RBDHA 070526 begroting VAV; of rekening moet worden gehouden met schadevergoeding n.a.v. eerder ongeval is afhankelijk van feitelijke situatie voor 2e ongeval
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 070526 motorongeval; 50% E.S.; 3 ongevallen; neurologisch rapport schiet tekort t.a.v. pre-existente situatie; wel bindend voor situatie na ongeval
- begroting VAV; of rekening moet worden gehouden met schadevergoeding n.a.v. eerder ongeval is afhankelijk van feitelijke situatie voor 2e ongeval
- begroot cf verzoek: 20 uur x € 255 + 21% btw = € 6.171; vanwege ES 50% toegewezen
in vervolg op
GHDHA 020523 motorscooter botst op auto uit uitrit; 50% ES motor; schending absolute verplichting 54 RVV is ernstige verkeersovertreding
2De feiten
2.1.
Op 22 juni 2019 is [verzoekende partij] betrokken geraakt bij een ongeval, waarbij hij als motorrijder is aangereden door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als bestuurder van een (voor de WAM bij Achmea verzekerde) personenauto (hierna: het ongeval). [verzoekende partij] is hierbij ten val gekomen en heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Eerder is [verzoekende partij] al een verkeersongeval overkomen op 30 september 2011. Ten aanzien van dit ongeval heeft Reaal, als WAM-verzekeraar van de aansprakelijke partij, in 2018 een (slot)uitkering aan [verzoekende partij] betaald van € 300.000. Op 15 oktober 2020 is [verzoekende partij] , als inzittende van een auto, opnieuw een verkeersongeval overkomen.
2.2.
Tussen [verzoekende partij] en Achmea is een procedure gevoerd over de aansprakelijkheidsvraag met betrekking tot het ongeval. Het hof Den Haag heeft bij arrest van 2 mei 2023 voor recht verklaard dat [naam 1] voor 50% aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en dat Achmea als WAM-verzekeraar gehouden is tot vergoeding van 50% van de door [verzoekende partij] als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade. De andere 50% komt op grond van de uitspraak van het hof in verband met ‘eigen schuld’ als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor rekening van [verzoekende partij] zelf.
2.3.
Partijen hebben na de uitspraak van het hof afgesproken een neurologische expertise te laten verrichten op basis van de IWMD-vraagstelling. [verzoekende partij] is (uiteindelijk) akkoord gegaan met het voorstel van de medisch adviseur van Achmea, mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ), om dr. [naam 3] (hierna: [naam 3] ) hiervoor te benaderen.
2.4.
In de aanloop naar de neurologische expertise heeft [naam 2] in een medisch advies van 12 april 2024 het volgende geschreven:
“Beantwoording vraagstelling en advies
(…)
b. Beschikt u thans over alle benodigde en door u opgevraagde medische informatie? Zo nee welke informatie ontbreekt er nog?
- (…)
Eerder schreef ik al dat voor een zorgvuldige beoordeling van de causaliteit van psychiatrische klachten en beperkingen inzichtelijke informatie van GGZ Berg en Bosch, De Waag en eventuele andere betrokken psychologen/psychiaters dienaangaande relevant is (vanaf begin 2017 tot heden). Nadere gegevens van Berg en Bosch en behandeling in Zuid Afrika trof ik niet aan. De afsluitbrief aan de huisarts door psychotherapeut Van de Klundert (De Waag) d.d. 19-10-2017 ontbreekt nog. Ook ontvang ik graag inzichtelijke verslaglegging vanuit de behandeling bij Psytrec (2023) en beloopsinformatie van de verslavingsarts Pels.
(…)
d. In de mail van 3 maart jl verzoekt de belangenbehartiger hem te informeren of de neurologische expertise thans in gang kan worden gezet. Wat is uw reactie/advies hierop.
- Onder voorwaarde dat vóórdat de neurologische expertise daadwerkelijk uitgevoerd zal worden, alle bovengenoemde gegevens beschikbaar zijn zodat ook de neurologische expert erover zal kunnen beschikken, ben ik met het oog op de wachtlijsten in expertisetrajecten akkoord als de expertise-aanvraag alvast de deur uitgaat. Als er discussie zou ontstaan over het opvragen van de bovengenoemde stukken, zal het expertisetraject nog ‘on hold’ moeten blijven.”
2.5.
Bij brief van 3 december 2024 heeft de belangenbehartiger van [verzoekende partij] aan [naam 2] nadere informatie toegestuurd. De belangenbehartiger heeft deze brief afgesloten met de volgende woorden:
“Ik ga er vanuit dat alle door u gewenste informatie hiermee opgevraagd is en zal mijn medisch adviseur verzoeken de expertise bij neuroloog [naam 3] nu aan te vragen.”
2.6.
Op 20 december 2024 heeft de medisch adviseur van [verzoekende partij] vervolgens de expertise bij [naam 3] aangevraagd. Op diezelfde datum is [naam 2] hiervan op de hoogte gesteld.
2.7.
[naam 3] heeft vervolgens een onderzoek verricht en op 27 maart 2025 een rapport uitgebracht. In het navolgende citeert de rechtbank de voor deze zaak van belang zijnde passages.
2.7.1.
In hoofdstuk I van het rapport is de anamnese opgenomen. Onder I.3 (‘Medische voorgeschiedenis’) is vermeld:
“In 2011 is betrokkene van achter aangereden en heeft whiplash klachten gehad waarvoor behandeling op Heliomare. Voor 2019 had hij geen klachten hier meer van en werkte weer fulltime.”
2.7.2.
Onder I.4 (‘Opleiding en beroep’) is vermeld:
“Na het whiplashongeluk in 2011 heeft betrokkene zijn werkzaamheden weer volledig opgebouwd en werkte fulltime in 2019 als ZZP-er.
(…)
De heer [naam 4] vult aan:
Als gevolg van het eerdere ongeval van 30 september 2011 had de heer [verzoekende partij] , die van beroep lasser is, een aantal jaren niet gewerkt. Na het regelen van de schade was het zijn voornemen weer aan de slag te gaan. Hij had per 24 juni 2019 een lasklus aangenomen bij betonwerk Rodewijk in Roelofarendsveen. Het betrof aangenomen werk. Door de aanrijding en de daaropvolgende ziekenhuisopname is het daar niet van gekomen.”
2.7.3.
In hoofdstuk IV (getiteld ‘Samenvatting’) is vermeld:
“In de voorgeschiedenis van betrokkene wordt in 2011 een whiplash genoemd waarbij betrokkene nekklachten had na een achterop aanrijding waarvoor revalidatie in Heliomare. Hij heeft zijn werk als lasser daarna weer kunnen opbouwen en was voor het ongeval in 2019 weer fulltime aan het werk.”
2.7.4.
Onder de ‘Beschouwing’ in hoofdstuk V is opgenomen:
“Betrokkene heeft gezien de amnesie die hij heeft voor het ongeval op 22 juni 2019, wat wordt bevestigd door de eerste hulp, een licht traumatisch hoofd/hersenletsel opgelopen met een open wond bij de rechter wenkbrauw. (…) Voor verdere analyse van de huidige aard en ernst van de cognitieve problematiek en mentale vermoeidheidsverschijnselen zal conform uw verzoek neuropsychologisch onderzoek worden aangevraagd.
Betrokkene heeft ten gevolge van het ongeval een aantal ribbreuken opgelopen in de rechter thorax. Hij geeft aan een doof gevoel te hebben gekregen in een groot gedeelte van de rechter thorax. Bij het huidige neurologische onderzoek wordt een verminderde sensibiliteit gevonden vanaf de bovenste rib tot de achtste rib rechts vanaf de laterale zijde van de romp tot de midline. De buikhuid reflexen zijn intact. Betrokkene ervaart hierdoor pijnklachten bij de ademhaling, die toenemen bij hoesten of niezen, tevens bij andere bewegingen van de romp met hierbij een stekende pijn en kramp waardoor betrokkene erg belemmerd is in het dagelijks leven. Deze klachten passen evenals de bevindingen bij neurologisch onderzoek bij een intercostaal neuralgie van meerdere intercostale zenuwen in de rechter romp, waarschijnlijk vanaf de intercostale zenuw bij de 1e rib tot en met de 8e rib. In de behandelende sector is deze diagnose eveneens gesteld. (…) Betrokkene is in 2011 eveneens van achter aangereden met toen ook nekklachten die volgens hem goed waren hersteld voor het ongeval in 2019. (…) Betrokkene stelt na het ongeval in 2019 last te hebben gekregen van nek- en hoofdpijn. (…) Derhalve is er geen neurologische verklaring voor de nekklachten. In de behandelende sector wordt in dit opzicht van een whiplash gesproken. CT scan van de hersenen liet ook geen traumatische afwijkingen zien ter verklaring van de hoofdpijnklachten alhoewel zoals in bovenstaande is aangegeven, betrokkene wel een traumatisch hoofd/hersenletsel heeft opgelopen wat tot posttraumatische hoofdpijn kan leiden. Daarbij moet wat de hoofdpijn betreft worden opgemerkt dat betrokkene veel paracetamol gebruikt, waardoor sprake kan zijn van een analgetica afhankelijke hoofdpijn.”
2.7.5.
In hoofdstuk VI heeft [naam 3] de aan hem voorgelegde vraagstelling beantwoord. De vraag naar de diagnose op zijn vakgebied heeft [naam 3] als volgt beantwoord:
“Er is sprake van een licht traumatisch hoofd/hersenletsel met posttraumatische hoofdpijn naast een intercostaal neuralgie rechts vanaf eerste tot achtste rib. Wat betreft de posttraumatische hoofdpijn kan worden gedacht aan een analgetica afhankelijke hoofdpijncomponent.”
2.7.6.
De vraag naar de beperkingen van [verzoekende partij] in zijn huidige toestand heeft [naam 3] als volgt beantwoord:
“In verband met de intercostaal neuralgie zijn er ernstige beperkingen met betrekking tot enige belasting van de romp. Te denken valt aan licht tot zwaar tillen, bukken, dieper ademhalen, druk op de rechter romphelft, hoesten en niezen en draaien met de romp. Gezien de sensibele stoornissen van de rechter romp zijn er ook matige beperkingen met betrekking tot huidcontact in die gebieden waar de sensibiliteit verminderd is.”
2.7.7.
Over het percentage functieverlies heeft [naam 3] het volgende gezegd:
“Op grond van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Neurologie is het percentage functieverlies volgens hoofdstuk 4, tabel 4.11, met betrekking tot de pijnklachten van de rechter romp gesteld op 40% (tabel 4.11.3), daar een groot deel van de vroegere activiteiten niet meer mogelijk is en betrokkene ook hulp nodig heeft bij de zelfverzorging. Op basis van de hoofdpijnklachten met de PDQ-score van 98 (matig) kan hiervoor volgens de AMA guides 6e editie, hoofdstuk 3, tabel 3-1, en de richtlijnen van de NVvN een percentage functieverlies van 1% worden toegekend.”
2.8.
[naam 3] is in zijn rapport ook ingegaan op de naar aanleiding van het conceptrapport door Achmea gestelde aanvullende vragen.
2.8.1.
In antwoord op de vragen 6 en 9, waarin Achmea heeft verzocht om een nadere duiding van het medicatiegebruik van [verzoekende partij] (in relatie tot de verslavingsproblematiek), heeft [naam 3] onder meer te kennen gegeven:
“Betrokkene vertelt in hoofdstuk I.3 dat hij twee jaar geleden nog blowde maar nu geen verdovende middelen meer gebruikt maar ook dat hij zich het niet allemaal goed meer kan herinneren. Wanneer hij gestopt is met het gebruik van verdovende middelen is derhalve niet duidelijk maar gezien bovenstaande ben ik ervan uit gegaan dat betrokkene momenteel geen verdovende middelen meer gebruikt. Uiteraard kan dit niet met zekerheid worden aangenomen.”
“Verslavingsproblematiek wordt als een psychiatrisch problematiek beschouwd en niet als een neurologische diagnose. Daarom heb ik in het kader van het antwoord op uw vraag 6 geen aanwijzingen om de beantwoording op vraag 2 te herzien.”
2.8.2.
In reactie op vraag 7, waarin Achmea heeft verzocht om een nadere duiding van de inconsistentie met betrekking tot de gepresenteerde klachten ten opzichte van de ontwikkelde spiermassa, heeft [naam 3] als volgt gereageerd:
“Betrokkene heeft wel deelgenomen aan deze therapie, maar de vraag is hoe intensief. Verder moet worden opgemerkt dat betrokkene inderdaad een goed ontwikkeld spierstelsel heeft maar de vraag is of hij niet veel gespierder was voor het ongeval. Dit kan ik niet vaststellen.”
2.8.3.
Met vraag 10 heeft Achmea verzocht om een nadere toelichting en onderbouwing van het vastgestelde percentage functieverlies in verband met de intercostaal neuralgie. Deze vraag heeft [naam 3] als volgt beantwoord:
“Betrokkene geeft in de anamnese aan dat hij af en toe hulp nodig heeft in de zelfverzorging vanwege de pijnklachten. Daarbij geeft hij eveneens aan dat boven schouderhoogte pijnklachten geeft in de rechterromp en schouder, waardoor aantrekken van truien en hemden problemen kunnen geven. Hierdoor heeft hij dan af en toe hulp nodig wat ook in de categorie 3 van de NVN is genoteerd. Verder geeft betrokkene aan dat hij niet meer in staat is om te werken en ook verschillende hobby’s niet meer kan uitoefenen. Tevens is hij sociaal beperkt geraakt. Hij kan niet meer hardlopen. Derhalve is er een overwegend gedeelte van de voorheen gebruikelijke activiteiten die momenteel niet meer mogelijk zijn. Wat betreft criterium B is aan te geven dat de pijnklachten ook kunnen leiden tot schouderpijn wat de schouderfunctie kan belemmeren.
Ten aanzien van criterium C kan worden gesteld dat de door betrokkene ervaren beperkingen bij ademhaling, die toenemen bij hoesten of niezen, tevens bij andere bewegingen van de romp met hierbij een stekende pijn en kramp waardoor betrokkene erg belemmerd is in het dagelijkse leven, passen bij de lichamelijke aandoening, namelijk de intercostaal neuralgie.”
2.8.4.
Met vraag 11 heeft Achmea verzocht om een motivatie van het gehanteerde invaliditeitspercentage van 1% voor de hoofdpijnklachten, dit onder meer in verband met de in de visie van Achmea bestaande pre-existente problematiek. In antwoord hierop heeft [naam 3] te kennen gegeven:
“Ook als er geen afwijkingen kunnen worden vastgesteld kan volgens de volgens de richtlijnen van de NVN bij posttraumatische hoofdpijn wel een percentage functiestoornis van 1-3% worden toegekend. De commissie erkent een dergelijk functieverlies wat wel moet berusten op een aantoonbaar doorgemaakt significant schedel en / of hersenletsel wat bij betrokkene het geval is. Daarom is een percentage functieverlies toegekend en wordt wel in het antwoord op vraag 1i aangegeven dat het percentage kan verminderen indien sprake is van een analgetica-afhankelijke hoofdpijn.”
2.9.
[naam 3] heeft in het kader van zijn onderzoek een neuropsychologisch onderzoek aangevraagd bij neuropsycholoog drs. [naam 5] (hierna: [naam 5] ) voor verdere analyse van de cognitieve klachten van [verzoekende partij] . [naam 5] heeft haar rapport uitgebracht op 21 juli 2025. [naam 5] heeft hierin geconcludeerd dat het onderzoek geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor het bestaan van primaire cognitieve stoornissen. [naam 5] heeft aanbevolen een psychiatrische expertise in gang te zetten. 2.10. Vervolgens heeft [naam 3] op 23 juli 2025 een aanvullend rapport uitgebracht, waarin enkele aanvullingen zijn opgenomen op de antwoorden zoals geformuleerd in het rapport van 27 maart 2025.
2.11.
Bij brief van 18 november 2025 heeft Achmea aan [verzoekende partij] gemeld dat er zwaarwegende bezwaren bestaan tegen het rapport van [naam 3] en dat, op basis van de (alsnog aan te leveren) volledige gegevens, de neurologische expertise opnieuw zal moeten worden verricht. Verder neemt Achmea in deze brief het standpunt in dat zij niet gehouden kan worden tot vergoeding van enig verlies aan verdienvermogen van [verzoekende partij] .
2.12.
[verzoekende partij] heeft vervolgens bij brief van 21 november 2025 een deelgeschilprocedure aangekondigd.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoekende partij] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
te verklaren voor recht dat het deskundigenbericht van [naam 3] heeft te gelden als basis voor de verdere schaderegeling;
te verklaren voor recht dat verrekening met de eerder door [verzoekende partij] ontvangen schadevergoeding betrekking hebbend op het ongeval van 30 september 2011 niet aan de orde is;
Achmea te veroordelen in de kosten van het deelgeschil.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekende partij] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [naam 3] is op gezamenlijk verzoek van partijen ingeschakeld. Partijen zijn daarom gebonden aan zijn rapport. Er is in dit geval geen aanleiding om het rapport terzijde te schuiven. Verder gaat het standpunt van Achmea dat zij, gelet op de eerder door Reaal betaalde schadevergoeding in verband met het ongeval uit 2011, niet gehouden is tot vergoeding van verlies aan verdienvermogen niet op. De discussie over deze twee geschilpunten heeft er toe geleid dat partijen in een impasse zijn geraakt in de schadeafwikkeling. Een beslissing van de rechtbank over deze geschilpunten zal partijen in staat stellen verder te onderhandelen.
3.3.
Achmea verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. In de visie van Achmea is sprake van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van [naam 3] , enerzijds omdat [naam 3] zijn onderzoek heeft verricht zonder dat hij de beschikking had over alle relevante gegevens en anderzijds omdat het deskundigenbericht van [naam 3] niet voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen. De rapportage kan daarom niet de basis vormen voor een schaderegeling. Verder is Achmea van mening dat zij niet gehouden kan worden tot vergoeding aan [verzoekende partij] van enig verlies aan verdienvermogen. Voor een (eventueel) verlies aan verdienvermogen in de periode vanaf 2019 is [verzoekende partij] namelijk door de in 2018 uitgekeerde schadevergoeding al volledig gecompenseerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
In geschil tussen partijen is of de rapportage van [naam 3] als basis voor de verdere schaderegeling kan dienen.
4.2.
Partijen hebben [naam 3] in gezamenlijk overleg ingeschakeld. Partijen zijn daarom in beginsel gebonden aan de inhoud van het door [naam 3] uitgebrachte rapport. Dit is alleen anders als er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen (de inhoud of wijze van totstandkoming) van de rapportage. Hiervan is onder meer sprake wanneer de rapportage niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.
4.3.
Volgens Achmea is sprake van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van [naam 3] . In de eerste plaats is Achmea het, inhoudelijk gezien, niet eens met hetgeen in het rapport is opgenomen over de situatie van [verzoekende partij] na het ongeval. Achmea heeft in dit verband kritiek geuit op de wijze waarop [naam 3] de anamnese heeft getoetst aan de overige bevindingen uit het dossier. Volgens Achmea heeft [naam 3] de inconsistenties en discrepanties tussen de klachten en anamnese enerzijds en verifieerbaar gedrag en beschikbare gegevens anderzijds onvoldoende meegewogen en besproken. Verder is Achmea van mening dat het lichamelijke en neurologische onderzoek te beperkt is uitgevoerd. [naam 3] had in de visie van Achmea moeten beoordelen of het gedrag van [verzoekende partij] tijdens het onderzoek consistent was met de vermeende klachten. Hij heeft dit echter nagelaten, ook nadat [naam 2] hierover uitdrukkelijk aanvullende vraag 10 heeft gesteld. Ook de aanvullende vragen 6, 7, 9 en 11 zijn volgens Achmea onvoldoende adequaat beantwoord. Achmea heeft haar bezwaren onderbouwd met verschillende medische adviezen van [naam 2] en een medisch advies van 1 september 2025 van extern neuroloog prof. dr. [naam 6] .
4.4.
De rechtbank gaat aan de bezwaren van Achmea die zien op de inhoud van het rapport met betrekking tot de huidige situatie van [verzoekende partij] voorbij. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat het feit dat door een partij onderbouwde inhoudelijke bezwaren zijn ingebracht tegen een gemeenschappelijk deskundigenrapport (nog) niet betekent dat het gezamenlijk aangezochte deskundigenbericht niet gevolgd kan worden. Ook is niet voldoende dat een partijdeskundige (zoals in dit geval [naam 6] ) tot een ander oordeel komt dan de gezamenlijk benoemde deskundige. Uit de bezwaren van Achmea volgt onvoldoende dat het rapport van [naam 3] niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De enkele omstandigheid dat [naam 3] zijn beoordeling naar de mening van (de medisch adviseur en de partijdeskundige van) Achmea niet genoegzaam heeft toegelicht of gemotiveerd is een onvoldoende grond om de rapportage terzijde te schuiven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam 3] zijn rapport op een deugdelijke manier opgesteld en heeft [naam 3] afdoende gereageerd op de gestelde aanvullende vragen en toegelicht waarom de bezwaren niet leiden tot een aanpassing van zijn conclusies, waarbij hij zijn standpunt op een logische wijze uiteen heeft gezet. Al met al is onvoldoende gebleken dat [naam 3] in redelijkheid niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Er bestaat dus onvoldoende aanleiding om, voor de situatie na het ongeval, aan het rapport van [naam 3] voorbij te gaan.
4.5.
Achmea is het ook niet eens met het rapport van [naam 3] wat betreft de situatie vóór het ongeval. In dit verband heeft Achmea erop gewezen dat relevante medische informatie ontbreekt, namelijk de informatie genoemd in het medisch advies van [naam 2] van 12 april 2024 en daarnaast informatie van de pijnpoli van het Kennemer Gasthuis. Hierdoor kan volgens Achmea niet worden vastgesteld of [verzoekende partij] voorafgaand aan het ongeval klachtenvrij was.
4.6.
[verzoekende partij] heeft in reactie hierop gesteld dat de in het medisch advies van 12 april 2024 opgevraagde informatie wel degelijk is overgelegd. Dit is volgens [verzoekende partij] alleen anders wat betreft de informatie van de pijnpoli van het Kennemer Gasthuis, aangezien om die informatie pas na het rapport van [naam 3] is gevraagd. Vast staat dus wel dat deze informatie van het Kennemer Gasthuis niet aan [naam 3] beschikbaar is gesteld. Dit betreft informatie die ziet op de (psychiatrische) klachten van [verzoekende partij] vóór het ongeval en is dus van belang om de vraag of en in hoeverre [verzoekende partij] vóór het ongeval daadwerkelijk klachtenvrij was beter te kunnen beoordelen. Wat betreft de overige informatie (met uitzondering van de ontslagbrief van Psytrec van 1 december 2023) kan de rechtbank onvoldoende uit het rapport van [naam 3] afleiden dat deze informatie aan [naam 3] ter beschikking is gesteld en dat op deze informatie acht is geslagen. [verzoekende partij] heeft ook niet concreet toegelicht op basis waarvan hier wel van kan worden uitgegaan.
4.7.
Op basis van de wel aan [naam 3] voorgelegde informatie is de rechtbank van oordeel dat hij onvoldoende op de situatie vóór het ongeval (wat betreft het al dan niet aanwezig zijn van klachten) is ingegaan. Zo is in het rapport opgenomen dat [verzoekende partij] heeft verklaard dat hij geen klachten meer had van het ongeval uit 2011 en dat hij weer fulltime werkte, maar blijkens de aanvulling van de eigen belangenbehartiger van [verzoekende partij] was dit niet het geval en bestond slechts het voornemen om weer te gaan werken. Doordat vervolgens het ongeval plaatsvond is het hier niet van gekomen. [naam 3] heeft deze aanvulling in zijn rapport wel genoemd (zie onder 2.7.2), maar in de hoofdstukken IV en V van het rapport is hij hier vervolgens niet nader op ingegaan. Het voorgaande betekent echter, anders dan Achmea stelt, niet dat het rapport van [naam 3] tussen partijen niet als bindend kan worden beschouwd. Wel moeten partijen dit nader laten onderzoeken, waarbij dan de eventueel nog ontbrekende stukken moeten worden meegenomen.
4.8.
Of bij de bepaling van het (eventuele) verlies aan verdienvermogen van [verzoekende partij] , zoals Achmea stelt, acht moet worden geslagen op de schadevergoeding die [verzoekende partij] in 2018 van Reaal heeft ontvangen is afhankelijk van de uitkomst van het nadere onderzoek door partijen. Als uit dat nadere onderzoek blijkt dat [verzoekende partij] voor het ongeval al klachten (en beperkingen) had en dat er toen geen, of verminderd, reëel arbeidsvermogen was, dan is aannemelijk dat [verzoekende partij] dit (in zoverre) ook niet is kwijtgeraakt als gevolg van het ongeval (en heeft hij in dat geval ook geen (extra) schade wegens verlies aan verdienvermogen geleden) of dat er sprake is van mengschade (waarbij de thans aanwezige schade zijn oorzaak heeft in beide ongevallen). Als, zoals [verzoekende partij] zelf stelt, geen sprake meer was van klachten (en beperkingen) en er wel een (gedeeltelijk) reëel arbeidsvermogen was, dan is het mogelijk dat hij dit door het ongeval is kwijtgeraakt. Dat in de in 2018 betaalde schadevergoeding mogelijk al een verlies aan verdienvermogen was verdisconteerd doet hier niet zonder meer aan af. Een eventueel herstel nadien (in die zin dat [verzoekende partij] weer kon werken) maakt dat er, als hij door het ongeval van 2019 niet meer kan werken, een nieuwe schade is ontstaan die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.
4.9.
Het voorgaande leidt tot het volgende ten aanzien van de voorliggende verzoeken. De onder 1 gevorderde verklaring voor recht zal in die zin worden toegewezen dat het rapport van [naam 3] , voor zover dat rapport betrekking heeft op de situatie van [verzoekende partij] na het ongeval, heeft te gelden als basis voor de verdere schaderegeling tussen partijen. De onder 2 gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
4.10.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij deze begroting moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. In dit geval is niet in geschil dat de met deze procedure gemoeide kosten in redelijkheid zijn gemaakt. De rechtbank zal dan ook overgaan tot begroting van de kosten.
4.11.
Mr. Bruin heeft de aan de behandeling van het verzoek verbonden (advocaat)kosten blijkens de kostenbegroting van 16 maart 2026 tot en met de mondelinge behandeling begroot op een bedrag van € 5.100 exclusief btw. Hierbij is hij uitgegaan van een totale tijdsbesteding van 20 uur en een uurtarief van € 255 exclusief btw.
4.12.
Achmea heeft alleen verweer gevoerd tegen de begrote tijdsbesteding. Volgens Achmea is het aantal aan de zaak bestede uren bovenmatig en is het redelijk om uit te gaan van een totale tijdsbesteding van 15 uur.
4.13.
De rechtbank acht een totale tijdsbesteding in deze zaak van 20 uur niet onredelijk. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het bezwaar van Achmea en begroot de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak op € 5.100 exclusief btw (20 x € 255), oftewel € 6.171 inclusief btw. Deze kosten worden nog vermeerderd met het verschuldigde griffierecht van € 331, zodat het totaalbedrag uitkomt op € 6.502.
4.14.
Als de schadevergoedingsplicht in verband met eigen schuld aan de kant van de benadeelde wordt verminderd, geldt dit in beginsel ook voor de kosten van het deelgeschil. Het gaat immers om schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. [verzoekende partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat er in deze zaak aanleiding bestaat een uitzondering op deze hoofdregel te maken. De rechtbank zal het percentage eigen schuld daarom laten doorwerken in de kosten van het deelgeschil. Achmea is voor 50% aansprakelijk voor de schade die [verzoekende partij] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Achmea zal dus worden veroordeeld tot betaling van 50% van het hiervoor begrote bedrag, oftewel een bedrag van € 3.251. Rechtbank Den Haag 7 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11457