Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 110325 kop-staart botsing op oprit snelweg; aansprakelijkheid achteropaanrijder komt in HB wél vast te staan

GHDHA 110325 kop-staart botsing op oprit snelweg; aansprakelijkheid achteropaanrijder komt in HB wél vast te staan

in vervolg op:
RBDHA 280623 kop-staart botsing op oprit snelweg; aansprakelijkheid achteropaanrijder komt niet vast te staan

zie voor het vervolg:
GHDHA 240625 hof weigert verwijzing naar schadestaatproc. en geeft nog éénmaal gelegenheid een deugdelijke schadeberekening over te leggen

 

1De zaak in het kort

1.1

Het geschil betreft de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van een kop-staart aanrijding. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de bestuurder van de achterste auto een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. Het hof oordeelt dat de bestuurder van de achterste auto artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) heeft overtreden en dus onrechtmatig jegens de bestuurder van de voorste auto heeft gehandeld.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 26 september 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2023;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant];

  • -

    de memorie van antwoord van Unigarant, met bijlagen;

  • -

    de bijlage 22 die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.

2.2

Op 14 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. Goedhart en mr. R.T. Bocke (collega van mr. Markvoort) hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3Feitelijke achtergrond

3.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

a. Op 20 juni 2018 vond een kop-staart aanrijding plaats op de oprit van de A6 vanuit Almere richting Amsterdam, waarbij een Volvo V60 met [appellant] als bestuurder van achteren is aangereden door een Toyota Aygo.

De Toyota Aygo werd bestuurd door mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Zij was ten tijde van de aanrijding tegen WAM (wettelijke aansprakelijkheid motorvoertuigen) verzekerd bij Unigarant.

[appellant] en [betrokkene] hebben na het ongeval gezamenlijk de voorzijde van een aanrijdingsformulier ingevuld. Op dit formulier is onder de 'opmerkingen' bij het voertuig van [betrokkene] vermeld “heeft dashcam. Meneer remde zonder reden op invoegstrook snelweg tijdens invoegen” en bij het voertuig van [appellant] “mevrouw is achter op mijn voertuig gebotst”.

Na het ongeval heeft [appellant] meermaals zijn huisarts bezocht in verband met onder meer hoofdpijn.

Op verzoek van [appellant] heeft Autoschade Markerkant op 20 juli 2018 de schade aan de Volvo begroot op € 1.548,80 incl btw.

Op 23 augustus 2018 bezocht [appellant] in verband met klachten na het ongeval dr. R. ten Houten, neuroloog. Deze rapporteerde bij brief van dezelfde datum aan de huisarts van [appellant]:

“Posttraumatische klachten, geen neurologische uitvalsverschijnselen

geen radiologische afwijkingen.

Vanuit neurologisch oogpunt acht ik de prognose goed.”

[appellant] heeft [betrokkene] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van de aanrijding heeft geleden. Hij stelde zich op het standpunt dat [betrokkene] op onzorgvuldige wijze aan het verkeer heeft deelgenomen. [appellant] meent dat [betrokkene] onvoldoende afstand heeft gehouden tot zijn voertuig, waardoor zij niet in staat was tijdig te stoppen en achterop haar voorganger (de Volvo van [appellant]) is gebotst.

Bij brief van 6 november 2018 schreef Unigarant aan [appellant]:

“In deze brief kom ik terug op de schade die u bij ons heeft gemeld.

De filmpjes heb ik kunnen inzien, echter hier blijkt niet uit dat de bestuurder van uw voertuig aansprakelijk is. Wel zie ik een moment waarbij de bestuurder van uw voertuig een akkefietje met een Toyota heeft dat later de vermoedelijke tegenpartij is. Op het filmpje waar de aanrijding plaatsvond gaat blijkbaar ook wat vooraf. Graag zou ik de film van u nog willen ontvangen waaruit

blijkt wat er ongeveer 30 seconden voor de aanrijding gebeurt”.

i. In een in opdracht van [appellant] opgemaakt rapport van 3 januari 2019 schreef [deskundige] van [naam] Expertise & Adviesbureau onder meer het volgende:

“ -Samenvatting-

Uit het bovenstaande is het volgende op te maken;

1. Er heeft een aanrijding plaats gehad tussen voertuig A (de Toyota van [betrokkene], hof) en voertuig B (de Volvo van [appellant], hof).

2. Voertuig B is aan de achterzijde aangereden door voertuig A.

3. Op en in de directe omgeving van de aanrijding zijn snelheidsbeperkingen van toepassing.

4. De schade aan de achterzijde van voertuig B is beperkt gebleven tot alleen de achterbumper.

5. Wanneer voertuig B tot een vertragende actie was overgegaan had de deformatie zich niet alleen beperkt tot schade aan de achterbumper maar doorgezet tot in het achterpaneel etc.”

Bij brief van 6 mei 2019 heeft Unigarant geschreven dat [appellant] wat haar betreft niet heeft bewezen dat [betrokkene] op onzorgvuldige wijze heeft deelgenomen aan het verkeer. Unigarant heeft verzocht de volledige opname van de dashcams van de periode rondom het ongeval, waarna zij de zaak op nieuw zal beoordelen.

[appellant] heeft de rechtbank Midden-Nederland daarop in een deelgeschilprocedure verzocht om een oordeel over de aansprakelijkheidsvraag te geven.

Bij beschikking van 28 januari 2020 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft die rechtbank geoordeeld dat de toedracht van het incident nog niet vaststond. Daarvoor was (nadere) bewijslevering nodig. De rechtbank heeft de verzoeken van [appellant] (mede) daarom afgewezen.

[appellant] heeft vervolgens om een voorlopig getuigenverhoor verzocht bij rechtbank Den Haag.

Op 7 september 2021 zijn zowel [betrokkene] als [appellant] als getuige gehoord. [betrokkene] verklaarde daarbij onder meer als volgt::

“Op 20 juli 2018 reed ik van Almere naar Amsterdam. Ik had voorgesorteerd bij de stoplichten richting Amsterdam, op de rechterbaan. Het stoplicht werd groen. Ik volgde mijn rijbaan rechts richting de oprit A6. Doordat we voor het stoplicht hadden gestaan, reed er een stoet aan auto’s. Op een gegeven moment hoorde ik links een hard getoeter. Die auto van links wilde van baan wisselen en bleef toeteren. Ik nam gas terug en liet hem voorgaan. Toen hield hij op met toeteren. We reden richting de oprit en de auto ging steeds langzamer rijden. Ik begreep dat niet goed. Ik dacht ik ga alvast anticiperen op erlangs gaan en ik keek in mijn spiegels en over mijn linkerschouder, omdat ik meteen wilde invoegen, zodra dit kon. De afstand tussen ons werd steeds minder, omdat hij steeds langzamer ging rijden. Ik paste mijn snelheid aan. Op het moment dat ik terugkeek over mijn schouder zag ik bij die auto remlichten en toen was het boem. Daarna zijn we de vluchtstrook opgegaan en op het moment dat ik uitstapte, stapte hij ook uit. Hij zei meteen: dit gaat je veel geld kosten, ik heb voor en achter dashcams. Ik zei: dit vind ik niet prettig, ik vraag even of mijn man erbij komt. Ik zag bijna niets aan de auto en ik dacht wat is dit? We hebben een schadeformulier ingevuld en mijn man heeft nog een rondje om de auto gelopen en foto’s gemaakt om de schade vast te leggen.”

en

“Ik wilde met gepaste snelheid de snelweg op en ik wilde niet nog langzamer gaan rijden. Dat hij zo langzaam rijdt is zijn stijl, maar ik wil graag iets harder. Ik heb geleerd dat je moet meerijden met het verkeer als je de snelweg op wil. Je verwacht niet dat iemand steeds langzamer gaat rijden op de invoegstrook.”

[appellant] legde onder meer de volgende verklaring af:

“Op 20 juni 2018 reed ik richting Amsterdam. Bij de stoplichten ging ik linksaf op de linker rijbaan. We gingen een weg op, ik wilde van de linker naar de rechterrijbaan en op het moment dat ik dat wilde doen kwam er een auto hard rechts voorbij (voor mijn gevoel), waardoor ik toeterde en zij snelheid minderde en ik voorbij ging. Op dat moment was die vrouw rare gebaren aan het maken. Ik kwam bij een kruising waar je de snelweg kunt oprijden. Er waren daar wegwerkzaamheden. Je mocht daar denk ik 90 kilometer per uur. Er is een hele lange strook naar de snelweg toe. Ik denk een paar honderd meter. Je hebt een kruispunt naar de snelweg toe, daar heb je eerst een flauwe bocht naar links en dan een flauwe bocht naar rechts. Om in te voegen moest je een flauwe bocht naar rechts maken, daar gaat de weg in een keer naar beneden (…). Toen heb ik mijn gas los gelaten, daardoor minderde mijn auto vaart. Ik kende de situatie daar, vandaar dat ik mijn gas los liet. Ik heb best een zware auto, een Volvo, dus die minderde vaart en gaf ik weer gas. Op het moment dat ik bijna bij de puntmarkering was zag ik in één keer iets groots in mijn binnenspiegel en was er een klap. Voor de klap had ik die auto al achter mij zien rijden en toen reed hij op een normale afstand. Na de klap zijn we uitgestapt op de vluchtstrook. Ik was verbouwereerd. Het eerste wat zij zei was: jij met je k*tleaseauto. Toen zei ik: jij botste op mij en ik niet op jou. Ik weet niet of zij toen al iets zei over remmen. Op het schadeformulier heeft zij ingevuld dat ik had geremd waarbij ze zei: u moet wel hebben geremd. Dat is haar kant van het verhaal. Dus dat mag zij zo invullen. Dat ik heb geremd, klopt niet. Hierna hebben we gewacht op de vriend van [betrokkene], die kwam en die was heel agressief. (…)”

4Procedure bij de rechtbank

4.1

[appellant] heeft Unigarant gedagvaard en – zakelijk weergegeven – gevorderd:

I. een verklaring voor recht dat Unigarant door de gedragingen van [betrokkene] aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van de aanrijding geleden schade en verplicht is deze schade te vergoeden nader om te maken bij staat;

II. een verklaring voor recht dat [appellant] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [betrokkene]; en

III. Unigarant te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten.

4.2

[appellant] stelde daartoe dat [betrokkene] onvoldoende afstand heeft gehouden toen zij achter hem reed, waardoor zij op zijn auto is gebotst. Bovendien zou [betrokkene] te hard hebben gereden.

4.3

Unigarant heeft betwist dat sprake is van een toerekenbare onrechtmatige gedraging. Zij voerde aan dat [betrokkene] op gepaste afstand achter [appellant] reed, maar dat hij plotseling en zonder verkeersnoodzaak heeft geremd.

4.4

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank overwoog daartoe – zakelijk weergegeven – dat

- op [appellant] de stelplicht en de bewijslast rusten van zijn stelling dat de botsing door schuld van [betrokkene] is ontstaan;

- de getuigenverklaring van [appellant] een partijverklaring is, en daarom geen bewijs in zijn voordeel oplevert, tenzij deze strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs;

- het rapport van [deskundige] de verklaring van [appellant] niet ondersteunt;

- hetzelfde geldt voor de video van het moment van het ongeval;

- de verklaringen van [betrokkene] niet tegenstrijdig zijn;

- daarom niet kan worden vastgesteld dat [betrokkene] een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt.

5Vordering in hoger beroep

5.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij heeft een aantal grieven tegen het vonnis aangevoerd. De grieven I t/m IV zijn gericht tegen de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot het oordeel dat [appellant] niet in het bewijs van zijn stelling is geslaagd; grief V is gericht tegen de proceskostenveroordeling en grief VI tegen het dictum. [appellant] vordert (naar het hof begrijpt) hetzelfde als bij de rechtbank.

6Beoordeling in hoger beroep

6.1

In deze procedure strijden partijen primair over het antwoord op de vraag of [betrokkene] een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt en Unigarant daarom aansprakelijk is voor de schade die [appellant] door het ongeval heeft geleden. Voordat het hof ingaat op die vraag, zal het eerst een overweging wijden aan de vraag of de appelgrens is behaald. Unigarant heeft hier ter zitting een vraagteken bij geplaatst. Dit is weliswaar tardief, maar het hof moet de ontvankelijkheid ambtshalve beoordelen.

Appelgrens gehaald

6.2

Ingevolge artikel 332 Rv kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. [appellant] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat Unigarant aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. Alleen al gezien de door [appellant] gestelde schade aan de auto van € 1.548,80,- en de kosten van het rapport van [deskundige] van € 242,- is van een vordering van minder dan € 1.750,- geen sprake.

Verkeersfout [betrokkene]

6.3

Op grond van de hoofdregel van 150 Rv rusten op [appellant] de stelplicht en de bewijslast van zijn stelling dat [betrokkene] schuld heeft aan de botsing. [appellant] stelt dat dit het geval is, omdat [betrokkene] onvoldoende afstand heeft gehouden toen zij achter hem reed, waardoor zij op zijn auto is gebotst.

6.4

Artikel 19 RVV 1990 bepaalt dat een bestuurder in staat moet zijn om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

6.5

Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat [betrokkene] met haar auto achterop die van [appellant] is gebotst, geen uitzondering op genoemde hoofdregel van bewijslastverdeling. Dat neemt niet weg dat het feit dat [betrokkene] achterop de auto van [appellant] is gebotst een serieuze aanwijzing vormt dat zij niet voldoende afstand heeft gehouden en (dus) een verkeersfout heeft gemaakt / artikel 19 RVV heeft overtreden.

6.6

Unigarant meent echter dat zich in dit geval omstandigheden voordoen die maken dat niet van (het bewijsvermoeden van) een verkeersfout kan worden uitgegaan. Zij wijst er daarbij op dat geen sprake is van een gewone kop-staart aanrijding, maar dat daaraan het een en ander is voorafgegaan. Partijen reden al enige tijd achter elkaar en zijn vervolgens samen de oprit naar de snelweg opgereden, waar [betrokkene] met haar auto achterop de auto van [appellant] is gereden, net voor de blokmarkering van de invoegstrook.

6.7

Unigarant beschrijft deze omstandigheden als volgt: [appellant] wilde invoegen op de rechterrijbaan voor links afslaand verkeer die toegang geeft tot de A6. Hij joeg een andere auto op en wilde invoegen, maar daar was geen ruimte voor, want [betrokkene] reed daar. [appellant] is gaan toeteren en heeft [betrokkene] afgesneden. [betrokkene] voelde zich hierdoor geïntimideerd, zij heeft [appellant] voor laten gaan en vervolgens zijn zij achter elkaar de oprit opgereden. Dit alles is op de dashcambeelden vastgelegd. Op de oprit heeft [appellant] zonder noodzaak het gas losgelaten en vaart geminderd, op een plek waar hij redelijkerwijs juist snelheid had moeten verhogen tot die van het verkeer op de hoofdrijbaan om veilig te kunnen invoegen. De voor de hand liggende verklaring is dan dat dit nog te maken heeft met de onenigheid die partijen hebben gehad bij de afslag naar de oprit. [betrokkene] kwam, doordat [appellant] onnodig gas terugnam, dichter op de auto van [appellant] te rijden. In verband met het onvoorspelbare rijgedrag van [appellant] en het feit dat hij zo opgefokt was, wilde [betrokkene] liever niet in zijn buurt rijden. Bovendien wilde zij voorkomen dat er een gevaarlijke situatie zou ontstaan op de invoegstrook (dat zij en het verkeer achter haar een te lage snelheid zouden hebben om te kunnen invoegen). Ze keek daarom alvast of de snelweg vrij was, zodat zij na de doorgetrokken belijning meteen kon invoegen. Op het moment dat zij in haar spiegels over haar schouder keek, heeft [appellant] plotseling en abrupt geremd, waardoor zij de achterbumper van de Volvo waarin [appellant] reed zacht heeft aangetikt.

6.8

Unigarant wijst er voorts op dat bewijsmateriaal ontbreekt waar dat redelijkerwijs verwacht mocht worden: juist de dashcambeelden direct voorafgaande aan de aanrijding ontbreken.

6.9

Het hof overweegt dat uit de dashcambeelden van kort voor het ongeval blijkt dat [appellant] lang heeft getoeterd toen [betrokkene] in zijn beleving – door te hard rijden op de rechterstrook – verhinderde dat hij naar rechts opschoof. Het hof begrijpt dat dit langdurig toeteren op [betrokkene] intimiderend is overgekomen. Dit doet echter niet af aan de uit artikel 19 RVV 1990 voortvloeiende plicht van [betrokkene] om te allen tijde voldoende afstand te houden tot haar voorganger. Die afstand dient zodanig te zijn dat zij in staat is haar auto tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij is. [betrokkene] heeft zich – zo blijkt ook uit haar verklaringen – hieraan niet gehouden: zij verklaarde immers tijdens het voorlopig getuigenverhoor “De afstand tussen ons werd steeds minder, omdat hij steeds langzamer ging rijden. Ik paste mijn snelheid aan. Op het moment dat ik terugkeek over mijn schouder zag ik bij die auto remlichten en toen was het boem.” en “Ik wilde met gepaste snelheid de snelweg op en ik wilde niet nog langzamer gaan rijden. Dat hij zo langzaam rijdt is zijn stijl, maar ik wil graag iets harder. Ik heb geleerd dat je moet meerijden met het verkeer als je de snelweg op wil. Je verwacht niet dat iemand steeds langzamer gaat rijden op de invoegstrook.” Uit deze verklaringen blijkt dat [betrokkene] tegen de auto van [appellant] is aangereden, terwijl zij over haar schouder keek.

6.10

Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat [betrokkene] – of [appellant] nu plotseling heeft geremd of niet – onvoldoende afstand heeft gehouden tot de auto van [appellant]. Het over de schouder kijken of de weg vrij is, neemt doorgaans immers niet meer dan (een fractie van) een seconde in beslag. Het hof voegt hier nog aan toe dat de verplichting om voldoende afstand te houden ook geldt als [appellant] langzamer reed dan [betrokkene] gezien de verkeerssituatie logisch of wenselijk vond. Dit betekent dat [betrokkene] heeft gehandeld in strijd met artikel 19 RVV 1990.

6.11

Anders dan Unigarant betoogt, maakt de enkele omstandigheid dat [appellant] enige tijd voor het ongeval mogelijk gevaarzettend heeft gehandeld toen hij naar de rechterbaan wilde opschuiven, niet dat [appellant] zich niet op deze schending door [betrokkene] mag beroepen. Dit alles betekent dat Unigarant aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van het ongeval geleden schade.

Geen eigen schuld [appellant]

6.12

Unigarant heeft zich – subsidiair – beroepen op eigen schuld van [appellant]: zij is van mening dat als [betrokkene] al enig verwijt kan worden gemaakt (hetgeen gelet op het vorenstaande het geval is), dit verwijt in het niet valt bij het verwijt dat [appellant] kan worden gemaakt met betrekking tot het ontstaan van de aanrijding. Zijn gevaarlijke rijgedrag – het gas terugnemen en vervolgens zonder verkeersnoodzaak remmen, zoals door [betrokkene] als getuige is verklaard – heeft de aanrijding in de hand gewerkt en moet causaal gezien als oorzaak voor de aanrijding worden aangemerkt. Dit zou er volgens Unigarant toe moeten leiden dat de schade in zijn geheel, althans in een door het hof te bepalen percentage, voor rekening van [appellant] dient te blijven.

6.13

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust ten aanzien van de feiten die de aangesprokene aanvoert ter vermindering van zijn vergoedingsplicht op grond van eigen schuld, de bewijslast (en daarmee het -risico) op de partij die zich op eigen schuld beroept, in dit geval dus Unigarant.

6.14

[appellant] heeft gemotiveerd betwist dat hij gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond. Hij heeft als getuige verklaard dat er bij de kruising waar je de snelweg op kunt rijden wegwerkzaamheden waren met een snelheidsbeperking en dat (bochten in en het naar beneden aflopen van) de toerit noopte(n) tot het verminderen van vaart. Hij heeft ontkend dat hij heeft geremd.

6.15

Omdat de getuigenverklaringen van [appellant] en [betrokkene] lijnrecht tegenover elkaar staan en het hof geen aanknopingspunten ziet om de verklaring van de een geloofwaardiger te achten dan die van de ander, kan er niet van worden uitgegaan dat [appellant] gevaarzettend heeft gehandeld als door Unigarant gesteld. Gegeven de omstandigheid dat er al een voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden en Unigarant niet meer dan een algemeen gesteld bewijsaanbod heeft gedaan, ziet het hof voor nadere bewijslevering geen plaats. Eigen schuld is dus niet komen vast te staan.

Schade

6.16

Ter zitting bij het hof heeft [appellant] verklaard dat het hem in deze procedure voornamelijk gaat om het principe: hij voelt zich weggezet als een crimineel. Het is voor hem van het grootste belang dat een rechter vaststelt dat niet hij, maar [betrokkene] een verkeersfout heeft gemaakt. Van (de omvang van) de schade heeft hij (het hof begrijpt: daarom) nog geen beeld gegeven. Zelfs een begin van een schadestaat ontbreekt.

6.17

Onder deze omstandigheden geeft het hof partijen in overweging zich met elkaar te verstaan over de omvang van de schade. Het komt het hof voor dat partijen daar onderling uit zouden moeten kunnen komen, nu het om een “low impact”- aanrijding gaat en de schadeomvang naar het zich laat aanzien beperkt is.

6.18

Het hof zal de zaak daarom naar de rol verwijzen voor uitlaten (doorhalen dan wel verder procederen) door beide partijen. Indien partijen er niet in zouden slagen de schade te regelen en wensen voort te procederen, verneemt het hof graag waar het probleem zit. Het hof verzoekt [appellant] in dat geval een deugdelijke schadeberekening over te leggen, voorzien van alle onderliggende stukken/bewijsmiddelen. Unigarant zal daarna de gelegenheid krijgen te reageren.

Conclusie

6.19

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] in zoverre slaagt dat [betrokkene] aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van het ongeval geleden schade. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor hetzij een verzoek om doorhaling, hetzij het indienen door [appellant] van een akte met de hierboven genoemde schadeberekening.

6.20 Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. Gerechtshof Den Haag 11 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:316