RBGEL 220726 regres; kolom valt nadat wn-er er een ladder tegen plaatste; rapport deskundige t.z.v. onveilig laddergebruik leidt tot aanvullende vragen
RBGEL 220726 regres; kolom valt nadat wn-er er een ladder tegen plaatste; rapport deskundige t.z.v. onveilig laddergebruik leidt tot aanvullende vragen
in relatie tot
RBGEL 040924 kolom valt nadat wn-er een ladder er tegen plaatste; onjuiste verankering staat vast, desk. bericht i.h.k van ES t.z.v. laddergebruik
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis van 26 februari 2025 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) is een deskundigenonderzoek door de heer H. Poortman (hierna: Poortman) gelast.
2.2.
Op 3 juni 2025 heeft de rechtbank een deskundigenbericht van Poortman ontvangen en dat op 12 juni 2025 doorgestuurd aan partijen. Naar aanleiding daarvan hebben partijen aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat zij geen concept deskundigenbericht hebben ontvangen en dat zij graag alsnog de gelegenheid krijgen om te reageren op het (concept) deskundigenbericht. Bij e-mail van 7 juli 2025 heeft de rechtbank aan partijen en Poortman bericht dat partijen tot uiterlijk 4 augustus 2025 hun opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept deskundigenbericht aan Poortman kenbaar kunnen maken en dat Poortman daarna het definitieve deskundigenbericht zo spoedig mogelijk dient in te dienen bij de rechtbank. Op 14 augustus 2025 is het definitieve deskundigenbericht door de rechtbank ontvangen.
2.3.
Uit bijlage 3 bij het deskundigenbericht blijkt dat [de gedaagde] bij e-mail van 4 augustus 2025 drie opmerkingen heeft gemaakt naar aanleiding van het concept deskundigenbericht en daarbij een e-mail van 23 februari 2015 van [de gedaagde] aan Adinex heeft meegestuurd, waarin door [de gedaagde] aan Adinex is meegedeeld dat er op de dag van het ongeval geen hoogwerkers aanwezig waren en dat er toen op de bouw alleen mensen van [adviesbureau] aanwezig waren. In de eerste twee opmerkingen van [de gedaagde] , die zien op de beantwoording van vraag 1 in het concept deskundigenbericht, heeft zij onder verwijzing naar voormelde e-mail van 23 februari 2015 vermeld dat (i) zijzelf op de datum van het ongeval niet aanwezig was op de bouwplaats en (ii) dat er op de datum van het ongeval geen hoogwerkers aanwezig waren. De derde opmerking van [de gedaagde] , die ziet op de beantwoording van vraag 6 in het deskundigenbericht, luidt als volgt:
Zoals hiervoor al vermeld, was [de gedaagde] op 24 november 2010 niet op de bouwlocatie aanwezig. [de gedaagde] kon op dat moment dus niet aan [adviesbureau] [ [adviesbureau] , toevoeging rb] melden dat er bij de betreffende kolom geen haakankers waren toegepast. In de zienswijze van Adinex was hiervoor voor [de gedaagde] ook geen noodzaak. Adinex stelt: “Uitsluitend in de (onveilige) montagesituatie – zoals uitgevoerd door [adviesbureau] – worden de ankers op trek belast en konden de ankers uit het beton worden getrokken toen de heer [medewerker] , staand op de ladder tegen de kolom, de strop aan de bovenzijde van de betreffende kolom losmaakte. In de gebruikssituatie (bouw gereed) is er uitsluitend sprake van schuifkrachten op de ankers en zullen de ankers dus niet uit het beton worden getrokken. [de gedaagde] mocht aannemen dat een deskundige partij als [adviesbureau] zich niet zou bedienen van de gehanteerde onveilige montage situatie (ladder tegen de stalen kolom die aan de bovenzijde in een strop hangt). Conclusie: voor [de gedaagde] was er dus geen enkele reden om te melden bij [adviesbureau] dat bij de betreffende kolom boorankers waren toegepast.”
Als u dit met Adinex eens bent, wilt u deze alinea dan dienovereenkomstig aanpassen? Als u het niet met Adinex eens bent, kunt u dit dan toelichten?
2.4.
ASR heeft naar aanleiding van het concept deskundigenbericht geen aanvullende vragen aan Poortman gesteld of opmerkingen gemaakt.
2.5.
In het (definitieve) deskundigenbericht heeft Poortman vermeld dat hij van de volgende processtukken kennis heeft genomen:
-
de dagvaarding en de producties 3 tot en met 12,
-
de conclusie van antwoord en de producties 1 tot en met 5,
-
productie 23 en 25 behorend bij de akte van 1 februari 2022 van ASR
-
het tussenvonnis van 4 september 2024,
-
het tussenvonnis van 26 februari 2025,
-
de Arbeidsomstandighedenwetgeving ten tijde van het ongeval op 24 oktober 2010.
Verder is in het deskundigenbericht ten aanzien van de opmerkingen en verzoeken van partijen het volgende vermeld:
Op 7 juli is het concept-deskundigenbericht verzonden aan partijen. 4 augustus 2025 is een reactie ontvangen van VA advocaten [ [de gedaagde] , toevoeging rb] zoals opgenomen in bijlage 3 van dit bericht..
Op basis daarvan is het antwoord van vraag 1 gewijzigd omdat het nu duidelijk is dat de [adviesbureau] geen hoogwerker ter beschikking heeft gesteld en dus ook op dat moment niet kon worden toegepast, en omdat duidelijk is dat [adviesbureau] als enige werkgever op de locatie werkzaamheden verrichtte en geen noodzaak aanwezig is om werkzaamheden tussen meerdere werkgevers te coördineren en of aanvullende V&G afspraken te maken. Waarmee de V&G verantwoordelijkheden op die dag op de bouwplaats volledig bij [adviesbureau] berusten.
Vraag 6 is aangepast omdat nu wel duidelijk is dat [adviesbureau] alleen op de bouwplaats aanwezig was op 24 november 2020 [bedoeld zal zijn: 2010, toevoeging rb]. Dit heeft ook invloed op de beantwoording van vraag 7, die is op basis daarvan ook aangepast.
De opmerkingen van V&A Advocaten bij het derde aandachtstreepje in de mail van bijlage 3, ga ik bij vraag 8 dieper in op de vraag of het gebruik van boorankers een bijzondere, risico verhogende situatie is.
2.6.
Poortman heeft bij de beantwoording van de vragen een andere nummering van de vragen aangehouden dan in het tussenvonnis van 26 februari 2025 is vermeld. Hij heeft vraag 5 tot en met 7 vernummerd naar 5 a, b en c. en de vragen 8 tot en met en 11 vernummerd naar 6 tot en met 9. De rechtbank zal hierna de nummering van Poortman aanhouden. De vragen zijn door Poortman als volgt beantwoord:
1. Wilt u op basis van de informatie die in de diverse rapportages voorhanden is en uit eventueel eigen onderzoek de stand van het werk en de situatie op de bouwlocatie aan de Hondsiepsebaan 9 te Ottersum omschrijven, zoals deze was ten tijde van het ongeval op 24 november 2010.
Relevant aan de situatie zoals in de vraag omschreven is dat er een betonnen vloer aanwezig was in het bouwwerk. (…) Op basis van de beschrijvingen is de situatie dat er een betonnen funderingsplaat aanwezig is met aangebrachte ankers. Dit betekent dat er een vlakke draagkrachtige vloer aanwezig is waar een stabiele opstelling van arbeidsmiddelen voor het werken op hoogte aanwezig is.
Uit de documentje kan worden vastgesteld dat er ten tijde van het ongeval niemand van firma [de gedaagde] op locatie aanwezig was.
De firma [de gedaagde] , als hoofdaannemer, heeft de coördinatieverplichting voor opeenvolgende en of gelijktijdige werkzaamheden. Omdat onderaannemer [adviesbureau] alleen aan het werk is op 24 november 2010 is er geen noodzaak tot afstemming van gelijktijdige werkzaamheden. De vraag is of er gecoördineerd moet worden in met betrekking tot opvolgende werkzaamheden.
Het toepassen van boorankers is dermate algemeen voorkomend dat dit waarschijnlijk, indien niet wordt nagevraagd, ook indien [de gedaagde] wel aanwezig zou zijn geweest, niet zal worden gemeld.
Als werkgever bepaalt [adviesbureau] de te volgen werkwijzen (wat er gedaan moet worden en hoe dat gedaan moet worden en heeft de toezichtverplichting op uit te voeren werkzaamheden en werkomstandigheden.
Op basis van de documentatie kan worden vastgesteld er geen hoogwerker beschikbaar was om werkzaamheden op hoogte te verrichten. De hoogst leidinggevende en toezichthoudende op locatie van [adviesbureau] voert het gezag uit en daarmee de te volgen werkmethode. Het is de gekozen werkmethode die de onbedoelde belasting veroorzaakt op de kolom.
Op basis van de documentatie kan niet worden vastgesteld er andere veiligere arbeidsmiddelen dan een ladder beschikbaar waren om werkzaamheden op hoogte veilig te verrichten. Hierbij doel ik specifiek op de beschikbaarheid en het gebruik van een rolsteiger als veiliger arbeidsmiddel voor het werken op hoogte dan een ladder.
Op basis van de beschrijvingen in de stukken kan niet worden vastgesteld welke voorlichting en instructie aan het slachtoffer is gegeven door de werkgever ( [adviesbureau] ).
2. Welke veiligheidsnormen/veiligheidseisen waren op de ongevalsdatum van toepassing op de werkzaamheden die op dat moment werden uitgevoerd (het oprichten van een staalconstructie ten behoeve van een rundveestal)?
De veiligheidseisen die van toepassing waren op 24 -11-2010 liggen vast in de arbeidsomstandighedenwetgeving (wet, besluit, regeling) zijn terug te vinden op https:/wetten.overheid.nl/ , (…). Bij de beantwoording van vraag 5 is de relevante wettekst zoals deze geldig was op 24-11-2010, opgenomen in artikel 7.23 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, weergegeven.
Ook was toentertijd de ‘beleidsregels arbeidsomstandigheden’ beschikbaar met een beschrijving van op welke wijze invulling kon worden gegeven aan de doelvoorschriften van de Arbeidsomstandighedenwetgeving.
Daarbij is het belangrijk te vermelden dat vanuit de wetgeving het gebruik van ladders is toegestaan voor het overbruggen van hoogteverschillen. Als arbeidsmiddel (om werkzaamheden op te verrichten zoals het verwijderen van een hijsband) slechts indien er geen veiligere methoden kunnen worden toegepast.
3. De stalen kolommen van de staalconstructie zijn door [adviesbureau] met een hijskraan geplaatst op de door [de gedaagde] in de betonnen vloer aangebrachte ankers. Daarna heeft de betrokken medewerker van [adviesbureau] , [medewerker] , een ladder tegen één van de kolommen geplaatst om de hijsstrop van de kraan los te maken. Daarbij is de kolom omgevallen. Voldeed de uitvoering van deze werkzaamheden, zoals hiervoor beschreven, aan de veiligheidseisen en -normen zoals vermeld bij het antwoord op vraag 2. Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds beschreven is de ladder niet het juiste arbeidsmiddel voor werkzaamheden op hoogte tenzij sprake is van omstandigheden waarin het gebruik van andere, veiliger arbeidsmiddelen niet gerechtvaardigd is in verband met het geringe risico, en
a. vanwege de korte gebruiksduur, of
b. de bestaande kenmerken van de locaties die de werkgever niet kan veranderen.
Zowel a als b zijn in dit geval niet van toepassing want ondanks het feit dat er inderdaad sprake is van een kortstondig gebruik per kolom, zijn er 29 kolommen waarop dit moet worden herhaald en dus is er geen sprake van kortstondig gebruik.
Het is vanuit mijn jarenlange ervaring op bouwlocaties zeer ongebruikelijk dat hijsstroppen met gebruikmaking van een ladder geplaatst tegen een kolom worden verwijderd.
4. Op welke wijze hadden de werkzaamheden, zoals vermeld bij vraag 3, moeten worden uitgevoerd, in aanmerking genomen de veiligheidseisen en -normen zoals vermeld bij het antwoord op vraag 2?
Bij deze werkzaamheden is het gebruik van een hoogwerker het meest passende arbeidsmiddel. Dit omdat bij het verloop van werkzaamheden op tal van plaatsen, naast het verwijderen van hijsstroppen, ook op hoogte stalen elementen moeten worden gepositioneerd en boutverbindingen worden aangebracht om de stalen elementen te verbinden. Dit zijn werkzaamheden die je niet veilig vanaf een ladder kunt en mag uitvoeren.
Bij het gebruik van de ladder is een belangrijk principe het “3 points of contact”. Dat wil zeggen dat je te allen tijde met 3 punten contact hebt de met ladder. Hetzij met twee handen en 1 voet, of met twee voeten en 1 hand tijdens het beklimmen en het verrichten van handelingen. Bij het verrichten van handelingen op de ladder met beide handen, zoals het bevestigen van bouten en moeren of met de hand meenemen van goederen kan dit niet worden gerealiseerd en is het gebruik van de ladder onveilig.
5. a) In hoeverre was de bij vraag 3 vermelde werkwijze in de destijds bestaande bouwpraktijk al dan niet gebruikelijk? Kunt u dit toelichten?
In de bouwpraktijk was ook toentertijd (2010) de wetgeving rondom het gebruik van de ladder, en de discussies in de bouw rondom valgevaar zodanig dat de inzet van de ladder als werkplek niet meer als “normaal” werd beschouwd.
5. b) Had in de betreffende situatie op de bouwplaats op grond van de toen geldende veiligheidsregels en- normen nooit met een ladder mogen worden gewerkt, maar had altijd met een hoogwerker of rolsteiger moeten worden gewerkt? Kunt u dit toelichten?
De wetgeving was ook toen als duidelijk over de inzet van de ladder als werkplek.
Samengevat: “De ladder is geen werkplek, tenzij het niet anders kan en het in die situatie de meest veilige oplossing is”:
Arbeidsomstandighedenbesluit geldig op 24 november 2020 [bedoeld zal zijn 2010, toevoeging rb], artikel 7.23 1e en 2e lid:
Artikel 7.23 Algemeen
(…)
2. Met inachtneming van het eerste lid wordt het gebruik van ladders en trappen als arbeidsplaatsen op hoogte beperkt tot omstandigheden waarin het gebruik van andere, veiliger arbeidsmiddelen niet gerechtvaardigd is in verband met het geringe risico, en
a. vanwege de korte gebruiksduur, of
b. de bestaande kenmerken van de locaties die de werkgever niet kan veranderen.
Op basis van de toenmalige wetgeving had de ladder niet mogen worden ingezet als arbeidsmiddel om de stroppen op hoogte te verwijderen omdat er geen omstandigheden zijn uit de beschrijving die rechtvaardigen dat een ladder wordt ingezet als werkmethode.
Omdat hoger dan 2,5 meter (arbobesluit artikel 3.16) wordt gewerkt, is er sprake van een hoog risico en dit is niet een gering risico zoals gesteld onder lid 2 van 7.23 van het arbeidsomstandighedenbesluit.
5. c) Was het werken met een rolsteiger of hoogwerker op die bouwlocatie destijds mogelijk geweest? Kunt u dit toelichten?
Ja, omdat er een gestorte betonvloer aanwezig is ook al was deze niet aanwezig geweest dan was een ruw-terrein hoogwerker een passend arbeidsmiddel geweest. Een rolsteiger kan op een vlakke betonvloer ook worden toegepast maar in mijn vele jaren op een bouwlocaties kom ik een rolsteiger bij montage van staalconstructies niet tegen. Of een rolsteiger of hoogwerker wel of niet beschikbaar waren op locatie staat niet beschreven.
Ook in 2010 was de beschikbaarheid van hoogwerkers en rolsteigers bij materieelverhuurbedrijven geen probleem.
Ook indien er op dat moment geen rolsteiger of hoogwerker aanwezig was, rechtvaardigt niet dat dan maar een ladder wordt ingezet gezien de grootte van het risico.
6. Indien de werkzaamheden niet volgens de veiligheidseisen en -normen werden uitgevoerd, welke voorzieningen / maatregelen zouden kunnen worden getroffen voor veiligere uitvoering van de werkzaamheden en wie zou dan verantwoordelijk zijn om deze maatregelen te treffen?
De werkgever is verantwoordelijk voor de gekozen werkmethode. Hiertoe verstrekt hij de middelen, voorlichting en instructie en toezicht. (conform artikel 8 arbeidsomstandighedenwet).
Een veiligere uitvoering van werkzaamheden kan met behulp van andere arbeidsmiddelen worden gerealiseerd. Een hoogwerker of een (rol)steiger zijn veiligere arbeidsmiddelen voor de beschreven werkzaamheden. Het ter beschikking stellen, het instrueren en het toezichthouden op het veilig uitvoeren van werkzaamheden is een werkgeversverantwoordelijkheid.
Het is aan de hoogst operationeel leidinggevende van de werkgever op locatie om namens de werkgever invulling te geven aan het toezicht te houden op correcte en veilige uitvoering van werkzaamheden.
7. Welke van de bij de bouw van de rundveestal betrokken partijen zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van de bouwlocatie in het algemeen en specifiek de uitvoering van de werkzaamheden zoals vermeld bij vraag 3, waarbij het ongeval op 24 november 2010 is ontstaan?
De opdrachtgever (de heer [opdrachtgever] ) is normaliter verantwoordelijk voor de veiligheid van het bouwproject in de ontwerpfase. Omdat de heer [opdrachtgever] als particulier de opdracht heeft verstrekt, gaan de opdrachtgeversverplichting zoals beschreven in afdeling 5 van het arbeidsomstandighedenbesluit over op de ontwerpende partij.
Daar berust dan ook de zorgplicht (de vergewisplicht was toen nog niet opgenomen in het arbobesluit) of betrokken partijen in staat zijn om op veilige wijze het project te realiseren. De beoordeling of [adviesbureau] in staat is(was) om op veilige wijze de werkzaamheden uit te voeren ligt in dit geval formeel bij de ontwerpende partij. De praktijk is dat de hoofdaannemer de onderaannemers selecteert. De criteria die daarbij zijn gebruikt en of de te volgen werkwijze daarbij besproken is kan uit de stukken niet worden vastgesteld.
De hoofdaannemer is verantwoordelijk om de project specifieke risico’s af te stemmen met zijn onderaannemers en daar gezamenlijk afspraken over te maken en op welke wijze maatregelen met betrekking tot tijd, plaats en veiligheid worden toegepast (V&G coördinatie) en houdt toezicht op het effectief nakomen van gemaakte afspraken.
Zoals voorgaand reeds beschreven is de werkgever ( [adviesbureau] ) direct verantwoordelijk voor de gekozen werkmethoden, arbeidsmiddelen, instructie en het houden van toezicht.
8. Welke feiten en omstandigheden acht u nog van verder belang voor de beoordeling van de veiligheid tijdens de uitvoering van de montagewerkzaamheden op de bouwlocatie van de rundveestal op 24 november 2010?
De vraag is of het achteraf aanbrengen van vloerankers met behulp van een gevalideerde techniek van ankers moet worden beschouwd als een bijzondere afwijking.
In de praktijk komt het regelmatig voor dat achteraf vloerankers worden aangebracht. Hetzij doordat oorspronkelijk ankers foutief zijn aangebracht, vergeten zijn om aan te brengen of een constructiewijziging gedurende de bouw.
In die gevallen wordt gebruikgemaakt van een gevalideerde methode om boorankers aan te brengen. Het is de fabrikant van chemische verbindingsmiddelen die voorschrijft wat de juiste werkwijze is om een betrouwbare verbinding te realiseren en geeft daarbij de limieten van het toepassingsbereik van de chemische verbinding.
Het overgaan op boorankers in de genoemde situaties is een veel voorkomende, geaccepteerde methode van bevestigen van ankers. Wat daarbij wel van belang is dat geverifieerd wordt of de tot stand te brengen verankering constructief, dus qua optreden krachten, verantwoord is. Hierbij dient rekening te worden gehouden met te verwachten optredende krachten. De bijzondere belastingsituatie met dwarskrachten die optreden bij het plaatsen en gebruiken van een ladder wordt daarin niet meegenomen omdat dat niet een te verwachten situatie is.
Het feit dat achteraf boorankers worden toegepast is op zich niet bijzonder. Indien dit wel was gemeld bij [adviesbureau] , is alsnog de vraag of door een melding dat boorankers in plaats van haakankers zijn toegepast, het slachtoffer in die situatie anders zou handelen.
9. Welke overige opmerkingen op uw vakgebied heeft u nog naar aanleiding van de onderhavige zaak?
Geen verder aanvullingen
2.7.
[de gedaagde] betoogt dat uit het deskundigenbericht volgt dat [medewerker] nooit had mogen werken vanaf een ladder die leunde tegen de kolom en dat dit een zeer ongebruikelijke werkwijze was. [adviesbureau] had geen instructie mogen geven aan [medewerker] om staand op een ladder de hijsstrop van de kolom te verwijderen. [de gedaagde] had met deze zeer ongebruikelijke werkwijze geen rekening hoeven houden. Uit de beantwoording van Poortman van vraag 8 volgt volgens [de gedaagde] dat het toepassen van boorankers een veelvoorkomende en geaccepteerde methode is en dat hierbij geen rekening behoefde te worden gehouden met de bijzondere belastingsituatie met dwarskrachten die optreden bij het plaatsen en gebruiken van een ladder, omdat dat een niet te verwachten situatie was. [de gedaagde] concludeert dat niet aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW is voldaan, aangezien de door deskundige Wijte omschreven norm (in het eerdere deskundigenbericht van 15 maart 2024) niet strekt tot bescherming tegen de schade die door het ongeval is ontstaan. Volgens [de gedaagde] is de schade veroorzaakt door de onjuiste instructie door [adviesbureau] en behoefde [de gedaagde] geen rekening te houden met een dergelijke instructie. ASR kan zich daarom niet beroepen op het vrijwaringsbeding in de Metaalunievoorwaarden, nog daargelaten dat [de gedaagde] haar verweer tegen de toepassing daarvan handhaaft.
2.8.
ASR acht zich niet gebonden aan het deskundigenbericht. Zij meent dat het deskundigenbericht niet conform de Leidraad deskundigen en de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen tot stand is gekomen en heeft daartegen de volgende zwaarwegende bezwaren. Poortman lijkt geen kennis te hebben genomen van het gehele procesdossier, waaronder de pleitaantekeningen van ASR, de ingediende aktes en het deskundigenbericht van Wijte. Poortman is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden en gaat er ten onrechte vanuit dat [de gedaagde] boorankers heeft gebruikt. Poortman heeft niet alle relevante informatie bij zijn onderzoek betrokken, zoals de Leidraad veilig werken op hoogte van het VNO, terwijl beide partijen in de processtukken wel een beroep op die Leidraad hebben gedaan. Ook heeft Poortman zijn antwoord op vraag 3 en zijn conclusie dat bij de uitvoering van de werkzaamheden geen ladder had mogen worden gebruikt onvoldoende gemotiveerd. Verder is Poortman uitgegaan van mededelingen van [de gedaagde] , dat zij niet aanwezig was op de bouw ten tijde van het ongeval, zonder dat bij ASR te verifiëren. ASR betwist dat er sprake is van eigen schuld van [adviesbureau] . Mocht er al sprake zijn van enig verwijtbaar handelen van [adviesbureau] , dan valt dat in het niet bij de verwijtbare handelingen/fouten van [de gedaagde] . ASR betoogt voorts dat het gebruik van de ladder niet de oorzaak is geweest van het omvallen van de kolom. Uit het deskundigenbericht van Wijte volgt dat de kolom is omgevallen door een gebrek dat is veroorzaakt door de onzorgvuldige en ongebruikelijke handelswijze van [de gedaagde] . ASR betoogt voorts dat artikel 7.23 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het gebruik van ladders niet per definitie verbiedt en stelt dat een ladder mag worden gebruikt als sprake is van een gering risico en de gebruiksduur van de ladder kortstondig is. Uit het stroomschema bij de Leidraad veilig werken op hoogte VNO volgt volgens ASR dat het gebruik van een ladder bij het verwijderen van de hijsstrop van de kolom een veilig en passend arbeidsmiddel was. [de gedaagde] was als hoofdaannemer verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouwlocatie en de arbeidsmiddelen waarmee werd gewerkt. Nu [de gedaagde] op eigen houtje, zonder mededeling aan [adviesbureau] de werkwijze met betrekking tot het aanbrengen van de ankers had aangepast, had hij moeten controleren of [adviesbureau] nog wel de gepaste arbeidsmiddelen gebruikte. Dat heeft [de gedaagde] nagelaten en dient voor haar risico te komen. Verder betwist ASR dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan. ASR verwijst naar haar eerder er ingenomen standpunten omtrent de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden.
2.9.
De rechtbank overweegt het volgende. Niet duidelijk is of Poortman bij zijn onderzoek wel het hele procesdossier tot zijn beschikking had. Uit de opsomming van de stukken waarvan hij kennis heeft genomen, volgt dat hij niet van alle stukken in het procesdossier kennis heeft genomen, in het bijzonder niet van de pleitaantekeningen van ASR en het deskundigenbericht van Wijte van 15 maart 2024. Dat deskundigenbericht is echter, voor zover van belang, weergegeven in het tussenvonnis van 4 september 2024 en daarvan heeft Poortman wel kennisgenomen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij van de belangrijkste bevindingen van Wijte heeft kennisgenomen.
2.10.
Poortman gaat bij de beantwoording van de vragen 1 en 8 ervan uit dat [de gedaagde] heeft gewerkt met toepassing van boorankers en verbindt daaraan zijn belangrijkste bevindingen. Dat is echter onjuist. Uit het deskundigenbericht van Wijte (zie de beantwoording van vraag 3 door Wijte, weergegeven onder 2.2. van het tussenvonnis van 4 september 2024) blijkt juist dat [de gedaagde] (in afwijking van de door [adviesbureau] voorgeschreven werkwijze met in het beton gestorte haakankers) niet heeft gewerkt met boorankers maar dat zij afgezaagde haakankers in het beton heeft aangebracht als ware het boorankers (dus in het beton geboorde afgezaagde haakankers, zie vraag 3 aan deskundige Wijte, zoals vermeld in 2.2 van het tussenvonnis van 4 september 2024) en dat zij dus ook niet op juiste wijze boorankers heeft toegepast. Uit het deskundigenbericht van Wijte blijkt ook dat indien [de gedaagde] op juiste wijze boorankers had toegepast - wat zij dus niet heeft gedaan - de kolom niet zou zijn bezweken. Daarbij komt dat de vraag over het al dan niet gebruikelijk zijn van de door [de gedaagde] toegepaste werkwijze met betrekking tot het aanbrengen van de ankers niet aan Poortman voorlag, omdat deze al was beantwoord door Wijte.
In zoverre kan dan ook niet worden uitgegaan van de bevindingen van Poortman in de beantwoording van de vragen 1 en 8 dat [de gedaagde] haar afwijkende werkwijze niet aan [adviesbureau] had hoeven melden, dat de door [adviesbureau] gekozen werkmethode (met een ladder) de onbedoelde belasting heeft veroorzaakt op de kolom en dat het maar de vraag is of indien [de gedaagde] haar afwijkende werkwijze met betrekking tot het aanbrengen van de boorankers [de gedaagde] had gemeld het slachtoffer ( [medewerker] ) anders zou hebben gehandeld.
2.11.
Aan Poortman lag kort gezegd de vraag voor of het werken met een ladder tegen de kolommen om de hijsstroppen los te maken voldeed aan de toen geldende veiligheidseisen en veiligheidsnormen en of dat een al dan niet een gebruikelijke werkwijze was.
Poortman beantwoordt die vraag onder de vragen 3, 4 en 5 a tot en met c. Hij verklaart, samengevat, dat het gebruik van een ladder niet het juiste arbeidsmiddel was om de hijsstroppen los te maken omdat hoger dan 2,5 meter werd gewerkt en er geen sprake was van kortstondig gebruik (te weten: het losmaken van 29 hijsstroppen). Volgens Poortman zou het gebruik van een hoogwerker het meest passende arbeidsmiddel zijn geweest omdat op tal van plaatsen, naast het verwijderen van hijsstroppen, ook op hoogte stalen elementen moesten worden gepositioneerd en boutverbindingen worden aangebracht om de stalen elementen te verbinden en dat dit werkzaamheden zijn die je niet veilig vanaf een ladder kunt en mag uitvoeren, gelet op het belangrijke principe “3 points of contact”. Bij het verrichten van handelingen op de ladder met beide handen, zoals het bevestigen van bouten en moeren of met de hand meenemen van goederen kan dit niet worden gerealiseerd en is het gebruik van de ladder onveilig, aldus Poortman. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op het bepaalde in artikel 7.23 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en ‘beleidsregels arbeidsomstandigheden’, zonder die laatste te concretiseren, en zijn jarenlange ervaring.
2.12.
Niet gebleken is dat Poortman de Leidraad veilig werken op hoogte van het VNO (hierna: de Leidraad) bij de beantwoording van de vragen heeft betrokken, terwijl deze door beide partijen is genoemd in de processtukken (door [de gedaagde] in randnummer 6.5 van haar conclusie van antwoord, waarin zij verwijst naar de brief van Adinex van 14 september 2017 pagina 7 (productie 4 bij die conclusie), en door ASR in haar spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling van 10 mei 2022). Deze Leidraad, die door ASR als productie 27 is overgelegd bij haar laatste akte, lijkt met name handvaten te bieden voor de beoordeling van het gebruik van ladders als veilig arbeidsmiddel in de praktijk. In de Leidraad zijn twee stroomschema’s opgenomen om te beoordelen of het gebruik van een ladder al dan niet is toegestaan (schema 1) en zo ja, of het gebruik van een ladder al dan niet veilig is (schema 2). Uit schema 1 volgt in welke situaties het gebruik van een ladder onder bepaalde condities is toegestaan. Uit schema 2 volgt dat indien sprake is van een stahoogte van minder dan 5 meter, een effectieve statijd van minder dan 2 uur, een krachtuitoefening van minder dan 50N en een reikwijdte van minder dan 1 armlengte, het gebruik van een ladder vooralsnog veilig is. ASR betoogt dat op grond van deze Leidraad het gebruik van een ladder voor het losmaken van de hijsstroppen van de kolommen een veilige methode was.
2.13.
De rechtbank is van oordeel dat Poortman de Leidraad uit eigener beweging had moeten raadplegen, nu deze relevant is voor de beantwoording van de aan hem gestelde vragen en beide partijen zich in de processtukken daarop hebben beroepen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om aan Poortman nadere vragen te stellen.
2.14.
Poortman verklaart voorts bij de beantwoording van vraag 4 dat het gebruik van een hoogwerker het meest passende middel zou zijn geweest met name met het oog op de vervolgwerkzaamheden na het losmaken van de hijsstroppen, zoals het positioneren van de stalen elementen en het aanbrengen van boutverbindingen. Bij die vervolgwerkzaamheden zou gelet op het principe van “3 points of contact” het gebruik van een ladder niet veilig zijn. De rechtbank is van oordeel dat het niet relevant is of een hoogwerker een passend arbeidsmiddel was met betrekking tot de vervolgwerkzaamheden. De vraag was immers op welke wijze de werkzaamheden, zoals vermeld bij vraag 3, hadden moeten worden uitgevoerd, in aanmerking genomen de veiligheidseisen en -normen. Daarbij ging het dus om de werkzaamheden bestaande uit het losmaken van de hijsstroppen van de kolommen en niet om eventuele vervolgwerkzaamheden. Dat het wellicht efficiënt zou zijn om met een hoogwerker te werken omdat deze nodig zou zijn in verband met voormelde vervolgwerkzaamheden is dan niet relevant. In zoverre gaat de rechtbank aan die bevinding van Poortman voorbij.
2.15.
In het concept deskundigenbericht heeft Poortman onder vraag 1 vermeld dat uit de documentatie niet kan worden vastgesteld of er iemand van de firma [de gedaagde] op de bouwlocatie aanwezig was op de dag van het ongeval en ook niet of er toen andere arbeidsmiddelen beschikbaar waren zoals een hoogwerker of een rolsteiger om werkzaamheden op hoogte te verrichten. Naar aanleiding van de opmerkingen van [de gedaagde] op het concept deskundigenbericht heeft Poortman de beantwoording van de vragen 1, 6 en 7 aangepast. Poortman heeft niet bij ASR nagevraagd of anderszins geverifieerd of de opmerkingen van [de gedaagde] , dat zij niet aanwezig was op de bouwlocatie en dat er ook geen hoogwerker beschikbaar was, juist waren. Van de bevindingen van Poortman bij de beantwoording van die vragen kan dan ook niet zonder meer worden uitgegaan. ASR geeft in haar conclusie na deskundigenbericht geen uitsluitsel of [de gedaagde] al dan niet aanwezig was op de bouwlocatie en/of een hoogwerker of rolsteiger beschikbaar was en stelt dat op dat punt een getuigenverhoor van belang zou kunnen zijn.
2.16.
ASR heeft zich nog niet erover uitgelaten of zij de opmerkingen van [de gedaagde] in het e-mailbericht van 4 augustus 2025 aan Poortman dat (i) [de gedaagde] zelf op de datum van het ongeval niet aanwezig was op de bouwplaats en (ii) dat er op de datum van het ongeval geen hoogwerkers aanwezig waren, al dan niet betwist. De rechtbank zal ASR in de gelegenheid stellen zich daarover nog uit te laten. Voor zover zij dat gemotiveerd betwist en op die punten nog bewijslevering zou moeten plaats vinden, ziet de rechtbank aanleiding gelet op hetgeen hiervoor is overwogen om aan Poortman ook in dat verband nadere vragen voor te leggen.
2.17.
De rechtbank is dan ook voornemens Poortman de volgende aanvullende vragen voor te leggen:
I. Was de Leidraad veilig werken op hoogte van het VNO (productie 27 van ASR) van toepassing ten tijde van het ongeval van 24 november 2010?
II. Zo nee, waarom niet?
III. Indien (stroom)schema 1 van de Leidraad wordt toegepast op de betreffende situatie ten tijde van het ongeval, was dan het gebruik van een ladder toegestaan?
IV. Zo nee, waarom niet?
V. Indien het gebruik van een ladder in die situatie was toegestaan, was het gebruik van een ladder, gelet op (stroom) schema 2 van de Leidraad dan veilig of niet?
VI. Wilt u bij de beantwoording van vraag V afzonderlijk aandacht besteden aan de punten (i) stahoogte, (ii) effectieve statijd, (iii) krachtuitoefening en (iv) reikwijdte en motiveren hoe u tot uw antwoord bent gekomen?
VII. Wilt u uw antwoorden op voormelde vragen ook betrekken bij de beantwoording van vraag 4, waarbij u dient uit te gaan van de werkzaamheden bestaande uit het losmaken van de hijsstroppen van de kolommen en niet van eventuele vervolgwerkzaamheden?
VIII. Maakt het voor de beantwoording van de vragen 1, 6 en 7 nog verschil indien [de gedaagde] zelf op de bouwlocatie aanwezig was op de dag van het ongeval en zo ja in welke zin?
IX. Maakt het voor de beantwoording van de vragen 1, 6 en 7 nog verschil indien op de dag van het ongeval een hoogwerker of rolsteiger beschikbaar was op de bouwlocatie en zo ja in welke zin?
X. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
2.18.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over dit voornemen en de aan Poortman te stellen nadere vragen. Het voorschot op de kosten van het aanvullend deskundigenonderzoek zal door [de gedaagde] moeten worden betaald.
2.19.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich over het aanvullend deskundigenonderzoek bij akte kunnen uitlaten en ASR zich bij dezelfde akte kan uitlaten over hetgeen is overwogen in 2.16.
Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
2.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.Rechtbank Gelderland 22 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5882
