Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOVE 220726 whiplash; oordeel na rapport vza en ad-er; vanaf 10-5-2023 arbeidsgeschikt voor eigen werk en HH; over periode 2018-2023 is nader onderzoek nodig

RBOVE 220726 whiplash; oordeel na rapport vza en ad-er; vanaf 10-5-2023 arbeidsgeschikt voor eigen werk en HH;
- 2e FML nodig over 6-11-2018 tot 10-5-2023, mede vanwege staking onderneming begin 2020; nadere akte over vraagstelling en voorschot

in vervolg op:
RBOVE 130324 whiplash; oordeel over klachten en causaal verband o.b.v. neurologisch en psychiatrisch onderzoek;
- afwijzing voorgestelde revalidatiearts, toewijzing verzekeringsarts en arbeidsdeskundige


 

3De verdere beoordeling

3.1

In het tussenvonnis van 13 maart 2024 heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van klachten die in causaal verband staan met het ongeval van 6 november 2018. De rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op rapportages van een neuroloog en een psychiater die tweemaal, in 2021 en in 2023, hebben gerapporteerd over de medische situatie van [eiser]. Bij tussenvonnis 27 november 2024 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige benoemd om de beperkingen (ten gevolge van de ongevalsgerelateerde klachten) in kaart te brengen om de omvang van de schade te kunnen vaststellen.

De rapportage van de verzekeringsarts [naam 2]

3.2

De verzekeringsarts heeft onderzoek gedaan naar de beperkingen van [eiser], waarbij hij de rapportages uit 2021 en 2023 heeft betrokken. Over de eerste jaren na het ongeval rapporteert hij:
“Vanuit verzekeringsgeneeskundige optiek betekent dit dat bij hem op dat moment (2021) sprake was van een chronisch pijnsyndroom na een whiplashmechanisme, waarbij het klachtenpatroon is uitgebreid met psychische klachten, zoals depressieve gevoelens, nervositeit, slecht slapen en emotionele labiliteit (geprikkeldheid). Bij hem zijn de klachten in die fase psychosomatisch, waarbij de psychische component een negatieve weerslag heeft op de pijnsensaties. Beide zijn een direct ongevalsgevolg, en worden ook in het verzekeringsgeneeskundige protocol “whiplash associated disorder” als een direct gevolg van het ongeval beschreven. Hierin wordt aangegeven dat pijn één van de centrale kenmerken van WAD I/II is, met als gevolg een ernstige verstoring van het dagelijks leven en een cascade aan gevolgen.

In het protocol wordt aangegeven dat bewegingsangst en catastroferende cognities een vicieuze cirkel in stand houden, zoals ook duidelijk bij betrokkenen het geval is geweest. In het protocol wordt verder aangegeven dat er mogelijk beperkingen gelden voor persoonlijk functioneren (hoog handelingstempo, deadlines en productiepieken, langer durende mentale inspanning), naast beperkingen voor fysieke belasting en beperkingen voor werktijden. Deze beperkingen worden door professor [naam 1] ook gesteld en zijn in deze fase ook aannemelijk. Neuroloog [naam 3] stelt op zijn vakgebied geen beperkingen, maar dit is gangbaar binnen de neurologie, omdat er geen concrete cerebrale afwijkingen zijn vast te stellen. Dit neemt niet weg, dat op basis van een chronische pijnsyndroom ook in die fase aanleiding is om vrij duidelijke beperkingen voor belastbaarheid aan te nemen, generaliserend voor zware fysieke arbeid, voor herhaling van belastende activiteiten en voor de duur van arbeid gedurende een werkdag. Daarbij bestaat er een noodzaak tot nemen van voldoende herstelmomenten tijdens de werkdag. Tevens is bij hervatten in arbeid een zorgvuldig opbouwschema noodzakelijk, waarbij aandacht wordt gegeven aan voldoende snel herstellen na belasting. Indien te snel of te veel belasting wordt gehanteerd, zal dit juist aanleiding geven tot een terugval in het functioneren, en dus een verlenging of chronisch worden van klachten veroorzaken, en daarmee een negatief effect hebben op de toekomst van betrokkenen en op de uitkomst van de letselschadeprocedure. Beide processen lijken bij betrokkene aan de orde geweest. Het verloop van de letselschadeprocedure en het moeten beëindigen van zijn eigen bedrijf hebben een negatief effect gehad op zijn herstel.” (…)

3.3

Over de periode vanaf 2023 rapporteert de verzekeringsarts:

“Uit deze analyse blijkt, dat hij door adequate begeleiding maar vooral door zelfontwikkeling een vermindering van klachten en verbetering van functioneren heeft weten te bereiken. Er lijkt nu toch nog sprake van lichte restklachten in de vorm van chronische pijn, in onderrug en schouderbladen. Er is geen aanleiding hierbij aggravatie of simulatie te veronderstellen. (…)
Er is sinds 2023 daarom sprake van afname van klachten, met als restant nog lichte beperkingen voor persoonlijk functioneren, voor zware fysieke belasting en voor frequente herhaling van belastende activiteiten. Er is naar mijn mening sprake van grote interne en externe consistentie, en van plausibiliteit en dit wordt mede geschraagd door de onderliggende expertises. Essentieel in het functioneren is zorgdragen voor voldoende herstelmomenten, door enerzijds de reguliere pauzes te handhaven, maar tevens micropauzes en voldoende afwisseling in taken te nemen. Dit levert geen specifieke beperkingen voor functioneren op maar is meer een aandachtspunt gedurende de dag.

Er resteren wel beperkingen voor:

Stresserende momenten, zoals piekbelasting of deadlines (…), werktijden (…), hanteren van zware gewichten (…), langdurig in dezelfde houding blijven (…), boven schouderhoogte werken (…).”
3.4 De verzekeringsarts heeft deze beperkingen weergegeven in een functionele mogelijkhedenlijst (hierna FML).

De rapportage van de arbeidsdeskundige Van der Ham

3.5

De arbeidsdeskundige wijst er op dat de FML is opgesteld in 2025 en dus de actuele belastbaarheid weergeeft. Bij de beantwoording van de vragen heeft hij de FML tot uitgangspunt genomen. De belastbaarheid van [eiser] over 2018, 2019 en 2020 is op grond van het rapport van de verzekeringsarts niet bekend. De arbeidsdeskundige heeft daarbij aangegeven dat vraag 3 als gevolg daarvan ook geen duidelijkheid geeft over de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] in 2018, 2019 en 2020 toen hij nog een eigen bedrijf had.

Uitgaande van de FML over 2025 concludeert de arbeidsdeskundige dat [eiser] niet arbeidsongeschikt is voor de werkzaamheden die betrokkene voorafgaand aan het ongeval verrichtte. [eiser] is ook geschikt te achten voor andere functies die passend zijn bij de opleiding. Uitgaande van de actuele belastbaarheid is er evenmin arbeidsongeschiktheid voor het verrichten van huishoudelijke taken. Ten aanzien van de zelfwerkzaamheid acht de arbeidsdeskundige [eiser] in enige mate beperkt. De jaarschade van de uitval is op grond van de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad door hem begroot op € 87,15.Bij gebrek aan informatie over de belastbaarheid in de eerste jaren na het ongeval kan hij geen uitspraak doen over de arbeidsmogelijkheden in die periode.

3.6

Over de situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden (hypothetische situatie) verklaart de arbeidsdeskundige:
“Op basis van de feitelijke ontwikkelingen tot aan het ongeval, betrokkene was al sinds 2013 actief als zelfstandig ondernemer, acht ik het waarschijnlijk dat betrokkene in de situatie zonder ongeval (ook) zijn Hbo-diploma zou hebben behaald en zijn eigen onderneming zou hebben voortgezet. De opgedane kennis en ervaring op het Hbo kon betrokkene goed toepassen in zijn eigen bedrijf en op die manier professioneel een internet handelsonderneming exploiteren. Ik acht het ook goed mogelijk dat hij zonder ongeval zijn assortiment zou hebben uitgebreid, dat zou een logische stap zijn om omzet en brutowinst te verbeteren.
Voor alle duidelijkheid: daarmee is niet gezegd dat betrokkene als gevolg van het ongeval de onderneming heeft moeten staken en dat hij als gevolg van het ongeval het assortiment niet heeft kunnen uitbreiden. Dat zou een conclusie kunnen zijn na onderzoek en beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in de jaren 2019 en 2020. Wegens het ontbreken van informatie over de belastbaarheid van betrokkene in die jaren kan ik de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in de jaren 2019 en 2020 niet beoordelen.”

3.7

Op grond van een pragmatische benadering heeft de arbeidsdeskundige vervolgens een inschatting gemaakt van het “would-be” scenario in 2018.

De conclusie na deskundigenberichten en de akte uitlating producties van [eiser]

3.8

[eiser] voert aan dat uit de rapportages volgt dat er vóór 2023 meer beperkingen aanwezig waren dan na 2023 en maakt bezwaar tegen het opmaken van één enkele FML die enkel betrekking heeft op de actuele belastbaarheid. Dit is in strijd met de vraagstelling. [eiser] betoogt daarom dat [naam 2] een tweede FML opstelt, die ziet op de periode vanaf de datum van het ongeval tot aan de herexpertises door neuroloog [naam 3] en psychiater [naam 1] (10 mei 2023), en dat de arbeidsdeskundige deze nieuwe FML vervolgens in zijn deskundigenrapport verwerkt. [eiser] heeft ook gereageerd op de productie van MSIG. Dat is een rapport dat een bedrijfseconoom op verzoek van MSIG heeft opgesteld. [eiser] handhaaft zijn stelling dat een nieuwe FML moet worden opgesteld.

De conclusie na deskundigenberichten en akte uitlating producties van MSIG

3.9

MSIG kan zich vinden in het rapport van de verzekeringsarts en in de conclusies van de arbeidsdeskundige met betrekking tot de geschiktheid voor werk, huishoudelijke taken en zelfwerkzaamheid. Ten aanzien van de eerste jaren na het ongeval betoogt MISG dat het aan [eiser] is om te onderbouwen dat het ongeval tot arbeidsongeschiktheid en schade heeft geleid. Aangezien uit de rapportages volgt dat er op basis van de deskundigenrapporten van [naam 3] en [naam 1] uit 2021 en 2023 geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, ligt het niet voor de hand dat er in de periode vanaf de ongevalsdatum tot aan de datum van de medische rapportages sprake is geweest van een arbeidsuitval die tot meer schade heeft geleid dan al is vergoed (€ 17.774,08 inclusief een aan de hogeschool betaald bedrag aan collegegeld van € 1.274,08). Causale arbeidsongeschiktheid in de jaren 2018, 2019 en 2020 is niet onderzocht, en evenmin is onderzocht of [eiser] zijn onderneming ten gevolge van het ongeval heeft moeten staken. Indien en voor zover zou moeten worden aangenomen dat [eiser] in die jaren (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was, dient nader onderzoek naar de schadeomvang plaats te vinden door een deskundige met de benodigde bedrijfskundige kennis, aldus MSIG.

MSIG maakt bezwaar tegen het voorstel van [eiser] om een tweede FML te laten opstellen. Zij acht het verzoek daartoe tardief en in strijd met de goede procesorde.

De beoordeling van de gevolgen van het ongeval vanaf 10 mei 2023

3.10

De verzekeringsarts heeft in 2025 een FML heeft opgesteld. Deze FML heeft betrekking op de beperkingen die in 2025 aanwezig zijn. De arbeidsdeskundige heeft deze FML gebruikt om de arbeidsmogelijkheden van [eiser] te beoordelen. De uitkomst van deze beoordeling is dat [eiser] op grond van de actuele FML niet arbeidsongeschikt is voor zijn werkzaamheden en huishoudelijke taken. De arbeidsdeskundige acht [eiser] voor werkzaamheden in en rond het huis in enige mate beperkt. De jaarschade bedraagt volgens de richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad € 87,15.

3.11

Partijen hebben geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen deze bevindingen en conclusies, zodat de rechtbank deze zal volgen. De rechtbank neemt daarbij tot uitgangspunt dat de FML de situatie weergeeft zoals die zich vanaf 10 mei 2023 heeft voorgedaan. Op 10 mei 2023 heeft de psychiater zijn tweede onderzoek verricht en heeft hij op grond van dat onderzoek geconcludeerd dat de in 2020 vastgestelde aanpassingsstoornis in 2023 niet langer aan de orde is. Vanaf 10 mei 2023 kan daarom een wijziging in de medische situatie worden vastgesteld. De verzekeringsarts haalt ook aan dat sinds 2023 sprake is van afname van klachten. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank er van uit gaat dat [eiser] vanaf 10 mei 2023 niet als arbeidsongeschikt heeft te gelden voor werk en huishoudelijke taken en dat de jaarschade voor uitval van zelfwerkzaamheid zal worden vastgesteld op € 87,15 per jaar.

3.12

Voor de bij dagvaarding gevorderde verklaring voor recht omtrent de aan het ongeval toerekenbare beperkingen, betekent dit dat de klachten en beperkingen vanaf 10 mei 2023 voldoende in beeld zijn gebracht en dat deze voor de toekomstige schade geen verdere beoordeling behoeven.

De beoordeling van de gevolgen van het ongeval vóór 10 mei 2023

3.13

Voor de begroting van de verschenen schade vóór 10 mei 2023 zal duidelijkheid moeten worden verkregen over de beperkingen die de causale klachten hebben meegebracht en wat de gevolgen daarvan zijn geweest. De meest in het oog springende vraag daarbij is of het beëindigen van het bedrijf in 2020 als een gevolg van het ongeval moet worden aangemerkt. Partijen hebben daar onder voorbehoud van rechten al voorlopige standpunten over ingenomen. Gelet op de ingestelde vordering, te weten een verklaring van recht ten aanzien van de beperkingen en een verwijzing naar de schadestaat, ligt die vraag in deze hoofdzaak niet voor en zou die vraag eerst aan de orde komen in de schadestaatprocedure. De vordering in deze hoofdprocedure is er op gericht de beperkingen in kaart te brengen die toerekenbaar zijn aan het ongeval.

In het verloop van het partijdebat en het oordeel over de jaarschade na 10 mei 2023, ziet de rechtbank aanknopingspunten de schade in deze procedure te begroten. Over de schade na 10 mei 2023 is al een beslissing genomen, het gaat alleen nog over de (eventuele) schade in de periode van 6 november 2018 tot 10 mei 2023. De rechtbank verzoekt partijen zich uit te laten over de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure. Zo nodig kan ook een mondelinge behandeling worden gepland na een inhoudelijke aktewisseling over de schadeomvang.

3.14

Los van de vraag of de zaak moet worden verwezen naar de schadestaatprocedure of dat de schade in deze procedure zal worden begroot, moeten in deze hoofdprocedure in ieder geval de beperkingen in de periode vóór 10 mei 2023 in kaart worden gebracht.

3.15

Ten aanzien van de beperkingen vóór 10 mei 2023 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de rapporten van de deskundigen blijkt dat de door de verzekeringsarts opgestelde FML betrekking heeft op de actuele belastbaarheid en dat de arbeidsdeskundige zijn conclusies daarop heeft gebaseerd. In die zin kan uit deze rapporten geen conclusie worden getrokken ten aanzien van de klachten en beperkingen die aanwezig waren in de eerste jaren na het ongeval. Dat er vóór 10 mei 2023 klachten aanwezig waren is echter niet in geschil. MSIG heeft in deze procedure steeds het standpunt ingenomen dat zij niet betwist dat [eiser] klachten heeft ondervonden die in causaal verband staan tot het ongeval, maar dat zij wel betwist dat deze klachten (in dezelfde mate) nog steeds voortduren. Vervolgens heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 13 maart 2024 al geoordeeld dat de gestelde klachten van [eiser] zijn veroorzaakt door het ongeval. In lijn met rechtsoverweging 2.14 van dit eerdere tussenvonnis neemt de rechtbank dan ook tot uitgangspunt dat de gestelde klachten aanwezig zijn geweest vanaf het ongeval tot 10 mei 2023.

3.16

De vraag luidt welke beperkingen deze klachten hebben meegebracht. De rechtbank stelt vast dat in de periode van november 2018 tot 10 mei 2023 geen FML is opgesteld. [eiser] heeft bij akte verzocht de verzekeringsarts een tweede FML te laten opstellen. MSIG heeft daar bezwaar tegen gemaakt.

De beoordeling van het verzoek tot het laten opstellen van een tweede FML

3.17

Met betrekking tot het bestaan en de aard van de klachten vóór 10 mei 2023 komt uit de rapporten van de neuroloog en de psychiater het volgende naar voren.

3.18

De diagnose van de neuroloog is WAD I (whiplash associated disorder graad 1). Hij concludeert tot een kopstaart-botsing met nadien chronisch pijnsyndroom en stijfheid in de nek en rug zonder objectiveerbare afwijkingen bij neurologisch onderzoek en zonder bewegingsbeperkingen van de cervicale wervelkolom. Hij rapporteert in 2021 onder meer (pagina 4 onder huidige klachten):

“Betrokkene ervaart nog steeds pijn in de rug, zowel laag in de rug als ook hoger gelegen tussen de schouderbladen en in de nek met ook een stijf gevoel ter plaatse. Deze klachten treden met name op wanneer hij langdurig in dezelfde houding verblijft. In verband hiermee wisselt hij steeds van houding over de dag, maar ook in bed. Als gevolg van deze klachten heeft hij een kortere aandacht spanne en kan hij zich moeilijk concentreren op één taak. Ook is hij op wisselende momenten bij de aanwezigheid van veel klachten wat vergeetachtig.”
In 2023 rapporteert hij:
“De huidige klachten (…) bestaan nog steeds uit nek- en rugpijn en een subjectief gevoel van stijfheid waardoor betrokkenen beperkingen ondervindt in het dagelijks functioneren. Als gevolg van de pijnklachten kan hij moeilijk langdurig in dezelfde houding verblijven en ondervindt hij bij toename van deze pijnklachten problemen met de aandacht en concentratie. (…)

Voor het huidige klachtenpatroon wil ik verwijzen naar de paragraaf “Anamnese”. De huidige klachten (…) verschillen niet wezenlijk van de klachten die betrokkene vertelde tijdens het onderzoek op 20 oktober 2020”.

3.19

De psychiater heeft in 2021 tot een aanpassingsstoornis met symptomen van emoties en gedrag geconcludeerd en de beperkingen omschreven op pagina 12 van zijn rapport uit 2021:
“Ik beperk mij hier tot de psychiatrische aspecten van deze zaak. Of er op neurologisch gebied ook beperkingen zijn, is mij vooralsnog niet bekend. In de eerste plaats mag betrokkene vanwege de combinatie van oxycodon en oxazepam professioneel niet autorijden, en kan hij beter ook niet worden belast met andere risicovolle werkzaamheden. Betrokkene moet niet worden overvraagd door regelmatige stressvolle situaties, zoals frequente deadlines of productiepieken. Hij kan conflicten beter niet structureel moeten hanteren in persoonlijk of telefonisch contact. Omdat regelmaat in zijn situatie van belang is, moet hij niet in de avond of de nacht hoeven te werken of in onregelmatige diensten.”

In 2023 heeft hij gerapporteerd dat van een aanpassingsstoornis niet langer sprake is.

3.20

Uit deze medische rapportages volgt dat [eiser] vóór 10 mei 2023 klachten had waaruit beperkingen voortvloeiden. Ook de verzekeringsarts noemt in zijn rapport verschillende beperkingen en merkt daarover op dat deze ook door professor [naam 1] zijn gesteld en dat deze voor die fase ook aannemelijk zijn. Verder verklaart de verzekeringsarts dat er sinds 2023 een afname is van de resterende beperkingen. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat er aanknopingspunten bestaan om de beperkingen vast te stellen die zich in de eerste jaren na het ongeval hebben voorgedaan. [eiser] heeft hier ook op gewezen in zijn conclusie na deskundigenbericht. MSIG heeft betoogd dat een nieuwe FML over de eerdere periode tardief is en in strijd met de goede procesorde. De rechtbank volgt MSIG daarin niet. Dat een aanvullende FML over de eerdere periode nodig is, volgt gelet op het voorgaande immers uit de deskundigenrapporten en daarmee uit het procesdebat. Een nader onderzoek is nodig om een oordeel te geven over de beperkingen zoals gevorderd in de dagvaarding. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank de verzekeringsarts heeft benaderd met de vraag of hij een FML kan opstellen die betrekking heeft op de periode vanaf het ongeval tot 10 mei 2023, met het zwaartepunt op de jaren 2019 en 2020, waarbij de rapportages van de neuroloog en de psychiater wederom tot uitgangspunt moeten dienen.

3.21

De verzekeringsarts [naam 2] heeft de rechtbank bericht dat het mogelijk is om een differentiatie te maken voor de beperkingen op specifieke momenten en dat hij bereid is een FML op te stellen die betrekking heeft op de periode van 6 november 2018 tot 10 mei 2023. Hij schrijft:
“U geeft aan dat 2019 en 2020 daarbij relevante momenten zijn. Natuurlijk heeft dit in zekere mate een arbitrair karakter, maar ik kan me voorstellen dat dat in de procedure meerwaarde kan hebben. Het is wel verstandig dit te beperken tot 2, hooguit 3 relevante momenten, waarbij het goed zou zijn als de rechtbank aangeeft op welke data dat wenselijk is.

Hiervoor is geen contact met betrokkene meer noodzakelijk, maar volstaat een dossieronderzoek op basis van de aanwezige stukken. Ik ben daartoe zeker in de gelegenheid.”

De deskundige schat in dat hij daarvoor 4 uur nodig heeft, hetgeen leidt tot een voorschot van € 1016,40 inclusief btw.

3.22

Desgevraagd heeft de arbeidsdeskundige Van der Ham de rechtbank vervolgens laten weten bereid en in de gelegenheid te zijn om na het beschikbaar komen van een nieuwe FML de arbeidsongeschiktheid in het verleden alsnog te beoordelen. Ten aanzien van het voorschot wacht de arbeidsdeskundige de vraagstelling af.

Het vervolg

3.23

De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over het voornemen een tweede FML op te laten stellen en de arbeidsongeschiktheid voor de periode van 6 november 2018 tot 10 mei 2023 te laten beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank zal het zwaartepunt van die beoordeling dienen te liggen op de periode voorafgaand aan de beëindiging van het bedrijf begin 2020. Verder kunnen daarbij de rapportages van de neuroloog en de psychiater wederom tot uitgangspunt dienen.

Partijen kunnen zich uitlaten over de vraagstelling, waarbij zij ook kunnen ingaan op de vraag welke relevante momenten bij het opstellen van de FML dienen te worden beoordeeld (zoals benoemd door de verzekeringsarts als hiervoor vermeld). Verder kunnen zij zich uitlaten over het voorschot zoals dat door de verzekeringsarts is voorgesteld.

Vervolgens zal de rechtbank een vonnis wijzen. Indien de vraagstelling wordt vastgesteld zullen partijen vervolgens de mogelijkheid hebben om zich uit te laten over het voorschot van de arbeidsdeskundige. Rechtbank Overijssel 22 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4715