Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 120826 53 km/u rijden in parkeergarage is bewust roekeloos, onjuist verklaren leidt tot interne en externe registratie en veroordeling in onderzoekskosten

RBGEL 120826 53 km/u rijden in parkeergarage is bewust roekeloos, onjuist verklaren leidt tot interne en externe registratie en veroordeling in onderzoekskosten

2De feiten

2.1.

[de eiser] heeft voor zijn eenmanszaak “ [bedrijf] ” als verzekeringnemer met ingang van 14 december 2023 een Zakelijke Autoverzekering (WA volledig casco) afgesloten voor zijn Audi A3 met kenteken [kentkennummer] (hierna: de auto) bij Centraal Beheer dat onderdeel is van Achmea (productie 1 van [de eiser] ).

2.2.

Achmea heeft op de verzekering van [de eiser] onder meer de Voorwaarden Zakelijke Autoverzekering 221-PV-31-ZPA-C en de Voorwaarden Aanrijding en Vandalisme 221-BV-33-ZPA-C van toepassing verklaard.

In artikel 9 van de Voorwaarden Aanrijding en Vandalisme 221-BV-33-ZPA-C is onder de vraag “Wanneer is schade niet verzekerd?” onder meer opgenomen:

Een verzekerde is roekeloos of heeft merkelijke schuld.

• Verzekerde doet iets.

- En hij weet dat de kans op schade groot is.

- Maar hij denkt dat de schade niet ontstaat.

• Verzekerde doet niets om schade te voorkomen.

- En hij had moeten weten dat de kans op schade groot is.

• Verzekerde doet te weinig om schade te voorkomen.

- En het is algemeen bekend dat dat te weinig is.

- En hij had moeten weten dat de kans op schade groot is.”

In artikel 25 van de Voorwaarden Zakelijke Autoverzekering 221-PV-31-ZPA-C is onder meer bepaald dat schade niet is verzekerd indien de verzekerde fraude pleegt en dat die fraude mag worden doorgegeven aan de andere merken van Achmea Schadeverzekeringen N.V. en mag worden geregistreerd waarbij is bepaald: “Alle verzekeraars in Nederland kunnen dit zien”. Onder Begrippen is opgenomen dat sprake is van fraude indien (onder meer) een verzekerde niet de waarheid vertelt of niet alles vertelt met de opzet om een (hogere) vergoeding van Achmea te krijgen.

2.3.

Op 22 februari 2024 heeft een aanrijding in de Brooklynparkeergarage te Almere plaatsgevonden (hierna: de aanrijding) doordat [de eiser] de macht over het stuur van zijn auto verloor en tegen een betonnen pilaar botste.

2.4.

De politie, die snel na de aanrijding ter plaatse was, heeft een proces-verbaal opgemaakt waarin over de toedracht van de aanrijding het volgende is opgenomen:

“Betrokkene reed met zijn voertuig [kentkennummer] , in de Brooklyn garage (…). Bij het naderen van de slagboom, gleed hij uit de bocht tegen een betonnen paal.

Grote Schade aan de voorzijde van het voertuig.

Het wegdek was erg glad en er leek olie te liggen op het wegdek, vlak voor de bocht richting de slagbomen.”

2.5.

[de eiser] heeft op 23 februari 2024 een schadeformulier ingevuld en bij Achmea melding gemaakt van de aanrijding en aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade. Op het schadeformulier (productie 2 van [de eiser] ) heeft [de eiser] onder meer het volgende ingevuld:

“(…)

14. Mijn opmerkingen: Er lag een laagje water maar achteraf gezien ook olie

politiemutatie aanwezig en ik heb foto’s gemaakt

(…)

Omstandigheden tijdens voorval Met welke snelheid werd gereden? 20/30 kmh

(…)

Werd valhelm/autogordel gedragen? Ja

Wegdek: droog/nat/sneeuw/hagel/ijzel*) nat

Aansprakelijkheid Wie is naar uw mening aansprakelijk? Waarom meent u dat?

De eigenaar van de parkeergarage omdat er olie en Diesel/Benzine op de weg lag.”

2.6.

Op 5 april 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] , mw. [werknemer Achmea 1] en dhr. [werknemer Achmea 2] , toedrachtonderzoekers van Achmea. [de eiser] heeft toen onder meer verklaard dat hij voorafgaand aan de aanrijding gevoelsmatig met een snelheid van 20, 25 of 30 km/uur reed maar het niet met zekerheid durft te zeggen.

2.7.

Achmea heeft naar aanleiding van de melding van [de eiser] een technisch onderzoek naar de auto laten doen door P-CVD (Post-Crash Voertuig Diagnose). P-CVD heeft de auto op 28 februari 2024 geïnspecteerd en de Event Data Recorder (EDR) van de auto uitgelezen.

2.8.

Bij brief van 29 april 2024 (productie 3 van Achmea) heeft Achmea [de eiser] geïnformeerd over het onderzoek naar de schadeclaim in verband met de aanrijding en een eerdere schadeclaim van [de eiser] in verband met diefstal. [de eiser] is erop gewezen dat het onderzoek zich onder meer richt op de mededelingsplicht, waaraan volgens informatie van Achmea niet is voldaan. [de eiser] is gewezen op de mogelijke gevolgen van de schending van de mededelingsplicht en uitgenodigd voor een tweede gesprek.

2.9.

Op 16 oktober 2024 is [de eiser] nogmaals geïnterviewd naar aanleiding van zijn claims. Het interview heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van [werknemer Achmea 1] en [werknemer Achmea 2] van Achmea en [werknemer HLPC 1] en [werknemer HLPC 2] , werkzaam bij HLPC Schade-expertise te Almere. Het interview is schriftelijk vastgelegd (productie 4 van Achmea). Over de aanrijding is in die vastlegging (op pagina 9) onder meer opgenomen dat [de eiser] het volgende heeft geantwoord op een vraag over de bevinding uit het technisch onderzoek dat hij 3,5 seconden voor de aanrijding 53 km/u reed bij een maximaal toegestane snelheid in de garage van 5 km/uur:

“Dat heb ik vorige keer ook al gezegd. Ik heb op het moment dat de auto zo gleed heb ik vol gas gegeven om te kijken of ie ergens grip pakt en uitbreekt. Ja en op het moment dat je gas geeft en er zit olie op je wielen ja dan ga je draaien en gaat je teller daardoor natuurlijk ook omhoog. Dat wil nog niet zeggen dat dat je snelheid is geweest.

(…)

(…) Ja weet je de afstand van de garage om uit te rijden is niet eens zolang dat je 53 km/uur kan behalen.

(… opmerking van [werknemer Achmea 2] dat dat wel de snelheid is die is geregistreerd, rb)

Ja, als ik plankgas geef en mijn wielen blijven spinnen, het is een RS3, dan klapt ie natuurlijk omhoog want de wielen kunnen gewoon vaart maken op dat olie. Maar dat wil nog niet zeggen dat dat de gereden snelheid is. U zegt dat dat de snelheid is die gehaald is en is uitgelezen, maar ik weet dat niet. Ik vind dat knap, ik heb mijn twijfels daarover.

(… uitleg van [werknemer Achmea 2] over dat die snelheid is uitgelezen en dat gezien is dat hij 03,5 seconden voor de aanrijding 53 km/u reed en dat er toen geen sprake was van spinnende wielen, dat ABS en stability control toen nog niet waren ingeschakeld en dat hij uiteindelijk met 23 km/u tegen de paal terecht is gekomen, rb)

Met 23 kilometer per uur? Nou dat denk ik niet. Ik denk niet dat je van 53 met zo’n glijpartij naar 23 kan. Anders had ik hem ook wel direct op zijn staart kunnen trappen en op nul kunnen zetten. Dus daar heb ik mijn twijfels over

(… uitleg van [werknemer Achmea 2] dat dit is wat uit het uitlezen blijkt, rb)

Wat wil dat zeggen dat het uitgelezen is? Ik heb ook mijn twijfels over dat hele onderzoek van Centraal Beheer. (…)

(… opmerking van [werknemer Achmea 2] dat [de eiser] zijn auto ook zelf kan laten uitlezen, rb)

Dat ga ik ook zeker doen. (…) wanneer wij op een punt komen dat wij moeten gaan procederen dan gaat dat ook zeker gebeuren.

(… uitleg van [werknemer Achmea 2] dat van 5 tot 3,5 seconden voor de aanrijding geen sprake is geweest van wielspin)

Jullie zijn in de garage geweest toch en u hebt de afstand gezien vanaf het moment dat je naar beneden rijdt en dan moet je nog de bocht maken naar links zeg maar om richting de uitgang te rijden. Jullie hebben de afstand gezien. Dan ben je het toch met mij eens dat je op die afstand nooit 53 km/uur kan halen. Vooral niet met een plas wat daar ligt en die olie. Ik weet dat ik een sportieve wagen he en ik ken mijn auto heel goed, maar dat ga je op dat stukje nooit redden. En als je een beetje goed bij je hoofd bent ga je dat ook niet proberen.

(…)”

2.10.

Op 29 november 2024 heeft P-CVD over het technisch onderzoek gerapporteerd (productie 3 van [de eiser] ).

2.11.

Bij e-mailbericht van 29 november 2024 heeft Achmea de uitkomsten van het toedrachtonderzoek met [de eiser] gedeeld en naar aanleiding van die uitkomsten [de eiser] verzocht te reageren op een aantal vragen (productie 5 van Achmea).

2.12.

Bij e-mailbericht van 3 december 2024 heeft [de eiser] gereageerd op de vragen van Achmea (productie 6 van Achmea). Hij heeft onder meer verklaard dat hij had aangegeven dat hij 20/30 km per uur had gereden omdat hij een eerlijk antwoord op de vraag gaf en iedereen in een garage met 20/30 km per uur rijdt, dat het een snelheid is die niks voorstelt en elke auto kan remmen als er geen olie of diesel op de grond ligt. [de eiser] heeft verder (onder meer) nogmaals verklaard dat hij in een glijpartij is beland door olie of diesel op de grond en dat hij gas heeft gegeven om te proberen grip te krijgen om niet te crashen.

2.13.

Op 14 december 2024 heeft mw [werknemer Achmea 1] van Team Toedrachtonderzoek Achmea een rapport Toedrachtonderzoek opgesteld over de aanrijding (productie 4 van [de eiser] ). Daarin is op basis van het schadeformulier, foto’s van [de eiser] , het technisch onderzoek door P-CDV en verklaringen van [de eiser] onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

2. Samenvatting

Uit het onderzoek blijkt dat de feiten en omstandigheden met betrekking tot het ontstaan van de aanrijding zoals gesteld door verzekeringnemer, niet overeenkomen met de uitkomsten van het technisch onderzoek. Verzekeringnemer stelt dat hij 20 a 30 km/uur reed in de parkeergarage. Uit technisch onderzoek blijkt dat de snelheid 03,5 seconden voor de aanrijding 53 km/uur bedroeg. In de parkeergarage geldt een maximum snelheid van 05km/uur. Verzekeringnemer reed tegen de rijrichting in.

(…)

7. Onderzoeksbevindingen

Na onderzoek is het volgende gebleken:

(…)

  • -

    De maximaal toegestane snelheid in de Brooklyngarage bedraagt 05km/uur

  • -

    Het wegdek in de Brooklyngarage was nat/vochtig op het moment van de aanrijding

  • -

    Verzekeringnemer droeg geen autogordel tijdens de aanrijding

  • -

    Verzekeringnemer reed tegen de verplichte rijrichting in

  • -

    De feiten en omstandigheden met betrekking tot de toedracht gesteld door verzekeringnemer komen niet overeen met de bevindingen uit het technisch onderzoek

  • -

    Verzekeringnemer stelt dat hij met een snelheid van 20-30km/uur reed. Uit technisch onderzoek blijkt dat snelheden van ongeveer 40-50km/uur zijn bereikt waarbij de hoogst geregistreerde snelheid 53km/uur bedroeg. Dit was op 03,5 seconden voor de crash.

  • -

    Verzekeringnemer stelt dat hij remde bij het naar links uitrijden omdat hij een lage auto heeft en het wegdek bij het uitrijden omhoog gaat. Hij wilde daarmee voorkomen dat zijn bumper het wegdek zou raken. Hij stelt dat bij dat remmen zijn auto begon te glijden waarna hij vol gas gaf om proberen grip te krijgen. Dit komt niet overeen met de technische bevindingen. Daaruit blijkt dat bij een snelheid van 49km/uur de gas los werd gelaten. Dit was 03,5 seconden voor de crash. Op dat moment werd niet geremd. Ook in de periode van 05 seconden tot 03 seconden voor de crash werd niet geremd. Op 03 seconden voor de crash werd voor het eerst geremd waarbij de ABS niet werd ingeschakeld. Nadat op 03,5 seconden voor de crash de gas werd losgelaten is het gaspedaal niet meer bediend.

(…)”

2.14.

Bij brief van 18 december 2024 (productie 5 van [de eiser] ) heeft Achmea [de eiser] bericht dat er geen verzekeringsdekking is omdat [de eiser] met opzet onjuiste informatie gaf over de toedracht van de aanrijding (de gereden snelheid en het remmen vlak voor de aanrijding) en omdat sprake is van roekeloosheid / merkelijke schuld als gevolg van het accelereren, de snelheid kort voor de aanrijding en het tegen de verplichte rijrichting in rijden. [de eiser] is medegedeeld dat zijn schade niet wordt vergoed op grond van artikel 7:941 lid 5 BW, artikel 25 de van Algemene Polisvoorwaarden en artikel 9 van de Voorwaarden Aanrijding en Vandalisme. Daarnaast is [de eiser] bericht dat een interne aantekening wordt gemaakt voor bedrijven binnen de Achmea-Groep, dat zijn gegevens in het incidentenregister (IR) worden opgenomen en dat melding van het incident is gemaakt bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV). Ten slotte heeft Achmea aangegeven de kosten van de fraudecoördinator (€ 697,80), het P-CVD-onderzoek (€ 1.812,58) en de toedrachtonderzoeker (€ 2.520,00) van [de eiser] te vorderen.

2.15.

Bij brief van 7 januari 2025 (productie 7 van Achmea) is [de eiser] namens Achmea aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van verzekeringsfraude op grond van onrechtmatige daad, in verband waarmee een bedrag van € 5.030,38 van [de eiser] is gevorderd.

2.16.

Omdat [de eiser] zich niet kon vinden in het standpunt van Achmea heeft hij op enig moment opdracht aan [ongevallenanalysebureau] gegeven om onderzoek te doen naar de toedracht van de aanrijding. Op 17 maart 2025 heeft [ongevallenanalysebureau] onder meer als volgt gerapporteerd over de aanrijding (productie 6 van [de eiser] ):

“(…)

4.1.

CONTRA-ANALYSE

We hebben het rapport van P-CVD bestudeerd. Schadebeeld van het voertuig komt overeen met de snelheid die ten tijde van de botsing is geregistreerd.

Met betrekking op de EDR lijkt de botssnelheid te kloppen. (…)

(…)

4.2.1.

Vertraging wegdek

Zoals ook al benoemd zijn de waarden van de vertraging van het voertuig laag. De heer [de eiser] heeft geremd echter greep de ABS al in bij een vertraging van (op basis van afgeronde snelheden berekende) 3,89 m/s2 tot zelfs bij 2,22 m/s2. Dit betekent dat het wegdek erg glad is geweest. (…)

Er mag worden verwacht dat er een minimale vertraging van 5.2 m/s2 behaald dient te kunnen worden op droge betonverharding. Dit is ook de wettelijk vereiste remvertraging voor personenauto’s. Als we een berekening uitvoeren waarbij de auto met 5,2 m/s2 zou remmen vanaf 40 km/h dan volgt (… berekening, rb)

Hieruit volgt dan een benodigde remweg van 11,87 meter. Daarbij was er nog 4,86 meter afstand tot de paal en zou er geen aanrijding zijn ontstaan. (…)

4.2.2.

RIJGEDRAG

(…) In de EDR-data is te zien welke handelingen de bestuurder van de Audi heeft uitgevoerd. Zo is te zien dat er op 5 seconden voor de aanrijding, op 55,5 meter voor de betonnen paal, is opgetrokken met een ‘half gas’ pedaal stand, uit de EDR blijkt zo’n 1 a 1.5 seconden. Er is zo kort de 50km/h aangetikt dat de bestuurder mogelijk niet heeft waargenomen wat zijn maximum gereden snelheid was. (…) Zonder gladheid van de parkeergaragevloer had er geen aanrijding geweest omdat de bestuurder van de Audi tijdig een remming had ingezet. (…)”

2.17.

Bij brief van 27 mei 2025 (productie 9 van Achmea) heeft de advocaat van [de eiser] Achmea de resultaten van de contra-expertise van [ongevallenanalysebureau] gestuurd. In de brief is onder meer gesteld dat Achmea onvoldoende heeft onderbouwd dat [de eiser] onjuiste informatie heeft verstrekt om Achmea te misleiden en ook dat sprake is geweest van roekeloosheid of merkelijke schuld van [de eiser] .

2.18.

Bij brief van 31 juli 2025 (productie 10 van Achmea) heeft P-CVD op verzoek van Achmea onder meer het volgende commentaar gegeven op het rapport van [ongevallenanalysebureau] :

“1. Vermijdbaarheids analyse BHO

(…) In de parkeergarage in kwestie geldt een maximum toegestane snelheid van 5 km/u. In de praktijk is deze snelheid niet realistisch. De maximum snelheidsnorm in een parkeergarage is doorgaans 15 km/u.

Uit de analyse van BHO volgt dat het wegdek of de vloer van de parkeergarage plaatselijk niet voldeed aan de wettelijk vereiste remvertraging voor personenauto’s. Met andere woorden de gedraging van de Audi-bestuurder voorafgaand aan de remfase kan ter zijde worden geschoven. Dit is mijns inziens geen correcte benadering.

Het is namelijk de stevige accelaratiefase waarbij een voertuigsnelheid van ongeveer 40-50 km/h en een gemiddelde versnelling van ongeveer 3,3 m/s2 werd bereikt, die noodzakelijk maakte voor de Audi-bestuurder om een stevige remactie dan wel een nood remming uit te voeren. Dit accelaratie gedrag in een parkeergarage is zeer verwerpelijk gezien de omstandigheid dat er niet alléén personenauto’s in de parkeergarage rijden en/of rangeren om een parkeerplaats in te nemen, maar ook voetgangers aanwezig zijn. (…)

Indien de Audi-bestuurder de parkeergarage met normaal acceleratie gedrag en een gepaste snelheid van 15 km/u (…) had verlaten, dan had hij de Audi onder de plaatselijke gladde omstandigheden binnen 3,9 meter veilig, zonder verlies aan voertuigcontrole, tot stilstand kunnen brengen en was de botsing met de betonnen pilaar vermijdbaar geweest.

(…)

Indien wordt uitgegaan van een snelheid van 30 km/u (…) onder dezelfde remcondities komt de Audi binnen 15,6 meter tot stilstand en dit is nog één meter voor de betonnen pilaar; uitgaande van de 16,73 meter die door BHO werd aangehouden. (….)”

2.19.

Bij brief van 25 september 2025 (productie 11 van Achmea) heeft Achmea aan de advocaat van [de eiser] bericht dat zij haar standpunt handhaaft dat [de eiser] opzettelijk onwaar heeft verklaard en dat sprake is geweest van roekeloosheid/merkelijke schuld waarbij is verwezen naar het aanvullend rapport van P-CVD.

3Het geschil

in conventie

3.1.

[de eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:

1. Voor recht te verklaren dat geen sprake is van opzettelijke misleiding dan wel roekeloosheid aan de zijde van [de eiser] ;

2. Achmea te veroordelen tot uitkering van de voorlopige schade aan het voertuig van [de eiser] ten bedrage van € 39.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. Achmea te veroordelen tot verwijdering van alle frauderegistraties met betrekking tot [de eiser] , zowel in de interne registers van Achmea, als in de externe registers (Centraal Informatiesysteem CIS/CBV), binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat Achmea hiermee in gebreke blijft;

4. Achmea te veroordelen tot vergoeding van de kosten van contra-expertise ten bedrage van € 2.347,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

5.  Voor recht te verklaren dat het handelen van Achmea jegens [de eiser] onrechtmatig was,

dan wel een wanprestatie betreft, waarbij Achmea jegens [de eiser] schadeplichtig is en daarbij – doch niet uitsluitend noch limitatief – zal moeten vergoeden alle gemaakte kosten als gevolg van het verlies van eigen vervoer thans geschat op € 50,00 per dag vanaf datum ongeval, dan wel een door de rechtbank te bepalen vergoeding;

6. Achmea te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde/advocaat, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan de kostenveroordeling is voldaan;

7. Althans zodanige voorzieningen te treffen als de rechtbank juist acht.

3.2.

[de eiser] legt samengevat aan de vorderingen ten grondslag dat geen sprake is van opzettelijke misleiding. Hij heeft verklaard dat hij 20 of 30 km/uur reed omdat dat gevoelsmatig zijn snelheid was. Het was zijn subjectieve inschatting onder stressvolle omstandigheden. Het betreft een beperkte afwijking waarvan niet kan worden gezegd dat hij Achmea bewust heeft geprobeerd te misleiden teneinde uitkering te krijgen waar geen recht op is. Hij heeft ook verklaard dat hij gas heeft gegeven om grip te krijgen, terwijl dat niet uit het onderzoek is gebleken. Juist omdat die verklaring niet in zijn voordeel is, kan daarvan niet gezegd worden dat hij Achmea daarmee heeft misleid.

[de eiser] betwist daarnaast dat sprake is geweest van roekeloosheid of merkelijke schuld. Het enkele feit dat hij sneller reed dan toegestaan, is er nog geen bewijs van dat hij zich bewust was van een aanmerkelijke kans op schade of dat hij die kans heeft aanvaard. Bovendien blijkt uit de contra-expertise dat hij, ondanks de snelheid die hij had, een voldoende lange remweg had om tijdig tot stilstand te komen voor de paal als het wegdek niet nat was geweest. De natte toestand van het wegdek was de (grootste) oorzaak van de aanrijding en rechtvaardigt een eigen schuldcorrectie op grond van 6:101 BW.

Omdat geen sprake is van misleiding of roekeloosheid / merkelijke schuld is er ook geen grond voor registratie in het IR en in het CBV, aldus [de eiser] .

3.3.

Achmea voert verweer. Achmea concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Achmea vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [de eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.611,18 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 september 2025, althans vanaf de dag van dagvaarding,

II. [de eiser] te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder het griffierecht, het salaris advocaat en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en, indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, althans de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van gehele voldoening.

3.6.

Achmea legt aan haar vordering ten grondslag dat de schade van [de eiser] is ontstaan als gevolg van roekeloos rijgedrag van [de eiser] en dat [de eiser] opzettelijk onjuiste informatie aan Achmea heeft verstrekt met als doel een uitkering te krijgen waar hij anders geen recht op zou hebben. Daardoor heeft [de eiser] Achmea in haar belangen geschaad. [de eiser] heeft aldus onrechtmatig jegens Achmea gehandeld en zijn contractuele verplichtingen geschaad waardoor Achmea op grond van de wet (artikel 6:162 en 6: 74 BW) en de polisvoorwaarden de kosten die zij in verband met de claim heeft moeten maken op [de eiser] kan verhalen.

3.7.

[de eiser] voert verweer. [de eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Achmea, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Achmea, met veroordeling van Achmea in de kosten van deze procedure.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

in conventie

4.1.

Vast staat dat tussen partijen een verzekeringsovereenkomst bestond op grond waarvan [de eiser] verzekerd was voor schade aan zijn auto. Achmea beroept zich op uitsluitingsgronden zoals opgenomen in de wet en in haar polisvoorwaarden. Omdat Achmea zich bij haar verweer beroept op het rechtsgevolg van die uitsluitingsgronden – zijnde bevrijding van haar betalingsverplichting – rust op haar de stelplicht en bewijslast van de feiten die zij daaraan ten grondslag legt. Achmea legt aan haar standpunt dat de schade als gevolg van de aanrijding niet onder de dekking valt ten grondslag dat sprake is van roekeloosheid en/of merkelijke schuld en dat [de eiser] met opzet onjuiste informatie aan haar heeft verstrekt met het doel haar te misleiden.

Roekeloosheid / merkelijke schuld

4.2.

Gelet op het bepaalde in artikel 9 van de Voorwaarden Aanrijding en Vandalisme is schade niet verzekerd indien een verzekerde roekeloos is of merkelijke schuld heeft waarbij is gedefinieerd wanneer daarvan sprake is (weergegeven in r.o. 2.2). In artikel 7:952 BW is bepaald dat geen schade wordt vergoed indien de verzekerde de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt. Uit de polisvoorwaarden en uit de wetsgeschiedenis (MvT, Kamerstukken II 1985/ 86, 19529, 3, p. 25) blijkt dat ‘roekeloosheid’ zowel in de polisvoorwaarden als in de wet op zowel bewuste als onbewuste roekeloosheid duidt. Gelet op jurisprudentie is van onbewuste roekeloosheid sprake indien de verzekerde zich niet bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op schade als gevolg van zijn handelen maar hij zich hier wel bewust van had moeten zijn.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Achmea onderbouwd gesteld dat de aanrijding is veroorzaakt doordat [de eiser] roekeloos heeft gereden. Uit het onderzoek van P-CVD blijkt dat [de eiser] 5 tot 4 seconden voor de aanrijding stevig heeft geaccelereerd en 3,5 seconden voor de aanrijding 53 km/u reed. Dit is bevestigd door de contra-expertise van [ongevallenanalysebureau] . [de eiser] betwist dat sprake was van roekeloosheid omdat hij zich niet bewust was van een aanmerkelijke kans op schade en/of dat hij die kans niet heeft aanvaard.

Gelet op het hiervoor in r.o. 4.2 overwogene kan ook sprake zijn van roekeloosheid als deze onbewust is, namelijk als de schade het gevolg is van het handelen van verzekerde die zich daarbij bewust had behoren te zijn van de aanmerkelijke kans op die schade.

De rechtbank is van oordeel dat de snelheid van 53 km/u in de gegeven omstandigheden extreem hoog was en dat [de eiser] zich, voor zover hij zich dat niet bewust was, wél bewust had moeten zijn van de aanmerkelijke kans op schade als gevolg van zijn rijgedrag. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de betreffende parkeergarage is aangegeven dat maar 5 km/u mag worden gereden. Ervan uitgaande dat 5 km/u erg langzaam is en doorgaans een maximale snelheid van 15 km/u (stapvoets) geldt in parkeergarages, heeft [de eiser] nog steeds ruim drie keer te hard gereden. Dat het rustig in de garage was, zoals [de eiser] stelt, doet daar niet aan af omdat juist in parkeergarages de situatie niet overzichtelijk is door de aanwezigheid van pilaren en geparkeerde auto’s – die er op het moment van de aanrijding waren, gelet op de foto’s die [de eiser] direct daarna heeft genomen – en er om die reden niet te hard dient te worden gereden. Daarbij volgt de rechtbank [de eiser] niet in zijn redenering dat de aanrijding is veroorzaakt doordat het wegdek glad was en dat hij daar niet op bedacht kon zijn. Niet in geschil is dat het op de dag van de aanrijding regenachtig was en dat door storm Louis 10 mm neerslag in Almere viel. Dat maakt dat extra voorzichtig diende te worden gereden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een nat wegdek glad kan zijn waardoor sprake is van een langere remweg. Het regenachtige weer bracht met zich dat [de eiser] erop bedacht had moeten zijn dat mogelijk sprake was van een langere remweg en dat hij extra reden had om zijn snelheid aan te passen. Uit het bericht van P-CDV van 31 juli 2025 naar aanleiding van het rapport van [ongevallenanalysebureau] blijkt verder dat indien [de eiser] niet harder dan 30 km/u had gereden, hij onder dezelfde remcondities nog voor de paal tot stilstand zou zijn gekomen. De roekeloosheid van [de eiser] heeft aldus tot de aanrijding geleid en de stelling dat het wegdek glad was, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.4.

Daar komt nog bij dat niet in geschil is dat [de eiser] voorafgaand aan de aanrijding tegen de in de parkeergarage aangegeven rijrichting in reed. [de eiser] heeft daarover verklaard dat iedereen dat daar doet en dat de aangegeven rijrichting geen wettelijk verplichte rijrichting is. Op zichzelf is juist dat de rijrichting geen wettelijk verplichte rijrichting is omdat een parkeergarage geen openbare weg is. Door de eigenaar van de parkeergarage zijn evenwel regels opgesteld (betreffende onder meer snelheid en rijrichting) met het oog op de veiligheid waar gebruikers van de parkeergarage zich aan dienen te houden ter voorkoming van ongelukken. Door die regels te negeren heeft [de eiser] zich bewust moeten zijn van de aanmerkelijke kans op schade als gevolg daarvan. Juist omdat er in de parkeergarage voetgangers kunnen lopen, de doorgangen er smal zijn en de bochten krap, is het van groot belang voor de veiligheid om de aangegeven rijrichting te volgen. De stelling van [de eiser] dat iedereen tegen de richting in rijdt – nog daargelaten of dat zo is – maakt het voorgaande niet anders. Achmea heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat [de eiser] zich ook op dit punt roekeloos heeft gedragen.

4.5.

Het voorgaande brengt met zich dat Achmea op grond van artikel 7:952 BW en artikel 9 van de Voorwaarden Aanrijding en Vandalisme dekking van de schade heeft kunnen weigeren. De onder 1 door [de eiser] gevorderde verklaring voor recht en de onder 2 gevorderde uitkering zijn daarom niet toewijsbaar.

Opzettelijk onjuiste informatieverstrekking, fraude

4.6.

Omdat Achmea dekking van de schade heeft kunnen weigeren op grond van roekeloosheid, kan beoordeling van de vraag of [de eiser] opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt in dat kader achterwege blijven. De rechtbank zal de vraag of [de eiser] opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt toch beoordelen in het kader van de vordering van [de eiser] onder 3 tot verwijdering van de frauderegistraties. [de eiser] heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat hij geen onjuiste verklaringen aan Achmea heeft afgelegd met de bewuste bedoeling om haar te misleiden. Achmea stelt dat de registraties op goede gronden hebben plaatsgevonden.

4.7.

Gelet op artikel 25 van de Voorwaarden Zakelijke Autoverzekering kan Achmea, indien de verzekerde fraude pleegt, die fraude doorgeven aan de aan Achmea Schadeverzekeringen N.V. gelieerde bedrijven én registreren zodat alle verzekeraars in Nederland dat kunnen zien. Van fraude is sprake als een verzekerde niet de waarheid vertelt of niet alles vertelt met de opzet om een (hogere) vergoeding van Achmea te krijgen, zo is in de Begrippen van genoemde polisvoorwaarden bepaald.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat [de eiser] op meerdere momenten en op verschillende punten onjuiste informatie heeft verstrekt aan Achmea. Vast staat dat [de eiser] 3,5 seconden voor de aanrijding 53 km/u reed. [de eiser] heeft herhaaldelijk verklaard dat hij (veel) minder hard reed. Hij heeft in het schadeformulier ingevuld dat hij 20/30 km/u reed. In het gesprek op 5 april 2024 heeft hij verklaard dat hij “gevoelsmatig” 20, 25 of 30 km/u reed maar het niet met zekerheid durft te zeggen. In het interview op 16 oktober 2024 heeft [de eiser] , nadat hij met de uit het P- CVD-onderzoek blijkende snelheid van 53 km/u was geconfronteerd, verklaard dat het onmogelijk is dat hij in de parkeergarage 53 km/u heeft gereden. In zijn e-mailbericht van 3 december 2024 heeft [de eiser] verklaard dat hij had geantwoord dat hij 20/30 km/u had gereden omdat hij een eerlijk antwoord op de vraag wilde geven. Ter zitting heeft [de eiser] betoogd dat hij had verklaard dat hij 20 of 30 km/u had gereden omdat het zo voelde, maar dat hij niet naar zijn snelheidsmeter had gekeken voor de aanrijding en dat hij na de aanrijding verdwaasd was. Deze uitleg van [de eiser] over waarom hij niet adequaat over zijn snelheid heeft verklaard, acht de rechtbank niet overtuigend. Dat hij direct na de aanrijding verdwaasd was, is begrijpelijk. Dat verklaart echter niet waarom [de eiser] op het schadeformulier de dag na de aanrijding een veel lagere snelheid invulde en ook niet waarom hij in het interview op 16 oktober 2024 – na confrontatie met de snelheid van 53 km/u uit het P-CVD-onderzoek – verklaarde dat het onmogelijk is dat hij 53 km/u reed. Dat [de eiser] zijn snelheid niet precies wist is wel begrijpelijk, maar het verschil tussen “20 of 30 km/u” en 53 km/u is naar het oordeel van de rechtbank dusdanig groot dat [de eiser] moet hebben gevoeld en geweten dat hij harder reed dan hij heeft verklaard.

Daar komt bij dat uit het rapport Toedrachtonderzoek van 14 december 2024 blijkt dat de verklaringen van [de eiser] over gasgeven en remmen voor de aanrijding niet overeenkomen met de technische bevindingen. Verder heeft [de eiser] niets verklaard over het feit dat hij tegen de rijrichting in reed, terwijl hij zich heeft moeten realiseren dat dit van belang was voor de toedracht van de aanrijding. Ten slotte is van belang dat [de eiser] op het schadeformulier heeft ingevuld dat hij zijn gordel droeg, terwijl dat niet het geval was.

4.9.

[de eiser] betwist verder nog dat sprake is geweest van opzet tot misleiding. De rechtbank constateert dat de hiervoor in r.o. 4.8 genoemde punten waarop onjuist of onvolledig is geïnformeerd, onderwerpen betreffen die van belang zijn voor de beoordeling van roekeloosheid en daarmee van belang zijn voor de vraag of aanspraak op dekking bestaat. Omdat [de eiser] bovendien heeft volhard in zijn onjuiste verklaring over zijn snelheid en geen verklaring heeft gegeven voor zijn onjuiste verklaring over het dragen van de gordel en het niet vermelden van het tegen de richting in rijden, is de rechtbank van oordeel dat hij bewust onjuiste en onvolledige informatie aan Achmea heeft verstrekt, in de wetenschap dat de juiste en volledige informatie zou kunnen leiden tot afwijzing van de dekking van zijn schade. [de eiser] heeft aldus fraude gepleegd in de zin van de polisvoorwaarden.

4.10.

Omdat sprake is van fraude heeft Achmea op grond van de polisvoorwaarden daarover informatie mogen doorgeven aan de aan haar gelieerde bedrijven en dit dusdanig mogen registreren dat het zichtbaar is voor alle verzekeraars in Nederland. De vordering van [de eiser] onder 3 tot verwijdering van de frauderegistraties zal daarom worden afgewezen.

Overige vorderingen in conventie

4.11.

Het voorgaande brengt met zich dat niet is gebleken dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld of tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens [de eiser] . Daarom is er geen grond voor vergoeding door Achmea aan [de eiser] van de kosten van de contra-expertise of van het verlies van eigen vervoer. De vorderingen van [de eiser] onder 4 en 5 zullen daarom eveneens worden afgewezen.

4.12.

[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden in conventie begroot op:

- griffierecht

2.995,00


 

- salaris advocaat

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

5.723,00


 

in reconventie

4.13.

Achmea vordert vergoeding door [de eiser] van de in verband met de claim van [de eiser] door haar gemaakte kosten. Achmea stelt dat [de eiser] jegens haar wanprestatie heeft gepleegd en onrechtmatig heeft gehandeld door opzettelijk onjuiste informatie aan haar te verstrekken met als doel om een uitkering te krijgen waar hij geen recht op had en zo Achmea in haar belangen heeft geschaad. Achmea heeft de door haar gevorderde kosten onderbouwd met een urenspecificatie van de fraudecoördinator (kosten € 697,80), facturen van P-CVD van in totaal € 2.393,38 en een nota in verband met het toedrachtsonderzoek van € 2.520,00.

[de eiser] voert als verweer aan hetgeen hij in conventie heeft gesteld ter onderbouwing van zijn vorderingen. Hij betwist dat sprake is van misleiding, zodat van schending van wettelijke of contractuele verplichtingen ook geen sprake is en een grondslag voor toewijzing van de vordering van Achmea ontbreekt. Hij stelt daarbij dat indien de schade niet voor dekking in aanmerking komt, dat niet automatisch betekent dat Achmea aanspraak kan maken op vergoeding van haar kosten omdat het ontbreken van dekking niet zonder meer wanprestatie of onrechtmatige daad aan de zijde van verzekerde impliceert.

4.14.

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen, heeft [de eiser] niet aan zijn contractuele verplichtingen jegens Achmea voldaan door in strijd met de polisvoorwaarden en wettelijke bepalingen (artikel 7:941 BW) onjuiste en onvolledige verklaringen af leggen. Gelet op hetgeen in r.o. 4.9 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [de eiser] bewust onjuist en onvolledig heeft verklaard aan Achmea met het doel een schadevergoeding te krijgen waarop geen recht bestaat. Dat betekent dat [de eiser] toerekenbaar niet aan zijn contractuele verplichtingen heeft voldaan. Achmea heeft op grond van 6:74 BW dan ook recht op vergoeding van de schade die zij daardoor lijdt. De door Achmea onderbouwde kosten van het onderzoek door P-CDV (in toaal € 2.393,38) zullen worden toegewezen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 september 2025. De door Achmea gevorderde kosten van de fraudecoördinator ( [werknemer Achmea 3] ) en van het toedrachtsonderzoek (door schade-experts [werknemer Achmea 2] en [werknemer Achmea 1] ) zullen worden afgewezen omdat [werknemer Achmea 3] , [werknemer Achmea 2] en [werknemer Achmea 1] alle drie werkzaam zijn bij Achmea en de daarmee gemoeide (interne) kosten niet zijn te beschouwen als schade als gevolg van nalatig of onrechtmatig handelen van [de eiser] .

4.15.

[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden in reconventie begroot op:

- salaris advocaat

645,00

(1 punt × factor 0,5 × € 1.290,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

793,00


 

4.16.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Rechtbank Gelderland 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6491