Overslaan en naar de inhoud gaan

PHR 090126 Hartlief; over VAV, koerswijziging in HB, bijstandsuitkering; noodzakelijke verhuiskosten, bgk hangende een procedure

PHR 090126 Hartlief; over VAV, koerswijziging in HB, bijstandsuitkering; noodzakelijke verhuiskosten, bgk hangende een procedure

in vervolg op
GHAMS 140125 gebrekkige administratie restaurant kan geen uitgangspunt zijn voor VAV,
- weigering nadere medische gegevens te verstrekken komt voor rekening SO,
- in medisch en AD-rapport is vermeld dat echtgenote huishouding deed; vordering strandt op onvoldoende bewijs
- hulp bij persoonlijke verzorging/mantelzorg en zelfwerkzaamheid afgewezen; ontbrekend causaal verband
- bgk ruimschoots vergoed met reeds betaalde € 25.158,84,
kosten rekenkundige € 12.563,43 niet in redelijkheid gemaakt
- proceskostenveroordeling € 24.261,00

[eiser] was een werknemer van Dnata, toen hij in 2001 bij een arbeidsongeval gewond raakte aan zijn voet. De arbeidsovereenkomst van [eiser] bij Dnata werd per 1 januari 2002 van rechtswege beëindigd. Op 24 juni 2002 heeft [eiser] een restaurant geopend, dat hij uiteindelijk per 1 september 2012 heeft verkocht omdat hij opnieuw voetklachten had gekregen. Sindsdien is hij niet meer aan het werk gegaan.

In 2010 heeft [eiser] Dnata aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het arbeidsongeval in 2001 heeft geleden en zal lijden. De bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraars van Dnata hebben de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. In de onderhavige zaak gaat het over de vraag of [eiser] schade heeft geleden en lijdt als gevolg van het ongeval en wat de omvang is van deze schade.

[eiser] heeft in hoger beroep onder meer vergoeding gevorderd van zijn schade door verminderd arbeidsvermogen (ook wel, ook in deze procedure, aangeduid als verlies (van) verdienvermogen of verlies (van) arbeidsvermogen) en vergoeding van verschillende kosten die hij gemaakt zou hebben. Het hof heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen. [eiser] klachten in cassatie zien grotendeels op de wijze waarop het hof de schade door verminderd arbeidsvermogen heeft vastgesteld. Daarnaast klaagt het middel over het oordeel van het hof met betrekking tot de door [eiser] gevorderde vergoeding van verhuiskosten en van buitengerechtelijke kosten.

 

(.... red. LSA LM)

3De begroting van schade door verminderd arbeidsvermogen

3.1

Deze zaak gaat in essentie over de begroting van schade door verminderd arbeidsvermogen. Hiervoor worden ook wel de termen ‘inkomensschade’,13 ‘verlies van verdienvermogen,14 ‘verlies van arbeidsvermogen’15 en ‘verminderd arbeidsvermogen’ gebruikt. In het spoor van Uw recente rechtspraak gebruik ik de term ‘schade door verminderd arbeidsvermogen’.16 Ter inleiding op de behandeling van de cassatieklachten, maak ik enkele opmerkingen over de begroting van schade door verminderd arbeidsvermogen. Ik put daarbij uit een recente conclusie van mijn hand in een zaak waarin Uw Raad nog geen uitspraak heeft gedaan.17

3.2

Uitgangspunt bij de schadebegroting is dat de benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de financiële toestand waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de schadeveroorzakende gebeurtenis was uitgebleven, de hypothetische situatie ‘zonder ongeval’.18 Uw Raad heeft – juist in de context van schade door verminderd arbeidsvermogen – meermaals geoordeeld dat op de benadeelde de stelplicht en bewijslast rusten ter zake van het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen. Aan de benadeelde mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld.19 In het Zwarte inkomsten-arrest van 12 april 2024 heeft Uw Raad de lijn uit deze (vaste) rechtspraak voor het laatst beschreven.20

3.3

Ingevolge deze lijn dient voor de vaststelling van het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen een vergelijking te worden gemaakt tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na die gebeurtenis en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder die gebeurtenis zou hebben verworven. Bij deze vergelijking dient naar redelijkheid te worden ingeschat hoe het inkomen van de benadeelde zich zal ontwikkelen respectievelijk hoe het zich zonder de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis zou hebben ontwikkeld. Bij deze inschattingen komt het aan op redelijke verwachtingen omtrent toekomstige ontwikkelingen in het arbeidsvermogen zowel in de situatie na de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis als in de situatie ‘zonder’. Daarbij dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen. Bij die afweging heeft de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid. Het resultaat van deze afweging is in cassatie beperkt toetsbaar, maar dit neemt niet weg dat het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk dient te zijn. Dit heeft Uw Raad nog benadrukt in het arrest Undercover in Nederland:21

“3.1.1. (…) Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Hoewel het resultaat van die afweging in cassatie beperkt toetsbaar is, dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn. (…)”

3.4

Schade wordt steeds vastgesteld door de toestand waarin de benadeelde zich in werkelijkheid bevindt (de feitelijke situatie, vaak aangeduid als de situatie ‘met ongeval’) te vergelijken met de toestand waarin de benadeelde zich vermoedelijk zou hebben bevonden indien de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (de hypothetische situatie, vaak aangeduid als de situatie ‘zonder ongeval’).22 De hypothetische situatie is per definitie geen werkelijke situatie en laat zich dus als zodanig niet bewijzen (en eigenlijk ook niet vaststellen).23 Zij is het resultaat van inschattingen van onzekerheden. Die inschattingen kunnen zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich op hun beurt wél laten bewijzen.24

3.5

Tjong Tjin Tai heeft de moeilijkheden die zich kunnen voordoen bij het ‘vaststellen’ (ik heb dit tussen aanhalingstekens geplaatst vanwege de zojuist gemaakte kanttekening bij deze term) van de hypothetische situatie als volgt toegelicht (met weglating van voetnoten in het origineel, A-G):25

“(…) [S]ommige hypothetische situaties [zijn] gemakkelijk vast te stellen (afwezigheid van ziektekosten of factuur voor reparatie), bij andere is het echter lastiger met name bij gederfde winst). Voor smartengeld geldt dat de relevante situatie een feitelijke is (de afwezigheid van de inbreuk, hier: het gebroken been).

De hypothetische situatie is dus niet altijd met volkomen zekerheid vast te stellen, te meer nu ook van belang kan zijn welke beslissingen partijen in de hypothetische situatie zouden hebben genomen. Gevolg is dat schadebegroting (de vaststelling van de omvang van het nadeel) geheel of gedeeltelijk zal berusten op inschattingen. Hier valt niet aan te ontkomen: dit volgt nu eenmaal uit wat schade in essentie is. Het overleggen van deskundigenrapporten voor de schadeberekening maakt dit niet anders: ook deskundigen zullen hun cijfers uiteindelijk moeten baseren op bepaalde inschattingen. De hoop is hooguit dat de deskundige iets betere schattingen kan verrichten dan de rechter.

Een echt wetenschappelijke benadering van schadebegroting is dan ook meestal een fictie. Men kan niet meer doen dan een deel van de elementen waarop de schadebegroting berust beter te funderen door bijvoorbeeld het uitvoeren van grondig empirisch onderzoek. (…)

In de rechtspraak wordt steeds gesproken over ‘de’ hypothetische situatie. Dit veronderstelt dat er één hypothetische situatie is die in aanmerking komt. Dit lijkt voorbij te gaan aan de mogelijkheid dat er verschillende hypothetische situaties zijn die enigszins plausibel zijn. Men kan spreken van ‘scenarios’. Wat deze norm uitdrukt is echter dat de rechter verplicht is om het meest waarschijnlijke scenario te volgen. Dit is alleen anders als er twee radicaal tegenstrijdige scenario’s zijn waar de relatieve waarschijnlijkheid elkaar niet te zeer ontloopt. Dan kan men werken met de leer van verlies van een kans (…).”

3.6

De hypothetische situatie is als gezegd niet werkelijk vast te stellen. In dat verband is nog van belang dat de hypothetische situatie vaak ook afhangt van beslissingen die partijen in die situatie zouden hebben genomen. In dat kader is het dan ook een illusie om te denken dat er steeds één hypothetische situatie is die aannemelijk is. Veel eerder is er sprake van verschillende hypothetische situaties – Tjong Tjin Tai spreekt van ‘scenarios’ – die enigszins plausibel zijn.

3.7

Lindenbergh heeft in zijn conclusie vóór het arrest Sports Entertainment Group Football BV in aanvulling op de zojuist geciteerde passage betoogd dat het aan de rechter is om te bepalen welke hypothetische situatie het meest aannemelijk is en dat de rechter in een concreet geval vaak inschattingen moet maken over verschillende onzekere factoren.26

3.8

Een extra ‘moeilijkheid’ bij (de begroting en de afwikkeling van) schade door verminderd arbeidsvermogen is dat de schadevergoeding, naast reeds gevallen schade (schade uit het verleden vanuit het perspectief van het moment waarop de schade wordt begroot/vastgesteld), vaak ook toekomstige schade omvat. Hoewel het uiteraard mogelijk is om de toekomst ‘af te wachten’ en vervolgens achteraf af te wikkelen,27 is het ingevolge art. 6:105 lid 1 BW mogelijk en gebruikelijk de toekomstschade reeds nu ook voor alsdan af te wikkelen. Dat geschiedt in de regel in de vorm van een som ineens, maar kan ook in de vorm van periodieke uitkeringen geschieden (art. 6:105 lid 1 BW). Dat schades reeds nu voor alsdan worden afgewikkeld, is begrijpelijk: beide partijen – de benadeelde, maar ook zeker de aansprakelijke partij – hechten eraan om het dossier te sluiten. De één (de benadeelde) kort gezegd om een nieuwe start te maken, de ander (de aansprakelijke partij) omdat deze de boeken wil sluiten.28

3.9

Zowel bij de gevallen schade, als bij de toekomstige schade, moet uiteraard zowel steeds een scenario met als een scenario zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis in beeld worden gebracht. Bij de gevallen schade is de situatie met aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis door de tijd al in beeld gekomen tot aan het moment van begroting/vaststelling van de schade. Bij de afwikkeling van toekomstige schade bij voorbaat zijn beide scenario’s onzeker, althans niet met zekerheid ‘vast te stellen’ en geldt ook dat uiteindelijk scenario’s beredeneerd gekozen worden. De in dit verband gekozen peildatum bepaalt ook het perspectief waarmee naar de toekomst wordt gekeken. We kijken immers naar de toekomst ‘vanuit dat moment’ en daarmee vanuit de kennis en inzichten van dat moment: dat is van belang, omdat zij richting geven aan de redelijke verwachtingen van de rechter.29

3.10

Volgens Tjon Tjin Tai maken deze toekomstige inschattingen de begroting van de hier centraal staande schadepost lastiger dan een gewone schadebegroting (met weglating van voetnoten uit het origineel, A-G):30

‘‘Die toekomstige inschattingen maken de begroting van inkomensschade lastiger dan gewone schadebegroting. In wezen moet de rechter dan twee keer een niet actuele situatie beoordelen: enerzijds de toekomstige werkelijke situatie, anderzijds de toekomstige hypothetische situatie. De Hoge Raad heeft aangegeven dat het bij deze vergelijking aankomt op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen.’’

3.11

Bij het afwachten van toekomstige schade gebeurt eigenlijk hetzelfde als bij de gevallen schade: de situatie met aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis hebben we dan ‘meegemaakt’, de situatie zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis zal nog steeds moeten worden ‘uitgetekend’. Daarbij kan overigens wel enige betekenis toekomen of worden toegekend aan wat we inmiddels van de aanvankelijk toekomstige maar inmiddels voorbije periode te weten zijn gekomen. Die kennis of inzichten kunnen ook iets zeggen althans iets suggereren over de situatie waarin de benadeelde zonder ongeval zou hebben verkeerd.

3.12

Ik benadruk nog eens dat de rechter, zoals Uw Raad in het Zwarte inkomsten-arrest van 12 april 2024 nog heeft bevestigd, bij zijn inschattingen de goede en kwade kansen dient af te wegen en dat hij daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid heeft.31 Het resultaat van deze afweging is in cassatie daarom slechts beperkt toetsbaar, zij het dat het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk dient te zijn.32

Poolmolen-arrest

3.13

Nu [eiser] in deze zaak heeft aangevoerd dat zijn situatie sterke gelijkenis vertoont met de situatie die zich in het Poolmolen-arrest voordeed, zal ik ook nog aandacht besteden aan deze zaak.

3.14

In de zaak die leidde tot het Poolmolen-arrest had de benadeelde in 1988, voorafgaand aan een verkeersongeval in september 1989 dat voor de op dat moment 23-jarige benadeelde leidde tot whiplash-gerelateerde klachten, het diploma Milling Technologist behaald aan de Swiss School of Milling (SMS) in Zwitserland. In januari 1991 heeft de benadeelde het bedrijf van zijn vader, de exploitatie van watermolen De Poolmolen, overgenomen.33

3.15

De WAM-verzekeraar had zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde voor de gevolgen van het ongeval reeds erkend, dus het ging in deze procedure (net als in onderhavige zaak) enkel om het bestaan en de omvang van de schade.

3.16

In eerste aanleg had de benadeelde aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval het bedrijf van zijn vader zou zijn blijven exploiteren en de productie van het bedrijf zou hebben uitgebreid. De rechtbank oordeelde vervolgens dat de inkomsten uit het molenbedrijf dusdanig laag waren en in de toekomst zouden blijven, dat door het ongeval geen schade door verminderd arbeidsvermogen was ontstaan. De rechtbank wees de vordering van de benadeelde daarom af.34

3.17

In hoger beroep veranderde de benadeelde van koers. Hij vermeerderde zijn eis en legde hieraan ten grondslag dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval na zijn afstuderen De Poolmolen zou zijn gaan exploiteren, dat hij dit drie jaar zou hebben gedaan, maar vanaf juni 1991 een baan elders (vergelijkbaar met die van zijn studiegenoten) zou hebben gezocht en gevonden, omdat De Poolmolen slechts een resultaat zou genereren op minimaal bestaansniveau.35 Het hof wees ook de aldus onderbouwde vordering van de benadeelde echter af. Volgens het hof was het – gelet op hetgeen omtrent de persoonlijkheid van de benadeelde in het rapport van de neuropsycholoog werd vermeld – aan gerede twijfel onderhevig of de benadeelde in staat zou zijn geweest een met die van zijn studiegenoten vergelijkbare carrière te realiseren. Daar kwam volgens het hof bij dat de benadeelde tot dan toe juist had benadrukt hoe belangrijk het overnemen van de molen voor hem was en dat het molenaarsvak hem in het bloed zou zitten. De benadeelde had er volgens het hof geen aannemelijke verklaring voor gegeven dat hij daar nu ineens geheel anders tegenaan keek. Nu de benadeelde na ruim 23,5 jaar na het hem overkomen ongeval de grondslag van zijn vordering plotseling en radicaal wijzigde, mocht volgens het hof van hem verwacht worden dat hij voor zijn stelling dat hij een carrière buiten de molen zou hebben geambieerd concrete en op zijn specifieke situatie toegespitste, aanknopingspunten zou geven. Omdat de benadeelde dit had nagelaten, had hij volgens het hof onvoldoende gesteld en zijn vordering onvoldoende onderbouwd.36

3.18

Tegen deze oordelen van het hof kwam de benadeelde in cassatie op.37 Uw Raad begon in deze zaak met een overweging over de wijze waarop het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval dient te worden vastgesteld:38

‘‘3.3.2. Het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel op de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt (HR 15 mei 1998, ECLI:NLHR:1998:ZC2654, NJ 1998/624; HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437). In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Hoewel het resultaat van die afweging in cassatie beperkt toetsbaar is, dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn.’’

Vervolgens ging Uw Raad in op de overwegingen van het hof:39

“3.3.3 De vermeldingen in het hiervoor (…) bedoelde rapport van de neuropsycholoog (…), kunnen zonder nadere motivering niet het oordeel dragen dat aan gerede twijfel onderhevig is of [eiser] een vergelijkbare carrière had kunnen realiseren als zijn studiegenoten. Het rapport vermeldt immers niet in hoeverre de persoonlijkheidsstructuur van [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval van invloed zou zijn geweest op zijn mogelijkheden om een zodanige carrière te realiseren.

3.3.4

Ook uit het feit dat [eiser] herhaaldelijk heeft benadrukt hoe belangrijk het overnemen van de molen voor hem was en dat het molenaarsvak hem in het bloed zit, volgt nog niet dat aan gerede twijfel onderhevig is of [eiser] een vergelijkbare carrière zou hebben gerealiseerd als zijn studiegenoten. [eiser] heeft immers, anders dan het hof suggereert, een concreet aanknopingspunt gegeven voor zijn – voor het eerst in hoger beroep ingenomen – standpunt dat hij een carrière buiten De Poolmolen zou hebben verkozen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in de hypothetische situatie zonder ongeval zou zijn gebleken dat De Poolmolen niet rendabel gemaakt kon worden en het onwaarschijnlijk is dat hij onder die omstandigheden deze molen zou zijn blijven exploiteren terwijl hij het diploma van de SMS had behaald. Hierbij verdient opmerking dat – zo al [eisers] koerswijziging niet evident verband hield met het oordeel van de rechtbank en het daaraan ten grondslag liggende deskundigenbericht – [eiser] niet behoefde te verklaren waarom hij in hoger beroep een ander standpunt innam dan in eerste aanleg. Het stond hem immers in beginsel vrij in hoger beroep de grondslag van zijn vordering te wijzigen.”

3.19

Volgens Uw Raad was het hof op onbegrijpelijke en ten dele onjuiste gronden gekomen tot het oordeel dat de gewijzigde vordering inzake schade door verminderd arbeidsvermogen moet worden afgewezen. Niet alleen volgde volgens Uw Raad niet uit het door het hof aangehaalde rapport van de neuropsycholoog in hoeverre de persoonlijkheidsstructuur van benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval van invloed zou zijn geweest op zijn mogelijkheden een zodanige carrière te realiseren, maar ook had de benadeelde een concreet aanknopingspunt gegeven voor zijn standpunt dat hij een carrière buiten De Poolmolen zou hebben verkozen. Hij had daartoe immers aangevoerd dat in de hypothetische situatie zonder ongeval zou zijn gebleken dat De Poolmolen niet rendabel gemaakt kon worden en het onwaarschijnlijk was dat hij onder die omstandigheden deze molen zou zijn blijven exploiteren terwijl hij het diploma van de SMS had behaald. Het arrest van het hof kon volgens Uw Raad dan ook niet in stand blijven, zodat vernietiging en verwijzing volgde.40

3.20

Ook uit dit arrest kan worden opgemaakt dat het bij de beoordeling van de hypothetische situatie aankomt op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt, waarbij door de rechter de goede en kwade kansen dienen te worden afgewogen. Hoewel de rechter daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid heeft – en het resultaat van die afweging in cassatie dan ook beperkt toetsbaar is – dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn in het licht van hetgeen door partijen is aangevoerd. Dat was in de Poolmolen-zaak niet het geval.

Koerswijziging in hoger beroep

3.21

Zowel in het Poolmolen-arrest als in onderhavige zaak heeft de benadeelde de grondslag van zijn vordering in hoger beroep (radicaal) gewijzigd. Over de ruimte daarvoor maak ik nog een enkele opmerking.

3.22

Het hoger beroep strekt er mede toe de appellant de gelegenheid te bieden om hetgeen hij bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten, te verbeteren en/of aan te vullen,41 Deze herkansingsfunctie van het hoger beroep42 is in de rechtspraak van Uw Raad meerdere malen aan de orde gekomen. Daaruit blijkt dat op grond van art. 353 lid 1 jo. 130 Rv aan de oorspronkelijke eiser de bevoegdheid toekomt om in hoger beroep zijn eis te veranderen of te vermeerderen.43 Dit kan onder meer door de grondslag van de vordering te vervangen door een andere of door haar aan te vullen met een andere, subsidiair aangevoerde grondslag. Dat mag ook wanneer eiser in eerste aanleg met betrekking tot die andere grondslag een daarmee strijdig standpunt heeft ingenomen.44

3.23

Ook in het Poolmolen-arrest heeft Uw Raad de herkansingsfunctie van het hoger beroep in herinnering geroepen. In dat kader heeft Uw Raad benadrukt dat eiser niet hoeft te verklaren waarom hij in hoger beroep een ander standpunt inneemt dan in eerste aanleg, omdat het hem in beginsel, ik kom op dit ‘voorbehoud’ nog terug, immers vrijstaat in hoger beroep de grondslag van zijn vordering te wijzigen (randnummer 3.18 hiervoor).45

3.24

Dit neemt niet weg dat ook ten aanzien van deze gewijzigde vordering de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel op eiser (als benadeelde) rusten, waarbij ook dan geldt dat aan de benadeelde in het kader van de vergelijking tussen de feitelijke en hypothetische situatie geen strenge eisen mogen worden gesteld (randnummer 3.2 hiervoor). Daarbij geldt overigens dat stellen en betwisten communicerende vaten zijn: hoe uitvoeriger het verweer is, des te meer onderbouwing mag worden verwacht van de partij op wie de stelplicht rust.46

3.25

Dat Uw Raad in het Poolmolen-arrest ten aanzien van de bevoegdheid om de eis te veranderen of te vermeerderen een voorbehoud heeft gemaakt (door de toevoeging van de woorden ‘in beginsel’), houdt naar ik meen verband met een overweging in een eerdere zaak, waarin Uw Raad heeft benadrukt dat de bevoegdheid van de eiser om zijn eis te veranderen of te vermeerderen slechts wordt beperkt door de eisen van een goede procesorde en de twee conclusie-regel.47

3.26

Voor de onderhavige zaak betekent dit dat het [eiser] in beginsel vrijstond om de grondslag van zijn vordering te wijzigen, waarbij ook ten aanzien van de gewijzigde vordering de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel op hem (als benadeelde) rusten. Tegelijkertijd geldt ook hier dat aan hem in dat kader geen strenge eisen mogen worden gesteld en gaat ook hier op dat stellen en betwisten communicerende vaten zijn.

3.27

Tegen deze achtergrond bespreek ik nu de klachten.

4Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Het middel bestaat uit acht onderdelen. De meeste onderdelen bevatten meerdere klachten.

4.2

Onderdeel I richt zich met verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 5.10., 5.11. en 5.12., waarin het hof heeft overwogen en beslist dat voor de berekening van het inkomen dat [eiser] zou hebben verdiend indien hij niet met ongevalsgerelateerde klachten zou zijn uitgevallen, moet worden uitgegaan van de exploitatie van zijn restaurant. Deze overwegingen zijn volgens het onderdeel onbegrijpelijk. Het inkomen dat [eiser] zou hebben kunnen verdienen met het restaurant moet (zoals het hof zelf ook heeft vastgesteld in rov. 5.17. en 5.30.) worden geschat op het minimumloon. Dat is aanmerkelijk lager dan het loon dat hij bij Dnata verdiende, zodat voor de hand ligt dat [eiser] het restaurant niet jarenlang zou hebben voortgezet en ook ‘zonder ongeval’ op zoek zou zijn gegaan naar ander werk (in loondienst). Het hof is volgens het onderdeel dan ook ten onrechte zowel in de situatie ‘met ongeval’ als in de situatie ‘zonder ongeval’ uitgegaan van het minimumloon. Dit is volgens het onderdeel precies de situatie die zich in het Poolmolen-arrest heeft voorgedaan.

4.3

Deze klacht faalt. Het onderdeel lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat het loon dat de benadeelde voorafgaand aan het ongeval heeft genoten beslissend is bij de vraag van welke hypothetische situatie zonder ongeval moet worden uitgegaan. Het door het onderdeel aangehaalde Poolmolen-arrest illustreert juist dat het in het verleden gegenereerde inkomen weliswaar een belangrijk aanknopingspunt kan bieden voor de inschatting van wat in de hypothetische gebeurtenis zonder schade aan de orde zou zijn, maar tegelijkertijd niet steeds beslissend is (randnummers 3.13-3.20 hiervoor).48 In de zaak die heeft geleid tot het Poolmolen-arrest had de benadeelde in eerste aanleg aanvankelijk een loopbaan als molenaar uitgetekend voor de situatie zonder ongeval. Nadat de rechtbank zijn vordering had afgewezen, omdat de molen waarin hij werkte niet rendabel bleek en hij daarom geen schade door verminderd arbeidsvermogen zou hebben geleden, nam hij in hoger beroep het standpunt in dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval na zijn afstuderen aan de SMS slechts drie jaar in de watermolen zou hebben gewerkt en daarna, net als zijn oud-studiegenoten, een baan elders zou hebben gezocht en gevonden. Uw Raad oordeelde – anders dan het hof in die zaak – dat de benadeelde een concreet aanknopingspunt voor deze standpuntwijziging had gegeven: op dat moment zou immers zijn gebleken dat De Poolmolen niet rendabel gemaakt kon worden, waardoor het – gelet op het diploma van de SMS dat hij op zak had – onwaarschijnlijk was dat hij onder die omstandigheden de molen was blijven exploiteren (randnummers 3.18 en 3.19 hiervoor).49Zoals reeds opgemerkt dient het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven, waarbij het bij de hypothetische situatie aankomt op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. De rechter weegt hierbij – op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd – de goede en kwade kansen af. De rechter heeft daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid en zijn uiteindelijke oordeel is daarom in cassatie beperkt toetsbaar. Dit neemt uiteraard niet weg dat het oordeel consistent en begrijpelijk dient te zijn.50 Ik verwijs hierbij naar hetgeen ik heb opgemerkt in randnummer 3.3.

4.4

In rov. 5.10.-5.12. ligt besloten dat het hof de stellingen van partijen over en weer (en de onderbouwing daarvan) zo heeft gewaardeerd dat het hof het scenario dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval zijn restaurant zou hebben geëxploiteerd het meest reële scenario heeft gevonden en het door [eiser] geschetste scenario – dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval in loondienst (bij Dnata of een ander vergelijkbaar bedrijf) zou blijven werken – niet reëel heeft geacht. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen:

- dat tussen partijen vaststaat dat [eiser] ten tijde van het openen van het restaurant volledig klachtvrij was en dat hij ervan uitging dat hij restloos genezen was, waardoor volgens het hof niet kan worden aangenomen dat voetklachten hem in die periode verhinderden om (wederom) in loondienst te gaan werken bij Dnata of bij een ander vergelijkbaar bedrijf (rov. 5.10.);

- het argument van [eiser] dat hij het erg naar zijn zin had bij Dnata niet, zonder nadere toelichting, te rijmen is met de in het medische dossier vermelde spanningsklachten in verband met het werk en de overuren die hij als zeer belastend ervoer (rov. 5.10.);

- dat als niet weersproken vaststaat dat [eiser] voorafgaand aan zijn werk bij Dnata ook een eigen restaurant had, dit bijdraagt aan de conclusie dat het openen van een restaurant een wens van [eiser] was en hij daarvoor in volledige vrijheid heeft gekozen. Dit verdraagt zich volgens het hof niet met de stelling dat [eiser], als hem het ongeval niet was overkomen, had gekozen voor een leven in loondienst (rov. 5.10.);

- de stelling van [eiser] dat hij met het restaurant geen serieus te nemen inkomen kon verwerven, in strijd is met de eerder door [eiser] ingenomen stellingen – waarvan hij in hoger beroep niet is teruggekomen – over de inkomsten die hij in de eerste (klachtvrije) jaren van het restaurant heeft verdiend (rov. 5.10.); en

- dat [eiser] het restaurant kennelijk naar zijn eigen tevredenheid tien jaar heeft geëxploiteerd voordat hij het, in verband met zijn voetklachten, verkocht (rov. 5.11.).

4.5

Het hof heeft bij de inschatting van de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis gebruikgemaakt van de inzichten omtrent wat er is gebeurd in de feitelijke situatie na die gebeurtenis. Dat is begrijpelijk en daarom ook niet ongebruikelijk. Bij de inschatting van de hypothetische situatie en van de keuzes die de benadeelde in die situatie zou hebben gemaakt, maken we, uiteraard beredeneerd en met oog voor het feit dat het uiteindelijk gaat om een inkleuring van een ander scenario, gebruik van alle mogelijke kennis- en inspiratiebronnen. Ook (de keuzes van benadeelde in) de situatie ‘met ongeval’ kan (kunnen) daarbij worden benut: wat er in die situatie is gebeurd, kan immers ook iets ‘zeggen’ over wat er ‘anders’ zou zijn gebeurd. Het hof heeft het scenario dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval zijn restaurant zou hebben geëxploiteerd het meest reëel geacht nu i) [eiser] ten tijde van het openen van het restaurant volledig klachtvrij was en ervan uitging restloos genezen te zijn, waardoor volgens het hof niet kan worden aangenomen dat voetklachten hem verhinderden om (wederom) in loondienst te gaan werken en ii) hij het restaurant bovendien tien jaar heeft geëxploiteerd voordat hij het in verband met de wederom opspelende voetklachten verkocht. Een dergelijk oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter. Zeker gezien de aanzienlijke mate van vrijheid die een feitenrechter heeft bij het maken van een inschatting van de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis (randnummers 3.3 en 4.3 hiervoor), meen ik dat de klacht faalt. Het oordeel van het hof acht ik, gelet op hetgeen het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd (randnummer 4.4 hiervoor), bovendien niet onbegrijpelijk.

4.6

De overwegingen van het hof zijn volgens het onderdeel echter ook rechtens onjuist, omdat het hof ten onrechte van [eiser] heeft verlangd dat hij ter onderbouwing van zijn gewijzigde standpunt meer zou aanvoeren dan de enkele stelling dat een baan in loondienst hem meer financiële zekerheid zou bieden. Hiermee heeft het hof de lat wat betreft de stelplicht te hoog gelegd, aldus het onderdeel.

4.7

Uw Raad heeft – juist in de context van schade door verminderd arbeidsvermogen – meermaals geoordeeld dat op de benadeelde de stelplicht en bewijslast rusten ter zake van het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen.51 In het Zwarte inkomsten-arrest van 12 april 2024 heeft Uw Raad de lijn uit deze (vaste) rechtspraak voor het laatst beschreven (randnummers 3.2 en 3.3 hiervoor).52

4.8

Dit regime geldt ook voor de in hoger beroep gewijzigde vordering. Nog steeds rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel op eiser (als benadeelde), waarbij ook dan geldt dat aan de benadeelde in het kader van de vergelijking tussen de feitelijke en hypothetische situatie geen strenge eisen mogen worden gesteld (randnummer 3.2 hiervoor). En ook hier geldt dat hoe uitvoeriger het verweer is, des te meer onderbouwing mag worden verwacht van de partij op wie de stelplicht rust.

4.9

Uit de vaste rechtspraak van Uw Raad blijkt dat de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel op eiser (als benadeelde) rusten, maar dat aan de benadeelde in het kader van de vergelijking tussen de feitelijke en de hypothetische situatie echter geen strenge eisen mogen worden gesteld (randnummer 3.2 hiervoor).53 In het recente arrest inzake Sports Entertainment Group Football BV noemt Uw Raad als ratio voor de regel dat aan de stellingen van de benadeelde over de hypothetische situatie geen strenge eisen mogen worden gesteld, dat de aansprakelijke partij de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over (zijn financiële positie in) die hypothetische situatie.54 Het is vervolgens de vraag wat dit precies betekent in een concreet geval. In ieder geval moet daarbij betrokken worden dat stellen en betwisten communicerende vaten zijn.

4.10

Uit het oordeel en de motivering van het hof blijkt mijns inziens niet dat het hof heeft miskend dat aan de benadeelde ([eiser] in dit geval) geen strenge eisen mogen worden gesteld in het kader van de vergelijking tussen de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en de feitelijke situatie na die gebeurtenis. Het oordeel van het hof komt erop neer dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van Dnata c.s. en de in rov. 4.10. en 4.11. (zie ook randnummer 4.4 hiervoor) genoemde omstandigheden, van [eiser] sterkere onderbouwing van zijn in hoger beroep gewijzigde standpunt mocht worden verwacht. Dit oordeel bevestigt de wisselwerking tussen stellen en betwisten (randnummer 3.24): naarmate de betwisting beter onderbouwd is, mag meer worden verwacht van de partij op wie de stelplicht rust (in dit geval ter zake van het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen).55 De klacht faalt.

4.11

Het onderdeel klaagt verder dat het hof ten onrechte aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd dat niet is gebleken dat [eiser] heeft overwogen om een baan in loondienst te zoeken, omdat [eiser] daartoe na het ongeval niet meer in staat was (als gevolg van zijn ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen) en hij bovendien “na de uitval in zijn restaurant” heeft gepoogd om weer elders in loondienst te gaan werken.

4.12

Deze klacht faalt eveneens, omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In rov. 5.11. is het hof ingegaan op het beroep van [eiser] op het Poolmolen-arrest. [eiser] heeft aangevoerd dat zijn casus sterke gelijkenis vertoont met de casus die in het Poolmolen-arrest aan de orde was. Ook in die zaak had het slachtoffer zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat zijn schade door verminderd arbeidsvermogen begroot moest worden op basis van een inkomen uit zijn eigen onderneming. Toen in die zaak vastgesteld werd dat zijn onderneming ook in de situatie zonder ongeval een gering inkomen zou hebben opgeleverd, heeft het slachtoffer zijn eis aldus gewijzigd dat voor de situatie zonder ongeval werd uitgegaan van een (substantieel) hoger inkomen in loondienst (randnummers 3.13-3.20 hiervoor). [eiser] voert aan dat in zijn zaak door HDI is vastgesteld dat met zijn restaurant geen serieus te nemen inkomen te vergaren was en daarom moet worden uitgegaan van een inkomen in loondienst.56 Het hof heeft het beroep van [eiser] op het Poolmolen-arrest afgewezen, omdat [eiser] het restaurant tien jaar – kennelijk naar tevredenheid – heeft geëxploiteerd voordat hij het, in verband met voetklachten, verkocht en niet is gebleken dat hij, vanwege te geringe inkomsten, eerder (toevoeging van mij, A-G) heeft overwogen een baan in loondienst te zoeken. De overweging van het hof ziet dan ook niet, anders dan het middel veronderstelt, op de periode nadat [eiser] met voetklachten was uitgevallen, maar op de jaren daarvoor. Ook hier heeft het hof bij de inschatting van de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis gebruikgemaakt van de inzichten omtrent de feitelijke situatie na die gebeurtenis. Dit lijkt mij aanvaardbaar (randnummer 4.5 hiervoor).

4.13

Het onderdeel bevat verder nog de klacht dat het hof niet (voldoende) is ingegaan op de essentiële stelling van [eiser] dat ook Dnata c.s. hebben gesteld dat het aannemelijk is dat [eiser] in de situatie zonder ongeval – vanwege de ongevalsgerelateerde klachten – al ruim voor zijn pensioengerechtigde leeftijd zou zijn gestopt met het exploiteren van zijn restaurant en dat hij dan weer in loondienst zou gaan werken.

4.14

Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De essentiële stelling waarnaar het onderdeel verwijst is opgenomen in randnummer 21. van de memorie van grieven, waarin [eiser] verwijst naar een stelling die in eerste aanleg door Dnata c.s. is ingenomen. Deze stelling komt erop neer dat Dnata c.s. het aannemelijk achten dat [eiser] – vanwege ongevalsvreemde klachten – al ruim voor zijn pensioengerechtigde leeftijd zou zijn gestopt met het exploiteren van zijn restaurant en dat hij dan weer in (parttime) loondienst zou gaan werken, maar dan niet bij Dnata of een vergelijkbare baan met onregelmatige diensten. Op die grond is het volgens Dnata c.s. redelijk uit te gaan van een minimuminkomen in de situatie zonder ongeval.57 Behalve dat het onderdeel de door Dnata c.s. ingenomen stelling onjuist weergeeft door te spreken van ongevalsgerelateerde klachten in plaats van ongevalsvreemde klachten, strekt de stelling van Dnata c.s. ertoe dat [eiser] in het hypothetische scenario zonder ongeval in loondienst niet meer dan het minimuminkomen zou hebben verdiend. De door Dnata c.s. ingenomen stelling draagt dan ook niet bij aan het door [eiser] ingenomen standpunt, te weten dat hij in de situatie zonder ongeval tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou blijven bij Dnata of een vergelijkbaar bedrijf op Schiphol en zijn inkomen dan ook op basis van een inkomen in loondienst moet worden berekend, zodat het hof daaraan voorbij mocht gaan.

4.15

Ook de klacht dat de bestreden overwegingen (rov. 5.10.-5.12.) zich niet laten rijmen met rov. 5.27. en 5.28. faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de klacht uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. In rechtsoverweging 5.27. en 5.28. heeft het hof de situatie met ongeval besproken, terwijl de bestreden overwegingen zien op de situatie zonder ongeval.

4.16

Ten slotte bevat het onderdeel nog de klacht dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod in de inleidende dagvaarding, de memorie van grieven en de memorie van antwoord in het incidentele beroep heeft gepasseerd.58

4.17

Deze klacht faalt. De rechter mag op grond van art. 149 lid 1 Rv in beginsel alleen59 die feiten aan zijn oordeel ten grondslag leggen die door partijen zijn gesteld en die zijn komen vast te staan hetzij vanwege onvoldoende betwisting daarvan door de wederpartij hetzij door bewijslevering van de partij op wie de bewijslast rust. Terwijl art. 149 lid 1 Rv de feitelijke grondslag van de rechterlijke beslissing als onderwerp heeft, ziet art. 150 Rv op de vraag wie tot bewijslevering kan worden toegelaten. Anders gezegd: op wie rusten de stelplicht en de bewijslast? Uit de tekst van art. 150 Rv volgt dat de bewijslast betrekking heeft op de gestelde feiten of rechten die aan een bepaald rechtsgevolg ten grondslag wordt gelegd. Aan de (eventuele) bewijslevering gaat de stelplicht vooraf.60 De stelplicht heeft, zo blijkt ook uit art. 150 Rv, (enkel) betrekking op feiten of rechten waaraan een door de betrokken partij beoogd rechtsgevolg is verbonden dat weer voortvloeit uit een (geschreven of ongeschreven) rechtsregel.61 De (omvang van de) stelplicht wordt dus bepaald door het beoogde rechtsgevolg dat op een rechtsregel is gebaseerd. Voldoet een partij niet aan haar stelplicht, dan wordt zij niet toegelaten tot bewijslevering.62

4.18

In rov. 5.9.-5.12. heeft het hof grief 2 besproken waarin [eiser] stelt dat hij in de situatie zonder ongeval tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in loondienst zou zijn blijven werken bij Dnata of een vergelijkbaar bedrijf op Schiphol. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser] – gelet op de gemotiveerde betwisting van Dnata c.s. – niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en daarom niet tot bewijslevering zal worden toegelaten. Gelet op de vaste rechtspraak van Uw Raad dat een partij die niet aan haar stelplicht voldoet, niet wordt toegelaten tot bewijslevering (randnummer 4.17), is dit oordeel van het hof niet onjuist.

4.19

De klachten van onderdeel I falen.

4.20

Onderdeel II richt zich tegen rov. 5.21. tot en met 5.24. waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser] zijn stellingen – dat ten aanzien van de ongevalsgerelateerde klachten uitgegaan kan worden van de beperkingen die [orthopedisch chirurg] heeft vastgesteld, maar hij sindsdien ook een toename van ongevalsgerelateerde klachten ervaart en inmiddels ook knie- en psychische klachten heeft – niet voldoende heeft onderbouwd. De overweging in rov. 5.22. dat in het rapport van ‘Calder Werkt’ niet is vermeld op welke medische informatie de daarin vermelde conclusies zijn gebaseerd en bovendien daaruit niet kan worden opgemaakt of en in welke mate de vastgestelde beperkingen in relatie tot het ongeval in 2001 staan, is volgens het onderdeel onbegrijpelijk. Dat rapport is immers gebaseerd op arbeids-medisch belastbaarheidsonderzoek, mede verricht door een arts, waarbij in combinatie met het rapport [orthopedisch chirurg] volgt dat die beperkingen uitsluitend in relatie tot het ongeval in 2001 staan, zodat het rapport van ‘Calder Werkt’ juist dient ter onderbouwing van de stelling van [eiser] dat de toegenomen knie- en psychische klachten aan het ongeval zijn toe te schrijven. Anders dan het hof in rov. 5.21. heeft overwogen, heeft [eiser] zijn stellingen over de toegenomen ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen niet alleen gebaseerd op het arbeids-medisch belastbaarheidsrapport van ‘Calder Werkt’, maar, aldus het onderdeel, ook en vooral op het rapport [orthopedisch chirurg], waaruit volgt dat evident sprake is van toegenomen klachten en beperkingen die uitsluitend aan het onderhavige ongeval moeten worden toegerekend en dat zelfs een verdere toename van de klachten en beperkingen in de toekomst is te verwachten.

4.21

Deze klacht faalt. Het hof heeft zich in de bestreden rechtsoverwegingen een oordeel gevormd over de stelling van [eiser] dat hij naast de door [orthopedisch chirurg] vastgestelde ongevalsgerelateerde klachten, een toename van klachten ervaart en inmiddels ook knieklachten en psychische klachten heeft. Het hof heeft in rov. 5.21. en 5.22. overwogen dat [eiser] deze stelling niet anders heeft onderbouwd dan met een verwijzing naar het rapport van ‘Calder Werkt’, dat in dit rapport niet is vermeld op welke medische informatie de daarin opgenomen conclusies zijn gebaseerd en bovendien dat daaruit niet kan worden opgemaakt of en in welke mate de vastgestelde beperkingen in relatie staan tot het ongeval in 2001. Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat – kort gezegd – het rapport van ‘Calder Werkt’’ in combinatie met het rapport [orthopedisch chirurg] moet worden gelezen waaruit zou volgen dat de toegenomen klachten aan het onderhavige ongeval moeten worden toegerekend. De door [orthopedisch chirurg] beschreven klachten betroffen echter uitsluitend voetklachten,63 zodat dit rapport geen onderbouwing kan vormen van de door [eiser] ingenomen stelling dat zijn knieklachten en zijn psychische klachten ook aan het ongeval zijn toe te schrijven. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [orthopedisch chirurg] heeft geconcludeerd dat sprake is van een relatieve eindsituatie, aangezien een verdere verslechtering ten opzichte van het huidige toestandsbeeld niet kan worden uitgesloten. Uit deze conclusie van [orthopedisch chirurg] kan immers niet worden opgemaakt dat de door [eiser] ervaren knieklachten en psychische klachten zijn toe te schrijven aan het ongeval. Het door het onderdeel bestreden oordeel van het hof is gelet op het voorgaande dan ook niet onbegrijpelijk.

4.22

Onderdeel III richt zich tegen rov. 5.23. tot en met 5.26. en tegen 5.30. waarin het hof heeft overwogen dat [eiser] niet bereid is gebleken om nadere medische gegevens te verstrekken, noch om inzage te geven in zijn huisartsjournaal na 2011, dat hij ook na het onderhandelingsoverleg ter zitting niet bereid is gebleken om de onderbouwing alsnog te verstrekken zonder de door hem gestelde voorwaarden en heeft geoordeeld dat hij aldus niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Deze overwegingen zijn volgens het onderdeel rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, en gaan voorbij aan ter zake essentiële stellingen van [eiser]. In de memorie van grieven, randnummer 124. zou [eiser] zich bereid hebben verklaard om de medische informatie, inclusief het patiëntenjournaal van de huisarts, toe te zenden aan de deskundige en aan de medisch adviseur van HDI. Hij was echter niet gehouden om, zoals HDI verlangde, akkoord te gaan met het verzenden van de informatie aan de advocaat en de medisch adviseur van HDI, zonder inschakeling van een deskundige, hetgeen het hof heeft miskend. Het is niet aan de verzekeraar, maar aan de deskundige om te bepalen welke medische informatie nodig is voor onderzoek. Het onderdeel verwijst daarbij naar de Patiëntenkaart-uitspraak.64

4.23

De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de klacht uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In de bestreden rechtsoverwegingen heeft het hof niet geoordeeld dat [eiser] gehouden was om – zonder inschakeling van een deskundige – akkoord te gaan met het verzenden van de (medische) informatie aan de advocaat en de medisch adviseur van HDI. Het hof heeft, na in rov. 5.22. te hebben geoordeeld dat het rapport van ‘Calder Werkt’ niet kan dienen als onderbouwing van de stelling van [eiser] dat zijn toegenomen knieklachten en psychische klachten aan het ongeval zijn toe te schrijven, in rov. 5.23. tot en met 5.26. geoordeeld dat [eiser] zijn stelling niet op een andere manier heeft onderbouwd. Het hof is daarbij ingegaan op de voorwaarde die [eiser] stelde aan het overleggen van nadere medische gegevens als onderbouwing van zijn stelling met betrekking tot de toegenomen knieklachten en psychische klachten: het op kosten van Dnata c.s. benoemen van een onafhankelijk arts (rov. 5.23.). Het hof heeft in dat kader allereerst overwogen dat het [eiser] vanzelfsprekend vrij staat om ervoor te kiezen om de medische informatie niet met de wederpartij te delen, doch dat dit ertoe kan leiden dat feiten – waarvan de stelplicht en bewijslast op hem rusten – niet kunnen worden vastgesteld (rov. 5.24.). Vervolgens heeft het hof beoordeeld of er een rechtvaardiging bestaat voor de door [eiser] gestelde voorwaarde. Deze voorwaarde zou er volgens het hof toe leiden dat Dnata c.s. niet kunnen kennisnemen van dezelfde – voor de beoordeling relevante – informatie als [eiser] en zij die informatie niet zelf kunnen beoordelen en met hun adviseurs kunnen bespreken (rov. 5.25.). Dat is naar oordeel van het hof strijdig met het beginsel van equality of arms en vormt aldus een schending van het recht op een eerlijk proces. Bovendien zou de door [eiser] gestelde voorwaarde Dnata c.s. onnodig op kosten jagen, omdat op voorhand niet vaststaat dat tussen partijen, na kennisname van de medische informatie door Dnata c.s. een (medisch) verschil van inzicht zou bestaan waarover een onafhankelijke deskundige zou moeten rapporteren. Ook past de door [eiser] gestelde voorwaarde volgens het hof niet binnen de regeling zoals neergelegd in de medische paragraaf van de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL), waarin het opvragen (door medisch adviseurs) van relevante medische informatie ten behoeve van de schade-afhandeling bij letselschade wordt beschreven en waarmee zoveel mogelijk tegemoet wordt gekomen aan de gerechtvaardigde privacy belangen van een benadeelde.65 Het hof heeft tot slot geoordeeld dat [eiser] ook niet duidelijk heeft kunnen maken waarom de door hem gestelde voorwaarde in dit geval niettemin gerechtvaardigd zou kunnen zijn (rov. 5.25.). In rov. 5.26. is het hof tot het oordeel gekomen dat [eiser] ten aanzien van de toegenomen klachten niet aan zijn stelplicht (en bewijslast) heeft voldaan, dat voor benoeming van een deskundige bij deze stand van zaken geen plaats is66 en daarom niet is komen vast te staan dat [eiser], na het uitbrengen van rapport [orthopedisch chirurg], toegenomen klachten heeft ontwikkeld die als ongevalsgevolg kunnen worden aangemerkt.

4.24

Dit oordeel is bovendien niet onbegrijpelijk. Ook niet in het licht van de stelling die [eiser] in de memorie van grieven heeft ingenomen, waaruit volgt dat hij wél bereid was om de medische informatie toe te zenden aan de deskundige en aan de medisch adviseur van HDI67 en het hof in zoverre in de eerste zin van rov. 5.25. van een onjuist uitgangspunt lijkt uit te gaan (het hof lijkt er immers vanuit te gaan dat de medische informatie alleen aan de onafhankelijke deskundige zou worden verstrekt en niet aan de medisch adviseur). Het hof heeft voor zijn oordeel dat voor de door [eiser] gestelde voorwaarde aan het verstrekken van medische informatie geen rechtvaardiging bestaat, namelijk nog meer argumenten gegeven die op zichzelf het oordeel van het hof kunnen dragen. Ik verwijs hiervoor naar randnummer 4.23. Dit leidt er naar ik meen toe dat de klacht van het onderdeel eveneens faalt bij gebrek aan belang.

4.25

Het beroep op de Patiëntenkaart-uitspraak baat [eiser] hier niet, daar deze beschikking ziet op de situatie waarin sprake is van een, al dan niet op verzoek van partijen, door de rechter gelast (voorlopig) deskundigenbericht.68 In de onderhavige zaak is daar geen sprake van.

4.26

De klacht van onderdeel III faalt.

4.27

Onderdeel IV richt zich tegen rov. 5.29. en 5.30. waarin het hof heeft overwogen dat [eiser], de niet-ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen weggedacht, in staat moet worden geacht arbeid te verrichten en daarmee een inkomen ter hoogte van het minimumloon te verdienen en dat van schade door verminderd arbeidsvermogen om die reden geen sprake is. Deze overwegingen zijn volgens het onderdeel onbegrijpelijk, omdat, zoals het hof zelf ook heeft overwogen, een intensief begeleidingstraject nodig is om [eiser] weer terug te laten keren naar de werkvloer, waarbij niet moet worden uitgesloten dat dit scenario in werkelijkheid niet haalbaar is (wegens niet-ongevalsgerelateerde beperkingen).

4.28

Zoals ik reeds in randnummer 3.3 heb opgemerkt, is vaste rechtspraak van Uw Raad dat voor de vaststelling van het bestaan en de omvang van de schade door verminderd arbeidsvermogen als gevolg van het ongeval, een vergelijking dient te worden gemaakt tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na die gebeurtenis en het inkomen dat de benadeelde zonder die gebeurtenis zou hebben verworven. Bij de inschatting van deze inkomens moet de rechter de goede en kwade kansen afwegen, waarbij hij een aanzienlijke mate van vrijheid heeft.69 Het resultaat van deze afweging is in cassatie beperkt toetsbaar, maar dit neemt niet weg dat het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk dient te zijn.70

4.29

Naar ik meen kan het oordeel van het hof in rov. 5.29. deze beperkte toetsing doorstaan. In deze overweging is het hof – bij de inschatting van het inkomen met ongeval – ingegaan op de vraag of de omstandigheid dat [eiser] sinds de sluiting van het restaurant geen inkomsten uit arbeid meer heeft genoten, is toe te schrijven aan het ongeval. Het hof heeft daarbij op basis van de bevindingen in het rapport van [arbeidsdeskundige] – dat is gebaseerd op de door [orthopedisch chirurg] vastgestelde beperkingen – geoordeeld dat [eiser] in staat moet worden geacht arbeid te verrichten en daarmee een inkomen ter hoogte van het minimumloon te verdienen. Hoewel in het rapport van [arbeidsdeskundige] is opgenomen dat de kans op re-integratie klein is omdat [eiser] is aangewezen op zittend werk, hij op VMBO niveau functioneert en de meeste functies op VMBO-niveau staand werk inhouden, heeft het hof in zijn oordeel kennelijk doorslaggevend geacht dat [arbeidsdeskundige] niettemin voor [eiser] passende functies heeft geduid, zoals eenvoudige productiewerkzaamheden of toezichthoudende functies (zoals portier, medewerker parkeergarage, etc.). Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. Ook de omstandigheid dat voor re-integratie een intensief begeleidingstraject nodig zou zijn, waarbij niet moet worden uitgesloten dat dit scenario (re-integratie) in werkelijkheid niet haalbaar is (wegens niet-ongevalsgerelateerde beperkingen), maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof houdt immers een inschatting in van het inkomen dat [eiser] in de situatie met ongeval zou hebben verworven. Voor deze inschatting dient te worden vastgesteld welke gevolgen het ongeval heeft gehad voor de gezondheid van [eiser] en wat daarvan (van deze gevolgen) de betekenis is voor de mogelijkheid om betaalde (of onbetaalde) arbeid te verrichten.71 De niet-ongevalsgerelateerde klachten waarnaar het hof in rov. 5.29. heeft verwezen en die volgens het hof geen rol kunnen spelen bij de inschatting van het inkomen dat [eiser] in de situatie met ongeval zou hebben verworven, betreffen de knieklachten en psychische klachten die [eiser] na het door [orthopedisch chirurg] opgestelde rapport stelt te hebben ontwikkeld. Ten aanzien van deze klachten heeft het hof in rov. 5.26. (welke rechtsoverweging naar mijn mening in cassatie zonder succes is bestreden, zie de bespreking van onderdeel II) geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [eiser], na het uitbrengen van het rapport [orthopedisch chirurg], klachten heeft ontwikkeld die als ongevalsgevolg kunnen worden aangemerkt. Deze knieklachten en psychische klachten zijn zodoende niet het gevolg van het ongeval, maar zijn na het ongeval door andere oorzaken ontstaan. Deze beperkingen kunnen daarom redelijkerwijs geen rol spelen bij de inschatting van het inkomen dat [eiser] in de situatie met ongeval zou hebben verworven. Dat voor re-integratie een intensief begeleidingstraject nodig is, neemt niet weg dat mét deze begeleiding re-integratie door [arbeidsdeskundige] wél mogelijk wordt geacht, zodat ook deze omstandigheid het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maakt.

4.30

De klacht dat het hof ten onrechte de stelling van [eiser] onbesproken heeft gelaten dat partijen het er over eens waren dat een succesvolle re-integratie niet mogelijk was, dat om die reden nooit een re-integratietraject is opgestart en dat HDI nimmer heeft voorgesteld om een re-integratietraject op te starten,72 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag eveneens. Dnata c.s. hebben in de conclusie van antwoord (randnummers 146. en 153.) betwist dat partijen het erover eens waren dat succesvolle re-integratie niet mogelijk was en juist gewezen op de passende functies die [arbeidsdeskundige] in het rapport had opgenomen.73 Met het toeschrijven van enige schade door verminderd arbeidsvermogen over de periode die [arbeidsdeskundige] nodig achtte om [eiser] te begeleiden naar de terugkeer op de werkvloer (rov. 5.30.), ligt een oordeel van het hof besloten over de stelling van [eiser] dat HDI nimmer heeft voorgesteld om een re-integratietraject op te starten en dat HDI – als aansprakelijke partij – verplicht is de voor herstel benodigde middelen te verstrekken.74

4.31

De klacht dat het oordeel dat er (relevante) niet-ongevalsgerelateerde beperkingen zouden zijn, onbegrijpelijk is in het licht van de bevindingen van [orthopedisch chirurg] en de gemotiveerde betwisting door [eiser],75 faalt in het spoor van de klacht van onderdeel II. Ik verwijs voor een toelichting in dit verband naar randnummer 4.21 hiervoor.

4.32

Onderdeel V richt zich tegen rov. 5.49., waarin het hof heeft overwogen dat uit de beschikbare medische gegevens niet volgt dat [eiser] als gevolg van de ongevalsgerelateerde klachten genoodzaakt is te verhuizen, dat die noodzaak in elk geval niet blijkt uit het rapport [orthopedisch chirurg], dat het, voor zover [eiser] stelt dat de klachten nadien zijn verergerd waardoor dat wel het geval is, het op zijn weg had gelegen die stelling te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten en dat daarop de vorderingen reeds afstuiten. Deze overwegingen zijn volgens het onderdeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, en zij gaan voorbij aan ter zake essentiële stellingen van [eiser]. Uit het rapport [orthopedisch chirurg] zou volgen dat [eiser] uitsluitend ten gevolge van het ongeval niet in zijn huidige woning (een oude bovenwoning op de vierde verdieping, zonder lift) kan blijven wonen en aangewezen was en is op een andere, passende woonruimte. Het hof is ten onrechte voorbijgegaan aan de resultaten van het arbeids-medisch belastbaarheidsonderzoek uit 2021, waaruit volgt dat [eiser] ten gevolge van het ongeval onder meer beperkt is in (langer dan 30 minuten lopen en) traplopen.

4.33

Deze klacht faalt. Los van het gegeven dat de uitleg en waardering van het rapport van [orthopedisch chirurg] aan het hof als feitenrechter is voorbehouden, volgt uit het op pagina 8 van de procesinleiding opgenomen citaat uit het rapport [orthopedisch chirurg]76 naar mijn mening niet dat [eiser] niet in zijn huidige woning kan blijven wonen en aangewezen was en is op een andere passende woonruimte. Op pagina 16 van het rapport staat weliswaar dat “als gevolg van het ongeval er op orthopedisch gebied sprake is van (…) veelvuldige beperking ten aanzien van traplopen”, maar hieruit volgt niet dat [eiser] niet in zijn huidige woning kan blijven wonen. Hetzelfde geldt voor de resultaten van het arbeids-medisch belastbaarheidsonderzoek uit 2021, waaruit weliswaar volgt dat [eiser] beperkt is in traplopen, maar niet volgt dat [eiser] niet in zijn huidige woning kan blijven wonen. Bovendien heeft het hof ten aanzien van dit laatste rapport in rov. 5.22. overwogen dat hieruit niet kan worden opgemaakt of en in welke mate de vastgestelde beperkingen in relatie staan tot het ongeval, welke overweging in cassatie zonder succes wordt bestreden (ik verwijs hierbij naar hetgeen ik heb opgemerkt bij onderdeel II (randnummer 4.21 hiervoor)).

4.34

Het hof heeft volgens het onderdeel voorts miskend dat het niet zo is dat een slachtoffer met de klachten en beperkingen als waarmee [eiser] te kampen heeft gekregen, pas recht op verhuizing heeft als hij of zij genoodzaakt is te verhuizen. Anders dan het hof kennelijk heeft aangenomen, gaat het om de vraag of een bepaalde voorziening, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk is, waarbij uitgangspunt is dat het slachtoffer zoveel mogelijk wordt gebracht in de situatie als waarin hij voor het ongeval verkeerde. Dan kan er ook reeds een reden (of zelfs noodzaak) tot verhuizing zijn als het voor het slachtoffer lastig is om trappen te lopen en hij daardoor (sociaal) beperkt is.

4.35

Het onderdeel merkt in zoverre terecht op dat het uitgangspunt met betrekking tot schadebegroting is dat de benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de (financiële) toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven (randnummer 3.2 hiervoor).77 Dit uitgangspunt brengt mijns inziens mee dat de benadeelde aanspraak heeft op vergoeding van kosten van maatregelen die nodig zijn om hem zijn gebruikelijke levenspatroon zo veel mogelijk te laten vervolgen.78 Een in dit verband noodzakelijke verhuizing dient een aansprakelijke partij naar ik meen dan ook te faciliteren.79 Ik deel de opvatting van het onderdeel, dat een bepaalde voorziening redelijk moet zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, dan ook niet, voor zover daarmee een minder hoge lat dan zojuist beschreven bedoeld wordt. Het klachtonderdeel faalt dan ook.

4.36

Onderdeel VI richt zich tegen rov. 5.53., waarin het hof heeft overwogen dat [eiser] in de periode van zijn re-integratie, zonder uitkering van Dnata c.s., aanspraak zou hebben kunnen maken op een bijstandsuitkering en dat het verlies aan inkomen, bestaande uit het verschil met het minimumloon, daarmee als gering is in te schatten. Deze overweging is volgens het onderdeel rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk. Een bijstandsuitkering is altijd subsidiair en heeft de functie van een laatste vangnet, indien en voor zover het inkomensverlies niet op andere wijze kan worden goedgemaakt. Een bijstandsuitkering vermindert de schade door verminderd arbeidsvermogen niet, deze uitkering wordt steevast verrekend met de vergoeding die het slachtoffer voor diens arbeidsvermogensverlies ontvangt.80

4.37

Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de klacht uitgaat van een onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging. In rov. 5.53. heeft het hof een opsomming gegeven van de schadeposten die naar oordeel van het hof voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof is daarbij wat dieper ingegaan op de schadepost ‘verlies verdienvermogen over de periode waarin [eiser] begeleid zou moeten worden naar de werkvloer’. Hoewel deze post niet concreet begroot kan worden, mede omdat niet bekend is hoe lang het begeleidingstraject precies in beslag zou nemen, kan volgens het hof genoegzaam worden aangenomen dat de schade door verminderd arbeidsvermogen (over de re-integratieperiode), tezamen met het bedrag van de overige schadeposten (ad € 11.450,-) ruimschoots lager is dan het door Dnata c.s. betaalde bedrag aan voorschotten van € 200.000,-. Het hof heeft voor de begroting van de schade door verminderd arbeidsvermogen over de re-integratieperiode terecht een vergelijking gemaakt tussen de situatie zonder ongeval, in welk geval ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] het minimumloon had verdiend (rov. 5.17.) en de situatie met ongeval waarin [eiser] – de schadevergoeding van Dnata c.s. weggedacht – aanspraak had kunnen maken op een bijstandsuitkering. Het verschil tussen het minimumloon en een bijstandsuitkering is zodanig klein, dat het hof de schade door verminderd arbeidsvermogen als gering heeft geschat en tot het oordeel is gekomen dat ook deze schadepost met het betaalde bedrag van € 200.000,- reeds is vergoed. In de overweging van het hof ligt dan ook geenszins een oordeel besloten over de situatie waarin wél schadevergoeding is toegekend of zelfs betaald (en daarmee over de vraag wat de invloed daarvan zou zijn op het recht op bijstand) en evenmin een oordeel over de vraag welke invloed (het recht op) een bijstandsuitkering in het kader van de schadebegroting zou hebben. Ik merk overigens op dat het oordeel van het hof, gelezen als zojuist uiteengezet, ook niet onbegrijpelijk is.

4.38

Onderdeel VII richt zich tegen rov. 5.58., waarin het hof heeft overwogen dat als hangende de procedure ook getracht is om tot een minnelijke oplossing te komen, dat niet meebrengt dat de daarmee gepaard gaande kosten als buitengerechtelijk beschouwd kunnen worden. Deze overweging is volgens het onderdeel rechtens onjuist. De werkzaamheden in het kader van de onderhandelingen tussen partijen vallen volgens het onderdeel niet onder het regime van art. 241 Rv, maar onder dat van art. 6:96 lid 2 BW.

4.39

Buitengerechtelijke kosten komen in het geval waarin een procedure is gevoerd, slechts op de voet van art. 6:96 lid 2 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking voor zover zij betrekking hebben op andere verrichtingen dan die waarvoor de in art. 241 Rv bedoelde kosten, zoals die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, een vergoeding plegen in te sluiten.81 In het arrest van 12 april 2019 lijkt Uw Raad bij de vraag of gemaakte kosten onder het regime van art. 241 Rv vallen, belang toe te kennen aan de omstandigheid dat de betreffende werkzaamheden (waarop de kosten zien) ook verricht zouden moeten worden bij de voorbereiding van een procedure.82 Dit zou men ook kunnen zeggen van ‘simpele’ schikkingsonderhandelingen, omdat dergelijke onderhandelingen ook verricht zouden moeten worden bij de voorbereiding van een procedure. Worden de onderhandelingen intensiever, dan zou men kunnen bepleiten dat de daaruit voortvloeiende kosten niet meer onder het regime van art. 241 Rv vallen.83 Ik leg hier nadruk op het woord ‘kunnen’, omdat een oordeel hierover in het concrete geval moet worden overgelaten aan de feitenrechter.

4.40

Het oordeel van het hof in rov. 5.58. komt erop neer dat het hof de opvatting is toegedaan dat de kosten die hangende de procedure zijn gemaakt bij de poging om tot een minnelijke oplossing te komen, niet als dergelijke kosten kunnen worden aangemerkt en daarmee onder het regime van art. 241 Rv vallen. Daarin ligt besloten het oordeel van het hof dat door [eiser] niet concreet is gesteld dat er sprake is geweest van dusdanig intensieve schikkingsonderhandelingen dat deze niet tot instructie van de zaak kunnen worden gerekend.84 Dit oordeel is zoals gezegd overgelaten aan de vrije waardering van het hof als feitenrechter en lijkt mij, gelet op hetgeen ik bij randnummer 4.39 hiervoor heb opgemerkt, bovendien niet strijdig met de rechtspraak van Uw Raad op dit punt.85

4.41

De verwijzing naar een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 21 mei 202486 baat [eiser] hier niet, daar het in die zaak ging om de buitengerechtelijke kosten die zijn gemaakt in verband met een tweetal deskundigenberichten én niet in het kader van hangende de procedure gevoerde onderhandelingen. In de onderhavige zaak staat – nu dat in cassatie niet bestreden wordt – bovendien vast dat het rapport van NRL niet kan dienen voor de vaststelling van schade door verminderd arbeidsvermogen en de kosten gemoeid met het maken van het rapport daarmee niet in redelijkheid zijn gemaakt (rov. 5.57.).

4.42

De klacht van onderdeel VII faalt derhalve.

4.43

De voortbouwklacht van onderdeel VIII, inhoudende dat gegrondbevinding van (één van) de middelonderdelen meebrengt dat ook rov. 5.53., 5.59.-5.61. en rov. 6. (dictum) geen stand kunnen houden, faalt in het spoor van voorgaande klachten.

4.44

De slotsom is dus dat geen van de voorgestelde onderdelen doel treft, zodat het cassatieberoep vergeefs is ingesteld.

5Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

1Deze feiten zijn, met enkele redactionele aanpassingen, ontleend aan het bestreden arrest: hof Amsterdam 14 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:79, rov. 3.1.-3.10.

2De weergave van de vordering van [eiser] is, met enkele redactionele aanpassingen, ontleend aan het tussenvonnis van de Rb. Amsterdam van 1 september 2020, zaaknummer 7930950 CV EXPL 19-16220 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 2. en 3.

3Rb. Amsterdam 19 november 2019, zaaknummer 7930950 CV EXPL 19-16220 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). In dit vonnis heeft de rechtbank een comparitiezitting bevolen.

4Rb. Amsterdam 1 september 2020, zaaknummer 7930950 CV EXPL 19-16220 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

5De rechtbank heeft de term ‘inkomensschade’ gebruikt.

6Rb. Amsterdam 22 december 2020, zaaknummer 7930950 CV EXPL 19-16220 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

7HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2007/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch.

8Hof Amsterdam 14 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:79, rov. 5.8.

9Hof Amsterdam 14 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:79, rov. 5.10.-5.12.

10Hof Amsterdam 14 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:79, rov. 5.20.-5.29.

11Hof Amsterdam 14 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:79, rov. 5.30. en 5.31.

12Hof Amsterdam 14 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:79, rov. 5.48. en 5.49.

13Deze term is door de rechtbank gehanteerd.

14Deze term is door het hof gebruikt.

15Zie bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh & I. van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon. BW B37), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 17.

16Zie bijvoorbeeld HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg (Zwarte inkomsten).

17Conclusie van 5 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1328, par. 3. In die conclusie sta ik ook stil bij de schadebegrotingsbevoegdheid van de rechter.

18Zie onder veel meer HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009/387 m.nt. J.B.M. Vranken, VR 2009/27 m.nt. G.M. van Wassenaer en JA 2009/13 m.nt. W.H. Bouman (Rijnstate/[…]), rov. 3.3.3 en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:853, RvdW 2025/707 en JA 2025/106 m.nt. E.W. Bosch & R.S.M. Bosch (AZM), rov. 3.2.1 en verder onder meer Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2025, nrs. 31-32 en T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 200 (T. Hartlief).

19Zie bijvoorbeeld HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/624 ([…]/Helvetia), rov. 3.5.2, HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.2, HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:272, NJ 2022/91 en JA 2022/63 m.nt. E.W. Bosch, rov. 3.1.2 en HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172 en JA 2022/93 m.nt. E.W. Bosch (Undercover in Nederland), rov. 3.1.1.

20HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg, rov. 3.1.2 waarin in een eindnoot overigens wordt verwezen naar HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172 en JA 2022/93 m.nt. E.W. Bosch (Undercover in Nederland), rov. 3.1.1 en naar HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.2.

21Zie HR 24 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172 (Undercover in Nederland), rov. 3.1.1. Zie ook HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437 m.nt. C.J.H. Brunner ([…]/Interpolis) rov. 3.5 en HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.2.

22Zie hiervoor onder meer HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. S.D. Lindenbergh en J.S. Kortmann, Ars Aequi 2017, p. 41 e.v. m.nt. W.H. van Boom en JOR 2016/322 m.nt. M.M.C. van de Moosdijk (TenneT/ABB), rov. 4.4.5 en HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:956, NJ 2024/271 m.nt. J.L. Smeehuijzen en JA 2023/138 m.nt. J.A.M.A. Sluysmans & D. Krijvenaar (Evides NV/GKB Realisatie BV), rov. 3.2. Zie ook de rechtspraakverwijzingen in T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schadebegroting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017, voetnoot 76, p. 17.

23Zie bijvoorbeeld T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schadebegroting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017, par. 2.5, p. 17; M.R. Hebly, Schadevaststelling en tijd, diss., Den Haag: Boom juridisch 2019, par. 3.3.4, p. 51, E.W. Bosch, ‘De begroting van de schade door het verlies van arbeidsvermogen: de hypothetische situatie zónder aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis’, VR 2023/112, p. 290 e.v. en E.W. Bosch, ‘Naar een nieuwe toekomst voor de vergoeding van toekomstige schade door verlies van arbeidsvermogen’, AV&S 2024/14, p. 84 e.v.

24Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2025:592) vóór HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388, RvdW 2025/1048 (Sports Entertainment Group Football BV), randnummer 4.58. En diezelfde in vergelijkbare zin in de context van schade door verminderd arbeidsvermogen in zijn conclusie (ECLI:NLPHR:2023:1203) voor HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg (Zwarte inkomsten), randnummer 4.41 (met weglating van een voetnoot): “(…) Het gaat daarbij om redelijke verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van de feitelijke situatie met letsel en om redelijke inschattingen of veronderstellingen ten aanzien van (ontwikkelingen in) een hypothetisch scenario zonder letsel. Geen van beide scenario’s laten zich als feitencomplex bewijzen, maar feiten die aan de constructie van de scenario’s ten grondslag worden gelegd lenen zich uiteraard wel voor bewijs. Die feiten hebben, het is hiervoor al gezegd, doorgaans vooral betrekking op het voorafgaand aan het letsel genoten inkomen, wat in de praktijk het vertrekpunt vormt voor het uittekenen van het hypothetische scenario zonder letsel, maar daarvoor niet beslissend is.”

25T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schadebegroting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017, par. 2.5, p. 17-18.

26Conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2025:592) voor HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388, RvdW 2025/1048, randnummer 4.59.

27Dat zal in de praktijk dan periodiek geschieden: nadat een ‘stukje’ toekomst is afgewacht, wordt het met die tijdsperiode gemoeide deel van de schade afgewikkeld.

28Zie over art. 6:105 BW uitvoerig M.R. Hebly, Schadevaststelling en tijd, diss., Den Haag: Boom juridisch 2019, par. 4.5, p. 80 e.v. en recentelijk bijvoorbeeld nog S.D. Lindenbergh & I. van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon. BW B37), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 24, E.W. Bosch, ‘Naar een nieuwe toekomst voor de vergoeding van toekomstige schade door verlies van arbeidsvermogen’, AV&S 2024/14, p. 84 e.v. en T. Hartlief, ‘Personenschade vergoeden anno 2025: normering is troef’, RM Themis 2025, nrs. 4 en 22 en als indicaties in de rechtspraak van Uw Raad voor de al lang gebruikelijke gang van zaken reeds HR 13 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC3329, NJ 1986/246 m.nt. W.C.L. van der Grinten (ABP/[…]) en HR 27 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0092, NJ 1989/48 m.nt. C.J.H. Brunner (Staat/[…]). Zie overigens M.R. Hebly, ‘Periodieke vergoeding van toekomstige personenschade vanuit rechtsvergelijkend en civilologisch perspectief’, in W.H. van Boom e.a. (red.), Vooruitgedenkboek Burgerlijk Wetboek 1992-2002, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 205 e.v. voor een pleidooi om in het kader van de vergoeding van personenschade meer gebruik te maken van de mogelijkheden tot periodieke afwikkeling juist omdat getroffenen bij vergoeding in de vorm van een som ineens voor problemen kunnen worden gesteld. Zo kan het destijds vastgestelde bedrag niet toereikend blijken en is de verleiding om te veel te gaan uitgeven soms lastig te weerstaan. Zie ook in dit verband recentelijk nog E.W. Bosch, ‘Naar een nieuwe toekomst voor de vergoeding van toekomstige schade door verlies van arbeidsvermogen’, AV&S 2024/14, p. 84 e.v.

29Zie bijvoorbeeld T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 211 (T. Hartlief). Het ligt voor de hand een peildatum te kiezen die zo dicht mogelijk ligt bij de datum van schadewaardering (uitspraakdatum). Het gaat immers om de begroting van schade die nog in het verschiet ligt; schade die nog niet verschenen is, maar (naar verwachting) wel zal worden geleden. Zie in dit verband ook E.W. Bosch, ‘Naar een nieuwe toekomst voor de vergoeding van toekomstige schade door verlies van arbeidsvermogen’, AV&S 2024/14, p. 85 e.v.

30T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schadebegroting, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017, par. 5.7, p. 65. Vergelijk A.J. Akkermans, ‘Causaliteit bij letselschade en medische expertise’, TVP 2003, p. 93-104 en S.D Lindenbergh & I. van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon. BW B37), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 19 en T. Hartlief, ‘Personenschade vergoeden anno 2025: normering is troef’, RM Themis 2025, nrs. 23-28.

31HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg (Zwarte inkomsten), rov. 3.1.2 en T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 211 (T. Hartlief).

32Zie onder meer HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.2 en HR 24 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172 (Undercover in Nederland), rov. 3.1.1.

33HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.1.

34HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.2.1-3.2.2.

35HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.2.3.

36HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.2.4.

37Voor de specifieke klachten verwijs ik naar rov. 3.3.1 van het arrest.

38In rov. 3.3.2. van het Poolmolen-arrest heeft Uw Raad nog wel opgenomen dat de ratio van de regel dat aan de stelplicht en bewijslast van de benadeelde ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade geen strenge eisen mogen worden gesteld, is gelegen in de omstandigheid dat het de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval is die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Deze ratio wordt niet meer vermeld in de meest recente formulering van de lijn in de rechtspraak over de begroting van de schade door verminderd arbeidsvermogen. Ik verwijs ook naar mijn conclusie van 5 december 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1328), randnummer 3.10 waarin ik overigens ook heb geconstateerd dat gelet op latere, zij het niet op begroting van verminderd arbeidsvermogen betrekking hebbende rechtspraak van Uw Raad, onduidelijk is hoe Uw Raad zich nu verhoudt tot (de kritiek op) deze ratio. Ik merk op dat het hof deze ratio in de bestreden uitspraak in de onderhavige zaak ook nog heeft genoemd in rov. 5.8. (randnummer 2.7 hiervoor).

39HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.3-3.3.4.

40HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 4.

41Zie bijvoorbeeld HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8895, NJ 2001/197, rov. 3.5. Zie onder meer Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein & E.M. Wesseling-van Gent, Deel 4. Hoger beroep, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 104, J.J. van der Helm, ‘De grenzen van de herkansingsfunctie in hoger beroep’, TCR 2022, p. 121-122 en G.C.C. Lewin & H.L. Wattel, ‘Hoger beroep’, TCR 2023, p. 113.

42Voor een overzicht van het debat in de literatuur over inhoud en betekenis van de herkansingsfunctie verwijs ik naar J.J. van der Helm, ‘De grenzen van de herkansingsfunctie in hoger beroep’, TCR 2022, p. 121.

43Zie bijvoorbeeld HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493, NJ 2016/297 m.nt. L.C.A. Verstappen, JBPr 2016/44 m.nt. G.C.C. Lewin, JIN 2016/102 m.nt. G.N. Sanders en JPF 2016/76 m.nt. B.E. Reinhartz, rov. 3.3.3 en HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8895, NJ 2001/197, rov. 3.5.

44HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8895, NJ 2001/197, rov. 3.5. Zie ook J.J. van der Helm, ‘De grenzen van de herkansingsfunctie in hoger beroep’, TCR 2022, p. 122.

45HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.4.

46Zie voor een illustratie van de wisselwerking tussen stellen en betwisten onder (veel) meer HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:987, NJ 2017/372 m.nt. J. Spier, Gst. 2017/187 m.nt. T. Barkhuysen en P.M.J.J. Swagemakers, JB 2017/149 en JIN 2017/203 m.nt. L.J.M. Timmermans, JAR 2017/171 m.nt. B. Barentsen en JOR 2017/263 m.nt. S.A.L. van de Sande & D. van Tilborg, rov. 3.4.5-3.4.6 en HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1754, RvdW 2024/29, rov. 3.3.2. Zie ook Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 288, p. 430: “De tekst van art. 150 Rv die uitgaat van gestelde feiten en een beroep op de rechtsgevolgen daarvan, suggereert dat een partij die zich beroept op bepaalde rechtsgevolgen al aan haar stelplicht zou hebben voldaan. De werkelijkheid is anders, omdat nogal eens een beroep wordt gedaan op een rechtsgevolg (bijvoorbeeld de verplichting van de wederpartij tot vergoeding van schade) terwijl bijvoorbeeld bij gebrek aan (…) feitelijke informatie niet volledig aan de stelplicht is voldaan. Het kan ook zijn dat het verweer van de wederpartij kan meebrengen dat niet kan worden volstaan met wat aanvankelijk was gesteld en de stellingen moeten worden aangevuld.”. Zie ook mijn conclusie van 5 december 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1328), randnummer 4.6 in een zaak waarin Uw Raad nog geen uitspraak heeft gedaan.

47HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493, NJ 2016/297 m.nt. L.C.A. Verstappen, JBPr 2016/44 m.nt. G.C.C. Lewin, JIN 2016/102 m.nt. G.N. Sanders en JPF 2016/76 m.nt. B.E. Reinhartz, rov. 3.3.3.

48Vergelijk de conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2023:1203) voor HR Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg (Zwarte inkomsten), randnummer 4.16.

49HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.4.

50HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.2.

51Zie bijvoorbeeld HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/624 ([…]/Helvetia), rov. 3.5.2, HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.2, HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:272, NJ 2022/91 en JA 2022/63 m.nt. E.W. Bosch, rov. 3.1.2 en HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172 en JA 2022/93 m.nt. E.W. Bosch (Undercover in Nederland), rov. 3.1.1.

52HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg, rov. 3.1.2.

53HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg, rov. 3.1.2.

54Zie de kritiek van A-G Lindenbergh op deze ratio in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1203, randnummer 4.15) voor HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg (Zwarte inkomsten): volgens hem is het probleem eerder dat een hypothetische situatie zich naar haar aard niet laat bewijzen en is dat de achtergrond van de regel dat het de benadeelde niet te moeilijk moet worden gemaakt. De door Lindenbergh ratio wordt niet vermeld in de meest recente weergave van de lijn in de rechtspraak over de begroting van de schade door verminderd arbeidsvermogen (zoals opgenomen in randnummer 3.2; zie in dit kader ook voetnoot 38). Nu Uw Raad deze ratio wel weer heeft opgenomen in het meest recente arrest inzake Sports Entertainment Group Football BV (dat overigens geen betrekking heeft op de begroting van schade door verminderd arbeidsvermogen), is onduidelijk hoe Uw Raad zich verhoudt tot (de kritiek op) deze ratio. Ik kan deze kritiek overigens goed volgen. Zie mijn conclusie van 5 december 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1328), randnummer 3.10.

55Zie ook randnummer 3.24 hiervoor.

56Memorie van grieven, randnummers 16.-19.

57Conclusie van antwoord, randnummer 137. en memorie van antwoord, randnummer 62.

58Het middel verwijst hierbij naar de inleidende dagvaarding, randnummers 166. e.v., memorie van grieven, randnummers 25. en 191. en memorie van antwoord in het incidentele appel, randnummers 26. en 27.

59Uit art. 149 lid 1 Rv volgt dat de rechter ook de feiten die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen aan zijn oordeel ten grondslag mag leggen. Deze processuele feiten zijn feiten die de rechter gedurende het geding zelf heeft waargenomen (denk daarbij aan verklaringen van getuigen, verklaringen van deskundigen, dan wel bezichtiging van voorwerpen of de plaatselijke situatie door de rechter). Zulke processuele feiten hoeven niet te worden gesteld en bewijs daarvan is ook niet nodig. Zie in dit verband onder meer Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 93, E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 170 en T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3 (D.J. Beenders). Dat de rechter feiten die hem in het geding ter kennis zijn gekomen aan zijn oordeel ten grondslag mag leggen, geeft hem echter geen vrijbrief om feiten die door partijen niet zijn gesteld ter onderbouwing van hun vordering of verweer ambtshalve bij zijn oordeelsvorming te betrekken. Dat is op grond van art. 24 Rv verboden, tenzij het gaat om feiten van algemene bekendheid of ervaringsregels die niet hoeven te worden gesteld of bewezen (art. 149 lid 2 Rv). Zie hierover nader Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 96 en B.T.M. van der Wiel, in J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2025, p. 102-104.

60Zie bijvoorbeeld B.T.M. van der Wiel, in J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2025, p. 86 en R.J.B. Boonekamp, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.), Stelplicht & Bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 3.

61In de praktijk wordt de hoofdregel van art. 150 Rv ook wel samengevat met ‘wie stelt, bewijst’. Dat is in zoverre onjuist dat een partij niet van iedere stelling die zij aanvoert de bewijslast draagt. Dat is enkel het geval bij stellingen die nodig zijn om het rechtsgevolg waarop zij een beroep doet in het leven te kunnen roepen. Zie Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 283, B.T.M. van der Wiel, in J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2025, p. 78 en R.J.B. Boonekamp, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.), Stelplicht & Bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 2-5. Zie in dit verband onder meer ook HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5156, NJ 2005/468, rov. 4.5.1 (wanneer een partij meer heeft gesteld dan nodig is voor het inroepen van het gewenste rechtsgevolg, komt de bewijslast ten aanzien van het meerdere niet bij haar te liggen).

62Dit is vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0491, NJ 1992/319 (Delta Lloyd), rov. 3, HR 4 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2796, NJ 1999/549 m.nt. W.M. Kleijn, Ars Aequi 1999, p. 0288 e.v. m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.7, HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7803, RvdW 2006/951, rov. 3.5.2, HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, RvdW 2006/238 (Delta Lloyd Zorgverzekering NV/William House XXXI), rov. 3.6.3, HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3526, RvdW 2007/699 (Eilandgebied Sint Maarten/mr. De Vries q.q.), rov. 3.3.2 en HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2205, RvdW 2008/233 en SR 2008/34 m.nt. M.D. Ruizeveld (Vion Boxtel), rov. 3.4.3. Zie in dit verband bijvoorbeeld ook Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 288, J. Ekelmans, In eerste aanleg. De grenzen van het debat voor de civiele rechter in eerste aanleg, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 15-17 en R.J.B. Boonekamp, in R.J.B. Boonekamp & W.L Valk (red.), Stelplicht & Bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 3-4.

63Zie productie 5 bij de inleidende dagvaarding: rapport [orthopedisch chirurg], p. 14 (antwoord op vraag 2a).

64HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5626, NJ 2010/542, rov. 3.6.2. Zie in dit kader ook A.N.L. de Hoogh, ‘De Patiëntenkaartbeschikkingen achterhaald? Ook de rechter mag bepalen welke informatie de deskundige krijgt’, Afwikkeling Personenschade 2025, afl. 2, p. 40 e.v.

65Zowel de GBL als de daarin opgenomen medische paragraaf zijn raadpleegbaar via de website van De Letselschade Raad: https://deletselschaderaad.nl/stichting-letselschade-raad/gedragscodes/. Zie onder meer A.J. Akkermans, J. Legemaate en A. Wilken, ‘Het medisch beoordelingstraject bij letselschade’, TVP 2009, p. 21 e.v., A. Wilken en A.J. Akkermans, ‘De Medische Paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade’, TVP 2012, p. 1 e.v., E.J. Wervelman, ‘De Gedragscode Behandeling Letselschade 2012; tekst en uitleg’, TVP 2013, p. 1 e.v. en A. Wilken, Het medisch beoordelingstraject bij letselschade, diss., Den Haag: Bju 2015.

66Naar vaste rechtspraak is het aan de rechter die over de feiten oordeelt of hij gebruikmaakt van de bevoegdheid om zich te laten voorlichten door een deskundige. Zie onder meer HR 6 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7412, NJ 2009/4 m.nt. Ch. Gielen, IER 2009/34 m.nt. R.E.P. de Ranitz en BIE 2010/ 8 m.nt. J.H.J. den Hartog, rov. 5.2.3, HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3654, RvdW 2015/91 en JIN 2015/38 m.nt. J. van Weerden, rov. 3.4.1 en HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:311, NJ 2015/350 m.nt. S. Perrick en JBPr 2015/31 m.nt. P.M. Vos, rov. 3.6. Zie voor een overzicht van Uw rechtspraak op dit punt G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 19 voetnoot 1.

67Het onderdeel wijst hierbij naar de memorie van grieven, randnummer 124.

68HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5626, NJ 2010/542, rov. 3.5, 3.6.2 en 3.6.3.

69HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, JA 2024/81 m.nt. E.W. Bosch en JIN 2024/128 m.nt. R. Zwanenberg (Zwarte inkomsten), rov. 3.1.2.

70Zie HR 24 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172 (Undercover in Nederland), rov. 3.1.1. Zie ook HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437 m.nt. C.J.H. Brunner ([…]/Interpolis) rov. 3.5 en HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115 en JA 2017/57 m.nt. E.W. Bosch (Poolmolen), rov. 3.3.2.

71Zie bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh en I. van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon. BW B37), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 20.

72Het onderdeel verwijst hierbij naar randnummer 144. van de inleidende dagvaarding.

73Conclusie van antwoord, randnummer 144. en memorie van antwoord, randnummer 74.

74Inleidende dagvaarding, randnummer 144.

75Het onderdeel verwijst naar de inleidende dagvaarding, randnummers 148. tot en met 153. (in de procesinleiding staat randnummer 15, waar, naar ik aanneem, randnummer 153. is bedoeld) en de memorie van grieven, randnummers 108. tot en met 119.

76Het citaat dat in de procesinleiding is opgenomen betreft de beantwoording van vraag 2a (‘Waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die op medische gronden als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd?’) op pagina 14 van het rapport [orthopedisch chirurg].

77Zie onder veel meer HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009/387 m.nt. J.B.M. Vranken, VR 2009/27 m.nt. G.M. van Wassenaer en JA 2009/13 m.nt. W.H. Bouman (Rijnstate/[…]), rov. 3.3 en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:853, RvdW 2025/707 en JA 2025/106 m.nt. E.W. Bosch & R.S.M. Bosch (AZM), rov. 3.2.1 en verder onder meer Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2025, nrs. 31-32 en T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 200 (T. Hartlief).

78Zie bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh en I. van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon. BW B37), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 13.3.

79P. Oskam, ‘De juridische haken en ogen van verhuizing als gevolg van een ongeval’, TVP 2023, p. 91.

80Het onderdeel verwijst hierbij naar de memorie van grieven, randnummer 23.

81HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760, NJ 2007/482 m.nt. Jac. Hijma en AV&S 2005/23 m.nt. P.G.H. Albert, rov. 3.9 en 3.10.

82HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 4.5.4. Zie in dat kader ook M. van Rest & M. de Wit, ‘Interne kosten in het volle licht. Hoe ervoor te zorgen dat ook interne kosten voor vergoeding in aanmerking komen’, MvV 2024, p. 85.

83Vergelijk Rapport BGK-integraal 2013 (beperkt herzien in 2023), p. 14.

84Het hof baseert zich daarbij op de stelling van [eiser] in de in cassatie onbestreden rov. 5.54. dat de kosten niet onder het liquidatietarief zouden vallen, omdat de procedure enige tijd stil heeft gelegen en partijen in die periode ook geprobeerd hebben om eruit te komen.

85Vergelijk HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760, NJ 2007/482 m.nt. Jac. Hijma en AV&S 2005/23 m.nt. P.G.H. Albert, rov. 3.10.

86Hof ’s-Hertogenbosch 21 mei 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1701, rov. 6.53.

 

Parket bij de Hoge Raad 9 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:39