RBROT 130126 delay bij virale meningo-encefalitis; onderzoek huisarts t.z.v. aansprakelijkheid, neuro- en neuropsychologisch onderzoek t.z.v. gevolgen (IWMD oud)
RBROT 130126 delay bij virale meningo-encefalitis; onderzoek huisarts t.z.v. aansprakelijkheid, neuro- en neuropsychologisch onderzoek t.z.v. gevolgen (IWMD oud)
2De feiten
2.1.
[verzoeker] is op 4 maart 2023 en op 6 maart 2023 als patiënt behandeld bij [verweerder] vanwege onder meer hoofdpijnklachten, duizeligheid en visusklachten. De klachten waren op 6 maart 2023 toegenomen ten opzichte van 4 maart 2023. [verzoeker] is op beide dagen niet doorverwezen naar een neuroloog.
2.2.
Op 7 maart 2023 heeft de partner van [verzoeker] telefonisch de klachten van [verzoeker] voorgelegd aan de eigen huisarts van [verzoeker] (huisartsenteam [huisartsenpraktijk X] ). De eigen huisarts heeft [verzoeker] toen niet gezien en ook niet doorverwezen.
2.3.
Op 8 maart 2023 is [verzoeker] wel gezien door de eigen huisarts en toen voor een spoedbeoordeling doorgestuurd naar de afdeling neurologie van het Erasmus MC. Daar is [verzoeker] op 9 maart 2023 opgenomen en is na verschillende onderzoeken de diagnose virale meningo-encefalitis gesteld.
2.4.
[verzoeker] kampt sindsdien met cognitieve beperkingen, lichtschuwheid, vermoeidheid, evenwichts- en balansproblemen. Op 4 februari 2025 heeft hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend gekregen.
3Het geschil
3.1.
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de zorgverleners van [verweerder] die bij zijn behandeling betrokken zijn geweest toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst, althans onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Dit betreft volgens [verzoeker] zowel het handelen op 4 maart 2023 als het handelen op 6 maart 2023. [verzoeker] stelt dat sprake is van een verwijtbaar delay van minimaal vijf dagen bij het stellen van de diagnose virale meningo-encefalitis. Door dat delay heeft hij schade geleden.
3.2.
De verzekeraar van [verweerder] , [verzekeraar Y] , heeft namens haar aansprakelijkheid erkend voor het niet op 6 maart 2023 verwijzen naar de neuroloog door [verweerder] . Zij betwist echter dat sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen op 4 maart 2023. Ook betwist zij dat sprake zou zijn van een delay van minimaal vijf dagen bij het stellen van de diagnose.
3.3.
Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of [verweerder] bij de beoordeling van [verzoeker] op 4 maart 2023 onzorgvuldig heeft gehandeld. [verzoeker] wil dat een deskundige onderzoek doet naar die vraag. [verzoeker] wil verder dat een neuroloog en een neuropsycholoog tot deskundige worden benoemd om de gevolgen van het handelen van Huisartsenpost Rijnmond op 4 en 6 maart 2023 vast te stellen. Huisartsenpost Rijnmond wil in het deskundigenonderzoek ook het handelen van de eigen huisarts van [verzoeker] op
7 maart 2023 betrekken.
4Het verzoek en het verweer
4.1.
[verzoeker] verzoekt – verkort weergegeven – om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
een voorlopig deskundigenbericht naar het huisartsgeneeskundig handelen te gelasten met benoeming van prof. dr. H.J. Schers, ter beantwoording van in het verzoekschrift genoemde vragen;
een voorlopig deskundigenbericht naar de neurologische gevolgen van het delay te gelasten met benoeming van prof. dr. L.J. Kappelle, neuroloog, en
dr. C. Ruis, neuropsycholoog, ter beantwoording van in het verzoekschrift genoemde vragen;te bepalen dat [verzoeker] het procesdossier met producties in afschrift aan de deskundigen moet sturen;
te bepalen dat de kosten van het deskundigenbericht voor zover dit is gericht op het handelen van [verweerder] op 4 maart 2023 in gelijke delen (50/50) over partijen moeten worden verdeeld;
te bepalen dat de kosten van het deskundigenbericht voor zover dit is gericht op de neurologische en neuropsychologische gevolgen van het handelen van [verweerder] voor rekening van [verzekeraar Y] behoren te komen.
4.2.
[verweerder] heeft geen bezwaar tegen het laten plaatsvinden van deskundigenonderzoek door een huisartsgeneeskundige, een neuroloog en een neuropsycholoog. Ook stemt zij in met de door [verzoeker] voorgestelde deskundigen. Met betrekking tot de vragen van [verzoeker] stelt zij vooral voor om deze op enkele punten aan te vullen. Hetgeen partijen in dat kader hebben aangevoerd, komt bij de beoordeling aan de orde.
5De beoordeling
Voorlopig deskundigenbericht
5.1.
Een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht moet in beginsel worden toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is dat de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is, onvoldoende belang bij het voorlopig deskundigenbericht bestaat, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopige deskundigenbericht (artikel 196 lid 2 Rv).
5.2.
Nu niet is gebleken dat sprake is van een van voornoemde afwijzingsgronden en [verweerder] instemt met het laten plaatsvinden van onderzoeken door de door [verzoeker] voorgestelde deskundigen, zal de rechtbank de verzoeken tot benoeming van deze deskundigen toewijzen, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen.
5.3.
Dr. C. Ruis heeft te kennen gegeven niet in de gelegenheid te zijn om het neuropsychologisch hulponderzoek te verrichten. De rechtbank zal dit onderzoek in deze beschikking wel gelasten, maar in een later stadium in een separate beschikking de persoon van de deskundige benoemen.
Vragenlijsten
5.4.
[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift twee vragenlijsten opgenomen: één voor het huisartsgeneeskundige onderzoek en één voor het neuro(psycho)logische onderzoek. Beide vragenlijsten worden hieronder afzonderlijk behandeld.
Huisartsgeneeskundig onderzoek
5.5.
[verweerder] stemt in met de door [verzoeker] voorgestelde vraagstelling aan prof. Schers met dien verstande dat deze de vragen dient te beantwoorden voor zowel de behandeling op 4 maart 2023 als voor de behandeling op 7 maart 2023 bij de eigen huisarts zodat een volledig beeld van de aan [verzoeker] verleende huisartsgeneeskundige zorg wordt geschetst. Volgens [verweerder] kan immers ook de beslissing van de eigen huisarts op 7 maart 2023 om [verzoeker] niet te zien en niet door te verwijzen gevolgen hebben gehad voor het door [verzoeker] gestelde delay in het stellen van de diagnose.
5.6.
[verzoeker] is het er niet mee eens om het handelen van de eigen huisarts op 7 maart 2023 voor te leggen aan de deskundige. Hij voert daartoe aan dat die huisarts dan mogelijk gebonden is aan een onderzoeksrapport waar deze zich niet over heeft kunnen uitlaten. Daarnaast wijst hij erop dat, als de medische fout op 6 maart 2023 niet was gemaakt, de eigen huisarts op 7 maart 2023 überhaupt geen fout had kunnen maken.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de eigen huisarts op 7 maart 2023 niet in de vraagstelling aan de huisartsgeneeskundige moet worden betrokken. Voor de vraag of [verweerder] op 4 maart 2023 onzorgvuldig heeft gehandeld is het handelen door de eigen huisarts op 7 maart 2023 niet relevant, [verweerder] heeft dat althans onvoldoende onderbouwd. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de eigen huisarts geen partij is in de onderhavige procedure en dat het ook uit een oogpunt daarvan niet juist is als zijn handelwijze in een beoordeling door in deze procedure benoemde deskundigen zou worden betrokken. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat partijen zijn overeengekomen dat [verzoeker] de helft van de kosten van het huisartsgeneeskundig onderzoek draagt en hij niet hoeft mee te betalen aan een onderzoek waar hij niet achter staat.
5.8.
De conclusie is dat de vraagstelling zoals door [verzoeker] voorgesteld zal worden voorgelegd aan de huisartsgeneeskundig deskundige om het handelen van (de huisarts van) Huisartsenpost [huisartsenpraktijk Z] op 4 maart 2023 te beoordelen.
Neurologisch en neuropsychologisch onderzoek
5.9.
Met het neurologisch en neuropsychologisch onderzoek wordt beoogd de gevolgen van het handelen van [verweerder] in kaart te brengen. De door [verzoeker] voorgestelde vraagstelling voor dit onderzoek stemt in grote mate overeen met de IWMD-vraagstelling. [verweerder] heeft aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben, maar meent (i) dat in aanvulling op de vragen aan de neuroloog gevraagd moet worden wanneer de diagnose virale meningo-encefalitis precies is gesteld, (ii) dat de toelichting op de (IWMD-)vraagstelling moet worden toegevoegd, en (iii) dat een duidelijk(er) onderscheid moet worden gemaakt over de gevolgen van het handelen van 4, 6 en 7 maart 2023 zodat geen twijfel kan bestaan over wanneer het delay startte.
5.10.
Over het toevoegen van de vraag wanneer de diagnose virale meningo-encefalitis precies is gesteld zijn partijen het eens. Die vraag zal daarom als eerste vraag worden toegevoegd aan de vraagstelling.
5.11.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] geen bezwaar heeft geuit tegen het toevoegen van de algemene toelichting en de aanbevelingen uit de IWMD-vraagstelling. Die zullen dan ook worden toegevoegd aan de vragen voor zover de door [verzoeker] voorgestelde vragen overeenstemmen met vragen uit de IWMD-vraagstelling.
5.12.
[verweerder] stemt in met de meeste vragen die door [verzoeker] zijn voorgesteld, om te beginnen met de vragen 1a t/m 1l. Zij stelt ten aanzien van de vragen 2a en 2c een andere formulering voor, vooral omdat naar haar mening ook de gevolgen van het handelen van de eigen huisarts op 7 maart 2023 in kaart dienen te worden gebracht. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
5.13.
Hiervoor onder 5.7 is al overwogen dat aan de huisartsgeneeskundig deskundige niet gevraagd zal worden het handelen van de eigen huisarts op 7 maart 2023 te beoordelen. Voor de vaststelling van de gevolgen van het handelen van de huisartsen van [verweerder] moet de situatie die zou zijn ontstaan als [verzoeker] op 6 maart of al op 4 maart 2023 zou zijn doorverwezen worden vergeleken met de feitelijke situatie zoals die door de daadwerkelijke handelingen en gebeurtenissen is ontstaan. Het is daarvoor niet vereist dat ook wordt nagegaan welke situatie zou zijn ontstaan als de eigen huisarts op 7 maart 2023 anders gehandeld zou hebben dan hij heeft gedaan. In de relatie tussen [verzoeker] en [verweerder] is namelijk niet relevant of de eigen huisarts mogelijk anders zou hebben moeten handelen en dus ook niet welke situatie zou zijn ontstaan als deze huisarts daadwerkelijk anders zou hebben gehandeld. De door [verweerder] voorgestelde aanvulling op de door [verzoeker] voorgestelde vragen aan de neuroloog en neuropsycholoog zal dan ook niet worden overgenomen. De rechtbank zal de vragen 2a en 2c van [verzoeker] daarom handhaven. Ook worden de vragen 2b en 2d t/m 2i, waarmee [verweerder] kan instemmen, gehandhaafd.
5.14.
[verweerder] heeft met betrekking tot de door [verzoeker] voorgestelde vraag 3 voorgesteld om deze vraag geheel te laten vervallen, omdat het huisartsgeneeskundig onderzoek – dat voorafgaat aan het onderzoek door de neuroloog en neuropsycholoog – dan al uitsluitsel zal hebben gegeven over de vraag of op 4 maart 2023 onzorgvuldig is gehandeld en omdat de vraag leidt tot het stellen van dubbele vragen. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
5.15.
Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat de vragen onder 3.1 slechts relevant zijn wanneer komt vast te staan dat [verweerder] onzorgvuldig heeft gehandeld op 4 maart 2023. Als dat niet komt vast te staan, kunnen deze vragen worden overgeslagen. De rechtbank acht het echter raadzaam om de vragen in afwachting van het onderzoek aan de huisartsgeneeskundig deskundige vooralsnog in de vraagstelling te laten staan. Daarnaast hoeft het stellen van dubbele vragen aan een deskundige ook niet per definitie een bezwaar te zijn. De deskundige kan immers bij een antwoord eventueel simpelweg verwijzen naar het antwoord op een eerdere vraag. De rechtbank zal de vragen zoals door [verzoeker] voorgesteld dan ook ter beantwoording aan de deskundigen voorleggen en daarin geen wijzigingen aanbrengen. Voor zover [verweerder] heeft voorgesteld om in vraag 3 ook een vraag naar de gevolgen van het handelen van de eigen huisarts op 7 maart 2023 te stellen, wordt dat voorstel niet gevolgd. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen zij onder 5.13 daarover al heeft overwogen.
Voorschotten
5.16.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de begrotingen van de deskundigen. Prof. Schers heeft de kosten van zijn werkzaamheden als huisartsgeneeskundige begroot op € 1.815,00 inclusief btw. Prof. dr. Kappelle heeft de kosten van zijn werkzaamheden als neuroloog begroot op € 9.655,80 inclusief btw. Partijen hebben geen bezwaar geuit tegen beide begrotingen. De te betalen voorschotten worden op deze begrote bedragen vastgesteld.
5.17.
Partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] de kosten van de neuro(psycho)loog vergoedt en dat de kosten van de huisartsgeneeskundige gelijk over partijen wordt verdeeld.
Overige verplichtingen van partijen
5.18.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan de onderzoeken door de deskundigen. De rechtbank zal deze en andere verplichtingen uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
5.19.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
6De beslissing
De rechtbank
inzake het huisartsgeneeskundig deskundigenbericht
6.1.
benoemt tot deskundige:
prof. dr. H.J. Schers, hoogleraar faculteit der medische wetenschappen (Radboud UMC)
[adres 1]
[postcode 1] [woonplaats 2]
6.2.
draagt de deskundige op om de volgende vragen te beantwoorden:
1. Vragen vooraf
a. Kent u of heeft u banden met de betrokken huisarts?
b. Voelt u zich volledig vrij om in deze kwestie te rapporteren?
2. Beschikt u over voldoende gegevens om over deze casus te rapporteren? Zo nee, wilt u dan laten weten welke gegevens u nog wenst te ontvangen?
3. Feitenrelaas
a. Wat zijn binnen uw vakgebied uw bevindingen van de opgenomen anamnese, het verrichte onderzoek op basis van het medisch dossier, eventueel aangevuld met door betrokkene aangeleverde (anamnestische) feiten?
b. Kunt u uit het dossier opmaken wat in casu de klachten waren op het moment dat betrokkene de huisartsenpost op 4 maart 2023 bezocht? Welk onderzoek werd verricht/aangevraagd en wat waren daarbij de bevindingen?
c. Welke diagnose/differentiaaldiagnose werd door de huisarts gesteld/bijgesteld?
d. Wat was hierop het beleid?
4. Anamnese en onderzoek
a. Kunt u, uitgaande van de ingangsklachten, voor ons beschrijven hoe anamnese, (lichamelijk) onderzoek conform de destijds van toepassing zijnde richtlijnen en professionele (NHG)standaarden diende te worden uitgevoerd?
b. Hoe oordeelt u over de door de huisarts afgenomen anamnese, het aanvullend onderzoek? Welke bijzonderheden vallen u hierbij op?
c. Is er m.b.t. anamnese en onderzoek conform de destijds van toepassing zjinde richtlijnen en professionele standaard(en) binnen uw vakgebied gehandeld? Graag uw antwoord toelichten.
5. Oordeel evaluatie en diagnostiek
a. Wat is uw evaluatie, dit op basis van de medische voorgeschiedenis, de gepresenteerde klachten, bevindingen bij onderzoek en het beloop, en uitgaande van de destijds van toepassing zijnde richtlijnen en professionele standaard(en) binnen uw vakgebied?
b. Aan welke (differentiaal)diagnose(s) kon op grond van de medische voorgeschiedenis, de gepresenteerde klachten, bevindingen en het beloop worden gedacht?
c. Is naar uw mening door de huisarts de juiste evaluatie gemaakt en de op dat moment passende (differentiaal)diagnose gesteld, en waren hierbij de differentiaaldiagnostische overwegingen/evaluaties steeds volledig en conform de destijds van toepassing zijnde richtlijnen en professionele standaard(en) binnen uw vakgebied? Kunt u uw antwoord toelichten?
6. Oordeel beleid
a. Kunt u uiteenzetten waaruit het te volgen beleid diende te bestaan, dit tegen de achtergrond van uw beantwoording van vraag 3 en de destijds van toepassing zijnde richtlijnen en professionele standaarden?
b. Was het feitelijk uitgevoerde beleid conform de destijds van toepassing zijnde richtlijnen en professionele standaarden? Is er naar uw mening steeds juist gereageerd op de klachten en verschijnselen welke optraden bij betrokkene en op het beloop hiervan? Graag uw antwoord toelichten.
c. Kunt u in het kader van de beoordeling van het beleid tevens ingaan op de noodzaak/wenselijkheid van aanvullende diagnostiek en noodzaak tot (spoed)verwijzing/specialistische consultatie?
inzake het neurologisch en neuropsychologisch deskundigenbericht
6.3.
benoemt tot deskundige:
prof. dr. L.J. Kappelle, neuroloog verbonden aan het Neuro-Orthopedisch Centrum
[adres 2]
[postcode 2] [woonplaats 3]
6.4.
draagt de deskundige op om de volgende vragen te beantwoorden:
Voorvraag: wanneer is de diagnose virale meningo-encefalitis precies gesteld?
ALGEMENE TOELICHTING (IWMD)
Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).
Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.
Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR. Deze richtlijn is digitaal te raadplegen via www.nvmsr.nl, > publicaties). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.
1Het feitelijk beloop
Anamnese
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van de neurologische klachten en beperkingen, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de betrokkene aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?
Aanbeveling 2.2.4 RMSR:
De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als “betrokkene zou (…)” worden vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven.
Medische gegevens
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de betrokkene een beschrijving geven van:
- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;
- de medische behandeling van het letsel van de betrokkene en het resultaat daarvan.
Aanbeveling 2.2.6 RMSR:
Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten.
Medisch onderzoek
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en hulponderzoek?
In dit kader wordt verzocht om een neuropsychologisch hulponderzoek aan te vragen bij een nader te benoemen neuropsycholoog.
Aanbeveling 2.2.5 RMSR:
Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voor zover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden.
Aanbeveling 2.2.7 RMSR:
Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden.
Consistentie
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de betrokkene zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de betrokkene op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?
Aanbeveling 2.2.8 RMSR:
Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.
Diagnose
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?
Aanbeveling 2.2.15 RMSR:
Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven.
Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de betrokkene in de huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het delay? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Aanbeveling 2.2.17 RMSR:
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.
Aanbeveling 2.2.18 RMSR:
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).
Medische eindsituatie
h. Acht u de huidige toestand van de betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het delay mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?
Aanbeveling 2.2.14 RMSR:
Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.
l. Wilt u de mate van (lichamelijke of geestelijke functiestoornis (=impairment) op uw vakgebied als gevolg van het delay uitdrukken in een percentage van (arm/been/mens) ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene voor het delay?
Wilt u hierbij uitgaan van de 6e editie van de American Medical Association, the Guides to the Evaluation of Permanent Impairment, eventueel aangevuld met de Richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie?
Wilt u zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd?
2Medische voorgeschiedenis (IWMD: De situatie zonder ongeval)
Aanbeveling 2.2.14 RMSR:
Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.
Aanbeveling 2.2.16 RMSR:
Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval “toerekenen” of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden.
(IWMD: Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval)
a. Bestonden er in de medische voorgeschiedenis van betrokkene voorafgaande aan de consulten op de huisartsenpost op 4 en 6 maart 2023 reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die betrokkene thans nog steeds heeft?
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Aanbeveling 2.2.17 RMSR:
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.
Aanbeveling 2.2.18 RMSR:
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).
(IWMD: Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval)
c. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment hadden kunnen ontstaan indien betrokkene op 4 maart 2023 zou zijn doorverwezen naar de neuroloog? Wilt u uw antwoord toelichten?
d. Zo ja (dus zonder delay ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-delaygerelateerde klachten en afwijkingen?
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?
Aanbeveling 2.2.17 RMSR:
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.
Aanbeveling 2.2.18 RMSR:
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).
3Hypothetische scenario’s
Aan u wordt gevraagd hoe het ziektebeloop naar alle waarschijnlijkheid zou zijn geweest in een tweetal hypothetische medische scenario’s welke zien op de consulten op 4 maart en 6 maart.
3.1
Aangaande het consult op 4 maart 2023
Deze vraag betreft geen oordeel over de juistheid van het handelen op 4 maart 2023, maar is louter bedoeld als een hypothetische vergelijking van medische scenario’s.
a. Indien op 4 maart 2023 overleg zou zijn geweest tussen huisarts en neuroloog: wat zou dan in uw discipline een gebruikelijke of verwachte reactie zijn geweest?
b. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, indien betrokkene op 4 maart 2023 zou zijn doorverwezen naar de neuroloog? Graag uw antwoord toelichten.
c. Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat een verwijzing op 4 maart 2023 ook aangewezen zou zijn geweest: wat zou dan het verschil in beloop zijn tussen verwijzing op 4 maart 2023 versus verwijzing op 6 maart 2023?
3.2
Aangaande het consult op 6 maart 2023
a. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, indien betrokkene op 6 maart 2023 zou zijn doorverwezen naar de neuroloog? Graag uw antwoord toelichten.
b. Zo ja (dus zonder delay ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
c. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
d. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-delaygerelateerde klachten en afwijkingen?
e. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
f. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
g. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?
6.5.
beveelt een neuropsychologisch hulponderzoek door een nader te benoemen deskundige ter beantwoording van vraag 1c,
de voorschotten
6.6.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de huisartsgeneeskundig deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.815,00 inclusief btw,
6.7.
bepaalt dat [verzoeker] en [verweerder] ieder een helft van het voorschot op de kosten van de huisartsgeneeskundig deskundige dienen over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
6.8.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de neuroloog vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 9.655,80 inclusief btw,
6.9.
bepaalt dat de nota voor het voorschot op de kosten van de neuroloog met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak eerst zal worden opgemaakt nadat partijen binnen twee weken na ontvangst van het definitieve huisartsgeneeskundige rapport de rechtbank hebben bericht dat zij hun verzoek ten aanzien van de uitvoering van dat deskundigenonderzoek handhaven,
6.10.
bepaalt dat [verweerder] het voorschot op de kosten van de neuroloog dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
6.11.
draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
de onderzoeken
6.12.
bepaalt dat [verzoeker] het procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen,
6.13.
bepaalt dat de deskundigen hun onderzoeken zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
6.14.
bepaalt dat eerst de huisartsgeneeskundig deskundige zal rapporteren, waarna de neuroloog en de neuropsycholoog zullen rapporteren met kennisneming van het rapport van de huisartsgeneeskundig deskundige,
6.15.
wijst de deskundigen er op dat:
-
de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);
-
de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen;
-
de deskundigen de rechtbank en partijen dienen te informeren over mogelijke beperkingen die voortvloeien uit de vraagstelling of de beschikbare gegevens en die kunnen afdoen aan de bruikbaarheid van het deskundigenbericht voor de uiteindelijk door de rechtbank te nemen beslissing;
-
de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
6.16.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien deze daarom verzoeken en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van de onderzoeken,
het schriftelijk rapport
6.17.
draagt de huisartsgeneeskundig deskundige op om uiterlijk vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
6.18.
draagt de neuroloog en de neuropsycholoog op om na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot en uiterlijk vier maanden na ontvangst van het rapport van de huisartsgeneeskundig deskundige een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
6.19.
wijst de deskundigen erop dat:
-
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd;
-
de deskundigen [verzoeker] in de gelegenheid moeten stellen om gebruik te maken van zijn inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien [verzoeker] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [verzoeker] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moeten toesturen en [verzoeker] daarbij een termijn van twee weken moeten bieden om aan te geven of hij gebruik wil maken van zijn blokkeringsrecht (waarbij [verzoeker] zich van commentaar op het concept moet onthouden);
-
indien [verzoeker] binnen die termijn meedeelt gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht, de deskundigen de werkzaamheden onmiddellijk moeten staken en dit aan de rechtbank moeten mededelen;
-
indien [verzoeker] geen gebruik maakt van hun inzage- of blokkeringsrecht, de deskundigen het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moeten toezenden;
6.20.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het conceptrapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het conceptrapport te reageren,
6.21.
bepaalt dat de deskundigen in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie daarop moet vermelden. Rechtbank Rotterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2951
