Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 020626 vdo neuroloog t.z.v. Guillain-Barré syndroom (GBS) na antibioticabeleid huisarts bij kind met koorts/diarree; kosten 50/50 cf GOMA

RBROT 020626 vdo neuroloog t.z.v. Guillain-Barré syndroom (GBS) na antibioticabeleid huisarts bij kind met koorts/diarree; kosten 50/50 cf GOMA

in relatie tot:
RBROT 190526 leidt onzorgvuldig antibioticumbeleid tot Guillain-Barré syndroom (GBS)?; deelgeschil terwijl ook vdo is opgestart; afgewezen;
- bgk afgewezen nu causaal verband nog niet vast staat en er overigens niet over is onderhandeld
- kosten deelgeschil niet begroot wegens onnodig/onterecht ingesteld deelgeschil

2De feiten

2.1.

Op 29 april 2016 heeft [persoon A] telefonisch contact opgenomen met de praktijk van huisarts [verzoeker] , waarbij zij aangaf dat [persoon A] , haar dochter van destijds 6 jaar, koorts en sinds drie dagen diarree had.

2.2.

[persoon A] heeft [verzoeker] met [persoon A] bezocht op 29 april 2016. De urine van [persoon A] is hierbij nagezien, waarbij de volgende waarden werden aangetroffen: leukocyten (+++) en erytrocyten (+++). [verzoeker] heeft het antibioticum Amoxicilline voorgeschreven.

2.3.

Op zaterdag 7 mei en zondag 8 mei 2016 heeft [persoon A] met [persoon A] de huisartsenpost bezocht, met onder meer klachten van krachtsverlies in de benen. Op 8 mei 2016 is [persoon A] doorverwezen naar het Sint Franciscus Gasthuis. Aldaar werd gedacht aan een Guillain-Barré syndroom (hierna ook: GBS), een auto-immuunziekte van de zenuwen in de armen en benen.

2.4.

Op 9 mei 2016 is [persoon A] opgenomen in het Erasmus MC op de afdeling kinderneurologie, waar zij tot 13 mei 2016 verbleef. Na een lumbaalpunctie bleek sprake van een verhoogd eiwitgehalte en werd GBS geconstateerd. [persoon A] werd behandeld met immunoglobuline (antistoffen). Tijdens de opname werd bij urinekweken de E. Colibacterie gevonden, resistent voor Amoxicilline, en vond behandeling met Nitrofurantoïne plaats.

2.5.

In de ontslagbrief van 26 mei 2016 van het Erasmus MC staat vermeld:

“GBS is een postinfectieuze aandoening die door de afweerreactie op verschillende verwekkers kan worden uitgelokt. Bij Jasmina werd een recente infectie met hepatitis E vastgesteld. Dit is een bekende verwekker van GBS. Waarschijnlijk is zij van de oorspronkelijke infectie niet of nauwelijks ziek van geweest. De E. Coli die de urineweginfectie veroorzaakte, is als verwekker onwaarschijnlijk.”

2.6.

[persoon A] heeft [verzoeker] aansprakelijk gesteld, waarna diens aansprakelijkheidsverzekeraar VvAA Schadeverzekeringen N.V. (hierna: VvAA) in 2018 namens [verzoeker] de aansprakelijkheid heeft afgewezen.

2.7.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over het gezamenlijk inwinnen van een medische expertise bij prof. dr. H. De Vries, emeritus-hoogleraar huisartsgeneeskunde (hierna: prof. De Vries).

2.8.

Prof. De Vries heeft in zijn rapport van 8 januari 2024 geschreven:

“Ik beoordeel het antibioticumbeleid van de huisarts als onzorgvuldig, omdat (…) - Het onvoldoende ondersteund werd door de uitkomsten van zijn anamnese (vragen naar mictieklachten, keelpijn, oorpijn, hoesten of benauwdheid ontbreken) en onderzoek (onderzoek van keel, trommelvliezen, longen, buik en dipslide/urinekweek ontbreken)

- De arts in het bijzonder onvoldoende argumenten had om amoxicilline voor een eventuele luchtweginfectie voor te schrijven;

- De arts gezien de mogelijkheid van een urineweginfectie had moeten kiezen voor amoxicilline/clavulaanzuur” (pag. 12).

De diagnose ‘Koorts en het vermoeden van een urineweginfectie’, zoals genoteerd in het huisartsenjournaal, achtte prof. De Vries “correcte diagnosen”, “ondanks de tekortkomingen bij anamnese en lichamelijk onderzoek.”

2.9.

Ook schreef prof. De Vries in zijn rapport:

Het is voor een leek van belang om te weten dat het GBS voordat de verschijnselen zich aandienen niet te voorspellen of te voorkomen is” (pag. 9).

en

“Tenslotte: het antibioticumbeleid van de huisarts op 29 april 2016 heeft mijns inziens helemaal niets te maken met het feit dat [persoon A] kort daarna een Guillain-Barré syndroom ontwikkelde” (pag. 12).

2.10.

VvAA heeft daarna geschreven dat zij het rapport van prof. De Vries, met daarin de conclusie dat het door [verzoeker] gevoerde antibioticumbeleid, als hiervoor omschreven onder 2.8, onzorgvuldig was, als uitgangspunt neemt bij de verdere beslechting van het geschil tussen partijen.

2.11.

Omdat prof. De Vries aangegeven heeft dat het gevoerde antibioticumbeleid niets te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS, ontbreekt volgens [verzoeker] een conditio sine qua non-verband en is aan een vereiste voor het vestigen van aansprakelijkheid niet voldaan, aldus VvAA.

2.12.

[persoon A] is van mening dat het GBS is ontstaan als gevolg van het feit dat [verzoeker] Amoxicilline heeft voorgeschreven in plaats van Amoxicilline met clavulaanzuur.

2.13.

[persoon A] heeft op 28 januari 2026 een verzoekschrift deelgeschil ex artikel 1019 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend bij deze rechtbank waarin zij - onder meer - een verklaring voor recht vraagt dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. [verzoeker] heeft verweer gevoerd. Deze procedure is bekend onder zaaknummer C/10/714006 / HA RK 26-73 en is ook behandeld ter zitting van 24 maart 2026. In die procedure heeft de rechtbank afzonderlijk een beslissing genomen.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een onderzoek door een deskundige te bevelen.

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft er belang bij zijn positie in rechte te kunnen bepalen omdat partijen van mening blijven verschillen over de aansprakelijkheid en de vraag of het gevoerde antibioticumbeleid wel of niet te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS. Ter beantwoording daarvan kan de vraagstelling worden voorlegd aan dr. A.Verrips , neuroloog.

3.3.

[persoon A] kan instemmen met een voorlopig deskundigenonderzoek maar wenst dat [persoon B] , neuroloog en hoogleraar Immunologie en Neurologie (hierna: [persoon B] ), wordt aangesteld als deskundige - in plaats van dr. Verrips .

3.4.

Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven niet te kunnen instemmen met [persoon B] als deskundige. [persoon B] werkt in het Erasmus MC en zijn collega’s in het Erasmus MC hebben - vanwege de opname van [persoon A] aldaar - al bemoeienis gehad met [persoon A] . Dat maakt dat [persoon B] niet onafhankelijk kan onderzoeken en rapporteren.

3.5.

Ter zitting heeft [persoon A] vervolgens [persoon C] , als neuroloog werkzaam in het het IJsselland Ziekenhuis en gepromoveerd op GBS, voorgedragen als te benoemen deskundige.

3.6.

Ook tegen benoeming van [persoon C] als deskundige heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. [persoon C] is gepromoveerd in het Erasmus MC en daarom (wellicht) ook niet onafhankelijk.

4De beoordeling

4.1.

[verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift zoals vermeld in artikel 197 Rv voldaan. Het verzoek moet daarom worden toegewezen, tenzij:

- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald

- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat

- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde

- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of

- er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv). Dit alles doet zich hier echter niet voor.

4.2.

Het verzoek voldoet dus aan de eisen van de wet en zal worden toegewezen.

4.3.

De rechtbank beoordeelt de bezwaren van [verzoeker] tegen de door [persoon A] aangedragen deskundigen - [persoon B] en [persoon C] - als gegrond. [persoon A] is opgenomen geweest in het Erasmus MC. Beide door [persoon A] voorgestelde deskundigen hebben banden of banden gehad met het Erasmus MC waardoor zij mogelijk niet onafhankelijk zullen (kunnen) rapporteren.

4.4.

[persoon A] heeft als bezwaar tegen de benoeming van dr. Verrips als deskundige naar voren gebracht dat hij algemeen neuroloog is. Dit bezwaar beoordeelt de rechtbank niet als voldoende zwaarwegend, omdat een neuroloog de kennis en kunde heeft om de vraagstelling te kunnen beantwoorden. Niet betwist is immers dat het GBS een neurologische afwijking is. Dr. Verrips is bovendien ook kinderneuroloog én hij verricht al lange tijd neurologische expertises, ook bij kinderen.

Daarom zal de rechtbank hem als deskundige benoemen en zullen aan hem de onder de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.

4.5.

De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. De rechtbank zal het voorschot dus vaststellen op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw).

4.6.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die de rechtbank geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.7.

Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.

4.8.

In het feit dat partijen hebben afgesproken de kosten van het eerdere deskundigenrapport van prof. De Vries bij helfte te delen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat [persoon A] en [verzoeker] ook in dit voorlopig deskundigenonderzoek de kosten bij helfte delen. Dit sluit ook aan bij aanbeveling 23 van de GOMA1. [verzoeker] dient de helft van het voorschot van het voorlopig deskundigenonderzoek ter griffie te storten. Aan [persoon A] is een toevoeging verleend en het griffierecht voor onvermogenden geheven. De helft van [persoon A] van het voorschot op de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek komt daarom ten laste van ’s Rijks kas.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een voorlopig onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:

Vraag 1

Beschikt u over voldoende gegevens om de hierna te volgen vragen te kunnen beantwoorden? Zo nee, wilt u dan aangeven welke informatie u nog wilt ontvangen?

Vraag 2

Kunt u het ziektebeloop van een Guillain-Barré syndroom schetsen? Kunt u daarbij aangeven wat daarvan de oorzaken zijn?

Vraag 3

Wat zijn de behandelmogelijkheden van een Guillain-Barré syndroom en hoe is de prognose?

Vraag 4

Wat is naar uw mening de oorzaak van het Guillain-Barré syndroom bij [persoon A] ? Acht u het waarschijnlijk dat Gullain-Barré syndroom is ontstaan door het op 29 april 2016 voorschrijven van Amoxicilline in plaats van Amoxicilline met clavulaanzuur? Kunt u daarbij ook ingaan op de relatie met Hepatitis E en/of E. Coli?

Vraag 5

Had het Guillain-Barré syndroom bij [persoon A] door de huisarts op 29 april 2016 voorkomen kunnen worden? Zo ja hoe?

Indien u van mening bent dat het Guillain Barré syndroom is ontstaan door het voorschrijven van Amoxicilline in plaats van Amoxicilline met clavulaanzuur, wilt u dan ook de volgende vragen beantwoorden:

Vraag 6

Kunt u aangeven van welke neurologische aandoeningen en klachten en beperkingen op uw vakgebied thans sprake is? Kunt u de daarmee gemoeide beperkingen zo uitvoerig mogelijk beschrijven en uitdrukken in een percentage BI volgens de AMA-guide?

Vraag 7

Kunt u aangeven in hoeverre deze beschreven klachten en beperkingen een gevolg zijn van het Guillain-Barré syndroom?

Vraag 8

Is er op uw vakgebied sprake van een medische eindsituatie of moet er met een verslechtering c.q. verbetering rekening worden gehouden?

Vraag 9

Hoe ziet u de prognose? Wat is de kans op een recidief?

Vraag 10

Heeft u nog therapeutische suggesties?

5.2.

benoemt tot deskundige:

Dr. A. Verrips, neuroloog-kinderneuroloog-neuromyoloog,

(etc. red. LSA LM)

1Aanbeveling 23 GOMA (Gedragscode Openheid medische incidenten): “Bij een blijvend verschil van inzicht op medisch gebied vragen partijen zo mogelijk gezamenlijk een deskundigenonderzoek aan en communiceren zij daarover open en voortvarend met elkaar. Zij delen de kosten in gelijke mate.”

Rechtbank Rotterdam 2 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6532