RBLIM 110326 letsel na verschuiven van pallet op rollerbaan? letsel a.g.v. ongeval niet aangetoond; volgt afwijzing
- Meer over dit onderwerp:
RBLIM 110326 letsel na verschuiven van pallet op rollerbaan? letsel a.g.v. ongeval niet aangetoond; volgt afwijzing
in vervolg op:
GHSHE 180225 in HB komt arbeidsongeval bij verschuiven van pallet op rollerbaan wel vast te staan; wg-er aansprakelijk
in vervolg op:
RBLIM 210922 onvoldoende bewijs dat een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden
3De feiten
3.1.
[werknemer] was in dienst bij [werkgever] toen hem op 6 mei 2020 een bedrijfsongeval (hierna: ongeval) tijdens het werk is overkomen.
3.2.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in haar arrest van 18 februari 2025 geoordeeld dat [werkgever] aansprakelijk is voor de door [werknemer] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval.
4Het geschil
4.1.
[werknemer] vordert - samengevat - veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 73.111,91, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[werknemer] legt aan de vordering ten grondslag dat hij als gevolg van het ongeval letsel heeft overgehouden aan zijn linkerschouder, de linkerzijde van zijn nek en zijn linkerarm en hand. Hiervoor is hij in behandeling geweest bij verschillende artsen en andere behandelaars. De klachten zijn weliswaar verminderd, maar niet verholpen. [werknemer] vordert vergoeding van door hem geleden schade en door hem gemaakte kosten van mei 2020 tot en met april 2023.
4.3.
[werkgever] voert verweer en stelt (zeer kort samengevat) dat het causaal verband ontbreekt tussen de klachten van [werknemer] en het ongeval. Dat de door [werknemer] gestelde schade het gevolg is van het ongeval, staat dan ook niet vast. Bovendien is [werknemer] door het UWV per 1 juli 2021 arbeidsgeschikt verklaard. Na die datum kan [werknemer] dan ook helemaal geen schade meer hebben. Subsidiair stelt [werkgever] dat [werknemer] eigen schuld ex artikel 6:101 BW heeft aan zijn schade omdat hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om zijn herstel te bevorderen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Het gaat in deze procedure om de vraag of de door [werknemer] gestelde schade het gevolg is van het ongeval van 6 mei 2020. De aansprakelijkheid van [werkgever] voor eventuele schade van [werknemer] is door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch eerder vastgesteld1.
5.2.
Het is aan [werknemer] om aan te tonen dat hij als gevolg van het ongeval medische klachten heeft gekregen en daardoor schade heeft geleden. [werknemer] heeft daartoe medische stukken overgelegd2. Op de mondelinge behandeling heeft [werknemer] verklaard dat er door het ongeval een scheur in de pees van zijn schouder is ontstaan en dat hij daarvoor medische behandelingen heeft ondergaan, eerst injecties bij een arts in België en later diverse behandelingen bij ‘ [kliniek] ’ in Polen. [werkgever] heeft betwist dat de door [werknemer] aangevoerde klachten het gevolg zijn van het betreffende ongeval en heeft de door [werknemer] als productie 4 overgelegde medische stukken gemotiveerd betwist.
5.3.
Uit het door [werknemer] overgelegde medisch dossier van huisarts dr. [huisarts] blijkt dat [werknemer] haar op 8 mei 2020 heeft bezocht en dat zij als hoofddiagnose het volgende heeft gesteld3: “lumbalgie en tendinitis schouder li”. [werknemer] heeft geen vertaling van deze medische termen overgelegd. Volgens [werkgever] betekenen deze termen ‘lage rugpijn en peesontsteking aan de schouder’. [werknemer] heeft dit verder niet betwist. Een peesontsteking is wat anders dan een gescheurde pees. Deze verklaring onderbouwt niet de stelling van [werknemer] dat hij door het ongeval een gescheurde pees heeft opgelopen.
5.4.
Verder heeft [werknemer] een verklaring overgelegd van de bedrijfsarts van 28 november 20224 waarin zij medische informatie heeft gegeven over het onderzoek van de klachten van [werknemer] . De bedrijfsarts verklaart dat zij [werknemer] op 10 juni 2020 op het spreekuur heeft gezien met pijnklachten aan de rug en linkerschouder. Haar diagnose was: “myogene klachten van rug en schouder door overbelasting”. Verder staat in het medisch dossier:
“De verwachting is dat meneer na zijn vakantie, vanaf 13-07, weer het werk volledig kan hervatten in eigen werk.
Meneer werd per 14-07-2020 hersteld gemeld zie ik.”
De bedrijfsarts noemt in haar diagnose overbelasting als oorzaak van de pijnklachten. Daaruit valt niet op te maken dat de klachten zijn ontstaan door het ongeval, dat een eenmalig incident was. Het wekt de indruk dat de klachten zijn ontstaan over een langere periode van te zware belasting van de linkerschouder. [werknemer] heeft [werkgever] niet aansprakelijk gesteld voor klachten die voortvloeien uit overbelasting, maar voor klachten die zijn ontstaan door het eenmalige ongeval. Deze verklaring ondersteunt onvoldoende de stelling van [werknemer] dat de door hem beleefde klachten het gevolg zijn geweest van het ongeval.
5.5.
Ook de andere door [werknemer] overgelegde stukken mogen hem niet baten. Het document van Zus ZLA (het Poolse uitvoeringsinstituut sociale verzekeringen)5 geeft enkel aan dat dr. [arts 1] [werknemer] van 7 december 2020 tot 15 december 2020 arbeidsongeschikt heeft verklaard. Een reden voor deze arbeidsongeschiktheid wordt niet gegeven. De doktersverklaring van dr. [arts 1] van 7 december 20206 geeft als diagnose: “Acute cervical spinal pain with left side radiculopathy”. De klachten waarmee [werknemer] bij deze arts is gekomen zijn kennelijk acuut. Bewijs dat de klachten het gevolg zijn van het ongeval van zeven maanden eerder is daarmee niet geleverd. Verder komt deze verklaring overeen met de verklaring van dr. [arts 2] van het [gezondheidscentrum] van 20 oktober 20227. Volgens haar medische informatie heeft zij [werknemer] op 1 december 2020 onderzocht. In haar anamnese staat: “Heeft sinds 3 dagen veel pijn aan nek (mediaal v Li schouderblad).” Hieruit volgt dat [werknemer] een paar dagen vóór 1 december 2020 pijnklachten heeft gekregen aan zijn nek en daarmee staat niet vast dat deze klachten veroorzaakt zijn door, of te herleiden zijn naar het ongeval. Tot slot staat in de anamnese van dr. [arts 1] van 26 januari 20218 dat [werknemer] zich bij hem meldde na een “direct trauma aan het linker schoudergewricht en een posttraumatische ontsteking van de peesschede van de lange kop van de biceps brachii (…). In de voorgeschiedenis een trauma van het linker schoudergewricht enkele maanden geleden.” (onderstreping kantonrechter). De diagnose van deze arts luidde: “Enthesopathie van de pees van de musculus supraspinatus van het linker schoudergewricht”. Het ontbreekt bij deze stukken aan een vertaling van deze medische termen. Een zoekslag op internet (met toestemming van partijen) leert dat dit het volgende betekent:
Musculus supraspinatus: Dit is een van de vier spieren van de rotator cuff, die essentieel is voor het zijwaarts heffen van de arm en de stabiliteit van het schoudergewricht.
Enthesopathie: Dit is een verzamelnaam voor aandoeningen op de plek waar een pees of kapsel aan het bot vastzit. Dit kan variëren van een milde ontsteking (tendinitis) tot lichte slijtage (tendinose) of kalkafzetting (verkalking).
5.6.
Uit deze stukken blijkt dan ook alleen dat [werknemer] klachten heeft aan zijn linker schoudergewricht, maar niet of deze klachten het gevolg zijn van het ongeval.
5.7.
In het licht van het gemotiveerde verweer van [werkgever] had het op de weg van [werknemer] gelegen om zijn stellingen nader gemotiveerd te onderbouwen. Dat heeft [werknemer] onvoldoende gedaan. De hiervoor besproken medische stukken tonen enkel aan dát [werknemer] klachten heeft aan zijn linker schouder en nek, maar niet waardoor deze veroorzaakt zijn. Daarmee heeft [werknemer] niet aan zijn stelplicht voldaan. Tot verdere bewijslevering zal [werknemer] niet worden toegelaten, omdat hij in de dagvaarding alleen een algemeen geformuleerd bewijsaanbod heeft gedaan. Dit zal als onvoldoende concreet worden gepasseerd.
5.8.
Het bovenstaande leidt ertoe dat niet kan worden geoordeeld of de gestelde medische klachten zijn veroorzaakt door het ongeval. Voor de schadeposten die door [werknemer] zijn opgevoerd, heeft dit de volgende consequenties:
Smartengeld € 5.750,00
5.8.1.
Dit bedrag is niet toewijsbaar, nu [werknemer] niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij als gevolg van het ongeval schouder- en nekklachten heeft opgelopen, en al helemaal niet dat die na twee jaar nog niet waren hersteld. Zoals ook door [werkgever] is opgemerkt, was [werknemer] op 14 juli 2020, ongeveer 5 weken na het ongeval, weer volledig aan het werk.
Verlies zelfwerkzaamheid € 250,09
5.8.2.
Ook deze schadepost is onvoldoende onderbouwd, omdat [werknemer] niet heeft aangetoond dat hij als gevolg van het ongeval zodanige klachten/beperkingen had dat hij niet tot zelfwerkzaamheid in staat was.
Huishoudelijke hulp € 4.869,00
5.8.3.
Ook wat deze schadepost betreft heeft [werknemer] onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg van het ongeval zodanige klachten/beperkingen had dat hij huishoudelijke hulp nodig heeft gehad.
Verlies arbeidsvermogen € 40.637,82
5.8.4.
Nu het causale verband tussen de door [werknemer] gestelde klachten en het ongeval niet kan worden vastgesteld, kan ook deze schadepost niet worden toegewezen.
Daar komt nog bij dat [werknemer] ook niet heeft onderbouwd waarom hij in verband met de door hem gestelde klachten in het geheel geen verdienvermogen zou hebben gehad. In het licht van de beslissing van het UWV, dat hij met ingang van 1 juli 2021 volledig arbeidsgeschikt was, had dat wel op zijn weg gelegen.
Medische kosten bij [kliniek] € 6.633,00 en de daarvoor gemaakte reiskosten € 12.338,40
5.8.5.
Ook wat deze post betreft is het causale verband met het ongeval onvoldoende onderbouwd/aannemelijk geworden. Daar komt nog bij dat [werkgever] ten aanzien van deze schadepost de nodige vragen heeft opgeworpen, die door [werknemer] niet zijn beantwoord.
Reiskosten zitting den Bosch € 633,60
5.8.6.
De proceskostenveroordeling die door het gerechtshof is uitgesproken, houdt mede een vergoeding in voor de kosten voor het bijwonen van de zitting. Deze kosten komen niet voor aparte vergoeding in aanmerking.
Conclusie
5.9.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [werknemer] worden afgewezen
1Zie hiervoor onder 3.2. en ECLI:NL:GHSHE:2025:402.
2Productie 4.
3Productie 4, blz. 1 van [werknemer] .
4Productie 4, blz 13 en 14 van [werknemer] .
5Productie 4, blz. 6 en 7 van [werknemer] .
6Productie 4, blz. 9 en 10 van [werknemer] .
7Productie 4, blz, 11 en 12 van [werknemer] .
8Productie 4, blz. 17 en 18 van [werknemer] .