Zoeken

Inloggen

Artikelen

LSA Letselschade Magazine Week 7 2022

SCHADEBEHANDELING GEDRAGSREGELS EN NORMERING, advocatuur en belangenbehartigers


LSA 140221 Branchevereniging LSA neemt afstand van betalen voor cliëntgegevens

Sommige belangenbehartigers betalen voor cliëntgegevens om zo een letselschadezaak in handen te krijgen. De Vereniging van Letselschade Advocaten “LSA” ziet deze praktijk met lede ogen aan en heeft onlangs met haar leden besloten dat LSAadvocaten niet mogen betalen om op deze wijze zaken binnen te halen. Bovendien hoopt de vereniging met dit initiatief het onderwerp op de agenda van minister Dilan Yeşilgöz te krijgen.

Provisieverbod opgeheven
|Van oudsher gelden er strikte regels binnen de advocatuur. In de gedragsregels van de beroepsgroep is een provisieverbod opgenomen. Oftewel: betalen om een zaak te krijgen was voor advocaten altijd verboden. Sinds een aantal jaren is het onder bepaalde voorwaarden toegestaan te betalen om een zaak binnen te halen. De LSA is geen voorstander van deze verruiming.

Honderden euro’s voor cliëntgegevens
In de praktijk komt het voor dat bijvoorbeeld assurantietussenpersonen gegevens van slachtoffers verkopen aan belangenbehartigers. Dat kan een letselschadeadvocaat zijn, maar ook een letselschaderegelaar of een medewerker van een letselschadebureau. Die hebben soms tot wel honderden euro’s over voor die gegevens.

Betalen voelt als handel in leed
De LSA neemt afstand van de handel in cliëntgegevens. Een zaak moet gaan naar de degene die de belangen van het slachtoffer optimaal behartigt en niet naar de hoogste bieder, zo staat onder meer in het verslag van de laatste ledenvergadering van de vereniging. De kwetsbare en afhankelijke positie waarin slachtoffers verkeren maken het onwenselijk dat derden worden betaald om hun persoonlijke gegevens te verstrekken. Tijdens de ledenvergadering hebben de LSA-leden dan ook met elkaar afgesproken niet voor zaken te zullen betalen. Het aanvankelijke provisieverbod van de Nederlandse Orde van Advocaten, dat door de LSA was overgenomen, blijft dan ook onveranderd in de kwaliteitsverklaring van de vereniging staan. Bovendien roept de LSA andere partijen binnen de letselschadebranche op om hun voorbeeld te volgen.

Signaal aan politiek
De LSA heeft ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid bericht hoe haar leden denken over de gang van zaken rond het betalen voor zaken in letselschadezaken. De LSA hoopt door het afgeven van dit signaal de Minister te kunnen bewegen tot het instellen van een wettelijk verbod op het betalen van derden voor het verstrekken van persoonsgegevens van slachtoffers om daarmee zaken te verwerven. LSA.nl


AANSPRAKELIJKHEID DIVERS, massaschade, collectieve actie

HR 110222 Trafigura, Probo Koala; Art. 81 lid 1 RO; collectieve actie; Nederlandse rechter is bevoegd

in vervolg op:
GHAMS 140420 Trafigura; Probo Koala; oordeel over bevoegdheid, ontvankelijkheid, gelijksoortigheid belangen en waarborgvereiste

conclusie AG De Bock strekte eveneens tot verwerping:
PHR 170921
 PG De Bock; Trafigura; verwerping; collectieve actie 3:305a BW (oud) tbv slachtoffers storting afvalstoffen Ivoorkust

Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling. ECLI:NL:HR:2022:165


AANSPRAKELIJKHEID WERKGEVER, rugklachten
CAUSAAL VERBAND EN EIGEN SCHULD, proportionele aansprakelijkheid

SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, kosten deskundige

GHSHE 080222 na deskundigenrapporten; verband rugklachten en werkomstandigheden te onzeker; ook geen proportionele aansprakelijkheid; wel kennelijk onredelijk ontslag (oude zaak)
omdat deskundigenberichten ook gebruikt zijn voor oordeel over ontslagvergoeding kosten 50/50 voor rekening wg-er/wn-er, ondanks afgewezen aansprakelijkheid

vervolg op:
Hof 's-Hertogenbosch 121217 rugklachten als gevolg van werkzaamheden? benoeming en vraagstelling arbeidsdeskundige, orthopedisch chirurg en verzekeringsarts

12 De verdere beoordeling

Kern van het geschil en de eerdere tussenarresten van het hof

12.1.1.
[werkgever] maakt uitlaten en katalysatoren voor de automobielindustrie. [werknemer] is bij [werkgever] in dienst geweest in de functie van operator. Hij was werkzaam op de buigafdeling. [werknemer] is arbeidsongeschikt geraakt in verband met rugklachten. Het gaat in deze zaak om de vraag of de rugklachten van [werknemer] zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden bij [werkgever] en of [werkgever] aansprakelijk is voor gezondheidsschade van [werknemer] .

12.1.2.
In het tussenarrest van 4 oktober 2016 heeft het hof beslist:
- dat [werknemer] voldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat hij werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid (rov 3.18);
- dat op [werknemer] de bewijslast rust, zodat hij in de gelegenheid zal worden gesteld om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn gezondheid (rov. 3.18);
- dat de bewijslevering zal moeten plaatsvinden door middel van een deskundigenbericht (rov. 3.18);
- van welke feiten de deskundigen in ieder geval moeten uitgaan (rov. 3.19);
- dat nader onderzoek nodig is naar het verband tussen gezondheidsschade en arbeidsomstandigheden (rov. 3.25);
- dat [werkgever] heeft voldaan aan haar stelplicht om te worden toegelaten tot bewijslevering met betrekking tot haar zorgplicht (rov. 3.27);
- dat ook die bewijslevering zal moeten plaatsvinden door middel van een deskundigenbericht (rov. 3.27);
- dat de beantwoording van de vraag of de werkomstandigheden (te) belastend waren voor de rug nauw samenhangt met de beoordeling van de getroffen of mogelijkerwijs te treffen maatregelen ter voorkoming van rugletsel en dat daarom de deskundigenberichten gelijktijdig moeten worden uitgevoerd (3.27).

Vervolgens heeft het hof in dat tussenarrest van 4 oktober 2016 samengevat beslist dat het één (of meer) deskundige(n) zal benoemen om onderzoek te doen naar de vraag
a. a) of [werknemer] werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn gezondheid,
b) of en welke maatregelen [werkgever] heeft getroffen om aan haar zorgplicht te voldoen, en
c) of en in welke mate er verband is tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden (rov. 3.30).

Het hof heeft aangekondigd een arbeidsdeskundige, een orthopedisch chirurg en een verzekeringsarts onderzoek te laten verrichten (3.31).

12.1.3.
In het tussenarrest van 12 december 2017 is het hof nader ingegaan op de aan de deskundigen te stellen vragen en op de onderzoeksgegevens. Het hof heeft met dat tussenarrest tot deskundigen benoemd: prof. dr. [orthopedisch chirurg] (orthopedisch chirurg), mw. [arbeidsdeskundige 1] (arbeidsdeskundige) en mr. drs. [verzekeringsarts] (verzekeringsarts). Verder heeft het hof in dat tussenarrest de onderzoeksvragen geformuleerd en instructies gegeven over de wijze van rapporteren.

12.1.4.
Het hof heeft (onder andere) bepaald dat eerst de arbeidsdeskundige onderzoek zal moeten verrichten naar a) en b) en dat vervolgens de orthopedisch chirurg en de verzekeringsarts onderzoek moeten doen naar c). De onderzoeken moeten worden afgesloten met een aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige naar aanleiding van de bevindingen van de orthopedisch chirurg en de verzekeringsarts.

12.1.5.
Met het tussenarrest van 4 december 2018 heeft het hof een beslissing gegeven over de onderzoekskosten (aanvullend voorschot).

De bevindingen van de deskundigen

12.2.1.
Het hof volstaat met een verwijzing naar de deskundigenberichten voor de precieze bevindingen van de deskundigen en de antwoorden op de gestelde vragen. Het hof zal hierna een samenvatting geven van de belangrijkste antwoorden / conclusies van de deskundigen.

12.2.2.
Deskundige [arbeidsdeskundige 1] heeft geconcludeerd:
- dat er drie aspecten zijn die een overschrijding op de normaalwaarden van het dagelijks functioneren laten zien, waarmee de functie van operator 1 op deze punten als mogelijk rugbelastend is aan te merken, namelijk bij duwen of trekken, frequent hanteren van zware lasten, staan en lopen tijdens het werk en afwisseling van houding;
- dat [werkgever] technische maatregelen en maatregelen op het gebied van instructies heeft genomen om te voorkomen dat de werkzaamheden te belastend waren voor de rug;
- dat de technische maatregelen voldoende waren, maar dat de maatregelen op het gebied van instructies niet voldoende waren en dat [werkgever] op het gebied van tillen en tilinstructies extra maatregelen had kunnen nemen.

12.2.3.
Deskundige [orthopedisch chirurg] heeft geconcludeerd:
- dat er geen pre-existente problemen waren in de wervelkolom van [werknemer] , zodat ervan uitgegaan kan worden dat er in 1996 geen sprake was van enige relevante pathologie in de onderrug;
- dat in herhaalde periodes lage rugklachten zijn ontstaan en er radiologische aanwijzingen waren voor degeneratieve afwijkingen op de niveaus van L4-L5 en in mindere mate L3-L4 en later ook L5-S1;
- dat er weliswaar periodes geweest zijn met uitstralende pijn maar in geen van de periodes er door een specialist is vastgesteld dat er sprake was van een radiculair syndroom, dat wil zeggen een druk op de uittredende zenuwwortels;
- dat er weliswaar op de MRI’s enige uitpuiling is gezien van de tussenwervelschijf, maar op geen enkele MRI sprake is van een evidente druk op de zenuwwortels en er is dus geen sprake van discus pathologie;
- dat bij verschillende onderzoeken door verschillende specialisten gedurende deze periodes ook nooit een radiculair syndroom klinisch is vastgesteld;
- dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de overbelasting (in de zin van duwen of trekken, het lastig hanteren van frequenties en afwisseling van houding) een oorzakelijk verband houdt met de rugpijnklachten;
- dat de afwijkingen (discopathieën van de CWK en LWK) passen bij het normale patroon bij veroudering;
- dat de associatie tussen het bestaan van een discopathie en de bijbehorende symptomen zoals chronische rug- of nekpijn redelijk zwak is.

De uiteindelijke conclusie van deskundige [orthopedisch chirurg] is:
- dat er bij [werknemer] sprake is van een matige discusgeneratie van vooral de lumbale wervelkolom zonder evidente mechanische of neurologische complicaties en dat deze afwijkingen waarschijnlijk hebben bijgedragen aan het ontstaan van de chronische pijnklachten;
- dat niet met zekerheid is vast te stellen dat hij dezelfde soort chronische pijnen ontwikkeld zou hebben zonder de (mogelijke) overbelasting tijdens het werk;
- dat het wel waarschijnlijk is dat zonder de werk gerelateerde (mogelijke) overbelasting de klachten minder zouden zijn geweest en misschien niet hadden geleid tot het staken van werkzaamheden.

12.2.4.
Deskundige [verzekeringsarts] heeft geconcludeerd:
- dat [werknemer] bij indiensttreding geen beperkingen had voor wat betreft de wervelkolom en hij in 2001 voor de eerste keer een periode van rugklachten heeft ontwikkeld;
- dat er sprake is van beperkingen tot zowel statische als dynamische belasting van de lage rug vanaf arbitrair 1 maart 2002 tot arbitrair 1 januari 2004 en er beperkingen golden met betrekking tot langdurig staan, lopen, traplopen, knielen, kruipen, hurken, etc. gedurende deze periode;
- dat er in de periode 1 januari 2004 tot 1 januari 2007 onvoldoende argumenten zijn om beperkingen te kunnen onderbouwen;
- dat [werknemer] vanaf arbitrair 1 januari 2007 tot 1 november 2010 klachten heeft gehad die aanleiding waren tot vergelijkbare beperkingen met die in de periode arbitrair 1 maart 2002 tot 1 januari 2004;
- dat er nadien sprake lijkt te zijn van geleidelijk aan toenemende klachten en beperkingen met daarbij toegenomen afwijkingen bij beeldvormend onderzoek van de lumbale wervelkolom en dat wordt geadviseerd om vanaf arbitrair 1 november 2010 tot arbitrair 1 juli 2019 uit te gaan van toegenomen beperkingen met betrekking tot de belasting van de lage rug.

Deskundige [verzekeringsarts] heeft een belastbaarheidsprofiel opgesteld voor de perioden 1 maart 2002 tot 1 januari 2004 en 1 januari 2007 tot 1 november 2010 en een belastbaarheidsprofiel voor de periode 1 november 2010 tot 1 juli 2019, alsmede een belastbaarheidsprofiel vanaf 1 juli 2019.

12.2.5.
Deskundige [arbeidsdeskundige 1] heeft na kennisname van de bevindingen van de deskundigen [orthopedisch chirurg] en [verzekeringsarts] in haar aanvullende rapport geconcludeerd:
- dat er overschrijdingen zijn van de belastbaarheid op de punten staan en tillen/dragen;
- dat [werknemer] gelet op het belastbaarheidsprofiel in de periode 1 maart 2002 tot 1 januari 2004, in de periode 1 januari 2007 tot 1 november 2010 en in de periode 1 november 2010 tot 1 juli 2019 ongeschikt was te achten voor zijn eigen werkzaamheden in de volle omvang, althans 50% arbeidsongeschikt was te achten.

De reacties van partijen op de bevindingen van de deskundigen en het oordeel van het hof over de bevindingen van de deskundigen

12.3.1.
Beide partijen zijn bij hun eerder ingenomen standpunten gebleven. Het hof volstaat met een verwijzing naar de memories en de antwoordmemories na deskundigenberichten voor de precieze reacties van partijen op de bevindingen van de deskundigen. Het hof zal hierna een samenvatting geven van hetgeen partijen hebben aangevoerd naar aanleiding van de bevindingen van de deskundigen, zonder daarmee afbreuk te willen doen aan hetgeen partijen daarover (uitvoerig en goed gemotiveerd) hebben aangevoerd.

12.3.2.
Volgens [werknemer] blijkt uit het rapport van deskundige [arbeidsdeskundige 1] duidelijk dat de werkzaamheden voor [werknemer] te rugbelastend waren en dat [werkgever] te kort is geschoten in het op regelmatige basis geven van tilinstructies en dat het in verband met de hoogte van de machines niet altijd mogelijk was om recht te staan bij het hanteren van de mallen. Volgens [werknemer] is de door de arbeidsdeskundige geduide arbeidsongeschiktheid het gevolg van de schending van de zorgplicht van [werkgever] . Verder heeft [werknemer] erop gewezen dat de juridische en niet de medische causaliteit maatgevend is. In dat verband heeft hij aangevoerd dat het causaal verband tussen normschending en gezondheidsklachten in beginsel behoort te worden aangenomen, nu de veiligheidsnorm die juist beoogde te beschermen tegen letsel zich in concreto heeft verwezenlijkt. In dat verband heeft hij erop gewezen dat uit de medische bevindingen blijkt dat hij voor aanvang van de werkzaamheden bij [werkgever] niet bekend was met rugklachten. Volgens [werknemer] moet ervan uitgegaan worden dat de rugklachten in de uitoefening van de werkzaamheden zijn ontstaan en dat sprake is van schending van een veiligheidsnorm die tegen deze rugklachten beoogde te beschermen, terwijl alternatieve verklaringen ontbreken. [werknemer] heeft subsidiair aangevoerd dat het hof moet uitgaan van proportionele aansprakelijkheid van [werkgever] .

12.3.3.
Volgens [werkgever] blijkt uit het rapport van deskundige [arbeidsdeskundige 1] dat de functie van [werknemer] mogelijk rugbelastend was, niet dat de werkzaamheden te rugbelastend waren. Met betrekking tot de tilinstructies heeft [werkgever] opgemerkt dat die zijn gegeven en zij heeft betwist dat de gegeven cursussen onvoldoende waren, terwijl dit slechts van belang is voor zover sprake zou zijn van een vastgestelde rugbelasting van het werk, hetgeen niet het geval is. Met betrekking tot het rapport van deskundige [orthopedisch chirurg] heeft [werkgever] opgemerkt dat daaruit dient te worden afgeleid dat de rug- en nekklachten enkel zijn te verklaren vanuit degeneratieve oorzaken, dat de relatie tussen het ontstaan daarvan en de uitgevoerde werkzaamheden zeer discutabel is en dat ook niet valt uit te sluiten dat degeneratieve rugklachten ook zouden zijn ontstaan zonder enige rugbelastende activiteit en passen bij het normale patroon van veroudering. [werkgever] heeft naar aanleiding van het rapport van deskundige [verzekeringsarts] opgemerkt dat de periode van toegenomen klachten / beperkingen dateert van nadat [werknemer] zijn werkzaamheden heeft gestaakt en dat voor de eerdere perioden geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat er sprake was van beperkingen, degeneratief van oorzaak, zonder dat sprake was van enig verband tussen de klachten en de uitgevoerde werkzaamheden. [werkgever] heeft er verder nog aandacht voor gevraagd dat [werknemer] niet enkel met rugklachten, maar bovenal vanwege psychische klachten is uitgevallen. Volgens [werkgever] is geen oorzakelijk verband aangetoond tussen de klachten en de werkzaamheden.

12.3.4.
Het hof zal bij de hierna weer te geven beoordeling van de vorderingen uitgaan van de zienswijzen en de conclusies van de geraadpleegde deskundigen.

Voor de duidelijkheid merkt het hof nog het volgende op over de conclusies van deskundige [orthopedisch chirurg] . Deskundige [orthopedisch chirurg] heeft in zijn rapport geschreven over werk gerelateerde overbelasting (zie de in 12.2.3 opgenomen samenvatting). [werkgever] heeft in reactie op het concept rapport opgemerkt dat de deskundige niet uit dient te gaan van werk gerelateerde overbelasting, maar slechts van de mogelijkheid dat sprake is geweest van werk gerelateerde overbelasting. Deskundige [orthopedisch chirurg] heeft daar aandacht aan besteed in een voetnoot in zijn eindrapport, maar de tekst in zijn eindrapport niet aangepast. Uit de beslissingen die het hof hierna zal nemen over de vorderingen, blijkt dat dit niet in het nadeel is van [werkgever] , zodat dit geen rol van betekenis speelt. Overigens begrijpt het hof het rapport van deskundige [orthopedisch chirurg] aldus dat de deskundige er vanuit is gegaan dat slechts sprake is geweest van mogelijke overbelasting. Het hof leidt dat af uit het feit dat hij een voetnoot hieraan heeft gewijd en uit de gehele tekst van het rapport. Daarom heeft het hof in 12.2.3 bij de conclusie van deskundige [orthopedisch chirurg] ‘(mogelijke)’ toegevoegd.

Verder merkt het hof voor de duidelijkheid nog op, dat de door deskundige [verzekeringsarts] opgestelde belastbaarheidsprofielen (zie 12.2.4 laatste alinea) en hetgeen deskundige [arbeidsdeskundige 1] daarover heeft vermeld (zie 12.2.5), geen rol spelen bij de beoordeling van de werkgeversaansprakelijkheid en de proportionele aansprakelijkheid. Het gaat er bij die vorderingen namelijk niet om of [werknemer] in staat was om zijn functie (voor 50%) te verrichten, maar om de vraag of [werkgever] aansprakelijk is voor de door [werknemer] gestelde schade.

Werkgeversaansprakelijkheid, artikel 7:658 BW

12.4.1.
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 4 oktober 2016 (rov. 3.7) het volgende voorop gesteld (en het hof blijft daarbij). Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Deze regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen (HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369, HR 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6166 en HR 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8875). Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is (HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 en BZ1721).

12.4.2.
Het hof constateert dat deskundige [arbeidsdeskundige 1] niet heeft geconcludeerd dat de functie van [werknemer] rugbelastend was, maar slechts dat de functie mogelijk rugbelastend was op de onderdelen duwen en trekken, frequent hanteren van zware lasten, staan en lopen tijdens het werk en afwisseling van houding en dat [werkgever] technische maatregelen heeft genomen ter voorkoming van mogelijke rugbelasting. Dat de belasting op die onderdelen mogelijk rugbelastend was, betekent nog niet dat (aannemelijk is dat) de rugklachten zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden. Volgens deskundigen [orthopedisch chirurg] en [verzekeringsarts] zouden de rugklachten van [werknemer] net zo goed kunnen zijn ontstaan zonder enige belastende activiteit. Deskundige [orthopedisch chirurg] heeft geconcludeerd dat de afwijkingen (discopathieën van de CWK en LWK) passen bij het normale patroon bij veroudering. Hij is daar in zijn rapport uitvoerig op ingegaan. Het hof maakt uit het rapport van deskundige [orthopedisch chirurg] op, dat de door [werknemer] ervaren chronische pijnklachten worden veroorzaakt door normale veroudering. Deskundige [orthopedisch chirurg] concludeert dat niet met zekerheid is vast te stellen dat [werknemer] dezelfde soort chronische pijnen ontwikkeld zou hebben zonder mogelijke overbelasting tijdens het werk. Het hof is van oordeel dat dit ook niet met zekerheid vastgesteld hoeft te worden, maar dat er wel een voldoende aannemelijk verband moet zijn tussen de arbeidsomstandigheden en de gezondheidsklachten. Dat de rugklachten zijn veroorzaakt door de werkzaamheden (of dat dat aannemelijk is), kan niet uit de ter griffie gedeponeerde deskundigenberichten worden afgeleid. Deskundige [orthopedisch chirurg] is in zijn rapport uitvoerig ingegaan op de publicaties en studies naar dit onderwerp en hij is ook specifiek ingegaan op staan, tillen/dragen en op duwen/trekken (dus de door deskundige [arbeidsdeskundige 1] genoemde punten). Het hof is van oordeel dat uit zijn rapport moet worden afgeleid dat het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker is. Weliswaar heeft deskundige [orthopedisch chirurg] nog vermeld dat het waarschijnlijk is dat zonder de mogelijke werkgerelateerde overbelasting de klachten minder zouden zijn geweest en misschien niet hadden geleid tot het staken van werkzaamheden, maar daaruit volgt niet dat aannemelijk is dat de gezondheidsklachten zijn veroorzaakt door het werk. Het hof ziet steun voor dit oordeel in het rapport van deskundige [verzekeringsarts] . Op de vraag van het hof of hij nog opmerkingen heeft die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn, verwijst deskundige [verzekeringsarts] naar het rapport van deskundige [orthopedisch chirurg] waarin hij aangeeft dat het niet uitgesloten is dat [werknemer] zonder enige overbelasting dezelfde soort afwijkingen en hetzelfde soort klachten had kunnen ontwikkelen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de bevindingen uit de radiologische onderzoeken en het klachtenpatroon van [werknemer] net zo goed ontstaan zouden kunnen zijn zonder enige belastende activiteit.

12.4.3.
Het hof ziet dus geen aanleiding om [werkgever] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [werknemer] op grond van artikel 7:658 lid 2 BW.

Proportionele aansprakelijkheid

12.5.1.
[werknemer] heeft subsidiair aangevoerd dat het hof moet uitgaan van proportionele aansprakelijkheid. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, zie rov. 4.3.2). overwogen dat proportionele aansprakelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde persoon of van iemand voor wie hij aansprakelijk is, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt (of door een combinatie van beide oorzaken), en waarin de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein noch zeer groot is. Onder een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt wordt in een geval als het onderhavige verstaan een buiten de uitoefening van de werkzaamheden gelegen omstandigheid die aan de werknemer moet worden toegerekend, zoals roken, genetisch aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken. Die laatste drie omstandigheden kunnen de werknemer weliswaar niet worden verweten, maar komen in de verhouding tot de werkgever voor zijn risico.

12.5.2.
Om van proportionele aansprakelijkheid te kunnen uitgaan moet sprake zijn van een situatie dat onduidelijk is of de gezondheidsklachten van [werknemer] zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden bij [werkgever] , of door veroudering, of door allebei, maar de kans dat de gezondheidsklachten door de arbeidsomstandigheden zijn veroorzaakt mag niet zeer klein zijn. Uit hetgeen hiervoor is overwogen in 12.4.2 volgt niet dat van zo’n onduidelijke situatie sprake is. Gelet op hetgeen de deskundigen hebben verklaard acht het hof de kans dat de arbeidsomstandigheden hebben geleid tot de gezondheidsklachten van [werknemer] te klein in verhouding tot veroudering als oorzaak van die klachten. Het hof verwerpt dus ook het beroep op proportionele aansprakelijkheid.

Kennelijk onredelijk ontslag, artikel 7:681 BW (oud)

12.6.1.
Het vóór 1 juli 2015 geldende artikel 7:681 BW is in dit geval van toepassing, omdat de opzegging voor die datum heeft plaatsgevonden en deze procedure toen al aanhangig was.

Het hof acht de opzegging kennelijk onredelijk om de navolgende redenen.

12.6.2.
[werkgever] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd na verkregen toestemming van het UWV, omdat [werknemer] twee jaar arbeidsongeschikt was en herstel binnen 26 weken niet te verwachten was. [werknemer] had toen al lange tijd voor [werkgever] gewerkt. [werknemer] is in april 1994 als uitzendkracht begonnen bij (de rechtsvoorganger van) [werkgever] en op 1 augustus 1996 is hij in dienst getreden. [werknemer] had de functie van operator en hij was werkzaam op de buigafdeling. [werknemer] is in 2001 en in 2002 uitgevallen met rugklachten. Vervolgens heeft [werknemer] het werk weer hervat en is hij in 2007 en in 2009 wederom uitgevallen met rugklachten tot 2010. Daarna heeft [werknemer] opnieuw geprobeerd te werken en hij heeft tot medio april 2011 op basis van arbeidstherapie gewerkt. Vervolgens is [werknemer] volledig arbeidsongeschikt geraakt. Het hof verwijst naar het feitenoverzicht in zijn arrest van 4 oktober 2016 (rov. 3.1.1 tot en met 3.1.6).

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof er niet vanuit gaat dat [werknemer] door het werk arbeidsongeschikt is geraakt. Wel gaat het hof er vanuit dat [werknemer] arbeidsongeschikt is geraakt nadat hij het werk ongeveer zeventien jaar heeft uitgevoerd. Ondanks zijn gezondheidsklachten heeft [werknemer] geprobeerd de werkzaamheden te verrichten, maar uiteindelijk is hij blijvend arbeidsongeschikt geraakt.

Het hof acht in dit verband van belang hetgeen deskundige [arbeidsdeskundige 1] heeft verklaard over de zorgplicht van [werkgever] (zie rov. 12.2.2). Het hof oordeelt niet dat de gezondheidsklachten voorkomen hadden kunnen worden door het organiseren van meer cursussen door [werkgever] of door een andere bedrijfscultuur. Het hof is wel van oordeel dat een bedrijfscultuur waarin meer aandacht zou zijn geweest voor de fysieke belasting van het werk, er wellicht aan had kunnen bijdragen dat [werknemer] meer begrip had ervaren van [werkgever] voor het feit dat hij het werk uiteindelijk niet meer kon volhouden. [werkgever] heeft nog aangevoerd dat [werknemer] ook zou zijn uitgevallen door andere ziekteoorzaken dan door rugklachten. Zij heeft in dit verband gewezen op psychologische problematiek. Het hof gaat daar niet vanuit. Het hof is van oordeel dat uit diverse rapporten kan worden opgemaakt dat psychische problemen het gevolg zijn geweest van de rugklachten en de daarmee gepaard gaande frustratie en problemen op het werk (zie het rapport registerarbeidsdeskundige [registerarbeidsdeskundige] van 20 oktober 2011, het rapport van verzekeringsgeneeskundige UWV van 22 augustus 2012 en het rapport van bedrijfsarts [bedrijfsarts] van 19 juni 2012).

[werkgever] heeft geen voorziening getroffen om het inkomensverlies van [werknemer] te verzachten. Weliswaar heeft [werkgever] op grond van de toepasselijke cao gedurende de eerste twee ziektejaren meer betaald dan het wettelijk minimum, maar zij heeft geen aanvullende voorziening voor [werknemer] getroffen. Het hof is van oordeel dat [werkgever] daartoe als goed werkgever, gelet op al deze omstandigheden in onderling verband beschouwd, wel gehouden was. Dat zij dat niet heeft gedaan maakt dat het hof de opzegging als kennelijk onredelijk aanmerkt in de zin van artikel 7:681 BW (oud). Het hof zal [werkgever] daarom veroordelen tot betaling van een vergoeding aan [werknemer] .

12.6.3.
Bij de beantwoording van de vraag welke vergoeding in dit geval billijk is, zal het hof alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in aanmerking nemen, uiteraard voor zover deze in de procedure naar voren zijn gekomen. Het hof verwijst voor die omstandigheden kortheidshalve naar hetgeen hiervoor in 12.6.2 is overwogen. Het hof overweegt dat de vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW (oud) een bijzonder karakter heeft, in die zin dat deze vooral ertoe dient aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening (in de woorden van de wetgever: 'pleister op de wonde' (Kamerstukken II 1951/52, 881, nr. 6, p. 30) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Het hof is van oordeel dat de omvang van de vergoeding in dit geval niet kan worden vastgesteld, zodat het hof deze zal schatten.

12.6.4.
[werknemer] heeft primair € 193.851,- bruto gevorderd en subsidiair € 48.811,35. Eerstgenoemd bedrag betreft volledige inkomensschade en smartengeld. Laatstgenoemd bedrag is volgens [werknemer] de uitkomst van de kantonrechtersformule die voor hem had gegolden wanneer de arbeidsovereenkomst was ontbonden, uitgaande van factor C = 1. Volgens [werknemer] kan hij daarmee gedurende circa 58 maanden de Wia-uitkering aanvullen tot de hoogte van zijn loon bij [werkgever] .

12.6.5.
Het hof volgt [werkgever] in haar verweer dat een volledige schadevergoeding niet toewijsbaar is. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is [werkgever] niet aansprakelijk voor het inkomstenverlies. [werkgever] kan slechts worden verweten dat zij het inkomstenverlies niet heeft verzacht.

12.6.6.
Het hof zal evenmin het subsidiair gevorderde bedrag toewijzen. Dat bedrag is immers berekend op basis van de (destijds gehanteerde) kantonrechtersformule die werd gebruikt in ontbindingszaken en die is niet, althans niet zonder meer, toepasbaar bij een opzegging die als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt.

12.6.7.
[werknemer] heeft aangevoerd dat hij met het subsidiair gevorderde bedrag zijn uitkering kan aanvullen gedurende circa 58 maanden tot de hoogte van het bij [werkgever] verdiende loon. Het hof acht een aanvulling op de uitkering een goede en ten tijde van de opzegging in de rechtspraktijk geaccepteerde wijze om een vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW (oud) te bepalen. Het hof acht een aanvulling op de uitkering gedurende een periode van vijf jaar billijk, gelet op de duur van het dienstverband en de hiervoor al genoemde omstandigheden. Het hof zal een bedrag toekennen dat correspondeert met een aanvulling op de uitkering tot het loon, voor wat betreft de eerste twee jaar tot 90%, voor de daarop volgende twee jaar tot 80% en voor het daarop volgende jaar tot 75%. Volgens [werknemer] bedroeg zijn loon € 2.789,22. De eerste twee maanden was zijn uitkering 75% van het loon en gedurende de daarop volgende maanden 70%. Daarmee rekening houdend komt het hof afgerond uit op € 21.500,- (de eerste 2 maanden 15% dus 2 x € 418,-, de daarop volgende 22 maanden 20% dus 22 x € 557,-, de daarop volgende 24 maanden 10% dus 24 x € 279,- en de daarop volgende 12 maanden 5% dus 12 x € 139,-). Daarover merkt het hof op dat het geen rekening heeft gehouden met een indexering. Het hof heeft het toe te kennen bedrag afgerond. Het gaat immers niet om een exacte berekening van de aanvulling op de uitkering, maar om een schatting van een bedrag dat het hof billijk acht gelet op de omstandigheden.

Slotsom

12.7.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de subsidiaire vorderingen van [werknemer] (tot het hiervoor genoemde bedrag) zal toewijzen.

12.7.2. [werknemer] heeft vergoeding gevorderd van de factuur van EDCO Piramide advies (arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 2] ) ad € 5.094,10 inclusief btw (zie rov. 3.3 tussenarrest van 4 oktober 2016). Gelet op de uitkomst van deze procedure zal het hof die vordering afwijzen.

12.7.3.
Aangezien partijen over en weer op punten in het (on)gelijk zijn gesteld zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren. Voor wat betreft de kosten voor dagvaarding, griffierecht en advocaten, betekent dit dat iedere partij de eigen kosten draagt. Voor wat betreft de kosten van de deskundigen betekent dit het volgende. Partijen zijn telkens ieder belast voor de helft van de voorschotten voor de kosten van de deskundigen. [werkgever] heeft de helft van die kosten al betaald. Voor [werknemer] zijn die kosten voorgeschoten door het rijk. Op grond van artikel 244 lid 2 Rv dient het hof vast te stellen welk deel van het voorlopig in debet gestelde loon van de deskundigen elk der partijen dient te dragen. Het hof is van oordeel dat de kosten van de deskundigen door iedere partij voor de helft gedragen moeten worden. Weliswaar zijn de onderzoekskosten vooral gemaakt ten behoeve van de primaire vorderingen die het hof heeft afgewezen, maar de rapporten hebben ook betekenis gehad in de beoordeling van de subsidiaire vorderingen. Dit betekent dat hetgeen [werkgever] al heeft betaald verschuldigd zal blijven en dat [werknemer] nog de helft van de kosten aan het rijk dient te vergoeden. Het hof zal [werknemer] veroordelen tot betaling daarvan aan de griffier.

3De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is op grond van artikel 7:681 BW;

veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 21.500,- bruto als vergoeding op grond van artikel 7:681 BW;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [werknemer] op grond van artikel 244 Rv om € 11.733,98 te voldoen aan de griffier ter zake de eerder in debet gestelde schadeloosstelling en het loon van de deskundigen, na ontvangst van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;

wijst het meer of anders verzochte af. ECLI:NL:GHSHE:2022:295


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, brom/snorfietser, wegbeheerder

RBOBR 070222 auto rijdt uit uitrit komende snorfietser aan; niet aansprakelijk obv art 19 RVV; hoefde geen rekening te houden met verkeersgedrag snorfietser
gemeente niet aansprakelijk voor hoge haag langs weg en uitrit; niet als wegbeheerder en ook niet als eigenaar terrein
kosten gevorderd en begroot, niet toegewezen, obv 18 uren x € 245,00 + BTW = € 5.336,10 

3 De feiten waarover partijen het eens zijn

3.1.
Op 27 juli 2017 verliet [verzoekster] , rijdend op haar snorfiets, een uitrit aan het Loopsteegje in Sint-Michielsgestel. [verzoekster] is toen aangereden door een auto die in het Loopsteegje reed. [verzoekster] heeft daarbij letsel opgelopen.

3.2.
De auto werd bestuurd door mevrouw [A] (hierna: [A] ). De auto was voor aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea.

3.3.
Uit de rijrichting van de auto van [A] gezien, kwam [verzoekster] uit de uitrit van een perceel aan de rechterzijde van het Loopsteegje. [verzoekster] heeft geen voorrang verleend aan de auto.

3.4.
Op het perceel dat [verzoekster] verliet, bevindt zich een rijbak voor paarden, evenwijdig aan het Loopsteegje. Tussen de rijbak en het Loopsteegje staat een haag. Uit het standpunt van [verzoekster] bij het verlaten van de uitrit gezien bevond die haag zich aan haar linkerzijde.

4 Het verzoek van [verzoekster]

4.1.
verzoekt zakelijk weergegeven dat de rechtbank:
1. primair voor recht verklaart dat Achmea en de Gemeente jegens [verzoekster] aansprakelijk zijn voor de door haar geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het verkeersongeval op 27 juli 2017 en daarmee (of op grond van artikel 7:954 BW) gehouden zijn tot vergoeding van de schade,
2. subsidiair voor recht verklaart dat Achmea en de Gemeente jegens [verzoekster] aansprakelijk zijn voor de door haar geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het verkeersongeval op 27 juli 2017 en daarmee (of op grond van artikel 7:954 BW) gehouden zijn tot vergoeding van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage van de schade,
3. de kosten van [verzoekster] , zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv begroot op € 5.336,10, althans een in goede justitie te bepalen bedrag,
4. Achmea en de Gemeente hoofdelijk veroordeelt om het hiervoor onder 3 bedoelde bedrag te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, en het bedrag te vermeerderen met wettelijke rente als niet binnen die termijn is betaald.

4.2.
[verzoekster] grondt de aansprakelijkheid van Achmea op artikel 6:162 BW, onrechtmatige daad. Primair op basis van overtreding van artikel 19 RVV 1990, subsidiair op basis van handelen in strijd met wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Volgens [verzoekster] heeft [A] haar snelheid onvoldoende aangepast aan de situatie ter plaatse, waardoor zij haar auto niet tijdig tot stilstand kon brengen en de aanrijding niet kon voorkomen. Zij had stapvoets moeten rijden. [A] heeft niet stapvoets gereden, getuige de forse schade aan de auto en de snorfiets en het feit dat [A] nog 10-12 meter is doorgereden voordat zij tot stilstand kwam.

4.3.
De aansprakelijkheid van de Gemeente baseert [verzoekster] op het volgende. Allereerst is de Gemeente aansprakelijk als wegbeheerder (6:174 BW en 6:162 BW). Volgens [verzoekster] is de weg (het Loopsteegje) gebrekkig. De haag is samen met de berm een onderdeel van het weglichaam. De haag was zo hoog dat die het zicht ontnam aan zowel [verzoekster] als [A] . De Gemeente had de haag moeten snoeien. Bovendien is de weginrichting gebrekkig, omdat er geen waarschuwingsborden of spiegels waren geplaatst. De Gemeente heeft ook onrechtmatig gehandeld, want in strijd met het bepaalde in artikel 15 lid 3 van de Wegenwet heeft zij niet voldaan aan de plicht tot het onderhouden van de berm.

Op de tweede plaats is de Gemeente ook als eigenaar van de haag aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen. De eigenaar van een haag moet ervoor zorgen dat deze geen hinder of gevaar voor anderen oplevert. Door de haag niet te snoeien heeft de Gemeente gehandeld in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Ook handelt zij daardoor in strijd met een wettelijke plicht. De Bomenverordening van de Gemeente bepaalt namelijk dat een rechthebbende van onder meer een haag die aan het normale gebruik van de openbare ruimte hinder of gevaar kan opleveren, verplicht is deze te snoeien, op te binden of te verwijderen na aanschrijving door burgemeester en wethouders.

4.4.
Achmea en de Gemeente betwisten dat zij aansprakelijk zijn voor de schade van [verzoekster] .

4.5.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna verder ingaan, voor zover nodig voor de beoordeling van het geschil.

5 De beoordeling

5.1.
[verzoekster] heeft het verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w tot 1019cc Rv). Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of Achmea en de Gemeente aansprakelijk zijn voor het [verzoekster] overkomen ongeval en de door [verzoekster] geleden schade moeten vergoeden. Beantwoording van deze vragen kan naar het oordeel van de rechtbank bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling. Daarmee komt het verzoek van [verzoekster] voor behandeling in een deelgeschilprocedure in aanmerking.

Achmea is niet aansprakelijk

5.2.
Zoals gezegd baseert [verzoekster] de aansprakelijkheid van Achmea wegens onrechtmatig handelen primair op overtreding van artikel 19 RVV door [A] . Ingevolge artikel 19 RVV moet de bestuurder in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Het gaat erom of [A] haar snelheid voldoende heeft aangepast aan de situatie ter plaatse. Volgens [verzoekster] is dat niet het geval. De rechtbank volgt [verzoekster] hierin niet.

5.3.
Uit de stellingen van partijen en de overgelegde foto’s blijkt dat vlak voor de plaats van het ongeval het Loopsteegje aan weerszijden is begrensd door begroeiing op vrij korte afstand van het wegdek. Bezien vanuit de rijrichting van [A] is meteen na de begroeiing aan de rechterzijde van de weg (de haag) de uitrit waar [verzoekster] uit kwam.

Vast staat dat [verzoekster] zonder te stoppen de weg is opgereden. Met welke snelheid zij dat deed is niet bekend. [verzoekster] stelt dat zij stapvoets reed omdat ze geen zicht had op de weg, terwijl Achmea stelt dat zij volgens [A] veel harder reed. Wat die snelheid was is echter niet relevant. Het gaat erom dat [verzoekster] zonder te stoppen de weg is opgereden.

5.4.
De rechtbank overweegt dat van een automobilist in zijn algemeenheid mag worden verwacht dat deze anticipeert op weggebruikers die vanuit een oprit de weg opkomen en dat hij daar – zoals uit artikel 19 RVV voortvloeit – zijn snelheid op aanpast. Achmea stelt dat [A] dat ook heeft gedaan. [A] reed volgens Achmea veel langzamer dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 km/u, omdat zij ter plaatse bekend is en weet dat ze op die plek rustig moet rijden. Zij was net door de bocht gekomen en reed nog in de tweede versnelling. Dat is door [verzoekster] niet gemotiveerd betwist, maar met welke snelheid [A] dan wel reed is niet bekend. De door [verzoekster] ingeschakelde deskundige doet daar geen uitspraak over. De stelling van [verzoekster] is echter dat [A] , gelet op haar bekendheid met de situatie ter plaatse – de mogelijke aanwezigheid van overstekende meisjes met paarden en de hoge haag die het zicht op de uitrit belemmerd – er rekening mee had behoren te houden dat er iemand uit de uitrit de weg op komt en zij om die reden haar weggedrag had behoren aan te passen door stapvoets te rijden. Die stelling gaat niet op. De door [verzoekster] genoemde omstandigheden brengen weliswaar mee dat [A] haar snelheid diende aan te passen in die zin dat van haar mocht worden verwacht dat zij langzamer zou rijden dan de geldende maximumsnelheid, maar dit brengt nog niet mee dat zij stapvoets diende te rijden. Zoals volgt uit de niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken stelling van Achmea, heeft [A] ook langzamer gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 km/u. Uit de enkele omstandigheid dat de aanrijding met [verzoekster] heeft plaatsgevonden kan niet worden afgeleid dat [A] haar snelheid onvoldoende heeft gematigd. [verzoekster] is immers met haar snorfiets vanaf – volgens haar – het midden van de uitrit – en daarmee in elk geval niet vanaf rechts van de uitrit – en vanachter een hoge haag zonder te stoppen in de richting van de haar tegemoetkomende [A] het Loopsteegje opgereden. Zij is daarmee zeer plotseling voor [A] verschenen. Met dit verkeersgedrag behoefde [A] geen rekening te houden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat [A] niet in strijd heeft gehandeld met het voorschrift van artikel 19 RVV. De subsidiaire grondslag voor onrechtmatig handelen van [A] is dat zij heeft gehandeld in strijd met wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. [verzoekster] voert daarvoor echter hetzelfde aan als voor het beroep op overtreding van artikel 19 RVV, namelijk dat [A] had moeten anticiperen en haar snelheid had moeten aanpassen. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat ook deze grondslag niet slaagt.

5.5.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [A] onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld. Het beroep van Achmea op eigen schuld behoeft daarom geen bespreking. Het verzoek jegens Achmea wordt afgewezen.

De Gemeente is niet aansprakelijk

5.6.
De rechtbank is van oordeel dat de haag langs het Loopsteegje de weg niet gebrekkig maakt zoals bedoeld in artikel 6:174 BW. Voor de toepassing van artikel 6:174 BW moet onder een openbare weg mede de daarbij behorende berm worden begrepen indien wegdek en berm feitelijk zodanig op elkaar zijn afgestemd dat zij als één geheel behoren te worden beschouwd voor zover het gaat om de vraag of de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831). De rechtbank is het met de Gemeente eens dat dat in dit geval niet aan de orde is. Gesteld noch gebleken is dat de berm in dit geval bijvoorbeeld als veilige uitwijkmogelijkheid voor verkeersdeelnemers diende. Het verweer van de Gemeente op dit punt slaagt.

5.7.
[verzoekster] betoogt in het kader van het beroep op artikel 6:174 BW ook dat de weginrichting gebrekkig was omdat er geen waarschuwingsborden of spiegels waren geplaatst. Ook dat volgt de rechtbank niet. De uitrit waar [verzoekster] uit kwam komt uit op de openbare weg. Degene die zich vanuit een uitrit op de openbare weg wil begeven is gehouden voorrang te verlenen aan het verkeer op de weg. [verzoekster] heeft als productie 2 meerdere foto’s overgelegd van de situatie ter plekke. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er voldoende zicht is op het Loopsteegje om te zien of er zich verkeer op de weg bevindt. De rechtbank verwijst ter illustratie naar de volgende foto’s.

Afbeelding 1

De in afbeelding 1 ingetekende rode lijn ligt in het verlengde van het pad waar [verzoekster] uit kwam. Duidelijk is te zien dat er nog enige afstand zit tussen het einde van de haag (rechts in beeld) en de rode lijn die in het verlengde ligt van het pad waar [verzoekster] uit kwam.

Afbeelding 2

Ook op afbeelding 2 is te zien dat er voldoende ruimte is op de oprit om zich zodanig op te stellen teneinde zich ervan te kunnen vergewissen of er verkeer aankomt in het Loopsteegje.

Afbeelding 3

Afbeelding 3 tot slot laat het gezichtspunt zien van de andere kant ten opzichte van de afbeeldingen 1 en 2. Ook afbeelding 3 laat naar het oordeel van de rechtbank duidelijk zien dat er vanaf de uitrit voldoende zicht was op het Loopsteegje. De rechtbank deelt dan ook niet het oordeel van de door [verzoekster] geraadpleegde verkeersdeskundige [deskundige] , die stelt dat de haag het zicht op zowel de weg (voor [verzoekster] ) als op de uitrit (voor [A] ) volledig ontnam.

5.8.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de situatie ter plaatse, er geen noodzaak was voor het plaatsen van waarschuwingsborden of een spiegel. Ook wanneer ervan uit wordt gegaan dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten, is er geen grond om te concluderen dat het ontbreken van waarschuwingsborden en een spiegel maakt dat er sprake is van een gebrekkige opstal. De Gemeente voert terecht aan dat een waarschuwingsbord ziet op het beïnvloeden van het weggedrag van [A] (dus het verkeer op het Loopsteegje), niet dat van het verkeer dat van de uitrit komt. Niet valt in te zien dat een waarschuwingsbord het ongeluk zou hebben voorkomen. Het is immers [verzoekster] geweest die zonder te stoppen het Loopsteegje is ingereden. Dat [A] onvoldoende oplettend is geweest blijkt nergens uit. Met betrekking tot de spiegel voert de Gemeente terecht aan dat er voldoende zicht was vanaf de uitrit op het Loopsteegje, zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] er nog op gewezen dat er op 12 november 2019 ook nog een ongeval is gebeurd in het Loopsteegje. Gesteld noch gebleken is echter dat dat is gebeurd op dezelfde plaats als het ongeval van [verzoekster] , terwijl ook niet duidelijk is wat de toedracht van dat ongeval was. De rechtbank gaat daar daarom aan voorbij.

5.9.
De volgende vraag is of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door een op haar rustende zorgplicht tot het snoeien van de haag te hebben geschonden. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Kelderluikcriteria. Die luiden als volgt. Het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie is onrechtmatig, als een ander daarmee aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. Daarbij dient te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136, Kelderluik).

5.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat de haag niet is geplant door de Gemeente, maar door de eigenaar van het perceel Loopsteegje 1(a). Vast staat ook dat de haag (deels) op grond van de Gemeente is geplaatst, in elk geval het gedeelte dat eindigt bij de uitrit. De Gemeente stelt dat zij er niet mee bekend was dat de haag (deels) op haar grond stond. Volgens [verzoekster] had de Gemeente daarmee wel bekend moeten zijn, maar dat volgt de rechtbank niet. Het enkele feit dat er in de jaren na het plaatsen van de haag werkzaamheden zijn uitgevoerd in het Loopsteegje door de Gemeente en dat er in 2014 een omgevingsvergunning is afgegeven voor het perceel Loopsteegje 1(a), zoals [verzoekster] heeft gesteld, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de Gemeente ermee bekend had moeten zijn dat de haag (deels) op haar grond stond. Volgens de Gemeente was er bij die gelegenheden geen aanleiding om de kadastrale grenzen te controleren of de perceelsgrenzen uit te meten. Dat is door [verzoekster] niet weersproken. De Gemeente wijst er ook op dat het kadastraal natrekken van illegaal in gebruik genomen grond verder geen prioriteit heeft binnen het handhavingsbeleid van de Gemeente. Ook wordt niet bij elke (weg)inspectie gecontroleerd en nagemeten of de kadastrale grenzen in overeenstemming zijn met het feitelijk gebruik, te meer omdat dat zeer tijdrovend en kostbaar is. De rechtbank is van oordeel dat inderdaad niet van een gemeente kan worden verlangd dat zij, zonder directe aanleiding, nagaat of er hagen op haar grond worden geplaatst. Een dergelijke controle zou periodiek moeten plaatsvinden, wat, zoals de Gemeente terecht aanvoert, tijdrovend en kostbaar is, afgezet tegen wat die inspanningen zouden opleveren. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de Gemeente van het bestaan van de haag op haar grond op de hoogte had moeten zijn.

5.11.
Dat de Gemeente niet van het bestaan van de haag op de hoogte was en daarvan ook niet op de hoogte had moeten zijn, betekent ook dat het niet de Gemeente is geweest die een (gestelde) gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen of heeft laten voortbestaan. Voor zover het gaat om een situatie die door een ander in het leven is geroepen, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank er geen algemene plicht is voor de Gemeente om een haag die door een ander op haar grond is geplant te snoeien of ervoor te zorgen dat er vanaf een erf vrij en onbelemmerd zicht is op de openbare weg. Toepassing van de Kelderluikcriteria leidt daarom niet tot de conclusie dat de Gemeente een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden.

5.12.
Het volgende verwijt is dat de Gemeente niet heeft voldaan aan artikel 15 lid 3 de Wegenwet. Die bepaling luidt als volgt:

Tot het onderhoud van een weg als in het eerste en het tweede lid bedoeld, behoort mede het onderhoud van een tot dien weg behoorenden berm of een tot dien weg behoorende bermsloot, echter slechts voor zoover het onderhoud van den berm of de bermsloot dient ten behoeve van de instandhouding en de bruikbaarheid van den weg en voor zoover het onderhoud niet, uit welken hoofde ook, tot de verplichting van anderen behoort.

De Gemeente voert hiertegen onder meer aan dat de Wegenwet slechts algemene kaders en richtlijnen verstrekt om de openbare ruimte adequaat in te delen en te onderhouden. Zij beoogt niet tegen het specifieke gevaar van letsel door belemmering zicht door beplanting in het zomerseizoen te beschermen. Dit verweer slaagt. Artikel 15 lid 3 van de Wegenwet gaat over de bruikbaarheid van de weg, niet over het waarborgen van onbelemmerd uitzicht vanaf een erf ter voorkoming van ongelukken. Uit de overgelegde foto’s duidelijk blijkt dat de haag geen belemmering vormt voor de bruikbaarheid van de weg. Er is duidelijk zichtbaar ruimte tussen de rand van het wegdek en de haag. Volgens de door [verzoekster] ingeschakelde deskundige gaat het om circa 0,5 meter. Dat is meer dan voldoende om de weg bruikbaar te laten zijn voor het verkeer dat daarover rijdt.

5.13.
Tot slot stelt [verzoekster] nog dat de Gemeente in strijd met de plaatselijke Bomenverordening heeft gehandeld. Artikel 10 van die verordening luidt als volgt:

Artikel 10 gevaarlijke of hinderlijke beplanting

De rechthebbende op een boom, haag of struik of andere beplanting welke aan het normale gebruik van de openbare ruimte hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, of op te binden, of te verwijderen na aanschrijving door burgemeester en wethouders, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen.

De Gemeente heeft de haag niet gesnoeid en daarmee niet voldaan aan dit artikel, aldus [verzoekster] .

5.14.
De Gemeente betwist dat artikel 10 van de Bomenverordening van toepassing is. Volgens de Gemeente is zij niet de rechthebbende van de haag, maar is dat degene die de haag heeft geplaatst, de eigenaar van het perceel Loopsteegje 1(a). Hij heeft de haag (deels) op gemeentegrond geplaatst en heeft de haag onderhouden. Er is sprake van bezitsdaden, zodat de eigenaar van Loopsteegje 1(a) de bezitter is van de haag.

5.15.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op schending van artikel 10 van de Bomenverordening hoe dan ook niet slaagt, omdat [verzoekster] niet heeft gesteld dat er sprake is geweest van een aanwijzing door burgemeester en wethouders zoals in dat artikel bedoeld. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de haag geen gevaar of hinder oplevert aan het normale gebruik van de openbare ruimte, omdat verkeer komend vanaf de uitrit met de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid zonder gevaar of hinder de weg op kan rijden. De rechtbank verwijst naar wat zij daarover onder 5.7 en 5.8 heeft overwogen.

5.16.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat de Gemeente onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld. Het beroep van de Gemeente op eigen schuld behoeft daarom geen bespreking. Het verzoek jegens de Gemeente wordt afgewezen.

Kosten deelgeschil

5.17.
Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Dat is alleen anders als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank zal dus in overeenstemming met artikel 1019aa Rv de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [verzoekster] begroten. Volgens [verzoekster] bedragen de kosten € 5.336,10 (18 uren à € 245,00 + BTW).

5.18.
De Gemeente acht het uurtarief redelijk, echter niet voor zover het reistijd betreft (1 uur). Verder ontbreekt een specificatie van de post ‘correspondentie, telefoon, beschikking et cetera’ (2 uur). De Gemeente acht daarom een begroting van de kosten op € 4.743,20 (16 uren à € 245,00 + BTW) gerechtvaardigd. Volgens de Gemeente moet dit nog worden verminderd met het percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] .

5.19.
Achmea acht begroting van de kosten op € 3.557,40 gerechtvaardigd (12 uren à € 245,00 + BTW). De casus is niet ingewikkeld en er wordt een specialistentarief gerekend, wat impliceert dat de zaak efficiënter kan worden behandeld. Ook dit bedrag moet nog worden verminderd met het percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoekster]

5.20.
De rechtbank verwerpt de verweren van de Gemeente en Achmea. De specificatie van de werkzaamheden is weliswaar beknopt, maar de rechtbank acht een tijdsbesteding van 18 uren (inclusief een uur voor reistijd tegen specialistentarief) voor een zaak als deze niet onredelijk. Het beroep op vermindering met het percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] is niet aan de orde, omdat de verzoeken tot vaststelling van aansprakelijkheid van de Gemeente en Achmea worden afgewezen. De rechtbank zal de kosten daarom conform de opgave van [verzoekster] begroten op € 5.336,10. ECLI:NL:RBOBR:2022:349


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, kop-staartbotsingen

RBROT 020222 kettingbotsing; eiser slaagt na getuigenverhoor niet in bewijs dat tegenligger op onzorgvuldige wijze aan verkeer heeft deelgenomen

vervolg op: rbrot-170321-na-kettingbotsing-komt-eiser-op-rijbaan-voor-tegengestelde-richting-en-daar-volgt-botsing-met-tegenligger-bewijsopdracht-voor-eiser

2. De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank handhaaft wat is overwogen en beslist in het voornoemde tussenvonnis. In dit tussenvonnis is aan [naam eiser] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [naam 1] (de verzekerde van Allianz) op onzorgvuldige wijze aan het verkeer heeft deelgenomen, door niet, althans onvoldoende te remmen en uit te wijken terwijl daarvoor voldoende tijd en gelegenheid was.

2.2.
Op verzoek van [naam eiser] zijn vier getuigen gehoord: [naam 1], [naam 2] (verder [naam 2]), [naam 3] (verder [naam 3]) en [naam eiser] zelf. Allianz heeft afgezien van contra-enquête.

2.3.
Getuige [naam 1] heeft – samengevat – verklaard dat op de weghelft voor het hem tegemoetkomende verkeer een kettingbotsing gebeurde waarbij een van de bij die kettingbotsing betrokken auto’s op zijn weghelft terechtkwam, waarvan hij schrok en waardoor hij automatisch zo ver mogelijk uitweek naar rechts. Volgens [naam 1] kon hij niet verder uitwijken dan hij heeft gedaan en gebeurde alles in 1 á 2 seconden, of zelfs nog minder.

2.4.
Getuige [naam 2] heeft – samengevat – verklaard dat hij naast [naam 1] in de auto zat toen door de botsing op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer een Audi op de weghelft waar zij reden terechtkwam. De deur van die Audi vloog open en [naam 1] week uit, maar heeft die deur toch een tikje gegeven. Dat alles gebeurde in een fractie van een seconde.

2.5.
[naam 3] heeft – samengevat – verklaard zich niet te kunnen herinneren dat door [naam 1], bij gelegenheid van het invullen van het schadeformulier op het kantoor van [naam 3], iets gezegd is over de tijd die [naam 1] had gehad om te reageren. Voor het overige draagt [naam 3] geen kennis uit eigen waarneming van het ongeval en kan zijn verklaring reeds daarom verder buiten beschouwing blijven.

2.6.
[naam eiser] heeft als getuige – samengevat – verklaard dat zo’n 20 á 30 seconden nadat zijn portier door de botsing was opengeklapt een tegenligger tegen zijn opengeklapte deur aanreed.

2.7.
Vooropgesteld moet worden dat de verklaring van getuige [naam eiser] als partijgetuigenverklaring een beperkte bewijskracht heeft, in die zin dat zijn verklaring omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

2.8.
De verklaringen van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] dragen niet bij aan het opgedragen bewijs. Ander, onvolledig, bewijs dat door de verklaring van [naam eiser] kan worden aangevuld is niet voorgebracht.

2.9.
Gezien het voorgaande kan de conclusie geen andere zijn dan dat [naam eiser] er niet in is geslaagd het hem opgedragen bewijs te leveren. De vorderingen zullen worden afgewezen.

2.10.
[naam eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Allianz worden begroot op:
- griffierecht € 656,00
- salaris advocaat 1.407,50 (2,5 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 2.063,50

2.11.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. ECLI:NL:RBROT:2022:779


DEELGESCHILLEN, in beroep en bodemgeschil

RBGEL 020222 verlof tussentijds hoger beroep van deelgeschilbeschikking, hoewel niet binnen 3 maanden na eerste roldatum appél was ingesteld

in vervolg op:
RBGEL 250418 hoofdletsel door laaghangend zonnescherm; "glazenwasserspaadje" vrij toegankelijk; kliniek aansprakelijk

De beoordeling

2.1.
Zoals in het tussenvonnis is overwogen heeft deze rechtbank bij (deelgeschil)beschikking van 25 april 2018 voor recht verklaard dat eiseres aansprakelijk is voor de door gedaagde ten gevolge van het ongeval op 26 juli 2015 geleden en nog te lijden schade. In de dagvaarding heeft de St. Maartenskliniek de rechtbank verzocht hoger beroep open te stellen van de beschikking van 25 april 2018, op de voet van art. 1019cc lid 3 aanhef en onder a Rv. [gedaagde] wilde zich blijkens de conclusie van antwoord bij dat verzoek aansluiten. Gebleken is echter dat de St. Maartenskliniek niet, vooruitlopend op de verzochte toestemming, binnen de termijn van drie manden na de eerste roldatum daadwerkelijk hoger beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens, op nader verzoek van partijen, een mondelinge behandeling bepaald die was beperkt tot de vraag of (moet worden teruggekomen van de beslissing dat) de St. Maartenskliniek voor de schade van [gedaagde] aansprakelijk is. Deze gang van zaken berustte mede op de gedachte dat tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking niet meer mogelijk en het openstellen daarvan dus zinloos was.

2.2.
Bij e-mail van 19 januari 2022 heeft de rechtbank het volgende aan partijen bericht.
Voor de formulering van de regeling van het verlof in art. 1019cc lid 3 Rv is aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over art. 337 Rv en met name bij HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2005:AL7051, NJ 2005/510 (TK 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 23). Bij arrest van 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, is de Hoge Raad gedeeltelijk van dit arrest uit 2004 teruggekomen. Niet langer is vereist dat binnen de wettelijke appeltermijn hoger beroep tegen het aan te vallen tussenvonnis wordt ingesteld; hoger beroep kan nadien worden ingesteld, als dat maar gebeurt binnen de appeltermijn van het vonnis waarin tussentijds appel tegen dat tussenvonnis wordt opengesteld. Tegen deze achtergrond en omdat beide partijen daarop aanvankelijk ook aankoersten, is de rechtbank bereid alsnog verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking.

2.3.
In haar brief van 25 januari 2022 heeft de St. Maartenskliniek de rechtbank laten weten dat zij graag gebruik maakt van de door de rechtbank geschetste mogelijkheid en verlof vraagt voor het instellen van beroep. [gedaagde] heeft de rechtbank bericht dat zij daartegen geen bezwaar heeft. In haar antwoordakte heeft zij gevraagd om het door de St. Maartenskliniek verzochte verlof alsnog bij vonnis te verlenen. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding niet aan de wens van partijen tegemoet te komen. De rechtbank zal tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis en van de beschikking toestaan. Voor zich spreekt dat de St. Maartenskliniek deze mogelijkheid tijdig dient te benutten. De geplande mondelinge behandeling gaat niet door. In afwachting van de uitkomst van het in te stellen hoger beroep zal de zaak naar de parkeerrol worden verwezen. ECLI:NL:RBGEL:2022:530


DEELGESCHILLEN, bgk in deelgeschil
RECHTSBIJSTANDKOSTEN, kosten in relatie tot hoofdsom

RBROT 280122 verzoek tzv BGK laatste geschilpunt; niet geschikt voor deelgeschil, ten overvloede: hoofdsom 6000,-, bgk aangeboden € 4000,- meerdere € 2624,75 afgewezen

2.De vaststaande feiten

In de onderhavige procedure zal - voor zover van belang - worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1
Op 14 september 2019 heeft een aanrijding op de Coolsingel te Rotterdam plaatsgevonden, waarbij enerzijds [verzoeker] is betrokken en anderzijds een (WAM-)verzekerde van Unigarant.

2.2
De belangenbehartiger van [verzoeker] , M. Arslan , heeft Unigarant op 23 september 2019 aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden (im)materiële schade van [verzoeker] .

2.3
Unigarant heeft de behandeling van het dossier uitbesteed aan [persoon B] , verbonden aan het Nederlands Expertise Centrum. [persoon B] heeft op 27 september 2019 namens Unigarant de aansprakelijkheid erkend.

2.4
Vanaf december 2019 is door mr. M. Arslan namens [verzoeker] met [persoon B] gecorrespondeerd over (de omvang en de onderbouwing van) de schade.

2.5
Unigarant heeft op 27 januari 2020 aan [verzoeker] een voorschot op de schadevergoeding betaald van € 1.000,00.

2.6
Door Unigarant is medisch advies aangevraagd. In het rapport van Medi-Office van

27 oktober 2020 is door de verzekeringsgeneeskundige - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

(…) “Het betreft een aanrijding in de stad met lage snelheid. Betrokkene is een jonge man van 24 jaar, in een goede conditie. Studeert en werkt.

Hij is bij de huisarts geweest en bij de Fysiotherapeut. Diagnose: spierpijn.

Feitelijk dus kneuzingen. Dat past bij wat de huisarts en de Fysiotherapeut schrijven, en bij de autoschade. Kneuzingen gaan over in een paar weken tijd. Soms blijven er klachten maar die zijn te negeren. In de eerste weken geen absolute maar relatieve beperkingen. Niet te lang, te zwaar of te veel, maar alles kan en mag. Er zijn geen medische beperkingen”. (…)

2.7
Unigarant heeft zich bij brief van 4 november 2020 op het standpunt gesteld dat zij zich met de betaling van € 1.000,00 ruimschoots voldoende gekweten acht voor de door [verzoeker] geleden schade.

2.8
Door Unigarant is in januari 2021 een schaderegelaar ingeschakeld die een huisbezoek heeft afgelegd. Door Cordaet Personenschade B.V. is vervolgens op 17 maart 2021 een expertiserapport opgesteld.

2.9
Unigarant heeft onder meer bij brief van 28 april 2021 aangeboden om de zaak finaal af te wikkelen tegen een slotuitkering van € 5.000,00.

2.10
De belangenbehartiger van [verzoeker] heeft op 10 mei 2021 aan Unigarant medegedeeld dat [verzoeker] akkoord kan gaan met een slotbetaling van € 5.000,00, mits de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 6.624,78 integraal worden voldaan.

Unigarant is niet akkoord gegaan met betaling van de volledige nota ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten.

2.11
Door Unigarant is uiteindelijk bij brief van 7 juni 2021 een bedrag van € 4.000,00 aan buitengerechtelijke kosten aangeboden. [verzoeker] heeft echter niet ingestemd met dat voorstel.

3.Het geschil
3.1
[verzoeker] heeft verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, Unigarant te veroordelen tot voldoening van de openstaande nota’s ter zake de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 6.624,75, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag en de buitengerechtelijke kosten ter zake dit deelgeschil te begroten conform de door [verzoeker] opgestelde urenspecificatie.

3.2
Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Partijen hebben reeds overeenstemming bereikt over de aan [verzoeker] te betalen schadevergoeding, maar kunnen het niet eens worden over de hoogte van de buitengerechtelijke kosten. De belangenbehartiger van [verzoeker] heeft uitdrukkelijk aan Unigarant te kennen gegeven dat [verzoeker] alleen akkoord kon gaan met een slotuitkering van € 5.000,00, mits de openstaande buitengerechtelijke kosten integraal zouden worden voldaan. De buitengerechtelijke kosten maken onderdeel uit van de schade van [verzoeker] . [verzoeker] heeft een overeenkomst van opdracht getekend, waarin is opgenomen dat de buitengerechtelijke kosten aan hem in rekening worden gebracht. De verrichte werkzaamheden hebben allemaal betrekking op de behartiging van de belangen van [verzoeker] . De gedeclareerde uren zijn volgens [verzoeker] alleszins redelijk en de opgevoerde kosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets zonder meer doorstaan. [verzoeker] meent dat het verschil van inzicht tussen partijen moet worden beschouwd als impasse en dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

3.3
[verzoeker] begroot de kosten van het deelgeschil op een bedrag van € 1.950,00 exclusief btw en 7% kantoorkosten.

3.4
Unigarant heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker] .

3.5
Door Unigarant is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.
Het verzoek van [verzoeker] leent zich niet voor een deelgeschil. Partijen zijn enkel nog in discussie over de buitengerechtelijke kosten en er zijn geen onderhandelingen meer die moeten worden vlot getrokken. Met een inhoudelijke beslissing in deze procedure over de buitengerechtelijke kosten wordt de zaak tussen partijen finaal beslecht.

3.6
Unigarant stelt zich voorts op het standpunt dat de buitengerechtelijke kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Unigarant heeft direct de aansprakelijkheid erkend. Door (de belangenbehartiger van) [verzoeker] is geen werk gemaakt van het onderbouwen van het causaal verband tussen de aanrijding en de gestelde klachten en beperkingen, noch van het onderbouwen van de schade. Unigarant heeft bijna een jaar niets van [verzoeker] gehoord, terwijl uiteindelijk Unigarant zich tot het uiterste heeft ingespannen om de zaak te regelen. Het is de belangenbehartiger van [verzoeker] die een regeling afhankelijk maakt van integrale betaling van een nota die volgens Unigarant te hoog is, gelet op wat zijn werkzaamheden hebben bijgedragen aan de zaak. Unigarant kan zich niet voorstellen dat de belangenbehartiger voor zijn werkzaamheden daadwerkelijk een bedrag van € 6.624,75 aan [verzoeker] in rekening zal brengen, terwijl geen sprake is van toegevoegde waarde door tussenkomst van de belangenbehartiger. Het verzoek van [verzoeker] dient dan ook te worden afgewezen zonder kostenbegroting, nu het deelgeschil onnodig en onterecht aanhangig is gemaakt.

4.De beoordeling
4.1
[verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikelen 1019w-1019cc Rv). Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3
Allereerst dient beoordeeld te worden of deze zaak zich leent voor behandeling als deelgeschil. Daarbij wordt vooropgesteld dat de deelgeschilprocedure partijen een eenvoudige, snelle en ten opzichte van een bodemprocedure (doorgaans) aanmerkelijk goedkopere toegang tot de rechter biedt ter oplossing van een (of meerdere) deelgeschil(len) in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase. De procedure heeft tot doel dat partijen met behulp van de interventie van de deelgeschilrechter dichter bij een buitengerechtelijke oplossing komen. Gezien het in artikel 1019z Rv bepaalde wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing naar het - ambtshalve te geven - oordeel van de deelgeschilrechter onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.4
Vaststaat dat partijen op 10 mei 2021 overeenstemming hebben bereikt over een slotbetaling van € 5.000,00. Met dat bedrag wordt de schade, die [verzoeker] zelf heeft geleden volledig vergoed en de persoonlijke schade van [verzoeker] maakt daardoor geen onderdeel meer uit van het debat tussen partijen. Het enige geschilpunt dat partijen thans nog verdeeld houdt, is de door [verzoeker] gestelde aanspraak op buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van
€ 6.624,75, een en ander zoals vermeld in de nota van mr. M. Arslan van 10 mei 2021.

Naar het oordeel van de kantonrechter valt niet in te zien hoe de door [verzoeker] verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, dan wel hoe daarmee een impasse kan worden doorbroken en onderhandelingen kunnen worden vlotgetrokken. Met een dergelijke inhoudelijke beslissing in de onderhavige procedure wordt het tussen partijen gerezen geschil immers finaal beslist, zodat een terugkeer naar de onderhandelingstafel niet meer aan de orde is. Teneinde een oordeel te krijgen over de buitengerechtelijke kosten is het voeren van een bodemprocedure naar het oordeel van de kantonrechter dan ook de aangewezen weg. Dat Unigarant het bedrag van de slotbetaling van € 5.000,00 nog niet heeft voldaan aan [verzoeker] kan in dit verband niet tot een andere conclusie leiden. De gemachtigde van Unigarant heeft ter zitting te kennen gegeven dat hem niet bekend is waarom die uitbetaling nog niet is gedaan, maar hij heeft ook aangegeven dat hij Unigarant zal adviseren om die slotbetaling alsnog in orde te maken.

4.5
Op grond van vorenstaande overwegingen luidt de conclusie dat het verzoek van [verzoeker] zich niet leent voor beoordeling in het kader van een deelgeschil. Gelet op het bepaalde in artikel 1019z Rv dient het verzoek dan ook te worden afgewezen. In de door [verzoeker] aangehaalde uitspraken ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een ander oordeel, nu daaraan andere uitgangspunten ten grondslag liggen.

4.6
Ten overvloede wordt opgemerkt dat de opgevoerde buitengerechtelijke kosten in het geval van een inhoudelijke beoordeling de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Zo volgt uit de nota van 10 mei 2021 dat door mr. M. Arslan in totaal 21,9 uur in rekening is gebracht tegen een uurtarief van € 250,00 exclusief btw. In letselschadezaken als de onderhavige ligt het op de weg van een professionele en deskundige belangenbehartiger om ervoor te waken dat de kosten niet te hoog oplopen, een en ander zoals door Unigarant ook terecht is gesteld. In dit geval rechtvaardigen de door mr. M. Arslan verrichte werkzaamheden niet het aantal gedeclareerde uren. De aansprakelijkheid is immers door Unigarant reeds binnen enkele dagen na het ongeval erkend, terwijl geen sprake is van een zeer complex of omvangrijk dossier. Uit de door partijen overgelegde stukken kan weliswaar worden afgeleid dat door de belangenbehartiger van [verzoeker] uitvoerig is gecorrespondeerd, maar daarbij is hij steeds niet ingegaan op de verzoeken van Unigarant om het causaal verband tussen de aanrijding en de gestelde klachten en de schade van [verzoeker] (nader) te onderbouwen. Bovendien is het in de periode tussen 9 december 2019 en 20 november 2020 stil gebleven vanuit de kant van [verzoeker] , terwijl blijkens de urenspecificatie in die periode wel verschillende werkzaamheden in rekening zijn gebracht. Door [verzoeker] is niet onderbouwd waarom al deze werkzaamheden noodzakelijk zijn geweest, laat staan dat blijkt waarom het in rekening brengen van het volle uurtarief gerechtvaardigd is.

4.7
Op de voet van artikel 1019aa Rv dienen de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] te worden begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking moeten worden genomen. Bij de begroting daarvan dient ook de dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd. Dit betekent dat als een deelgeschil volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze uitzondering is in het onderhavige geval sprake. Uit hetgeen hiervoor is overwogen kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [verzoeker] ervoor heeft gekozen het (enige) nog resterende geschilpunt tussen partijen als deelgeschil aan de kantonrechter voor te leggen, terwijl [verzoeker] wist, althans had behoren te weten dat dit geen kans van slagen had en dat dit als onnodig dient te worden gekwalificeerd. Nu de kosten van deze deelgeschilprocedure om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komen, dient begroting van die kosten achterwege te blijven.

4.8
Voorgaande overwegingen leiden tot de volgende beslissing. ECLI:NL:RBROT:2022:635


AFWIKKELING, BELASTINGHEFFING, algemeen

RBDHA 180122 smartengeld agent ivm beroepsziekte PTSS; gelet op rechtspositionele regeling wel loon en niet vrijgesteld voor heffing loonbelasting

Overwegingen

Feiten

1.
Agent X is in 1975 in dienst getreden bij de Politie. Bij de uitoefening van zijn beroep heeft hij meerdere traumatische gebeurtenissen meegemaakt.

2.
Met ingang van 1 januari 2013 is de Circulaire PTSS Politie (de circulaire) van kracht. In de circulaire is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

4 Beroepsziekte en PTSS inclusief procedure
( … )
De beoordeling of PTSS als beroepsziekte kan worden aangemerkt vindt binnen de politie niet op eenduidige wijze plaats.
In het Arbeidsvoorwaardenakkoord is overeengekomen, dat voor een rechtspositionele aanspraak op beroepsziekte bij PTSS, het uitgangspunt moet zijn, dat, als medisch wordt vastgesteld dat PTSS beroepsgerelateerd is, dit ook in rechtspositionele zin erkend wordt, tenzij er sprake is van schuld of onvoorzichtigheid van de betrokken ambtenaar.
( … )
Is er sprake van een causaal verband tussen het incident / de ramp / de calamiteit en de PTSS, dan geldt dat de PTSS in dat geval ook rechtspositioneel als beroepsziekte wordt erkend.
Er moet kortom dus sprake zijn van een oorzakelijk verband tussen het beroep of de werkomstandigheden en de ziekte. Is er sprake van een causaal verband, dan geldt PTSS als een rechtspositioneel te erkennen beroepsziekte
.”

3.
Bij agent X is op 29 november 2017 door een psychiater de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld.

4.
Op 4 januari 2018 heeft agent X aan eiseres verzocht om de vastgestelde PTSS te erkennen als beroepsziekte.

5.
Met dagtekening 11 juli 2018 is de PTSS van agent X door eiseres erkend als beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP).

6.
Met dagtekening 4 november 2019 heeft eiseres in verband met de als beroepsziekte erkende PTSS aan agent X een smartengeldvergoeding toegekend van € 166.440 (de smartengeldvergoeding). Dit bedrag is in december 2019 netto uitgekeerd, waarbij door eiseres geen loonheffingen zijn afgedragen.

7.
Verweerder heeft ter zake van de smartengeldvergoeding loonheffingen nageheven. De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag aan loonheffingen van € 102.361. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 4.143.

Geschil

8.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de smartengeldvergoeding behoort tot het loon in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964 (de Wet LB) en of hierover loonheffingen moeten worden afgedragen.

9.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de smartengeldvergoeding ten onrechte in de loonheffing is betrokken. Volgens eiseres kan de smartengeldvergoeding niet als loon als bedoeld in artikel 10 van de Wet LB worden aangemerkt. Indien de smartengeldvergoeding wel tot het loon moet worden gerekend, dan stelt eiseres dat deze op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB is vrijgesteld, dan wel dat de gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen zoals bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel h, van de Wet LB juncto artikel 8.4a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (de URLB) (de gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen) daarop van toepassing is.

10.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

11.
Artikel 10, eerste lid, van de Wet LB luidt als volgt:
Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.”

12.
Artikel 11, eerste lid, van de Wet LB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Tot het loon behoren niet:
( … )
k. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken;
( … ).”

13.
Artikel 31a, tweede lid, van de Wet LB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De verschuldigde belasting met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, wordt bepaald naar een tarief van 80%, met dien verstande dat deze vergoedingen en verstrekkingen worden verminderd, (…) met vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, ter zake of in de vorm van:
( … )
h. bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op een bij die ministeriële regeling aan te wijzen werkplek worden gebruikt of verbruikt;
( … ).

14.
Artikel 8.4a van de URLB luidt:
1. Tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel h, van de wet, behoren, ingeval deze geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden:
a. voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de Arbeidsomstandighedenwet;
b. hulpmiddelen die ook elders gebruikt kunnen worden en die geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden.
2. In afwijking in zoverre van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder werkplek tevens verstaan:
a. in geval van thuiswerk in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet een werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1, onderdeel l, van de Wet op de huurtoeslag, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer;
b. de plaats waar uitvoering wordt gegeven aan het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de Arbeidsomstandighedenwet
.”

15.
Artikel 1, eerste lid, onderdeel y, van het BARP bepaalt dat onder een beroepsziekte moet worden verstaan:
een ziekte, welke in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.”

16.
Op grond van artikel 54a, eerste lid, van het BARP wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan de betreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag. Dit bedrag was in 2019 gesteld op € 166.440.

17.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 29 juni 1983 (Smeerputarrest)1 en 21 februari 20012, volgt dat een vergoeding voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht die door een werkgever wordt betaald op grond van zijn aansprakelijkheid voor een door een werknemer overkomen ongeval, niet zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat deze als daaruit genoten moet worden aangemerkt, behoudens in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen.

18.
Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht, aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de genoemde arresten, omdat de smartengeldvergoeding voortvloeit uit een rechtspositionele regeling. De aanspraak van agent X is vastgesteld met inachtneming van artikel 54a, eerste lid van het BARP, het BARP is een rechtspositionele regeling en het BARP is op agent X van toepassing. De rechtbank overweegt dat het vervolgens aan eiseres is om aannemelijk te maken dat de smartengeldvergoeding, in weerwil van de erkenning van de PTSS van agent X als beroepsziekte en het bepaalde in het BARP, elders zijn grond vindt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stellingen dat de smartengeldvergoeding voortvloeit uit de publiekrechtelijke taak van de politie (het behartigen van het publieke belang) dan wel dat de smartengeldvergoeding niet in de hoedanigheid van werkgever aan agent X is uitgekeerd maar in de hoedanigheid van overheidsorgaan. In de bijzondere en vaak gevaarlijke taak die politiemensen vervullen, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die de Hoge Raad in het Smeerputarrest heeft uitgezet.

19.
Het beroep van eiseres op de arresten van de Hoge Raad van 31 maart 20173 en 30 januari 20154 kan evenmin slagen. In de casus waarop het arrest van 31 maart 2017 ziet, was een vergoeding toegekend aan een voormalig politieagent in verband met immateriële schade en verlies aan arbeidskracht. Anders dan in onderhavige zaak, vloeide deze vergoeding niet voort uit een rechtspositionele regeling, maar werd deze verstrekt op initiatief van de werkgever. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke vergoeding niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking vindt dat zij als daaruit genoten loon dient te worden aangemerkt. In de casus waarop het arrest van 30 januari 2015 ziet, was wel sprake van een rechtspositionele regeling, op basis waarvan politieagenten hun vorderingen ter zake van door daders toegebrachte immateriële schade aan hun werkgever konden cederen tegen de nominale waarde. In tegenstelling tot onderhavige zaak, was deze vergoeding bedoeld ter compensatie van concrete financiële schade (waarvoor niet de werkgever maar degene die de schade heeft toegebracht aansprakelijk is), omdat de politieagenten hun vorderingen niet altijd succesvol op de daders konden verhalen. Gelet op dit verschil, kan naar het oordeel van de rechtbank uit dit arrest niet worden afgeleid dat (ook) in het onderhavige geval de vergoeding niet is toegekend om te belonen, maar deze vooral voortvloeit uit de opgedragen publieke dienstverlening.

20.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de smartengeldvergoeding zozeer haar grond vindt in de door agent X vervulde dienstbetrekking dat de smartengeldvergoeding als daaruit genoten moet worden aangemerkt.

21.
Nu de uitkering moet worden aangemerkt als te zijn verkregen uit de vervulde dienstbetrekking van agent X, komt de rechtbank toe aan de vraag of sprake is van een uitkering of verstrekking in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel k., van de Wet LB. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. De smartegeldvergoeding ziet immers niet op schade aan of verlies van persoonlijke zaken. De verwijzing naar het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015 kan eiseres ook wat dit betreft niet baten aangezien de smartegeldvergoeding naar zijn aard verschilt van de vergoeding waarop dat arrest ziet.

22.
Met hetgeen zij heeft aangevoerd is eiseres er evenmin in geslaagd om aannemelijk te maken dat de gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen van toepassing is op de smartengeldvergoeding. De enkele omstandigheid dat, zoals eiseres stelt, de circulaire onderdeel uitmaakt van de Arbocatalogus van de Politie, is ontoereikend om de smartengeldvergoeding aan te merken als een voorziening die rechtstreeks voortvloeit uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat eiseres voert op grond van de Arbowet. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de smartengeldvergoeding als hulpmiddel in de zin van artikel 8.4a, eerste lid, onderdeel b, van de URLB kan worden aangemerkt.

23.
Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

24.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag opgelegd en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

25.
Eiseres heeft verzocht prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad omdat het gaat om de beantwoording van rechtsvragen die spelen in meer gevallen. De rechtbank kan op grond van artikel 27ga Algemene wet inzake rijksbelastingen een rechtsvraag voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen en ziet in het voorgaande geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

ECLI:NL:RBDHA:2022:563


AFWIKKELING, BELASTINGHEFFING, algemeen

RBDHA 180122 smartengeld agent na dienstongeval met handletsel; gelet op rechtspositionele regeling wel loon en geen vrijstelling loonheffing

Overwegingen

Feiten

1.
Op 22 maart 2019 vindt bij een landelijke oefening van de Mobiele Eenheid een ongeval plaats waarbij agent Y een kwetsuur aan zijn ringvinger oploopt. Door een medisch adviseur is vastgesteld dat sprake is van een blijvende invaliditeit van de ringvinger van 35%.

2.
Bij brief van 3 april 2019 is het ongeval aangemerkt als dienstongeval in de zin van artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP).

3.
Eiseres heeft aan agent Y in december 2019 een smartengeldvergoeding uitgekeerd van € 8.738,10 (de smartengeldvergoeding). Het uitgekeerde bedrag is gebruteerd waarna op 27 januari 2020 € 5.378,38 aan loonheffingen op aangifte is afgedragen.

Geschil

4.
In geschil is of terecht loonheffingen op aangifte zijn afgedragen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de smartengeldvergoeding behoort tot het loon in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964 (de Wet LB) en of hierover loonheffingen moeten worden afgedragen.

5.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de smartengeldvergoeding ten onrechte in de loonheffing is betrokken. Volgens eiseres kan de smartengeldvergoeding niet als loon als bedoeld in artikel 10 van de Wet LB worden aangemerkt. Indien de smartengeldvergoeding wel tot het loon moet worden gerekend, dan stelt eiseres dat deze op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB is vrijgesteld.

6.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht loonheffingen op aangifte zijn afgedragen.

Beoordeling van het geschil

7.
Artikel 10, eerste lid, van de Wet LB luidt als volgt:
Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.

8.
Artikel 11, eerste lid, van de Wet LB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Tot het loon behoren niet:
( … )
k. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken;
( … )
.”

9.
Artikel 1, eerste lid, onderdeel z, van het BARP bepaalt dat onder een dienstongeval moet worden verstaan:
een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.”

10.
Op grond van artikel 54a, eerste lid, van het BARP wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan de betreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag. Dit bedrag was in 2019 gesteld op € 166.440.

11.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 29 juni 1983 (Smeerputarrest)1 en 21 februari 20012, volgt dat een vergoeding voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht die door een werkgever wordt betaald op grond van zijn aansprakelijkheid voor een door een werknemer overkomen ongeval, niet zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat deze als daaruit genoten moet worden aangemerkt, behoudens in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen.

12.
Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht, aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de genoemde arresten, omdat de smartengeldvergoeding voortvloeit uit een rechtspositionele regeling. De aanspraak van agent Y is vastgesteld met inachtneming van artikel 54a, eerste lid van het BARP, het BARP is een rechtspositionele regeling en het BARP is op agent Y van toepassing. De rechtbank overweegt dat het vervolgens aan eiseres is om aannemelijk te maken dat de smartengeldvergoeding, in weerwil van de erkenning van het ongeval van Y als dienstongeval en het bepaalde in het BARP, elders zijn grond vindt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stellingen dat de smartengeldvergoeding voortvloeit uit de publiekrechtelijke taak van de politie (het behartigen van het publieke belang) dan wel dat de smartengeldvergoeding niet in de hoedanigheid van werkgever aan agent Y is uitgekeerd maar in de hoedanigheid van overheidsorgaan. In de bijzondere en vaak gevaarlijke taak die politiemensen vervullen, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die de Hoge Raad in het Smeerputarrest heeft uitgezet.

13.
Het beroep van eiseres op de arresten van de Hoge Raad van 31 maart 20173 en 30 januari 20154 kan evenmin slagen. In de casus waarop het arrest van 31 maart 2017 ziet, was een vergoeding toegekend aan een voormalig politieagent in verband met immateriële schade en verlies aan arbeidskracht. Anders dan in onderhavige zaak, vloeide deze vergoeding niet voort uit een rechtspositionele regeling, maar werd deze verstrekt op initiatief van de werkgever. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke vergoeding niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking vindt dat zij als daaruit genoten loon dient te worden aangemerkt. In de casus waarop het arrest van 30 januari 2015 ziet, was wel sprake van een rechtspositionele regeling, op basis waarvan politieagenten hun vorderingen ter zake van door daders toegebrachte immateriële schade aan hun werkgever konden cederen tegen de nominale waarde. In tegenstelling tot onderhavige zaak, was deze vergoeding bedoeld ter compensatie van concrete financiële schade (waarvoor niet de werkgever maar degene die de schade heeft toegebracht aansprakelijk is), omdat de politieagenten hun vorderingen niet altijd succesvol op de daders konden verhalen. Gelet op dit verschil, kan naar het oordeel van de rechtbank uit dit arrest niet worden afgeleid dat (ook) in het onderhavige geval de vergoeding niet is toegekend om te belonen, maar deze vooral voortvloeit uit de opgedragen publieke dienstverlening.

14.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de smartengeldvergoeding zozeer haar grond vindt in de door agent Y vervulde dienstbetrekking dat de smartengeldvergoeding als daaruit genoten moet worden aangemerkt.

15.
Nu de uitkering moet worden aangemerkt als te zijn verkregen uit de vervulde dienstbetrekking van agent Y, komt de rechtbank toe aan de vraag of sprake is van een uitkering of verstrekking in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel k., van de Wet LB. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. De smartengeldvergoeding ziet immers niet op schade aan of verlies van persoonlijke zaken. De verwijzing naar het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015 kan eiseres ook wat dit betreft niet baten aangezien de smartengeldvergoeding naar zijn aard verschilt van de vergoeding waarop dat arrest ziet.

16.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de loonheffingen terecht op aangifte afgedragen en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

17.
Eiseres heeft verzocht prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad omdat het gaat om de beantwoording van rechtsvragen die spelen in meer gevallen. De rechtbank kan op grond van artikel 27ga Algemene wet inzake rijksbelastingen een rechtsvraag voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen en ziet in het voorgaande geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

ECLI:NL:RBDHA:2022:564



RBNNE 270122 
uitbetalingen ivm beëindiging dienstverband behoren tot loon; niet aannemelijk gemaakt dat werkgever aansprakelijk is

Overwegingen

Feiten

1.
De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.
Eiseres is op 1 juni 2005 in dienst getreden bij de gemeente Smallingerland (de gemeente). Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (het college) eiseres wegens verstoorde verhoudingen ontslagen met ingang van 1 oktober 2011. Bij uitspraak van 22 januari 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep het hiervoor genoemde besluit vernietigd.

1.2.
Ter beëindiging van het dienstverband van eiseres bij de gemeente hebben eiseres en het college op 8 november 2019 een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten. Daarin staat – voor zover hier van belang – het volgende: “VASTSTELLINGSOVEREENKOMST

Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland,

en

[eiseres] geboren op [datum] 1959 en wonende aan de [adres] [plaats] .

nemen in aanmerking dat:
- [eiseres] sinds 1 juni 2005 is aangesteld in dienst van de gemeente Smallingerland in de functie van medewerker invordering en kwijtschelding voor 36 uur per week;
- [eiseres] zich op het standpunt stelt dat zij arbeidsongeschikt is geworden in en door de dienst en zij om die reden schadevergoedingen heeft gevorderd als ook dat zij zich om die reden niet kan vinden in de kortingen die er tijdens haar arbeidsongeschiktheid door de gemeente op haar inkomen zijn toegepast;
- als eerste ziektedag door UWV 18 januari 2016 is vastgesteld;
- [eiseres] op 23 maart 2016 richting de gemeente Smallingerland er vervolgens op heeft gewezen dat zij lijdt aan PTSS en dat dit enkel en alleen is gerelateerd aan de werkomstandigheden bij de gemeente Smallingerland, zodat er sprake is van de situatie dat zij ziek is geworden in en door de dienst, waarbij [eiseres] de gemeente Smallingerland aansprakelijk heeft gesteld;
- de gemeente Smallingerland bezwaar heeft gemaakt tegen de WIA beslissingen betreffende [eiseres] van 14 december 2017 en 8 maart 2018, welke verband houden met een door UWV opgelegde loondoorbetalingsverplichting;
- voornoemde bezwaren door UWV gegrond zijn verklaard en dat [eiseres] vervolgens bij beslissing van UWV d.d. 2 januari 2019 een WIA-uitkering met terugwerkende kracht toegekend heeft gekregen, ingaande 15 januari 2018;
- de gemeente Smallingerland over de periode 15 januari 2018 tot en met 31 december 2018 70% van de bezoldiging van [eiseres] aan haar heeft doorbetaald;
- partijen in deze overeenkomst afspraken wensen te maken over de wijze van beëindiging van de aanstelling;
- [eiseres] door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zich ten volle bewust is van haar (rechts)positie, van de gevolgen van haar ontslag en dat zij voldoende gelegenheid heeft gehad tot een afgewogen beslissing te komen, en zich daarin heeft laten bijstaan door haar advocaat, [naam advocaat] .

Komen als volgt overeen:

1. Aan [eiseres] wordt door het college met ingang van 1 januari 2019 eervol ontslag verleend onder toepassing van artikel 8:4 CAR/UWO.
2. De aan [eiseres] door de gemeente over de periode tot en met 31 december 2018 betaalde bezoldiging behoeft, ondanks de met terugwerkende kracht toegekende WIA uitkering, door [eiseres] niet te worden terugbetaald aan de gemeente.
3. Bij beëindiging van het dienstverband zal een reguliere eindafrekening worden opgemaakt waarbij ook de tijdens het dienstverband opgebouwde doch niet-genoten vakantiedagen (1512 uur) zullen worden uitbetaald.
4. Ter zake vergoeding van ziektekosten over de periode 2013 tot en met 2017 zal aan [eiseres] een bedrag van € 3.077,04 netto betaalbaar worden gesteld door het college. Over het jaar 2018 zal voorts een bedrag van € 385,00 netto ter zake ziektekosten aan [eiseres] betaalbaar worden gesteld door het college.
5. Ter zake van smartengeld zal aan [eiseres] een bedrag van € 5.000,-- netto betaalbaar worden gesteld door het college.
6. Ter zake vergoeding van gemaakte advocaatkosten zal aan [eiseres] ten eerste een bedrag van € 55.000,00 netto betaalbaar worden gesteld door het college. [eiseres] zal de daartoe strekkende facturen van haar advocaat ter zake voornoemd bedrag aan het college overleggen. Ten tweede zal er door het college aan [eiseres] een aanvullend bedrag aan advocaatkosten van € 1.500,00 netto worden vergoed, waarvoor door [eiseres] niet een daartoe strekkende factuur behoeft te worden overgelegd.
7. Voor wat betreft de onder 4, 5 en 6 genoemde nettobedragen wordt door het college een belastinggarantie afgegeven, in die zin dat wanneer over betreffende bedragen onverhoopt toch belasting dient te worden betaald, het college het bedrag dat ter zake belastingen dient te worden afgedragen, vergoedt.
8. Aan [eiseres] wordt een eenmalige vergoeding ten bedrag van € 20.000,00 bruto betaalbaar gesteld door het college, dit in verband met de door [eiseres] gestelde loonderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.
9. De toekenning van de onder 4, 5, 6 en 8 genoemde bedragen alsmede het ontslag en een excuusbrief zullen middels besluiten aan [eiseres] binnen dertig dagen na ondertekening van onderhavige overeenkomst betaalbaar worden gesteld c.q. kenbaar worden gemaakt. De concept-besluiten alsmede de concept-excuusbrief worden als bijlagen aan deze overeenkomst gehecht. Deze overeenkomst komt voorts enkel tot stand onder de voorwaarde dat de betreffende besluiten en de excuusbrief zonder tekstuele wijzigingen zullen worden aangenomen.
10. Tegen deze besluiten ter uitvoering van deze overeenkomst zal [eiseres] geen bezwaar en/of beroep instellen.
11. [eiseres] zal zich ook na beëindiging van de aanstelling gedragen als een goed (ex)ambtenaar betaamt.
12. De beroepsprocedures bij de Rechtbank Noord-Nederland met betrekking tot het besluit tot overplaatsing en de korting wegens ziekte, alsmede de bezwaarprocedure met betrekking tot de afhandeling van haar AVG-verzoe worden terstond nadat beide partijen tot ondertekening van deze overeenkomst zijn overgegaan, namens [eiseres] ingetrokken.
13. Met inachtneming van de inhoud van deze vaststellingsovereenkomst verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting ter zake van het dienstverband en de (wijze van) beëindiging daarvan. Van het afzien van eventuele rechten c.q. aanspraken op grond van de CAR/UWO door [eiseres] is evenwel geen sprake. [eiseres] zal echter geen bezwaar-, beroeps- of civiele procedures starten/voeren ten aanzien (na)betaling van loon en/of overige emolumenten en/of vergoedingen en/of ter zake van enige vorm van aansprakelijkstelling en/of enige vorm van schadevergoeding, tenzij voortvloeiend uit een gebrekkige nakoming van onderhavige overeenkomst.
(…)

1.3.
Tot de stukken van het geding behoort een conceptbrief van de werkgever die als bijlage bij de vso is gevoegd. Daarin staat onder meer geschreven:

 [eiseres]
CONCEPT [adres]
( … )
betreft: excuses van het college van B&W van de gemeente Smallingerland

Geachte [eiseres] ,

In een concept vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat uw dienstverband bij de gemeente Smallingerland zal eindigen. In de 13 jaar hieraan voorafgaand bent u in uw gezondheid, persoonlijke integriteit en economische positie beschadigd geraakt. Wij, het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Smallingerland, erkennen dat de manier waarop u door de gemeente, uw leidinggevende en een aantal collega’s, bejegend bent niet volgens de waarden en normen was die wij als organisatie voorstaan en dat wij hier verantwoordelijk voor waren. In deze brief bieden wij u daarvoor onze excuses aan.

U bent indertijd geschorst (2010) en vervolgens ontslagen (2011). Zowel de schorsing als het ontslag hebt u aangevochten. Vervolgens heeft de Rechtbank Leeuwarden bij uitspraak van 9 oktober 2012 de schorsing en het ontslag vernietigd. Daarmee werd uw dienstverband geacht te zijn hersteld, maar zijn er geen afdoende concrete stappen gezet richting rehabilitatie en schadeloosstelling. Het hoger beroep van de gemeente werd bij uitspraak van 22 januari 2015 door de Centrale Raad van Beroep ongegrond verklaard. Daarmee stond vast dat schorsen en ontslag onterecht waren.

Vervolgens bent u na een onderzoek overgeplaatst naar een andere functie. Dat besluit hebt u aangevochten bij de Rechtbank Noord-Nederland. Ook zijn wij overgegaan tot korting van uw salaris wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Ook dat besluit hebt u aangevochten, omdat u arbeidsongeschikt bent in en door de dienst. Deze procedures zullen vanwege de te sluiten vaststellingsovereenkomst in overleg eindigen. Uw arbeidsongeschiktheid heeft uiteindelijk geleid tot het besluit van UWV u bij besluit van 2 januari 2019 met terugwerkende kracht vanaf 15 januari 2018 een IVA-uitkering toe te kennen.

De handelwijze van zowel ons college als uw direct leidinggevende en een aantal collega’s hebt u als zeer ongewenst en beschadigend ervaren. U geeft aan dat er richting u ook sprake was van agressie en psychologisch terreur. Ten aanzien van ons bent u van mening dat wij ons niet als goed werkgever hebben gedragen, omdat wij uw integriteit in twijfel hebben getrokken en u zonder goede gronden hebben geschorst en ontslagen en een onvoldoende veilige en beschermde werkplek hebben geboden. Door deze onjuiste besluiten en handelwijze bent u in uw eer en goede naam aangetast. Hierdoor voelt u zich het slachtoffer van een onjuiste organisatiecultuur en van onjuist overheidsoptreden. Ook tijdens uw ziekteperiode hebt u de handelwijze van de gemeente als onjuist, onheus en nog verder beschadigend ervaren.

Wij bevestigen dat u in het verleden als ambtenaar van de gemeente Smallingerland goed heeft gefunctioneerd. Wij erkennen dat u bent beschadigd door de manier waarop wij u hebben bejegend. Dit alles heeft een grote impact gehad op uw gezondheid. Om die reden hebben wij met u de vertrekregeling getroffen, zoals weergegeven in het concept van de vaststellingsovereenkomst. Wij willen onze dank uitspreken dat u zich bereid heeft getoond om het gesprek over die vertrekregeling met ons aan te gaan.

Wij bieden onze excuses aan voor al wat u door niet adequaat en onjuist optreden van werkgeverszijde hebt moeten doorstaan. Wij hopen dat u na uw vertrek in staat zult zijn om in de komende jaren een nieuw leven op te bouwen en wij wensen u alle goeds in de toekomst.
( … )

1.4.
Verder behoort tot de stukken van het geding een salarisstrook met betrekking tot december 2019. Daarop staat onder meer vermeld:

(…)

Incidenteel (eenmalig)
Omschrijving Bedrag Factor /% Basis Franchise
Smartengeld 8810,57
Verg. advocaat 2643,17
Ziektekosten 2018 678,41
Ziektekosten 13-18 5422,1
Loonderving ao 20000
Loonheffing (BT) 16242,21- 43,25 37554,3
Netto 21312,04

(…)

Geschil en beoordeling

2.
In geschil is of de uitbetalingen van vergoedingen ter zake van ziektekosten en loonderving (hierna: de vergoedingen) terecht aan de inhouding van loonheffing zijn onderworpen. Het geschil spitst zich toe tot de vraag of de vergoedingen als belastbaar loon in de zin van artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) moeten worden aangemerkt.

3.
Eiseres beantwoordt deze vragen ontkennend. Zij stelt – met verwijzing naar het arrest van 31 maart 20171 – dat de vergoedingen niet zozeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon kunnen worden aangemerkt, maar zijn uitbetaald ter compensatie van psychisch leed dat is opgelopen ten gevolge van gedragingen van collega’s en een verlies aan arbeidskracht. Uit de beroepsgronden leidt de rechtbank verder af dat de vergoedingen volgens eiseres het gevolg zijn van een onrechtmatige daad. De daarmee samenhangende vergoedingen vloeien niet voort uit de dienstbetrekking en kunnen daardoor niet tot het loon worden gerekend, aldus eiseres. Verder voert eiseres aan dat de vergoedingen niet voortvloeien uit een rechtspositionele regeling.

4.
Verweerder vindt dat de vergoedingen terecht aan de inhouding van loonheffing zijn onderworpen. Verweerder voert daartoe aan dat er voldoende causaal verband bestaat tussen de vergoedingen en de dienstbetrekking. De vergoedingen zijn volgens verweerder door eiseres ontvangen op grond van de vso, die is overeengekomen ter beëindiging van de dienstbetrekking. Verder voert verweerder aan dat alleen een werknemer kan worden ontslagen, en niet een willekeurige derde. Daarnaast is verweerder van mening dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vergoedingen zijn ontvangen wegens letselschade ten gevolge van een ongeval, omdat in de vso de vergoedingen niet als zodanig zijn aangemerkt. Ook heeft eiseres volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de vergoedingen zijn uitbetaald in verband met een aantasting van haar eer en goede naam. Ten slotte blijkt uit de stukken niet dat de voormalig werkgever van eiseres aansprakelijkheid heeft erkend op grond van onrechtmatige daad, aldus verweerder.

5.
De rechtbank overweegt als volgt. Krachtens artikel 10, eerste lid, van de Wet LB is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Bij de wijziging van dit artikellid per 1 januari 2011 is over de toegevoegde zinsnede "daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking" in de Nota naar aanleiding van het verslag2 opgemerkt:

"( … ) Deze aanvulling verduidelijkt dat zowel vergoedingen of verstrekkingen ter zake van verwervingskosten als andere vergoedingen en verstrekkingen die niet naar algemene maatschappelijke opvattingen als beloningsvoordeel worden ervaren tot het loon gaan behoren. Het loonbegrip is met de voorgestelde aanvulling niet zo ruim geworden dat al hetgeen de werknemer van de werkgever krijgt loon vormt. Beslissend criterium blijft het verband tussen loon en dienstbetrekking zoals dat in de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie gevormd is." (p. 6.)

6.
De Hoge Raad heeft bepaald dat door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht – behoudens bijzondere omstandigheden – niet zozeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten voordelen moeten worden aangemerkt.3 Bij die bijzondere omstandigheden gaat het om afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen, waaraan de werknemer een recht op vergoeding wegens verlies van arbeidskracht ontleent.4 De bewijslast dat de vergoeding onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking, rust op de belastingplichtige.5

7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de vergoedingen moeten worden aangemerkt als vergoedingen wegens immateriële schade in vorenbedoelde zin, en daardoor niet zozeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten voordelen moeten worden aangemerkt. De rechtbank stelt voorop dat de werkgever de vergoedingen niet heeft uitbetaald op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan eiseres overkomen ongeval, maar in het kader van de beëindiging van de dienstbetrekking wegens verstoorde verhoudingen. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat uit de inhoud van de vso niet valt af te leiden dat de werkgever enige vorm van aansprakelijkheid heeft erkend en dat in punt 13 van de vso een finaal kwijtingsbeding is opgenomen. Verder valt ook uit de overige stukken van het geding niet af te leiden dat de werkgever aansprakelijkheid heeft erkend ter zake van een eiseres overkomen ongeval en dat de vergoedingen daarmee samenhangen. Dit betekent dat de vergoedingen niet voldoen aan de eerste voorwaarde (zie 6.) die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 29 juni 1983, op welk arrest de Hoge Raad heeft teruggegrepen in het door eiseres aangehaalde arrest van 31 maart 2017.6 Uit de stukken van het geding (zie 1.2. en 1.3.) leidt de rechtbank af dat weliswaar sprake was van een langdurig arbeidsrechtelijk conflict, wat bij eiseres heeft geleid tot spanning, verdriet en boosheid, en dat de werkgever heeft erkend dat hij – kortgezegd – steken heeft laten vallen, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat als vanzelfsprekend sprake is van een ongeval, laat staan van een onrechtmatige daad.

8.
Ook overigens kan eiseres zich naar het oordeel van de rechtbank niet met vrucht beroepen op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad. De rechtbank merkt op dat op de salarisstrook van december 2019 (1.4.) staat vermeld dat de uitbetalingen van bruto € 6.100,51 respectievelijk € 20.000, betrekking hebben op de vergoeding van ziektekosten respectievelijk loonderving. Op de salarisstrook staat niet vermeld dat de uitbetalingen betrekking hebben op de vergoeding van immateriële schade. De rechtbank overweegt dat door middel van de op de salarisstrook vermelde uitbetalingen, door de werkgever uitvoering is gegeven aan de vso (1.2.), waarin de betrokken partijen de diverse vergoedingen nader hebben gespecificeerd. Naar het oordeel van de rechtbank staat de inhoud van de vso – in het bijzonder de punten 4. en 8. – geen andere conclusie toe dan dat eiseres en haar werkgever met de in geschil zijnde vergoedingen in elk geval niet hebben beoogd immateriële schade te vergoeden. Ook valt naar het oordeel van de rechtbank uit de vso niet af te leiden dat een vergoeding is uitgekeerd ter zake van een verlies aan arbeidskracht. Hetgeen onder punt 8. van de vso is vermeld, biedt daarvoor te weinig aanknopingspunten.

9.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk gemaakt dat er onvoldoende verband met de dienstbetrekking bestaat om die vergoedingen niet als loon in aanmerking te nemen. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de vso weergeeft wat tussen partijen is overeengekomen. Daaruit volgt dat de vergoedingen zijn uitgekeerd ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft de uitbetaling van de vergoedingen vervolgens overeenkomstig deze uitgangspunten in de loonheffing verwerkt. De andersluidende verklaringen van eiseres zijn dan onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank verwerpt dan ook eiseres’ interpretatie van hetgeen is vermeld op de salarisstrook. Dit betekent dat de vergoedingen als belastbaar loon in de zin van artikel 10 van de Wet LB moeten worden aangemerkt en dat de vergoedingen terecht aan de inhouding van loonheffing zijn onderworpen. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. ECLI:NL:RBNNE:2022:193


CAPITA SELECTA SOCIALE ZEKERHEID bijzondere bijstand

RBGEL 311221 bijzondere bijstand voor inwinnen van medisch advies in medische aansprakelijkheidszaak ten onrechte geweigerd

Overwegingen

1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.
Eiser ontvangt ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen. Hij heeft op 9 juli 2020 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van griffierecht, de eigen bijdrage voor rechtsbijstandskosten, deurwaarderskosten en de kosten van het inwinnen van medisch advies ten behoeve van een te voeren letselschadeprocedure.

1.2.
Bij besluit van 6 augustus 2020 heeft verweerder aan eiser bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht en de eigen bijdrage voor rechtsbijstandskosten toegekend.

1.3.
Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd om aan eiser bijzondere bijstand te verlenen voor de deurwaarderskosten en de kosten van het inwinnen van medisch advies ten behoeve van een te voeren letselschadeprocedure.

1.4.
Op de hoorzitting heeft eiser zijn bezwaar, voor zover dat betrekking heeft op de deurwaarderskosten, ingetrokken.

2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van eisers aanvraag, voor zover dat betrekking heeft op de kosten van het inwinnen van medisch advies, gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat deze kosten niet noodzakelijk zijn. Volgens verweerder betreft het laten verrichten van een expertise een eigen afweging waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand kan worden verleend. Eisers rechtsgang wordt daardoor niet belemmerd, omdat de rechtbank een onafhankelijk onderzoek kan gelasten als eiser dat vraagt. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1450.

3.
Eiser voert aan dat in zijn geval wel degelijk sprake is van noodzakelijke kosten. Hij heeft toegelicht dat hij het [ziekenhuis] te [woonplaats] aansprakelijk heeft gesteld voor een medische fout (in verband met de plaatsing van een prothese). Omdat aansprakelijkheid voor de door eiser als gevolg daarvan geleden en te lijden schade is afgewezen, voert hij een letselschadeprocedure tegen dit ziekenhuis. In die procedure moet eiser voldoende gemotiveerd stellen en bewijzen dat sprake is van een medische fout. Dat kan hij alleen met een medisch deskundigenadvies. De jurisprudentie die verweerder aanhaalt, geldt in het sociale zekerheidsrecht, niet in het civiele recht. Eiser doet een beroep op artikel 17 van de Grondwet (recht op toegang tot de rechter).

4.De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.1

4.3.
Tussen partijen is in geschil of de door eiser gevraagde kosten van het inwinnen van medisch advies noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw. Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is komt het bijstandverlenend orgaan, gelet op de tekst van dat artikellid, geen beoordelingsvrijheid toe. De bestuursrechter dient zich daarover ten volle een eigen oordeel te vormen.

4.4.
Het ligt op de weg van eiser als aanvrager van bijzondere bijstand om de noodzaak van de gevraagde kosten van het inwinnen van medisch advies aannemelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin is geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.
Eiser heeft het [ziekenhuis] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van een medische fout. Daargelaten of de aansprakelijkstelling is gebaseerd op een (vermeende) beroepsfout van de arts of op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door het [ziekenhuis] van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, is voor aansprakelijkheid vereist dat niet gehandeld is zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (in dit geval uroloog) onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht, uitgaande van de kennis en ervaring ten tijde van de behandeling en rekening houdend met de professionele standaard zoals die destijds binnen de beroepsgroep van urologen gold.

4.6.
Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op eiser de stelplicht en zo nodig de bewijslast van feiten of omstandigheden waaruit dat volgt, maar van het ziekenhuis mag worden verlangd dat ze voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van eiser, zodat hij aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering krijgt. 2

4.7.
Het gaat in dit geval om aan eiser ter beschikking gestelde operatieverslagen en andere medische informatie aangaande de behandeling van eiser. Het vergt medische kennis om aan de hand van die gegevens te kunnen beoordelen of is gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot die handelt volgens de voor hem geldende professionele standaard. Om in een civiele vorderingsprocedure aan zijn stelplicht te kunnen voldoen, is het inwinnen van medisch advies in dit geval derhalve onontbeerlijk. Als niet aan de stelplicht wordt voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen en zal ook geen deskundigenbericht worden gelast. Dat wijkt af van het bestuursprocesrecht. Daarom kan verweerder geen steun ontlenen aan de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over de bewijspositie van rechtszoekenden in sociale zekerheidszaken.3

4.8.
Dat het inwinnen van medisch advies noodzakelijk is, wil nog niet zeggen dat ook alle daarmee gemoeide kosten zonder meer als noodzakelijk gemaakte kosten zijn aan te merken. Eiser heeft twee facturen van in totaal een bedrag van € 1.621,40 inclusief BTW overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het hier om redelijke kosten gaat. Verweerder heeft ook niet betwist dat een gebruikelijk tarief is gehanteerd. Dat brengt mee dat de kosten van het door eiser ingewonnen medisch advies als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.

4.9.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de kosten van het inwinnen van medisch advies voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat dit het geval is, omdat sprake is van onvoorzienbare kosten waarvoor eiser niet de mogelijkheid heeft gehad om te reserveren.

4.10.
De rechtbank is tenslotte van oordeel dat eiser over onvoldoende draagkracht beschikt om de kosten van het inwinnen van medisch advies te voldoen.

4.11.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van het inwinnen van medisch advies ten onrechte heeft afgewezen. Gelet hierop is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Dit betekent dat de rechtbank, doende wat verweerder had behoren te doen, het primaire besluit, voor zover dat betrekking heeft op de kosten van het inwinnen van medisch advies, zal herroepen en eiser bijzondere bijstand voor de kosten van het inwinnen van medisch advies tot een bedrag van € 1.621,40 inclusief BTW zal verlenen.

4.12.
De bijzondere bijstand wordt om niet verleend. Er doen zich geen van de in artikel 48, tweede lid, van de Pw genoemde omstandigheden voor die bijstandverlening in de vorm van een geldlening of borgtocht mogelijk maken. De rechtbank wijst partijen op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f sub 2̊, van de Pw. Hierin is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming. Op grond hiervan kan verweerder, indien eiser in de letselschadeprocedure in het gelijk wordt gesteld en het [ziekenhuis] te [woonplaats] aan eiser de door hem gemaakte kosten van het inwinnen van medisch advies dient te vergoeden, de hiervoor verleende kosten van bijstand van eiser terugvorderen.

5.
De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,-, wegingsfactor 1). Van andere kosten, waaronder voor vergoeding in aanmerking komende kosten van bezwaar, is niet gebleken. Verweerder dient tevens het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- aan hem te vergoeden. ECLI:NL:RBGEL:2021:7255


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, voetgangers, aansprakelijkheid en eigen schuld

HR 300678 Eabele Dillema I; onbillijk (deel) schade ten laste 4 jarig kind te laten vanwege - aan de leeftijd van het kind eigen - onvoorzichtig verkeersgedrag
Bij arrest van 30 maart 1977 heeft het Hof — voor zover hier van belang — het incidenteel appel verworpen en in het principaal appel, na het vonnis van de Rechtbank van 13 juni 1974 te hebben bekrachtigd, het vonnis van de Rechtbank van 10 april 1975 vernietigd met veroordeling aan [verweerder] om aan het Ziekenfonds te betalen een bedrag van ƒ 13.942,68 met rente. Het Hof heeft daartoe overwogen:

‘’6.
ten aanzien van de vierde grief:
a. dat deze grief blijkens de daarop gegeven toelichting is gericht tegen het, op de in die grief vermelde en voor het merendeel gewraakte overwegingen gegrond, oordeel van de Rechtbank, dat het verweer van [verweerder] , dat hij geen schuld heeft, moet worden verworpen;
b. dat gelet op hetgeen door partijen over en weer is gesteld en niet, althans niet voldoende gemotiveerd, is bestreden en op de inhoud van de overgelegde stukken, met name het door [verweerder] overgelegde proces-verbaal van de rijkspolitie, van het navolgende moet worden uitgegaan:
[verweerder] reed met een snelheid van 55 à 60 km/uur over de ongeveer vijf meter brede rijbaan van de Achterweg in de richting Wouterswoude. Nadat hij een voor hem uit in dezelfde richting rijdende met een paard bespannen wagen had ingehaald en was voorbijgereden, zag hij op korte afstand voor zich enige kleine kinderen in de rechter wegberm spelen of lopen.
Eén van de kinderen, [betrokkene 1] , stak plotseling van rechts naar links de rijbaan over. [verweerder] verminderde daarop de snelheid van de door hem bestuurde auto door gas los te laten. Kort daarop stak het slachtoffer [slachtoffer] op korte afstand voor de auto de rijbaan van rechts naar links over. Ondanks krachtig remmen kon [verweerder] een aanrijding met [slachtoffer] niet vermijden;

7.
a. dat, waar [verweerder] , nadat hij de met een paard bespannen wagen was gepasseerd, de kinderen op korte afstand voor zich uit zag en, nadat [betrokkene 1] plotseling de rijbaan was overgestoken, claxonneerde en gas terugnam, hij kennelijk zelf inzag, dat zijn nadering voor de kinderen gevaar kon opleveren;
b. dat, nu het hier gaat om zeer jeugdige kinderen van wie men — naar algemeen bekend is — kan en moet verwachten, dat zij zich impulsief, ondoordacht en weinig bewust van de op de weg van de zijde van de overige weggebruikers dreigende gevaren plegen te gedragen, [verweerder] niet had kunnen en mogen volstaan met voorshands te claxonneren en gas terug te nemen, met name niet, toen het eerste kind de rijbaan overstak, omdat hij immers er ernstig rekening mee had moeten houden, dat de andere kinderen, althans één van hen, eveneens de rijbaan zouden (zou) oversteken;
c. dat naar 's Hofs oordeel [verweerder] , toen hij de kinderen op korte afstand gewaar werd, in grotere mate dan hij aanvankelijk deed, zijn snelheid had moeten verminderen om zich dusdoende meer gelegenheid te scheppen zo adequaat mogelijk te reageren op het onberekenbare gedrag van deze kinderen, omdat hij immers geen enkele zekerheid had, dat de andere kinderen — te wier aanzien niet is gebleken, dat zij omkeken in de richting van de naderende auto van [verweerder] en zich deswege bewust waren, hoe ver die auto nog achter hen was en hoe snel deze naderde — zouden blijven staan na het oversteken van het eerste kind;
d. dat deswege naar 's Hofs oordeel de wijze van rijden van [verweerder] het onderhavige ongeval mede heeft veroorzaakt en, gelet op het vorenoverwogene, [verweerder] daaraan ook schuld treft;
e. dat derhalve deze grief eveneens tevergeefs is voorgedragen;

8.
met betrekking tot de vijfde grief in het principaal appel en tevens de in het incidenteel appel opgeworpen grief:
a. dat beide grieven betrekking hebben op de vaststelling van de mate van schuld, die respectievelijk [slachtoffer] en [verweerder] aan het onderhavige ongeval hebben gehad en op de daarop gebaseerde beslissing ten aanzien van de aansprakelijkheid aan de zijde van [verweerder] voor de aan [slachtoffer] opgekomen schade;
b. dat het Hof de in het incidenteel appel aangevoerde grief als zijnde van de verste strekking het eerst zal behandelen;

9.
daaromtrent:
a. dat vaststaat, dat [slachtoffer] jegens zich zelf hoogst onvoorzichtig heeft gehandeld door plotseling kort voor de hem achterop rijdende, door [verweerder] bestuurde, auto de rijbaan over te steken;
b. dat de vraag, of de benadeelde de door hem geleden schadelijke gevolgen van zijn eigen onvoorzichtig handelen voor zijn rekening moet nemen en zo ja, in welke mate dit dan het geval moet zijn, naar redelijkheid dient te worden beantwoord naar de mate van de ernst van dat onvoorzichtig handelen in vergelijking met de ernst van de gemaakte fout, begaan aan de zijde van degeen, die tot schadevergoeding wordt aangesproken, en naar de mate, waarin de wederzijds gemaakte fouten hebben bijgedragen tot het ontstaan van de geleden schade;
c. dat, waar het gaat om de vraag, of en in welke mate de benadeelde naar redelijkheid de schadelijke gevolgen van zijn eigen onvoorzichtig handelen voor zijn eigen rekening behoort te nemen, naar 's Hofs oordeel niet aan de orde komt, of en in welke mate aan de benadeelde het jegens zichzelf onvoorzichtig handelen kan worden verweten en toegerekend;
d. dat derhalve de grief, waaraan — blijkens de inleiding van de memorie van antwoord in het principaal appel — de stelling ten grondslag ligt, dat aan de zijde van [slachtoffer] met het oog op diens jeugdige leeftijd geen sprake kan zijn van medeschuld, dient te worden verworpen;

10.
met betrekking tot de vijfde grief in het principaal appel:
a. dat, gelet op de mate van ernst van het onvoorzichtig handelen van [slachtoffer] enerzijds in vergelijking met de ernst van het foutieve verkeersgedrag van [verweerder] anderzijds, zoals een en ander ten processe is gebleken, en voorts op de mate waarin de wederzijds gemaakte fouten hebben bijgedragen tot het ontstaan van de geleden schade, zijnde deze naar 's Hofs oordeel in overwegende mate door het plotseling oversteken van [slachtoffer] veroorzaakt, [verweerder] slechts voor een vierde gedeelte van de aan [slachtoffer] opgekomen schade aansprakelijk kan worden gesteld
;’’.

Het Ziekenfonds bestrijdt dit arrest met het volgende middel van cassatie:

‘’Schending van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordien het Hof heeft rechtgedaan als omschreven in het dictum van zijn beroepen arrest, zulks op de gronden in zijn arrest vermeld en hier eveneens als ingelast te beschouwen, ten onrechte om de navolgende, in onderling verband in aanmerking te nemen, redenen:

Het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de (eventuele) invloed welke de (zéér) jeugdige leeftijd van het slachtoffer [slachtoffer] (en hetgeen aan die zeer jeugdige leeftijd inherent is of pleegt te zijn) moet of kan hebben bij de beoordeling van de vraag òf er — en zo ja, in welke mate — in casu termen zijn de vergoedingsplicht van [verweerder] (jegens [slachtoffer] respectievelijk het Ziekenfonds) te matigen respectievelijk te verminderen; en in elk geval heeft het Hof zijn beslissing(en) dienaangaande niet naar de eis der wet, immers niet voldoende en/of niet voldoende begrijpelijk, met redenen omkleed.
Deze generale klacht zal hierna, voor zoveel nodig, nader worden gedétailleerd en geadstrueerd, respectievelijk aangevuld en uitgebreid.

2.
Blijkens de memorie van antwoord in het principaal appel en van eis in het incidenteel appel heeft het Ziekenfonds haar mening ‘’dat er voor medeschuld van [slachtoffer] geen plaats is’’, èn haar desbetreffende incidentele appelgrief, onder meer (onder verwijzing naar HR 9.12.1966, NJ 1967 no. 69) gegrond op de stelling: ‘’dit jonge kind kent geen normen en kan deze evenmin handhaven
’’.

Uit het arrest blijkt niet dat het Hof deze stelling — laat staan: explicite en/of voldoende gemotiveerd — zou hebben verworpen. Het Hof heeft trouwens, met betrekking tot de desbetreffende (drie) kinderen (waarvan het slachtoffer [slachtoffer] het àllerjongste was) zelf, explicite, overwogen (in zijn rechtsoverweging 7b) dat ‘’het hier gaat om zeer jeugdige kinderen van wie men — naar algemeen bekend is — kan en moet verwachten dat zij zich impulsief, ondoordacht en weinig bewust van de op de weg van de zijde van de overige weggebruikers dreigende gevaren plegen te gedragen ...’’ en (in zijn rechtsoverweging 7c) geargumenteerd met ‘’het onberekenbare gedrag van deze kinderen’’.
Niettemin heeft het Hof — in zijn rechtsoverweging 9, op de daarin neergelegde argumentatie — de incidentele appelgrief van het Ziekenfonds verworpen en, klaarblijkelijk op rechtsoverweging 9 doorbouwend, in rechtsoverweging 10 [verweerder] slechts voor 1/4 gedeelte van de aan [slachtoffer] opgekomen schade aansprakelijk geoordeeld.
Vorengenoemde (en -geciteerde) rechtsoverwegingen 9 en 10 laten wellicht meer dan één lezing toe.

A.
De meest waarschijnlijke lezing van rechtsoverweging 9, reeds op zichzelf genomen doch a fortiori in verband met 's Hofs rechtsoverweging 7 en de desbetreffende stellingen van het Ziekenfonds, lijkt het Ziekenfonds déze dat, bij (de beantwoording van) de vraag ‘’of de benadeelde de door hem geleden schadelijke gevolgen van zijn eigen onvoorzichtig handelen voor zijn rekening moet nemen en zo ja in welke mate’’ (respectievelijk van de vraag ‘’of en in welke mate de benadeelde naar redelijkheid de schadelijke gevolgen van zijn eigen onvoorzichtig handelen voor zijn eigen rekening behoort te nemen’’), naar 's Hofs oordeel:
(principieel) ‘’niet aan de orde komt of en in welke mate aan de benadeelde het jegens zichzelf onvoorzichtig handelen kan worden verweten en toegerekend’’, èn (derhalve) eveneens (principieel) irrelevant is de (zeer) jeugdige leeftijd (mèt al hetgeen dáár eigen aan is of kan zijn) van de (en in concreto van déze) ‘’benadeelde’’ (respectievelijk, in concreto, van dit slachtoffer: [slachtoffer] ).
In deze primaire lezing berust 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 9 op een onjuiste rechtsopvatting.
Zulks rééds omdat er voor matiging (of vermindering) van de (schade)vergoedingsplicht uit artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover thans van belang, alleen dàn reden is indien de schade mede is te wijten áán (respectievelijk een gevolg is vàn) een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden ‘’toegerekend’’ en voor de (beantwoording van de) vraag òf (en in welke mate) dat geval zich voordoet (méde) de leeftijd (en hetgeen daaraan annex is) van de benadeelde relevant is of kàn zijn.
Trouwens, een eventuele vermindering of matiging van de vergoedingsplicht, als hier bedoeld, berust — in principe, respectievelijk: in laatste instantie, althans en in elk geval: méde — op de redelijkheid en/of billijkheid, en ook bij de beoordeling en afweging dáárvan (alsook, bijvoorbeeld, bij die van de ‘’ernst’’ van gemaakte fouten, enz.) is (mede) de leeftijd (en hetgeen daaraan annex is) van de benadeelde relevant, kàn dat althans zeer wel zijn.
Zie voor een en ander artikel 6.1.9.6. van het ontwerp nieuw Burgerlijk Wetboek (zowel in de versie van het ‘’Ontwerp-Meijers’’ (respectievelijk het oorspronkelijk regeringsontwerp) als — en in het bijzonder — in de versie van het tweede nader gewijzigd ontwerp van wet zoals dit inmiddels door de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangenomen), welk ontworpen wetsartikel, in elk geval in zijn hoofdlijnen, ook het thans (respectievelijk op de te dezen relevante datum) reeds (op dit punt) geldende Nederlandse recht weergeeft.
In het bijzonder klemt het vorenstaande dan in een geval als het onderhavige, waar de benadeelde ( [slachtoffer] ), ten tijde van het ongeval een kind was van zéér jeugdige leeftijd, waarvan vaststaat (althans gesteld en in het midden is gebleven) dat het nog geen normen kende en deze evenmin kon handhaven, terwijl van de desbetreffende categorie van zeer jeugdige kinderen algemeen bekend is (èn was) dat men daarvan kan èn moet verwachten dat zij zich impulsief, ondoordacht en weinig bewust van de desbetreffende hen bedreigende gevaren plegen te gedragen, èn terwijl de door het Hof in concreto aan [verweerder] verweten schuld juist hierin bestaat dat hij, hoewel hij — op grond van de concrete omstandigheden van het geval — er ernstig rekening mee had moeten houden dat (bijvoorbeeld) ook dit kind ( [slachtoffer] ) eveneens de rijbaan zou oversteken (dat wil zeggen zou doen wat het Hof vervolgens kwalificeert als het jegens zich zelf hoogst onvoorzichtig handelen van [slachtoffer] ), op die eventualiteit onvoldoende heeft geanticipeerd.

B.
Indien 's Hofs rechtsoverweging 9 (essentieel) ànders zou moeten worden gelezen dan hiervoren sub A primair verondersteld, moet subsidiair allereerst aan het Hof worden verweten dat het zijn (juridieke en/of feitelijke) gedachtengang zo ondoorzichtig heeft geformuleerd dat daarmede een juridieke en/of feitelijke toetsing ontoelaatbaar is bemoeilijkt, weshalve het arrest dan, reeds daarom, op dit punt niet naar de eis der wet met redenen is omkleed; voor het overige blijft ook dan het sub A aangevoerde gelden.

3.
Het te dezen door het Hof gehanteerde criterium, zoals het dit eerst (in zijn rechtsoverweging 9b) in abstracto heeft omschreven en vervolgens (zie rechtsoverweging 10a) in concreto wil hebben toegepast, is ook overigens (respectievelijk: in elk geval) rechtens niet (en stellig niet zonder méér) juist.
Volgens de juiste rechtsopvatting immers, wordt de (schade-)vergoedingsplicht — voor zover thans van belang — slechts dan verminderd (indien en) wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, en zulks alsdan: door die schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande echter dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht (geheel vervalt of) geheel in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

4.
' s Hofs beslissing in rechtsoverweging 10, dat [verweerder] slechts voor een vierde gedeelte van de aan [slachtoffer] opgekomen schade aansprakelijk kan worden gesteld, bouwt evidentelijk voort op (onder meer) rechtsoverweging 9 en wordt dus mede gevitieerd door hetgeen hiervoren (onder meer) tegen rechtsoverweging 9 is aangevoerd.
Ook los daarvan echter is 's Hofs genoemde beslissing (rechtens) onjuist, althans — (onder meer) tegenover hetgeen ten processe vaststaat respectievelijk gesteld en in het midden is gebleven — niet naar de eis der wet (immers onvoldoende en onvoldoende — begrijpelijk) met redenen omkleed.
Daarbij dient in het bijzonder mede in aanmerking te worden genomen

a) dat, al zou het ongeval (uiteraard) niet hebben plaatsgevonden indien het zeer jeugdige jongetje [slachtoffer] niet (plotseling) de weg zou hebben overgestoken, niettemin in redelijkheid niet (en zeker niet zonder meer) kan en mag worden geoordeeld dat de schade ‘’in overwegende mate’’ door dit oversteken is veroorzaakt, nu immers de (ernstige) fout van [verweerder] (ook naar 's Hofs oordeel) juist hierin bestaat dat hij, hoewel hij — op grond van de concrete omstandigheden van het geval — met zodanig plotseling oversteken (óók) van [slachtoffer] ernstig rekening had moeten houden, daarop onvoldoende heeft geanticipeerd (in welk verband dan vooral ook van belang is)

b) dat een zeer jeugdig kind als [slachtoffer] — met name als dit zich als voetganger bevindt op een (tamelijk smalle) (buiten-)weg zonder trottoir — uiterst kwetsbaar en (lichamelijk en psychisch) weerloos is in het wegverkeer en, mede uit dien hoofde, door de overige verkeersdeelnemers (gelijk in casu de automobilist [verweerder] ) naar mogelijkheid behoort te worden ontzien en beschermd.’’;

Overwegende omtrent dit middel:
Het middel richt zich in onderdeel 2 onder A tegen de door het Hof in rechtsoverweging 9 c neergelegde rechtsopvatting, die het Hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, te weten: ‘’dat, waar het gaat om de vraag of en in welke mate de benadeelde naar redelijkheid de schadelijke gevolgen van zijn eigen onvoorzichtig handelen voor zijn eigen rekening behoort te nemen, niet aan de orde komt, of en in welke mate aan de benadeelde het jegens zichzelf onvoorzichtig handelen kan worden verweten en toegerekend’’.

Deze opvatting is onjuist. De vraag of, in verband met de vermindering van een vergoedingsplicht op grond van gedragingen van de benadeelde, aan de orde kan komen of deze gedragingen hem kunnen worden verweten of toegerekend, valt in haar algemeenheid niet ontkennend of bevestigend te beantwoorden.

Wat het onderhavige geval betreft:
In 's Hofs opvatting wordt uit het oog verloren, dat voor een zeer jeugdig kind het gemotoriseerde verkeer extra risico's meebrengt, welke verband houden met het onvermogen van zulk een kind om een op de gevaren van dat verkeer ingestelde voorzichtigheid te betrachten. Wanneer, gelijk hier, een zeer jeugdig kind wordt aangereden door een autobestuurder, die door onvoorzichtig rijden aan de aanrijding schuld heeft, is het onbillijk de schade die het kind door het ongeval lijdt geheel of ten dele te zijnen laste te laten op de enkele grond dat het ongeval mede het gevolg is van een — aan de leeftijd van het kind eigen — onvoorzichtig verkeersgedrag. Een dergelijke onbillijkheid ware in strijd met de aan artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek ten grondslag liggende beginselen.
Uit het voorgaande volgt dat in zover het middel doel treft, dat 's Hofs arrest en het vonnis van de Rechtbank van 10 april 1975 niet in stand kunnen blijven, en dat het middel voor het overige geen behandeling behoeft.
Ten processe staat vast dat het slachtoffer ten tijde van het ongeval de leeftijd van vier jaar had, zodat de door het Hof vastgestelde onvoorzichtigheid van zijn optreden zich ten volle door deze zeer jeugdige leeftijd laat verklaren. Hieruit volgt — nu uit de gedingstukken niet blijkt dat omstandigheden zijn gesteld die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden — dat er geen reden is een deel van de schade ten laste van het slachtoffer te laten, zodat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen; ECLI:NL:HR:1978:AC6323

Conclusie AG Franx: ECLI:NL:PHR:1978:AC6323


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, correctie en blokkeringsrecht

KBS Advocaten 030222 Het correctierecht verder verfijndbedoeld voor feitelijke onjuistheden die op eenvoudige en objectieve wijze mbv andere gegevens kunnen worden aangetoond

Een automobilist ondergaat een CBR-rijbewijskeuring. De keuring wordt uitgevoerd door een basisarts en het rapport wordt ondertekend door een psychiater. De automobilist dient een klacht in tegen de psychiater omdat deze onvoldoende invulling zou hebben gegeven aan het correctierecht. Tijdens de tuchtzaak past de psychiater het rapport aan, waarna de automobilist de klacht intrekt. Het Regionaal Tuchtcollege (RTG) bepaalt dat de behandeling in het kader van het algemeen belang zal worden voortgezet, omdat het alsnog toetsen van de klacht een zaaksoverstijgend en dus breder leereffect mogelijk maakt (art. 65d lid 2 onder b wet BIG). De Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) wordt voor het vervolg van de zaak als klager aangemerkt (art.65d lid 3 wet BIG). De voortgezette behandeling vindt plaats in een andere samenstelling van het College om de schijn van vooringenomenheid te voorkomen.

Tijdens de voortgezette behandeling blijkt dat het correctieverzoek van de automobilist betrekking had op de (speciële)anamnese. De weergave in het rapport over (de hoeveelheid van) het gebruik van sigaretten, cannabis en cocaïne zou volgens de automobilist niet overeenstemmen met hetgeen hij tijdens het gesprek met de basisarts heeft gezegd. De psychiater had geweigerd de anamnese in het rapport te wijzigen. Het RTG acht deze klacht gegrond, omdat het correctierecht ook ziet op de anamnese indien deze op onjuiste feiten is gebaseerd. De psychiater krijgt een waarschuwing opgelegd. De psychiater gaat in beroep bij het Centraal Tuchtcollege (CTG).

Het CTG overweegt dat het keuringsonderzoek voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Het correctierecht is bedoeld om de betrokkene in staat te stellen om feitelijke onjuistheden in het rapport aan te geven. Daarbij moet, aldus het CTG, worden gedacht aan onjuiste geboortedata, verwijsdata, verkeerd gespelde namen of onjuiste uitslagen. Een antwoord op een vraag over middelengebruik tijdens de keuring die in het kader van de anamnese wordt gesteld betreft geen ‘onjuistheid van feitelijke aard’ zoals hier bedoeld. Een verklaring over middelengebruik is immers geen verklaring waarvan de onjuistheid achteraf eenvoudig en objectief kan worden aangetoond. De automobilist kon dus op grond van het correctierecht geen aanspraak maken op wijziging van de weergave van zijn verklaring in het rapport. De psychiater heeft terecht geweigerd het rapport in deze zin aan te passen. Het CTG vernietigt de uitspraak van het RTG en wijst de klacht alsnog als ongegrond af.

Deze uitspraak geeft een verdere verfijning van het correctierecht. Het correctierecht ziet toe op feiten waarvan de onjuistheid (normaal gesproken) op eenvoudige en objectieve wijze met behulp van andere documenten of gegevens kan worden aangetoond. Het correctierecht is niet bedoeld om het professionele oordeel of de conclusies van de beroepsbeoefenaar waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Dit volgt volgens het CTG ook uit de Richtlijn Diagnostiek van Stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen en de Richtlijn Alcoholmisbruik in het kader van rijgeschiktheidskeuringen. Deze uitspraak benadrukt dat een keurling geen invloed kan uitoefenen op het professioneel oordeel van een keurend arts. Het correctierecht is beperkt tot eenvoudig aan te tonen evidente onjuistheden van feitelijke aard. Wie geschoren wordt moet dus ook bij keuringen stilzitten. www.kbsadvocaten.nl/het-correctierecht-verder-verfijnd/
voor de uitspraak: ECLI_NL_TGZCTG_2022_24


RBMNE 101121 botsing tegen muur bij zaalvoetbal tijdens gymles; school niet aansprakelijk
- kosten gevorderd obv 17 uren x € 245,00 + 5% + 21% btw; afgewezen want geen specificatie

Het geschil

Waarover gaat de zaak?

2.1.
Tijdens een gymnastiekles in de eerste klas van het VMBO op het [naam school] is [minderjarige] (hierna: [voornaam minderjarige] ) gevallen. Dit gebeurde op 9 januari 2017. [voornaam minderjarige] , die op dat moment 12 jaar oud was, is tijdens het zaalvoetballen met zijn hoofd tegen een muur van de gymzaal gebotst.

2.2.
De gymzaal waar het ongeval plaatsvond was twintig meter lang en twaalf meter breed. Aan de lange zijde van de zaal bevond zich een materiaalhok dat als het ware ‘verzonken’ lag, aansluitend aan de gymzaal. De zaal was voor de les verdeeld in drie delen. Staande met het gezicht richting het materiaalhok was aan de rechterkant van de gymzaal een veldje gecreëerd voor basketbal en in het midden een veldje voor voetbal. Aan de linkerkant van de gymzaal werd handstand aangeboden. De ongeveer 25 leerlingen in de klas van [voornaam minderjarige] waren verdeeld over de drie velden.

2.3.
De docent lichamelijke opvoeding, de heer [B] (hierna: [B] ), stond ten tijde van het ongeval in het linkerdeel van de gymzaal om hulp te verlenen aan de leerlingen die de handstand deden. Basketbal en voetbal werden zelfstandig door de leerlingen gespeeld. [B] heeft voorafgaand aan de gymles de leerlingen geïnstrueerd om voorzichtig te spelen, rustig aan te doen, lichamelijk contact te vermijden, geen schouderduwen te geven of slidings te maken en niet op de grond te gaan liggen.

2.4.
Aan het voetballen namen zes leerlingen deel, opgedeeld in twee teams van drie personen. Het voetbalveldje was ongeveer zes bij tien meter. Het werd begrensd door enerzijds de twee muren aan de beide lange zijden van de gymzaal en anderzijds enkele banken, respectievelijk kasten tussen de veldjes in. Tegen de muren van de beide lange zijden van de gymzaal stond een turnmatje tegen de muur, dat als goal fungeerde. Tussen het ‘goal-matje’ en de hoek van het materiaalhok bevond zich ongeveer een halve meter muur.

2.5.
Na een duel om de bal met een medeleerlinge in de buurt van het ‘goal-matje’ en het materiaalhok is [voornaam minderjarige] , vermoedelijk door een duw, met zijn hoofd tegen de muur gekomen. Het is niet duidelijk of hij de rechte muur raakte of de punt/zijkant van de muur bij de overgang naar het materiaalhok. [voornaam minderjarige] weet het zelf niet en [B] heeft geen aanwijzingen gevonden waaruit bleek op welke plek hij de muur had geraakt.

2.6.
Na het ongeval kwam er bloed uit het hoofd van [voornaam minderjarige] . De School heeft contact opgenomen met zijn moeder. [voornaam minderjarige] is samen met zijn moeder naar de huisarts gelopen. De huisarts heeft de wond gelijmd. Vanwege aanhoudende klachten (hoofdpijnklachten aan het eind van de schooldag en/of na lichamelijke inspanning, concentratieproblemen, vergeetachtigheid, bloedneuzen) is [voornaam minderjarige] op 1 februari 2017 door de huisarts doorverwezen naar de kinderarts. De kinderarts komt tot de conclusie:

12-jarige jongen met aanhoudende post traumatische hoofdpijn sinds 3 weken waarbij een aantal factoren een rol lijken te spelen:
-hoofdpijn voor aan het einde van de dag na school of lichamelijke inspanning, heeft daarbij ook concentratieproblemen, meer vergeetachtig en lijkt trager van begrip. Bij lichamelijk onderzoek waren geen aanwijzingen voor neurologische uitvalsverschijnselen. Dit kan passen bij status na commotio cerebri. ( … )
-gegeneraliseerde verhoogde spiertonus in nek, romp en ledematen, eenvoudig te doorbreken, maar wel met licht verhoogde reflexen bdz. en mogelijk ook vaker op de tong bijten. Tevens was er sprake van locale drukpijn occipitaal en is de hoofdhuid rechts pijnlijk bij lichte palpatie. ( … )
-anamnetisch en bij lichamelijk onderzoek (kloppijn tpv sinussen links ˃ rechts) zijn aanwijzingen voor rhinitis/sinusitisklachten mogelijk bij huisstofmijtallergie. ( … )
-Mogelijk andere factoren die een rol spelen bij de hoofdpijnklachten zijn de verhoogde bloeddruk, die werd gemeten. ( … )

2.7.
[achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] is in het derde jaar overgestapt van VMBO-tl naar VMBO kader. VMBO kader heeft hij afgerond. Momenteel volgt hij een MBO IV opleiding in [plaatsnaam] .

Wat verzoekt [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] ?

2.8.
[achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] is van mening dat de School, het bevoegd gezag van het [naam school] , onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de schade die [voornaam minderjarige] als gevolg van dit ongeval heeft geleden. Hij verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
- te verklaren voor recht dat de School aansprakelijk is voor de schade die [voornaam minderjarige] heeft geleden en lijdt ten gevolge van zijn val op 9 januari 2017,
- de School te veroordelen om aan [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] ten behoeve van [voornaam minderjarige] een voorschot op de door [voornaam minderjarige] geleden schade toe te kennen van € 10.000,00,
- te verklaren voor recht dat de School aan [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] moet vergoeden de kosten van een door [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] ten behoeve van [voornaam minderjarige] aan te vragen second opinion om de medische gevolgen voor [voornaam minderjarige] van het ongeval van 9 januari 2017 te beoordelen,
- te verklaren voor recht dat de School aan verzoekers moet vergoeden de kosten van een door [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] ten behoeve van [voornaam minderjarige] aan te vragen onafhankelijk medisch advies om de medische gevolgen en de schade voor [voornaam minderjarige] van het ongeval 9 januari 2017 te beoordelen,
- de School te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil en in de tot voorafgaand aan dit deelgeschil gemaakte buitengerechtelijke kosten.

Wat vindt de School?

2.9.
De School acht zich niet aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. Reaal Schadeverzekeringen N.V., de schadeverzekeraar van de School, heeft schaderegelingsbureau [naam onderneming] B.V. ingeschakeld. Bij brief van 15 maart 2017 heeft het schaderegelingsbureau, namens de School, aansprakelijkheid van de hand gewezen. Ook de (omvang van de) schade is betwist.
De School heeft [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] gewezen op haar ongevallenverzekering.

De beoordeling

Inleiding

3.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de School aansprakelijk is voor de gevolgen van het gymongeval van [voornaam minderjarige] . Het kan niet worden uitgesloten dat met een oordeel over de geschilpunten de ontstane impasse tussen partijen kan worden doorbroken en dat de onderhandelingen kunnen worden voortgezet. Dit betekent dat de zaak geschikt is voor behandeling als deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Aan de ontvankelijkheidseisen is voldaan.

3.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter ligt het gelijk in deze kwestie bij de School. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

Onrechtmatig handelen?

3.3.
[achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] heeft gesteld dat aangezien bij het zaalvoetballen de muren de grens vormden van het speelveld, extra veiligheidsmaatregelen getroffen hadden moeten worden om de rennende leerlingen te beschermen tegen de schade zoals de schade die [voornaam minderjarige] heeft geleden. Er was volgens hem een grote kans op ongevallen met ernstig letsel tot gevolg; leerlingen nemen tijdens de gymles nu eenmaal niet altijd voldoende voorzichtigheid in acht. [B] heeft door geen extra maatregelen te nemen onvoldoende zorg gedragen voor de veiligheid van de leerlingen, aldus [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] . De rechtbank begrijpt uit deze stellingen dat [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] aan zijn verzoeken ten grondslag legt dat [B] als docent lichamelijke opvoeding onrechtmatig jegens [voornaam minderjarige] heeft gehandeld door de op hem rustende zorgplicht te schenden (artikel 6:162 BW) en dat de School als werkgever van [B] daarvoor aansprakelijk is (artikel 6:170 BW).

3.4.
De School betwist dat zij aansprakelijk is. Zij wijst er allereerst op dat [B] op grond van zijn opleiding bevoegd was om bewegingsonderwijs te geven en dat hij dit al sinds 2012 voor het [naam school] doet, eerst op invalbasis en na zijn afstuderen aan de Academie Lichamelijk Opvoeding (ALO), vanaf 2013 fulltime. De School is van mening dat [B] tijdens de gymles heeft gehandeld zoals een van een redelijk en bekwaam handelend docent lichamelijke opvoeding in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Er was volgens haar geen aanleiding om een maatregel als het plaatsen van matten tegen de muur te treffen of op een andere manier in te grijpen.

3.5.
De rechtbank overweegt het volgende. Het staat vast dat [B] niet bij het veld stond waar de leerlingen voetbalden, maar in het veld waar handstand werd aangeboden. Voldoende gebleken is echter dat hij vanuit die positie wel kon kijken naar de andere velden en kon controleren of het daar goed liep en dat hij bovendien de leerlingen die aan voetballen waren de instructie heeft gegeven om rustig te spelen, zonder te duwen en zonder ‘slidings’ te maken. [voornaam minderjarige] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat de regel was dat er geen ‘slidings’ gemaakt mochten worden. Over de andere instructies heeft hij geen opmerkingen gemaakt. Dit is onvoldoende om er van uit te gaan dat deze niet zouden zijn gegeven. De vraag is of in dit concrete geval van een redelijke en bekwaam handelend docent meer kon worden verwacht. Had hij moeten zorgen voor aanvullende veiligheidsmaatregelen, zoals een ‘zachte’ muur creëren, met name bij de hoek naar het materiaalhok, door matten te plaatsen, of anders het voetballen niet moeten laten plaatsvinden?

3.6.
De rechtbank stelt bij deze beoordeling voorop dat de school een veilige omgeving moet zijn waar het risico op letsel zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, moet worden voorkomen. Ook gymles moet plaatsvinden in een veilige omgeving. Aan gymoefeningen is echter ook een bepaalde mate van gevaar verbonden. Het past bij gymoefeningen dat leerlingen hun mogelijkheden verkennen en grenzen opzoeken. De enkele mogelijkheid dat tijdens een gymles een ongeval plaatsvindt, als verwezenlijking van een aan een oefening inherent gevaar, leidt er daarom niet zonder meer toe dat sprake is van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen. Van een docent lichamelijke opvoeding kan worden verwacht dat hij tijdens de gymles veiligheidsmaatregelen treft om het risico van een ongeval en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken, maar met de te nemen veiligheidsmaatregelen mag de ontwikkeling van de leerlingen niet teveel worden beknot. Er is dus een spanningsveld tussen enerzijds de gewenste ontwikkeling van leerlingen op lichamelijk, cognitief en sociaal vlak door middel van sporten en anderzijds de beoogde veiligheid. Of maatregelen aan de orde zijn, hangt af van de aard van de oefening, de ernst van de mogelijke gevolgen, de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van veiligheidsmaatregelen en de kans op schade.

3.7.
Vastgesteld kan worden dat het voetbalspel zeer geschikt is voor 12 à 13 jarige leerlingen uit klas 1 VMBO. Het is een bekend en betrekkelijk eenvoudig spel. Door het te te laten plaatsvinden in een zaal met harde muren als grens was er wel een kans dat een ongeval met letsel tot gevolg zou plaatsvinden. Dat blijkt al uit het feit dat [voornaam minderjarige] een ongeval heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze mogelijkheid van gevaar er echter niet toe leiden dat wordt aangenomen dat het onzorgvuldig is om het voetballen te laten plaatsvinden op de manier zoals [B] dat heeft gedaan. De rechtbank acht daarvoor van belang dat het aantal spelers in het veld beperkt was (3 tegen 3). Onweersproken is dat er voldoende ruimte was. Het is bovendien niet gebleken is dat het onder deze omstandigheden veel voorkomt dat leerlingen tegen de muur oplopen. De leerlingen hadden daarnaast de instructie ontvangen om rustig te spelen en [B] hield toezicht. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet reëel om te verwachten dat hij meer maatregelen had getroffen. Gelet op de aard en de inrichting van het spel in samenhang met de gegeven instructies was de kans op ongevallen daarvoor niet groot genoeg. De rechtbank betrekt bij het oordeel ook dat gebleken is dat het in Nederland gebruikelijk is dat bij gymlessen op middelbare scholen de zaal wordt verdeeld in drie veldjes die begrensd worden door muren. Bij de nieuwere gymzalen wordt plaatselijk misschien een ander materiaal dan bakstenen gebruikt maar gebleken is dat dit materiaal ook hard is. [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat dit anders zou zijn.

3.8.
Dit betekent dat wat [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] heeft gesteld niet tot het oordeel leidt dat [B] zijn zorgplicht heeft geschonden en hij en de School onrechtmatig hebben gehandeld. Duidelijk is wel dat het ongeval impact heeft gehad op het leven van [voornaam minderjarige] , maar dat wil nog niet zeggen dat [B] bij de uitvoering van de gymoefening niet voldoende zorgvuldigheid heeft betracht. Het is niet de bedoeling van de rechtbank om met dit oordeel afbreuk te doen aan het letsel dat [voornaam minderjarige] heeft opgelopen en beperkingen die hij heeft ervaren. De ernst van de gevolgen schept echter geen aansprakelijkheid. Er is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De verzoeken van [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] worden daarom afgewezen.

De kosten van de deelgeschilprocedure

3.9.
Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet eveneens redelijk zijn. Alleen als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, komen de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking. In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.

3.10.
In dit geval is het deelgeschil naar het oordeel van de rechtbank niet volstrekt onnodig of onterecht ingesteld, zodat begroting van de kosten kan plaatsvinden. De rechtbank begroot deze kosten op nihil, omdat verzoekers dit deel van het verzoek niet heeft onderbouwd. . [achternaam verzoeker sub 1/achternaam minderjarige] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijk kosten van 17 uren op basis van een uurtarief van € 245,00 vermeerderd met 5% wegens vaste verschotten en 21% btw, in totaal is dit € 5.291,63. Daarnaast maakt hij aanspraak op een proceskostenveroordeling. Hij heeft echter geen onderbouwing gegeven van deze kosten. De urenspecificatie ontbreekt. ECLI:NL:RBMNE:2021:6615


OPKOMEND VOORDEEL, algemeen

 HR 171276 Van den Endt/Bongaerts; Bundesknappschaft; Voordeelsverrekening tussen verschillende schadeposten

Overwegende omtrent het in het principaal beroep aangevoerde middel:

dat het Hof in zijn arrest van 10 mei 1973 heeft overwogen dat het voordeel, bestaande in de uitkering van de Bundesknappschaft, waarvan de contante waarde volgens het Hof op 42.000,-- DM kan worden gesteld, in mindering moet komen van het totaal van alle schadefactoren, aangezien voor vergoeding slechts in aanmerking komt het netto-nadeel, dat wil zeggen: de som van alle in geld uitgedrukte schadelijke gevolgen van de onrechtmatige daad, verminderd met de som van alle, eveneens in geld uitgedrukte, voordelen welke uit het schadeveroorzakende feit voor de benadeelde voortvloeien;

dat het Hof in zijn arrest van 19 juni 1975 kennelijk in zoverre van deze overweging is teruggekomen dat het — na verwijzing naar hetgeen ten aanzien van het recht in 's Hofs interlocutoire arrest is overwogen — in zijn eindarrest de derde grief heeft verworpen, voor zover deze grief beoogt de door [eisers] aan de Bundesknappschaft betaalde som van 42.000,-- DM in mindering te doen strekken op de door [eisers] jegens [betrokkene 2] verschuldigde vergoeding van immateriële schade;

dat het Hof vrij was van de voormelde overweging uit het interlocutoire arrest in zijn eindarrest af te wijken, nu aangenomen moet worden dat deze overweging door het Hof niet bedoeld is als een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing;

dat derhalve het eerste en het tweede onderdeel van het middel falen;

dat, indien een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel bij de vaststelling van de verschuldigde schadevergoeding, voor zover dit redelijk is, in rekening moet worden gebracht;

dat dit meebrengt dat, indien ter zake van de betreffende gebeurtenis verschillende schaden zijn geleden, ten aanzien van ieder van deze schade-posten ter beoordeling van de rechter staat in hoeverre het in de gegeven omstandigheden redelijk is dit voordeel daarop in mindering te doen strekken;

dat het derde onderdeel van het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, derhalve faalt;

dat het in het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep aangevoerde middel niet behoeft te worden onderzocht;

Verwerpt het beroep; ECLI:NL:HR:1976:AC5837


Deze website maakt gebruik van cookies