Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 201125 KG; Vorderingen cliënten en letselschadebureau t.o.v. NN om letselschadebureau als belangenbehartiger te accepteren; afgewezen

RBDHA 201125 KG; Vorderingen cliënten en letselschadebureau t.o.v. NN om letselschadebureau als belangenbehartiger te accepteren; afgewezen

zie ook:
GHDHA 160925 KG; ook in HB: 3 jaar EVR-registratie letselschadebureau vanwege werkwijze t.z.v. verwerken en aanpassen medische info
en

RBROT 060125 KG; 3 jaar EVR-registratie letselschadebureau vanwege telefonische mededelingen aan cl t.z.v. aanpassen medische informatie
en:

RBROT 090725 KG; Afwijzing vordering tot inschrijving als kandidaat NIVRE-expert; eisers staan (nog) niet te goeder naam en faam bekend

2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Introductie partijen in deze procedure

2.1.

De benadeelden zijn slachtoffers van een ongeval waarbij zij letselschade hebben opgelopen. NN is de verzekeraar van de partijen die voor die letselschades aansprakelijk zijn. NN heeft de aansprakelijkheid in deze letselschadezaken erkend, waarna minnelijke schaderegelingstrajecten zijn gestart.

2.2.

[eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [eiser sub 3] worden in het kader van hun minnelijke schaderegelingstraject bijgestaan door een belangenbehartiger, de heer [belangenbehartiger 1] (hierna: ‘ [belangenbehartiger 1] ’). [eiser sub 4] laat zich in dat verband bijstaan door de heer [belangenbehartiger 2] (hierna: ‘ [belangenbehartiger 2] ’).

2.3.

[belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zijn, evenals de heren [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’) en [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’) op dit moment werkzaam bij [eiser sub 5] .

2.4.

[eiser sub 5] is een op 24 januari 2025 opgericht letselschadebureau dat zich bezighoudt met het begeleiden, adviseren en behartigen van de belangen van slachtoffers van letselschade. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser sub 5] is [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 1] ’). De heer [naam 3] (hierna: ‘ [naam 3] ’) is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 1] .

[bedrijfsnaam 2]

2.5.

[belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] waren voorheen als schaderegelaars werkzaam bij letselschadebureau [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 2] ’). [bedrijfsnaam 2] is op 1 maart 2025 ontbonden.

2.6.

Enig aandeelhouder van het in 2011 opgerichte [bedrijfsnaam 2] was [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 3] ’). Tot 17 september 2024 was [bedrijfsnaam 4] B.V. (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 4] ’) enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 3] . Enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 4] is Stichting Administratiekantoor [bedrijfsnaam 5] (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 5] ’). De heer [naam 4] (hierna: ‘ [naam 4] ’) is zowel bestuurder van [bedrijfsnaam 4] als van [bedrijfsnaam 5] . [naam 4] was ook werkzaam als schaderegelaar bij [bedrijfsnaam 2] .

2.7.

[bedrijfsnaam 1] was vanaf 17 september 2024 enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 3] . [naam 3] was sinds die datum bestuurder van [bedrijfsnaam 3] en daarmee tevens indirect bestuurder van [bedrijfsnaam 2] .

2.8.

[bedrijfsnaam 2] voerde als belangenbehartiger namens haar cliënten overleg en onderhandelde met diverse aansprakelijkheidsverzekeraars, waaronder Allianz Benelux N.V. (hierna: ‘Allianz’), Unigarant N.V. (hierna: ‘Unigarant’), Achmea Schadeverzekering N.V. (hierna: ‘Achmea’), ASR Nederland N.V. (hierna: ‘ASR’), en NN.

Maatregelen verzekeraars tegen [bedrijfsnaam 2] en [naam 4]

2.9.

Op 17 november 2023 heeft Allianz [bedrijfsnaam 2] en [naam 4] met ingang van 17 augustus 2023 voor de duur van drie jaar geregistreerd in haar Interne Verwijzingsregister (IVR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR). Allianz is daartoe overgegaan nadat haar uit een door een van haar klanten verstrekte geluidsopname was gebleken dat [bedrijfsnaam 2] zich schuldig maakt aan het aanpassen van medische informatie met als doel het verkrijgen van onterechte schadevergoeding. Bij vonnis van 6 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de vordering van [bedrijfsnaam 2] en [naam 4] om de EVR-registraties ongedaan te maken dan wel de duur daarvan te beperken afgewezen. [naam 4] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 16 september 2025 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van 6 januari 2025 bekrachtigd.

2.10.

Unigarant heeft [bedrijfsnaam 2] op 12 december 2023 bericht dat zij haar niet langer als belangenbehartiger in letselschadedossiers aanvaardt. Op 28 december 2023 heeft Unigarant bericht dat zij [bedrijfsnaam 2] en [naam 4] voor de duur van acht jaar in het Incidentenregister en het EVR zal registreren. Die registraties hebben omstreeks 31 januari 2024 plaatsgevonden. Bij arrest in kort geding van 15 oktober 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Unigarant veroordeeld om de registraties in het EVR ongedaan te maken. De vordering die ertoe strekte Unigarant te veroordelen om de behandeling van letselschadezaken met [bedrijfsnaam 2] en [naam 4] te hervatten is afgewezen, omdat Unigarant haar het oordeel van het hof goede redenen had om haar samenwerking met hen te beëindigen.

2.11.

NN heeft [bedrijfsnaam 2] en [naam 4] met ingang van 5 juli 2024 voor de duur van vier jaar geregistreerd in het EVR. Eveneens op die datum heeft NN [bedrijfsnaam 2] bericht dat zij tot 24 augustus 2031 niet zal samenwerken met [bedrijfsnaam 2] , eventuele rechtsopvolgers van [bedrijfsnaam 2] en andere rechtspersonen waaraan [naam 4] is gelieerd. In haar brief van 5 juli 2024, waarin zij haar beslissing heeft medegedeeld, onderbouwt NN deze maatregelen door erop te wijzen dat a) is gebleken dat [bedrijfsnaam 2] schadestaten niet van een volledige onderbouwing voorziet, b) [bedrijfsnaam 2] zich niet toetsbaar en transparant opstelt, c) [bedrijfsnaam 2] niet beschikt over het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL) en d) [bedrijfsnaam 2] een excessief hoog uurtarief hanteert. [bedrijfsnaam 2] en [naam 4] zijn naar aanleiding van deze EVR-registraties een kort geding tegen NN gestart. Dit kort geding hebben zij kort voor de zitting ingetrokken. [naam 4] heeft naar aanleiding van zijn registratie in het EVR een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Op deze klacht is nog niet beslist.

2.12.

NN heeft de benadeelden die door [eiser sub 5] werden bijgestaan bij brief van 22 juli 2024 bericht dat zij de samenwerking met [eiser sub 5] heeft beëindigd. In die brief heeft NN deze benadeelden geadviseerd een andere belangenbehartiger in te schakelen. Daarbij heeft NN erop gewezen dat deze benadeelden hun schade ook zelf met NN kunnen regelen.

2.13.

Achmea heeft haar samenwerking met [bedrijfsnaam 2] op of omstreeks 31 oktober 2024 beëindigd, omdat zij geen vertrouwen meer had in de werkwijze, eerlijkheid en deskundigheid van [bedrijfsnaam 2] .

2.14.

ASR heeft haar relatie met [bedrijfsnaam 2] op 18 november 2024 beëindigd. ASR geeft als reden voor die beëindiging dat zij er niet op kan vertrouwen dat [bedrijfsnaam 2] benadeelden op deskundige en integere wijze zal bijstaan.

[belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] vs. het NIVRE

2.15.

[belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] hebben de Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) in november 2024 verzocht hen te registreren als aspirant register-expert. Het NIVRE heeft deze verzoeken in februari 2025 afgewezen. [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] hebben tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt, waarbij [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] hun verzoek hebben gewijzigd, in die zin dat zij hebben verzocht om registratie als kandidaat register-expert. Nadat het NIVRE hun bezwaar ongegrond had verklaard, hebben [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] het NIVRE in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft hun vordering bij vonnis van 9 juli 2025 afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het NIVRE zich met succes kan beroepen op artikel 6.1 aanhef en onder c van haar Huishoudelijk Reglement, waarin is bepaald dat de in te schrijven persoon naar het oordeel van het bestuur in de uitoefening van zijn beroep te goeder naam en faam bekend dient te staan. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer als volgt overwogen:

Maatregelen NN in verhouding tot [eiser sub 5]

2.16.

Bij brief van 7 maart 2025 heeft NN aan [naam 3] bericht dat zij tot 24 augustus 2031 niet met [eiser sub 5] zal samenwerken. In die brief valt onder meer het volgende te lezen:

2.17.

Bij e-mail van 13 maart 2025 heeft [belangenbehartiger 1] NN naar aanleiding van de brief van 7 maart 2025 mede uit naam van [naam 3] verzocht om met hem en [naam 3] in gesprek te gaan en in afwachting daarvan de samenwerking met [eiser sub 5] voort te zetten. Daarbij heeft [belangenbehartiger 1] onder meer benadrukt dat [eiser sub 5] zich distantieert van het door [naam 4] gevoerde beleid bij Columbus, voor welk beleid [naam 3] volgens hem niet verantwoordelijk is geweest. Daarnaast heeft [belangenbehartiger 1] erop gewezen dat de concrete verwijten op grond waarvan NN de samenwerking met Columbus heeft opgezegd uitsluitend betrekking hebben op dossiers waarbij [naam 4] betrokken is geweest. [belangenbehartiger 1] heeft verder in deze brief erkend dat er in de praktijk van [naam 4] veel mis is gegaan, maar daarbij heeft hij erop gewezen dat zijn eigen praktijk binnen [bedrijfsnaam 2] los stond van de praktijk van [naam 4] en anders was ingericht. Ook heeft [belangenbehartiger 1] in deze brief – kort gezegd – toegelicht op welke wijze thans binnen [eiser sub 5] wordt gewerkt, op welke wijzen kwaliteit, professionaliteit en integriteit worden/zullen worden geborgd en welke uurtarieven worden gehanteerd.

2.18.

NN heeft bij e-mail van 25 maart 2025 aan [belangenbehartiger 1] bericht dat zij er op basis van de e-mail van 13 maart 2025 nog niet van overtuigd is dat [eiser sub 5] een deskundige en integere partij is en dat zij om die reden geen aanleiding ziet om terug te komen op haar besluit om tot 24 augustus 2031 niet met [eiser sub 5] samen te werken. NN heeft er daarbij op gewezen dat zij bereid is haar standpunt te herzien als [eiser sub 5] vóór die datum kan aantonen dat zij wel een deskundige en integere partij is, bijvoorbeeld doordat haar medewerkers bij het NIVRE geregistreerd staan of aan haar het NKL is toegekend.

2.19.

Bij e-mail van 8 juli 2025 heeft [belangenbehartiger 1] NN onder toezending van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025 en een rapport van 3 juli 2025 van een op 27 juni 2025 door mr. P. van Huizen, verbonden aan Schaderecht Advocatuur (hierna: ‘Van Huizen’), bij [eiser sub 5] uitgevoerde audit, verzocht om haar beslissing ten aanzien van NN te heroverwegen. Het vonnis van 30 juni 2025 is gewezen in een door onder meer [eiser sub 5] tegen ASR gestart kort geding, waarin [eiser sub 5] vorderde dat ASR haar weer als belangenbehartiger zou accepteren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft die vordering in dat vonnis toegewezen.

2.20.

NN heeft bij e-mail van 24 juli 2025 in reactie op de e-mail van 8 juli 2025 aan [belangenbehartiger 1] bericht dat zij niet bereid is om haar beslissing te herzien. In dat verband heeft NN het standpunt betrokken dat zij zich niet gebonden acht aan het vonnis van 30 juni 2025 en het auditrapport van Van Huizen. Daarbij heeft NN bericht dat zij in haar overtuiging om niet met [eiser sub 5] en [belangenbehartiger 1] samen te werken wordt gesterkt door een recente ervaring met [belangenbehartiger 1] in een specifiek schaderegelingstraject (hierna: ‘de zaak van mevrouw A’).

2.21.

De advocaat van [eiser sub 5] en de benadeelden heeft NN op 2 september 2025 gesommeerd om de minnelijke schaderegelingstrajecten van de benadeelden voort te zetten met [eiser sub 5] als belangenbehartiger. NN heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven.

3Het geschil

3.1.

[eiser sub 5] en de benadeelden vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad NN op een straffe van een dwangsom te veroordelen om a) uiterlijk de dag na het wijzen van dit vonnis [eiser sub 5] schriftelijk te informeren dat NN haar weer accepteert als belangenbehartiger en b) het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden voort te zetten, zulks met veroordeling van NN in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voeren [eiser sub 5] en de benadeelden – samengevat – aan dat NN onrechtmatig jegens hen handelt. [eiser sub 5] stelt dat NN haar zonder goede reden als belangenbehartiger weigert. [eiser sub 5] weerspreekt in dat verband dat zij in juridische dan wel feitelijke zin kan worden beschouwd als een rechtsopvolger dan wel een voortzetting van [bedrijfsnaam 2] . [bedrijfsnaam 2] is volgens haar per 1 maart 2025 geliquideerd en [naam 3] heeft de aandelen in [bedrijfsnaam 3] op 2 mei 2025 verkocht aan een derde. Daarnaast wijst [eiser sub 5] erop dat [naam 4] niet bij [eiser sub 5] is betrokken. [naam 4] handelt volgens [eiser sub 5] nog uitsluitend een aantal dossier af vanuit [bedrijfsnaam 6] B.V., voorheen een zustervennootschap van [bedrijfsnaam 2] , waarvan de aandelen eveneens door [bedrijfsnaam 3] werden gehouden. Voorts licht [eiser sub 5] onder verwijzing naar haar – in haar beleving niet bovenmatige – uurtarieven, de inrichting van de werkzaamheden, haar algemene voorwaarden, de door haar medewerkers gevolgde opleidingen en haar aanvraag voor het NKL toe dat haar bedrijfsfilosofie en bedrijfsvoering geheel anders zijn dan die van [bedrijfsnaam 2] . Meer in het bijzonder beroept [eiser sub 5] zich in dat verband op de bevindingen en conclusies van Van Huizen. [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zijn volgens [eiser sub 5] niet onbetrouwbaar of incapabel gebleken. Zij hebben afstand genomen van de uitlatingen van [naam 4] in de Allianz-kwestie. De op 24 juli 2025 door NN aan het adres van [belangenbehartiger 1] gemaakte verwijten in de zaak van mevrouw A en de in conclusie van antwoord aan zijn adres gemaakte verwijten in een andere specifiek schaderegelingstraject (‘de zaak van mevrouw N’) zijn volgens [eiser sub 5] evident onjuist en/of tardief. Door hen als belangenbehartigers te weigeren wordt volgens [eiser sub 5] door NN feitelijk aan [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] een beroepsverbod opgelegd. Hierdoor worden [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] in hun broodwinning getroffen, temeer nu van de weigering van NN een precedentwerking kan uitgaan richting andere verzekeraars. De benadeelden stellen dat zij hun belangen in het kader van de afwikkeling van hun letselschadezaken uitsluitend door [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] willen laten behartigen. Doordat NN [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zonder gegronde reden als belangenbehartigers weigert, doorkruist NN ter zake hun keuzevrijheid en ligt volgens de benadeelden hun minnelijke schaderegelingstraject stil. De benadeelden stellen dat zij hierdoor ernstig worden gedupeerd.

3.3.

NN voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4De beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid benadeelden

4.1.

NN heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelden geen belang hebben bij hun vorderingen en dat zij daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn. De voorzieningenrechter volgt NN in dat standpunt niet. De benadeelden hebben ter zitting toegelicht dat hun belang erin is gelegen dat zij zich in hun minnelijke schaderegelingstraject kunnen laten bijstaan door de belangenbehartiger van hun keuze. Dit vormt een zelfstandig belang dat zich in voldoende mate laat onderscheiden van het belang van [eiser sub 5] om weer als belangenbehartiger door NN te worden geaccepteerd. De benadeelden zijn daarmee in deze procedure ontvankelijk in hun vorderingen.

Spoedeisend belang

4.2.

NN voert daarnaast als verweer dat [eiser sub 5] en de benadeelden geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Ten aanzien van [eiser sub 5] stelt NN dat [eiser sub 5] wel als belangenbehartiger kan optreden in minnelijke schaderegelingstrajecten met andere verzekeraars. De benadeelden hebben volgens NN geen spoedeisend belang omdat NN de voortgang van hun schaderegelingstrajecten niet belemmert. De benadeelden kunnen volgens NN een andere belangenbehartiger inschakelen dan wel hun schade rechtstreeks met haar regelen. De voorzieningenrechter volgt NN in dit verweer evenmin. Daartoe is van belang dat NN heeft niet weersproken dat zij een grote speler is op de Nederlandse verzekeringsmarkt. Hierdoor is voldoende aannemelijk dat [eiser sub 5] door de weigering van NN om haar nog langer als belangenbehartiger te accepteren in haar financiële belangen wordt geschaad. Daarmee heeft [eiser sub 5] voldoende spoedeisend belang bij haar vordering. Ten aanzien van de benadeelden geldt dat zij zich als gevolg van de weigering van NN om nog langer zaken te doen met [eiser sub 5] niet meer door [belangenbehartiger 1] of [belangenbehartiger 2] kunnen laten bijstaan. Nu aan de benadeelden in beginsel het recht toekomt om zich door een belangenbehartiger van hun keuze te laten bijstaan en de benadeelden te kennen hebben gegeven dat zij geen andere belangenbehartiger wensen in te schakelen en evenmin bereid zijn om hun schade rechtstreeks met NN te regelen, hebben ook de benadeelden voldoende spoedeisend belang bij het door hen gevorderde.

Uitgangspunten en toetsingskader

4.3.

Beoordeeld moet worden of NN op dit moment verplicht kan worden om [eiser sub 5] (in de letselschadezaken van de benadeelden) weer als belangenbehartiger te accepteren. In het kader van die beoordeling zijn twee uitgangspunten van belang. In de eerste plaats geldt als uitgangspunt dat een benadeelde de vrijheid toekomt om zich in het kader van zijn minnelijk schadetraject te laten bijstaan door een belangenbehartiger van zijn keuze. Het is niet aan de verzekeraar om eisen te stellen of beperkingen op te leggen aan de door een benadeelde te kiezen belangenbehartiger. Daarbij geldt als kanttekening dat indien tussen de benadeelde en de belangenbehartiger een overeenkomst van opdracht is gesloten, de belangenbehartiger de zorg van een goed opdrachtnemer in acht zal moeten nemen. Daarnaast is uitgangspunt dat een verzekeraar het recht heeft om te bepalen met welke belangenbehartiger zij zaken wenst te doen. Bij die vrijheid valt als kanttekening te plaatsen dat een verzekeraar op grond van de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL), voor zover dit in zijn vermogen ligt, ervoor moet zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt. Het weigeren van de door een benadeelde gekozen belangenbehartiger zal al snel tot een vertraging van het schaderegelingsproces en tot een verstoring van de verhouding met de benadeelde leiden.

4.4.

Gelet op deze uitgangspunten en de daarbij geplaatste kanttekeningen, staat het een verzekeraar slechts vrij om een belangenbehartiger te weigeren als zij daarvoor goede redenen heeft. Daarvan zal met name sprake zijn indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodig zal worden vertraagd omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:

  • -

    niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken en/of;

  • -

    klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces en/of;

  • -

    onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen.

Bij de beslissing om een belangenbehartiger te weigeren mag een verzekeraar ook betekenis toekennen aan het feit dat een belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Een belangenbehartiger die lid is van het NIVRE of het Nederlands Instituut van Schaderegelaars (NIS) of wiens kantoor is aangesloten bij het NKL of de Nederlandse Letselschade Experts (NLE), heeft zich geconformeerd aan de GBL, dient aan opleidingseisen te voldoen en is gebonden aan een externe klachtenregeling. Voor ongebonden belangenbehartigers geldt dit alles in beginsel niet. Verzekeraars kunnen hen dan ook niet aanspraken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen1.

Standpunt NN

4.5.

NN stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat zij niet gehouden is om [eiser sub 5] als belangenbehartiger te accepteren. In dat verband voert NN aan dat a) [eiser sub 5] de opvolger en een voortzetting is van [bedrijfsnaam 2] , b) zij er niet op kan vertrouwen dat [eiser sub 5] en de aan haar verbonden schaderegelaars een betrouwbare en integere handelwijze voorstaan, c) [eiser sub 5] en de aan haar verbonden schaderegelaars niet aantoonbaar deskundig zijn en bovendien zijn aan te merken als ongebonden belangenbehartigers en d) [eiser sub 5] onredelijke uurtarieven hanteert.

Oordeel voorzieningenrechter

4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser sub 5] er op dit moment nog onvoldoende blijk van heeft gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is en dat schaderegelingsprocessen waarin zij als belangenbehartiger optreedt goed verlopen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.7.

Van de zijde van [eiser sub 5] en de benadeelden is niet gemotiveerd weersproken dat NN gegronde redenen had om [bedrijfsnaam 2] niet meer als belangenbehartiger te accepteren en om zowel [bedrijfsnaam 2] als [naam 4] in het EVR te registreren. NN heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser sub 5] en [bedrijfsnaam 2] kunnen worden vereenzelvigd en dat zij reeds om die reden haar besluit om de samenwerking met [bedrijfsnaam 2] te beëindigen eveneens aan [eiser sub 5] kan tegenwerpen. Volgens NN is [eiser sub 5] uitsluitend opgericht om de door haar tegen [bedrijfsnaam 2] genomen maatregelen te omzeilen en daarom is er aanleiding om het identiteitsverschil tussen de beide rechtspersonen volledig weg te denken. De voorzieningenrechter volgt NN in dat betoog niet. In het zogenaamde Rainbow-arrest2 heeft de Hoge Raad bevestigd dat vereenzelviging slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan worden aangenomen. NN heeft met hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich in dit geval zo’n uitzonderlijke situatie voordoet.

4.8.

De omstandigheid dat vereenzelviging tussen de beide vennootschappen niet kan worden aangenomen, laat onverlet dat [eiser sub 5] feitelijk wel te beschouwen is als een voortzetting van [bedrijfsnaam 2] . [eiser sub 5] exploiteert immers net als [bedrijfsnaam 2] een letselschadebureau dat zich bezighoudt met belangenbehartiging in personenschadezaken. Daarnaast staat niet ter discussie dat [eiser sub 5] dossiers van benadeelden in behandeling heeft, die zich voorheen lieten bijstaan door [bedrijfsnaam 2] , en evenmin dat [eiser sub 5] uitsluitend schaderegelaars in dienst heeft die voorheen als schaderegelaars werkzaam waren voor [bedrijfsnaam 2] . [eiser sub 5] heeft betoogd dat binnen [bedrijfsnaam 2] uitsluitend sprake is geweest van misstanden in de praktijk van [naam 4] en niet in de praktijken van de overige schaderegelaars, maar in het beperkte kader van dit kort geding kan niet worden vastgesteld of die stelling juist is. Daarom kan op basis van de omstandigheid dat [naam 4] sinds 17 september 2024 geen (indirect) bestuurder en aandeelhouder meer is van [bedrijfsnaam 3] en de omstandigheid dat [naam 3] , de huidige (indirect) aandeelhouder en bestuurder van [eiser sub 5] , de aandelen in [bedrijfsnaam 3] in mei 2025 heeft verkocht, niet worden aangenomen dat [eiser sub 5] , in tegenstelling tot destijds [bedrijfsnaam 2] , op dit moment wel een voldoende betrouwbare belangenbehartiger is. Daarvoor is meer nodig. Zulks klemt temeer nu [naam 3] zich, nadat hij op 17 september 2024 (indirect) aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 3] was geworden, niet direct heeft gedistantieerd van de misstanden binnen [bedrijfsnaam 2] , zoals die op dat moment al door Allianz, Unigarant en NN waren geconstateerd. Integendeel, ook na 17 september 2024 zijn onder de verantwoordelijkheid van [naam 3] nog gerechtelijke procedures gevoerd om EVR-registraties van [bedrijfsnaam 2] ongedaan te maken en [naam 3] heeft nog maanden getracht om verzekeraars te overtuigen de samenwerking met [bedrijfsnaam 2] te hervatten, zonder daarbij uitdrukkelijk afstand te nemen van [naam 4] en/of aantoonbaar veranderingen binnen de organisatie van [bedrijfsnaam 2] door te voeren. De beslissing om [bedrijfsnaam 2] per 1 maart 2025 te liquideren lijkt vooral te zijn ingegeven door het feit dat op dat moment inmiddels vijf grote verzekeraars niet meer met [bedrijfsnaam 2] wensten samen te werken, waardoor deze onderneming kennelijk niet langer levensvatbaar was.

4.9.

Met [eiser sub 5] lijkt [naam 3] een andere weg te zijn ingeslagen. [eiser sub 5] heeft in haar met NN gevoerde correspondentie en ook in deze kortgedingprocedure toegelicht dat, hoewel zij nog niet over het desbetreffende keurmerk beschikt, zij haar organisatie en werkprocessen zodanig heeft ingericht/vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorschriften uit het Reglement van het NKL. Ter onderbouwing van die stelling beroept [eiser sub 5] zich op het auditrapport van Van Huizen. NN heeft vraagtekens geplaatst bij de onafhankelijkheid en objectiviteit van Van Huizen. Wat hier verder ook van zij, geldt dat de juistheid van de stelling van [eiser sub 5] wordt niet volledig wordt onderschreven door het auditrapport van Van Huizen. Van Huizen constateert weliswaar dat [eiser sub 5] een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft aangevraagd die tenminste tot een bedrag van € 500.000,-- aan schade per aanspraak dekt, maar hij geeft ook aan dat hij niet heeft kunnen verifiëren of tenminste tweemaal dat bedrag per verzekeringsjaar wordt gedekt. Daarmee staat niet vast dat door [eiser sub 5] wordt voldaan aan artikel 5.5.11 van het Reglement NKL. Van Huizen heeft daarnaast geconstateerd dat nog niet (volledig) door [eiser sub 5] wordt voldaan aan de eisen die het Reglement NKL stelt aan dossieroverdracht (artikel 5.9.2) en klachtbehandeling (artikel 6.2.3). Bovendien geldt meer in zijn algemeenheid dat in de praktijk van alledag zal moeten blijken of daadwerkelijk door [eiser sub 5] conform het Reglement NKL en de GBL wordt gewerkt. In dat verband zoekt de voorzieningenrechter aansluiting bij het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2025 in de procedure tussen [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] , [naam 2] en het NIVRE. Hierin heeft de Rotterdamse voorzieningenrechter geoordeeld dat deze vier schaderegelaars hun intenties nog onvoldoende hebben waargemaakt, waardoor ze (nog) niet te goeder naam en faam bekend staan en het NIVRE in redelijkheid heeft kunnen weigeren hen te registreren. [eiser sub 5] is ook nu nog pas relatief kort als letselschadebureau actief en zij heeft zich daardoor ook wat betreft het voldoen aan de vereisten van het Reglement NKL en de GBL nog onvoldoende bewezen. Niet alleen het ontbreken van het NKL, maar ook het feit dat de bij [eiser sub 5] werkzame schaderegelaars (nog) niet bij het NIVRE staan geregistreerd rechtvaardigt op dit moment de weigering van NN om [eiser sub 5] als letselschadebureau te accepteren. Ook een NIVRE-registratie van een letselschadebureau is immers voor verzekeraars een belangrijke indicator voor het zijn van een betrouwbare belangenbehartiger. [eiser sub 5] is op dit moment (nog) een ‘ongebonden’ schaderegelaar. Dat betekent dat zij (nog) niet is gebonden aan een externe klachtenregeling, waardoor zij niet door NN (en andere verzekeraars) kan worden aangesproken op de in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen.

4.10.

[eiser sub 5] heeft nog betoogd dat zij zich in een ‘catch-22’ positie bevindt, nu zij zich volgens het NIVRE eerst moet bewijzen en sommige verzekeraars het standpunt innemen dat zij eerst een NIVRE-registratie moet hebben verkregen. Daarnaast stelt [eiser sub 5] dat het NKL pas wordt verstrekt nadat een NIVRE-registratie is verkregen. De voorzieningenrechter volgt [eiser sub 5] in dat betoog niet. [eiser sub 5] is – naar niet ter discussie staat – op dit moment als letselschadebureau actief en er zijn dus verzekeraars die wel met haar willen samenwerken. [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] kunnen dan ook – naar mag worden aangenomen – binnen afzienbare termijn aan de hand van hun in dat verband verrichte bemiddelingswerkzaamheden aantonen dat schaderegelingsprocessen waarbij zijn betrokken goed verlopen. Daarmee is het dus voor [eiser sub 5] niet onmogelijk om richting het NIVRE te onderbouwen dat haar schaderegelaars te goeder naam en faam bekend staan en daarmee voldoen aan alle vereisten om in het NIVRE-register te worden opgenomen. Uit de stellingen van [eiser sub 5] leidt de voorzieningenrechter af dat kennelijk na de registratie in het NIVRE-register het NKL aan [eiser sub 5] zal worden toegekend, zodat het NKL voor [eiser sub 5] als gevolg van de weigering van NN om met haar samen te werken evenmin onbereikbaar is geworden.

4.11.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [eiser sub 5] op dit moment nog onvoldoende heeft aangetoond dat zij als een betrouwbare belangenbehartiger kan worden aangemerkt. Nu NN reeds op basis daarvan op dit moment het recht toekomt om [eiser sub 5] als belangenbehartiger te weigeren, kan in het midden blijven of individuele schaderegelaars van [eiser sub 5] zich – zoals NN uitvoerig heeft betoogd en [eiser sub 5] heeft weersproken – in specifieke letselschadedossiers onvoldoende betrouwbaar hebben opgesteld. Evenmin behoeft bij die stand van zaken te worden beoordeeld of – zoals NN eveneens aanvoert en [eiser sub 5] betwist – de aan [eiser sub 5] verbonden schaderegelaars klaarblijkelijk niet beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van een benadeelde in een minnelijk schaderegelingstraject. Tenslotte kan daarmee in het kader van deze kortgedingprocedure in het midden blijven of NN onredelijk hoge uurtarieven en/of buitengerechtelijke kosten in rekening brengt. De uitkomst van deze procedure is begrijpelijkerwijs teleurstellend voor de benadeelden. Hun belang zich in hun minnelijke schaderegelingstrajecten onverkort door [belangenbehartiger 1] en/of [belangenbehartiger 2] te laten bijstaan weegt echter minder zwaar dan het belang van NN om uitsluitend zaken te doen met belangenbehartigers die zich als betrouwbare belangenbehartigers hebben bewezen.

1Vgl. arrest Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, rov. 4.23 tot en met 4.26

2HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480

 

Rechtbank Den Haag 20 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26997