Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 030926 RBOBR 030926 geschil m.b.t. buikwand- en bovenarmcorrectie niet geschikt voor deelgeschil; tegenverzoek t.z.v. deskundigenbericht aangehouden in afwachting van verweerschrift

RBOBR 030926 geschil m.b.t. buikwand- en bovenarmcorrectie niet geschikt voor deelgeschil; deskundigenbericht noodzakelijk; 
- tegenverzoek t.z.v. deskundigenbericht aangehouden in afwachting van verweerschrift
- afwijzing lag zo voor de hand dat het verzoek als volstrekt onterecht moet worden aangemerkt
 

2De zaak in het kort

2.1.

[verzoeker] heeft een medische ingreep (een buikwand- en bovenarmcorrectie) ondergaan in de kliniek. Volgens [verzoeker] zijn rond die medische ingreep fouten gemaakt door de kliniek. In het deelgeschil ligt – kort gezegd – voor de vraag of MediRisk en de kliniek kunnen worden aangesproken voor de schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden als gevolg van de door haar gestelde fouten.

MediRisk c.s. meent dat de rechtbank daarover in het deelgeschil geen beslissing kan nemen. Het is volgens MediRisk c.s. allereerst nodig dat een onafhankelijk medisch deskundige nader onderzoek doet naar de door [verzoeker] gestelde fouten van de kliniek. In dat kader heeft MediRisk c.s. een tegenverzoek ingediend, inhoudende dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht gelast.

2.2.

De rechtbank zal in deze beschikking de verzoeken (in deelgeschil) van [verzoeker] al afwijzen en het tegenverzoek van MediRisk c.s. tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht aanhouden in afwachting van een door [verzoeker] in dat kader nog in te dienen verweerschrift.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen.

3De feiten

3.1.

[verzoeker] heeft zich in september 2022 onder behandeling gesteld bij de kliniek in verband met een fors huidoverschot na aanzienlijk gewichtsverlies.

3.2.

Op 7 december 2022 heeft plastisch chirurg dr. [A] , werkzaam bij de kliniek, een buikwand- en bovenarmcorrectie uitgevoerd bij [verzoeker] .

3.3.

Bij brief van 3 augustus 2023 heeft [verzoeker] de kliniek aansprakelijk gesteld, omdat de kliniek volgens haar medische fouten heeft gemaakt. MediRisk, de aansprakelijkheidsverzekeraar van de kliniek, heeft de aansprakelijkheid vervolgens afgewezen.

3.4.

Partijen hebben geprobeerd om hun geschil in onderling overleg op te lossen, maar dat is tot nu toe niet gelukt.

4Het verzoek van [verzoeker] en de standpunten van partijen

4.1.

Na een nadere toelichting op het verzoekschrift van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling, begrijpt de rechtbank het verzoek van [verzoeker] aldus, dat zij bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) de rechtbank vraagt:

Primair:

I. te bepalen dat MediRisk en de kliniek aansprakelijkheid zijn voor de schade die

[verzoeker] heeft geleden als gevolg van de medische fouten van de kliniek,

II. met veroordeling van MediRisk en de kliniek tot betaling van een voorschot onder

algemene titel van € 20.000,-,

III. en met veroordeling van MediRisk en de kliniek tot betaling van de tot op heden

door [verzoeker] gemaakte en nog te maken buitengerechtelijke kosten,

Subsidiair:

V. voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat een oordeel over de aansprakelijkheid in dit stadium (nog) niet kan worden gegeven, veroordeling van MediRisk en de kliniek tot betaling van een voorschot onder algemene titel van € 30.000,-,

in alle gevallen met begroting van de kosten van dit deelgeschil en met veroordeling van MediRisk en de kliniek tot betaling daarvan.

4.2.

Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd.

Tijdens de mondelinge behandeling is het duidelijk geworden dat [verzoeker] in deze procedure de kliniek concreet de volgende twee verwijten maakt:

1. Het “informed consent” met betrekking tot de bij [verzoeker] verrichte verticale incisie bij de buikwandcorrectie ontbreekt.

2. Er is onvoldoende huidweefsel onder de armen weggehaald.

Ter onderbouwing heeft [verzoeker] hierbij verwezen naar twee rapporten van haar Medisch Adviseur dr. [B] , die als bedrijfsarts/verzekeringsarts werkzaam is bij LechnerConsult.

4.3.

MediRisk c.s. verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe onder meer aan dat in het deelgeschil de aansprakelijkheid niet kan worden vastgesteld. Eerst moet nader medisch advies met betrekking tot het handelen van de kliniek worden ingewonnen. Het had daarom volgens MediRisk c.s. op de weg van [verzoeker] gelegen om niet deze deelgeschilprocedure, maar een procedure tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht te volgen. Op dat punt heeft MediRisk c.s. een tegenverzoek ingediend.

4.4.

Op de overige stellingen van partijen, zal de rechtbank waar nodig hierna nader ingaan.

5De beoordeling van het verzoek van [verzoeker]

Het juridisch kader voor een deelgeschil:

5.1.

Het verzoek van [verzoeker] is een verzoek in deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv.

5.2.

De deelgeschilprocedure is bedoeld om partijen die met elkaar in onderhandeling zijn over de afwikkeling van een letselschade, en daarbij in een impasse raken omdat zij het over een bepaalde kwestie niet eens kunnen worden, te helpen om – met een deelbeslissing van de rechter over die kwestie – de onderhandelingen weer te kunnen voortzetten. Dat veronderstelt dus dat partijen in enige mate met elkaar in onderhandeling zijn.

De inhoudelijke beoordeling:

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak de vraag naar de aansprakelijkheid in een deelgeschilprocedure beantwoord kán worden. Het moet dan wel gaan om zaken, waarin de aansprakelijkheid op basis van het voorliggende dossier kan worden beoordeeld en vastgesteld, dus zonder uitgebreide nadere bewijslevering of een onderzoek door deskundigen. Dat laatste is in deze zaak niet het geval. Voor de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag is naar het oordeel van de rechtbank namelijk een onderzoek door een medisch deskundige noodzakelijk. Partijen verschillen wezenlijk van mening over de vraag of de kliniek (meer specifiek, dr. [A] ) medisch verwijtbaar heeft gehandeld. MediRisk c.s. heeft de summier onderbouwde stellingen van [verzoeker] op dat punt gemotiveerd betwist. Bij die stand van zaken is het noodzakelijk om een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen om te kunnen beoordelen of de kliniek (dr. [A] ) rond de behandeling van [verzoeker] heeft gehandeld volgens de professionele standaard.

5.4.

MediRisk heeft in het voortraject (in haar brief van 9 januari 2026) aan [verzoeker] voorgesteld om een gezamenlijke medische expertise op te starten, waarbij beide partijen 50% van de kosten van de deskundige betalen. [verzoeker] heeft daar om financiële redenen niet mee ingestemd. Nadat [verzoeker] aan MediRisk heeft meegedeeld dat zij een deelgeschil aanhangig wil maken, heeft MediRisk (in haar e-mail van 5 februari 2026) [verzoeker] er ook nog uitdrukkelijk op gewezen dat het opstarten van een deelgeschil (in haar ogen) niet de juiste route is, omdat een rechter over de medische kwestie geen oordeel kan geven en daarvoor een deskundige zal moeten benaderen, waarvoor in de deelgeschilprocedure geen ruimte is. MediRisk schrijft daarbij aan [verzoeker] dat het daarom voor de hand ligt dat zij een voorlopig deskundigenbericht opstart maar liever nog dat zij met MediRisk in overleg treedt over de benoeming van een deskundige buiten rechte. MediRisk herhaalt haar aanbod om samen een medische expertise op te starten waarbij ieder van partijen 50% van de kosten betaalt. [verzoeker] is hier niet op ingegaan.

5.5.

Zonder een nader onafhankelijke deskundigenadvies kan de rechtbank de aansprakelijkheid van de kliniek niet beoordelen. Met MediRisk c.s. is de rechtbank daarom van oordeel dat [verzoeker] niet een deelgeschil had moeten starten, maar een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht had moeten indienen (dan wel in onderling overleg met MediRisk c.s. een gezamenlijke expertise moeten laten uitvoeren).

5.6.

Omdat de rechtbank de aansprakelijkheid van de kliniek in dit deelgeschil niet kan beoordelen en dus die aansprakelijkheid ook niet kan vaststellen, is er geen grond voor toewijzing van het eveneens door [verzoeker] verzochte voorschot van € 20.000,-. Ook voor de verzochte vergoeding van de buitengerechtelijke kosten is dan geen grond. Daar komt bij dat gelet op de aansprakelijkheidsdiscussie partijen over de schade (waaronder de buitengerechtelijke kosten) nog niet hebben onderhandeld, zodat op deze specifieke punten geen impasse is tussen partij. Het verzoek is op deze punten prematuur.

De primaire verzoeken onder I, II en III zullen daarom worden afgewezen.

5.7.

Ook het subsidiair verzoek van [verzoeker] (onder IV) zal worden afgewezen. De aansprakelijkheid van de kliniek staat nog niet vast, dus is er (nog) geen grond voor het toewijzen van een voorschot.

De kosten van het deelgeschil

5.8.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt in beginsel ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval sprake. De uitkomst van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoeker] lag naar het oordeel van de rechtbank zó voor de hand, dat het indienen van dat verzoek als volstrekt onterecht moet worden aangemerkt. [verzoeker] had er rekening mee moeten houden dat MediRisk c.s. zich ook in de deelgeschilprocedure op het standpunt zou stellen dat zonder nader medisch (deskundigen-) onderzoek de aansprakelijkheidsvraag nog niet beantwoord kan worden. [verzoeker] had ook moeten voorzien dat de rechtbank dit standpunt van MediRisk c.s. zou volgen. MediRisk c.s. heeft [verzoeker] bovendien op dit procesrisico gewezen.

De rechtbank zal daarom de kosten niet begroten.

5.9.

De rechtbank zal de verzoeken van [verzoeker] allemaal afwijzen en merkt daarbij op dat in zoverre deze beschikking als eindbeschikking moet worden beschouwd.

6Het tegenverzoek van MediRisk c.s. en de beoordeling ervan

6.1.

MediRisk c.s. heeft in haar verweerschrift de rechtbank verzocht om een onderzoek door een deskundige te bevelen. Zij stelt daarbij voor om dr. [C] , verbonden aan UMC-Utrecht, als deskundige te benoemen.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat MediRisk c.s. in haar tegenverzoek kan worden ontvangen. Op grond van artikel 282 lid 4 BW mag een verweerschrift immers een zelfstandig tegenverzoek bevatten, mits dat betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. Dat laatste is hier het geval.

6.3.

Op de zitting heeft [verzoeker] verzocht om in reactie op het tegenverzoek een verweerschrift te mogen indienen. MediRisk c.s. heeft daar geen bezwaar tegen. De rechtbank zal [verzoeker] die mogelijkheid daarom bieden. Met partijen is afgesproken dat [verzoeker] uiterlijk 1 oktober 2026 een verweerschrift indient.

6.4.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen proberen in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden en over de vraagstelling.

6.5.

Iedere verdere beslissing in dit tegenverzoek zal worden aangehouden. Rechtbank Oost-Brabant 3 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6658

↑