Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 051225 rechtbank kan bindend advies Kifid t.z.v. geschil met DAS over fouten huisarts slechts marginaal toetsen; vorderingen afgewezen

RBAMS 051225 rechtbank kan bindend advies Kifid t.z.v. geschil met DAS over fouten huisarts slechts marginaal toetsen; vorderingen afgewezen

3De beoordeling

3.1.

De kern van het geschil ziet op de vraag of de bindende uitspraak van de Geschillencommissie moet worden vernietigd. [eiseres] stelt dat dit het geval is omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om haar aan deze uitspraak te houden. DAS betwist dat.

[eiseres] is ontvankelijk

3.2.

Allereerst heeft DAS aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar vorderingen omdat zij niet in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de Geschillencommissie bij de Commissie van Beroep van het Kifid (hierna: de Commissie van Beroep). Volgens DAS heeft [eiseres] hiermee het bindend advies bevestigd en bestaat op grond van artikel 3:55 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet langer de mogelijkheid om zich te beroepen op een vernietigingsgrond.

3.3.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. [eiseres] heeft namelijk toegelicht dat zij via de website van het Kifid de indruk heeft gekregen dat zij de keuze had om in beroep te gaan bij de Commissie van Beroep of het bindend advies aan te vechten bij de civiele rechter. De rechtbank kan haar hierin volgen, omdat dit ook met zoveel woorden staat op de website van het Kifid. Dat [eiseres] niet in hoger beroep is gegaan bij de Commissie van Beroep, betekent dus niet dat zij de bindende uitspraak heeft bevestigd zoals bedoeld in artikel 3:55 lid 1 BW. [eiseres] is daarom ontvankelijk in haar vorderingen.

Het beroep van [eiseres] op artikel 7:904 lid 1 BW slaagt niet

3.4.

Volgens [eiseres] is het bindend advies van de Geschillencommissie vernietigbaar op grond van artikel 7:904 lid 1 BW, kort gezegd omdat de Geschillencommissie in haar oordeel wezenlijke misslagen heeft begaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit beroep niet slaagt. Dat wordt hierna toegelicht.

Toetsingskader

3.5.

Uit artikel 7:904 lid 1 BW volgt dat een beslissing van een partij of een derde alleen kan worden vernietigd als de gebondenheid aan die beslissing in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is een marginale toets. Het gaat er niet om dat de rechter zijn eigen oordeel over de zaak in de plaats stelt van het oordeel van de bindend adviseur (in dit geval de Geschillencommissie), maar het gaat erom of de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies ernstige gebreken vertoont.1

De uitspraak van de Geschillencommissie is niet vernietigbaar

3.6.

Op de eerste plaats betoogt [eiseres] dat de uitspraak van de Geschillencommissie onjuist dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Zij voert hiertoe aan dat de Geschillencommissie het optreden van DAS niet heeft getoetst in het licht van de hamvraag van de onderliggende schadeclaim, namelijk: of de zorgverleners bij het voorschrijven van medicijnen hebben gehandeld als een normaal handelend vakgenoot. Daarnaast vindt zij dat de Geschillencommissie niet heeft beoordeeld of DAS in strijd met de professionele standaard voor de behandeling van een letselschadezaak heeft gehandeld. Volgens [eiseres] heeft DAS onder meer:

  • -

    zonder haar toestemming haar medische informatie opgevraagd of laten opvragen;

  • -

    de vraagstelling aan de medisch adviseur onzorgvuldig geformuleerd;

  • -

    het medisch rapport onvoldoende beoordeeld;

  • -

    nagelaten om nadere vragen aan de medisch adviseur te stellen, terwijl in het medisch rapport veel punten als onzeker werden weergegeven en er concrete aanknopingspunten bestonden voor een mogelijke aansprakelijkheid.

[eiseres] stelt dat de Geschillencommissie de moraal van het verhaal heeft gemist en onvoldoende op haar essentiële stellingen heeft beslist, aangezien zij zich voornamelijk op haar “klachtjes” heeft gericht.

3.7.

De rechtbank stelt vast dat de klachten die [eiseres] nu tegenover DAS heeft geformuleerd niet, althans niet duidelijk en expliciet genoeg in de procedure bij de Geschillencommissie naar voren zijn gebracht, waarbij nog van belang is dat de Geschillencommissie terecht heeft opgemerkt dat de klacht van de consument heeft geleid tot een omvangrijk dossier. Omdat het debat hier destijds niet over is gegaan, valt niet in te zien waarom de Geschillencommissie hier, kennelijk “ambtshalve”, op had moeten ingaan. Dat [eiseres] in die procedure geen juridische bijstand heeft gehad, waardoor zij niet goed wist hoe zij de kwestie moest doorgronden, maakt dit oordeel niet anders. Dat is immer haar eigen keuze geweest.

3.8.

Los daarvan blijkt uit de uitspraak dat de Geschillencommissie uitvoerig naar de klachten van [eiseres] en het onderliggende probleem heeft gekeken en deze inhoudelijk heeft besproken. Vanwege de door de rechtbank terughoudende toetsing kan dan ook niet worden gezegd dat de inhoud van de bindende uitspraak een (ernstig) gebrek vertoont. Dat de Geschillencommissie volgens [eiseres] ten onrechte aanneemt dat [eiseres] ook klaagt over de medisch adviseur, brengt daar geen verandering in. [eiseres] heeft immers ook bezwaren geuit over de medisch adviseur in de klacht die zij bij de Geschillencommissie heeft ingediend. Omdat de handelwijze van de medisch adviseur niet ter beoordeling aan de Geschillencommissie kan worden voorgelegd, is het niet onbegrijpelijk dat de Geschillencommissie hier een opmerking over heeft gemaakt.

3.9.

Op de tweede plaats stelt [eiseres] dat de Geschillencommissie onvoldoende heeft afgewogen dat de handelwijze van DAS ernstige gevolgen voor haar heeft. De Geschillencommissie heeft echter overwogen dat de klachten die zij gegrond verklaart niet tot schade bij [eiseres] hebben geleid. Het oordeel en de motivering van de Geschillencommissie hierover is niet onlogisch, onbegrijpelijk of onnavolgbaar. Van een (ernstig) gebrek is dan ook geen sprake.

3.10.

Verder betoogt [eiseres] dat de Geschillencommissie geen inhoudelijke motivering heeft gegeven over de omstandigheid dat de medisch adviseur niet over alle medische informatie uit 2021 beschikte, omdat DAS deze informatie niet aan de medisch adviseur had verzonden. De rechtbank volgt haar hierin niet. In overweging 3.11 staat immers, voor zover relevant:

“De klacht over het niet verstrekken van de analyse van de consument uit 2021 aan de extern medisch adviseur is eveneens gegrond, maar leidt niet tot toewijzing van de vordering omdat de consument nog de mogelijkheid heeft om te reageren op het tweede medisch advies.”

De Geschillencommissie is dus wel degelijk op deze klacht ingegaan. Daarom gaat het beroep van [eiseres] op een onvoldoende motivering van de uitspraak op dit punt niet op.

3.11.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de inhoud of de wijze van totstandkoming van de uitspraak van de Geschillencommissie geen (ernstige) gebreken vertoont. De gebondenheid aan die uitspraak is daarom niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Slotsom

3.12.

Dit alles leidt tot de slotsom dat er geen reden is om de uitspraak van de Geschillencommissie te vernietigen. Dat betekent dat [eiseres] gebonden is aan het bindend advies, waardoor de overige vorderingen niet kunnen worden toegewezen. Daaraan staat immers het bindend advies in de weg. De vorderingen van [eiseres] worden dan ook afgewezen.

3.13.

De overige stellingen van partijen hoeven verder geen bespreking. In het bijzonder kan in het midden blijven of DAS juist heeft gehandeld. Dit kan immers niet leiden tot een andere beslissing.

Proceskosten

3.14.

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DAS worden begroot op:

- griffierecht

2.889,00

 

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.295,00

 

3.15.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.16.

De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordeling ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

1Vergelijk HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0727.

 

Rechtbank Amsterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8532