Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 260826 ongeval met RIB; vervoerdersaansprakelijkheidslimiet geldt, wettelijke rente en bgk te vorderen boven limiet, bgk onvoldoende onderbouwd

RBDHA 260826 ongeval met RIB; vervoerdersaansprakelijkheidslimiet geldt, wettelijke rente en bgk te vorderen boven limiet, bgk onvoldoende onderbouwd 
 

2De kern van de zaak

2.1.

Deze zaak gaat over de vraag of NN zich namens haar verzekerde BBA kan beroepen op de wettelijke limiet die geldt voor de aansprakelijkheid van de vervoerder van personen over binnenwateren. De rechtbank oordeelt dat dit inderdaad het geval is. De reden hiervoor is dat BBA als vervoerder in de zin van de wet moet worden beschouwd. Verder kan niet worden vastgesteld dat BBA bewust roekeloos heeft gehandeld, is er geen sprake van rechtsverwerking aan de zijde van NN en is het beroep op deze limiet ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

2.2.

Daarnaast gaat deze zaak over de vraag of [eiser] aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en van wettelijke rente over het bedrag van de limiet. De rechtbank oordeelt dat [eiser] geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten maar wel op vergoeding van wettelijke rente.

3De feiten

3.1.

Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.2.

Een vriendin van [eiser] heeft naar aanleiding van een actie van C.V. Biesbosch Adventures (hierna: BBA) een boottocht op een Rigid Inflatable Boat (hierna: RIB) gewonnen. [eiser] heeft samen met die vriendin en een aantal anderen aan deze boottocht deelgenomen.

3.3.

BBA heeft voor de boottocht gebruik gemaakt van een door Euro Offshoreservices B.V. (hierna: EO Services) ter beschikking gestelde boot en schipper.

3.4.

De boottocht vindt plaats op 2 juli 2016. Tijdens de tocht zit [eiser] op een zitplaats met een verhoogde ondergrond waar zijn voeten op rusten. Verder is zijn zitplaats, anders dan de andere zitplaatsen in de RIB, niet voorzien van een stalen beugel om zich aan vast te houden.

3.5.

Als de RIB op hoge snelheid vaart, raakt [eiser] los van zijn zitplaats, komt ten val en breekt een ruggenwervel. [eiser] is vervolgens geopereerd. Sindsdien kampt hij met zenuwpijn aan beide benen. Deze pijn heeft impact op zowel zijn werkende als privéleven.

3.6.

BBA was ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid verzekerd bij NN. Op het polisblad van de betreffende verzekeringsovereenkomst staat het volgende vermeld:

(…)

Verzekeringnemer C.V. Biesbosch Adventures

(…)

Verzekerde hoedanigheid Bedrijf zich bezighoudende met verhuur van en rondvaarten met boten op de binnenwateren van de Biesbosch.

Verzekerde bedragen € 2.500.000,00 als maximum per aanspraak

€ 5.000.000,00 als maximum per verzekeringsjaar

(…)

3.7.

In een email van 20 oktober 2021 schrijft NN aan de advocaat van [eiser] :

(…)

Erkenning aansprakelijkheid

Wij erkennen aansprakelijkheid voor de rechtens vorderbare schade voortvloeiend uit het voorval van 2 juli 2016. (…)

(…)

3.8.

In het in opdracht van NN geschreven Rapport Personenschade van 2 maart 2022 staat het volgende vermeld:

(…)

Polisdekking en aansprakelijkheid

Na een lange periode van onderzoeken en intern juridisch beraad erkende NN namens haar verzekerde de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval. DAS voerde discussie met Medirisk omdat door de verlate operatie mogelijk sprake is van medisch onzorgvuldig handelen. Die discussie is voor meneer [eiser] niet meer relevant, voor NN wel.

(…)

Buitengerechtelijke kosten

De kosten van rechtsbijstand worden op grond van de wet vergoed. De kosten moeten in een redelijke verhouding met de schade staan. Bij de eindregeling nemen wij de buitengerechtelijke kosten in de vaststellingsovereenkomst op.

(…)

3.9.

In een brief van 11 november 2022 schrijft de advocaat van [eiser] aan NN:

(…)

Volgend op ons telefoongesprek van eerder vandaag ontvangt u bijgaand (nogmaals) de schadestaat van 1 september 2022, met bijlagen.

(…)

3.10.

In een brief van 22 mei 2023 schrijft NN aan de advocaat van [eiser] :

(…)

Zoals u bekend hebben wij de schade in behandeling op vervoerdersaansprakelijkheid onder artikel 8:974 BW; een overeenkomst van personenvervoer over binnenwateren.

Maximale vergoeding

In geval van aansprakelijkheid van de vervoerder op binnenwateren van de vervoerder geldt een limiet van EUR 137.000,- in artikel 8:983 lid 1 BW. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er rekening mag worden gehouden met geldontwaarding. EUR 137.000 in 1991 staat gelijk aan EUR 225.345,- in 2016. Bij het afwikkelen van de schade hebben wij derhalve te maken met een limiet van EUR 225.345,-.

(…)

4Het geschil

4.1.

Na eiswijziging ter zitting vordert [eiser] dat de rechtbank (i) voor recht verklaart dat NN ook boven/buiten de limiet uit het vervoersrecht, aansprakelijk is voor de volledige schade welke [eiser] ten gevolge van het ongeval op 2 juli 2016 met de RIB heeft geleden en nog zal lijden en dat deze schade zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet; (ii) voor zover de vordering onder (i) niet wordt toegewezen, NN veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 38.840 ter zake van buitengerechtelijke kosten; (iii) voor zover de vordering onder (i) niet wordt toegewezen, NN veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over het bedrag van de limiet, ofwel vanaf de datum van het ongeval (2 juli 2016), ofwel vanaf de datum waarop BBA aansprakelijk is gesteld (11 juli 2016), ofwel vanaf de datum van de erkenning van aansprakelijkheid (20 oktober 2021); en (iv) NN veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[eiser] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. BBA, verzekerde van NN, is wel de aansprakelijke entiteit, maar was niet de feitelijke vervoerder en daarom is het vervoersrecht en daarmee de wettelijke limiet niet van toepassing. Bovendien kan BBA zich niet op deze limiet beroepen, omdat het ongeval is veroorzaakt door bewuste roekeloosheid van BBA. Daarnaast is een beroep op de wettelijke limiet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Tot slot heeft NN volgens [eiser] haar recht verwerkt om zich op de limiet te beroepen.

4.3.

NN voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.4.

NN voert – samengevat – het volgende aan. De wettelijke limiet is van toepassing, want BBA is de (bevrachtende) vervoerder. Er is ook geen sprake van bewuste roekeloosheid aan de zijde van BBA. Verder mocht [eiser] er niet op vertrouwen dat NN zich niet op de wettelijke limiet zou beroepen. In de email van 20 oktober 2021 heeft NN namelijk alleen aansprakelijkheid erkend voor ‘de rechtens vorderbare schade’ en die erkenning betreft de wettelijke gelimiteerde aansprakelijkheid. Bovendien werd [eiser] bijgestaan door een advocaat die op de hoogte was of had moeten zijn van het bestaan van de wettelijke limiet, en [eiser] daarover had kunnen of moeten informeren. Tot slot omvat de wettelijke limiet volgens NN ook de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

De wettelijke limiet is van toepassing

5.1.

Op grond van artikel 8:970, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de vervoerder in de zin van dit artikel de partij die zich contractueel verbindt om reizigers aan boord van een schip over binnenwateren te vervoeren. [eiser] betoogt dat niet BBA maar EO Services de vervoerder in de zin van dit artikel is. EO Services heeft namelijk de RIB en een schipper aan BBA ter beschikking gesteld en is dus feitelijk de vervoerder. BBA op haar beurt is geen vervoerder maar alleen de organisator van de boottocht, aldus [eiser] . Dit betoog slaagt niet. De actie, waarmee de vriendin van [eiser] de boottocht had gewonnen, was uitgeschreven door BBA. Dit betekent dat BBA de partij is die zich heeft verbonden om de boottocht uit te voeren. Dat BBA bij de uitvoering daarvan gebruik maakt van een door EO Services ter beschikking gestelde boot en schipper doet niet ter zake. Bepalend is namelijk welke partij de contractuele verplichting aangaat om de reizigers te vervoeren1, en dat is BBA. Daarom moet BBA als vervoerder in de zin van artikel 8:970, eerste lid, BW worden beschouwd. En dit betekent dat BBA zich kan beroepen op de wettelijke beperking van aansprakelijkheid die op grond van artikel 8:983, eerste lid, BW en de toepasselijke algemene maatregel van bestuur2 geldt voor de vervoerder van personen over binnenwateren.

Geen bewuste roekeloosheid aan de zijde van BBA

5.2.

Op grond van artikel 8:984, eerste lid, BW, kan de vervoerder zich niet beroepen op de wettelijke limiet als de schade is ontstaan door bewuste roekeloosheid. Van bewuste roekeloosheid is sprake, als de vervoerder het aan de gedraging verbonden gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat dit zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet gebeurt, maar zich daardoor niet van dit gedrag heeft laten weerhouden.3

5.3.

[eiser] voert aan dat de schade van [eiser] is ontstaan door bewuste roekeloosheid van BBA. De heer [naam] (hierna: [naam] ) zou de RIB namelijk van een zitplaats hebben voorzien die het onmogelijk maakte om de schokken op te vangen of om je vast te houden of schrap te zetten. Door dit te doen zou [naam] het risico hebben genomen dat iemand bij het op het water klappen van de boot wervelletsel oploopt. [naam] was zich volgens [eiser] ook bewust van dit risico. Uit de overgelegde rapportages en artikelen zou namelijk blijken dat het risico op wervelletsel als gevolg van het op het water klappen van de RIB al ruim voor 2016 bekend was. [naam] moet hiermee bekend worden geacht omdat hij al twaalf jaar boten bouwde volgens internationale normen en ook zelf inspecties uitvoerde, aldus [eiser] .

5.4.

Voor het aannemen van bewuste roekeloosheid van BBA is vereist dat de gedraging en kennis van [naam] aan BBA kunnen worden toegerekend.4 [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat [naam] de ‘Ultimate Beneficial Owner’ is van BBA en EO Services. Hij heeft echter niet toegelicht waarom dat meebrengt dat zijn gedragingen en kennis in het maatschappelijk verkeer als gedragingen en kennis van BBA moeten worden aangemerkt. Zo is niet gesteld of gebleken dat [naam] een (beherend) vennoot van BBA was of dat hij zich intensief met de gang van zaken binnen BBA bemoeide. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de gedragingen en kennis van [naam] aan BBA kunnen worden toegerekend. Dit nog los van de vraag of het handelen van [naam] daadwerkelijk als bewuste roekeloosheid kan worden aangemerkt. Van bewuste roekeloosheid aan de zijde van BBA kan dus niet worden gesproken. En dit betekent dat NN zich op de wettelijke limiet mag beroepen.

NN heeft het recht om zich op de limiet te beroepen niet verwerkt

5.5.

Volgens [eiser] heeft NN het recht om zich op de wettelijke limiet te beroepen verwerkt. Hij zou er namelijk op hebben mogen vertrouwen dat NN dit niet zou doen. Dit vertrouwen zou allereerst zijn gebaseerd op de erkenning van aansprakelijkheid door NN. Bovendien zou dit zijn gebaseerd op het Rapport Personenschade van 2 maart 2022, waarin staat dat de discussie met het ziekenhuis over een medische fout voor hem niet meer relevant was en dat zijn kosten van rechtsbijstand zouden worden vergoed. Volgens [eiser] hoefde hij er dus geen rekening mee te houden dat deze discussie wel relevant werd en dat hij de buitengerechtelijke kosten zelf moest betalen, als de schade de limiet zou blijken te overschrijden. Tot slot voert [eiser] aan dat NN anderhalf jaar onduidelijkheid heeft laten bestaan, voordat zij zich op de limiet beriep.

5.6.

Om rechtsverwerking te kunnen aannemen moet de rechthebbende (in dit geval: NN) zich hebben gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het recht. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij (hier: [eiser] ) gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden als het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt.5 Het gaat hier om een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.6 Dat betekent dat de rechter de nodige terughoudendheid moet betrachten.

5.7.

De rechtbank oordeelt dat van rechtsverwerking geen sprake is. Dit volgt ook niet uit de erkenning van aansprakelijkheid. In de brief van 20 oktober 2021 staat namelijk niet dat NN geen beroep op de limiet zal doen. Weliswaar staat er ook niet dat zij daar wel een beroep op doet, maar de rechtbank oordeelt dat het achterwege laten van een uitdrukkelijk beroep op een wettelijke limiet niet leidt tot rechtsverwerking. Daarbij is van belang dat NN pas rond 11 november 2022 (zie rov. 3.9) werd geïnformeerd over de omvang van de door [eiser] per september 2022 begrote schade, die de limiet overschreed. De limiet was voor NN ten tijde van de erkenning van aansprakelijkheid dus niet concreet in beeld en er was in zoverre geen aanleiding deze expliciet te vermelden. Dat [eiser] geen weet had van de wettelijke limiet, en er daarom vanuit ging dat alle schade zou worden vergoed, maakt dit niet anders. Te meer niet omdat [eiser] werd bijgestaan door een advocaat. Verwacht mag worden dat, in een zaak als deze, een advocaat zijn cliënt over het bestaan van de wettelijke limiet voor de aansprakelijkheid van een vervoerder informeert.

5.8.

Ook uit het Rapport Personenschade van 2 maart 2022 heeft [eiser] niet mogen afleiden dat NN zich niet op de wettelijke limiet zou beroepen. Dit is allereerst het geval omdat in het rapport evenmin staat dat NN geen beroep op de limiet zal doen. Bovendien was NN ook op het moment van het opstellen van dit rapport nog niet op de hoogte van de omvang van de door [eiser] begrote schade, die de wettelijke limiet overschreed.

5.9.

Tot slot brengt ook het tijdsverloop tussen de erkenning van aansprakelijkheid en het moment waarop NN een beroep op de limiet deed, niet mee dat sprake is van rechtsverwerking. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat van NN niet kan worden verwacht dat zij zich uitdrukkelijk op de wettelijke limiet beroept als zij nog niet bekend is met de (daarboven uitstijgende) omvang van de schade. NN is rond 11 november 2022 over de omvang van de door [eiser] per september 2022 begrote schade geïnformeerd en heeft zes maanden later (zie rov. 3.10) een beroep op de wettelijke limiet gedaan. Dit tijdsverloop is niet zodanig dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat NN zou afzien van een beroep op de limiet. Bovendien is louter tijdsverloop, zoals hiervoor (rov. 5.6) is overwogen, onvoldoende om rechtsverwerking te kunnen aannemen.

De wettelijke limiet is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

5.10.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het beroep op de wettelijke limiet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wijst [eiser] erop dat sprake is van ernstig letsel. Verder wijst hij op de hoogte van de door hem begrote schade en het verschil tussen die schade en het bedrag van de limiet. Ook wijst hij erop dat BBA geen voorzorgsmaatregelen had genomen om de veiligheid van [eiser] te waarborgen. Tot slot wijst hij op het tijdsverloop sinds het ongeval.

5.11.

In zijn arrest van 18 mei 2018 overwoog de Hoge Raad dat de wettelijke aansprakelijkheidsbeperking buiten toepassing kan worden gelaten op de grond dat een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Voor zover die omstandigheden niet zijn verdisconteerd, moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden die toepassing van de wettelijke aansprakelijkheidsbeperking zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.7

5.12.

De rechtbank oordeelt, met inachtneming van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad, dat de ernst van het letsel en de hoogte van de schade zijn verdisconteerd in de (geïndexeerde) wettelijke limiet8. Ook de aard van de aan BBA verweten gedraging, te weten het nalaten om de veiligheid te waarborgen dan wel om te waarschuwen voor risico’s, is in de limiet verdisconteerd. De wettelijke limiet geldt namelijk voor alle soorten gedragingen, dus ook de gedragingen waar het hier om gaat. Voor zover [eiser] ook in dit verband aanvoert dat sprake is van bewuste roekeloosheid van BBA, geldt ook hier dat niet kan worden vastgesteld dat daarvan sprake is geweest (zie rov. 5.4). Tot slot brengt ook het tijdsverloop sinds het ongeval niet mee dat de limiet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Weliswaar heeft de afwikkeling van het ongeval heel lang geduurd, maar dit tijdsverloop alleen is niet voldoende om NN een beroep op de limiet te ontzeggen. Te meer niet, omdat niet gesteld of gebleken is dat deze lange duur aan NN verweten kan worden.

De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen

5.13.

Uit het voorgaande volgt dat NN zich op de wettelijke limiet van artikel 8:983 BW mag beroepen. Daarom zal de vordering om voor recht te verklaren dat NN ook boven/buiten deze limiet aansprakelijk is voor de volledige schade van [eiser] als gevolg van ongeval, worden afgewezen.

5.14.

Dit betekent dat de rechtbank ook toekomt aan beoordeling van de voorwaardelijk ingestelde vorderingen van [eiser] tot betaling van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

Nationale-Nederlanden hoeft geen buitengerechtelijke kosten te betalen

5.15.

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 38.840 ter zake van buitengerechtelijke kosten. De rechtbank neemt aan dat deze vordering ziet op de kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b en c, BW.

5.16.

NN voert aan dat buitengerechtelijke kosten onder de wettelijke limiet vallen en dus niet afzonderlijk van de overige schade vergoed hoeven te worden. NN voert verder aan dat [eiser] geen schade heeft geleden, omdat de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiser] zijn kosten van rechtsbijstand vergoedt. Ook zou een onderbouwing van de gevorderde kosten ontbreken en zouden geen andere kosten zijn gemaakt, dan die ter voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de zaak. Dergelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96, derde lid, BW.

5.17.

[eiser] heeft zijn vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten, ook na dit verweer van NN, niet nader toegelicht en onderbouwd. Zo heeft hij niet door middel van gespecificeerde facturen inzicht gegeven in de aard en omvang van de buitengerechtelijke kosten die hij zou hebben gemaakt. Ook is hij niet ingegaan op het betoog dat zijn kosten door de rechtsbijstandsverzekeraar zijn vergoed. Daarom is niet komen vast te staan of, en zo ja voor welk bedrag, [eiser] daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en of deze voor vergoeding in aanmerking komen. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt daarom afgewezen.

5.18.

Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van het door [eiser] ingenomen standpunt dat de wettelijke limiet die geldt voor de schade waarvoor een vervoerder aansprakelijk is, niet ook de buitengerechtelijke kosten omvat. Volgens [eiser] kunnen buitengerechtelijke kosten worden gevorderd naast een schadevergoeding ter hoogte van de wettelijke limiet. Artikel 8:983, eerste lid, BW en de toepasselijke algemene maatregel van bestuur maken op zichzelf niet duidelijk of de wettelijke limiet wel of niet de buitengerechtelijke kosten omvat. De rechtbank acht het aannemelijk dat de bedoeling van de wetgever is geweest om deze kosten niet onder de limiet te laten vallen. Bij buitengerechtelijke kosten gaat het namelijk om wezenlijk andere schade dan de ‘eigenlijke’ (vervoers)schade. Als de wettelijke limiet ook de buitengerechtelijke kosten zou omvatten, blijft er minder ruimte over voor vergoeding van de eigenlijke (vervoers)schade. Het ligt niet voor de hand dat de wetgever dit heeft beoogd. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de limiet in het Verdrag van Athene niet de buitengerechtelijke kosten omvat.9 Dat is van belang, omdat de limiet in het BW is gebaseerd op de limiet in het Verdrag van Athene10. Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat buitengerechtelijke kosten niet onder de limiet vallen en vergoeding daarvan kan worden gevorderd naast een schadevergoeding ter hoogte van de wettelijke limiet.

Nationale-Nederlanden moet wel wettelijke rente betalen

5.19.

[eiser] vordert ook betaling van wettelijke rente over het gelimiteerde schadebedrag, te berekenen vanaf 2 juli 2016 (de datum van het ongeval), 11 juli 2016 (de datum waarop BBA aansprakelijk is gesteld) of 20 oktober 2021 (de datum van de erkenning van aansprakelijkheid door NN namens BBA).

5.20.

NN betoogt dat de wettelijke limiet ook de wettelijke rente omvat. Dit betoog slaagt niet. De in artikel 6:119 BW genoemde wettelijke rente is een vergoeding voor vertragingsschade. Die schade ontstaat niet door het voorval waarop de aansprakelijkheid van de vervoerder is gebaseerd, maar doordat hij (of zijn verzekeraar) zijn verbintenis tot betaling van (vervoers)schadevergoeding niet nakomt. Het ligt niet voor de hand dat de wetgever zou hebben beoogd om deze – door de vervoerder (of in voorkomend geval: zijn verzekeraar) veroorzaakte – vertragingsschade voor rekening van de benadeelde te laten komen als de wettelijke limiet voor de vervoersschade is ‘volgelopen’. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat wettelijke rente in het Verdrag van Athene niet onder de limiet valt11. Dat is van belang omdat de limiet in artikel 8:983 BW is gebaseerd op de limiet in het Verdrag van Athene. Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat [eiser] aanspraak heeft op wettelijke rente, naast schadevergoeding tot het bedrag van de wettelijke limiet.

5.21.

[eiser] vordert wettelijke rente over het bedrag van de wettelijke limiet. Partijen hebben ter zitting het standpunt ingenomen dat de limiet, na toepassing van de inflatiecorrectie, voor 2016 uitkomt op een bedrag van € 236.511,72. Om aanspraak te kunnen maken op wettelijke rente over dit bedrag, moet de schuldenaar in verzuim zijn. Als het gaat om een verbintenis tot schadevergoeding die voortvloeit uit onrechtmatige daad, zoals in dit geval, treedt het verzuim in op het moment waarop de schade moet worden geacht te zijn geleden.12 [eiser] noemt in zijn vordering drie mogelijke ingangsdata voor de wettelijke rente. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de schade van [eiser] op 2 of 11 juli 2016 al op € 236.511,72 werd begroot. De rechtbank acht het op basis van de schadestaat van 1 september 2022 wel aannemelijk dat dit op de datum van erkenning van aansprakelijkheid, 20 oktober 2021, het geval was. Dit betekent dat per die datum sprake is van verzuim en dat [eiser] vanaf die datum aanspraak heeft op wettelijke rente over het bedrag van de schadevergoeding, naast die schadevergoeding zelf, die door de wet is gelimiteerd. Daarbij zal wel rekening moeten worden gehouden met al door NN betaalde (voorschot)bedragen.

Partijen moeten hun eigen kosten dragen

5.22.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] voor wat betreft de gevorderde wettelijke rente gelijk krijgt, maar dat hij ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat NN zich niet op de wettelijke limiet kan beroepen en de gevorderde buitengerechtelijke kosten ongelijk krijgt. Dit betekent dat [eiser] grotendeels ongelijk krijgt. Omdat [eiser] om zijn recht met betrekking tot de wettelijke rente te kunnen halen wel genoodzaakt was deze procedure te beginnen, ziet de rechtbank reden om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

1Zie Asser 7 – 1 Algemene bepalingen en rederij, no. 231, art. 8:80 BW. Zie ook Stevens e.a., Van Haven en Handel 2020, no. 145.

2Besluit van 11 maart 1991 (Stb. 1991/105), omgezet naar euro’s door het Besluit van 14 september 2001 (Stb. 2001/415).

3HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9308 en HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9309.

4HR 6 april 1979, NJ 1980/34 (Kleuterschool Babbel) en Parket bij de HR 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:205.

5T&C BW, commentaar op artikel 6:2 BW

6Artikel 6:2 BW.

7HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729 (X/Allianz), r.o. 3.8.1 en 3.9.2.

8HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729 (X/Allianz), r.o. 3.8.2 en 3.12.1.

9Artikel 10, tweede lid, van het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 2002, Londen, 01-11-2002.

10Nota van Toelichting bij het Besluit van 29 september 2020.

11Artikel 10, tweede lid, van het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 2002, Londen, 01-11-2002.

12ECLI:NL:PHR:2025:592, r.o. 5.6 en 5.7.

 

Rechtbank Den Haag 26 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24311