TAHVD 310726 ongegronde klacht mr. X ; uitspraken van LSA-advocaat op LinkedIn niet smadelijk of lasterlijk
TAHVD 310726 ongegronde klacht mr. X ; uitspraken van LSA-advocaat op LinkedIn niet smadelijk of lasterlijk
in vervolg op
TADRSHE 040825 ongegronde klacht mr. X ; uitspraken van LSA-advocaat op LinkedIn niet smadelijk of lasterlijk
1 INLEIDING
1.1 In deze zaak wordt geklaagd over een advocaat die uitlatingen over klager heeft gedaan op LinkedIn. Het hof is evenals de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) van oordeel dat niet gebleken is dat in het gewraakte LinkedIn-bericht feiten zijn gesteld waarvan verweerder wist of behoorde te weten dat deze onjuist zijn. Verweerder heeft geen misbruik gemaakt van zijn geheimhoudingsplicht door niet de naam te noemen van de cliënt van klager die verweerder had benaderd en die verweerder aanhaalt in het betreffende LinkedIn-bericht. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt deze beslissing.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende opeen rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-087/DB/OB een beslissing genomen op 4 augustus 2025.In deze beslissing heeft de raad zich ten aanzien van een gedeelte van de klacht onbevoegd verklaard en voor het overige ongegrond.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:113 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 6 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 5 juni 2026. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, verweerder aan de hand van spreekaantekeningen die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager, handelend onder de naam M, is voormalig advocaat, thans werkzaam als jurist en behandelt letselschadezaken. Verweerder is advocaat en werkzaam als letselschadespecialist.
3.3 In augustus 2024 heeft verweerder op LinkedIn een bericht geplaatst met de volgende tekst:
“Pas op voor wurgcontracten bij inschakeling van een ‘letselschadespecialist’ Zeer recent werd ik weer eens benaderd door een cliënt van [klager] (handelend onder de naam [M]). Blijkens onderstaande overeenkomst hanteert hij momenteel een uurtarief van € 400,- + 10% kantoorkosten + BTW. Daarbovenop mag zijn cliënt 25% van zijn toekomstige schadevergoeding inleveren bij [M]. Wil zijn cliëntoverstappen naar een (fatsoenlijke) belangenbehartiger? Dan is het sowieso afrekenen voor zijn cliënt, althans dat zal [klager] hopen. Blijkens de rechtspraak lukt het innen van die rekening (gelukkig) niet altijd ( [hyperlink] ).
In een uitzending van LetselLab (over Cowboys in de letselschade) d.d. 12 oktober 2023verklaarde [klager] onder meer:
Ik ben destijds uit de advocatuur gestopt om op no-cure-no pay basis te kunnen gaanwerken, iets wat in de advocatuur lange tijd niet mocht. Als een cliënt dat niet wil, dan kiezen ze een ander. (zie tevens Letselschade.NU)
Uit zijn onderstaande overeenkomst blijkt dat zijn cliënten in praktijk niet vrij zijn om nog te kiezen voor een ander. Naast het in rekening brengen van een exorbitant uurtarief dreigt hij met zijn misgelopen fee.
Oordeelt u zelf.”
3.4 In het LinkedIn-bericht is een foto van de door klager gehanteerde opdrachtbevestiging weergegeven. Op de foto is de volgende tekst te zien:
“NO CURE NO PAY OVEREENKOMST/MACHTIGING
............ als opdrachtgever machtigt hierbij en komt overeen met [M], het navolgende:
1. Het opvragen van alle (medische) informatie die [M] nodig vindt voor een optimale behandeling van uw letselschadezaak.
2. Het voeren van onderhandelingen met de wederpartij over de hoogte van de schadevergoeding en de afwikkeling van uw letselschadezaak.
3. Indien geen overeenstemming met de wederpartij valt te bereiken over erkenning van aansprakelijkheid en/of betaling van schadevergoeding machtigt u [M] voor het (doen) opstarten van een gerechtelijke procedure.
4. Het op de (derden)rekening van [M] ontvangen, doorbetalen en zo nodig verrekenen van de aan u toekomende schadevergoedingen met de kosten zoals in punt 5 genoemd.
5. Het rechtstreeks aan de wederpartij declareren van de buitengerechtelijke kosten die [M] in uw opdracht heeft gemaakt. Deze kosten vangen aan op het moment van het eerste contact tussen u en [M], en zijn gebaseerd op het standaard uurtarief van € 400,00, exclusief10% kantoorkosten, verschotten en BTW. Deze kosten worden door u door ondertekening van deze overeenkomst bij voorbaat aan [M] overgedragen.
6. Over het door [M] in uw zaak behaalde resultaat, dan wel de door de wederpartij aangeboden schadevergoeding bent u aan [M] een succes fee verschuldigd van 25% plus BTW. Deze fee wordt niet berekend over de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en daarop ook niet in mindering gebracht of mee verrekend.
7. Bij voortijdige opzegging van deze overeenkomst behoudt [M] zich het recht voor de openstaande buitengerechtelijke kosten als redelijk loon in de zin van art. 7:411BW, en de hierdoor misgelopen succes fee, bij u in rekening te brengen.
8. Door ondertekening van de overeenkomst/machtiging verklaart opdrachtgever dat [M] alle artikelen met opdrachtgever heeft doorgenomen en toegelicht en dat opdrachtgever de inhoud daarvan goed begrepen heeft en daarmee uitdrukkelijk akkoord gaat. Opdrachtgever heeft 7 dagen de tijd om op deze overeenkomst terug te komen of daarover binnen genoemde termijn een tweede mening in te winnen. Doet opdrachtgever dat niet, dan is de overeenkomst definitief.
Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend:”
3.5 Bij e-mail van 15 augustus 2024 heeft klager verweerder als volgt bericht:
“Onlangs werd ik geconfronteerd met bijgaande publicatie van uw hand op een sociaalmedium. Voordat ik daarmee vanwege de onjuiste, tendentieuze en onfatsoenlijke inhoud daarvan naar uw deken en het bestuur van de LSA stap, verneem ik graag binnen een week na heden wie van mijn (voormalige) cliënten u hebben benaderd, want ik kan mij niet herinneren dat u ooit een zaak van mij heeft overgenomen, en zeker zeer recent zoals u stelt.”
3.6 Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerder als volgt geantwoord:
“Mijn bericht was heel feitelijk en voorzien van onderbouwing. Indien u een klacht wil indienen, dan staat u dat vanzelfsprekend vrij.”
3.7 Bij e-mail van dezelfde dag heeft klager verweerder als volgt bericht:
“Daar denk ik uiteraard heel anders over. Bovendien gaat u niet in op mijn vraag. Graag ontvang ik daarop alsnog uw antwoord.”
3.8 Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerder als volgt geantwoord:
“Met betrekking tot het door u verzochte exposen van uw cliënten; daar zal ik niet in meegaan.”
3.9 Op 11 september 2024 heeft klager over verweerder een klacht ingediend bij de deken.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder doet op sociale media tendentieuze, lasterlijke en smadelijke uitlatingen over klager en/of klagerswerkwijze, waardoor klager wordt weggezet als een onfatsoenlijke belangenbehartiger en hij (reputatie-)schade oploopt;
2. Verweerder doet op sociale media feitelijke mededelingen over klager en/of klagers werkwijze, waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat deze onjuist zijn;
3. Verweerder misbruikt LinkedIn door bewust onjuiste, misleidende en grievende informatie over klager en zijn werkwijze te verspreiden in de hoop daarmee nieuwe letselschadezaken te verwerven.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft de klachtonderdelen 1 tot en met 3 gezamenlijk behandeld. De raad heeft geoordeeld dat uit de overgelegde stukken, waaronder de door verweerder genoemde rechterlijke uitspraken en de door klager gehanteerde opdrachtbevestiging, niet is gebleken dat in het gewraakte LinkedIn-bericht feiten worden gesteld waarvan verweerder wist of behoorde te weten dat deze onjuist waren. Naar het oordeel van de raad biedende door verweerder aangehaalde rechterlijke uitspraken en de tekst van de door klager gehanteerde opdrachtbevestiging in voldoende mate feitelijke grondslag voor de gewraakte uitlatingen van verweerder. Verweerder is daarnaast niet gehouden tot het noemen van de naam van de cliënt die hem heeft benaderd, omdat hij met het prijsgeven van die naam in strijd zou handelen met de op hem rustende geheimhoudingsplicht. Tegenover het gemotiveerde verweer van verweerder heeft klager de klacht naar het oordeel van de raad onvoldoende onderbouwd en concreet gemaakt, terwijl in de overgelegde stukken ook geenaanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers verwijt dat verweerder feitelijke mededelingen over klager en/of klagers werkwijze heeft gedaan, waarvan hij wist, althans behoort te weten, dat deze onjuist waren. De raad acht voorstelbaar dat klager onaangenaam is getroffen door deinhoud van het LinkedIn-bericht en de reacties daarop, maar dat betekent nog niet dat verweerder tendentieuze, grievende en misleidende uitlatingen heeft gedaan. De raad heeft voorts overwogen dat “laster” en “smaad” strafrechtelijke kwalificaties betreffen, terwijl de tuchtrechter niet de bevoegdheid heeft om te oordelen over de vraag of al dan niet van strafrechtelijk handelen sprake is. De raad heeft zich, voor zover klager verweerder verwijt lasterlijke en smadelijke uitlatingen te hebben gedaan, dan ook onbevoegd verklaard.
5.2 Dat verweerder LinkedIn heeft misbruikt door bewust onjuiste, misleidende en grievende informatie over klager en zijn werkwijze te verspreiden in de hoop daarmee nieuwe letselschadezaken te verwerven, is naar het oordeel van de raad uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet gebleken, zodat de feitelijke grondslag van dit klachtonderdeel ontbreekt.
5.3 De raad is tot de slotsom gekomen dat tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken. De raad heeft de klacht daarom ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Door klager zijn de volgende beroepsgronden aangevoerd:
1) volgens klager heeft de raad ten onrechte geen acht geslagen op de woorden “weer eens” in het gewraakte artikel. Verweerder heeft dit niet heeft geconcretiseerd en wekt ten onrechte de indruk dat aan de lopende band cliënten van klager bij verweerder klagen over de beloningsstructuur of het contract van klager;
2) klager stelt dat verweerder ter zitting bij de raad een lege dossiermap heeft getoond die hij sinds 2020 niet meer gebruikt. Dit is geen concreet bewijs dat een cliënt van klager zich in 2024 heeft gewend tot verweerder om zich te beklagen over de beloningsstructuur of het contract van klager;
3) klager voert aan dat van de uitspraken die verweerder heeft aangehaald er slechts tweebetrekking hadden op de beloningsstructuur. De andere uitspraken gingen over de buitengerechtelijke kosten. De raad heeft er verder onvoldoende oog voor gehad wat een argeloze lezer denkt als hij het artikel op LinkedIn leest;
4) klager is van mening dat verweerder zijn beroepsgeheim misbruikt. Van de raad en/of de deken mag worden verwacht dat hij/zij vertrouwelijk onderzoek doet/doen naar de authenticiteit van de bewering van verweerder dat een cliënt van klager in een lopende zaak verweerder heeft benaderd voor advies over de beloningsstructuur en het contract van klager;
5) volgens klager heeft de raad miskend dat verweerder met zijn artikel de bedoeling heeft gehad om nieuwe letselschadezaken te acquireren;
6) de raad heeft volgens klager ten onrechte overwogen dat klager zijn bezwarenonvoldoende concreet heeft gemaakt of onderbouwd.
Verweer verweerder
6.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven betamelijkheidsnorm. Daarbij betrekt de tuchtrechter onder meer de kernwaarden (zoals omschreven in artikel 10a lid 1 Advocatenwet). De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld(zie HvD 23 april 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:77).
Overwegingen hof
7.2 De beroepsgronden van klager komen feitelijk neer op een herhaling van hetgeen klager bij de raad naar voren heeft gebracht.
7.3 Met betrekking tot klachtonderdeel 1 merkt het hof op dat klager onvoldoende heeft onderbouwd waarom de uitlatingen van verweerder in zijn LinkedIn-bericht tendentieus zouden zijn. Het hof vindt daarvoor in het bericht in ieder geval geen aanwijzingen en ook overigens is het hof niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is niet de taak van het hof om te toetsen of de uitlatingen van verweerder lasterlijk of smadelijk zijn omdat dit een strafrechtelijke toetsing vergt wat buiten het bereik van het advocatentuchtrecht valt. De door klager gestelde (reputatie)schade als gevolg van het door verweerder op internet geplaatste LinkedIn-bericht is door klager ook in beroep niet nader geconcretiseerd.
7.4 Evenals de raad heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de uitlatingen van verweerder in zijn LinkedIn-bericht feitelijk onjuist zijn (klachtonderdeel 2). Verweerder heeft de eigen opdrachtbevestiging van klager in zijn bericht opgenomen en verweerder heeft zijn visie op de werkwijze van klager in de klachtprocedure bij de raad en het hof nader toegelicht met jurisprudentie waarin de werkwijze van klager centraal stond. Dat verweerder, ondanks het verzoek van klager, niet aan klager de naam heeft willen verstrekken van de cliënt van klager die hem had benaderd(beroepsgrond 4), hetgeen overigens geen onderdeel uitmaakt van de ingediende klacht, kwalificeert het hof niet als misbruik van zijn geheimhoudingsplichtdoor verweerder.
7.5 Het verwijt van klager dat verweerder met zijn bericht op LinkedIn heeft beoogd om (ten koste van klager) nieuwe letselschadezaken te acquireren (klachtonderdeel 3) is ook in beroep door klager op geen enkele wijze onderbouwd en behoeft om die reden geen nadere bespreking.
Slotsom
7.6 Het voorgaande betekent dat het beroep van klager geen doel treft en het hof de beslissing van de raad zal bekrachtigen.
Met dank aan letselschade.nu