Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 290426 subrogatieverbod uit 7:962 lid 3 geldt t.o.v. formele wg-er, niet t.o.v. inlenende wg-er, ook niet in intra-concernverband

RBDHA 290426 subrogatieverbod uit 7:962 lid 3 geldt t.o.v. formele wg-er, niet t.o.v. inlenende wg-er, ook niet in intra-concernverband
 

2De feiten

2.1.

Equans (voorheen ENGIE Refrigeration B.V.) houdt zich volgens haar inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder meer bezig met de installatie van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur.

2.2.

Equans Nederland N.V. (voorheen ENGIE Services Nederland N.V., hierna: Equans Nederland) houdt zich volgens haar inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder meer de volgende activiteiten verricht: holdings (geen financiële), het leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels, en de installatie van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur.

2.3.

Equans Nederland is (enige) bestuurder van en houdt alle aandelen in Equans.

2.4.

De heer [naam] was sinds 1 mei 2018 in dienst van Equans Nederland. In de arbeidsovereenkomst tussen [naam] en Equans Nederland stond de volgende bepaling:

De formele werkgever is ENGIE Services Nederland NV. Feitelijk is de medewerker werkzaam bij ENGIE Refrigeration BV.

2.5.

[naam] heeft op grond van de arbeidsovereenkomst met Equans Nederland uitsluitend werkzaamheden bij Equans verricht, in de functie van aankomend monteur koudetechniek.

2.6.

Op 11 februari 2019 is [naam] een arbeidsongeval (hierna: het ongeval) overkomen tijdens zijn werk op de bedrijfslocatie van Equans. [naam] was bezig met het assembleren van een koelunit en het daarop monteren van een schakelkast. De schakelkast van ongeveer 465 kg is hierbij gekanteld en op [naam] terecht gekomen. [naam] heeft ten gevolge van het ongeval ernstig letsel opgelopen aan zijn onderlichaam, waardoor hij ter behandeling in een ziekenhuis is opgenomen. Het letsel bestond uit een bekkenfractuur en een gebroken heiligbeen.

2.7.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van Equans Nederland en Equans heeft op 11 juli 2019 namens haar verzekerden aansprakelijkheid voor de gevolgen van het bedrijfsongeval erkend.

2.8.

[naam] was ten tijde van het ongeval voor ziektekosten verzekerd bij ASR (Ditzo).

2.9.

Bij brief van 4 april 2024 heeft ASR jegens (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) Equans aanspraak gemaakt op betaling van € 60.709,76 voor medische kosten van [naam]. ASR heeft als bijlage bij de brief een verstrekkingsoverzicht gevoegd.

2.10.

Bij e-mailbericht van 11 april 2024 heeft Equans aan ASR bericht dat bij haar geen verhaal kan worden gezocht. Zij beroept zich op het subrogatieverbod.

2.11.

Daarna heeft verdere correspondentie hierover tussen partijen plaatsgevonden, zonder dat partijen het met elkaar eens zijn geworden.

3Het geschil

3.1.

ASR vordert thans, na wijzigingen van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. primair Equans te veroordelen tot betaling aan ASR van een bedrag van € 60.709,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW), te rekenen vanaf 11 februari 2019, althans telkens vanaf de datum waarop ASR de afzonderlijke medische kosten van [naam] heeft betaald zoals blijkt uit productie 11 van ASR, althans vanaf 4 april 2024, althans vanaf 20 december 2024, tot aan de dag van algehele voldoening,
    subsidiair Equans te veroordelen tot betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag;
    meer subsidiair tot betaling van een (schade)vergoeding op te maken bij staat met verwijzing van de procedure naar de schadestaatprocedure;

  2. Equans te veroordelen tot betaling aan ASR van een bedrag van € 1.382,10 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;

  3. Equans te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2.

ASR legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. ASR heeft als zorgverzekeraar van [naam] medische kosten vergoed, die hij als gevolg van het ongeval heeft gemaakt. ASR is op grond van artikel 7:962 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:658 lid 2 en lid 4 BW gesubrogeerd in de rechten van [naam] zodat Equans als aansprakelijke partij haar de kosten moet vergoeden omdat het gaat om schade die [naam] leed in de uitoefening van zijn feitelijke werkzaamheden bij Equansof als gevolg van gevaarzettend – en daarmee onrechtmatig – handelen van Equans.

3.3.

Equans voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van ASR in haar vorderingen, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van ASR in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal eerst ingaan op de (kern)vraag of ASR een vordering heeft op Equans, daarna op de hoogte van die vordering en tot slot op de proceskosten.

Heeft ASR een vordering op Equans of geldt het subrogatieverbod?

4.2.

In artikel 7:962 BW staat het volgende:

  1. Indien de verzekerde terzake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, gaan die vorderingen bij wijze van subrogatie op de verzekeraar over voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt. De verzekerde moet zich, nadat het risico zich heeft verwezenlijkt, onthouden van elke gedraging welke aan het recht van de verzekeraar tegen die derden afbreuk doet.

  2. De verzekeraar kan de vordering waarin hij is gesubrogeerd, of die hij door overdracht heeft verkregen, niet ten nadele van het recht op schadevergoeding van de verzekerde uitoefenen.

  3. De verzekeraar krijgt geen vordering op de verzekeringnemer, een mede-verzekerde, de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de geregistreerde partner van een verzekerde, de andere levensgezel van een verzekerde, noch op de bloedverwanten in de rechte lijn van een verzekerde, op een werknemer of de werkgever van de verzekerde, of op degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde. Deze regel geldt niet voor zover zulk een persoon jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan de verzekerde zou zijn toe te rekenen.

4.3.

In deze zaak is niet in geschil dat Equans aansprakelijk is voor de schade die [naam] leed door het ongeval. De vraag is of een vordering tot schadevergoeding van [naam] op Equans – zoals ASR stelt – voor zover het zijn medische kosten betreft op grond van artikel 7:962 lid 1 BW bij wijze van subrogatie is overgegaan op ASR, die als verzekeraar die kosten vergoedde, of dat het bepaalde in artikel 7:962 lid 3 BW (het subrogatieverbod) daaraan in de weg staat.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam] een arbeidsovereenkomst sloot met Equans Nederland en niet met Equans. Equans betoogt dat zij niettemin heeft te gelden als werkgever van [naam] in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW omdat [naam] feitelijk permanent en exclusief bij haar was tewerkgesteld. Volgens ASR kan alleen de formeel juridische werkgever zich beroepen op het subrogatieverbod en gaat het verweer van Equans niet op. Het gaat in deze zaak dus om de vraag of Equans onder de reikwijdte valt van het begrip werkgever in artikel 7:962 lid 3 BW.

4.5.

Over de reikwijdte van het begrip werkgever in artikel 7:962 lid 3 BW heeft de Hoge Raad in 2014 een arrest gewezen, het Anderzorg-arrest1. In het Anderzorg-arrest ging het om de vraag of een benadeelde in dienst was van dezelfde werkgever als de aansprakelijk persoon. De benadeelde werkte voor die werkgever op grond van een arbeidsovereenkomst en de ander werkte daar ook maar was ingeleend. In het arrest staat onder meer het volgende.

3.5

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:962 lid 3 BW zoals aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.9 - 4.11, moet in de eerste plaats worden afgeleid dat de regeling, voor zover hier van belang, de strekking heeft te voorkomen dat verstoring plaatsvindt van een relatie van duurzame aard tussen de verzekerde en degene op wie verhaal wordt genomen. In de tweede plaats volgt daaruit dat de wetgever de onderhavige uitsluiting van subrogatie als een uitzondering aanmerkt en daarom heeft willen beperken tot een klein aantal, limitatief in de wet genoemde categorieën. In de derde plaats kan uit deze wetsgeschiedenis worden afgeleid – in het bijzonder uit de passage geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.10, einde eerste alinea – dat de wetgever heeft beoogd om in de bepaling scherp omlijnde en bij voorkeur bij bestaande juridische begrippen aansluitende categorieën op te nemen waarvan in de regel moet worden aangenomen dat subrogatie de onderlinge relatie zou verstoren, dat wil zeggen categorieën relaties die in hun algemeenheid worden gekenmerkt door de duurzaamheid waarop de bepaling het oog heeft. In de vierde plaats volgt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever bij een en ander heeft onderkend en aanvaard dat art. 7:962 lid 3 BW niet voor alle relaties van duurzame aard subrogatie uitsluit.

Kort samengevat volgt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderings-categorieën boven een meer open geformuleerde maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het aan de orde zijnde concrete geval beantwoordt aan de motieven voor het opnemen van de regeling in de wet.

3.6.1

Op grond van het bovenstaande moet worden aangenomen dat – anders dan het hof heeft vooropgesteld – de wetgever een formeel-juridisch begrip ‘werkgever’ in art. 7:962 lid 3 BW voor ogen heeft gestaan, nu dit formele begrip scherp is omlijnd en ziet op relaties die in het algemeen duurzaam zijn. Daaraan staat niet in de weg dat, zoals het hof heeft overwogen, de wetgever zich bij deze bepaling heeft laten leiden door de vrees dat arbeidsverhoudingen verstoord zouden raken als gevolg van verhaal van de verzekeraar. Deze beweegreden ziet immers op het scheppen van de uitzonderingspositie voor werknemers van dezelfde werkgever, en rechtvaardigt niet om – met voorbijgaan aan hetgeen overigens uit de wetsgeschiedenis volgt – de uitzondering ruim uit te leggen zodat die ook arbeidsverhoudingen omvat die naar hun aard minder duurzaam zijn.

3.6.2

Het hof heeft in rov. 3.9 terecht benadrukt dat sprake moet zijn van een heldere en niet voor veel discussie vatbare afgrenzing van de uitzonderings-categorieën. Anders dan het vervolgens heeft overwogen, zou het als ‘werknemer’ aanmerken van ingeleend personeel als hier aan de orde echter niet passen bij de strekking van art. 7:962 lid 3 BW. Aangenomen moet immers worden dat ondernemingen kiezen voor een zodanig inlenen van personeel – en voor verwante figuren zoals het inschakelen van zogenoemde zzp’ers – in plaats van het aangaan van arbeidsovereenkomsten, omdat zij juist geen duurzame relatie met dit personeel willen aangaan. Bij dergelijke rechtsfiguren past daarom niet om ze voor de toepassing van art. 7:962 lid 3 BW op een lijn te stellen met de op een arbeidsovereenkomst berustende verhouding tussen werkgever en werknemer.

3.6.3

Het hof heeft nog overwogen dat een ruime, ‘materiële’ uitleg van art. 7:962 lid 3 BW is aangewezen omdat deze overeenstemt met hetgeen op andere verwante terreinen wordt geleerd. Ook dit argument kan zijn beslissing niet dragen. De door het hof genoemde bepalingen (art. 6:107a, 6:170 en 7:658 (oud) BW) hebben een andere achtergrond dan art. 7:962 lid 3 BW. Zij regelen vanuit een oogpunt van werknemersbescherming de aansprakelijkheid van de werkgever voor arbeids-gerelateerde ongevallen van zijn personeel en – bij schade van derden – de draagplicht in de onderlinge verhouding tussen de werkgever en de werknemer. Art. 7:962 lid 3 BW betreft de verhouding tussen enerzijds de verzekeraar van degene die schade heeft geleden en anderzijds degene die deze schade heeft veroorzaakt, en beoogt niet de bescherming van de vermogenspositie van degene op wie verhaal zou kunnen worden genomen (zie hiervoor in 3.5). De strekking van art. 7:962 lid 3 BW biedt derhalve geen grond voor het aannemen van een ‘materieel werkgeverschap’ waarbij ingeleend personeel als hier aan de orde wordt gelijkgesteld met personeel dat op basis van een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld.

4.6.

Volgens ASR biedt het arrest steun aan haar stelling dat Equans zich niet op het subrogatieverbod kan beroepen omdat met het begrip werkgever in 7:692 lid 3 BW (alleen) de formeel juridische werkgever wordt bedoeld en niet (ook) de inlener/materieel werkgever.

4.7.

Volgens Equans laat het arrest ruimte voor de conclusie dat een intra-concern inlener zoals Equans, waarbij duidelijk sprake is van een (beoogd) duurzame arbeidsrelatie die ook in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd, werkgever is in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW waarvoor het surogatieverbod is bedoeld.

Zij verzoekt, voor het geval de rechtbank haar standpunt niet deelt, (subsidiair) om op de voet van artikel 392 Rv2 aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag voor te leggen of permanente intra-concerndetachering zoals in deze zaak aan de orde onder de reikwijdte van het subrogatieverbod valt. Een antwoord op die vraag acht Equans noodzakelijk om op de vordering van ASR te beslissen en zij voert in dat verband aan dat werkgeverschap in concernverband een onderwerp is dat sterk aan relevantie heeft gewonnen. Aangezien werkgeversaansprakelijkheid een van de meest geëxploiteerde aansprakelijkheidsgrondslagen in de Nederlandse rechtspraktijk is, zal het eventuele antwoord van de Hoge Raad van belang zijn voor talrijke vergelijkbare zaken, aldus Equans.

4.8.

De rechtbank volgt Equans niet in haar betoog. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW komt zoals door de Hoge Raad in het Anderzorg-arrest beschreven naar voren dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderingscategorieën boven een meer open geformuleerde maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het aan de orde zijnde concrete geval beantwoordt aan de motieven voor het opnemen van de regeling in de wet. Dat betekent dat geen maatwerk wordt geleverd; er zullen duurzame relaties zijn die niet binnen de afbakening passen terwijl het in lijn zou zijn met de beoogde bescherming van de benadeelde als die relatie niet zou worden verstoord door verhaal, en tegelijkertijd zal het verbod ook gelden als in een concreet geval verstoring van de relatie door verhaal niet aan de orde is maar wel sprake is van een in het artikellid beschreven relatie. Er is dus geen ruimte om aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval – in dit geval de aard en duur van de tewerkstelling van [naam] bij Equans – te beoordelen of sprake is van een arbeidsrelatie waarvoor het subrogatieverbod geldt.

4.9.

Het Hoge Raad in het arrest Achmea/Menzis uit 2021 (2) leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel. Equans wijst erop dat als ASR Equans als aansprakelijke voor het arbeidsongeval zou mogen aanspreken tot vergoeding van de aan haar uitgekeerde bedragen, dat afbreuk zou doen aan het subrogatieverbod dat geldt ten aanzien van Equans Nederland. Uit het arrest Achmea/Menzis3 volgt volgens Equans dat het subrogatieverbod niet door regres mag worden omzeild en zij ziet daarin steun voor haar stelling dat ASR (ook) haar niet mag aanspreken.

4.10.

Het arrest Achmea/Menzis ziet op de volgende casus. Twee personen waren hoofdelijk verbonden voor de schade van de slachtoffers van een verkeersongeval, van wie één persoon de echtgenoot en vader van de slachtoffers (zijn echtgenote en hun zoon) is. De Hoge Raad oordeelde dat de strekking van artikel 7:962 lid 3 BW in dat geval meebrengt dat de verzekeraar die de schade van de slachtoffers heeft vergoed de aansprakelijke derde slechts kan aanspreken voor het deel van de schade dat overeenkomt met diens aandeel in het ontstaan van het ongeval. De verhaalsvordering van Menzis mocht niet ertoe leiden dat degene jegens wie een subrogatieverbod geldt, via een omweg toch wordt aangesproken.

4.11.

In deze zaak ligt het anders. Equans Nederland en Equans zijn niet beide aansprakelijk vanwege hun (al of niet te onderscheiden) aandeel in het ontstaan van de schade. Dat in hun onderlinge verhouding Equans, als zij door ASR uitgekeerde bedragen vergoedt, daarvoor regres zou kunnen nemen op Equans Nederland valt niet goed in te zien en is ook niet toegelicht. Het arrest biedt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen steun aan de stelling van Equans dat artikel 7:962 lid 3 BW zo moet worden uitgelegd dat ook zij onder de reikwijdte valt van het begrip werkgever voor wie het subrogatieverbod geldt.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank voor de vraag of Equans zich kan beroepen op het subrogatieverbod voor werkgevers, van doorslaggevend belang vindt of Equans de (formeel juridische) werkgever was van [naam]. Omdat zij dat niet was, geldt voor haar niet het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW. De rechtbank gaat daarom niet in op de verdere stellingen van partijen over de duurzaamheid en exclusiviteit van de tewerkstelling van [naam] bij Equans.

4.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de door Equans voorgestelde prejudiciële vragen te stellen over de reikwijdte van het subrogatieverbod. De rechter kan de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op de vordering te beslissen en rechtsreeks van belang is voor a) een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen of b) voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet (artikel 392 lid 1 Rv). Dat is met de vraag die in deze zaak moet worden beantwoord naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde.

4.14.

De conclusie is dan ook dat Equans kan worden aangesproken door ASR tot betaling van de door haar vergoede en door het ongeval veroorzaakte medische kosten van [naam].

De hoogte van de vordering

4.15.

ASR vordert betaling van € 60.709,76, voor de medische kosten die ASR heeft vergoed aan [naam] als gevolg van het ongeval. ASR verwijst ter onderbouwing van de hoogte van de vordering naar de brief van 4 april 2024 (productie 6 van ASR), waarmee ASR jegens Equans aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van de door vergoede kosten van in totaal € 60.709,76 en het bij die brief gevoegde verstrekkingsoverzicht. Daarnaast heeft ASR een chronologisch overzicht overgelegd van de data waarop ASR de kosten heeft vergoed die [naam] als gevolg van het ongeval heeft moeten maken (productie 11 van ASR). ASR heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij het gestelde bedrag aan zorgkosten daadwerkelijk heeft vergoed, ook al zijn geen betalingsbewijzen overgelegd.

4.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van ASR tot betaling van een bedrag van € 60.709,76 zal worden toegewezen.

4.17.

Over het toe te wijzen bedrag is wettelijke rente toewijsbaar vanaf de data waarop ASR de betreffende medische kosten van [naam] heeft betaald. Die betaaldata blijken uit productie 11 van ASR.

4.18.

ASR heeft een bedrag van € 1.382,10 aan buitengerechtelijke kosten gevorderd. ASR heeft de omvang van de buitengerechtelijke kosten berekend conform de staffel bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

4.19.

De rechtbank zal de vordering – mede gelet op de aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II – afwijzen. ASR heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd gesteld dat haar advocaat verschillende brieven heeft verzonden en heeft gecorrespondeerd met de arbeidsinspectie, maar zij heeft dat verder niet toegelicht of gespecificeerd. Dat is niet genoeg om aan te kunnen nemen dat er kosten zijn gemaakt anders dan voor verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit.

1Hoge Raad 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3461

2Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

3Hoge Raad 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5880

 

Rechtbank Den Haag 29 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10578