Technische factoren
Accommodatie – kantoor is klein/smal, weinig bewegingsruimte, geen vluchtmogelijkheden.
(…)”
6.9
Uit rov. 5.31 is niet af te leiden hoe het hof deze bevindingen heeft meegewogen in zijn oordeel.
6.10
M.i. is voor de rechter zonder deskundige informatie niet te beoordelen of GGNet op dit punt aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het vergt kennis van wat binnen de gesloten GGZ-zorg als gebruikelijk en zorgvuldig wordt beschouwd, om te beoordelen wat redelijkerwijs van GGNet kon worden gevergd.
6.11
Wat hiervoor bij onderdeel II is opgemerkt over het bewijsaanbod van Werknemer, geldt mutatis mutandis ook op dit punt (zie onder 5.14 e.v.). M.i. kon het hof niet ongemotiveerd voorbijgaan aan het verzoek van Werknemer om een deskundigenbericht in te winnen, althans getuigen te horen, over de vraag wat vanuit het oogpunt van het treffen van veiligheidsmaatregelen redelijkerwijs gevergd kon worden van GGNet op het punt van een vluchtroute in het kantoortje en het al dan niet op slot (moeten) kunnen van het kantoortje. Zo dit al anders zou zijn, dan had het hof Werknemer moeten toelaten tot tegenbewijs.
6.12
De conclusie is dat ook de klachten van onderdeel III slagen. Voor wat betreft het passeren van het bewijsaanbod op het punt van een vluchtroute en/of het al dan niet op slot (moeten) kunnen van het kantoortje slaagt in zoverre ook onderdeel VI.
7Onderdeel IV: voortbouwklacht
7.1
Nu de onderdelen I, II en II slagen, slaagt ook de voortbouwklacht van onderdeel IV.
8Onderdeel V: goed werkgeverschap (art. 7:611 BW)
8.1
Onderdeel V richt zich tegen rov. 5.40-5.44, waarin het hof overweegt dat de vorderingen van Werknemer niet toewijsbaar zijn op grond van art. 7:611 BW. Volgens Werknemer is die beslissing onjuist dan wel onbegrijpelijk, en is het hof voorbijgegaan aan essentiële stellingen van Werknemer.
8.2
Ter bespreking van het onderdeel is het volgende van belang.
8.3
Op grond van art. 7:611 BW, waarin de norm van goed werknemer- en werkgeverschap is neergelegd, rusten er verschillende verplichtingen op de werkgever.
8.4
Uit de parlementaire geschiedenis van art. 7:611 BW volgt dat deze bepaling op zichzelf niet beoogt een andere norm te formuleren dan de algemene privaatrechtelijke normen van redelijkheid en billijkheid.30 Art. 7:611 BW bevat dus in feite een nadere concretisering van art. 6:2 BW en art. 6:248 BW voor de arbeidsverhouding.31 De wetgever achtte het opnemen van een speciale bepaling in titel 7.10 van Boek 7 BW niettemin waardevol om tot uitdrukking te brengen dat de bepaling niet alleen ziet op de bedoelingen van partijen onderling, maar ook op de voor het arbeidsrecht relevante verhoudingen en ontwikkelingen. De norm van goed werkgeverschap biedt aldus de mogelijkheid om rekening te houden met ontwikkelingen in rechtsopvattingen.32 Met een specifieke norm voor het arbeidsrecht wordt beter aangesloten bij de eigen aard en terminologie van het arbeidsrecht en zal het voor de partijen bij de arbeidsovereenkomst gemakkelijker levend recht zijn, zo is te lezen in de memorie van toelichting.33 De norm heeft daarmee een ‘dynamisch rechtscheppend’ karakter.34
8.5
De norm van goed werkgeverschap wordt ingekleurd door art. 3:12 BW. Daarin is bepaald dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt verder dat de vraag of de werkgever zich al dan niet heeft gehouden aan de verplichting zich te gedragen als een goed werkgever, in volle omvang is onderworpen aan toetsing door de rechter. Bij deze toetsing dient niet alleen rekening te worden gehouden met de aard van de dienstbetrekking en van de overeengekomen arbeid alsmede met de overige omstandigheden van het geval, maar ook met de beoordelingsvrijheid die de werkgever, gezien de aard van zijn bedrijf en van de daarin te verrichten werkzaamheden, ten aanzien van de organisatie en inrichting van die werkzaamheden toekomt.35
8.6
In de arresten Akzo en Taxicentrale Nijverdal introduceerde de Hoge Raad, in het verlengde van een aantal oudere uitspraken van de Hoge Raad,36 een verplichting voor de werkgever om op grond van de norm van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW te voorzien in een behoorlijke verzekering van schade die zijn werknemers kunnen oplopen in het verkeer.37 Overwogen werd dat art. 7:658 BW niet beoogt om een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar slechts een zorgplicht geeft. Gelet op de door velen met grote regelmaat gelopen risico’s van ongevallen bij deelname aan het gemotoriseerd verkeer én de goede verzekerbaarheid van deze risico's tegen betaalbare premies, zo overweegt de Hoge Raad, moet worden geoordeeld dat de werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval. De omvang van deze verplichting zal van geval tot geval nader vastgesteld moeten worden met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden – waarbij mede van belang is of verzekering kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd – en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen, aldus de Hoge Raad.
8.7
Bij aansprakelijkheid wegens schending van een verzekeringsplicht is dus geen sprake van aansprakelijkheid voor de volledige schade die de werknemer als gevolg van het ongeval lijdt, maar alleen voor zover een ‘behoorlijke verzekering’ deze schade zou hebben gedekt.38
8.8
De verzekeringsplicht is niet beperkt tot ongevallen op de openbare weg, maar geldt ook voor schade door verkeersongevallen op de werkplek, zo werd beslist in het arrest Maatzorg.39
8.9
Hierna is getracht de rechter te bewegen tot uitbreiding van deze verzekeringsplicht, al dan niet in situaties waarin niet was voldaan was aan de vereisten voor aansprakelijkheid op de voet van art. 7:658 BW.
8.10
De Hoge Raad heeft die uitbreiding echter afgewezen. In het arrest Postbezorger (of TNT-arrest) ging het om een postbezorger die tijdens het te voet bezorgen van de post uitgleed over een plak ijs of bevroren sneeuw en daarbij ten val kwam.40 De Hoge Raad herhaalde de argumenten voor een verzekeringsplicht bij verkeersongevallen uit zijn eerdere arresten Akzo en Taxicentrale Nijverdal, en voegde daar het volgende aan toe:
“Blijkens de arresten [A-G: Akzo, Taxicentrale Nijverdal en Maatzorg] is deze uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting van de werkgever aanvaard met betrekking tot schade die werknemers lijden in de uitoefening van hun werkzaamheden als deelnemer aan het wegverkeer, indien zij
(a) als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval, dan wel indien zij
(b) als fietser of voetganger schade lijden als gevolg van een ongeval waarbij een of meer voertuigen zijn betrokken, of
(c) als fietser schade lijden als gevolg van een eenzijdig fietsongeval.
Zij dient bij de huidige stand van de wetgeving ook tot die gevallen beperkt te blijven, omdat het hier gaat om een uitzondering op de in art. 7:658 neergelegde regel dat de werkgever slechts voor arbeidsongevallen aansprakelijk is indien hij is tekortgeschoten in zijn zorgplicht ter voorkoming van ongevallen, welke uitzondering niet tot een te ver gaande aantasting van die regel mag leiden. Op zichzelf bestaan goede argumenten om werknemers een verdergaande, algemene bescherming tegen het risico van ongevallen in verband met hun werkzaamheden te bieden dan art. 7:658 thans biedt, maar het ligt op de weg van de wetgever om een regeling daarvoor te maken; een dergelijke algemene regeling gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. Ook is denkbaar dat werkgevers en werknemers voor de hen betreffende onderneming of voor de hen betreffende bedrijfstakken, al dan niet in het kader van af te sluiten CAO's, specifieke voorzieningen ter zake van arbeidsongevallen treffen. Bij de huidige stand van de wetgeving dient echter, mede met het oog op de vereiste rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht, de in de rechtspraak aanvaarde en uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting van de werkgever beperkt te blijven tot de bepaalde, afgebakende categorie van gevallen zoals hiervoor omschreven.”
8.11
Een eenzijdig voetgangersongeval op de openbare weg, zoals de postbezorger was overkomen, valt daarmee buiten de verzekeringsverplichting van de werkgever, aldus de Hoge Raad. Daarbij werd nog het volgende overwogen:41
“Hoezeer ook elke afbakening tot op zekere hoogte een arbitrair karakter heeft, valt hierbij te bedenken dat struikelen of uitglijden naar zijn aard niet een bijzonder, aan de risico's van het wegverkeer verbonden risico is, reden waarom te dier zake in het algemeen geen goede grond bestaat voor een verdergaande bescherming van de werknemer dan bij struikelen of uitglijden op de arbeidsplaats zelf. Voorts kan ook bezwaarlijk worden gezegd dat de mettertijd gegroeide goede verzekerbaarheid van het risico van verkeersongevallen tegen betaalbare premies betrekking heeft op het risico van struikelen of uitglijden.”
8.12
Gelijktijdig met het TNT-arrest wees de Hoge Raad het arrest De Rooyse Wissel (of het TBS-arrest, ook besproken onder 4.9 e.v.).42 In deze zaak was een werknemer in een TBS-instelling aangevallen door een patiënt. Ook in deze zaak wees de Hoge Raad een uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting af. Overwogen werd het volgende:
“In zijn arrest van heden in de zaak nr. 10/04875 (TNT) heeft de Hoge Raad uiteengezet dat en waarom de op art. 7:611 gebaseerde verzekeringsverplichting beperkt dient te blijven tot de categorie van aan werknemers in de uitoefening van hun werkzaamheden overkomen verkeersongevallen (…). Het onderhavige geval valt niet onder de in die arresten omschreven, afgebakende categorie van gevallen. Hoezeer ook elke afbakening tot op zekere hoogte een arbitrair karakter heeft, valt hierbij te bedenken dat het aan [verweerder] overkomen arbeidsongeval niet is voorgevallen op een plaats waar De Rooyse Wissel als werkgever slechts beperkte zeggenschap en invloed heeft, doch integendeel op de arbeidsplaats zelf. In die situatie zou aanvaarding van een uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting van de werkgever het wettelijk stelsel van werkgeversaansprakelijkheid, dat is gebaseerd op (tekortschieten in) een zorgplicht schade te voorkomen, te vergaand aantasten. Bovendien zou zulks een grote mate van rechtsonzekerheid in het leven roepen, omdat geen duidelijke grens getrokken kan worden met (andere) arbeidsongevallen waarvoor geen verzekeringsverplichting van de werkgever zou gelden.”
8.13
Overigens werd het hofarrest waarin aansprakelijkheid van de TBS-instelling was afgewezen wel vernietigd, omdat het hof geen recht had gedaan aan de beschermende werking van art. 7:658 BW (zie ook onder 4.9 e.v.).
8.14
Hiermee is de aansprakelijkheid van een werkgever wegens het niet afsluiten van een verzekering voor arbeidsongevallen tot nu toe beperkt gebleven tot verkeersongevallen van werknemers, meer in het bijzonder tot de in het TNT-arrest onder (a), (b) en (c) genoemde categorieën van arbeidsongevallen.
8.15
In de literatuur is veel geschreven over het TNT- en TBS-arrest. De meeste publicaties zijn alweer een aantal jaren oud, omdat zij zijn geschreven kort na het wijzen van de arresten in 2011. De laatste jaren is er weinig over het onderwerp geschreven.
8.16
De meer recente publicaties gaan vooral over de vraag of de op art. 7:611 BW gebaseerde verzekeringsplicht bij verkeersongevallen via art. 7:658 lid 4 BW (kort gezegd: werkgeversaansprakelijkheid voor schade van werkenden die niet op basis van een dienstverband werken) betekent dat ook voor zzp’ers onder omstandigheden een ongevallenverzekering moet worden afgesloten.43 Advocaat-Generaal Hartlief beantwoordde de vraag ontkennend44 en de Hoge Raad heeft de vraag niet beantwoord.45 Deze kwestie laat ik hier verder rusten.
8.17
Kritiek, onder meer van Hartlief, op de TNT- en TBS-arresten was er vooral op de rechtsongelijkheid die de arresten met zich mee hebben gebracht.46 De verzekeringsplicht geldt slechts voor een bepaalde categorie van arbeidsongevallen, verkeersongevallen, maar ook niet voor álle verkeersongevallen. Het argument dat de Hoge Raad hiervoor gebruikt, dat de werkgever bij verkeersongevallen geen invloed heeft op de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, terwijl hij dat wel bij andere arbeidsongevallen zou hebben, is niet erg overtuigend.47 Er zijn namelijk wel meer situaties waarin werkgevers geen daadwerkelijke invloed hebben op het voorkomen van ongevallen tijdens structureel gevaarlijk werk. De door de Hoge Raad aangenomen verzekeringsplicht voor verkeersongevallen heeft daarmee een nogal arbitrair karakter.48
8.18
Een ander punt van discussie is de verhouding tussen rechter en wetgever. Volgens sommige auteurs is de Hoge Raad te ver gegaan met het aannemen van een verzekeringsplicht voor verkeersongevallen.49 De Hoge Raad zou de thans geldende verzekeringsplicht niet zelf verder kunnen of moeten uitbreiden.50 Ook is gewezen op systeemrisico’s bij uitdijende verzekeringsplichten.51 Maar ook valt in de literatuur te lezen dat er weinig heil is te verwachten van de wetgever en dat de Hoge Raad juist verdere stappen moet zetten.52
8.19
Auteurs die pleiten voor een bredere verzekeringsplicht wijzen erop dat er inmiddels veel betere verzekeringsmogelijkheden zijn voor de werkgever.53
8.20
Het kernpunt van de beschouwingen in de literatuur over werkgeversaansprakelijkheid is, als gezegd, de rechtsongelijkheid die is ontstaan. Zo spreekt Frenk over een “verbrokkeld en inconsistent stelsel dat werknemers, zonder dat daar een rechtvaardiging voor is, verschillend behandelt”.54 Dit heeft niet alleen te maken met de voor verkeersongevallen in het leven geroepen verzekeringsplicht, maar ook met het feit dat er in de jurisprudentie nog een derde route voor aansprakelijkheid voor arbeidsongevallen is ontwikkeld. Deze aansprakelijkheid is eveneens gebaseerd op schending van een zorgplicht van de werkgever (op grond van art. 7:611 BW) en is bedoeld voor schade die niet is ontstaan ‘in de uitoefening van werkzaamheden’, zoals art. 7:658 BW vereist, maar wel in voldoende verband staat met de arbeidsovereenkomst. Te denken is bijvoorbeeld aan ongevallen tijdens een bedrijfsuitje of schade die de werknemer thuis oploopt maar die wel samenhangt met zijn werkzaamheden.55 Voor dergelijke ongevallen gelden, anders dan bij art. 7:658 BW, de gewone regels van stelplicht en bewijslastverdeling.
8.21
Hiermee zijn er drie verschillende aansprakelijkheidsregimes voor arbeidsongevallen (ik laat de kwestie van aansprakelijkheid voor beroepsziekten hier verder onbesproken).56 Ten eerste de regeling van art. 7:658 BW, ten tweede de op art. 7:611 BW geïntroduceerde verzekeringsverplichting voor (sommige) werkgerelateerde verkeersongevallen en ten derde een op art. 7:611 BW gebaseerde zorgplicht van de werkgever voor schade die niet is geleden ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ als bedoeld in art. 7:658 BW, maar wel in voldoende verband staat met de arbeidsovereenkomst.
8.22
Het resultaat is een ‘bonte lappendeken’, zoals Lindenbergh en Kolder het aanduiden, van aansprakelijkheidsregimes voor arbeidsongevallen. Deze lappendeken heeft bovendien ‘rafelranden’, schrijft Kolder in een recente publicatie.57 Hij bespreekt in dit verband sterk uiteenlopende feitenrechtspraak over het criterium ‘schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt’, waarbij aansprakelijkheid regelmatig wordt afgewezen omdat niet aan dit criterium zou zijn voldaan. Ook noemt Kolder dat onduidelijk is bij wie het risico ligt indien de toedracht van het ongeval niet vast staat. Soms wordt dit bij de werkgever gelegd, die dan voor alle mogelijke scenario’s moet aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, en soms bij de werknemer, die met lege handen staat omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van schade geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Een andere rafelrand is de uitzondering voor ‘huis- tuin- en keukenongelukken’, die met enige regelmaat in de feitenrechtspraak wordt gehanteerd. Kolder is kritisch over deze uitzondering. Niet alleen is het onduidelijk wanneer sprake is van een ‘huis-, tuin- en keukenongeval’; ook volgt een enkel daarop gebaseerde afwijzing van aansprakelijkheid volgens hem niet uit de rechtspraak van de Hoge Raad.58 Problematisch is volgens Kolder ook de afwijzing van aansprakelijkheid met de motivering dat het ging om ‘een ongelukkige samenloop van omstandigheden’. Die kwalificatie is zinledig; zelfs als daarvan sprake is, kan toch aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW aan de orde zijn. Verder noemt Kolder nog feitenrechtspraak waarin zijns inziens de hoge drempel voor opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer onvoldoende is onderkend.
8.23
Kolder komt tot de conclusie dat sprake is van een moeilijk uit te leggen systeem, dat tot moeilijk te rechtvaardigen en arbitraire verschillen in uitkomst kan leiden. Als meest in het oog springend noemt hij daarbij dat bepaalde werknemers – werknemers die deelnemen aan het verkeer – ‘in de uitoefening van’ de werkzaamheden schade lijden terwijl géén sprake is van een schending van de zorgplicht ex art. 7:658 BW, (toch) aanvullende bescherming genieten in de vorm van een verzekeringsplicht ex art. 7:611 BW. Dit terwijl deelname aan het verkeer bepaald niet de enige werkzaamheid is waaraan verhoogde risico’s zijn verbonden die maar moeilijk door de werkgever zijn te bezweren, zo schrijft Kolder. Lindenbergh maakt hetzelfde punt met zijn opmerking dat er schrijnende gevallen zijn van werknemers die met volle inzet voor de werkgever letsel oplopen door een ongelukkige samenloop van omstandigheden en die schade niet vergoed krijgen, terwijl anderen hun volledige schade vergoed krijgen zonder een aanwijsbare fout van de werkgever.59
8.24
Dit alles brengt Kolder tot de slotsom dat een fundamentele herbezinning van het systeem van werkgeversaansprakelijkheid op zijn plaats is. Volgens Kolder zou een verzekeringssysteem voor arbeidsongevallen – in de vorm van een directe verzekering – moeten worden ingevoerd. Eerder is hier al voor gepleit door Hartlief en Faure.60 Positief over invoering van een directe verzekering door de wetgever zijn ook Heerma van Voss61 en Waterman62. Houweling en De Graaf lijken ten slotte de voorkeur te geven aan een vorm van risicoaansprakelijkheid op Amerikaanse leest geschoeid, waarbij Houweling nog benadrukt dat de kwestie in de tussentijd in bijvoorbeeld cao’s kan worden geregeld.63
8.25
Ook Klaassen vindt dat het huidige systeem op de helling moet. Zij is echter tegen een directe verzekering, omdat er dan geen prikkels meer zijn voor de werkgever tot het naleven van zijn zorgplichten. Ook zal de uitkering aan slachtoffers dan gemaximeerd zijn op een bepaald bedrag, waarmee in sommige gevallen wellicht de schade niet volledig wordt vergoed. In plaats van een verzekeringssysteem bepleitte Klaassen – in 2012 – de invoering van een risicoaansprakelijkheid van de werkgever voor arbeidsongevallen en beroepsziekten.64 Ook Bolt oppert deze mogelijkheid.65 Net als Klaassen was ook Frenk kritisch over een directe verzekering.66
8.26
Hiermee is wel duidelijk dat er geen eenduidige antwoorden zijn op de vraag hoe er meer evenwicht kan worden gebracht in de lappendeken van werkgeversaansprakelijkheid voor arbeidsongevallen.
8.27
Dit zou aanleiding kunnen zijn om verdere bijsturing dan maar over te laten aan de wetgever. Dat geldt temeer nu de te maken keuzes van rechtspolitieke aard zijn.67
8.28
Het probleem is echter dat (i) de wetgever op dit vlak niets heeft gedaan sinds de arresten TNT en TBS, en (ii) dat eigenlijk alle auteurs het erover eens zijn dat niet te verwachten is dat de wetgever dat op enige termijn wél zal gaan doen.68 Hiermee bevinden we ons in een patstelling.
8.29
Dit zou aanleiding kunnen zijn voor de Hoge Raad om toch nog eens de lijn van de arresten TNT en TBS tegen het licht te houden. Althans, zou de Hoge Raad kunnen overwegen of er inmiddels wel aanleiding wordt gezien om het recht op dit punt verder te ontwikkelen, dan wel te herhalen dat dit moet worden overgelaten aan de wetgever. Het voordeel van dat laatste zou zijn dat de problematiek van ‘de lappendeken van werkgeversaansprakelijkheid’ opnieuw onder de aandacht van de wetgever wordt gebracht en wellicht door de minister kan worden geagendeerd.
8.30
Een extra argument hiervoor is het recent gewezen Afzinkkelder-arrest van de Hoge Raad. In deze zaak ging het om een geval waarin een partij – Multi – bouwwerkzaamheden verrichtte aan een pand (het afzinken van een kelder). Tijdens deze werkzaamheden is een deel van de kelderwand gescheurd. Op een gegeven moment is schade geconstateerd aan een naastgelegen pand. De eigenaar, exploitant en bewoners van dit pand hebben vervolgens schadevergoeding gevorderd van Multi en de opdrachtgever van Multi.
8.31
De Hoge Raad heeft in het Afzinkkelder-arrest als volgt geoordeeld. Volgens de Hoge Raad kan het uitvoeren van bouwwerkzaamheden (onder omstandigheden) een onrechtmatige daad opleveren die verplicht tot vergoeding van de schade die daarvan het gevolg is.69 De Hoge Raad achtte daarbij relevant:
(1) een aan de bouwwerkzaamheden verbonden aanmerkelijk en verwezenlijkt risico op schade aan een nabij gelegen pand,
(2) het ontbreken van een voordeel van de bouwwerkzaamheden voor (onder meer) de bewoners van het nabij gelegen pand,
(3) schade voor (onder meer) de bewoners van het nabij gelegen pand behoort niet zonder meer tot hetgeen door een derde in het maatschappelijk verkeer moet worden geduld bij bouwwerkzaamheden van een ander, en
(4) de verantwoordelijkheid van de schadeveroorzaker in dit geval om zich tegen aansprakelijkheid voor het toebrengen van schade aan derden te verzekeren.
8.32
In het Afzinkkelder-arrest wordt dus aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad aangenomen als een partij die bouwwerkzaamheden verricht bij de voorbereiding en uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen heeft getroffen en de werkzaamheden op zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd.70
8.33
Het Afzinkkelder-arrest heeft in de literatuur veel reacties opgeroepen.71
8.34
Veel auteurs merken op dat het de vraag is of het Afzinkkelder-arrest als een uitzondering op het systeem van art. 6:162 BW moet worden gezien, in die zin dat de Hoge Raad in dit arrest in wezen een vorm van risicoaansprakelijkheid of aansprakelijkheid op grond van rechtmatige daad heeft geaccepteerd.
8.35
Zo ziet Smeehuijzen het Afzinkkelder-arrest als een voorbeeld van aansprakelijkheid op grond van risicoverdeling, niet zozeer op grond van strijd met een zorgvuldigheidsplicht.72 Volgens Smeehuijzen “formuleert de Hoge Raad terecht geen onrealistisch scherpe zorgvuldigheidsnorm en maakt er ook geen buitenwettelijke vorm van risico-aansprakelijkheid van; hij herverpakt zijn billijkheidsoordeel over de wenselijke risicoverdeling (…) niet in termen van het systeem. Hij noemt eenvoudig de wat hem betreft bepalende omstandigheden van het geval en laat het daarbij. Die ‘kale’ benadering komt meen ik de integriteit en daarmee de kracht van zijn motivering ten goede.” Verder schrijft Smeehuijzen het volgende:
“5. Dat over het arrest zoveel is geschreven, komt doordat dit oordeel op het eerste gezicht moeilijk verenigbaar is met het standaard redeneerschema van ons onrechtmatige daadsrecht. Dat kent ogenschijnlijk maar twee routes: óf er is strijd met de maatschappelijke betamelijkheid (of anderszins van onrechtmatigheid in de zin van lid 2), óf er is sprake van een wettelijke risicoaansprakelijkheid. Als van geen van beide sprake is, is er geen grondslag en dus geen vordering.
6. Maar zo schematisch is het onrechtmatige daadsrecht bij nadere beschouwing niet. Het misverstand begint veelal bij het adagium ‘ieder draagt zijn eigen schade’. Vaak wordt dit geïnterpreteerd als een soort normatieve grondhouding ten aanzien van schadevergoeding: men moet een drempel over om schade vergoed te krijgen. Dat ieder zijn eigen schade draagt, is echter een louter feitelijke constatering; inderdaad draagt iedereen zijn eigen schade, zolang men geen recht op schadevergoeding heeft. Wanneer men dat recht op schadevergoeding wel of niet krijgt, is ten gronde een kwestie van redelijkheid. Er is een gedraging, daardoor ontstaat schade en alles draait in wezen om de vraag wie die schade redelijkerwijze moet dragen. Dat is een normatief neutraal uitgangspunt; het neigt niet op voorhand naar de conclusie dat de benadeelde zijn eigen schade draagt.”
8.36
Franken heeft een vergelijkbare opvatting en schrijft dat de Hoge Raad een vergoedingsplicht direct gebaseerd op art. 6:162 BW aanvaardt, en dat dat in lijn is met eerdere rechtspraak. Een vergoedingsplicht is dan niet gebaseerd op het moeten voorkomen van schade, maar op het zich niet aantrekken van de belangen van bepaalde benadeelden, nadat hun schade is ontstaan.73
8.37
Anderen plaatsen het Afzinkkelder-arrest nadrukkelijker binnen het kader van art. 6:162 BW. Castermans & Demper, Drion, Jansen en Verheul beschouwen de hierin aanvaarde aansprakelijkheid als een voorbeeld van aansprakelijkheid wegens strijd met de zorgvuldigheidsplicht.74 Daarbij benadrukken enkele van de auteurs de relevantie van het gegeven dat in het Afzinkkelder-arrest sprake was van een aantasting van een subjectief recht. Andere auteurs wijzen op de overeenkomsten tussen het Afzinkkelder-arrest en het hinderleerstuk (art. 5:37 BW).
8.38
Verder stelt Potharst dat het Afzinkkelder-arrest geen fundamentele wijziging van het aansprakelijkheidsrecht inhoudt. Het zou slechts gaan om een geval waarin op zich wel sprake is van een normschending (strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid), maar waarvoor op grond van art. 6:168 BW – maatschappelijke belangen die zich tegen een verbod verzetten – geen verbod zou kunnen worden gevorderd.75
8.39
De vraag is vervolgens of het toetsingskader uit het Afzinkkelder-arrest kan worden doorgetrokken naar werkgeversaansprakelijkheid, althans naar de nu voorliggende zaak.
8.40
Een deel van de argumentatie uit het Afzinkkelder-arrest biedt steun voor de opvatting dat GGNet de schade van Werknemer behoort te vergoeden.
8.41
Verdedigbaar is dat (i) ook Werknemer bij GGNet is blootgesteld aan een aan de werkzaamheden verbonden aanmerkelijk en verwezenlijkt risico op schade, (ii) deze schade niet behoort tot hetgeen Werknemer in het maatschappelijk verkeer moet dulden, en (iii) van GGNet verlangd kan worden dat zij zich heeft verzekerd tegen aansprakelijkheid voor het toebrengen van schade aan Werknemer. Kolder heeft op deze overeenkomsten gewezen en sluit een aansprakelijkheid naar analogie van het Afzinkkelder-arrest in arbeidsverhoudingen niet uit, in aanvulling op art. 7:658 en art. 7:611 BW.76
8.42
Ook Franken ziet ruimte om de redenering van de Hoge Raad meer in algemene zin te gebruiken ter rechtvaardiging van een zogenoemde “onevenredigheidsvergoeding” die hij buiten het kader van de zorgvuldigheidsplichtschending plaatst (hij wijst in dit verband ook nadrukkelijk op “ongevallen die net buiten de bescherming van art. 7:658/611 BW vallen”).77
8.43
Daartegen zou kunnen worden aangevoerd dat de wetgever met art. 7:658 en 7:611 BW juist specifiek heeft voorzien in een contractenrechtelijke regeling voor aansprakelijkheid in arbeidsverhoudingen. Een analoge toepassing van de aansprakelijkheid uit het Afzinkkelder-arrest zou deze regeling doorkruisen. Volgens deze regeling is bij schade in de uitoefening van de werkzaamheden in beginsel een normschending als bedoeld in art. 7:658 lid 1 BW (met schade als gevolg daarvan) vereist. Bouwschade als aan de orde in het Afzinkkelder-arrest is echter niet specifiek door de wetgever geregeld, zodat de rechter (meer) vrijheid toekomt bij de interpretatie en toepassing van art. 6:162 BW in een dergelijk geval. Op dit verschil lijkt het hof in rov. 5.41 ook te hebben gewezen.
8.44
Bovendien is het ook niet GGNet die actief schade heeft toegebracht aan Werknemer; dat heeft de patiënt gedaan. Ook dat zou een relevant verschil kunnen zijn.
8.45
Feit blijft echter dat er ‘onder de streep’ een moeilijk uit te leggen discrepantie ontstaat tussen enerzijds materiële schade aan een woning, waarvoor kennelijk aansprakelijkheid kan bestaan zonder (een specifieke) normschending, vanuit de gedachte dat schade als gevolg van risicovolle werkzaamheden niet behoeft te worden geduld, mede omdat de schadeveroorzaker zich tegen aansprakelijkheid kan verzekeren, terwijl een werknemer die letselschade lijdt door een risicovolle werkomgeving de schade níet kan verhalen op de werkgever, terwijl de werkgever zich ook daarvoor wel degelijk kan verzekeren.
8.46
In dit verband is nog relevant dat er inmiddels veel verzekeringsproducten op de markt zijn waarin ook risico’s worden verzekerd buiten verkeersongevallen van werknemers (‘goed werkgeverschap verzekeringen).78 GGNet heeft dat overigens betwist en voert bovendien – terecht – aan dat de verzekerbaarheid beoordeeld moet worden ten tijde van het ongeval, in maart 2016.79
8.47
Alles afwegende, geeft het Afzinkkelder-arrest m.i. in ieder geval gedeeltelijk steun aan de opvatting dat art. 7:611 BW zo moet worden uitgelegd, dat werkgevers verplicht zijn om een verzekering ten behoeve van werknemers af te sluiten voor ongevallen tijdens de uitoefening van werkzaamheden als hier aan de orde. De gedachte is dan met name dat het net als in het Afzinkkelder-arrest niet redelijk is dat Werknemer met zijn schade blijft zitten (bij onvoldoende andere verhaalsmogelijkheden). Aanvaarding van een verzekeringsplicht op grond van art. 7:611 BW in het onderhavige geval zou dan een voorbeeld zijn van rechtsontwikkeling op het terrein van het aansprakelijkheidsrecht.80
8.48
Ook tegen deze achtergrond zou het m.i. goed zijn wanneer de Hoge Raad de lijn van de arresten TNT en TBS tegen het licht houdt en erover nadenkt of wellicht de tijd is gekomen dat een volgende stap in de rechtsontwikkeling wordt gezet (zie hiervoor onder 8.10 e.v.).
8.49
Voor onderdeel V leidt het voorgaande tot het volgende.
8.50
M.i. slaagt ook dit onderdeel. Jaarlijks worden ruim 10.000 patiënten opgenomen in de gesloten zorg.81 Een gedwongen opname dient ter bescherming van de patiënt en van de samenleving. Niemand wil dat psychotische mensen aan zichzelf worden overgelaten of op straat rondzwerven, waar ze een direct gevaar kunnen vormen voor zichzelf, familie of buren of willekeurige voorbijgangers. Het werken met deze patiënten is niet eenvoudig en vergt veel van zorgmedewerkers. Het werk is bovendien bepaald niet zonder risico’s. Dagelijks vinden er incidenten plaats op gesloten afdelingen, variërend van het kapot trekken van kleding van werknemers, scheldpartijen en bedreigingen, tot fysiek geweld, soms met zeer ernstige gevolgen. Volgens gegevens van werknemersenquêtes van het programma Arbeidsmarkt in Zorg en Welzijn over (bepaalde kwartalen uit) de periode 2019-2022 heeft ongeveer 20-25% van de werknemers in de GGZ jaarlijks een vorm van fysieke agressie door patiënten of cliënten meegemaakt.82
8.51
Tegen deze achtergrond is het m.i. niet redelijk dat schade die werknemers oplopen tijdens hun werk met deze mensen niet vergoed wordt door de werkgever (behoudens opzet of grove schuld van de werknemer ten aanzien van het ontstaan van de schade). Het gaat hier bij uitstek om schade die niet op de individuele werknemer zou moeten worden afgewenteld, maar door de werkgever moet worden gedragen. Overigens heeft Werknemer wel kosten voor nieuwe kleding, vergoeding van eigen risico en littekenzalf vergoed gekregen. Ook heeft hij de kosten van psychologische begeleiding vergoed gekregen van GGNet.83 Het gaat Werknemer in de voorliggende procedure om onder meer vergoeding van schade in verband met verlies van arbeidsvermogen, schade als gevolg van het verlies van zijn werk, pensioenschade en smartengeld.84
8.52
En in aansluiting op Smeehuijzen (zie onder 8.35): als het ten gronde een kwestie van redelijkheid is of men een recht op schadevergoeding krijgt, dan vind ik dat het redelijk is dat een Werknemer die werkzaam is in de GGZ-zorg en tijdens zijn werkzaamheden aangevallen wordt door een patiënt, zijn schade vergoed krijgt van de werkgever.
8.53
Dit resultaat kan worden bereikt door op grond van art. 7:611 BW te oordelen dat op GGNet de verplichting rust om een verzekering af te sluiten die alle risico’s dekt waaraan werknemers tijdens hun werkzaamheden worden blootgesteld (behoudens opzet of grove schuld). Dergelijke verzekeringen zijn op de markt aanwezig. Als de Hoge Raad dat op prijs zou stellen, zou ik specifiek op dit punt nog een nadere conclusie kunnen nemen op basis van een onderzoek van de verzekeringsmarkt.
8.54
Ten slotte heeft Werknemer nog naar voren gebracht (procesinleiding onder V.5) dat, zeker na de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, sprake is van een ongerechtvaardigd verschil tussen Werknemer en ambtenaren in soortgelijke functies. Die laatste groep krijgt op grond van toepasselijke cao’s de volledige schade vergoed bij arbeidsongevallen, terwijl dat voor Werknemer niet het geval is.
8.55
Op zichzelf is het juist dat bijvoorbeeld rijksambtenaren bij zogenoemde ‘beroepsincidenten’ recht hebben op de vergoeding van schade (art. 8.7 Cao Rijk)85. Een ‘beroepsincident’ is “een beroepsziekte of een dienstongeval voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de werknemer zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken”86, waarbij onder een ‘dienstongeval’ wordt verstaan “een ongeval dat is veroorzaakt door de aard van de opgedragen werkzaamheden of door de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan de schuld of onvoorzichtigheid van de werknemer is te wijten”.87 Bij dienstongevallen die niet kwalificeren als een beroepsincident hebben rijksambtenaren recht op vergoeding van zorgkosten (art. 8.7 Cao Rijk).88
8.56
In cao’s voor niet-ambtenaren is soms een (beperkte) aanvullende schadevergoedingsaanspraak opgenomen, zoals bijvoorbeeld in de Cao Sociaal Werk (art. 2.8)89 en de Cao Geestelijke Gezondheidszorg (art. 8 van hoofdstuk 1).90 Zo luidt art. 8 lid 2 van de Cao Geestelijke Gezondheidszorg: De werkgever vergoedt aan de werknemer de materiële schade die een werknemer lijdt door toedoen van een cliënt van de werkgever met inachtneming van de voorwaarden in dit artikel. Deze schadevergoedingsaanspraak, die dus in aanvulling komt op de wettelijke aansprakelijkheid, is op verschillende wijzen beperkt in lid 3 e.v. (typen schade, maximale bedrag en stelplicht en bewijslast). En art. 2.8 van de Cao Sociaal Werk luidt: De werkgever gedraagt zich als een goed werkgever en dat betekent in ieder geval dat de werkgever: (…) • zich voldoende verzekert voor wettelijke aansprakelijkheid van de werknemer tijdens de uitoefening van zijn werk; • de schade vergoedt die een werknemer buiten zijn schuld lijdt tijdens de uitoefening van zijn werk.
8.57
Het enkele gegeven dat in cao’s voor overheidswerknemers een ruimere aansprakelijkheid van de werkgever geldt dan voor ‘gewone’ werknemers, leidt m.i. niet tot een onaanvaardbare inbreuk op het gelijkheidsbeginsel. Het draagt zeker bij aan de constatering dat het aansprakelijkheidsrecht voor arbeidsongevallen allerlei onbillijkheden en ongerijmdheden bevat (zie onder 8.20 e.v.). Maar, anders dan in de TBS-zaak (waardoor het onderdeel geïnspireerd zal zijn, zie hiervoor onder 4.11), is hier geen sprake van werknemers die precies hetzelfde werk doen als Werknemer, althans dat is niet gemotiveerd aangevoerd.
8.58
Dit argument legt daarom m.i. geen gewicht in de schaal.
9Onderdeel VI: passeren bewijsaanbod
9.1
Onderdeel VI richt zich tegen rov. 5.47. Volgens het onderdeel is onbegrijpelijk de overweging dat Werknemer geen voldoende specifiek bewijsaanbod heeft gedaan ten aanzien van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Een dergelijk bewijsaanbod heeft Werknemer wel degelijk gedaan,91 en dat aanbod voldoet aan de daaraan (ook in hoger beroep) te stellen eisen. Dat bewijsaanbod had mede betrekking op alle in de eerdere onderdelen aangehaalde (essentiële) stellingen van Werknemer en is door het hof ten onrechte gepasseerd.
9.2
Dit onderdeel is hiervoor al besproken, op de plaatsen waar het relevant is (zie onder 5.16 e.v. en 6.11). In zoverre slaagt het onderdeel. Voor het overige kan het onbesproken blijven.
10Onderdeel VII: voortbouwklacht
10.1
Onderdeel VII voert aan dat gegrondbevinding van een van de andere onderdelen tevens rov. 4.3, 5.48 en 6 (het dictum) raken, die dan evenmin in stand kunnen blijven.
10.2
Nu de onderdelen I, II, III, IV, V en VI slagen, slaagt ook voortbouwklacht VII.
11Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
11.1
Het incidenteel cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer klachten van het principale cassatieberoep zou slagen, en valt uiteen in drie onderdelen.
11.2
Nu alle onderdelen van het principaal cassatieberoep slagen, wordt toegekomen aan de behandeling van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel.
Onderdeel 1: schending van de zorgplicht in verband met trainingen
11.3
Onderdeel 1 voert aan dat als het hof heeft geoordeeld dat GGNet in beginsel haar zorgplicht geschonden zou hebben door haar werknemers geen trainingen aan te bieden waarbij zij zelfverdedigingstechnieken kunnen leren (rov. 5.25) en dat Werknemer geen fysieke weerbaarheidstrainingen gevolgd zou hebben (rov. 5.37), deze oordelen ontoereikend zijn gemotiveerd. Het hof heeft namelijk niet gerespondeerd op essentiële stellingen die GGNet in dit verband heeft ingenomen:
a. dat Werknemer in het jaar voorafgaand aan het incident (op 26 maart 20161) in elk geval drie agressietrainingen gevolgd heeft, te weten op 10 april 2015, 25 september 2015 en 22 maart 2016, wat blijkt uit als producties overgelegde bewijzen van deelname;
b. dat de training van 22 maart 2016 tien dagdelen duurde, waarbij veel en bij herhaling geoefend is met (fysieke) zelfverdedigingstechnieken, namelijk ‘op de mat’, ‘breakaways’, ‘pakkingen ’ en ‘stevig staan’, wat blijkt uit het als productie overgelegde cursusmateriaal;
c. dat uit dit cursusmateriaal voorts blijkt dat onder meer geoefend is met de situatie dat een verpleegkundige gewurgd wordt door een patiënt of een patiënt met een wapen dreigt; en
d. dat Werknemer ook al op 21 maart 2007 deelgenomen had aan een training in de controle en beheersing van (fysiek) agressief gedrag, wat blijkt uit het als productie overgelegde getuigschrift.
11.4
Hoewel het arrest op dit punt niet uitblinkt in duidelijkheid, begrijp ik het arrest zo dat het hof in rov. 5.25 slechts oordeelt dat het met de kantonrechter eens is “dat GGNet haar zorgplicht heeft geschonden”, maar níet dat het hof het met de kantonrechter eens is dat die schending gelegen is in de omstandigheid dat GGNet haar werknemers geen trainingen aanbiedt waarbij zij zelfverdedigingstechnieken kunnen aanleren. Deze lezing is aannemelijk, omdat het hof de zin “dat GGNet haar zorgplicht heeft geschonden” vervolgt met de woorden “en overweegt daarbij het volgende”. Wat dan volgt (in rov. 5.27-5.34) zijn uiteenzettingen over het op verschillende punten schenden van de zorgplicht door GGNet, maar het niet aanbieden van trainingen aan werknemers als schending van de zorgplicht wordt daarin niet benoemd. In rov. 5.29 wordt weliswaar melding gemaakt van de noodzaak van “periodieke deelname van medewerkers aan (agressie)trainingen”, maar uit deze rechtsoverweging komt niet naar voren dat het hof van oordeel is dat GGNet op dit punt tekortgeschoten is. Het punt dat het hof in rov. 5.29 wil maken is, als ik het goed begrijp, dat GGNet niet heeft onderbouwd “dat medewerkers worden gewezen op het bestaan van deze protocollen en dat op de naleving ervan wordt toegezien” en dat evenmin is onderbouwd “dat de overdracht tussen diensten goed was geregeld, dat daar voldoende tijd voor was en dat erop werd toegezien dat daaraan de benodigde tijd en aandacht werd besteed, in het bijzonder wanneer een medewerker in opleiding zoals Werknemer daarin betrokken was”. Niet genoemd wordt dat GGNet ook tekortgeschoten is door geen weerbaarheidstrainingen aan te bieden.
11.5
In rov. 5.37 wordt dan opnieuw melding gemaakt van het niet-volgen van weerbaarheidstrainingen. De betreffende passage luidt als volgt:
“Het hof is gelet daarop van oordeel dat zelfs al zou [Werknemer] 1) fysieke weerbaarheidstrainingen hebben gevolgd, 2) veronderstellenderwijs de beschikking hebben gehad over een beter werkend piepersysteem en zelfs pepperspray (waarvan overigens de terbeschikkingstelling aan [Werknemer] niet van GGNet kon worden verlangd, zoals in 5.27 is overwogen), 3) en zou GGNet alle overige hiervoor in 5.29 genoemde maatregelen hebben getroffen, dit geweldsincident niet voorkomen had kunnen worden en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest.”
11.6
Ik begrijp deze overweging zo, dat het hof slechts veronderstellenderwijs uitgaat van de normschending van het niet gevolgd hebben door Werknemer van weerbaarheidstrainingen, in aanloop naar het causaliteitsoordeel.
11.7
Daar komt nog bij dat het hof niet is toegekomen aan een bespreking van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van GGNet, omdat geen van de grieven slaagde. In dat voorwaardelijk incidenteel hoger beroep had GGNet bij voorwaardelijke grief III uitvoerig betoogd dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat fysieke verdediging geen onderdeel uitmaakte van de weerbaarheidstrainingen. De voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld, is door het hof zo uitgelegd, dat daaraan alleen wordt toegekomen als één van de grieven van Werknemer slaagt (rov. 5.17). Die uitleg is niet bestreden door GGNet. Nu geen van de grieven slaagde, kwam het hof dan ook niet toe aan het voorwaardelijk hoger beroep van GGNet. Dat geldt daarom ook voor de door het onderdeel genoemde stellingen, die immers deel uitmaken van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
11.8
Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat het onderdeel feitelijke grondslag mist.
Onderdeel 2: passeren van het bewijsaanbod
11.9
Volgens onderdeel 2 geven de door onderdeel 1 bestreden oordelen bovendien blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu het hof het aanbod van GGNet heeft gepasseerd om te bewijzen dat Werknemer fysieke (één op één training) gehad heeft, zulks door het horen als getuigen van de docenten en de mede-cursisten van de training van Werknemer begin maart 2016. Immers, het hof heeft miskend dat, gezien art. 166 lid 1 Rv-oud, een getuigenverhoor had moeten plaatsvinden. Heeft het hof dit niet miskend, dan zijn de oordelen van het hof, zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
11.10
Bij het vorige onderdeel is besproken dat het hof in het midden heeft gelaten of sprake is geweest van een zorgplichtschending doordat Werknemer geen fysieke weerbaarheidstraining zou hebben gevolgd. Daarmee hoefde het hof op dit punt verder geen feiten vast te stellen en kon het bewijsaanbod worden gepasseerd.
11.11
Bovendien is het bewijsaanbod gedaan in het kader van het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van GGNet. Zoals gezegd, is het hof niet toegekomen aan de bespreking daarvan omdat de voorwaarde waaronder dit was ingesteld niet was vervuld. Ook om deze reden kwam het hof niet toe aan verdere bewijslevering en kon het bewijsaanbod van GGNet worden gepasseerd.
11.12
Ook dit onderdeel slaagt niet.
Onderdeel 3: niet toekomen aan de beoordeling van de voorwaardelijke incidentele grief III
11.13
Onderdeel 3 bestrijdt rov. 5.46, waarin het hof het volgende overweegt:
“Nu de grieven van [Werknemer] niet slagen, is niet voldaan aan de voorwaarde die — zo begrijpt het hof – GGNet en Centramed aan het door hen ingestelde hoger beroep hebben verbonden, zodat aan een verdere beoordeling van de door hen ingestelde grieven niet wordt toegekomen.”
11.14
Volgens GGNet geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft in rov. 5.23-5.34 een oordeel gegeven over de zorgplicht ten aanzien van het verondersteld niet hebben aangeboden van agressietrainingen aan Werknemer, en had daarbij ook moeten betrekken wat GGNet daarover had aangevoerd in het kader van haar voorwaardelijke incidentele grief III.
11.15
Ook dit onderdeel 3 slaagt niet, omdat het hof geen oordeel heeft gegeven over een schending van de zorgplicht op het punt van het aanbieden of door Werknemer gevolgd hebben van een fysieke weerbaarheidstraining. Verder bestond bij de behandeling van de voorwaardelijke incidentele grief III als gezegd geen belang.
Slotsom
11.16
Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep slaagt niet.
12Conclusie
In het principale cassatieberoep:
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
In het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep:
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
1HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17, NJ 2025/203 m.nt. J.L. Smeehuijzen (Afzinkkelder),
2HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215, NJ 2011/597 m.nt. T. Hartlief (TNT) en HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, NJ 2011/598 m.nt. T. Hartlief (TBS).
3Ontleend aan Hof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3244, rov. 5.1-5.10.
4Ik begrijp: multidisciplinair.
5Zie verzoekschrift, p. 11.
6Verwezen wordt naar HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215 (TNT).
7Verwezen wordt naar HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17 (Afzinkkelder).
8HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2142, NJ 1997/198 m.nt. P.A. Stein ([…]/[…]), rov. 3.4 en 3.6.
9Zie bijv. HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519, NJ 2015/182 m.nt. B. Barentsen (Totaal Service), rov. 3.5.2.
10A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata I, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 777.
11Zie de annotatie van Vegter bij het TBS-arrest in TRA 2012/7, laatste alinea. Zie ook S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Monagrafieën privaatrecht (nr. 13), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 23.
12HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837, NJ 2000/211 m.nt. P.A. Stein (Pasteurziekenhuis), rov. 3.5.
13HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8254, NJ 2004/177 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss (X/Y), rov. 3.7.
14HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, NJ 2011/598 m.nt. T. Hartlief (TBS), rov. 4.3.
15HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, NJ 2011/598 m.nt. T. Hartlief (TBS), rov. 4.4.1.
16HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519, NJ 2015/182 m.nt. B. Barentsen (Totaal Service), rov. 3.5.2.
17HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519, NJ 2015/182 m.nt. B. Barentsen (Totaal Service), rov. 3.5.2, tweede alinea.
18Producties 1 en 2, door GGNet in het geding gebracht bij schrijven van 1 november 2021, na tussenbeschikking van de kantonrechter.
19Zie bijv. Asser/Sieburgh 6-II 2025/50, waarin wordt benadrukt dat de toets (bij het csqn-verband) is of de (gestelde) schade niet zou zijn ontstaan zonder de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis. Als zonder deze gebeurtenis minder schade zou zijn ontstaan dan is de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis dus niet condicio sine qua non voor de gehele schade maar voor slechts een deel daarvan. Zie voorts uitvoering over het causaal verband A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata I, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 806 e.v.
20Zie bijv. Asser/Sieburgh 6-II 2025/65.
21S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Monagrafieën privaatrecht (nr. 13), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 20.
22Inleidend verzoekschrift onder 31. Zie ook memorie van grieven onder 7.
23Verweerschrift eerste aanleg onder 4.9.
24Schriftelijke toelichting GGNet, onder 8 e.v.
25Vgl. J. Huber e.a., Agressie en schokkende gebeurtenissen in de GGZ, Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum 1996, p. 24-27, waarin ook kort wordt gerefereerd aan een bedreiging met een mes; Kamerstukken II 2023-2024, Aanhangsel van de Handelingen (674), p. 1 e.v.; https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2026/agressie-in-zorg-en-welzijn/3-resultaten; https://izz.nl/inzicht-onderzoek/inzichten/agressie-het-hoogst-in-ggz-ghz-en-jeugdzorg.
26Zie bijv. HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3135 (Navcom/Philips), rov. 6.2; HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1902 (X/Y), rov. 3.4.
27Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2023/232; G. de Groot, Het deskundigenadvies in de civiele procedure (R&P nr. 165), Deventer: Kluwer 2008, p. 124 e.v.; R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, diss. Tilburg, Deventer: Kluwer 2011, p. 302 e.v.
28Procesinleiding onder III.2, met verwijzing naar memorie van grieven onder 21 en onder 28; inleidend verzoekschrift onder 22 en pleitaantekeningen eerste aanleg onder 23.
29Kamerstukken II 2023-2024, Aanhangsel van de Handelingen (674), p. 6, benadrukt specifiek voor vluchtroutes in ruimtes zoals kantoren dat het aan de werkgever is “om te bepalen of en zo ja waar in de kantoren en andere ruimtes van zijn of haar panden meerdere uitgangswegen noodzakelijk zijn.”
30Zie ook HR 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1322, NJ 1994/704 m.nt. P.A. Stein (Agfa/[…]); HR 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2866, NJ 1999/644 m.nt. P.A. Stein ([…]/FNV) en HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2312, JAR 2004/68 m.nt. M.S.A. Vegter (Parallel Entry/KLM).
31Zie ook G.J.J. Heerma van Voss, Goed werkgeverschap als bron van vernieuwing van het arbeidsrecht (Geschriften van de Vereniging voor arbeidsrecht nr. 17), Alphen aan den Rijn: Tjeenk Willink 1993, p. 20; J. Kloostra (voorheen: F.G. Laagland), Arbeidsovereenkomst, art. 7:611 BW, aant. 2.2 (online, actueel t/m 4 augustus 2025).
32Kamerstukken II 1993/94, 23 438, nr. 3, p. 15 (MvT).
33Kamerstukken II 1993/94, 23 438, nr. 3, p. 15 (MvT).
34Zie E. Verhulp, T&C Arbeidsrecht, art. 7:611 BW, aant. 1 (online, actueel t/m 1-4-2026). Zie ook mijn conclusie onder 19.2 voor HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734 (Xella).
35HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1032, NJ 1993/667 m.nt. P.A. Stein (Haaglanden-Nuts/[…]), rov. 4.1; HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0257, NJ 1991/679, rov. 3.2.
36Zie HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4767, NJ 2009/331 (Taxicentrale Nijverdal), rov. 3.3.3 en 3.4.1. De Hoge Raad aanvaardt geen algemene aansprakelijkheid althans verzekeringsplicht van de werkgever voor ongevallen op de werkvloer.
37HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6175, NJ 2009/330 (Akzo); en HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4767, NJ 2009/331 (Taxicentrale Nijverdal),
38Zie nader A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata I, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 839.
39HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129, NJ 2009/332 (Maatzorg/[…]).
40HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215, NJ 2011/597 m.nt. T. Hartlief (TNT).
41HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215, NJ 2011/597 m.nt. T. Hartlief (TNT), rov. 3.5.
42HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, NJ 2011/598 m.nt. T. Hartlief (TBS), rov. 4.5.2.
43Zie hierover A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata I, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 835 e.v. (met verdere verwijzingen).
44Conclusie A-G Hartlief 19 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:153, onder 4.62-4.69.
45HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1267.
46T. Hartlief in zijn noot onder beide arresten in NJ 2011/597. Zie ook, T. Hartlief, ‘De grillige ontwikkeling van het aansprakelijkheidsrecht met het oog op verzekerbaarheid van aansprakelijkheid’, AV&S 2006/16, onder ‘Het verzekeringsargument in de rechtspraak’, en T. Hartlief, ‘Rechtsvorming door de Hoge Raad: het dossier ‘werkgeversaansprakelijkheid’, AV&S 2009/29, par. 5-11. Zie ook T. Hartlief, ‘Werkgeversaansprakelijkheid: het bereik van en de verhouding tussen art. 7:658 en 7:611 BW’, RM Themis 2002, afl. 2, p. 67-83.
47T. Hartlief in zijn noot onder beide arresten in NJ 2011/597, nr. 12.
48S.D. Lindenbergh in Ars Aequi 2012, p. 209-211; B. Barentsen, ‘The wounded soldiers of bureaucracy’, in: C.J. Loonstra & A.R. Houweling (red.), Het sociaal recht uitgedaagd, Den Haag: BJu 2014, p. 676 en 680; B. Barentsen, ‘Werkgeversaansprakelijkheid: het is niet goed of het deugt niet’, TRA 2014/2, par. 2.3; J. Sap, VR 2012/7.
49Zie bijv. A.R. Houweling, ‘Wie a zegt, hoeft niet altijd b te zeggen: over het bereik van de verzekeringsplicht ex artikel 7:611 BW voor arbeidsongevallen’, AR Updates 2016-0136. Zie eerder al kritisch op het eventueel door de Hoge Raad creëren van een algemene verzekeringsplicht: A.R. Houweling, ‘Werkgeversaansprakelijkheid in geval van werkgerelateerde verkeersongevallen’, Arbeidsrechtelijke Annotaties 2009 (8), p. 29-30 en 36-37; M.S.A. Vegter in JAR 2011/316 en TRA 2012/7; E.R. de Jong & I. Giesen, 'De spankracht van de civiele rechter in het publieke domein', in: I. Giesen e.a., De spankracht van de civiele rechter, Preadviezen VBR 2022, Zutphen: Paris 2022, p. 34-36. Vgl. ook G.J.J. Heerma van Voss, ‘Schadevergoeding en goed werkgeverschap: over het gat in de aansprakelijkheidsregeling van het arbeidsrecht’, ArbeidsRecht 2008/40, onder ‘de Hoge Raad als plaatsvervangend wetgever’; J. Sap, ‘De bijzondere verhouding tussen art. 7:658 en art. 7:611 BW’, VRA 2011/92, onder 6.
50Zie bijv. T. Hartlief, ‘Wat doet de Hoge Raad anno 2015 in het aansprakelijkheidsrecht?’, Ars Aequi 2015, p. 919-920, 922 en 924-925; Y.R.K. Waterman, De aansprakelijkheid van de werkgever voor arbeidsongevallen en beroepsziekten, diss. Rotterdam, Den Haag: Bju 2009, bijv. p. 282-287, 299-301 en 413-424; L.B. de Graaf, ‘Werkgeversaansprakelijkheid: ligt de oplossing in Amerika?’, Arbeidsrechtelijke Annotaties 2009/1, nrs. 7-8; G.J.J. Heerma van Voss, ‘De dynamiek van het goedwerkgeverschap’, TRA 2011/77, onder ‘Verzekeringsplicht’ en ‘Conclusie’.
51W.H. van Boom, ‘Waarheen leidt de weg … van werknemersschade?’, AV&S 2003, afl. 1, par. 3-4. Genuanceerder althans voorzichtiger over de verzekeringsplicht lijkt Van Boom in W.H. van Boom, ‘Oublié d’assurer, obligé de compenser?’, in: N. van Tiggele-van der Velde e.a. (red.), De Wansink-bundel. Van draden en daden, Deventer: Kluwer 2006, p. 70; W.H. van Boom, ‘’Wie verre reizen maakt, kan veel verhalen’ Over het spreiden van het letselschaderisico bij arbeidsgerelateerde verkeersbewegingen’, in: T. Hartlief & S.D. Lindenbergh (red.), Tien pennenstreken over personenschade, Den Haag: Sdu 2009, p. 45-46. Vgl. ook N. Frenk, ‘Hoe ver reikt de hand van de werkgever? Inleidende opmerkingen over de aansprakelijkheid van de werkgever voor buiten het bereik van art. 7:658 BW vallende arbeidsgerelateerde ongevallen’, AV&S 2009/28, onder 3 en 5.
52J. Sap, VR 2012/6, onder 1-4.
53N. Frenk, ‘Arbeidsongevallen en creeping legislation: de verzekeringsmarkt als motor van rechtsontwikkeling’, VRA 2011/93, onder ‘Verzekeringsmogelijkheden voor verkeersongevallen en andere buiten het bereik van art. 7:658 BW vallende ongevallen’ en ‘Creeping legislation’. In dezelfde zin: P. Kruit & M. Trouwborst, ‘De ontwikkelingen in de werkgeversaansprakelijkheid in 2008: een stap op weg naar een nieuw aansprakelijkheidsregime’, TAP 2009, afl. 2, p. 60.
54N. Frenk, ‘Arbeidsongevallen en creeping legislation: de verzekeringsmarkt als motor van rechtsontwikkeling’, VRA 2011/93, onder ‘Creeping legislation’.
55Zie bijv. HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD2996, NJ 1999/534 m.nt. P.A. Stein (Stichting Reclassering Nederland/X), rov. 3.3-3.4. Zie hierover ook S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Monagrafieën privaatrecht (nr. 13), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 39 en 40.
56Zie hierover ook S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Monagrafieën privaatrecht (nr. 13), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 46.
57A. Kolder, ‘Over de grenzen van werkgeversaansprakelijkheid’, AV&S 2023/14, par. 2.
58Hij verwijst naar HR 5 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1463, NJ 2005/215 (Stichting De Loserhof) en HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8171, NJ 2005/260 (Brands Bouwgroep).
59S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Monagrafieën privaatrecht (nr. 13), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 59. Tegelijkertijd acht Lindenbergh de rol van de rechter hier beperkt (ten opzichte van de wetgever), zie nrs. 58-61.
60T. Hartlief, ‘Vergoeding van arbeidsgerelateerde schade anno 2013’, AV&S 2013/5; T. Hartlief, ‘Vergoeding van arbeidsgerelateerde schade anno 2013', in: F.T. Oldenhuis & H. Vorsselman (red.), Werkgeversaansprakelijkheid: een grensverleggend debat, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 61-96, par. 14. Zie eerder ook M.G. Faure & T. Hartlief, Verzekering en de groeiende aansprakelijkheidslast, Deventer: Kluwer 1995, p. 301 e.v. en M.G. Faure & T. Hartlief, Nieuwe risico’s en vragen van aansprakelijkheid en verzekering, Deventer: Kluwer 2002, p. 275.
61G.J.J. Heerma van Voss, ‘Schadevergoeding en goed werkgeverschap: over het gat in de aansprakelijkheidsregeling van het arbeidsrecht’, ArbeidsRecht 2008/40, onder ‘de Hoge Raad als plaatsvervangend wetgever’.
62Y.R.K. Waterman, De aansprakelijkheid van de werkgever voor arbeidsongevallen en beroepsziekten, diss. Rotterdam, Den Haag: Bju 2009, p. 418, 420 en 423.
63A.R. Houweling, ‘Wie a zegt, hoeft niet altijd b te zeggen: over het bereik van de verzekeringsplicht ex artikel 7:611 BW voor arbeidsongevallen’, AR Updates 2016-0136, laatste alinea; L.B. de Graaf, ‘Werkgeversaansprakelijkheid: ligt de oplossing in Amerika?’, Arbeidsrechtelijke Annotaties 2009/1, nrs. 7-8.
64C.J.M. Klaassen, ‘De reikwijdte van de werkgeversaansprakelijkheid voor arbeidsongevallen na TNT/Wijenberg en De Rooyse Wissel/Hagens en hoe nu verder?’, NTBR 2012/53, par. 7. In par. 6 is zij kritisch op het uitbreiden van de verzekeringsplicht door de rechter.
65A.T. Bolt, ‘Pijnpunten in het systeem van werkgeversaansprakelijkheid’, in: F.T. Oldenhuis & H. Vorsselman (red.), Werkgeversaansprakelijkheid: een grensverleggend debat, Den Haag: Bju 2013, p. 30.
66N. Frenk, ‘De directe schadeverzekering als vervanging van aansprakelijkheid’, NJB 1999, p. 1547-1554 en dezelfde, ‘Directe schadeverzekering als remedie voor de uitdijende aansprakelijkheidslast?’, AV&S 2000, p. 2-13 en ‘Utopische wetgeving en verzekerbaarheid’, AV&S 2006/17, p. 108 e.v.
67A. Kolder, ‘Over de grenzen van werkgeversaansprakelijkheid’, AV&S 2023/14, p. 85-86.
68T. Hartlief, ‘Vergoeding van arbeidsgerelateerde schade anno 2013’, AV&S 2013/5, par. 14. Zie ook T. Hartlief, ‘Post-covid-regeling zorgpersoneel. Goed nieuws?’, NJB 2023/385; R.D. Lubach, ‘Uitleiding: perspectieven op werkgeversaansprakelijkheid’, in: F.T. Oldenhuis & H. Vorsselman (red.), Werkgeversaansprakelijkheid: een grensverleggend debat, Den Haag: Bju 2013, p. 117-118.
69HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17, NJ 2025/203 m.nt. J.L. Smeehuijzen (Afzinkkelder), rov. 3.2.2.
70Rov. 3.2.3.
71Zie recent het uitgebreide overzicht in M.A.B. Chao-Duivis, ‘Het Afzinkkelder-arrest: een stap op de weg naar de veroorzaker betaalt – Deel I’, TBR 2025/137, M.A.B. Chao-Duivis, ‘Het Afzinkkelder-arrest: een stap op de weg naar de veroorzaker betaalt – Deel II’, TBR 2026/2, en M.A.B. Chao-Duivis, ‘Het Afzinkkelder-arrest: een stap op de weg naar de veroorzaker betaalt – Deel III’, TBR 2026/26. Chao-Duivis bepleit: “naast de onrechtmatigheidscategorieën van handelen in strijd met de wet en inbreuk op een recht (…) zou de derde categorie van wat onrechtmatig is, moeten luiden dat het veroorzaken van schade bij een ander ook op zichzelf onrechtmatig is” (par. 22).
72Annotatie van Smeehuijzen bij het Afzinkkelder-arrest, in NJ 2025/203, nrs. 4-5 en 7-9.
73A.Ch.H. Franken, ‘Schadevergoeding bij rechtmatig handelen via art. 6:162 BW’, AV&S 2024/7, p. 30 e.v. Zie ook T. Wallinga & P.A.C. Hoynck van Papendrecht, ‘Zorgvuldigheid is mooi, inbreuk is beter’, WPNR 2025/7523, p. 927.
74A.G. Castermans & C.W. Demper, ‘Inbreuk op een recht en (on)zorgvuldig gedrag, Ars Aequi 2024, p. 535 e.v.; E.F. Verheul, ‘Het Afzinkkelder-arrest in burenrechtelijk perspectief’, NTBR 2024/16, p. 119 e.v.; C.E. Drion, ‘Wanneer is een rechtsinbreuk onrechtmatig?’, NJB 2024/308, p. 371; K.J.O. Jansen, ‘Het enigma van de Afzinkkelder: subjectieve rechten als bron van aansprakleijkheid’, NTBR 2024/6, p. 41 e.v. (met name p. 43-45).
75J.N. Potharst, ‘Risicoaansprakelijkheid of ‘aanmerkelijk risicio’ aansprakelijkheid?, NTBR 2024/11, p. 80 e.v. In dezelfde zin R.M. Andes & T. van Malssen, ‘Het Afzinkkelder-arrest’, FTV 2025/8, p. 6 e.v.
76A. Kolder, ‘Het Afzinkkelder-arrest en personenschade?’, AV&S 2024/19, p. 108-109. Vgl. ook A. Kolder, ‘Vijf jaar personenschade bij de Hoge Raad (2020 t/m 2024): twintig kernarresten’, AV&S 2025/21, p. 119-120.
77A.Ch.H. Franken, ‘Schadevergoeding bij rechtmatig handelen via art. 6:162 BW’, AV&S 2024/7, par. 6.
78Zie ook procesinleiding onder IV.2, met verwijzing naar de memorie van grieven onder 37-45.
79Schriftelijke toelichting GGNet onder 36 en 39.
80Zie hierover de annotatie van Smeehuijzen bij het Afzinkkelder-arrest, in NJ 2025/203, nrs. 10-11. Hij noemt in nr. 9 overigens al de invulling van de Hoge Raad van art. 7:658 BW als een voorbeeld van een dergelijke rechtsontwikkeling.
81Zie https://www.igj.nl/over-ons/hoe-we-werken/toezicht-in-cijfers/cijfers-over-meldingen/trends-cijfers-gedwongen-zorg/geestelijke-gezondheidszorg.
82Zie Kamerstukken II 2023-2024, Aanhangsel van de Handelingen (674), p. 1-2. Vgl. ook J. Huber e.a., Agressie en schokkende gebeurtenissen in de GGZ, Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum 1996, p. 24-27; https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2026/agressie-in-zorg-en-welzijn/3-resultaten; https://izz.nl/inzicht-onderzoek/inzichten/agressie-het-hoogst-in-ggz-ghz-en-jeugdzorg.
83Memorie van antwoord, onder 2.10-2.11, niet bestreden door Werknemer. Werknemer heeft ook een vergoeding van € 2.500,- gekregen uit het Schadefonds en uit de strafzaak, zie akte uitlating producties tevens memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, onder 3.
84Akte uitlating producties tevens memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, onder 4.
85Zie https://www.caorijk.nl/documenten/2025/12/23/cao-rijk-2024-2025-versie-met-indexaties-per-1-januari-2026.
86Zie de Cao Rijk, p. 141 (https://www.caorijk.nl/documenten/2025/12/23/cao-rijk-2024-2025-versie-met-indexaties-per-1-januari-2026). Zie nader mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:460), nr. 4.20, met verwijzing naar onder meer Stb. 2005, 591, p. 25-26, 27-28 en 30-31.
87Zie de Cao Rijk, p. 142 (https://www.caorijk.nl/documenten/2025/12/23/cao-rijk-2024-2025-versie-met-indexaties-per-1-januari-2026). Zie nader mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:460), nrs. 4.20 e.v., met verwijzing naar onder meer Stb. 1967, 382, p. 1029, Stb. 1975, 704, p. 29, en Stb. 1998, 5, p. 40 en 43-45.
88Zie https://www.caorijk.nl/documenten/2025/12/23/cao-rijk-2024-2025-versie-met-indexaties-per-1-januari-2026.
89Zie https://www.sociaalwerk-werkt.nl/sites/fcb_sociaalwerk/files/2026-05/Cao-Sociaal-Werk-2025-2027-integraal-v04052026.pdf.
90Zie https://www.fnv.nl/getmedia/eaac7ec4-fdb8-425e-9f6f-da415ba034d7/1089-geestelijke-gezondheidszorg-ggz-cao-2025-2026-v02022026.pdf?ext=.pdf.
91Verwezen wordt naar memorie van grieven, nrs. 50 e.v.