RBDHA 110424 terugvordering betaling door wbf toegewezen, reconventionele vordering op Wbf misbruik van recht; veroordeling tot werkelijke proceskosten
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 110424 terugvordering betaling door wbf toegewezen, reconventionele vordering op Wbf misbruik van recht; veroordeling tot werkelijke proceskosten
2Feiten
2.1.
Op 21 april 2022 heeft de rechtbank Den Haag het Waarborgfonds bij verstek veroordeeld om aan [partij B] betalen een bedrag van € 19.168,59, vermeerderd met de wettelijke rente over € 18.211,48 vanaf 17 juli 2020 tot de dag der voldoening, met veroordeling van het Waarborgfonds in de proceskosten.
2.2.
Het Waarborgfonds is op 15 juni 2022 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis van 21 april 2022.
2.3.
Nadat door [partij B] executoriaal beslag onder de bank van het Waarborgfonds is gelegd heeft het Waarborgfonds op 22 juni 2022 een bedrag van € 21.395,34 aan de executerende deurwaarder voldaan.
2.4.
In de verzetprocedure is het Waarborgfonds bij vonnis van 9 maart 2023 in het gelijk gesteld en is het verstekvonnis van 21 april 2022 vernietigd. De oorspronkelijke vordering van [partij B] is afgewezen.
3Vordering, grondslag en verweer
in conventie
3.1.
Het Waarborgfonds vordert, na eisvermeerdering, veroordeling van [partij B] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan het Waarborgfonds te betalen een bedrag van € 22.713,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 22.024,89 vanaf 8 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [partij B] in de werkelijke kosten van deze procedure.
3.2.
Het Waarborgfonds legt aan deze vordering het navolgende ten grondslag. Uit het vonnis van 9 mei 2023 volgt dat [partij B] jegens het Waarborgfonds geen enkel recht op betaling heeft. Het Waarborgfonds heeft dan ook aan [partij B] onverschuldigd een bedrag van
€ 21.395,34 betaald. Dit bedrag dient [partij B] terug te betalen. Omdat het Waarborgfonds in de verzetprocedure heeft nagelaten om dit bedrag terug te vorderen vordert het Waarborgfonds in deze procedure alsnog terugbetaling. Daarnaast is [partij B] wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
3.3.
[partij B] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.
in reconventie
3.4.
[partij B] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [partij B] tegen het Waarborgfonds een recht op een
schadevergoeding geldend kon maken van € 17.207,18, naar aanleiding van het schade-incident van 26 juni 2020 met betrekking tot de Maserati;
II. voor recht te verklaren dat het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de door [partij B]
gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van € 1.004,30 met betrekking tot voornoemd schade-incident;
III. voor recht te verklaren dat het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de door [partij B]
gemaakte kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte van € 957,11.
3.5.
[partij B] legt aan deze vordering het navolgende ten grondslag. Op grond van artikel 25 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) heeft [partij B] aanspraak op een schadevergoeding van het Waarborgfonds. Uit het rapport van [naam 2] blijkt dat de schade naar aanleiding van de aanrijding tegen de Maserati € 17.207,18 bedraagt. Verder heeft [partij B] kosten moeten maken voor het inschakelen van deskundigen. Ook deze kosten moeten door het Waarborgfonds worden vergoed.
3.6.
Het Waarborgfonds heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.
4Beoordeling
4.1.
Gelet op hun onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie hierna gezamenlijk worden beoordeeld.
Gezag van gewijsde
4.2.
De centrale vraag die ter beoordeling voorligt is of er een rechtsgrond bestaat voor de betaling die het Waarborgfonds op 22 juni 2022 aan [partij B] heeft verricht. In dat kader wijst het Waarborgfonds terecht op het feit dat de vordering van [partij B] , die eerder bij verstek was toegewezen, in de verzetprocedure alsnog is afgewezen. Kort gezegd oordeelde de kantonrechter in de verzetprocedure dat [partij B] de door hem gestelde toedracht van het ontstaan van de door hem gestelde schade onvoldoende heeft onderbouwd. Door [partij B] is geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 9 maart 2023 in de verzetprocedure is gewezen.
4.3.
Artikel 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben.
4.4.
Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen.
4.5.
[partij B] meent dat, ondanks het in de verzetprocedure gewezen vonnis, niet onherroepelijk is komen vast te staan of [partij B] tegen het Waarborgfonds al dan niet een recht op een schadevergoeding geldend kon maken. Volgens [partij B] is doorslaggevend dat hij in de verstekprocedure een condemnatoir vordering had ingesteld, terwijl hij in de onderhavige procedure een declaratoire vordering heeft ingesteld. De kantonrechter volgt [partij B] niet in dit standpunt. Zoals reeds onder 4.4. overwogen kan een partij zich beroepen op het gezag van gewijsde zodra over een geschilpunt tussen partijen reeds in een eerder geding is beslist. Met het Waarborgfonds is de kantonrechter van oordeel dat in deze procedure hetzelfde geschilpunt centraal staat als in de verstekprocedure. In beide zaken staat immers centraal of [partij B] het Waarborgfonds met succes kan aanspreken voor een vergoeding van de door hem gestelde geleden schade aan zijn auto. Dat [partij B] nu, zoals hij aanvoert, een andersoortige vordering instelt, betekent niet dat het gezag van gewijsde niet kan worden ingeroepen, aangezien deze vordering immers is gebaseerd op dezelfde grondslag als in de verstekprocedure.
4.6.
Verder voert [partij B] aan dat de dragende overwegingen in het verstekvonnis niet eenduidig zijn. Volgens [partij B] , zo begrijpt de kantonrechter, blijkt uit het verzetvonnis onvoldoende of in die procedure ook een oordeel is geveld over het door [partij B] gestelde voorval. Uit het verstekvonnis volgt echter duidelijk dat de kantonrechter van oordeel was dat [partij B] de door hem gestelde toedracht van het ontstaan van de door hem gestelde schade aan zijn auto onvoldoende heeft onderbouwd. Indien [partij B] zich niet kon vinden in het gewezen vonnis in de verzetprocedure, dan had het op zijn weg gelegen om hiertegen in hoger beroep te gaan. Dat heeft [partij B] niet gedaan.
4.7.
De conclusie is dat het beroep op het gezag van gewijsde slaagt. Dit betekent dat de beslissing zoals deze in het eerdere geding is genomen, namelijk het afwijzen van de vordering van [partij B] , in het onderhavige geding bindende kracht heeft. Door [partij B] zijn geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou moeten blijken dat er een rechtsgrond bestond voor de door het Waarborgfonds aan [partij B] verrichte betaling. Om die reden komt vast te staan dat het Waarborgfonds zonder rechtsgrond aan [partij B] heeft betaald, zodat zij op grond van artikel 6:203 lid 1 BW gerechtigd is dit bedrag als onverschuldigd betaald terug te vorderen. De door het Waarborgfonds gevorderde hoofdsom van € 21.395,34 zal dan ook worden toegewezen.
4.8.
De wettelijke rente over de hoofdsom wordt als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen.
4.9.
Hiervoor is reeds overwogen dat over de feiten die aan de reconventionele vordering ten grondslag liggen al in het verstekvonnis een oordeel is geveld. Het is niet mogelijk om vervolgens dezelfde feiten door opnieuw ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. [partij B] wordt dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn reconventionele vordering.
Proceskosten
4.10.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [partij B] zowel in conventie als in reconventie worden veroordeeld in de proceskosten van het Waarborgfonds.
4.11.
Het Waarborgfonds vordert zowel in conventie als in reconventie vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. In dat kader stelt het Waarborgfonds dat [partij B] door het voeren van verweer in conventie en door het instellen van een reconventionele vordering misbruik maakt van recht. [partij B] betwist dat er een aanleiding is om hem te veroordelen in de werkelijke proceskosten van het Waarborgfonds.
4.12.
De kantonrechter overweegt als volgt. Met het Waarborgfonds is de kantonrechter van oordeel dat [partij B] uit het vonnis in de verzetprocedure had kunnen afleiden dat hij zonder rechtsgrond van het Waarborgfonds een betaling heeft ontvangen. Als hij dit bedrag had terugbetaald dan was de onderhavige procedure niet nodig geweest. Anders dan het Waarborgfonds meent, betekent dit echter nog niet dat het [partij B] niet is toegestaan om in deze procedure verweer te voeren, of dat hij dan misbruik zou maken van recht. Ten aanzien van de procedure in conventie bestaat dan ook geen grond om [partij B] te veroordelen in de werkelijke proceskosten van het Waarborgfonds. De gevorderde vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de procedure in conventie wordt dan ook afgewezen.
4.13.
Dat is echter anders in het geval van de proceskosten voor de procedure in reconventie. Aangezien het verstekvonnis in kracht van gewijsde is gegaan had [partij B] al op voorhand kunnen en moeten weten dat een tegenvordering geen kans van slagen zou hebben. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt [partij B] misbruik van recht door het instellen van een reconventionele vordering waarvan hij op voorhand had moeten weten dat deze kansloos zou zijn. Om die reden wordt [partij B] in reconventie veroordeeld in de werkelijke proceskosten van het Waarborgfonds.
4.14.
In conventie wordt [partij B] in de volgende proceskosten veroordeeld:
Griffierecht € 1.384,-
Dagvaardingskosten € 130,49
Salaris € 543,- (1 salarispunt)
Nakosten € 135,-
Totaal € 2.192,49
4.15.
In reconventie wordt [partij B] veroordeeld in de werkelijke proceskosten. De kantonrechter ziet aanleiding om de werkelijke proceskosten te begroten op de helft van het totale bedrag dat het Waarborgfonds aan proceskosten heeft begroot. Dit betekent dat in reconventie een bedrag van € 2.994,75 (50% van € 5.989,50) aan proceskosten wordt toegewezen. Rechtbank Den Haag 11 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:24009
