Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 250226 schade a.g.v. tibiaplateaufractuur 21 jarige; rb. bepaalt uitgangspunten; MO (fulltime) taxichauffeur, ZO loondienst horeca; wel geleden schade, geen toekomstig VAV;

RBDHA 250226 schade a.g.v. tibiaplateaufractuur 21 jarige; rb. bepaalt uitgangspunten; MO (fulltime) taxichauffeur, ZO loondienst horeca; wel geleden schade, geen toekomstig VAV;
- vordering HH integraal afgewezen; schade is onvoldoende onderbouwd;
- zelfwerkzaamheid is met € 2.442 voor tuinonderhoud onrealistische hoog begroot; begroting rb a.d.h.v. richtlijn zelfwerkzaamheid DLR (oud) eindleeftijd 70;
- smartengeld ernstig knieletsel, cf Rotterdamse Schaal, partijen zijn het eens geworden over € 58.500;
- verklaring voor recht over meerschade als gevolg van optreden of verergeren van artrose in knie; toegewezen, zo ook belastinggarantie;
- Eigen Risico ZVZ tot 50ste jaar cf vordering eiser, zo ook hogere premie als gevolg van verlaging ER
- kosten toekomstige fysiotherapie toegewezen, zo ook kosten personal trainer
- BGK na afgewezen schikkingsvoorstel niet redelijk, en voor het overige gekort met 50%, mede met het oog op de door de rechtbank afgewezen schadecomponenten
 

2De feiten

2.1.

Op 11 juli 2014 is de destijds 21-jarige [eiser] (geboren op [geboortedatum] 1992), als bestuurder van een snorfiets, gewond geraakt bij een ongeval. Het ongeval is veroorzaakt door een bij Compensa verzekerde automobilist die afsloeg zonder voorrang te verlenen. Achmea vertegenwoordigt Compensa en heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.2.

Op 16 juli 2014 is [eiser] geopereerd vanwege een door het ongeval ontstane botbreuk aan de bovenkant van het scheenbeen in het rechter kniegewricht (tibiaplateau fractuur). De breuk is chirurgisch vastgezet om het bot in de juiste positie te laten genezen. In juni 2015 volgde een tweede operatie, waarbij het materiaal waarmee het bot was gefixeerd is verwijderd. Op 14 september 2016 volgde een derde (kijk)operatie, waarbij het kniegewricht is schoongemaakt.

2.3.

Op verzoek van partijen is [eiser] – voor het in kaart brengen van de medische gevolgen van het ongeval – in 2017 onderzocht door orthopedisch chirurg dr. [naam 2] van het Neuro-Orthopaedisch Centrum te Bilthoven. In zijn rapport van 6 juni 2018 meldt hij onder meer:

V. SAMENVATTING:

Betrokkene, een toen 21-jarige ondernemer, is (…) met zijn scooter tegen een auto gebotst waarbij een laterale tibiaplateaufractuur rechts, type Schatzker type II met afscheuring van de voorste eminentia ontstond inclusief een contusie van de linker pols. Op 16 juli 2014 volgde repositie met een plaat en schroefosteosynthese en fixatie van de eminentia door middel van een cerciage. Postoperatief werd geoefend op de CPM gevolgd door immobilisatie in een gipskoker tot begin september 2014, waarna gestart werd met fysiotherapie en geleidelijk progressief belasten. Het klinisch beloop werd gehinderd door bewegingsbeperkingen, recidiverende hydrops en een verminderde stabiliteit van de rechter knie, een verminderde spierkracht rechts en een afwijkend looppatroon. Daarnaast was er enige last van een spierherniatie door een fasciadefect in het rechter onderbeen. Uiteindelijk is de fractuur met een verbreed tibiaplateau, een impressie van het laterale deel inclusief een lichte valgusstand geconsolideerd. Vanwege klachten werd het osteosynthesemateriaal op 17.06.2015 verwijderd met inclusief een verwijding van het fasciadefect wat een verbetering van de klachten gaf. Omdat er gaandeweg toch weer wat klachten van een verminderde belastbaarheid van de rechter knie bleven bestaan, werd in april 2016 een variserende brace met scharnier aangemeten. Vanwege persisterende klachten werd op 14.09.2016 een artroscopie uitgevoerd waarbij een insufficiënte, partieel geruptureerde voorste kruisband werd gevonden, inclusief kraakbeenafwijkingen in de patella, de mediale en laterale femurcondyl en het laterale tibiaplateau. De laterale meniscus bleek degeneratief, en er werd een nettoyage verricht met verwijdering van een corpus liberum. (…) Bij het lichamelijk onderzoek blijkt betrokkene gebruik te maken van een kniebrace prothese rechts en inlays met mediale ophoging in beide schoenen. (…)

VI. OVERWEGINGEN:

(…) De meeste klachten van betrokkene ontstaan bij het belasten van de knie wat past bij de intra-articulaire kraakbeenschade en de benige en ligamentaire instabiliteit bij het lichamelijk onderzoek. (…) De prognose van tibiaplateaufracturen op de middellange termijn lijkt in het algemeen redelijk goed maar het risico op een vervroegde posttraumatische artrose is zeker bij betrokkene verhoogd. (…) Het risico op een vervroegde gonartrose bij betrokkene is verder verhoogd door de anterolaterale rotatoire instabiliteit en de verstrekte valgusstand. Daarnaast is er ook pateliofemorale kraakbeenschade, wat eveneens kan bijdragen aan een progressieve gonartrose.

BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN:

1. De situatie met ongeval

(…)

Vraag f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal

diagnostische overweging geven?

Een 25-jarige horecaondernemer met een sterk verminderd belastbare rechter knie door pijn, zwelling, een verminderde benige en ligamentaire stabiliteit en retropatellaire chondropathieklachten na een laterale tibiaplateaufractuurtype Schatzker 2 met insufficiëntie van de voorste kruisband. De tibiaplateaufractuur is in een lichte depressie geconsolideerd

na open repositie en een schroefosteosynthese met een versterkte valgusstand van het rechter been als gevolg. (…)

Beperkingen

Vraag g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven in het bijgevoegde beperkingenformulier en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Antwoord: De rechter knie is sterk verminderd belastbaar bij staan, lopen, traplopen, lopen op ongelijk terrein, gebogen werken, bukken of torderen, tillen, duwen en trekken door schade aan het intra-articulaire kraakbeen van vooral het laterale tibiaplateau, de anterolaterale instabiliteit door de veranderde benige configuratie van het laterale tibiaplateau, de valgusstand, en de relatieve insufficiëntie van de voorste kruisband.

De belastbaarheid van de rechter knie wordt verder beperkt door de afwijkingen in het patellofemorale gewricht wat hinder kan geven bij zitten, traplopen, klimmen of klauteren, knielen, kruipen of hurken. Daarnaast kan bij kracht zetten nog hinder ontstaan door de spierhernia in het rechter onderbeen. De sensibiliteitstoornissen lateraal van het operatielitteken geven geen echte beperkingen.

Medische eindsituatie

Vraag h. Acht U de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

Antwoord: Ik verwacht in de toekomst een verslechtering van het op mijn vakgebied

geconstateerde letsel.

Vraag i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

Het is te verwachten dat er een progressieve posttraumatische gonartrose gaat ontstaan. De prognose van tibiaplateaufracturen op de middellange termijn lijkt in het algemeen redelijk goed maar het risico op een vervroegde posttraumatische artrose is zeker bij betrokkene verder verhoogd door de anterolaterale rotatoire instabiliteit en de versterkte valgusstand. Daarnaast is er ook patellofemorale kraakbeenschade, wat eveneens kan bijdragen aan een progressieve gonartrose.

Vraag j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

Antwoord: Het is lastig om in te schatten op welke termijn er een invaliderende progressief pijnlijke gonartrose zal ontstaan.

Op het meest recente röntgenonderzoek zijn er wel al tekenen van een begin van degeneratie aanwezig.

Vraag k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1g) en voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1h)?

Antwoord: Het is te verwachten dat door een progressieve posttraumatische gonartrose de functie en de belastbaarheid van de rechter knie verder zullen afnemen met toename van pijn en zwelling.

2De situatie zonder ongeval

(…) Noch in de anamnese, noch in de correspondentie van vóór het ongeval komen klachten en afwijkingen op mijn vakgebied naar voren, die onderzochte thans nog heeft. (…) De gevonden klachten en afwijkingen zijn ongeval gerelateerd. (…) Voor het ongeval waren er geen klachten of gerapporteerde afwijkingen in de beide knieën.

(…)”

2.4.

[eiser] heeft zich ten behoeve van zijn re-integratie laten bijstaan door arbeidsdeskundig bureau Radar. Uit het rapport van mevrouw [naam 4] van Radar van 29 november 2019 volgt dat een loopbaanonderzoek is uitgevoerd door beroepskeuzebureau BvS Advies teneinde de capaciteiten van [eiser] in kaart te brengen.

2.5.

In het rapport van beroepskeuzeadviseur [naam 5] van 7 januari 2020 is over een beroepskeuzeonderzoek bij [eiser] onder meer het volgende vermeld:

“Zijn resultaten van het capaciteitenonderzoek gaven aanleiding om een vergelijking te maken met niveau mbo 3-4 en hbo. (…) Samenvattend heeft hij blijk gegeven van een mbo/hbo werk- en denkniveau. Cijfermatig is hij sterk en ook de combinatie van visuele waarneming en logisch denken ligt hem. Zijn dyslexie is te herkennen in zijn zwakke taalvaardigheid. Ook logisch denken met woorden blijft achter. (…)

CONCLUSIE [eiser] heeft blijk gegeven van een mbo/hbo werk- en denkniveau. Logisch denken ligt hem het beste als het gaat om cijfers en visuele waarneming. Daar scoort hij op hbo-niveau. Logisch denken met taal ligt hem minder. (…) [eiser] maakt zich met ‘zijn slechte lichaam’ zorgen over zijn toekomst. Hij is praktisch, ondernemend en dienstverlenend ingesteld, houdt van de horeca en wilde met hard werken een mooi bedrijf neerzetten. Dat computers er een marginale rol in spelen zag hij als een groot voordeel hij houdt er niet van om veel achter de computer te zitten. Nu zijn er fysieke beperkingen die zijn praktische kant in de weg staan. Maar zijn ondernemende en dienstverlenende kant zijn onverminderd sterk aanwezig en bieden samen met zijn cijfermatige kwaliteiten aanknopingspunten voor een nieuwe start. (…)”

2.6.

Vervolgens hebben partijen arbeidsdeskundig bureau Radar gevraagd om het verlies aan verdienvermogen te berekenen en een would be onderzoek te verrichten. In dit kader heeft arbeidsdeskundige [naam 6] van Radar verzocht om een functionele mogelijkheden lijst van een verzekeringsgeneeskundige, omdat deze ontbrak en de lijst van [naam 2] niet (langer) actueel was.

2.7.

Bij beschikking van 17 maart 2021 (zaaknummer / rekestnummer: C/09/604606 / HA RK 20-557) (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft deze rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen ter beantwoording van de zogenoemde IWMD-vraagstelling (interdisciplinaire werkgroep medische deskundigen) en het opstellen van een FML (functionele mogelijkheden lijst), waartoe verzekeringsarts (tevens medisch adviseur) [naam 3] is benoemd.

2.8.

De verzekeringsarts heeft na dossierstudie en een huisbezoek onder meer het volgende geschreven in de rapportage van 16 juni 2021:

4. Beschouwing en conclusie.

(…)

Ten tijde van het onderzoek geeft patiënt aan een klachtenpatroon te hebben bestaande uit stekende pijn in de rechter knie toenemend in de loop van de dag en ook ’s nachts. De knie wordt regelmatig dik bij belasting in de vorm van staan, lopen. (…) Patiënt draagt een brace. Na verwijdering van de brace zijn wondjes zichtbaar als zijnde een gevolg van de druk van deze brace op de huid. Bij onderzoek wordt een wat rode knie gezien. Er is sprake van een verminderde buigmogelijkheid. Er blijkt sprake te zijn van laxiteit. Uitgebreider onderzoek van de knie heeft ondergetekende niet verricht gezien de hevige pijnaangifte en het gegeven dat er een actueel expertiserapport voorhanden is. (…) Voor zover door ondergetekende te beoordelen is het huidige toestandsbeeld in essentie niet gewijzigd ten opzichte van het beeld geschetst door deskundige [naam 2] in het expertiserapport d.d. 6 juni 2018.

(…)

Antwoord op vraag 1g (Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval?)

Ondergetekende is van mening dat patiënt is aangewezen op arbeid/activiteiten waarbij beperkingen gelden met betrekking tot belasting van de rechter knie. Er gelden dan ook beperkingen met betrekking tot staan, lopen, traplopen, knielen, kruipen, hurken, dragen etc. Lopen i.c.m. staan maximaal 2 uur / dag Voor een omschrijving van de beperkingen wordt verwezen naar bijgevoegde beperkingenlijst d.d. 23 april 2021.

Antwoord op vraag 1h (Medische eindsituatie; acht u de huidige toestand van onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijkende gevolgen van het ongeval mogelijk is of verwacht u in de toekomst nog belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?).

Op lange termijn (8 - 10 jaar) dient rekening gehouden te worden met toegenomen klachten en beperkingen ten gevolge van een verslechterde situatie van het rechter kniegewricht.

Antwoord op vraag 1i (Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?)

Er dient rekening gehouden te worden met een toename van klachten en beperkingen ten gevolge van het ongeval letsel in de vorm van een tibiaplateaufractuur rechts. (…)

Antwoord op vraag 1j (Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?)

8 tot 10 jaar. Rekening moet worden gehouden met een substantiële verslechtering.

Antwoord op vraag 1k (Kunt u aangegeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zou hebben voor de beperkingen als bedoeld in vraag 1g?)

Er dient rekening gehouden te worden met verdere toename van de huidige beperkingen met betrekking tot staan, lopen, traplopen, knielen, kruipen, hurken etc.

(…).”

2.9.

In de bij het rapport van de verzekeringsarts gevoegde FML van 23 april 2021 zijn de volgende beperkingen opgenomen:

“RUBRIEK III: AANPASSING AAN FYSIEKE OMGEVINGSEISEN

8. Trillingsbelasting

1. beperkt, namelijk geen zware schokken op het rechter been

9. Overige beperkingen van de fysieke aanpassingsmogelijkheden

1. namelijk: verzwakte huidbarriere t.g.v. druk van brace

10. Aanvullende / specifieke voorwaarden voor de aanpassing aan de fysieke arbeidsomgeving

(…)

1. ja, er gelden aanvullende / specifieke voorwaarden voor de aanpassing aan de fysieke arbeidsomgeving, namelijk patiënt moet zich zo nodig kunnen vertreden / verzitten. Moet zo nodig rechter knie kunnen strekken.

RUBRIEK IV: DYNAMISCHE HANDELINGEN

(…)

2. Lokalisatie beperkingen

1. rechts: been

11. Frequent buigen tijdens werk

1. licht beperkt

13. Duwen of trekken

1. beperkt, kan ongeveer 10 kg. duwen of trekken

14. Tillen of dragen

2 beperkt

16. Frequent zware lasten hanteren tijdens het werk (ongeveer 10 keer per uur)

1. ernstig beperkt

18. Lopen

2 beperkt. Maximaal 15 minuten op gladde ondergrond. Incidenteel op ongelijke ondergrond.

19. Lopen tijdens het werk

2 beperkt. Maximaal 2 uur/dag

20. Traplopen

2 beperkt

22. Knielen of hurken

1. beperkt, kan niet of nauwelijks knielend of hurkend met de handen de grond bereiken

24. Aanvullende / specifieke voorwaarden voor het dynamisch handelen in arbeid

1. ja, er gelden aanvullende / specifieke voorwaarden voor het dynamisch handelen, namelijk

Lopen:

2 uur/dag een kwartier

Trappenlopen:

2 keer/uur 15 treden

Klimmen en klauteren:

2 keer per uur 50 cm

Kortcyclisch buigen en torderen:

150 keer/uur 90 graden

Tillen:

15 keer/uur 5 kg

Dragen:

1. uur/werkdag 5 kg

RUBRIEK V: STATISCHE HOUDINGEN

1. Zitten

1. licht beperkt, kan ongeveer een uur achtereen zitten

2. Zitten tijdens werk

1. licht beperkt, kan zo nodig gedurende het grootste deel van de werkdag zitten (ongeveer 6-8 uur)

3. Staan

1. licht beperkt, kan ongeveer een half uur achtereen staan

4. Staan tijdens werk

2 beperkt, kan zo nodig 2 uur van de werkdag staan

5. Geknield of gehurkt actief zijn

1. beperkt, niet mogelijk

6. Gebogen en/of getordeerd actief zijn

1. beperkt

9. Afwisseling van houding

1. specifieke eisen aan afwisseling van houdingen, namelijk patiënt moet zich zo nodig kunnen vertreden / verzitten. Moet zo nodig rechter knie kunnen strekken

11. Aanvullende / specifieke voorwaarden voor statische houdingen in arbeid

(zijn statische houdingen in arbeid door de genoemde beperkingen of het daarop gerichte compensatiegedrag afhankelijk van specifieke voorwaarden?)

1. ja, er gelden aanvullende / specifieke voorwaarden voor statische houdingen, namelijk

Staan:

2 uur/dag een half uur

Gebogen werken:

4 uur/werkdag een kwartier”

2.10.

In een voortgangsbericht van 19 augustus 2021 van Kwink arbeidsdeskundigen in letselschade is onder meer bericht dat aan [eiser] is voorgesteld een multidisciplinair traject letselrevalidatie te volgen, dat een optie is voorgesteld voor aangepast vervoer (auto) en dat is voorgesteld een begeleidingstraject bij reintegratie in werk. Hier is vervolgens uitvoering aan gegeven.

2.11.

In 2023 is [eiser] gestart met werkzaamheden als taxichauffeur in loondienst voor gemiddeld tien uur per week. Dit doet hij tot op heden nog steeds. [eiser] heeft na de lagere school een opleiding op mbo-2 niveau tot (niet zelfstandig werkend) kok afgerond en heeft vanaf zijn twaalfde tot zijn twintigste jaar (2004-2012) in de horeca in loondienst (fulltime) gewerkt (van afwasser tot kok). Ten tijde van het ongeval had [eiser] sinds vier maanden een eigen cateringbedrijf ( [bedrijfsnaam] B.V.), dat kort na het ongeval is beëindigd. Vanaf 2016 heeft [eiser] opnieuw een eigen horecaonderneming gehad, die in 2018 failliet is verklaard. Voor het ongeval maakte [eiser] lange werkweken (70 a 80 uur per week). Vanaf het ongeval tot 2023 heeft [eiser] geen winst uit onderneming gegenereerd of loon ontvangen.

2.12.

Op verzoek van partijen heeft arbeidsdeskundige [naam 6] vervolgens getracht om inzicht te geven in de hypothetische situatie zonder ongeval. In haar rapport van 25 januari 2023 schrijft [naam 6] dat het – gelet op meerdere factoren – lastig is om hiervan een representatief beeld te schetsen. Vermeld is onder meer:

“Met betrokkene, zijn vader en meneer Bosch stond ik uitvoerig stil bij de problemen ten aanzien van het would be onderzoek in relatie tot het toekomstbeeld dat betrokkene schetst. Ik benoem onder meer de volgende punten:

- omzetcijfers zeggen weinig tot niets (…)

- hoe kunnen de omzetcijfers bepaald worden, aangezien er cateringbedrijven in vele vormen en van verschillende grootte en omvang te vinden zijn; met welke bedrijven kan er een vergelijking gemaakt worden om enigszins tot een representatief beeld te komen?

- over welke capaciteiten moet iemand beschikken om een cateringbedrijf van een bepaalde grootte winstgevend te maken en houden, en beschikt betrokkene daar in voldoende mate over aangezien zijn opleidingsverleden daar niet op gericht is?

- hetzelfde geldt voor de rol die hij binnen zijn bedrijf uiteindelijk voor ogen had?

- in hoeverre en in welke vorm had de hulp van vader en broers de resultaten kunnen beïnvloeden?

De (salaris)ontwikkeling van een functie binnen de horeca in loondienst roept ook vragen op:

- welke functie moet als maatgevend gebruikt worden?

- staan de verdiensten in loondienst in een redelijke tot goede verhouding met de winst die als zelfstandig ondernemer gemaakt kan worden?

Kortom: het vraagstuk dat voorligt is complex. Ik vraag mij zelfs hardop af of er een representatieve uitkomst te vinden is. (…) Als er geen duidelijke invalshoeken bepaald kunnen worden, is een abstracte in plaats van een arbeidsdeskundige benadering van het vraagstuk een betere optie.”

2.13.

In het vervolgrapport van 8 augustus 2023 concludeert [naam 6] – na voormalig werkgever van [eiser] [naam 7] bij het onderzoek te hebben betrokken – dat zij geen mogelijkheden ziet om een objectief onderbouwd antwoord te geven op de aan haar voorgelegde vraagstelling (komen tot een would be-scenario, waarin het ongeval wordt weggedacht) en dat zij zich genoodzaakt ziet om de opdracht retour te geven. Zij geeft partijen mee om een abstracte benadering te hanteren voor het bepalen van de hypothetische situatie van [eiser] zonder ongeval. In het rapport staat onder meer, voor zover van belang:

“Voor het ongeval had betrokkene het in zich om van het grand café met bijbehorende feestzaal een groot succes te maken en had hij er een dik belegde boterham aan kunnen verdienen. Dit omdat hij [ [naam 7] ] betrokkene kende als een zeer gemotiveerde en gedreven harde werker, die het niet ontbrak aan werklust (…). Volgens meneer [naam 7] had betrokkene uit kunnen groeien tot een goed ondernemer onder zijn begeleiding en die van zijn vader. Ik bracht bij meneer [naam 7] onder de aandacht dat betrokkene dyslectisch is en geen computerervaring heeft (ook geen interesse in het werken met computers). (…)

Naar mijn idee zijn de eerder geschetste problemen na het gesprek met en de informatie van meneer [naam 7] helaas voor het grootste deel nog steeds van kracht. Alleen de aanname dat betrokkene geschikt was/is voor de rol van horeca ondernemer binnen de catering kan mogelijk uit de verkregen informatie gedestilleerd worden. Blijft echter feit dat er nog steeds te veel punten zijn die het naar mijn mening onmogelijk maken om een gedegen, voor u bruikbare en goed onderbouwde uitspraak te doen over een geschikt would be scenario.

Ik benoem nogmaals:

1. Omzetcijfers zeggen weinig tot niets.

2. De omzetcijfers kunnen niet bepaald worden zonder een bedrijf waarmee een vergelijking

gemaakt kan worden.

3. Hoelang had betrokkene begeleiding nodig gehad van meneer [naam 7] , zijn vader en broers om uiteindelijk zelfstandig verder te kunnen gaan en in welke vorm precies?

4. Is er op basis van een loondienstverband een scenario te schetsen? Welke functie moet dan als maatgevend gebruikt worden?

5. Staan de verdiensten in loondienst in een redelijke tot goede verhouding met de winst die als zelfstandig ondernemer gemaakt kan worden? Omdat ik geen mogelijkheden zie om goed en objectief onderbouwd antwoord te geven op uw vraagstelling, ben ik genoodzaakt u de opdracht retour te geven. (…)”

2.14.

In een rapportage arbeidsdeskundig vervolgonderzoek van 26 maart 2024 van [naam 4] , register arbeidsdeskundige, is onder meer vermeld:

“Op 27 februari 2024 vond een gezamenlijk gesprek plaats. (…). In dit gesprek werd de intentie uitgesproken om toe te werken naar een afwikkeling van de schade. In dit kader spraken wij af dat ik bij wijze van denkrichting / grove schets de functie van taxichauffeur / privéchauffeur (in loondienst / zelfstandig) in kaart zou brengen voor wat betreft verdiensten, benodigde investeringen etc. (…)

Beschouwing en conclusie

(…) Op basis van het belastbaarheidsprofiel van de heer [naam 3] is de functie passend. Wanneer men stadsritten uitvoert komt tillen alleen incidenteel voor en zijn de ritten niet te lang, zodat betrokkene tussendoor tijdig kan vertreden. (…) Of betrokkene in staat kan worden geacht om het werk fulltime uit te voeren kan ik niet inschatten. Er is geen urenbeperking of restrictie ten aanzien van het arbeidspatroon genoemd door de heer [naam 3] . Echter, op dit moment is betrokkene 3 x 3 a 4 uur per week (circa 10,5 uur) werkzaam als chauffeur personenvervoer en zegt hij dat als maximaal te ervaren. (…) In dit rapport is een indicatie van de verdiensten per uur gegeven.”

2.15.

Aan [eiser] is tot op heden € 500.000,- als voorschot op de schade betaald. Het is partijen niet gelukt om buitengerechtelijk tot een schaderegeling te komen.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Achmea te veroordelen tot betaling van de resterende verschenen schade van

€ 217.538 en aan toekomstige schade € 1.534.586;

II. Achmea te veroordelen tot betaling van de door [eiser] te lijden box drie schade ('de fiscale component’) van € 189.972,-;

III. Achmea te veroordelen tot betaling van de door [eiser] betaalde buitengerechtelijke kosten, na verrekening van eerdere voorschotten begroot op (afgerond) € 12.880,-;

IV. Achmea te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente;

V. Achmea te veroordelen tot het verstrekken van een belastinggarantie binnen veertien dagen na het door de rechtbank te wijzen vonnis;

VI. voor recht te verklaren dat in de begroting van de schade geen rekening is gehouden met meerschade die ontstaat door het optreden c.q. verergeren van de posttraumatische artrose in de rechterknie van [eiser] ten opzichte van het rapport van [naam 2] van 6 juni 2018, waardoor de beperkingen ernstiger zijn geworden dan eerder door verzekeringsarts [naam 3] in diens rapport van 16 juni 2021 is vastgesteld;

VII. Achmea te veroordelen in de (na)kosten, met rente.

3.2.

Aan de vordering ligt – samengevat – ten grondslag dat Achmea als verzekeraar van de automobilist die geen voorrang heeft verleend aan [eiser] , aansprakelijk is voor de dientengevolge door [eiser] geleden (hierna te noemen) schade op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). [eiser] heeft zijn schade (met HetRekenprogramma via De Bureaus) als volgt begroot:

Verschenen schade € 717.538,-

Toekomstige schade € 1.534.586,-

Fiscale component € 189.972,-

Buitengerechtelijke kosten € 12.880,-

Wettelijke rente € 69.779,58 +

Totale schade € 2.524.756,-

Minus: betaalde voorschotten € 500.000,-

Totale vordering (afgerond) € 2.024.756,-

De gevorderde schadevergoeding heeft onder meer betrekking op verminderd arbeidsvermogen, behoefte aan huishoudelijke hulp, verlies van zelfwerkzaamheid, smartengeld en diverse overige materiële schadeposten. Verder wordt in verband met de vordering wegens verminderd arbeidsvermogen – wat schade is uit een niet belaste bron – een belastinggarantie bedongen, met daarin de tekst die gebruikelijk is bij Achmea. De vordering die ziet op de fiscale component is ingesteld omdat bij het uitbetalen van een som ineens, [eiser] daarover Inkomstenbelasting (box drie) verschuldigd zal zijn. De verklaring voor recht in verband met aansprakelijkheid van Achmea voor meerschade door verergering van artrose in de rechterknie bij [eiser] is gevorderd omdat daarmee in de onderhavige vorderingen nog geen rekening is gehouden. Op vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt aanspraak gemaakt op grond van artikel 6:96 BW. Na aftrek van het (onder algemene titel) betaalde voorschot van € 500.000,- resteert een totaalbedrag van € 2.024.756,-.

3.3.

Achmea voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Achmea heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Over de medische situatie en over de beperkingen die daarvan het gevolg zijn, bestaat tussen partijen geen geschil (meer). Wat hen verdeeld houdt is welke schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen en in welke omvang. In het navolgende zal de rechtbank de vordering beoordelen per afzonderlijke schadepost waarvan [eiser] vergoeding vordert.

Verminderd arbeidsvermogen

4.2.

[eiser] heeft de gevorderde schade wegens verminderd arbeidsvermogen begroot op € 1.297.668,-, waarvan € 487.500,- ziet op gevallen schade tot 2025 en € 810.168,- op toekomstige schade. Deze vordering volgt volgens [eiser] uit het verschil tussen het inkomen in de feitelijke situatie met het ongeval en het inkomen dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. Achmea betwist dat sprake is van verlies aan arbeidsvermogen en betwist de wijze van berekenen.

4.3.

De rechtbank hanteert het volgende beoordelingskader. Het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten in beginsel op de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen. Bij die afweging heeft de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid, met dien verstande dat het oordeel consistent en begrijpelijk dient te zijn1.

4.4.

Schade wordt dus steeds vastgesteld door de toestand waarin de benadeelde zich in werkelijkheid bevindt (met ongeval) te vergelijken met de hypothetische situatie: de toestand waarin de benadeelde zich vermoedelijk zou hebben bevonden indien de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (zonder ongeval). De hypothetische situatie laat zich in feite niet vaststellen, maar is het resultaat van inschattingen van onzekerheden/onzekere factoren. De schadebegroting zal (deels) berusten op inschattingen (over het meest waarschijnlijke scenario), waarbij die inschattingen gebaseerd kunnen zijn op feiten en omstandigheden die zich op hun beurt wél laten bewijzen.

Geleden schade – met ongeval

4.5.

Niet in geschil is dat de onderneming van [eiser] in 2014 is beëindigd vanwege het feit dat hem het verkeersongeval is overkomen. [eiser] is na het ongeval opgenomen geweest en in de eerste twee jaar na het ongeval meermaals geopereerd geweest. Met partijen gaat de rechtbank ervan uit dat deze onderbreking van zijn loopbaan niet alleen gevolgen heeft gehad in 2014, maar ook in de jaren daarna een negatieve invloed heeft gehad op de ontwikkeling van zijn loopbaan en inkomen.

4.6.

[eiser] had vanaf 2014 geen inkomsten (loon of winst uit onderneming). [eiser] is vanaf 2023 taxiwerkzaamheden in loondienst gaan verrichten, waarmee hij in 2023 en 2024 € 10.323,- heeft verdiend. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] het werk als taxichauffeur fulltime kan verrichten. [eiser] heeft daarbij opgemerkt dat de arbeidsdeskundige weliswaar heeft aangegeven niet te kunnen inschatten of hij dit werk wel fulltime zou kunnen verrichten, zodat hij een risico neemt, maar hij is bereid dit risico in deze procedure te dragen. [eiser] heeft gesteld dat dit werk als hij dat als zzp-er zou verrichten, hem jaarlijks een bruto-inkomen zou opleveren van € 30.720,- (minus opstartkosten in de eerste twee jaar en kosten voor een aangepaste stoel eens per vijf jaar).

4.7.

Achmea heeft terecht aangevoerd dat niet valt in te zien waarom [eiser] niet vanaf 2021 inkomsten als taxichauffeur kon verwerven. Immers heeft de verzekeringsarts hem in 2021 licht beperkt geacht voor zitten en zitten tijdens werk en hem in staat geacht zo nodig gedurende het grootste deel van de werkdag te zitten (ongeveer 6 tot 8 uur), waarvan gedurende een uur aaneengesloten. Er is geen urenbeperking opgenomen in de FML van 23 april 2021 en er is geen sprake van cognitieve beperkingen. Achmea wees er terecht op dat [eiser] zichzelf ook (mentaal en fysiek) in staat achtte in 2016 een eigen restaurant te openen. De rechtbank is met Achmea van oordeel dat [eiser] in staat moet worden geacht vanaf 23 april 2021 (fulltime) werk als taxichauffeur te verrichten met voornoemd bijbehorend bruto-jaarsalaris. Achmea heeft tot slot haar stelling dat bij succesvolle exploitatie van een taxi-onderneming mag worden verwacht dat de verdiencapaciteit zal toenemen (door groei klantenkring, ervaring, talentontwikkeling, inflatie etc.), niet met stukken onderbouwd, zodat daaraan voorbij zal worden gegaan.

Geleden schade – zonder ongeval

4.8.

[eiser] stelt dat wanneer alleen naar zijn hoogst voltooide schoolopleiding wordt gekeken (opleiding op mbo-2 niveau tot niet zelfstandig werkend kok) hem dat tekort zou doen. Hij is ondernemend en blijkt een werk- en denkniveau op mbo/hbo-niveau te hebben, zodat aannemelijk is dat hij een inkomen had kunnen genereren dat (ver) boven zijn hoogst genoten opleiding ligt. Volgens hem had hij een bijpassend salaris kunnen verdienen van € 38.857,- bruto per jaar in 2010, dat in 12,5 jaar zou doorgroeien met € 2.531,44 per jaar naar (€ 48.983,- in 2014, € 54.046,- in 2016 en) € 70.400,- bruto per jaar tussen 2023 en 2060. Achmea heeft dat betwist.

4.9.

Dat [eiser] als zelfstandig ondernemer een inkomen op mbo/hbo-niveau zou hebben verworven indien het ongeval hem niet was overkomen, acht de rechtbank geen redelijke verwachting. [eiser] is vanaf zijn 13/14e jaar in de horeca werkzaam geweest (van afwasser tot kok). Hoewel duidelijk is dat hij een harde werker was, betekent dat niet dat er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat hij als zelfstandig horecaondernemer succesvol zou zijn geworden. Daartoe is het volgende redengevend. In de dagvaarding is geschreven dat [eiser] weinig op heeft met onderwijs. Na de lagere school is uitsluitend een mbo-opleiding op niveau 2 (tot niet zelfstandig werkend kok) afgerond, waarmee [eiser] is opgeleid voor uitvoerende, praktische functies. Tijdens een beroepskeuzetest is weliswaar opgemerkt dat [eiser] blijk heeft gegeven van een mbo/hbo werk- en denkniveau, maar in dat rapport is ook gemeld dat sprake is van dyslexie, een zwakke taalvaardigheid en dat logisch denken met taal en werken met de computer [eiser] minder ligt. De rechtbank ziet geen reden om niet aan te sluiten bij het daadwerkelijke opleidingsniveau en werkervaring van [eiser] . Daar komt bij dat [eiser] in 2016 een eigen restaurant heeft geopend, waarmee uitsluitend verlies is geleden alvorens het in 2018 failliet ging. Dat de enige oorzaak daarvan de fysieke klachten van [eiser] waren is na betwisting onvoldoende onderbouwd. Dat [eiser] te vaak ‘de gaten die in de bezetting vielen moest dichtlopen, waardoor hij fors over zijn grenzen heenging’, is naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende verklaring voor het feit dat vanaf de oprichting tot aan faillissement geen enkele euro aan winst is behaald met het restaurant. Met Achmea meent de rechtbank dat het ondervangen van personeelsproblemen en het zorgen voor voldoende bezetting behoort tot de taken van een zelfstandig ondernemer. Als het niet lukt om dat goed te organiseren zou dat (ook) kunnen duiden op een gebrek aan ondernemerskwaliteiten. Uit niets blijkt dat [eiser] zonder ongeval wel succesvol zou zijn geweest. Het voorgaande betekent dat Achmea gevolgd wordt in haar stelling dat het door haar genoemde startsalaris van € 35.398,- en een eindsalaris van

€ 57.200,- meer passend is gelet op het profiel en opleidingsniveau van [eiser] .

4.10.

Bij gebrek aan voldoende feitelijke gegevens kan de rechtbank het verlies wegens verminderd arbeidsvermogen over de periode vanaf het ongeval tot 2025 niet berekenen. Een concrete begroting kan echter achterwege blijven, nu [eiser] ter zitting heeft gevraagd om – net als in het vonnis met vindplaats ECLI:NL:RBMNE:2025:6838 – de uitgangspunten voor herberekening te geven, waarna partijen een nieuwe schadeberekening op dit punt kunnen laten maken met inachtneming van de door de rechtbank geformuleerde uitgangspunten. Achmea heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal dat verzoek inwilligen en naast voormelde uitgangspunten voor berekening van gevallen schade wegens verminderd arbeidsvermogen, ook uitgangspunten voor de overige schadeposten formuleren.

4.11.

Het komt de rechtbank voor dat partijen na dit tussenvonnis over voldoende gegevens beschikken om de zaak met elkaar te kunnen afhandelen zonder dat de rechtbank het uiteindelijke bedrag in een eindvonnis moet opnemen. Mochten partijen daartoe echter niet in staat zijn, of om een andere reden wensen dat de rechtbank het totale schadebedrag en de overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen (waaronder proceskosten) in een vonnis opneemt, dan zal de rechtbank hieraan uiteraard gevolg geven. In dat geval mogen partijen nog een akte ( [eiser] ) en een antwoordakte (Achmea) nemen, en zal daarna eindvonnis worden gewezen. [eiser] zal in dat geval inzichtelijk moeten maken hoe hij tot de herberekende bedragen is gekomen, zo nodig met onderliggende onderbouwing, zodat Achmea in staat is om daarop bij antwoordakte te reageren.

Toekomstige schade – met en zonder ongeval

4.12.

De rechtbank overweegt dat het beoordelingskader voor het toekomstig verlies aan arbeidsvermogen in wezen overeenkomt met het hiervoor weergegeven beoordelingskader voor verschenen schade, met dien verstande dat nu twee hypothetische situaties worden vergeleken, namelijk de hypothetische toekomstige situatie zonder ongeval en de eveneens hypothetische toekomstige situatie met ongeval. Nog steeds moet worden beoordeeld wat redelijkerwijs te verwachten valt omtrent toekomstige ontwikkelingen, onder afweging van goede en kwade kansen. De kennis of inzichten over wat er is gebeurd in de inmiddels voorbije periode (sinds het ongeval) kunnen worden gebruikt bij het maken van een inschatting van de situatie waarin de benadeelde zonder ongeval zou hebben verkeerd. Voor de redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen dient naar het oordeel van de rechtbank zoveel mogelijk te worden aangesloten bij de concrete situatie van [eiser] , zijn opleiding, persoonlijke situatie en arbeidsverleden tot het moment van het ongeval.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij in de toekomst schade zal lijden door verminderd arbeidsvermogen. Daartoe is het volgende redengevend.

- De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat [eiser] beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden, waarbij [eiser] is aangewezen op arbeid waarbij de in de FML genoemde beperkingen gelden met betrekking tot belasting van de rechterknie. Er is geen urenbeperking aangenomen. [eiser] kan met die beperkingen passende functies vervullen. Partijen zijn het er in deze procedure over eens dat het werk als taxichauffeur passend is en dat hij dat fulltime kan verrichten.

- De rechtbank volgt [eiser] zoals hiervoor is overwogen niet in zijn standpunt dat hij, het ongeval weggedacht, als zelfstandig ondernemer met zijn verdiencapaciteit een inkomen had kunnen genereren dat (ver) boven zijn hoogst genoten opleiding ligt. De rechtbank acht gelet op alle omstandigheden van dit geval, waaronder daadwerkelijk opleidingsniveau en werkervaring, aannemelijk dat [eiser] zonder ongeval een baan in loondienst in de horeca zou hebben gehad. Dat in een dergelijke baan meer kan worden verdiend dan als taxichauffeur is tot op heden niet gesteld of gebleken.

- De verzekeringsarts heeft gemeld dat op lange termijn (8-10 jaar) rekening moet worden gehouden met toegenomen klachten en beperkingen ten gevolge van een verslechterde situatie van het rechter kniegewricht. Dit zal gebaseerd zijn op de (door de in het rapport van de verzekeringsarts genoemde artsen beschreven) kans op vervroegd optredende artrose van het kniegewricht. Voor zover de klachten en beperkingen als gevolg van artrose toenemen, wordt dit ondervangen met de gevraagde verklaring voor recht vanwege meerschade die hierop ziet en met instemming van Achmea zal worden toegewezen op na te melden wijze.

4.14.

[eiser] vraagt de rechtbank in deze procedure om zijn toekomstig verlies aan verdienvermogen op dit moment te begroten. Daarvoor dient te worden gekeken naar de aanknopingspunten die er zijn om schade voor de toekomst te kunnen vaststellen en die zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De conclusie is dan ook dat [eiser] geen schade lijdt door toekomstig verminderd arbeidsvermogen.

Huishoudelijke hulp

4.15.

[eiser] vordert € 43.349,- aan verschenen schade (€ 2.177,- over 2014,

€ 2.372,- over 2015 en tot 2025 jaarlijks € 4.320,-) en € 186.319,- aan toekomstige schade

(€ 4.320,- per jaar, tot 75-jarige leeftijd). Achmea heeft de vordering betwist.

4.16.

De rechtbank wijst de vordering af. [eiser] volstaat voor wat betreft de gevorderde bedragen met een verwijzing naar de richtlijn huishoudelijke hulp van de Letselschade Raad, maar onderbouwt onvoldoende dat hij daadwerkelijk schade lijdt doordat er extra kosten ter zake huishoudelijke hulp zijn gemaakt. Dat licht de rechtbank als volgt toe.

4.17.

Achmea heeft onweersproken gesteld dat een daggeldvergoeding is verstrekt voor de periode waarin [eiser] in het ziekenhuis was opgenomen, zodat de over die periode gevorderde vergoeding voor huishoudelijke hulp in ieder geval niet toewijsbaar is. Dat geldt ook voor de periode waarin [eiser] na het ongeval en de ziekenhuisopname bij zijn vader verbleef. Naast het feit dat niet duidelijk is hoe lang dit precies was (enkele maanden, is ter zitting verklaard) heeft [eiser] niet gesteld en onderbouwd welke extra last dat in het huishouden van zijn vader heeft teweeggebracht. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, blijkt niet dat de gewijzigde situatie tot schade heeft geleid. Inmiddels woont [eiser] samen en heeft hij twee kleine kinderen. Dat thans huishoudelijke hulp wordt ingeschakeld acht de rechtbank niet ongebruikelijk in een gezin van tweeverdieners met kinderen. Niet is aangetoond dat dit verband houdt met het ongeval. [eiser] heeft ook niet gespecificeerd dat en welke taken zijn partner of een derde verricht die [eiser] als gevolg van het ongeval niet kan uitvoeren. Ook hiervoor geldt dat zonder nadere toelichting niet blijkt dat deze situatie schade in de vorm van aanvullende kosten oplevert. Dat partners onderling de taken verdelen, en één van hen daarbij meer of zwaardere taken op zich neemt, past bij een relatie en het voeren van een gezamenlijke huishouding en leidt niet zonder meer tot schade. Daar komt bij dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat hij bepaalde huishoudelijke werkzaamheden niet kan doen als gevolg van zijn beperkingen en welke werkzaamheden dat zijn. Een bericht daaromtrent van een ter zake deskundige ontbreekt. Uit de FML kan de rechtbank dit evenmin afleiden. Zo kan [eiser] tot 10 kg tillen of dragen (bijvoorbeeld boodschappen) en heeft hij verklaard dat hij in staat is de avondmaaltijd te koken (zij het dat dit hem meer tijd kost). De slotsom luidt dat dit geen schadepost betreft die voor vergoeding in aanmerking komt.

Verlies aan zelfwerkzaamheid

4.18.

[eiser] vordert € 7.018,- aan reeds geleden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid en € 184.261,- aan in de toekomst te lijden schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid. Hij begroot de tot 2025 geleden schade op dit punt aan de hand van de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid. De toekomstige schade is concreet begroot. [eiser] heeft daartoe offertes overgelegd voor tuinonderhoud en (binnen)schilderwerk.

4.19.

Achmea betwist dat [eiser] in het geheel geen werkzaamheden in en om huis kan verrichten. [eiser] zou het lichte schilderwerk zelf kunnen uitvoeren, nu hij volgens de FML van 23 april 2021 in staat is te reiken, duwen, trekken en boven schouderhoogte te werken. Het eigen aandeel in de zelfwerkzaamheid is volgens Achmea ook geringer dan [eiser] stelt; als [eiser] zoals hij stelt inderdaad werkweken van 60-70 uur maakte voorafgaand aan het ongeval, is zeer aannemelijk dat onderhouds- en tuinwerkzaamheden (grotendeels) werden uitbesteed. Ook wordt de hoogte van de gevorderde toekomstige schade gemotiveerd betwist.

4.20.

De rechtbank stelt voorop dat de schade die [eiser] vordert voor toekomstige schade, onrealistisch hoog is. Zo wordt voor tuinonderhoud € 2.442,- per jaar gevorderd, welk bedrag ziet op maar liefst negentien jaarlijkse onderhoudsbeurten, terwijl het gaat om een grotendeels betegelde en dus onderhoudsarme tuin met een relatief beperkte omvang, behorend bij een hoekwoning van een blok rijtjeshuizen. Ook de vordering met betrekking tot het schilderwerk binnen en buiten is onderbouwd met royale offertes. Ter zitting is desgevraagd bevestigd dat de woning deels kunststof kozijnen heeft, terwijl niet blijkt dat daarmee in de offerte rekening is gehouden. Dat betekent dat de gevorderde kosten voor het schilderwerk buiten in ieder geval niet reëel zijn. De rechtbank is niet gebonden aan de door [eiser] gekozen berekeningsmethode en ziet gelet op het voorgaande aanleiding om ook de toekomstige schade te begroten aan de hand van voornoemde richtlijn.

4.21.

Omdat [eiser] na het ongeval medio 2014 is opgenomen en daarna een aantal maanden bij zijn vader verbleef, wordt uitgegaan van schade vanaf 2015. Conform de door [eiser] overgelegde schadestaat (productie 30 bij dagvaarding) zal de rechtbank uitgaan van een omrekenfactor 0,7 (appartement) tot en met 2023. Vanaf 2024 geldt factor 1 voor een hoekwoning met onderhoudsarme tuin. De rechtbank zal conform de richtlijn uitgaan van 70 jaar. Verder wordt uitgegaan van een aandeel van [eiser] van 50%, omdat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het aannemen van een hoger percentage. Uitgaande van volledige uitval van [eiser] voor de betreffende werkzaamheden leidt dit tot de volgende begroting:

Jaar

Categorie

normbedrag volgens tabel

Omrekenfactor woningtype

Aandeel eiser

schade

2015

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

250

0,7

0,5

87,50

2016

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

250

0,7

0,5

87,50

2017

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

570

0,7

0,5

199,50

2018

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

599

0,7

0,5

209,65

2019

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

599

0,7

0,5

209,65

2020

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

599

0,7

0,5

209,65

2021

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

643

0,7

0,5

225,05

2022

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

643

0,7

0,5

225,05

2023

Eigen woning zonder tuin – weinig onderhoud

677

0,7

0,5

236,95

2024

Eigen hoekwoning met tuin – weinig onderhoud

718

1

0,5

359,00

2025 tot en met 2062 (leeftijd 70) = 37 jaar

(afgerond naar boven)

718

1

0,5

13.283,00


 

 

 

 

 

TOTAAL verschenen schade


 

 

 

2.049,50

TOTAAL toekomstige schade


 

 

 

13.283,00

4.22.

In geschil is of [eiser] volledig is uitgevallen voor de werkzaamheden in en om het huis, of dat sprake is van een gedeeltelijke uitval. De rechtbank overweegt dat de lichamelijke beperkingen waar [eiser] mee kampt, direct van invloed zijn op zijn mogelijkheid tot het verrichten van de werkzaamheden waar het hier om gaat. De rechtbank acht echter onvoldoende onderbouwd dat [eiser] volledig voor deze werkzaamheden is uitgevallen aangezien [eiser] volgens de FML van 23 april 2021 in staat is te reiken, duwen, trekken en boven schouderhoogte te werken. Lichte werkzaamheden kan hij zelf uitvoeren. [eiser] heeft zijn stelling dat hij in het geheel geen reparatie-, schilder- en tuinwerkzaamheden meer kan uitvoeren (na betwisting) onvoldoende onderbouwd. De rechtbank hanteert derhalve een percentage van 75% voor de mate van beperking. Daarmee komt de schade tot en met 2024 op € 1.537,13 (€ 2.049,50 x 0,75) en de toekomstige schade op € 9.962,25 (€ 13.283,- x 0,75).

4.23.

Dit leidt tot de slotsom dat de totaal te vergoeden schade ter zake verlies zelfwerkzaamheid wordt vastgesteld op € 11.499,38 (€ 1.537,13 + € 9.962,25).

Smartengeld

4.24.

[eiser] vordert een vergoeding van € 58.500,- wegens immateriële schade en verwijst daartoe onder meer naar de nummers 98, 107 en 2320 van de Smartengeldgids (2024). Achmea heeft onder verwijzing naar de nummers 83, 97, 98, 103 en 104 van de Smartengeldgids als verweer gevoerd dat € 30.000,- passend is, gelet op de aard en ernst van de klachten en orthopedische beperkingen. Wanneer de Rotterdamse schaal zou worden toegepast acht Achmea € 40.000,- redelijk.

4.25.

Per 1 januari 2026 worden de aanbevelingen smartengeld van het LOVCK, LOVCH en LOVS voor de begroting van smartengeld gehanteerd. Daarin wordt onder meer aanbevolen om vanaf januari 2026 de begroting van smartengeld voor letsel te benaderen via de methode van de Rotterdamse schaal. De definitieve versie van de Rotterdamse schaal biedt een richtlijn die civiele rechters en strafrechters kunnen gebruiken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld.

4.26.

Het knieletsel van [eiser] past binnen hoofdstuk 5, orthopedisch letsel, onder categorie a: (zeer) ernstig knieletsel. Relevante factoren voor de omvang van het smartengeld zijn: leeftijd, beperking van beweging of instabiliteit in het gewricht, de duur van het letsel en de daaruit voortvloeiende klachten, (risico op) degeneratieve veranderingen, prognose, mate van pijn, benodigde medische behandeling, cosmetische gevolgen, psychische gevolgen, weerslag op sociaal leven, tijdsbesteding, werk/opleiding, etc. In dit geval gaat het om (zeer) ernstig knieletsel waarvoor drie operaties nodig zijn geweest. Er is sprake van blijvend letsel. Artsen verwachten verslechtering in die zin dat posttraumatische gonartrose wordt verwacht. [eiser] kampt met pijnklachten en ondervindt op meerdere vlakken blijvende beperkingen.

4.27.

Tussen partijen was in geschil of het letsel past onder categorie I of II.

Categorie I ziet op ernstig knieletsel waarbij er een verstoring is van het gewricht, zich artrose voordoet en er een grote beschadiging is van de ligamenten. Langdurige behandeling is nodig en de pijn en het verlies van functie zijn aanzienlijk. Er heeft een operatie ter vervanging van (een gedeelte van) het gewricht of een arthrodese (operatief vastzetten van het gewricht) plaatsgevonden, of deze gaat plaatsvinden. Daarbij hoort een normbedrag tussen € 48.000,- tot € 66.000,-. Categorie II ziet op een beenbreuk die zich uitstrekt tot het kniegewricht, en leidt tot continue, blijvende pijn die de beweging beperkt of de behendigheid aantast, en die de benadeelde kwetsbaar maakt voor artrose. Er is een risico dat een operatie om (een gedeelte van) het gewricht te vervangen of een arthrodese (operatief vastzetten van het gewricht) nodig is. Daarbij hoort een normbedrag tussen

€ 36.000,- tot € 48.000,-. Wanneer het zoals hier gaat om een jongvolwassen slachtoffer van een verkeersongeval met blijvend letsel in de B-categorie, dan wordt het smartengeldbedrag verhoogd met 15% (volgens aanbeveling II).

4.28.

Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat uitgaande van de Rotterdamse schaal, (zeer) ernstig knieletsel en voornoemde factoren, een vergoeding van € 58.500,- op dit punt passend is. Dit bedrag is toewijsbaar.

Verklaring voor recht over meerschade

4.29.

[eiser] heeft een verklaring voor recht gevraagd die inhoudt dat in de schadebegroting geen rekening is gehouden met meerschade die ontstaat door het optreden of verergeren van posttraumatische artrose in de rechterknie van [eiser] , met toegenomen beperkingen tot gevolg. Achmea heeft ter zitting verklaard geen bezwaar tegen toewijzing van die vordering te hebben, mits daarbij wordt opgemerkt dat [eiser] tezijnertijd dient te stellen en bewijzen dat de artrose een ongevalsgevolg (en geen ouderdomsgevolg) is. Partijen zijn het op dit punt eens.

Belastinggarantie

4.30.

[eiser] vordert dat Achmea wordt veroordeeld een belastinggarantie te verstrekken. Achmea heeft aangegeven dat zij, indien zij wordt veroordeeld tot vergoeding van schade uit hoofde van verlies van verdienvermogen, hiertoe bereid is. Deze vordering is toewijsbaar.

Overige (materiële) schadeposten

4.31.

[eiser] vordert € 171.512,- aan verschenen materiële schade en € 375.393,- aan toekomstige materiële schade en heeft deze schade nader gespecificeerd in de als productie 30 bij dagvaarding overgelegde schadestaat.

4.32.

Ten aanzien van de gevorderde verschenen materiële schade heeft Achmea opgemerkt zich in grote lijnen te kunnen vinden in een deel van de opgevoerde posten, maar ook vraagtekens te hebben bij een aantal kostenposten. Een deel van die onduidelijkheden is ter zitting weggenomen (zoals kosten voor een shortleaseauto en kosten voor een nieuw matras). Ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade heeft Achmea de gevorderde kosten voor fysiotherapie en personal training betwist. De rechtbank zal hierna de uitdrukkelijk erkende en betwiste posten bespreken. Posten die in productie 30 zijn opgenomen en waartegen geen verweer is gevoerd (zoals bijvoorbeeld de ziekenhuisdaggeldvergoeding en reis- en parkeerkosten), worden als onbetwist toewijsbaar geacht.

Eigen risico en (hogere) premie ziektekostenverzekering

4.33.

[eiser] vordert vergoeding van het eigen risico van de ziektekostenverzekering vanaf 2014 tot en met 2042 (het jaar waarin [eiser] vijftig wordt). [eiser] voert hiertoe aan dat zijn medische consumptie voorheen nagenoeg nihil was, maar dat hij sinds en ten gevolge van het ongeval jaarlijks zijn eigen risico verschuldigd is geweest. Volgens [eiser] is vergoeding van het eigen risico tot vijftigjarige leeftijd redelijk, nu aannemelijk is dat hij vanaf die leeftijd ook zonder ongeval zijn eigen risico zou hebben gebruikt. Vanaf 2025 tot en met 2042 wordt jaarlijks een bedrag van € 385,- opgevoerd. Over de voorgaande jaren worden – blijkens de schadestaat – wisselende bedragen gevorderd.

4.34.

Daarnaast voert [eiser] van 2025 tot en met 2042 kosten op voor de premie voor zijn ziektekostenverzekering ten bedrage van € 210,- per jaar. [eiser] voert hiertoe aan dat hij tot en met 2024 een vrijwillig verhoogd eigen risico had van € 885,-. Vanaf 2025 heeft hij zijn eigen risico verlaagd naar € 385,-, waardoor zijn premiekorting is vervallen en hij jaarlijks € 210,- meer premie moet betalen dan voorgaande jaren. Het verschil in premie kwalificeert volgens [eiser] als schadepost. [eiser] wijst erop dat door de verlaging van het eigen risico een groter deel van de behandelingen (door de fysiotherapeut) wordt vergoed door de zorgverzekeraar en dat hij hiermee heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht.

4.35.

Achmea refereert zich wat betreft de kosten van het eigen risico aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de ziektekostenpremie heeft Achmea geen verweer gevoerd.

4.36.

De rechtbank acht het, gelet op de medische situatie van [eiser] , aannemelijk dat hij als gevolg hiervan jaarlijks ziektekosten heeft gemaakt waarvoor hij (een deel van) zijn eigen risico heeft moeten aanwenden. [eiser] heeft de hiervoor – in productie 30 bij de dagvaarding – opgevoerde kosten over de jaren 2014 tot en met 2024 onderbouwd met bankafschriften (producties 35 tot en met 45 bij de dagvaarding). Deze kosten komen naar het oordeel van de rechtbank voor vergoeding in aanmerking. Ook acht de rechtbank het aannemelijk dat [eiser] , gezien zijn (blijvende) letsel, in de toekomst ziektekosten zal maken die het eigen risico overstijgen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [eiser] de afgelopen vijf jaren nagenoeg elk jaar zijn volledige eigen risico (van toen

nog € 885,-) heeft aangewend. De door [eiser] opgevoerde toekomstige kosten komen daarom eveneens voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank acht het in dit verband redelijk om – conform de vordering van [eiser] – bij de begroting van de schadepost uit te gaan van een schadeperiode tot en met het vijftigste levensjaar.

4.37.

Ten aanzien van de door [eiser] opgevoerde kosten voor de ziektekostenpremie oordeelt de rechtbank dat [eiser] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij – door de verlaging van het eigen risico van € 885,- naar € 385,- – jaarlijks meer premie moet betalen dan voorgaande jaren en dat de schadepost eigen risico hierdoor beperkt blijft. Laatstgenoemde is in het voordeel van Achmea, die deze schadepost dient te vergoeden. Achmea heeft de schadepost ten aanzien van de ziektekostenpremie niet betwist. De opgevoerde kosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking.

Aanschafkosten Brace

4.38.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval twee (knie)braces per jaar nodig heeft, waarvan er één per twee jaar wordt vergoed door de zorgverzekeraar. Per twee jaar moet hij dus drie exemplaren zelf betalen. [eiser] vordert de kosten van anderhalve brace per jaar vanaf 2014, een en ander zoals weergegeven in de als productie 30 overgelegde schadestaat. Achmea heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij deze aanvankelijk onduidelijke schadepost niet langer betwist. De door [eiser] opgevoerde kosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking.

Kosten shortlease auto

4.39.

[eiser] voert kosten op voor een (aangepaste) shortlease auto, waarvan hij na het ongeval een tijd gebruik heeft gemaakt. Achmea heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij de omvang van deze schadepost niet (langer) betwist. Deze schadepost – zoals weergegeven in productie 30 bij de dagvaarding – komt daarom voor vergoeding in aanmerking.

Meerkosten woning

4.40.

[eiser] vordert een bedrag van € 9.642,- voor ‘meerkosten woning’ vanaf 2014 tot en met 2020. De rechtbank begrijpt de stelling van [eiser] aldus dat dit kosten betreffen die hij heeft moeten maken omdat hij ten gevolge van het ongeval een aantal jaren niet in zijn eigen woning heeft kunnen wonen en in plaats daarvan een woning van zijn vader heeft gehuurd.

4.41.

Achmea betwist dat de door [eiser] opgevoerde kosten voor vergoeding in aanmerking komen, nu de schadepost volgens haar onvoldoende is onderbouwd en niet duidelijk is waarop de kosten zien.

4.42.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de schadepost – tegenover de betwisting van Achmea – onvoldoende heeft onderbouwd. Weliswaar heeft [eiser] als productie 85 een overzicht overgelegd waarop kosten staan vermeld, maar deze kosten zijn niet onderbouwd met stukken. De opgevoerde kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

Kosten voor de aanschaf van een nieuw matras

4.43.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval een nieuw matras heeft moeten aanschaffen. Hij voert hiervoor kosten op ten bedrage van € 1.530,-. Achmea heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij deze schadepost niet langer betwist. Het door [eiser] gevorderde bedrag komt daarom voor vergoeding in aanmerking.

Kosten voor fysiotherapie

4.44.

[eiser] voert kosten op voor fysiotherapie tot aan zijn pensioenleeftijd in 2067. [eiser] verwijst in dit verband naar een door hem overgelegde verklaring van zijn fysiotherapeut, waaruit volgens hem de noodzaak van fysiotherapeutische behandelingen op lange termijn blijkt. Volgens [eiser] is voortdurende fysiotherapie noodzakelijk om de conditie van zijn knie zo optimaal mogelijk te houden en de kans op artrose zoveel mogelijk te beperken. [eiser] wijst er in dit verband op dat orthopedisch chirurg [naam 2] en verzekeringsarts [naam 3] hebben geconcludeerd dat het risico op een vervroegde posttraumatische artrose verhoogd is. Zou [eiser] geen fysiotherapie volgen, dan is door de toenemende artrose niet aannemelijk dat hij tot zijn pensioen kan blijven werken, met een groter verlies van verdienvermogen als gevolg. De kosten voor fysiotherapie kwalificeren volgens [eiser] dan ook niet alleen als schade, maar ook als redelijke kosten ter beperking van verdere schade zoals bedoeld in artikel 6:96 BW.

4.45.

Achmea acht het – gelet op de beperkingen van [eiser] – aannemelijk dat hij de komende jaren fysiotherapeutische behandelingen nodig zal hebben, maar zij betwist dat deze behandelingen voor de rest van zijn leven noodzakelijk zullen zijn. Achmea wijst er in dit verband op dat uit de door [eiser] overgelegde verklaring van de fysiotherapeut blijkt dat [eiser] naar verwachting nog (slechts) drie jaar fysiotherapie nodig heeft. Daarbij komt dat een fysiotherapeut geen medisch specialist is en niet beschikt over de expertise om een medisch oordeel te geven over de noodzaak van behandelingen op de lange termijn. Een dergelijk oordeel behoort uitsluitend toe aan een medisch deskundige. De personal trainer meldt dat [eiser] ‘mogelijk’ de rest van zijn leven training nodig zal hebben. De in deze kwestie ingeschakelde deskundige ( [naam 2] ) heeft niets gezegd over de noodzaak van toekomstige behandelingen door een fysiotherapeut. Voorgaande maakt dat de schadepost volgens Achmea niet voor vergoeding in aanmerking komt.

4.46.

De rechtbank oordeelt dat de door [eiser] (in productie 30) opgevoerde kosten voor fysiotherapie in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Achmea heeft de in de schadestaat genoemde kosten voor fysiotherapie over de jaren 2016-2018 niet betwist. Ten aanzien van de opgevoerde kosten vanaf 2025 is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat – als gevolg van het ongeval – fysiotherapie voor hem op de lange termijn noodzakelijk is om zijn fysieke belastbaarheid te optimaliseren, (pijn)klachten te verminderen en de kans op artrose te beperken. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat in het rapport van [naam 2] informatie uit de behandelend sector is opgenomen, waaronder de brief van orthopedisch chirurg in het Orthopedium dr. [naam 8] van 31 oktober 2016, waarin is vermeld: Met betrokkene is uitgebreid besproken de 70-80-urige werkweek gevolgd door een advies voor langdurige fysiotherapie (…)” Ook is vermeld dat chirurg [naam 10] in een brief van 17 september 2015 meldde dat sprake was van een quadricepsatrofie en adviseerde om dit te trainen. In een brief van dr. [naam 8] van 4 juli 2017 is vermeld: “Met betrokkene is uitvoerig gesproken over de prognose. Uitgesproken wordt dat een 70-80 uur werkweek met staand werk niet meer reëel is gezien de knie. Fysiotherapie werd geadviseerd.” Ter zitting heeft [eiser] bovendien toegelicht dat hij zonder fysiotherapie en training meer (pijn)klachten ervaart. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank de noodzaak van langdurige fysiotherapie.

4.47.

Achmea heeft haar betwisting daartegenover niet onderbouwd met een verklaring van een medisch adviseur of andere deskundige. Achmea heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] langdurig op fysiotherapie is aangewezen. Tegen de hoogte van de gevorderde kosten die verband houden met geleden en toekomstige schade voor fysiotherapie zoals opgenomen in de schadestaat (productie 30 bij dagvaarding), is geen verweer gevoerd, zodat de daar genoemde bedragen toewijsbaar zijn.

Kosten personal trainer

4.48.

[eiser] vordert geleden en toekomstige kosten wegens personal training tot aan zijn pensioen. Begeleiding door een personal trainer, die in nauw contact staat met de fysiotherapeut, is volgens [eiser] noodzakelijk om de conditie van zijn knie zo optimaal mogelijk te houden en de kans op verslechtering en artrose te beperken. Ter onderbouwing van de noodzaak van personal training op lange termijn verwijst [eiser] naar een door hem overgelegde verklaring van zijn personal trainer. Volgens [eiser] stelt personal training hem ook in staat om zijn verdiencapaciteit op lange termijn te kunnen blijven inzetten. De opgevoerde kosten betreffen dus niet alleen schade, maar ook redelijke kosten ter beperking van verdere schade ex artikel 6:96 BW, aldus [eiser] . [eiser] berekent de kosten op basis van een jaarbedrag van € 3.580,-.

4.49.

Achmea betwist dat [eiser] tot zijn pensioenleeftijd is aangewezen op personal training. Weliswaar geeft de personal trainer in de door [eiser] overgelegde verklaring aan dat [eiser] mogelijk levenslang training nodig zal hebben, maar dit betekent niet dat daarvan daadwerkelijk sprake zal zijn. Daarbij komt dat een personal trainer geen medisch specialist is en dus geen oordeel kan geven over de noodzaak van behandelingen op de lange termijn. Dit is enkel voorbehouden aan medisch deskundigen. De in deze kwestie ingeschakelde deskundige [naam 2] heeft niets gezegd over de toekomstige noodzaak van een personal trainer. Bovendien is aannemelijk dat [eiser] ook zonder ongeval kosten zou hebben gemaakt voor sportbeoefening, hetzij voor personal training dan wel voor een regulier sportschoolabonnement. Gelet op het voorgaande komt de schadepost volgens Achmea niet voor vergoeding in aanmerking.

4.50.

De rechtbank oordeelt dat de door [eiser] (in de schadestaat, overgelegd als productie 30 bij de dagvaarding) genoemde kosten voor personal training voor vergoeding in aanmerking komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat – als gevolg van het ongeval – personal training voor hem (ook op de lange termijn) noodzakelijk is om gericht aan zijn fysieke klachten te kunnen werken, om pijn- en andere klachten te beperken en zijn belastbaarheid zo optimaal mogelijk te maken. Beweging verkleint ook de kans op artrose, waarop bij [eiser] volgens de deskundige ( [naam 2] ) een verhoogd risico bestaat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij voor het ongeval niet van sporten hield maar dat er nu een noodzaak bestaat en dat hij zonder personal training meer fysieke klachten ondervindt. Achmea heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat personal training voor onbepaalde tijd nodig is.

Wettelijke rente en fiscale component

4.51.

Deze posten zullen moeten worden herberekend aan de hand van de uitkomst van de nog te maken schadeberekening.

Buitengerechtelijke kosten

4.52.

[eiser] vordert een bedrag van € 12.880,- aan gemaakte buitengerechtelijke kosten. Het betreft zeven facturen die zien op advocaatkosten over de periode van

1 juli 2024 tot en met 1 mei 2025.

4.53.

Achmea betwist dat de door [eiser] opgevoerde kosten de dubbele

redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Volgens Achmea is de omvang en frequentie van het contact tussen [eiser] en zijn advocaat bovenmatig, temeer nu dit contact grotendeels heeft plaatsgevonden in aanloop naar de door [eiser] uitgebrachte dagvaarding. Deze contactmomenten betreffen volgens Achmea procesvoorbereidende handelingen die op grond van artikelen 237 en 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moeten worden verdisconteerd in een eventuele proceskostenveroordeling. De hiervoor gemaakte kosten komen niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Verder merkt Achmea op dat de advocaat van [eiser] standaard voor ieder e-mailbericht dat hij ontvangt 0,1 uur declareert, zonder daarbij toe te lichten dat het maken van de kosten en de omvang daarvan redelijk zijn.

4.54.

Buitengerechtelijke kosten komen voor vergoeding in aanmerking als is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW: (i) het maken van kosten dient in de gegeven omstandigheden redelijk te zijn en (ii) de omvang van de verrichte werkzaamheden zal redelijkerwijs noodzakelijk moeten zijn om vergoeding van de schade te verkrijgen.

4.55.

[eiser] heeft zeven facturen met bijlagen als producties in het geding gebracht die inzicht zouden moeten geven in de verrichte werkzaamheden en de noodzakelijkheid daarvan om buitengerechtelijk vergoeding van schade te verkrijgen. In deze facturen staan vele uren (tegen een hoog uurtarief van € 310,-) gespecificeerd, maar vaak in kleine eenheden van enkele tientallen minuten die generiek zijn omschreven. Daardoor zal de rechtbank de noodzakelijkheid van de gefactureerde uren slechts op hoofdlijnen kunnen beoordelen.

4.56.

De rechtbank is van oordeel dat het niet redelijk was om kosten te maken voor schikkingsonderhandelingen na 11 maart 2025. Achmea gaf in een brief van 11 maart 2025 (productie 29 bij dagvaarding) aan niet akkoord te gaan met de door [eiser] voorgestelde slotbetaling van € 1.725.000,- (en deed nog een pragmatisch voorstel voor een slotbetaling van € 850.000,-). [eiser] heeft onvoldoende toegelicht waarom het gezien het grote verschil tussen partijen daarna nog zin had om verder te onderhandelen op basis van een nog hogere schadestaat en daarvoor kosten te maken. Het voorgaande betekent dat de (als producties 80 en 81 bij dagvaarding overgelegde) facturen van 1 april 2025 en 1 mei 2025 – samen € 3.833,28 – niet toewijsbaar zijn, zodat € 9.046,27 resteert.

4.57.

De hoogte van dit resterende bedrag komt de rechtbank ook niet reëel voor, nu aansprakelijkheid en causaal verband vaststonden en uitsluitend nog de hoogte van de schadeposten in geschil was. Bovendien is [eiser] ten aanzien van een groot deel van de schade niet in het gelijk gesteld en is een groot deel van de vordering (in ieder geval de helft) niet toewijsbaar. De rechtbank acht de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijsbaar tot 50% van € 9.046,27 (= € 4.523,14).

De uiteindelijke (nog nader te berekenen) schadevergoeding

4.58.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen met bovengenoemde uitgangspunten tot overeenstemming kunnen komen over de schade. Indien dit niet het geval is en een eindvonnis dient te worden gewezen, mogen partijen een akte nemen, zoals onder 4.11 beschreven.

Proceskosten

4.59.

Achmea moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Achmea niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden op dit moment begroot op:

- griffierecht

90,00


 

- salaris advocaat

5.770,00

(2 punten × € 2.885,00)

- nakosten

189,00

(plus de evt. verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

6.049,00


 

4.60.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten van de in 2021 tussen partijen gevoerde procedure inzake (het gelasten van) een voorlopig deskundigenonderzoek (C/09/604606 / HA RK 20-557) overweegt de rechtbank dat deze in principe voor vergoeding in aanmerking komen, maar dat [eiser] de kosten wel moet specificeren. Dit heeft hij (nog) niet gedaan.

4.61.

De gevorderde wettelijke rente over de (na)kosten komt eveneens voor toewijzing in aanmerking. De proceskostenveroordeling zal bij eindvonnis – eventueel vermeerderd met nog te maken en voor vergoeding in aanmerking komende liquidatiekosten – worden uitgesproken indien de zaak niet wordt doorgehaald.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 maart 2026 voor doorhaling, aanhouding in verband met schikkingsonderhandelingen dan wel het vragen van een termijn voor een akte van de zijde van [eiser] zoals bedoeld in 4.58, waarna Achmea een antwoordakte mag nemen;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

1ECLI:NL:PHR:2026:39, r.o. 3.1.

 

Rechtbank Den Haag 25 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4715