Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 241225 geen letsel; KG; registraties niet onrechtmatig; op ass. rust verzwaarde stel- of onderbouwingsplicht; vordering terzake kan in KG aan kantonrechter worden voorgelegd

RBLIM 241225 geen letsel; KG; registraties niet onrechtmatig; op ass. rust verzwaarde stel- of onderbouwingsplicht; vordering terzake kan in KG aan kantonrechter worden voorgelegd

2De feiten

2.1.

[eiseres] is eigenaar van een Toyota Aygo met kenteken [kenteken] (hierna: de Toyota).

2.2.

Op of omstreeks 13 november 2024 heeft [eiseres] een schade aan de rechtervoordeur van de Toyota geclaimd bij haar toenmalige verzekeraar Achmea. [eiseres] heeft de schade niet via Achmea laten herstellen. [eiseres] heeft op 17 november 2024 via Achmea een schadevergoeding van € 1.284,16 voor deze schade ontvangen. De schade is geregistreerd in de CIS Databank.

2.3.

[eiseres] heeft vervolgens een autoverzekering afgesloten bij ASR, met polisnummer 93573141.

2.4.

Op 27 juli 2025 heeft [eiseres] bij ASR een claim ingediend ter zake van schade aan de rechtervoordeur van de Toyota. [eiseres] heeft aan ASR verklaard dat de schade eerder die dag was veroorzaakt doordat mevrouw [naam] (hierna: mevrouw [naam] ) een volle winkelkar uit haar handen liet glippen tegen de geparkeerde Toyota. [eiseres] is mantelzorger van mevrouw [naam] . Mevrouw [naam] heeft de schade ook gemeld bij haar verzekeraar Nationale Nederlanden.

2.5.

Naar aanleiding van de door [eiseres] gemelde schade heeft ASR, per brief gedateerd op 15 augustus 2025, aan [eiseres] een vragenformulier toegestuurd waarin zij haar heeft verzocht aanvullende informatie te verstrekken over de geclaimde schade en het ontstaan daarvan. [eiseres] heeft daarop, onder andere, aangegeven dat de Toyota geheel schadevrij was vóór het ontstaan van de geclaimde schade.

2.6.

ASR heeft expertisebureau CED ingeschakeld om de aard en de omvang van de schade te onderzoeken. CED heeft het volgende geconstateerd:

“(…)

Bevindingen

Tijdens de expertise bleek dat het r. voorportier was gedeukt op enkele plaatsen. Sporen van eerder uitgevoerd schadeherstel aan dit rechter voorportier zijn niet vastgesteld. Ook met behulp van de lakdiktemeter bleek dat er sprake is van de originele lakdikte.

Gesprek verzekerde

Verzekerde verklaarde ons dat het rechter voorportier is gedeukt doordat er een winkelwagen tegen dit portier heeft gestoten. Volgens verzekerde was dit rechter voorportier geheel onbeschadigd en was er geen oude schade aanwezig. Dit is ons tot 2x toe bevestigd door verzekerde.

Schadeverledenpas

Bij de opdracht is een schadeverledenpas toegevoegd. Op 13-11-2024 is er bij [naam bedrijf] ook schade opgenomen. Tijdens ons onderzoek bleek dat [naam bedrijf] ook schade heeft opgenomen aan dit rechter voorportier en deze schade niet heeft mogen herstellen.

Wij hebben de foto’s van [naam bedrijf] beoordeeld. De schade, die destijds is opgenomen op 13-11-2024 komt overeen met de schade, die nu ook wordt geclaimd.

Ook de opgenomen herstelkosten van [naam bedrijf] (€ 1.061,29 excl. btw) verschillen niet veel van de herstelkosten die autoschade Wellcoll nu heeft opgenomen.

Schadevaststelling/ MBZ

Naar onze mening is er geen op geld waardeerbare meer schade ontstaan t.g.v. het evenement van 27-07-2025.(…)”

2.7.

Per brief van 21 augustus 2025 heeft ASR aan [eiseres] meegedeeld dat zij uit het onderzoek van de expert concludeerde dat [eiseres] onwaar over de staat van de Toyota voorafgaand aan de geclaimde schade heeft verklaard en daardoor opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven over de staat van de Toyota teneinde nogmaals een uitkering te verkrijgen voor een schade die al aanwezig was en waarvoor zij al een keer schadeloos was gesteld.

2.8.

Als gevolg van deze conclusie heeft ASR de volgende maatregelen getroffen:

- zij heeft geen schadevergoeding voor de schade aan de Toyota uitgekeerd;

- zij heeft de autoverzekering met polisnummer 93573141 per 10 november 2025 beëindigd;

- zij heeft de persoonsgegevens van [eiseres] geregistreerd in het Incidentenregister en de Gebeurtenissenadministratie van ASR voor een periode van acht jaar;

- zij heeft de persoonsgegevens van [eiseres] geregistreerd in het Externe Verwijzingsregister van Stichting CIS (hierna: EVR), voor een periode van drie jaar;

- zij heeft de persoonsgegevens van [eiseres] doorgegeven aan het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit.

2.9.

[eiseres] heeft bij ASR tevergeefs bezwaar gemaakt tegen deze maatregelen.

3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- ASR te veroordelen en gebieden om binnen een week na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [eiseres] in het Incidentenregister en de Gebeurtenissenadministratie van ASR, dan wel dat ASR de noodzakelijke medewerking verleent ter verwijdering van de bedoelde persoonsgegevens in de registers, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat ASR daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;

- ASR te veroordelen en gebieden om binnen een week na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [eiseres] in het EVR en bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars, dan wel dat ASR de noodzakelijke medewerking verleent ter verwijdering van de bedoelde persoonsgegevens in de registers, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat ASR daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;

- ASR te veroordelen tot betaling van € 720,22 voor het vergoeden van de kosten voor het aangaan van een nieuwe autoverzekering voor de Toyota;

- ASR te veroordelen tot betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de claim op waarheid berust en dat de veroorzaker, mevrouw [naam] , het ontstaan van de nieuwe schade heeft erkend door ondertekening van het schadeaangifteformulier. Daarnaast voert [eiseres] aan dat haar vader de in november 2024 ontstane schade aan de rechtervoordeur van de Toyota heeft hersteld door gebruik te maken van de Paintless Dent Repair methode (hierna: PDR). Zij is er steeds van uit gegaan dat de Toyota volledig was hersteld en heeft dus terecht aan ASR gemeld dat de Toyota schadevrij was toen zij de schade uit juli 2025 claimde. Gelet op het voorgaande heeft ASR ten onrechte geconcludeerd dat [eiseres] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. De registratie van haar gegevens in voornoemde registers is daarom onrechtmatig, aldus [eiseres] .

3.3.

ASR voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Bevoegdheid kantonrechter

4.1.

ASR heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de kantonrechter niet bevoegd is om de vorderingen van [eiseres] te beoordelen omdat [eiseres] deze via een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank aanhangig had moeten maken op grond van artikel 35 van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming. Dit standpunt is onjuist. Het staat de betrokkene in zo’n geval tevens vrij in kort geding een voorlopige voorziening te vorderen. Voor de onderbouwing van de spoedeisendheid van de gevraagde voorziening gelden in dat geval geen hogere eisen dan in het algemeen in een kort geding gelden1.

4.2.

ASR heeft ook aangevoerd dat de vorderingen tot het verwijderen van registraties vorderingen van onbepaalde waarde zijn die door de rechtbank moeten worden beoordeeld en niet door de kantonrechter. De kantonrechter stelt voorop dat deze procedure onder meer gaat om de vorderingen van [eiseres] om ASR te veroordelen tot het verwijderen van haar persoonsgegevens uit de interne en externe registers en dat dit inderdaad vorderingen van onbepaalde waarde zijn. De kantonrechter kan op grond van artikel 93 sub b Rv alleen zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde behandelen als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00. De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de standpunten van partijen aannemelijk is dat de vorderingen van [eiseres] , inclusief de vordering tot het betalen van een bedrag van € 720,22 een waarde vertegenwoordigen die niet meer is dan € 25.000,00 en dat hij daarom bevoegd is om over deze vorderingen te oordelen.

Spoedeisendheid

4.3.

Omdat het hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen gaat, moet de kantonrechter eerst beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.

4.4.

Het spoedeisend belang volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit de aard van de vorderingen. De registraties en meldingen met externe werking hebben tot gevolg dat [eiseres] zich alleen tegen hoge kosten bij De Vereende kan verzekeren. Gelet hierop en gezien de aanzienlijke duur van de registraties heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

Toetsingskader registraties

4.5.

De kantonrechter stelt voorop dat het hier gaat om de registraties van persoonsgegevens in het (interne) Incidentenregister en de Gebeurtenissenadministratie van ASR en in het (externe) EVR. Voor de beoordeling daarvan geldt het volgende.

4.6.

Voor een registratie in de interne registers van ASR geldt dat deze registratie alleen zichtbaar is voor ASR zelf. Voor een registratie in het Incidentenregister is nodig maar ook voldoende dat sprake is van een redelijk vermoeden van een incident. Onder een incident wordt in dit geval verstaan een gebeurtenis die als gevolg kan hebben/heeft of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de verzekeraar in het geding zijn gekomen en daarom aandacht behoeft of een risico vormt.

4.7.

Voor een registratie in het EVR gelden de regels zoals opgenomen in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI). Voor een rechtmatige opname van persoonsgegevens in het EVR of ander extern register moet sprake zijn van een gedraging van een persoon, in dit geval [eiseres] , die een bedreiging vormt of kan vormen voor de verzekeraar of de continuïteit en/of integriteit van de financiële sector. Daarnaast moet in voldoende mate vaststaan dat [eiseres] betrokken is bij de laakbare gedraging en moet bij de registratie het proportionaliteitsbeginsel in acht worden genomen. Onder een gedraging als hiervoor bedoeld valt (onder meer) opzettelijke misleiding. Omdat de gevolgen van een registratie groot kunnen zijn moet ASR een zwaardere verdenking hebben dan een redelijk vermoeden van schuld.2

4.8.

De kantonrechter moet aan de hand van dit toetsingskader beoordelen of voorshands aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal komen vast te staan dat ASR heeft voldaan aan de voorwaarden voor opname van de persoonsgegevens van [eiseres] in deze registers. Als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt heeft [eiseres] recht op verwijdering van die gegevens. Hoewel het [eiseres] is die stelt dat ASR jegens haar onrechtmatig handelt, omdat geen sprake is van fraude en er dus geen grondslag is voor de registratie van haar gegevens, en een beroep doet op het rechtsgevolg daarvan, volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit het voorgaande dat aan de zijde van ASR een verzwaarde stel- of onderbouwingsplicht aanwezig is om de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden (in kort geding) voldoende aannemelijk te maken.

Registratie in het EVR

4.9.

Omdat uit het voorgaande blijkt dat een hogere drempel geldt voor opname in het EVR dan voor opname in de andere (interne) registers, zal de kantonrechter eerst beoordelen of ASR had mogen overgaan tot registratie van de persoonsgegevens van [eiseres] in het EVR. Het geschil spitst zich bij die stand van zaken toe op de vraag of het aannemelijk is dat [eiseres] opzettelijk misleidende informatie aan ASR heeft verstrekt om financieel voordeel te krijgen.

4.10.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft ASR verwezen naar het onderzoeksrapport van expertisebureau CED3 waarin de expert onder meer heeft verklaard dat hij tijdens zijn onderzoek geen sporen van eerder uitgevoerd schadeherstel aan de rechtervoordeur van de Toyota heeft kunnen vaststellen. Bovendien heeft de expert de schade uit 2024 vergeleken met de geclaimde schade uit 2025 en geconcludeerd dat beide schades overeenkomen met elkaar. Aanvullend daarop heeft de expert verklaard dat hij geen sporen van een aanrijding met een winkelwagen heeft kunnen vaststellen. Op basis van de vergelijking van de schades heeft de expert vastgesteld dat de op 27 juli 2025 geclaimde schade afkomstig moet zijn van het op of omstreeks 13 november 2024 geclaimde schadevoorval. Het niet melden van een al bestaande schade brengt met zich mee dat [eiseres] opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en daardoor misleidende informatie heeft verstrekt, aldus ASR.

4.11.

Daartegenover stelt [eiseres] dat mevrouw [naam] het ontstaan van de schade heeft bevestigd. Zij verwijst hiervoor naar het schadeaangifteformulier dat door mevrouw [naam] is ondertekend. De kantonrechter is echter van oordeel dat uit dit formulier niet blijkt wanneer mevrouw [naam] het betreffende formulier heeft ondertekend. Er is ook geen nadere verklaring van haar overgelegd waarin zij het ontstaan van de schade bevestigt. Daarnaast stelt [eiseres] dat zij de schade uit 2024 heeft laten repareren door haar vader via de PDR-methode zodat de auto daarna schadevrij was. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiseres] enkel een verklaring van haar vader overgelegd. ASR heeft deze stelling voorgelegd aan de expert van CED die daarop heeft verklaard dat het niet aannemelijk is dat de schade uit 2024 is hersteld via PDR omdat de schade daarvoor te groot was. Daarnaast constateerde hij opvallend veel overeenkomsten tussen beide schades. Het autoschadeherstelbedrijf dat in 2024 de schade aan de Toyota heeft vastgesteld, [naam bedrijf] , heeft bovendien ook verklaard dat herstel van die schade via PDR niet mogelijk was. Daarop heeft [eiseres] nog twee verklaringen overgelegd van door haar bevraagde autoschadeherstelbedrijven, waarin wordt verklaard dat de schade mogelijk wel met PDR hersteld kon worden. Aan die stukken kan naar het oordeel van de kantonrechter echter geen of weinig waarde worden gehecht nu de betreffende bedrijven enkel op basis van een per whatsapp verzonden foto hebben aangegeven dat PDR eventueel mogelijk zou kunnen zijn.

4.12.

ASR heeft tot slot nog aandacht gevraagd voor het opmerkelijke gegeven dat dezelfde mevrouw [naam] ook op 1 oktober 2023 met een winkelkarretje schade zou hebben veroorzaakt aan de toenmalige auto van [eiseres] . Mevrouw [naam] heeft deze schade destijds gemeld bij haar verzekeraar Nationale Nederlanden, die vervolgens een bedrag van € 1.000,00 heeft uitgekeerd aan [eiseres] . Dit kan een coïncidentie zijn, maar saillant is het wel.

4.13.

Al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, brengt de kantonrechter tot het oordeel dat voorshands aannemelijk is geworden dat [eiseres] opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt aan ASR met betrekking tot het ontstaan van de geclaimde schade en de daaraan voorafgaande schadegeschiedenis van de Toyota en dat ASR daarom terecht is overgegaan tot registratie van de gegevens van [eiseres] in het EVR. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat opname in het EVR in dit geval ook proportioneel is, gelet op de ernst van de gedraging. Het is van groot belang voor het verzekeringswezen dat verzekeraars moeten kunnen vertrouwen op informatie die door verzekerden wordt verstrekt. De conclusie in dit kort geding is dan dat aannemelijk is dat aan de voorwaarden voor registratie in het EVR is voldaan, zodat deze registratie niet hoeft te worden verwijderd. Hetzelfde geldt voor de gegevens die zijn doorgegeven aan het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars. De vordering ten aanzien van de externe registratie van gegevens zal daarom in haar geheel worden afgewezen.

Registratie in de interne registers van ASR

4.14.

Het voorgaande leidt er ook toe dat ook de kantonrechter het aannemelijk acht dat de registraties in het (interne) Incidentenregister en de Gebeurtenissenadministratie van ASR terecht zijn omdat voor opname van gegevens in die registers een minder strenge toets geldt dan voor registratie van gegevens in het EVR. Het is aannemelijk dat ASR het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie mag zien als een gebeurtenis die een risico vormt en de gegevens van [eiseres] daarom mag registreren in haar interne registers ter voorkoming van de mogelijkheid dat partijen in de toekomst opnieuw met elkaar in zee gaan. Dit heeft als gevolg dat ook de vordering met betrekking tot het verwijderen van de gegevens uit de interne registers van ASR zal worden afgewezen.

Schadevergoeding

4.15.

Omdat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat ASR de gegevens van [eiseres] niet onrechtmatig in voornoemde registers heeft geregistreerd, kan ook geen sprake zijn van een schadevergoeding ter hoogte van de kosten die [eiseres] heeft moeten maken om zich bij De Vereende te kunnen verzekeren. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.

1ECLI:NL:HR:2023:1216 r.o. 3.3.4.

2ECLI:NL:HR:2009:BH4720.

3Zie 2.6. van dit vonnis en productie 2 bij dagvaarding.

 

Rechtbank Limburg 24 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12926