Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 060219 uit achtergrondinformatie rond cessie valt op te maken dat cessionaris immateriële schadevergoeding wilde vorderen

RBROT 060219 uit achtergrondinformatie rond cessie valt op te maken dat cessionaris immateriële schadevergoeding wilde vorderen 

(Tussenvonnis na eerder tussenvonnis rb-rotterdam-131217-auto-ongeval-door-pollerinstallatie-geen-subrogatie-wam-ass-t-z-v-vordering-passagier-wel-geldige-cessie)

De verdere beoordeling

2.1.
Bij tussenvonnis van 13 december 2017 is UVM in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de door de Gemeente Dordrecht ingenomen stelling dat onduidelijk is welk deel van de aan [naam] uitgekeerde schade ter titel van immateriële schade is, hetgeen van belang is (aldus de Gemeente Dordrecht) omdat vorderingen ex artikel 6:106 lid 1 BW op grond van artikel 6:106 lid 2 BW niet voor overgang vatbaar zijn.

2.2.
UVM heeft zich bij akte van 7 februari 2018 ter zake samengevat als volgt uitgelaten.

De aan [naam] uitgekeerde vergoeding voor zijn schade bestaat voor een bedrag van € 160.000,00 uit immateriële schadevergoeding.

UVM stelt zich primair op het standpunt dat artikel 6:106 lid 2 BW niet aan een rechtsgeldige cessie van de vordering tot immateriële schadevergoeding in de weg staat. UVM heeft de vordering van [naam] , inclusief de vordering tot vergoeding van immateriële schade, overgenomen zodat [naam] de schadeafwikkeling kon afsluiten. Daarmee heeft UVM gehandeld in overeenstemming met de gedachte achter de beperkte overdraagbaarheid van de vordering op immateriële schadevergoeding, die erop neerkomt dat de immateriële schadevergoeding is bedoeld voor slachtoffers en het niet de bedoeling is dat anderen hiervan profiteren. UVM wijst in dit verband ook op de omstandigheid dat in verband met in de literatuur geuite kritiek op artikel 6:106 lid 2 BW op 9 mei 2017 een wetsvoorstel inzake affectieschade door de Tweede Kamer is aangenomen waarin tevens wijziging van voornoemde bepaling is voorgesteld. Het wetsvoorstel ligt thans ter goedkeuring bij de Eerste Kamer. (rb: het wetsvoorstel is door de Eerste Kamer aangenomen. De wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.) UVM verzoekt te anticiperen op dit wetsvoorstel.

Subsidiair stelt UVM dat een beroep op en toepassing van artikel 6:106 lid 2 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en de cessie aldus rechtsgeldig is te achten. Het staat haaks op de beschermingsgedachte van artikel 6:106 lid 2 BW om [naam] wederom lastig te vallen met de voor hem zo belastende schadeafwikkeling. Indien de cessie ten aanzien van de vordering tot immateriële schadevergoeding niet rechtsgeldig zou zijn, zal [naam] immers zelf aanspraak op vergoeding van de immateriële schade moeten maken bij de Gemeente Dordrecht of een nadere overeenkomst moeten sluiten met UVM, al dan niet onder gedeeltelijke vernietiging (op grond van dwaling) van de eerdere cessie op dit punt.

Meer subsidiair stelt UVM dat als artikel 6:106 lid 2 BW aan de geldigheid van de cessie in de weg zou staan, de Gemeente Dordrecht aan [naam] een gelijk bedrag van de immateriële schadevergoeding verschuldigd is op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

2.3.
De Gemeente Dordrecht heeft in reactie hierop onder meer aangevoerd dat UVM heeft verzuimd onderbouwd te stellen welk bedrag aan immateriële schadevergoeding aan [naam] is voldaan. Omdat UVM er belang bij heeft, gelet op het verweer van de Gemeente Dordrecht, dat in rechte wordt aangenomen dat het uit dien hoofde uitgekeerde bedrag gering is, mocht van UVM meer worden verlangd. De Gemeente Dordrecht verzoekt dan ook UVM te instrueren zulks alsnog te doen. Volgens de Gemeente Dordrecht staat voorts tussen partijen vast dat van de twee in artikel 6:106 lid 2 BW genoemde uitzonderingen op de beperking van de overdraagbaarheid van het recht op immateriële schadevergoeding geen sprake is. Uitgangspunt is derhalve dat op grond van genoemd artikellid de vordering ter zake immateriële schadevergoeding niet door [naam] aan UVM is overgedragen.

De Gemeente Dordrecht betwist voorts dat een belangenafweging met zich brengt dat artikel 6:106 lid 2 BW terzijde geschoven dient te worden, dan wel de redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan een beroep op artikel 6:106 lid 2 BW dan wel dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

2.4.
De (uit de parlementaire geschiedenis volgende) gedachte achter de in artikel 6:106 lid 2 BW opgenomen beperkte overdraagbaarheid van de vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding is dat het recht op vergoeding van immateriële schade in die zin hoogstpersoonlijk is dat de benadeelde zelf moet laten blijken dat of hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensnadeel wil vorderen.

Niet in geschil is dat UVM met de door haar aan [naam] betaalde vergoeding van € 2.191.000,00 ook de door [naam] geleden immateriële schade heeft vergoed. Hieruit leidt de rechtbank af dat [naam] jegens UVM aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding voor immateriële schade. Voorts staat vast dat [naam] middels cessie zijn vordering op de Gemeente Dordrecht aan UVM heeft overgedragen voor een bedrag van € 2.191.000,00 en derhalve voor het volledige bedrag dat hij van UVM heeft ontvangen als vergoeding.

Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat [naam] een vergoeding voor zijn immateriële schade (heeft) wil(len) vorderen van de Gemeente Dordrecht en dat enkel en alleen omdat vergoeding van zijn schade eerst door UVM ter hand is genomen, [naam] dit niet heeft laten blijken op één van de twee in lid 2 van artikel 6:106 BW genoemde mogelijkheden. Dit brengt mee dat [naam] naar het oordeel van rechtbank voldoende duidelijk heeft laten blijken dat hij vergoeding van zijn immateriële schade van de Gemeente Dordrecht wil vorderen. Onder deze omstandigheden zou het in strijd met de strekking van artikel 6:106 lid 2 BW zijn om te oordelen dat geen sprake is van rechtsgeldige cessie van dit deel van de vordering van [naam] aan UVM. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de hele vordering van [naam] op de Gemeente Dordrecht rechtsgeldig door [naam] is gecedeerd aan UVM.

2.5.
Met voorgaand oordeel is het belang dat de Gemeente Dordrecht stelt te hebben bij wetenschap van de hoogte van het door UVM aan [naam] uitgekeerde bedrag ten titel van immateriële schadevergoeding weggevallen. Bij gebreke van een gesteld ander belang, ziet de rechtbank geen aanleiding om UVM, zoals de Gemeente Dordrecht heeft verzocht, op te dragen om te onderbouwen dat zij het door haar gestelde bedrag van € 160.000,00 aan [naam] heeft vergoed als vergoeding voor immateriële schadevergoeding.

2.6.
UVM is in haar akte uitlating ingegaan op hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.15. van haar tussenvonnis van 13 december 2017 heeft overwogen, namelijk dat op grond van vaste jurisprudentie een regresnemend verzekeraar een beroep kan doen op de billijkheidscorrectie van artikel 6:106 lid 1 BW. De Gemeente Dordrecht heeft bij antwoordakte na tussenvonnis verzocht om dit deel van de akte van UVM buiten beschouwing te laten nu de rechtbank partijen geen gelegenheid had geboden om bij akte hierop te reageren.

Het is juist, zoals de Gemeente Dordrecht stelt, dat UVM aldus buiten de instructie van de rechtbank is getreden. Daar staat tegenover dat het debat op dit punt nog onvoldoende tussen partijen is gevoerd. Het ter zake door UVM gestelde zal derhalve niet buiten beschouwing worden gelaten. De Gemeente Dordrecht zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te reageren op de uitlatingen van UVM op dit punt.

2.7.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. ECLI:NL:RBROT:2019:913