Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 241225 geen dekking of toezegging dekking; afwijzing vanwege niet betalen premie; in scène gezet ongeval? veroordeling in onderzoekskosten en schade aan auto

RBMNE 241225 geen dekking of toezegging dekking; afwijzing vanwege niet betalen premie; in scène gezet ongeval? veroordeling in onderzoekskosten en schade aan auto
 

2De kern van de zaak

2.1

[eiser] is op 13 augustus 2023 met zijn auto betrokken geweest bij een verkeersongeval. [eiser] stelt hierdoor materiële en immateriële schade te hebben geleden. [eiser] vordert in deze procedure dat [gedaagde] , de verzekeraar, op grond van de verzekeringsovereenkomst de schade in behandeling moet nemen en de schade aan [eiser] moet vergoeden. [gedaagde] betwist dit. Volgens [gedaagde] hoeft zij de schade van [eiser] niet te vergoeden, omdat [eiser] geen premie heeft betaald. Daarnaast zou [eiser] het ongeval in scène hebben gezet. Dat is onrechtmatig, volgens [gedaagde] . [gedaagde] vordert daarom in reconventie vergoeding van de schade die zij hierdoor heeft geleden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af en de vorderingen van [gedaagde] toe. Dit wordt hierna uitgelegd.

3De beoordeling

in conventie

Er is geen sprake van een onvoorwaardelijke dekkingstoezegging door [gedaagde]

3.1

Anders dan [eiser] stelt, is van een onvoorwaardelijke toezegging van dekking door [gedaagde] geen sprake. Volgens [eiser] zou [gedaagde] een onvoorwaardelijke toezegging van dekking hebben gedaan in de brief van 8 september 2023 (productie 2 bij de dagvaarding). In die brief is onder meer het volgende opgenomen:

Schadeverzekering Inzittenden

[gedaagde] neemt deze schade in behandeling op de dekking voor Schadeverzekering Inzittenden (SVI).

3.2

De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] met deze mededeling geen onvoorwaardelijke dekkingstoezegging aan [eiser] heeft gedaan. Uit de brief volgt slechts dat [gedaagde] aan [eiser] meedeelt dat zij de gemelde schade in behandeling neemt op de dekking voor de SVI. [gedaagde] heeft toegelicht dat dit betekent dat de schade wordt beoordeeld en behandeld binnen de polisvoorwaarden van de betreffende dekking, namelijk de SVI. Dat heeft [eiser] onvoldoende weersproken. [eiser] had niet uit deze mededeling van [gedaagde] kunnen afleiden dat er definitief dekking zou worden verleend en dat [gedaagde] tot uitkering van schadevergoeding zou overgaan. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stelling van [eiser] .

3.3

De stelling van [eiser] dat [gedaagde] niet mag terugkomen op de volgens hem onvoorwaardelijke toezegging van dekking, behoeft geen bespreking. Van een onvoorwaardelijke dekkingstoezegging is zoals hiervoor is overwogen namelijk geen sprake.

[gedaagde] hoefde geen dekking te bieden omdat [eiser] de premies niet heeft betaald

3.4

Verder vindt [eiser] dat [gedaagde] op grond van de verzekeringsvoorwaarden dekking moet verlenen, omdat sprake is van een verkeersongeval met letsel.

3.5

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [gedaagde] was in beginsel verplicht om de schade van [eiser] in behandeling te nemen en de geleden schade te vergoeden, omdat sprake is van een verzekerd voorval, namelijk een verkeersongeval. [gedaagde] heeft echter gesteld dat zij geen dekking hoefde te verlenen, omdat [eiser] de premies niet heeft betaald. Zij wijst daarvoor op artikel 5.4 van de Algemene Voorwaarden, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “Indien de verzekeringnemer het verschuldigde niet binnen de termijn als omschreven in artikel 5.1, betaalt of weigert te betalen, wordt geen dekking verleend ten aanzien van daarna plaatsvindende gebeurtenissen of ongevallen. Een ingebrekestelling is daarvoor niet vereist.” [gedaagde] heeft gesteld dat de premie voor de SVI-verzekering via de facturen van [bedrijf 1] , de leasemaatschappij waarbij [bedrijf 2] (de eenmanszaak van [eiser] ) zijn auto heeft geleased, bij [bedrijf 2] in rekening werd gebracht. Het is gebleken dat [bedrijf 2] / [eiser] meerdere facturen voorafgaand aan het ongeval, en waaronder dus ook de premie voor de verzekering, niet heeft betaald. Dat is niet weersproken door [eiser] . Op grond van artikel 5.4 van de Algemene Voorwaarden mocht [gedaagde] daarom dekking weigeren.

3.6

[eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat [gedaagde] de dekking niet kon beëindigen vanwege het niet betalen van de premie, omdat [gedaagde] [eiser] niet eerst daarvoor zou hebben aangemaand. Dit is wel verplicht op grond van artikel 7:934 BW, aldus [eiser] . Dit beroep van [eiser] gaat echter niet op. Artikel 7:934 BW is van dwingend recht voor consumentenverzekeringen (artikel 7:943 lid 3 BW). Afwijking van dit artikel is wel mogelijk indien verzekeringnemer de verzekering afsluit in de uitoefening van een beroep of bedrijf. [gedaagde] is hiervan afgeweken door artikel 5.4 in de Algemene Voorwaarden op te nemen. Op grond van dat artikel kan dekking direct worden geweigerd bij het intreden van verzuim. Het versturen van een aanmaning was, anders dan [eiser] stelt, dus niet nodig.

3.7

[eiser] heeft tot slot nog gesteld dat hij geen premie voor de verzekering hoefde te betalen, zolang de juiste kentekenkaart niet was geregeld en hij geen inkomen kon genereren, omdat hij nog geen taxi kon rijden met zijn auto. Dit zou zijn meegedeeld door [gedaagde] . [eiser] heeft deze stelling niet met feiten onderbouwd en geconcretiseerd. Dit is ook gemotiveerd weersproken door [gedaagde] . Bovendien heeft [gedaagde] er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat [eiser] wel al taxi reed op 13 augustus 2023. Ook dit heeft [eiser] niet weersproken. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stelling van [eiser] .

3.8

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen in conventie worden afgewezen.

in reconventie

De vorderingen worden grotendeels toegewezen

3.9

In reconventie stelt [gedaagde] dat [eiser] de aanrijding in scène heeft gezet om er op die manier voor te zorgen dat [gedaagde] tot uitkering aan hem zou overgaan. [gedaagde] baseert zich hiervoor op de bevindingen van [deskundige] (productie 2 bij conclusie van antwoord) en [deskundige] (productie 3 bij conclusie van antwoord). Dit is onrechtmatig handelen op grond van artikel 6:162 BW, aldus [gedaagde] . [gedaagde] stelt hierdoor schade te lijden.

3.10

[eiser] heeft geen conclusie van antwoord in reconventie ingediend en is ook niet ter zitting verschenen. De stellingen en vorderingen van [gedaagde] zijn dus niet weersproken. Dit terwijl [gedaagde] haar stellingen voldoende (gemotiveerd) heeft onderbouwd aan de hand van twee rapportages. De rechtbank houdt het er daarom voor dat sprake is van een door [eiser] geënsceneerd ongeval. De vordering onder I, namelijk een verklaring voor recht dat [eiser] de aanrijding heeft geënsceneerd en dat hij daarom geen recht heeft op uitkering onder de verzekeringsovereenkomst door de schademelding aangaande het beweerdelijke ongeval van 13 augustus 2023, wordt daarom toegewezen.

3.11

De vordering onder II, namelijk een verklaring voor recht dat [eiser] geen recht heeft op uitkering onder de SVI ingevolge het beweerdelijke ongeval van 13 augustus 2023, wordt afgewezen vanwege een gebrek aan belang hierbij. De vorderingen in conventie zijn namelijk al afgewezen. Ook de vordering onder III, een verklaring voor recht dat [eiser] jegens [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die ze lijdt door de schademelding van [eiser] van het beweerdelijke ongeval van 13 augustus 2023, wordt afgewezen wegens een gebrek aan belang bij toewijzing hiervan. De gevorderde schadevergoeding zal namelijk, zoals hierna blijkt, (grotendeels) worden toegewezen.

3.12

Verder heeft [gedaagde] € 532,- aan behandelingskosten gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. [gedaagde] heeft toegelicht dat deze kosten zijn gemaakt voor onder meer bestudering van het dossier door meerdere dossierbehandelaren, diverse interne overleggen en correspondentie met [bedrijf 1] en met de advocaat van [eiser] . De rechtbank merkt deze kosten aan als schade ten gevolge van het geënsceneerde ongeval. Deze vordering wordt toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals gevorderd, omdat dit niet door [eiser] is betwist.

3.13

[gedaagde] heeft verder € 997,04 gevorderd voor de kosten van [deskundige] , te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit zijn onderzoekskosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 sub b BW). Deze vordering wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals gevorderd, omdat dit niet door [eiser] is betwist.

3.14

Ook heeft [gedaagde] gevorderd dat [eiser] de schade aan de Tesla moet betalen, namelijk een bedrag van € 6.642,09, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schade aan de Tesla is door [bedrijf 3] vastgesteld op dit bedrag. In de leaseprijs aan [bedrijf 1] was cascodekking inbegrepen. [gedaagde] heeft toegelicht dat dit betekent dat [bedrijf 1] zelf het risico van de schade aan de auto draagt (artikel 13 van de leaseovereenkomst, die is overgelegd als productie 5 bij de conclusie van antwoord). [bedrijf 1] heeft haar vordering op [bedrijf 2] (de eenmanszaak van [eiser] ) gecedeerd aan [gedaagde] . De rechtbank is van oordeel dat deze kosten het gevolg zijn van het door [eiser] geënsceneerde ongeval en dat deze kosten daarom voor vergoeding in aanmerking komen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals gevorderd, omdat dit niet door [eiser] is betwist.

3.15

[gedaagde] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

De proceskosten in conventie en reconventie

3.16 Tot slot heeft [gedaagde] vergoeding van de werkelijke proceskosten gevorderd, vanwege het door [eiser] geënsceneerde ongeval. In het voorgaande is de rechtbank al tot de conclusie gekomen dat het in scène zetten van het ongeval door [eiser] onrechtmatig is. Het instellen van de vorderingen in conventie op basis van een gefingeerd verzekerd voorval is ook onrechtmatig. Dit handelen is onderdeel van het door [eiser] op onrechtmatige wijze verkrijgen van een uitkering onder de SVI en kan daar niet los van worden gezien. Dit handelen maakt dus ook onderdeel uit van de fraude. De vordering van € 7.704,30, die zowel betrekking heeft op het verweer in conventie en de vordering in reconventie, wordt daarom toegewezen. Voor een begroting van de proceskosten in conventie en reconventie is daarom verder geen plaats. Ook wordt [eiser] veroordeeld om de nakosten te betalen, namelijk € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing). De gevorderde wettelijke rente hierover wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7855