Zoeken

Inloggen

Artikelen

LSA Letselschade Magazine Week 3 2022


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, tram,trein en bus, aansprakelijkheid vervoerder
OVERLIJDENSSCHADE, begrafeniskosten

RBROT 291221 val uit rolstoel in rolstoelbus; verband tussen vervoer en overlijden op de volgende dag bewezen
- terzake van kosten herbegraving in Indonesie volgt afwijzing nu geen nader bewijs is aangebracht

in vervolg op:
RBROT 160621 val uit rolstoel in rolstoelbus. verband tussen vervoer en overlijden voorshands bewezen; geen vervoerdersovermacht
- terzake van kosten herbegraving in Indonesie dient nader bewijs aangebracht te worden

2.
De verdere beoordeling

de zaak in het kort

2.1.
[naam] is in de vroege morgen van 10 juli 2016 overleden nadat hij op 9 juli 2016 was gevallen toen hij met de rolstoelbus van Stam thuis werd afgezet. Het gaat om een vordering van [naam eiseres], als weduwe van [naam], tot vergoeding van schade op de voet van art. 6:108 BW jegens Stam. De rechtbank acht Stam als vervoerder aansprakelijk en wijst een deel van de schade toe.

aansprakelijkheid

2.2
Bij tussenvonnis is beslist, kort samengevat, dat het uitgangspunt is dat [naam] op 9 juli 2016 in de rolstoelbus uit de rolstoel is gevallen toen [ X] de rolstoel, met [naam] daarin, achterwaarts lopend verplaatste om deze naar buiten te brengen. Vast staat dat sprake was van letselschade bij [naam] in verband met en tijdens het vervoer. [naam] is immers door de val in de bus gewond geraakt. Partijen twisten echter over de vraag of de bloeding in het hoofd die heeft geleid tot de dood van [naam] is veroorzaakt door de val.

De rechtbank acht de lezing van [naam eiseres], dat de bloeding in het hoofd pas na, en door, de val is opgetreden aannemelijker dan de lezing van Stam, dat de bloeding al voor de val is ontstaan. Daarmee is het causaal verband tussen het overlijden en de val voorshands bewezen. Stam is toegelaten tot tegenbewijs.

2.3
In haar akte na tussenvonnis heeft Stam laten weten dat zij afziet van tegenbewijs. Dat staat haar vrij, wat er zij van de daarvoor gegeven redenen. Nu overigens geen van partijen nieuwe stellingen heeft ingenomen of stukken heeft overgelegd blijft de rechtbank bij haar oordeel in het tussenvonnis en acht zij dus nu bewezen dat [naam] is gestorven als gevolg van de val in de rolstoelbus.

[naam] is uit de rolstoel gevallen terwijl hij nog in de rolstoelbus was, nadat hij door Stam was vervoerd van het ziekenhuis naar zijn woning. Zolang [naam] de bus nog niet op de plaats van bestemming had verlaten duurde het vervoer op basis van de overeenkomst van personenvervoer voort (art. 8:1142 BW). Daaruit volgt dat het gaat om een ongeval dat tijdens het vervoer aan de reiziger is overkomen en dat tot zijn dood heeft geleid.

2.4
In het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds overwegingen gewijd aan het beroep van Stam op art. 8:1148 BW, vervoerdersovermacht, voor het geval dat bedoeld tegenbewijs niet geleverd zou worden. Dat is de situatie die zich nu voordoet. Over dat beroep op overmacht heeft de rechtbank, op grond van de in het tussenvonnis besproken feiten, geoordeeld dat Stam niet alle maatregelen had genomen die in de gegeven omstandigheden van een zorgvuldig vervoerder mochten worden gevergd, zodat zij zich niet kan beroepen op vervoerdersovermacht. Partijen hebben ook op dit punt geen nieuwe stellingen betrokken en evenmin (bewijs)stukken overgelegd. De rechtbank blijft bij haar oordeel op de in het tussenvonnis toegelichte gronden.

2.5
Dat betekent, dat Stam op grond van art. 8:1147 BW als vervoerder aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de dood van [naam].

de schade

2.6
Nu vast staat dat [naam eiseres] de ten tijde van het overlijden van [naam] de niet van tafel en bed gescheiden echtgenote van [naam] was volgt uit art. 6:108 BW dat Stam jegens haar verplicht is tot vergoeding van de schade als bedoeld in lid 1 (gederfd levensonderhoud) en lid 2 (begrafeniskosten) van genoemde bepaling.

2.6.1
De rechtbank heeft in het tussenvonnis ten eerste vastgesteld dat de aanvankelijke vordering op basis van het Besluit vergoeding affectieschade gelet op de mededeling ter zitting van die strekking als ingetrokken wordt beschouwd en geen verdere bespreking behoeft.

2.6.2
In het tussenvonnis is voorts een (korte) overweging gewijd aan de schade als bedoeld in art. 6:108 lid 1 BW. Op dat punt heeft [naam eiseres] gesteld dat sprake is van inkomensschade ad € 20.899,50. Dat is het bedrag dat zij, zo begrijpt de rechtbank, gedurende de drie jaar dat [naam] zonder de val nog geleefd zou hebben, meer aan inkomsten zou hebben genoten dan zij nu, na zijn dood, ontvangt.

Zij heeft daarover voorts gesteld dat de kosten van levensonderhoud door de dood van [naam] nauwelijks zijn veranderd zodat volstaan kan worden met het aansluiten bij de afgenomen inkomsten.

Stam heeft daartegen verweer gevoerd. Zij meent dat, zoals in het kader van deze bepaling gebruikelijk, de behoefte van [naam eiseres] uitgangspunt moet zijn zodat niet volstaan kan worden met de inkomensgegevens, die bovendien onduidelijk zijn. Voorts stelt zij dat onvoldoende is toegelicht waarom moet worden aangenomen dat [naam] nog drie jaar zou hebben geleefd. Daarnaast heeft zij aangegeven dat zou moeten worden aangesloten bij de schadebegrotingsmethode van de Denktank Overlijdensschade. Voorts heeft zij erop gewezen dat (de berekening van) het gevorderde bedrag niet volgt uit, en ook niet kan worden gereconstrueerd aan de hand van, de overgelegde stukken (met name productie 13 bij dagvaarding).

Dit punt was geagendeerd voor bespreking ter zitting. Ter zitting heeft Stam haar verweer gehandhaafd en is namens [naam eiseres] medegedeeld (zie het proces-verbaal) Er is thans geen duidelijkheid over het pensioen dat is vervallen. Dat moet nog worden uitgezocht. Daarom is aan dat aspect toen geen verdere aandacht besteed.

2.6.3
Tegen de hiervoor geschetste achtergrond en gelet op de toevoeging “in beginsel” vormt de zin die in rov. 4.16 van het tussenvonnis wordt gewijd aan deze schadepost geen zonder voorbehoud gegeven (eind)beslissing (hoewel partijen kan worden toegegeven dat dat duidelijker tot uitdrukking had kunnen worden gebracht). Dat betekent, dat op dit geschilpunt nog moet worden beslist. De rechtbank kan op dit moment, nu bij de nadere akte van [naam eiseres] geen verdere toelichting is gegeven en geen stukken zijn overgelegd, de omvang van de schade op dit punt niet vaststellen.

Dat [naam eiseres] schade heeft geleden die voor vergoeding op grond van art. 6:108 lid 1 BW in aanmerking komt is aannemelijk; de betwisting van Stam ziet vooral op de omvang van de schade, niet zozeer op het bestaan daarvan als zodanig.

Nu Stam heeft aangegeven hoe dan ook in hoger beroep te zullen gaan en eindvonnis wenst en ook [naam eiseres] eindvonnis wenst zal de rechtbank de zaak ambtshalve, voor deze schadepost, verwijzen naar de schadestaatprocedure.

Het staat [naam eiseres] uiteraard vrij om zelf te bepalen of zij de appelprocedure afwacht of de schadestaatprocedure entameert.

2.6.4
Over de schade als bedoeld art. 6:108 lid 2 BW is in het tussenvonnis overwogen dat ter zitting is erkend dat de kosten van de uitvaart ad € 7.201,25 voor een deel groot € 6.670,50 zijn vergoed door de uitvaartverzekeraar. Gevorderd wordt nog € 530,65. Daarover is overwogen dat deze post bij gebreke van betwisting in beginsel toewijsbaar is. Partijen hebben hierover niets opgemerkt in hun aktes. Deze post is dus toewijsbaar.

2.6.5
Ter zitting is de eis op dit punt echter vermeerderd met € 8.500 wegens de kosten van een herbegraving in Indonesië. Gelet op het daartegen gevoerde verweer heeft de rechtbank overwogen dat de enkele omstandigheid dat de kosten nog niet zijn gemaakt niet van belang is en dat de daarmee gemoeide kosten in beginsel binnen de op grond van art. 6:108 lid 2 BW te vergoeden schade vallen, indien de omvang daarvan deugdelijk wordt onderbouwd. [naam eiseres] is in de gelegenheid gesteld deze kosten nader te onderbouwen. Stam heeft daarover in haar akte na tussenvonnis gesuggereerd dat [naam eiseres] die post zou kunnen laten rusten. [naam eiseres] heeft daarop in haar akte laten weten dat zij dat niet zal doen, maar zij heeft geen nadere onderbouwing gegeven en evenmin stukken overgelegd. Nu [naam eiseres] ten aanzien van deze post uitdrukkelijk in de gelegenheid was gesteld deze nader te onderbouwen en zij daarvan geen gebruik heeft gemaakt moet deze worden afgewezen. ECLI:NL:RBROT:2021:13188


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, overmacht, grenzen van WAM en WVW

RBROT 291221 bestuurder van auto verklaart uit paniek te zijn weggereden, terwijl belager op de motorkap lag; overmacht

NB: Mr. E.W. Bosch, advocaat voor [persoon A], meldde op Linkedin dat inmiddels hoger beroep is ingesteld

2.
De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

2.1.
[persoon B] is eigenaar van de Fiat Punto met kenteken [kentekennummer] (hierna: de Fiat). Op 26 mei 2019 was de Fiat krachtens de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd bij Univé.

2.2.
Op 26 mei 2019 omstreeks 17:00 uur reden [persoon A] , mevrouw [persoon C] (hierna: [persoon C] ), mevrouw [persoon D] (hierna: [persoon D] ) en de heer [persoon E] (hierna: [persoon E] ) in een rode auto (hierna: de rode auto) op de Heemraadlaan te Spijkenisse. Rond dezelfde tijd reed [persoon B] in de Fiat samen met zijn dertienjarige neef, de heer [persoon F] (hierna: [persoon F] ), op dezelfde weg. Bij het stoplicht bij het kruispunt van de Heemraadlaan en De Dijkgraaf sorteerde de rode auto voor om rechtsaf te slaan en [persoon B] , die direct achter de rode auto reed, deed hetzelfde. [persoon A] en [persoon E] zijn vervolgens uitgestapt en richting de Fiat gelopen. Kort daarna is [persoon B] gaan rijden, waarbij [persoon A] enige tijd op de motorkap van de Fiat lag en in de bocht van de motorkap is gevallen waarbij hij letsel heeft opgelopen.

2.3.
In het proces-verbaal d.d. 26 mei 2019 van politie van het verhoor van [persoon B] als verdachte is de volgende verklaring van [persoon B] opgenomen:

Het was rond 17:00 uur dat ik in Spijkenisse reed. [ ... ] Ik zag dat 5 auto 's voor mij een rod autootje reed. Ik zag dat de deur van de auto open ging. Het was de rechter achter portier. Ik zag niet wat er gebeurde. [ ... ] Ik stond bij de stoplichten van het metrostation stil op de rechter baan voor rechtdoor. Ik zag dat het rode autootje naast mijn auto ging staan. Ik hoorde dat iemand kanker homo riep. Ik hoorde niet direct waar dat vandaan kwam. Toen riep iemand weer: kanker homo. Ik keek om mij heen. Ik zag dat er in de rode auto twee mannen op de achterbank zaten. Ik zag dat er twee vrouwen voor in de auto. Ik zag dat op de rechter achterdeur kots zat. Ik dacht nog dat de man achterin misschien gedronken had en had gekotst. Toen het groen werd reden we weg. Ik zag dat zij er voór mij kwamen te rijden. Ik reed achter hen richting de rotonde. Zij reden recht door en ik reed ook recht door. De rode auto remde voor mij en ik moest ook remmen. Ik zag dat de deuren open gingen. [ ... ]
Ik reed naar de kruising toe. Ik reed rustig. Mijn neefje moest mij de weg wijzen. Ik zag dat ze weer snel aan de linkerkant langs mij reden. Ze reden snel. Ik zag dat ze bij de stoplichten stopten. Ik zag dat de twee mannen uitstapten. De vrouwen reden verder. [ ... ] De twee mannen kwamen op mij af. De ene liep op het midden van de rijstrok voor linksaf. De andere liep recht op mijn auto af. Ik zei tegen mijn neefje dat hij de ramen dicht moest doen en de deuren op slot. Dat deed hij. Ik wilde niet dat hem iets over kwam. Ik stond inmiddels stil. Ik zag dat de man die rechts achterin de rode auto had gezeten op mijn motorkap sprong met zijn knieen en zijn schenen. Dat hij op de motorkap klom en zich aan de antenne vastpakte. [ ... ] Ik dacht alleen maar: we moeten hier weg. [ ... ] de andere man [ ... ] bonkte hard op de ruit naast mij. [ ... ] Ik wilde moest daar weg met die man nog half op mijn voorruit. Ik ging daar rechtsaf daar moest ik heen. In de bocht kon hij zich nergens aan vasthouden. Hij had de antenne al afgebroken. Hij hield zich nog een beetje vast aan de ruitenwissers. Ik reed de bocht in en hij viel van de motorkap af. Ik keek in mijn spiegel en zag de man op de grond zitten. Ik reed verder en zag het rode autootje weer rijden. Zij gingen linksaf de wijk in. Ik moest een straat verder zijn om de wijk in de rijden. In die wijk bracht ik mijn neefje bij zijn moeder.

2.4.
Op 10 december 2019 heeft de Officier van Justitie [persoon A] op de hoogte gebracht van de beslissing [persoon B] niet strafrechtelijk te vervolgen. Bij brief van 16 december 2019 heeft de Officier van Justitie deze beslissing richting [persoon A] als volgt gemotiveerd:

De reden om de bestuurder niet verder te vervolgen is dat naar mijn mening er sprake is van zelfverdediging. Dit wordt juridisch "noodweer" genoemd. Op 26 mei 2019 heeft er een noodlottig ongeval plaatsgevonden waarbij u letsel heeft bekomen. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat u - als inzittende van een auto - ruzie kreeg met een bestuurder van een andere auto. Vervolgens bent u op de motorkap van zijn auto geklommen, heeft u op de voorruit van deze auto geslagen en heeft u de antenne en ruitenwissers van deze auto vernield. De bestuurder van de auto zat samen met een minderjarig kind in de auto en heeft verklaard dat hij uit paniek is weggereden, terwijl u nog op de motorkap lag. Na de stoplichten heeft hij een bocht gemaakt waardoor u van de motorkap bent afgegleden en op de weg bent beland.

Uit de afgelegde verklaringen van de vrienden met wie u in de auto zat blijkt verder dat zij u meermalen hebben gewaarschuwd om rustig te blijven. Twee vrienden zijn hierna weggereden toen u besloot om toch op de bestuurder af te lopen.
Gelet op deze omstandigheden meen ik dat de bestuurder zich genoodzaakt kon voelen om — met u op motorkap- weg te rijden omdat hij in paniek was dat u hem dan wel de minderjarige inzittende iets zou aandoen. Dit maakt dat ik van mening ben dat de bestuurder uit "noodweer" (zelfverdediging) heeft gehandeld. Ik betreur het zeer dat u bij het incident letsel heeft opgelopen maar ik vind dat de bestuurder verontschuldigbaar heeft gehandeld om zichzelf en de inzittende te verdedigen en dat hij daarom niet strafrechtelijk aansprakelijk is voor de schade die u daardoor heeft geleden. Ik heb bij mijn beslissing rekening gehouden met de verklaringen van getuigen waaruit blijkt dat de bestuurder niet hard — met u op de motorkap — weggereden zou zijn.
Op basis van het voorgaande ben ik tot de conclusie gekomen dat de bestuurder geen strafrechtelijk verwijt valt te maken en dat ik daarom niet zal overgaan tot (verdere) vervolging van de bestuurder
.”

2.5.
[persoon F] heeft op 9 maart 2020 schriftelijk het volgende verklaard:

Ik was met mijn oom (Dhr. [persoon B] ) in zijn auto naar huis aan het gaan toen er ter hoogte van kruispunt Heemraadlaan een rode auto stopte met daarin 2 dronken mensen en 2 nuchtere vrouwen (voor in). Een van die mannen hing half uit het raam en riep "Hé kankerhomo" naar mijn oom. Dat vondt hij niet leuk en dus vroeg hij of die man wilde stoppen. Dat deed hij niet en mijn oom werdt geïrriteerd en reedt door. Wij werden achtervolgd door hun en een stukje later ingehaald door die rode auto. Die stopte bij het kruispunt Heemraadlaan en De Dijkgraaf. Die 2 dronke mannen stapte uit en liepen op mijn oom zijn auto af. Eén van die twee sprong op de motorkap en de andere sloeg op het raam van mijn oom. Mijn oom reed door om mij te beschermen. Dat gaf als gevolg dat de motorkap kapot was en de radio-antenne weg was.”

[persoon F] heeft de volgende situatieschets overgelegd:

plaatje

2.6.
Univé heeft, onder meer bij e-mailberichten van 9 april 2020, 30 april 2020, 11 mei 2020 en 4 januari 2021, iedere aansprakelijkheid voor het incident afgewezen.

2.7.
[persoon A] heeft in een ongedateerde verklaring schriftelijk het volgende verklaard:

[ ... ] ik weet nog dat ik de deur van de auto op de zitplek van waar ik zat. Rechts achterin zachtjes open maakte om te kotsen. Wij hadden aparte menu’s bij het restaurant waar we gegeten hadden, ik had ook 5 van de 6 gangen van mijn vriendin op want zei lust weinig. En wij zijn beroepskoks dus ik had haar gangen ook genuttigd om alles te proeven want er waren veel verschillende gerechten. Ik was daardoor en door de 3 wijntjes die ik op had misselijk geworden, waardoor ik dus uit de deur wilde overgeven. Dus ik snap de zogenaamde bangheid van de tegenpartij. Maar als ik dan lichtelijk mijn excuses aanbied in de auto. en hij tot 2 keer toe mij blijft irriteren wilde ik een gesprek met de man aangaan, om even verhaal te halen en even te vragen waarom het nodig is om mij 2 tot 3 keer te intimiderend en vervelend over te blijven komen en vervelend aan te blijven kijken. het is nooit maar dan ook nooit mijn bedoeling geweest om ook maar iets verkeerds te doen op het moment dat ik de auto uitstapte, lijkt me ook niet echt gewild als je al misselijk bent, je je eigen niet goed voelt en graag naar huis wilt gaan. het was van mij een hele domme zet om op de auto te gaan zitten, maar toen ik voor de auto stond en meneer lichtelijk begon te rijden, zag ik geen andere keus. Daarna ik kon er niet meer vanaf want daar reed hij veelte hard voor. Op het moment dat ik ervan af wou merkte ik al dat hij veeeeelste snel ging dus toen heb ik besloten om te blijven zitten, en hij heeft met een achterlijke snelheid gereden en mij eraf gekieperd toen hij de bocht maakte. Vanaf het moment dat ik de auto afgegooid ben weet ik niks meer. [ ... ]

Mij gaat het er niet om dat hij vast komt te zitten, aangezien ik weet dat ik zelf op de auto ben gaan zitten. Maar hij had nooit maar dan ook nooit met zo een snelheid met mij op de auto weg mogen gaan rijden, en zeggen dat hij dit deed uit een bange reactie, terwijl als je bang voor iemand bent, je er niet voor kiest om deze persoon (ik dus) dan 2-3 keer te gaan zitten seinen en irriteren, en als deze persoon dan na de 2de keer er toch maar even voor kiest om even verhaal te halen, en nu snap ik datje KAN denken dat zo'n persoon dan komt vechten dat snap ik, wat nogmaals NIET zo was. Maar dan alsnog rijd je niet met een snelheid van 60 tot 70 kilometer per uur weg en maak je niet zo'n bizarre bocht om die gene er af te sodemieteren want dat vind ik meer een moordpoging. Hij heeft alle tijd gehad om even een mooi excuusje te verzinnen over hoe hij het ging vertellen aangezien hij my daar dood heeft laten liggen te gaan, en zichzelf uren later pas aangegeven heeft.”

2.8.
[persoon C] heeft in een ongedateerde verklaring schriftelijk het volgende verklaard:

We reden terug naar het huis van [voornaam persoon E] [ [persoon E] ] en [voornaam persoon D] [ [persoon D] ] nadat we bij een restaurant wat gegeten hadden, ik zat achter het stuur, [voornaam persoon D] zat naast me en achterin zaten [voornaam persoon A] [ [persoon A] ] en [voornaam persoon E] . we reden op een redelijk grote weg, [voornaam persoon A] en [voornaam persoon E] zaten wat druk te doen achterin de auto. De tegenpartij rijd naast ons om de afslag naar rechts te nemen. [voornaam persoon A] en [voornaam persoon E] zitten naar hem te kijken en gek te doen, de tegenpartij word boos, en komt ineens achter ons aan. Ik merkte dat hij ineens gericht achter ons aan kwam en zei dit een beetje angstig. De man voelde als een bedreigen voor [voornaam persoon A] , en hij werd een beetje boos. We stopen voor het stoplicht en [voornaam persoon A] stapte uit om verhaal te halen bij de man, daarop volgend stapte [voornaam persoon E] ook uit om met hem mee te lopen. De man voelde zich denk ik bedreigd en ging rijden terwijl [voornaam persoon A] voor de auto stond. Het stoplicht was ondertussen op groen gegaan en ik moest rijden, ik ging de bocht om naar rechts. Hierna werd [voornaam persoon D] gebeld door [voornaam persoon E] dat [voornaam persoon A] was aangereden.”

2.9.
[persoon E] heeft in een ongedateerde verklaring schriftelijk het volgende verklaard:

Op de terug weg in Spijkenisse bij het stoplicht Heemraadlaan kreeg [voornaam persoon A] woorden met een mede weggebruiker naast ons in de auto. Die rechts af zou slaan.
Hierna is de bestuurder waar [voornaam persoon A] woorden mee kreeg achter ons aangereden. Bij het volgende stoplicht stapten [voornaam persoon A] uit en liep naar de auto toe, die achter ons aan kwam rijden. Toen ben ik uitgestapt om de boel te sussen. toen is het allemaal zo snel gegaan, de auto ging rijden en het moment erna lag [voornaam persoon A] op de motorkap. [voornaam persoon A] zat op de motor kap van de auto, terwijl de auto met snelle vaart door reed. Toen de auto langs mijn reed heb ik op het zij raam geslagen en geroepen dat hij moest stoppen!!! Toen is [voornaam persoon A] er in de bocht van af gevlogen. Toen reed de auto door. Waarna ik naar [voornaam persoon A] ben gerend en er meerder mensen naar hem toe kwamen om hem eerste hulp te verlenen en 112 te bellen
.”

2.10.
[persoon D] heeft in een ongedateerde verklaring schriftelijk het volgende verklaard:

We zijn op 26 mei 2019 in Den haag Wezen lunchen met elkaar. Eenmaal in Spijkenisse bij de stoplichten bij de Heemraadlaan, Kreeg [voornaam persoon A] woorden met een mede weggebruiker die rechtsaf zou slaan bij de stoplichten. Eenmaal weer de weg vervolgend merkte [voornaam persoon C] [ [persoon C] ] dat de auto niet rechts af was geslagen maar rechtdoor achter ons aan kwam gereden. Bij de volgende stoplichten stapte [voornaam persoon A] uit richting de auto die aankwam rijden. Toen het stoplicht weer groen werd, is [voornaam persoon E] uitgestapt om achter [voornaam persoon A] aan te gaan. Toen zijn wij [voornaam persoon C] en ik doorgereden naar huis.”

2.11.
De heer [persoon G] (hierna: [persoon G] ) heeft aan DAS, rechtsbijstandsverzekeraar van [persoon A] , schriftelijk verklaard dat er geen relatie bestaat tussen hem en een van partijen en dat hij heeft gezien dat er door [persoon B] “ongeveer 30 kilometer per uur werd gereden (optrekken bij stoplicht)”, dat hij niet kan beoordelen wie welke verkeersfouten heeft gemaakt en dat de oorzaak van het ongeluk naar zijn mening te maken had met “een verkeersruzie (voorrang?)”.

3.
De vordering, de grondslag en het verweer

in conventie:

3.1.
[persoon A] heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

i. voor recht te verklaren dat [persoon B] op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) aansprakelijk is voor alle schade die [persoon A] lijdt en heeft geleden door het verkeersongeval op 26 mei 2019; althans

subsidiair

voor recht te verklaren dat [persoon B] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor alle schade die [persoon A] lijdt en heeft geleden door het verkeersongeval op 26 mei 2019;

zowel primair als subsidiair:

[persoon B] c.s., hoofdelijk, des dat de één betalende de ander voor dat deel zal zijn bevrijd, te veroordelen tot vergoeding van alle schade die [persoon A] lijdt en heeft geleden door het verkeersongeval op 26 mei 2019, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

zowel primair als subsidiair:

[persoon B] c.s. hoofdelijk, des dat de één betalend de ander voor dat deel zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.2.
[persoon A] heeft aan zijn eis het volgende ten grondslag gelegd. [persoon B] is met de door hem bestuurde Fiat op de openbare weg betrokken geweest bij een ongeval waarbij [persoon A] ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. [persoon B] is primair op grond van het bepaalde in artikel 185 WVW aansprakelijk voor de als gevolg van dit verkeersongeval ontstane schade, zodat hij gehouden is deze schade te vergoeden. Subsidiair heeft [persoon B] met voornoemde gedragingen onrechtmatig gehandeld jegens [persoon A] en is hij uit hoofde hiervan aansprakelijk en gehouden tot vergoeding van de schade. Univé is de WAM-verzekeraar van de Fiat, zodat [persoon A] Univé rechtstreeks en hoofdelijk kan aanspreken tot vergoeding van de door hem geleden schade op grond van artikel 6 WAM.

3.3.
[persoon B] c.s. heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen hij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie:

3.4.
[persoon B] c.s. heeft – voor het geval wordt geoordeeld dat op [persoon B] c.s. aansprakelijkheid jegens [persoon A] rust – gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat op Univé en/of [persoon B] jegens [persoon A] geen schadevergoedingsverplichting rust, althans dat op Univé en/of [persoon B] een schadevergoedingsverplichting rust van maximaal 10%, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage, met veroordeling van [persoon A] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

3.5.
[persoon B] c.s. heeft aan zijn eis het volgende ten grondslag gelegd. Van onrechtmatigheid en/of toerekening aan [persoon B] is geen sprake. De schade van [persoon A] is niet veroorzaakt door [persoon B] , maar door [persoon A] zelf. De 50%-regel is dan ook niet van toepassing. De werking van artikel 6:101 BW brengt voorts met zich mee dat de schade geheel dan wel voor het grootste gedeelte, in ieder geval 90%, voor rekening van [persoon A] dient te blijven.

3.6.
[persoon A] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen hij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

4.
De beoordeling van het geschil

in conventie:

4.1.
Niet in geschil is dat [persoon A] letsel heeft opgelopen als gevolg van de val van de motorkap van de Fiat. Beoordeeld dient te worden of [persoon B] c.s. gehouden is tot vergoeding van de als gevolg hiervan door [persoon A] geleden schade op grond van het bepaalde in artikel 185 WVW, dan wel op grond van onrechtmatige daad.

4.2.
In het eerste lid van artikel 185 WVW is bepaald dat indien een motorrijtuig, waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen of zaken, de eigenaar of houder van het motorrijtuig verplicht is om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht.

4.3.
[persoon B] c.s. heeft primair aangevoerd dat artikel 185 WVW niet van toepassing is, omdat de Fiat niet in beweging was toen [persoon A] werd geraakt en omdat [persoon A] – die zelf op de motorkap is geklommen – door het voertuig werd vervoerd.

4.4.
De rechtbank volgt [persoon B] c.s. hierin niet. [persoon B] nam ten tijde van het ongeval met zijn motorvoertuig deel aan het verkeer op de openbare weg. Het enkele feit dat het voertuig –bijvoorbeeld door te stoppen voor een verkeerslicht – een ogenblik tot stilstand is gebracht moet op grond van vaste jurisprudentie als een onderdeel van het rijden worden aangemerkt en maakt niet dat geen sprake is van een rijdend motorrijtuig. Ook het feit dat het voertuig ten tijde van het in aanraking komen met [persoon A] niet in beweging zou zijn – hetgeen overigens door [persoon A] wordt betwist – is in dit kader niet relevant, aangezien [persoon A] onbetwist van de motorkap is afgegleden toen het voertuig (de bocht om) reed. Het verweer van [persoon B] c.s. dat artikel 185 WVW niet van toepassing is omdat [persoon A] door het voertuig zou zijn vervoerd volgt de rechtbank evenmin. Dat [persoon A] (al dan niet als gevolg van zijn eigen handelen) door de Fiat is verplaatst – hetgeen bij aanrijdingen vaker het geval kan zijn – maakt nog niet dat hij (als passagier) door het voertuig is vervoerd als bedoeld in het eerste lid van artikel 185 WVW. Artikel 185 WVW is in zoverre dan ook van toepassing.

4.5.
[persoon B] c.s. heeft subsidiair aangevoerd dat sprake is van overmacht aan de zijde van [persoon B] , bestaande uit noodweer als bedoeld in artikel 40 en 41 Sr. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een beroep op overmacht als bedoeld in artikel 185 WVW alleen slagen indien [persoon B] ten aanzien van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij moet hij ook rekening houden met eventuele fouten van andere weggebruikers, daaronder begrepen het slachtoffer zelf (HR 22 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0616 en HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2155).

4.6.
[persoon B] c.s. heeft gesteld dat sprake was van een onmiddellijk bedreigende situatie, gecreëerd door [persoon A] . [persoon B] verwijst hierbij naar de beslissing van de Officier van Justitie en de door de Officier van Justitie vastgestelde feiten (r.o. 2.4) alsmede [persoon B] eigen verklaring (r.o. 2.3) en de verklaring van [persoon F] (r.o. 2.5).

4.7.
De stelling van [persoon A] dat aan de beslissing van het Openbaar Ministerie en het onderzoek van politie in het kader van deze civielrechtelijke procedure geen waarde kan worden toegekend, volgt de rechtbank niet. [persoon A] stelt weliswaar terecht dat de beslissing om niet te vervolgen is genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek waarbij een ander toetsingskader geldt, maar [persoon B] c.s. heeft terecht aangevoerd dat de door de Officier van Justitie in zijn sepotbeslissing vermelde feiten niet zomaar kunnen worden gepasseerd.

4.8.
De Officier van Justitie heeft in zijn sepotbeslissing d.d. 16 december 2019 de volgende feiten vastgesteld. Op de Heemraadlaan is tussen [persoon A] en [persoon B] ruzie ontstaan. [persoon A] is door zijn vrienden meerdere malen gewaarschuwd om rustig te blijven. Bij het stoplicht voor het kruispunt van de Heemraadlaan en De Dijkgraaf zijn [persoon A] en [persoon E] uitgestapt. [persoon C] en [persoon D] zijn weggereden. [persoon A] is op de auto van [persoon B] afgelopen. [persoon A] is vervolgens op de motorkap van de Fiat geklommen, heeft op de voorruit van de auto geslagen en de antenne en ruitenwissers van de Fiat vernield. [persoon B] is “niet hard” weggereden terwijl [persoon A] nog op de motorkap lag. [persoon B] heeft na de stoplichten de bocht naar rechts gemaakt waardoor [persoon A] van de motorkap is afgegleden en op de weg is beland. De door de Officier van Justitie vermelde feiten ondersteunen daarmee de verklaring van [persoon B] (en [persoon F] ) met betrekking tot de toedracht van het ongeval.

4.9.
[persoon A] heeft de toedracht van het ongeval, zoals door [persoon B] c.s. is betoogd, betwist en aangevoerd dat hij pas op de motorkap is gesprongen nadat [persoon B] was gaan rijden. Anders dan [persoon A] betoogt, kan in randnummer 52 van de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie niet een erkenning worden gelezen van de door [persoon A] bepleite – andersluidende – toedracht.

4.10.
Tegenover dit (met de sepotbeslissing van de officier van justitie) onderbouwde beroep op overmacht/noodweer van [persoon B] c.s. heeft [persoon A] in het kader van zijn betwisting slechts verwezen naar de schriftelijke verklaringen van zijn drie vrienden, waarvan er twee waren weggereden en dus niet uit eigen waarneming hebben kunnen verklaren over het moment waarop [persoon A] op de motorkap kwam en de derde ook zelf bij het incident met [persoon B] c.s. betrokken was.

4.11.
De rechtbank acht dan ook dat voldoende is komen vast te staan dat [persoon A] op de motorkap van de Fiat is gesprongen voordat [persoon B] is gaan rijden. De toedracht van het ongeval, zoals door [persoon B] c.s. is gesteld heeft [persoon A] onvoldoende gemotiveerd betwist.

4.12.
Uit de beslissing van de Officier van Justitie dat [persoon A] door zijn vrienden meerdere malen is gewaarschuwd om rustig te blijven en uit de verklaring van [persoon A] zelf dat hij uitstapte “om even verhaal te halen” en dat hij snapt dat [persoon B] heeft kunnen denken “dat zo'n persoon dan komt vechten” volgt dat de gemoederen hoog waren opgelopen bij [persoon A] . [persoon B] en [persoon F] hebben verklaard dit als bedreigend te hebben ervaren en zij hebben aangegeven dat zowel [persoon A] als [persoon E] agressief en/of dronken op hen overkwamen. [persoon A] is op de motorkap gesprongen waarbij hij de ruitenwisser, antenne en voorruit van de auto van [persoon B] heeft vernield. Daarnaast heeft [persoon E] hard op de zijruit geklopt, hetgeen de dreiging heeft vergroot. Daarmee is begrijpelijk dat bij [persoon B] de gerechtvaardigde vrees bestond dat hem of zijn minderjarige neef iets zou worden aangedaan. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden dan ook voldoende aangetoond dat sprake is geweest van een door [persoon A] gecreëerde onmiddellijk bedreigende situatie.

4.13.
[persoon B] c.s. stelt dat in deze bedreigende situatie aan [persoon B] rechtens niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij met [persoon A] op zijn motorkap is gaan rijden en de bocht om is gereden, waarbij [persoon A] van de motorkap af is gegleden. [persoon A] betwist dat [persoon B] geen verwijt te maken valt en voert aan dat van [persoon B] verlangd had mogen worden dat hij anders zou hebben gehandeld en zo het ongeval zou hebben voorkomen. Zo had [persoon B] om [persoon A] heen kunnen rijden, had hij in stilstand de politie kunnen bellen en in de auto kunnen wachten tot deze zou arriveren en hij had rustig weg kunnen rijden in plaats van met hoge snelheid.

4.14.
Reeds geoordeeld is dat [persoon B] pas is gaan rijden nadat [persoon A] op de motorkap was gesprongen, zodat er geen mogelijkheid (meer) was om om [persoon A] heen te rijden. [persoon B] kan daarom niet worden verweten dat hij niet om [persoon A] heengereden is. Daarnaast kon in dit specifieke geval van [persoon B] redelijkerwijs niet worden verlangd dat hij de situatie in stilstand (in afwachting van de politie) zou afwachten. De rechtbank weegt hierbij mee dat de situatie zich voordeed op de weg, voor een stoplicht, met tegemoetkomend en achteropkomend verkeer. Het is dan niet mogelijk om - zonder een gevaar voor het overige verkeer te vormen - langere tijd stil te blijven staan in afwachting van de politie. Ook weegt de rechtbank mee dat [persoon B] zich terecht zorgen maakte om zijn eigen veiligheid en daarnaast die van zijn neef van dertien die zich bij hem in de auto bevond. Gelet op de grote hoeveelheid geweld die op de auto werd uitgeoefend valt het zeer te betwijfelen of de politie op tijd ter plaatse zou zijn geweest om erger te voorkomen. Dat [persoon B] met een onevenredig hoge snelheid is weggereden is niet komen vast te staan. [persoon A] noemt weliswaar een snelheid van 60 tot 70 kilometer per uur, maar dit is tegenstrijdig met zijn verklaring dat [persoon B] “lichtelijk begon te rijden”. [persoon G] heeft als onafhankelijke ooggetuige een geschatte snelheid van “ongeveer 30 kilometer per uur [ ... ] (optrekken bij stoplicht)” genoemd. Daarnaast acht de rechtbank het ook niet aannemelijk dat [persoon B] vanuit stilstand in de bocht waar [persoon A] van de motorkap is gegleden tot een (dergelijk) hoge snelheid is gekomen.

4.15.
[persoon B] reed de route die door zijn neef werd aangegeven om zijn neef thuis te brengen. Van een achtervolging of anderszins opzoeken van de confrontatie door [persoon B] is dan ook niet gebleken. Uit de verklaring van [persoon B] volgt dat hij, nadat [persoon A] van de auto was afgegleden in de spiegel keek en toen [persoon A] op de grond zag zitten. Alhoewel het netter was geweest om te stoppen en te controleren of alles goed was met [persoon A] , kan gelet op de overige omstandigheden (de angst bij [persoon B] , het uitgeoefende geweld door [persoon A] en [persoon E] , het feit dat [persoon E] nog steeds ter plaatse aanwezig was, de beperkte snelheid waarmee door de bocht was gereden en de nog steeds in de auto aanwezig zijnde neef) niet worden gezegd dat [persoon B] rechtens het verwijt kan worden gemaakt dat hij – na de bocht te hebben genomen – niet gestopt is.

4.16.
[persoon B] valt dan ook rechtens geen enkel verwijt te maken, mede gelet op de fouten die door [persoon A] zelf zijn gemaakt.

4.17.
De rechtbank stelt op basis van de in deze procedure vastgestelde feiten en omstandigheden vast dat [persoon B] uit noodweer heeft gehandeld. Dit moet worden aangemerkt als overmacht in de zin van artikel 185 WVW, zodat op Univé en [persoon B] geen aansprakelijkheid rust uit hoofde van dit artikel. De gevorderde verklaring voor recht dat [persoon B] c.s. op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk is voor alle schade die [persoon A] lijdt en heeft geleden door het verkeersongeval, zal dan ook worden afgewezen.

4.18.
[persoon A] baseert zijn vordering subsidiair op onrechtmatig handelen door [persoon B] .

4.19.
In het tweede lid van artikel 6:162 BW is bepaald dat als onrechtmatige daad moet worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

4.20.
[persoon B] c.s. heeft ook ten aanzien van het gestelde onrechtmatig handelen aangevoerd dat sprake is van noodweer. Aangezien de onrechtmatige daad betrekking heeft op dezelfde feiten en reeds is geoordeeld dat het ongeval het gevolg was van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding en [persoon B] uit noodweer heeft gehandeld, is sprake van een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. De gevorderde verklaring voor recht dat [persoon B] c.s. op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is alle schade te vergoeden die [persoon A] lijdt en heeft geleden door het verkeersongeval zal dan ook eveneens worden afgewezen.

4.21.
Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing zal leiden.

4.22.
[persoon A] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure. ECLI:NL:RBROT:2021:13172


AANSPRAKELIJKHEID DIVERS, exoneratie
AANSPRAKELIJKHEID MEDISCH, cosmetische behandeling

SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, kosten deskundige

GHAMS 141221 aansprakelijkheid voor pijn en brandwonden bij ontharing m.b.v. lasertechniek; beroep op exoneratie onredelijk bezwarend
- kosten (aanvullend) rapport deskundige kwalificeren als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, cf 6:96 lid 2 sub b BW

in vervolg op:
RBAMS 021219 brandwonden na ontharing met laser; geen geneeskundige behandelovereenkomst, wel reflexwerking; beroep op exoneratie faalt

4
Beoordeling

4.1
De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis – kort weergegeven – voor recht verklaard dat Change aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van de laserbehandeling en Change veroordeeld tot vergoeding van de door [geïntimeerde] als gevolg van de tekortkoming geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Voorts is Change veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 450 als voorschot op de schade en tot vergoeding van de kosten voor het medisch advies van dr. Verhagen van € 641,30. Change is tevens veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.

4.2
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering komt Change met acht grieven op. [geïntimeerde] heeft op haar beurt in hoger beroep haar eis vermeerderd met de kosten van het aanvullend advies van dr. Verhagen van € 791,34, vermeerderd met rente.

De grieven

4.3
Met grief 1 en 2 betoogt Change dat de door [geïntimeerde] ervaren gevolgen weliswaar niet normaal zijn, maar wel een bij de behandeling behorend risico zijn, waarvan [geïntimeerde] , door ondertekening van de GentleLase-verklaring, op de hoogte was of behoorde te zijn. Met grief 3 klaagt zij over het oordeel dat [geïntimeerde] voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat Change bij de behandeling een fout heeft gemaakt. Grief 4 heeft betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat de website onjuiste informatie zou vermelden over de kwaliteitseisen waaraan Change zou voldoen. Met grief 5 betoogt Change dat haar medewerkster wel degelijk onder supervisie van huidtherapeute [huidtherapeute 2] werkte. Die supervisie bestaat volgens Change in het algemeen uit voorbereiding en het bepalen van de standen waarop de laser moet worden ingesteld. Ook klaagt Change erover dat de kantonrechter te hoge eisen stelt aan de schriftelijke verslaglegging van de behandeling. De kantonrechter verbindt daaraan volgens Change ten onrechte een omkering van de bewijslast.

Met grief 6 komt Change op tegen het oordeel dat de exoneratie in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is. Daarin zijn specifieke situaties vermeld waarvoor Change aansprakelijkheid wenst uit te sluiten. Deze situaties kunnen behoren tot de bekende gevolgen van de laserbehandeling en [geïntimeerde] is van het risico daarop op de hoogte gesteld. Het gaat bovendien om schade waarvoor Change zich niet kan verzekeren, aldus Change. Grief 7 en 8 klagen over het oordeel dat Change aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade en over de veroordeling in de proceskosten.

De beoordeling in hoger beroep

4.4
[geïntimeerde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Change is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Zij stelt daartoe dat zij, direct na de start van de behandeling op 12 september 2018, merkte dat zij pijn ervoer aan haar benen. Zij stelt dat zij dit ook kenbaar heeft gemaakt aan de behandelaar. Ondanks een aanpassing van de stand van het laserapparaat bleef zij echter pijn ervaren. Na thuiskomst bleek de pijn toe te nemen. Als gevolg van de pijn kon zij enkele dagen niet werken. Op 17 september 2018 constateerde de huisarts tweedegraads brandwonden op haar benen. [geïntimeerde] stelt blijvende pigmentatie en overgevoeligheid voor de zon te hebben overgehouden aan de behandeling.

Volgens [geïntimeerde] is er een fout gemaakt bij de behandeling en hoefde zij de door haar ervaren pijn en het letsel niet te verwachten, gelet op onder meer de verstrekte informatie op de website en de garantie van een 100% pijnloze behandeling.

4.5
Het hof stelt voorop dat op Change de verplichting rustte zich als een goed opdrachtnemer jegens [geïntimeerde] te gedragen. Dit brengt mee dat van haar mocht worden verwacht dat zij de zorg zou betrachten die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mocht worden verwacht, waarbij het hof de gekwalificeerde gebruiker van de GentleLase als een dergelijke vakgenoot beschouwt. Uit de hierboven geciteerde verklaring van [medisch adviseur] , die door Change in het geding is gebracht, volgt dat voor het handelen van een dergelijke gebruiker de Candela Gentle LASE Companion als richtlijn geldt. Dit is door [geïntimeerde] niet betwist, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

Stoppen bij pijn

4.6
Niet in geschil is dat de GentleLase-behandeling door Change als een 100% pijnloze behandeling is gepresenteerd. Dit strookt met de uitleg van [medisch adviseur] over de werking van deze laser met geïntegreerd koelsysteem waardoor ook impulsen met een hogere energie pijnloos kunnen worden uitgevoerd. [geïntimeerde] verklaart echter meteen na aanvang van de behandeling pijn te hebben ervaren, terwijl zij die bij een eerdere gelegenheid niet had ervaren.

Het hof stelt vast dat zich daarmee een van de normale procedure afwijkende situatie voordeed, die aanleiding zou moeten geven tot het onmiddellijk staken van de behandeling. Pijn is immers in de regel een niet te verwachten reactie op de GentleLase-behandeling, duidt op een ongewenste reactie als omschreven in de onder 4.5 bedoelde richtlijn, en is alleen al om die reden een signaal dat zorgen baart. Dit wordt bevestigd door [medisch adviseur] die verklaart dat als [geïntimeerde] de pijnklachten, zoals zij die blijkens haar verklaring ervoer, aan de behandelaar heeft medegedeeld, deze daarop de behandeling in principe zou hebben moeten stoppen.

4.7
Volgens de verklaring van [geïntimeerde] heeft zij de pijnklachten die zij ervoer gemeld en heeft de behandelaar de behandeling, ondanks de ervaren pijn, voortgezet. Change betwist dat [geïntimeerde] tijdens de behandeling kenbaar heeft gemaakt dat zij pijn ervoer. Het hof is echter van oordeel dat zij deze betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe overweegt het hof als volgt.

[geïntimeerde] heeft van meet af aan gesteld dat zij tijdens de behandeling onmiddellijk te kennen heeft gegeven dat zij pijn ervaarde.. Deze stelling vindt steun in de door haar geschreven e-mail van 18 september 2018, een paar dagen na de behandeling, waarin zij concreet beschrijft hoe de behandeling was verlopen en dat zij herhaaldelijk melding heeft gemaakt van een brandend gevoel en pijn. Weliswaar wordt het melden van pijn niet concreet vermeld in het dossier van Change, maar daarin wordt wel gewag gemaakt van het feit dat werd besloten goed te koelen en aloë vera te gebruiken omdat [geïntimeerde] had aangegeven dat de benen warm aanvoelden. Ook is daarin vermeld dat de behandeling door een andere behandelaar is overgenomen.

Bij deze stand van zaken had van Change verlangd mogen worden dat zij haar betwisting dat [geïntimeerde] tijdens de behandeling kenbaar heeft gemaakt dat zij pijn ervoer zou onderbouwen met de verklaring van (een van) de betrokken medewerkster(s), [medewerkster 1] en/of [medewerkster 2] . Dat heeft Change echter nagelaten. In de wel overgelegde e-mail van [medewerkster 1] verklaart deze slechts dat zij gedurende haar dienstverband naar tevredenheid met de GentleLaser heeft gewerkt. Hierin kan geen weerspreking worden gelezen van de verklaring van [geïntimeerde] .
De stelling van [geïntimeerde] staat daarmee als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

Tekortkoming in de nakoming

4.8
Door de behandeling door te zetten ondanks dat [geïntimeerde] kenbaar had gemaakt dat zij pijn ervoer, heeft Change niet de zorg betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mocht worden verwacht. Reeds daardoor is zij tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Dat betekent dat verder in het midden kan blijven of de pijn tijdens het laseren werd veroorzaakt door een onjuiste wijze van behandelen, bijvoorbeeld door te kort op elkaar te stempelen, zoals door [geïntimeerde] wordt vermoed, of dat daaraan een andere oorzaak ten grondslag ligt.

Gevolgen van de tekortkoming

4.9
[geïntimeerde] stelt als gevolg van deze tekortkoming eerste- en tweedegraads brandwonden te hebben opgelopen, waardoor zij tijdens en na de behandeling pijn heeft ondervonden. Inmiddels zijn de brandwonden hersteld, maar er resteert wel nog een lichte verkleuring, aldus [geïntimeerde] . De stelling dat [geïntimeerde] tweedegraads brandwonden heeft opgelopen, wordt ondersteund door de verklaring van de huisarts in het huisartsenjournaal. Zowel [D] als [medisch adviseur] bevestigen dat op de foto’s van 18 september 2018 tweedegraads brandwonden te zien zijn. Voor zover Change heeft bedoeld te betwisten dat [geïntimeerde] tweedegraads verwondingen heeft opgelopen, heeft zij die betwisting in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd.

4.10
Uit hetgeen eerder in dit arrest is overwogen, volgt al dat Change niet kan worden gevolgd in haar stelling dat deze tweedegraads verwondingen en de daarmee, ook volgens [medisch adviseur] , gepaard gaande pijn tot de normale gevolgen van de behandeling behoren. Anders dan Change betoogt, ondersteunt de verklaring van [medisch adviseur] de desbetreffende stelling van Change niet. Zij beschrijft in haar rapport immers dat verbranding en blaarvorming in de hiervoor genoemde richtlijn als ongewenste gevolgen van de behandeling worden gekwalificeerd. Mede in het licht van de beschreven werking van de GentleLase en de kennelijk daarop gebaseerde garantie van een 100% pijnloze behandeling, kunnen pijn en brandwonden als deze niet als normaal te verwachten gevolgen van de laserbehandeling worden beschouwd.

Daaraan kan niet afdoen de door [geïntimeerde] ondertekende GentleLase-verklaring, waarin wordt gewaarschuwd voor de zeer ongebruikelijke blaarvorming of lichte verbranding van de opperhuid, alleen al omdat hier sprake is van pijnlijke tweedegraads brandwonden.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure

4.11
Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende maar ook vereist dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Het hof heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] tijdens en na de behandeling pijn heeft geleden en brandwonden heeft opgelopen. Daarmee is voldoende aannemelijk dat zij (immateriële) schade heeft geleden die zij zonder de behandeling niet zou hebben gehad. Aldus zijn de gevraagde verklaring voor recht dat Change aansprakelijk is voor de als gevolg van de behandeling geleden schade en de verwijzing naar de schadestaatprocedure in beginsel toewijsbaar.

Exoneratie

4.12
Change heeft zich nog beroepen op de exoneratiebepalingen 8.3 en 8.4 in haar algemene voorwaarden. [geïntimeerde] heeft daartegen ingebracht dat deze bepalingen als onredelijk bezwarend vernietigd dienen te worden. Zij heeft zich daarbij beroepen op artikel 6:237 aanhef en onder f BW, dat bepaalt dat een beding dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] daarin gevolgd en geoordeeld dat Change het wettelijk vermoeden onvoldoende heeft weerlegd.

4.13
Change heeft geen grief gericht tegen het oordeel dat de door haar ingeroepen exoneratiebepalingen kwalificeren als een beding dat de gebruiker bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Wel heeft zij met grief 6 betoogd dat zij voldoende weerlegd heeft dat deze exoneratie onredelijk bezwarend is. Haar stelling dat het hier gaat om de exoneratie voor schade die tot het door [geïntimeerde] aanvaarde risico van de behandeling behoort, is in het voorgaande reeds verworpen.

Voorts heeft Change aangevoerd dat zij aansprakelijkheid voor de in artikel 8.3 en 8.4 bedoelde schade niet kan verzekeren. [geïntimeerde] heeft deze stelling betwist, met verwijzing naar de website van ANBOS, waarop een dergelijke verzekering wordt aangeboden. Change heeft in reactie daarop een verklaring overgelegd van haar verzekeringstussenpersoon die verklaart geen mogelijkheid te hebben om letselschade als gevolg van behandelingen te verzekeren.

Het hof overweegt dat, veronderstellenderwijs aangenomen dat Change zich niet kan verzekeren tegen (letsel)schade als gevolg van laserbehandelingen, dit niet kan worden beschouwd als een voldoende weerlegging van het wettelijk vermoeden dat een exoneratie voor die schade onredelijk bezwarend is. Het feit dat Change zich niet kan verzekeren voor dergelijke schade vormt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen rechtvaardiging voor het ontslaan van Change van haar wettelijke aansprakelijkheid en het verleggen van het risico naar de consument. Dit betekent dat Change zich niet kan exonereren voor de hiervoor beschreven schade. Aldus zijn de gevraagde verklaring voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure toewijsbaar.

Voorschot en kosten

4.14
Het hof stelt vast dat Change geen afzonderlijke grief heeft gericht tegen het toegewezen bedrag van € 450 bij wijze van voorschot op de schade. Evenmin is een grief gericht tegen de toewijzing van de kosten van het rapport van Verhagen.

4.15
Wel is verweer gevoerd tegen de in hoger beroep vermeerderde eis van [geïntimeerde] betreffende het aanvullende rapport van Verhagen.

Primair heeft Change daarvoor aangevoerd dat zij niet aansprakelijk is en subsidiair stelt zij dat de vordering afstuit op het bepaalde in artikel 6:96 lid 3 BW in samenhang met artikel 241 Rv. Zij stelt dat de forfaitaire proceskostenveroordeling een vergoeding insluit voor de bedoelde kosten.

4.16
Het hof volgt Change hierin niet. De bij eisvermeerdering gevorderde kosten hebben betrekking op een (aanvullend) rapport van [D] . Het eerste rapport van [D] is opgemaakt in opdracht van [geïntimeerde] , maar op verzoek van de kantonrechter, teneinde inzicht te verschaffen in de vraag of het letsel van [geïntimeerde] het normaal gevolg zou kunnen zijn van een laserbehandeling als hier aan de orde. Het aanvullend rapport bouwt op de beantwoording van die vraag voort. Daarmee kwalificeren de daarmee samenhangende kosten als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Dit zijn geen kosten waarvoor de forfaitaire proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden. Dat de gevorderde kosten niet als redelijke kosten zouden zijn aan te merken, is niet gesteld en ook anderszins niet gebleken. De vordering ligt daarmee voor toewijzing gereed.

Tegen de gevorderde wettelijke rente en de ingangsdatum daarvan is geen verweer gevoerd. De aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden kunnen de conclusie dragen dat wettelijke rente vanaf de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is. De vordering zal dienovereenkomstig worden toegewezen

Slotsom

4.17
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] toewijsbaar zijn. De grieven van Change falen. Bij een verdere inhoudelijke behandeling daarvan bestaat bij deze uitkomst onvoldoende belang. Change heeft bewijs aangeboden. Nu door haar geen feiten zijn gesteld en/of voldoende gespecificeerd te bewijzen zijn aangeboden die tot een andere uitkomst van het geding kunnen leiden, wordt haar bewijsaanbod gepasseerd. Voor een deskundigenonderzoek bestaat geen aanleiding.

4.18
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en het bij eisvermeerdering gevorderde zal worden toegewezen. Change zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. ECLI:NL:GHAMS:2021:4014


AANSPRAKELIJKHEID MEDISCH, cosmetische behandeling

RBLIM 291221 borstvergroting in BE Kliniek; BE recht van toep. Rb kan niet vaststellen met welke partij overeenkomst is gesloten; volgt afwijzing

2
De feiten

2.1.
[eiseres] heeft op 22 juni 2016 Birand bezocht omdat zij een borstvergroting wenste. Die dag is bij Birand een formulier ondertekend door [eiseres] en een arts die haar te woord heeft gestaan, Dr. [naam arts] (hierna: [naam arts] ). Dit formulier heeft als kop “verklaring geïnformeerde toestemming”.

2.2.
Op drie plekken in het formulier heeft [naam arts] gebruik gemaakt van een stempel waarin naast zijn naam, ook de naam, het adres en het telefoonnummer van Birand zijn vermeld.

2.3.
De borstvergroting heeft op 29 september 2016 plaatsgevonden en is uitgevoerd door [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] is plastisch chirurg.

2.4.
In het voorjaar van 2019 heeft [eiseres] contact opgenomen met Birand. Op 7 mei 2019 heeft [eiseres] een controleafspraak bij [gedaagde sub 2] . In het medisch dossier vermeldt [gedaagde sub 2] naar aanleiding van deze afspraak het volgende: “Controle alles OK”.

2.5.
Op 13 mei 2019 heeft [eiseres] telefonisch contact opgenomen met Birand, omdat zij een verwijzing wenste voor het maken van een MRI-scan. Tijdens dit telefoongesprek is aan [eiseres] medegedeeld dat zij dit verzoek via e-mail bij de kliniek moest indienen. Diezelfde ochtend heeft [eiseres] via e-mail verzocht om een verwijzing naar het ziekenhuis.

2.6.
Op dit e-mailbericht heeft Birand niet gereageerd. Om die reden heeft [eiseres] op 21 mei 2019 opnieuw telefonisch contact opgenomen met Birand. Tijdens dit telefoongesprek is aan [eiseres] medegedeeld dat zij voor een verwijzing naar het ziekenhuis met haar huisarts contact dient op te nemen. [eiseres] heeft diezelfde dag haar huisarts bezocht. Deze heeft haar doorverwezen naar het Zuyderland ziekenhuis.

2.7.
Uit de in het ziekenhuis verrichte onderzoeken is gebleken dat de prothese van de rechterborst kapot was. De prothese is gaan lekken.

2.8.
Op 17 oktober 2019 is de lekkende prothese vervangen door een nieuwe prothese. De prothese in de linkerborst is eveneens vervangen.

3
De vordering

3.1.
[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar vordering verduidelijkt. Zij heeft toegelicht dat, anders dan in het petitum van de dagvaarding is vermeld, de verklaring voor recht niet hoofdelijk wordt gevorderd, maar de veroordeling tot betaling van schadevergoeding wel. Aldus vordert zij dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht verklaart dat Birand en [gedaagde sub 2] ieder aansprakelijk zijn, althans voor recht verklaart dat Birand dan wel [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van een schending van de op Birand en [gedaagde sub 2] rustende zorgplicht overeenkomstig artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW),
- Birand en / of [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt om aan haar te betalen de door haar geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente,
- Birand en / of [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot op de uiteindelijk door [eiseres] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van € 15.000,00,
- Birand en / of [gedaagde sub 2] veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3.2.
Birand en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4
De beoordeling

Internationaal karakter

4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, aangezien Birand in België is gevestigd en [gedaagde sub 2] in België woont. Daarom moet allereerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk rechtsstelsel op deze zaak van toepassing is. Bij vonnis in het incident van 3 februari 2021 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank hierover een beslissing genomen. Zij heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dat oordeel terug te komen. In het vonnis is nog geen beslissing genomen over de vraag welk rechtstelsel op deze zaak van toepassing is. Dat gebeurt hierna.

Toepasselijk recht

4.2.
De vraag welk rechtsstelsel in deze zaak van toepassing is, moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I Verordening). Hiervoor is redengevend dat tussen partijen niet ter discussie staat dat aan de operatie die [eiseres] heeft ondergaan een overeenkomst ten grondslag ligt. De omstandigheid dat wel ter discussie staat met wie [eiseres] deze overeenkomst heeft gesloten, maakt dat niet anders.

4.2.1.
Bij de beantwoording van de vraag welk rechtsstelsel in deze zaak van toepassing is, staat voorop dat de bij de overeenkomst betrokken partijen bij het aangaan van de overeenkomst geen rechtskeuze hebben gedaan. Hierover bestaat geen verschil van mening. De in artikel 3 van de Rome I Verordening opgenomen hoofdregel dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen vindt daarom geen toepassing.

4.2.2.
In het vonnis is al geoordeeld dat en op grond waarvan in dit geval sprake is van een consumentenovereenkomst. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dat oordeel terug te komen. Dit brengt mee dat voor de beantwoording van de vraag door welk recht de overeenkomst wordt beheerst, moet worden aangeknoopt bij hetgeen in de Rome I Verordening ten aanzien van consumentenovereenkomsten is bepaald.

4.2.3.
In artikel 6 van de Rome I Verordening is, voor zover hier van belang, als uitgangspunt bepaald dat een consumentenovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de consument, [eiseres] in dit geval, zijn of haar gewone verblijfplaats heeft. Daarbij geldt als voorwaarde dat de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in het land waar de consument woonplaats heeft, of dat de verkoper dergelijke activiteiten in ieder geval (ook) op dit land richt en de overeenkomst onder die commerciële of beroepsactiviteiten valt. [eiseres] heeft zich onder verwijzing naar dit uitgangspunt op het standpunt gesteld dat de overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht.

4.2.4.
In lid 4 aanhef en onder sub a van artikel 6 is echter een afwijking van dit uitgangspunt opgenomen. Hierin is bepaald dat het hiervoor genoemde uitgangspunt niet van toepassing is op overeenkomsten tot verstrekking van diensten, in het geval de diensten aan de consument uitsluitend moeten worden verstrekt in een ander land dan het land waar hij (de consument) zijn gewone verblijfplaats heeft. Die situatie doet zich hier voor. Het staat immers niet ter discussie dat aan [eiseres] een dienst, te weten de uitvoering van een cosmetische operatie en de in verband daarmee noodzakelijke zorg, is geleverd. Daarnaast staat niet ter discussie dat de aan [eiseres] geleverde dienst door Birand en / of [gedaagde sub 2] uitsluitend in België wordt verleend. Daarom wordt de aan de operatie van [eiseres] ten grondslag liggende overeenkomst beheerst door Belgisch recht. De vorderingen van [eiseres] moeten dus met toepassing van Belgisch recht worden beoordeeld.

Gevolgen toepasselijkheid Belgisch recht voor de procedure

4.3.
Aangezien [eiseres] haar vorderingen heeft gebaseerd op Nederlands recht, heeft de rechtbank [eiseres] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de kans gegeven om zich bij akte uit te laten over, onder meer, de gevolgen van de toepasselijkheid van Belgisch recht op de vorderingen. [eiseres] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Birand en [gedaagde sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Ook zij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank zal hierna ingaan op de inhoud van de genomen akten. Eerst zal de rechtbank echter enkele procedurele kwesties bespreken en beoordelen.

Eiswijziging?

4.4.
[eiseres] stelt in de eerste alinea van haar akte na de mondelinge behandeling het volgende: “Mocht de rechtbank van mening zijn dat het Belgisch recht van toepassing is, eist [eiseres] een verklaring voor recht dat Birand en [gedaagde sub 2] naar Belgisch recht aansprakelijk zijn voor de bij [eiseres] ontstane schade.” Het lijkt erop dat [eiseres] hiermee, voorwaardelijk, haar eis heeft willen wijzigen. [eiseres] heeft dit echter niet in de kop van haar akte expliciet tot uitdrukking gebracht. Zij heeft dit ook niet op een andere manier duidelijk gemaakt. Daarnaast heeft zij het in de dagvaarding geformuleerde petitum niet gewijzigd.

4.4.1.
Birand en [gedaagde sub 2] hebben niet hierop gereageerd. De rechtbank kan niet vaststellen of zij zich hebben gerealiseerd dat [eiseres] op dit punt mogelijk heeft beoogd haar eis te wijzigen. Die omstandigheid komt voor rekening en risico van [eiseres] . Het lag op haar weg om expliciet aan de Birand en [gedaagde sub 2] én aan de rechtbank kenbaar te maken of en zo ja, op welke manier zij haar eis wijzigt. Birand en [gedaagde sub 2] zouden dan hierop kunnen reageren. De rechtbank verwijst naar artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Daarnaast verwijst zij naar hetgeen in het verlengde hiervan in artikel 2.9 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken is bepaald. Door onduidelijkheid te laten bestaan over de vraag of en zo ja op welke manier zij haar eis wijzigt, handelt [eiseres] in strijd met de eisen van een goede procesorde. In het geval de hiervoor onder 4.4. geciteerde tekst van [eiseres] al als eiswijziging zou moeten worden gekwalificeerd, laat de rechtbank deze daarom ambtshalve buiten beschouwing. Dit betekent dat de rechtbank de verklaring voor recht, zoals gevorderd in het petitum van de dagvaarding, zal beoordelen.

4.4.2.
Het slot van die verklaring voor recht is toegespitst op de toepasselijkheid van Nederlands recht. Daarin wordt immers verwezen naar een bepaling in het Nederlands Burgerlijk Wetboek. In zoverre is die verklaring voor recht dus niet toewijsbaar. Het eerste deel van de verklaring voor recht houdt in dat voor recht wordt verklaard dat Birand en [gedaagde sub 2] ieder aansprakelijk zijn, althans dat Birand dan wel [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade als gevolg van een schending van de op Birand en [gedaagde sub 2] rustende zorgplicht. Dit deel van de vordering kan ook met toepassing van Belgisch recht toewijsbaar zijn als vast komt te staan dat Birand en / of [gedaagde sub 2] naar Belgisch recht een op hen rustende zorgplicht hebben geschonden.

Aanvulling van de grondslag van de vorderingen?

4.5.
De rechtbank stelt vast dat [eiseres] bij dagvaarding uitsluitend een geneeskundige behandelingsovereenkomst aan haar vorderingen ten grondslag legt. Daarbij stelt zij zich primair op het standpunt dat Birand tekort is geschoten in de nakoming van een uit die overeenkomst voortvloeiende verbintenis. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat [gedaagde sub 2] hierin tekort is geschoten. Bij akte stelt [eiseres] echter dat Birand en / of [gedaagde sub 2] “zowel contractueel als buitencontractueel” aansprakelijk zijn voor de volgens haar geleden schade. Daarmee verandert [eiseres] de grondslag van haar vorderingen, althans breidt zij deze uit. Uit de antwoordakte van Birand blijkt niet dat zij zich hiervan bewust is. Birand heeft hierop niet gereageerd.

4.5.1.
Aangezien ook hier geldt dat deze verandering (uitbreiding) van de grondslag van de vorderingen niet voldoet aan de uit artikel 130 Rv voortvloeiende eisen, zal de rechtbank om dezelfde reden als hiervoor onder randnummer 4.4.1. verwoord, jegens Birand geen rekening hiermee houden.

4.5.2.
Dit ligt anders voor [gedaagde sub 2] . Uit de antwoordakte van [gedaagde sub 2] blijkt dat hij zich bewust is van het feit dat [eiseres] de grondslag van haar vorderingen uitbreidt. [gedaagde sub 2] reageert namelijk inhoudelijk zowel op de stelling dat hij contractueel als op de stelling dat hij buitencontractueel aansprakelijk zou zijn voor de volgens [eiseres] geleden schade. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde sub 2] niet in zijn procesbelang is geschaad doordat [eiseres] de aanvulling van de grondslag van haar vorderingen niet op de voorgeschreven manier kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [gedaagde sub 2] hoewel hij zich wel bewust was van de uitbreiding van de grondslag, geen bezwaar daartegen heeft gemaakt. Voor zover de vorderingen zijn gericht tegen [gedaagde sub 2] , zal de rechtbank daarom wel rekening houden met de aangevulde grondslag.

Inhoudelijke beoordeling

4.6.
De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] met inachtneming van het voorgaande, hierna inhoudelijk naar Belgisch recht, beoordelen. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat uit artikel 10:3 BW volgt dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlands procesrecht van toepassing is.

Verklaring voor recht

4.7.
[eiseres] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat Birand en [gedaagde sub 2] ieder aansprakelijk zijn, althans dat Birand dan wel [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van een schending van de op Birand en [gedaagde sub 2] rustende zorgplicht overeenkomstig artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Aangezien Belgisch recht van toepassing is, is deze vordering in ieder geval niet toewijsbaar voor zover de verklaring voor recht ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat Birand en / of [gedaagde sub 2] een uit het Nederlands recht voortvloeiende zorgplicht hebben geschonden. De rechtbank zal hierna beoordelen of de vordering voor het overige wel toewijsbaar is naar Belgisch recht.

Aansprakelijkheid van Birand en / of [gedaagde sub 2] ?

4.8.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Birand en [gedaagde sub 2] gezamenlijk aansprakelijk zijn voor door haar geleden schade, dan wel dat Birand of [gedaagde sub 2] hiervoor aansprakelijk is. Daarbij geldt dat volgens [eiseres] zowel sprake is van contractuele aansprakelijkheid als van buitencontractuele aansprakelijkheid. Hiervoor is al geoordeeld dat en op grond waarvan ten aanzien van Birand uitsluitend de contractuele aansprakelijkheidsgrondslag wordt beoordeeld. De rechtbank zal hierna beoordelen of Birand en / of [gedaagde sub 2] een uit een overeenkomst naar Belgisch recht voortvloeiende zorgplicht hebben geschonden.

Contractuele aansprakelijkheid Birand en / of [gedaagde sub 2] ?

4.9.
[eiseres] stelt in haar akte dat tussen haar en Birand en / of [gedaagde sub 2] een contractuele “relatie” bestaat. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] hiermee bedoelt dat tussen haar en Birand en / of [gedaagde sub 2] een overeenkomst bestaat. Voor de rechtbank is niet duidelijk of [eiseres] , daar waar zij stelt dat zowel tussen haar Birand als tussen haar en [gedaagde sub 2] een “relatie” bestaat, vindt dat tussen hen één en dezelfde overeenkomst bestaat of dat zij vindt dat tussen haar en Birand enerzijds en tussen haar en [gedaagde sub 2] anderzijds verschillende overeenkomsten bestaan. Ook stelt [eiseres] niet wat de aard en inhoud is van deze overeenkomst(en). Zij stelt enkel dat Birand en / of [gedaagde sub 2] zich op grond van die overeenkomst(en) hebben verbonden om te handelen naar de regels van de kunst. Daarnaast rust volgens [eiseres] op grond van die overeenkomst(en) op Birand en / of [gedaagde sub 2] de verplichting om de zorg te leveren die van een normaal bekwaam en voorzichtig arts mag worden verwacht. Aan die verplichting hebben zij niet voldaan als het gaat om de nazorg. Deze was gebrekkig, aldus [eiseres] . Hieruit leidt de rechtbank af dat [eiseres] zich op het standpunt stelt dat zij met Birand en / of [gedaagde sub 2] een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten.

4.10.
Birand en [gedaagde sub 2] betwisten allebei dat zij met [eiseres] een overeenkomst hebben gesloten.

Toetsingskader

4.11.
Om voor recht te kunnen verklaren dat Birand en / of [gedaagde sub 2] aansprakelijk zijn voor door [eiseres] geleden of nog te lijden schade op grond van een schending van een op grond van een overeenkomst met [eiseres] op hen rustende zorgplicht, moet allereerst naar Belgisch recht vast komen te staan dat [eiseres] met Birand en / of [gedaagde sub 2] een overeenkomst heeft gesloten. Vervolgens moet vast komen te staan dat op grond van die overeenkomst op Birand en / of [gedaagde sub 2] de door [eiseres] gestelde zorgplicht rust. Ten slotte moet vast komen te staan dat Birand en / of [gedaagde sub 2] die zorgplicht hebben geschonden. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het op de weg van [eiseres] ligt om de feiten en omstandigheden te stellen die nodig zijn om het door haar ingeroepen rechtsgevolg te dragen. Daarnaast ligt het op haar weg om haar stellingen, in het geval van betwisting daarvan, voldoende te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.

Bestaat een overeenkomst tussen [eiseres] en Birand?

4.12.
De rechtbank beantwoordt de vraag of tussen [eiseres] en Birand een overeenkomst bestaat, ontkennend. [eiseres] heeft in het licht van de betwisting daarvan door Birand onvoldoende onderbouwd dat zij met Birand een overeenkomst heeft gesloten, laat staan dat op grond van die overeenkomst op Birand de verplichting rust om aan [eiseres] de zorg te leveren die van een normaal bekwaam en voorzichtig arts mag worden verwacht. [eiseres] heeft niet meer gesteld dan dat een contractuele relatie met Birand bestaat. Zij heeft, hoewel dat wel op haar weg lag, in het geheel geen feiten of omstandigheden aangedragen op basis waarvan naar Belgisch recht kan of moet worden geoordeeld dat die overeenkomst tot stand is gekomen. Tegenover de blote stelling van [eiseres] staat dat Birand het bestaan van een overeenkomst met [eiseres] gemotiveerd betwist. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de medisch specialisten op zelfstandige basis bij haar werkzaam zijn. Birand levert, zo betoogt zij, de ruimtes in de kliniek en het ondersteunend personeel. De medisch specialist sluit volgens Birand zelf een medische behandelingsovereenkomst met de patiënt. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat tussen [eiseres] en Birand een overeenkomst tot stand is gekomen.

4.13.
Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is voor zover deze is gebaseerd op het bestaan van een overeenkomst tussen [eiseres] en Birand. Dit geldt zowel voor de stelling dat Birand en [gedaagde sub 2] allebei aansprakelijk zijn, als voor de stelling dat alleen Birand tekort is geschoten in de nakoming van een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis. Aangezien hiervoor is geoordeeld dat de rechtbank niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of Birand buitencontractueel aansprakelijk is jegens [eiseres] , is de gevorderde verklaring voor recht ook niet toewijsbaar op deze grondslag.

Tussenconclusie

4.14.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiseres] in ieder geval zullen worden afgewezen voor zover ze zijn ingesteld jegens Birand.

4.15.
De rechtbank zal hierna beoordelen of vast kan worden gesteld dat tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] een overeenkomst tot stand is gekomen.

Bestaat een overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] ?

4.16.
De vraag of tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] een overeenkomst bestaat, beantwoordt de rechtbank eveneens ontkennend. Ook hier geldt dat [eiseres] niet meer heeft gesteld dan dat een contractuele relatie met bestaat. Zij heeft, hoewel dat wel op haar weg lag, ook in de verhouding met [gedaagde sub 2] in het geheel geen feiten of omstandigheden aangedragen op basis waarvan kan of moet worden geconcludeerd dat tussen hen een overeenkomst tot stand is gekomen. Een en ander kan, zonder nadere toelichting die [eiseres] niet heeft gegeven, in ieder geval niet worden afgeleid uit het door haar als productie 1 bij dagvaarding in het geding gebrachte formulier met de kop “verklaring geïnformeerde toestemming”. Dit formulier is, zoals [gedaagde sub 2] terecht betoogt, niet door hem ingevuld en ondertekend. Verder betoogt [gedaagde sub 2] dat alle documenten (de rechtbank begrijpt: de documenten die verband houden met de operatie) zijn opgesteld door Birand en dat de communicatie via Birand verliep. [gedaagde sub 2] was, zo voert hij aan, uitsluitend een uitvoeringsagent / hulppersoon. Aangezien [gedaagde sub 2] de blote stelling van [eiseres] hiermee gemotiveerd betwist, kan niet worden geconcludeerd dat tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] een overeenkomst tot stand is gekomen.

4.17.
De rechtbank realiseert zich dat dit oordeel voor [eiseres] waarschijnlijk moeilijk te verteren zal zijn. Het staat immers tussen partijen vast dat [eiseres] op grond van een overeenkomst de operatie heeft ondergaan die aan de basis staat van deze procedure en dat er geen andere partijen dan Birand en [gedaagde sub 2] zijn waarmee die overeenkomst kan zijn gesloten. Toch zal de rechtbank voor beide aangesproken partijen apart moeten beoordelen of zij een overeenkomst met [eiseres] zijn aangegaan. De rechtbank kan dus ook niet oordelen dat met [gedaagde sub 2] is gecontracteerd ómdat dit niet met Birand is gebeurd of andersom. Bij de beoordeling komt het aan op hetgeen [eiseres] stelt en wat Birand en [gedaagde sub 2] daar elk apart tegenover stellen. De omstandigheid dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiseres] die overeenkomst met Birand en / of [gedaagde sub 2] heeft gesloten omdat [eiseres] daar onvoldoende over heeft gesteld, komt procesrechtelijk voor haar risico. De rechtbank kan niet zelf, zonder dat [eiseres] iets daarover stelt, de feiten en omstandigheden uit het dossier gaan destilleren op basis waarvan mogelijk kan worden geoordeeld dat met Birand of met [gedaagde sub 2] een overeenkomst tot stand is gekomen. Dat zou in strijd zijn met artikel 24 Rv.

4.18.
Het voorgaande brengt mee dat de gevorderde verklaring voor recht ook niet toewijsbaar is voor zover deze is gebaseerd op het bestaan van een overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] .

4.19.
De rechtbank zal hierna beoordelen of de gevorderde verklaring voor recht jegens [gedaagde sub 2] wel toewijsbaar is op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid.

Buitencontractuele aansprakelijkheid [gedaagde sub 2] ?

4.20.
[eiseres] stelt dat [gedaagde sub 2] zowel contractueel als buitencontractueel aansprakelijk is, omdat hij niet heeft gehandeld zoals een normaal bekwaam en voorzichtig arts behoort te handelen. [eiseres] heeft niet uitgewerkt hoe de contractuele en de buitencontractuele aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] zich volgens haar tot elkaar verhouden. Voor de rechtbank is niet duidelijk of de stelling van [eiseres] zo moet worden begrepen dat zij (uitsluitend) vindt dat de contractuele en de buitencontractuele aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] naast elkaar bestaan of dat zij de stelling over de buitencontractuele aansprakelijkheid ook subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde sub 2] niet contractueel aansprakelijk is, inneemt.

4.21.
Voor het geval de stelling van [eiseres] zo moet worden begrepen dat de contractuele en de buitencontractuele aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] naast elkaar bestaan, geldt het volgende. Naar Belgisch recht kan een contractspartij alleen buitencontractueel aansprakelijk worden gesteld “indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt niet alleen aan de contractuele verbintenis, maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsnorm die op hem rust en indien deze fout andere dan aan de slechte uitvoering te wijten schade heeft veroorzaakt.” Dit volgt uit het arrest van het Hof van Cassatie van 29 september 2006 (C.03.0502.N/1) en is herhaald in het arrest van het Hof van Cassatie van 2 oktober 2020 (C.20.0005.N/1). De enkele schending van een algemene zorgvuldigheidsnorm, zo dat hier al aan de orde zou zijn, is dus niet voldoende voor vaststelling van de buitencontractuele aansprakelijkheid van een contractspartij. [eiseres] stelt echter niet dat en op grond waarvan moet worden aangenomen dat de volgens haar door [gedaagde sub 2] gemaakte fout andere schade heeft veroorzaakt dan schade die aan de gestelde gebrekkige nazorg is te wijten. Integendeel, het lijkt erop dat de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden volgens haar juist wel is te wijten aan de volgens haar gebrekkige nazorg. [eiseres] heeft ook op dit punt dus niet aan haar stelplicht voldaan. De omstandigheid dat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat een overeenkomst bestaat tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] , doet hieraan niet af.

4.22.
Voor het geval [eiseres] zo moet worden begrepen dat zij zich ook subsidiair op het standpunt stelt dat [gedaagde sub 2] buitencontractueel aansprakelijk jegens haar is, geldt het volgende. [eiseres] heeft niet gesteld hoe haar rechtsverhouding met [gedaagde sub 2] in de situatie waarin geen overeenkomst tussen hen bestaat, moet worden geduid. [gedaagde sub 2] heeft de operatie van [eiseres] uitgevoerd en hij heeft de nazorg verricht, maar [eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld aan de hand waarvan kan worden beoordeeld hoe de positie van [gedaagde sub 2] zich in juridische zin verhoudt tot die van haar, ervan uitgaande dat er geen contractuele relatie is. In het verlengde hiervan heeft [eiseres] ook niet toegelicht wat een en ander betekent voor de norm die moet worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde sub 2] buitencontractueel aansprakelijk is jegens haar. Dit lag wel op haar weg. De enkele stelling dat [gedaagde sub 2] buitencontractueel aansprakelijk is, omdat hij een algemene zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden is hiervoor onvoldoende. Dit klemt te meer, omdat [gedaagde sub 2] betwist dat de door [eiseres] geformuleerde aansprakelijkheidsnorm op hem van toepassing is. [gedaagde sub 2] betoogt gemotiveerd dat hij als uitvoeringsagent of hulppersoon van Birand moet worden beschouwd. Dit standpunt heeft [gedaagde sub 2] overigens al bij conclusie van antwoord ingenomen. In het Belgisch aansprakelijkheidsrecht geniet een uitvoeringsagent of hulppersoon in beginsel “quasi-immuniteit”. Een uitvoeringsagent is in principe alleen buitencontractueel aansprakelijk in het geval de hem verweten fout geen schending is van een contractuele verbintenis, maar van een algemene zorgvuldigheidnorm. Daarnaast moet de geschonden zorgvuldigheidsnorm andere schade hebben veroorzaakt dan een louter uit de gebrekkige uitvoering van de overeenkomst voortvloeiende schade (Hof van Cassatie, 7 december 1973, Arr. Cass. 1974, 395-402). Hieruit volgt dat de schending van een algemene zorgvuldigheidnorm op zichzelf niet zonder meer voldoende is voor het aannemen van buitencontractuele aansprakelijkheid. Een en ander hangt onder andere af van de positie die degene die aansprakelijk wordt gesteld inneemt ten opzichte van degene die schade stelt te hebben geleden. Aangezien [eiseres] niets hierover heeft gesteld kan de rechtbank niet beoordelen of [gedaagde sub 2] buitencontractueel aansprakelijk is jegens haar.

4.23.
Het voorgaande brengt mee dat de gevorderde verklaring voor recht ook jegens [gedaagde sub 2] zal worden afgewezen. Dit heeft dan weer tot gevolg dat de schadevergoedingsvordering ook zal worden afgewezen, aangezien niet vast is komen te staan dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de door [eiseres] gestelde schade. De vordering die strekt tot betaling van een voorschot treft alleen al hierom hetzelfde lot. ECLI:NL:RBLIM:2021:10021


AANSPRAKELIJKHEID ROERENDE- EN ONROERENDE ZAKEN, BOMEN EN PRODUCTEN,opstal 6:174

GHARL 110122 Peuter belandt in vijver in voortuin van woning; ook in hoger beroep geen aansprakelijkheid voor eigenaar woning

in vervolg op
RBNNE 090119 Peuter belandt in vijver in voortuin van woning; geen aansprakelijkheid voor eigenaar woning

2
Waar gaat het in deze zaken om?

2.1
Op 4 oktober 2005 is de toen 19 maanden oude zoon van [appellanten] c.s., [de zoon] , uit de achtertuin van zijn door [appellanten] c.s. van De Huismeesters gehuurde woning weggegaan en terechtgekomen in een vijver in de voortuin van een even verderop gelegen woning, die door de bewoner van De Huismeesters werd gehuurd. [de zoon] is daarbij ernstig verstandelijk en lichamelijk gehandicapt geraakt.

2.2
In de zaak met nummer 200.260.937/01 staat de vraag centraal of De Huismeesters c.s. op grond van artikel 6:162 BW en/of 6:174 BW aansprakelijk zijn voor de door [de zoon] en [appellanten] c.s. geleden en nog te lijden schade, doordat De Huismeesters onvoldoende hebben gedaan om het ongeval te voorkomen en/of als eigenaar van een gebrekkige opstal aansprakelijk zijn voor het gevaar dat die opstal oplevert en zich ook heeft gerealiseerd.

2.3
In de zaak met nummer 200.260.958/01 gaat het in het principaal hoger beroep om de vraag of De Huismeesters toerekenbaar zijn tekortgeschoten in hun verplichtingen uit de huurovereenkomst met [appellanten] c.s. doordat de erfafscheiding van de door hen gehuurde woning gebrekkig was, met als gevolg dat [de zoon] de achtertuin kon verlaten.
In het voorwaardelijk principaal hoger beroep gaat het om de vraag of [appellanten] c.s. De Huismeesters c.s. dienen te vrijwaren voor alle schade ten gevolge van het ongeval, doordat [appellanten] c.s. onvoldoende toezicht hebben gehouden op [de zoon] .

2.4
De rechtbank1heeft de vorderingen van [appellanten] c.s. (voor [de zoon] en voor zichzelf) afgewezen en kwam om die reden niet toe aan de inhoudelijke behandeling van de vordering van De Huismeesters c.s. op [appellanten] c.s.

2.5
Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank en zal de vorderingen van [appellanten] c.s. en van de Huismeesters c.s. dan ook afwijzen.
Het hof zal dit oordeel hierna motiveren door eerst de relevante feiten vast te stellen en daarna in te gaan op de standpunten van partijen in hoger beroep. In dat verband zullen de bezwaren (‘grieven’) van [appellanten] c.s. tegen het vonnis van de rechtbank worden besproken.

3
Relevante feiten

3.1
[appellanten] c.s. zijn de ouders van hun zoon [de zoon] , verder te noemen [de zoon] , die is geboren [in] 2004.

3.2
Op 4 oktober 2005 woonden [appellanten] c.s. met [de zoon] en diens jongere zusje aan de [adres] 59 te [woonplaats] . De achtertuin van deze woning werd afgesloten door een ligusterhaag en was toegankelijk via een toegangspoort. [appellanten] c.s. huurden deze woning sinds1 juli 2005 van De Huismeesters. Achter de ligusterhaag loopt een pad en achter dat pad ligt een speeltuintje, dat door een haag van dat pad is gescheiden.

3.3
Schuin tegenover de door [appellanten] c.s. gehuurde woning (in een woonblok dat haaks op dat van de woning van [appellanten] c.s. staat en aan de overkant van de straat) ligt de hoekwoning aan de [adres] 39 te [woonplaats] . De woning ligt schuin tegenover het speeltuintje (aan de overzijde van de straat). Deze woning werd door De Huismeesters sinds 1997 verhuurd aan mevrouw [naam1] (hierna: [naam1] ). De voortuin van [naam1] werd van de openbare weg afgeschermd door een haag. Voor de haag - bezien vanuit de straatzijde - waren draden gespannen. De voortuin was via een (niet door een hek of iets dergelijks afgesloten) tuinpad vrij toegankelijk. In de voortuin van deze woning had [naam1] een vijver laten aanleggen. De vijver lag ongeveer 5 meter van de ingang van de voortuin, niet direct aan het tuinpad, en had een afmeting van 2,20 bij 3,35 meter en een diepte (bij volle waterstand) van 15 tot 50 centimeter (de diepte was dus niet over het gehele oppervlakte gelijk). De vijver bevond zich op dezelfde hoogte als de omliggende tuin en was niet afgeschermd met een hek of een andere afscheiding. De vijver was niet (goed) te zien vanaf de openbare weg.

3.4
De afstand van de achterzijde van de achtertuin van [appellanten] c.s. tot aan de vijver van [naam1] is hemelsbreed ongeveer 50 meter. Om vanaf die achtertuin naar de voortuin (met de vijver) van [naam1] te komen moet je het pad achter de woning van [appellanten] c.s. aflopen tot aan het trottoir, de straat oversteken en vervolgens linksaf naar de woning van [naam1] lopen, of schuin door het speeltuintje lopen en dan de straat oversteken.

3.5
[de zoon] , die toen 19 maanden oud was, is in de vooravond van 4 oktober 2005 met zijn driewieler uit de achtertuin van zijn ouderlijk huis gegaan, waarna hij in de vijver in de voortuin van [naam1] is terechtgekomen. Daar is [de zoon] omstreeks 19:00 uur door zijn moeder en [naam1] gevonden. Op dat moment lag hij met zijn gezicht onder water en had hij geen ademhaling of hartactie. Door langdurig zuurstofgebrek is [de zoon] ernstig verstandelijk, lichamelijk en visueel gehandicapt geraakt. Hij functioneert op het niveau van een kind van 11 maanden en zal de rest van zijn leven volledig afhankelijk zijn van de hulp van anderen.

4
De standpunten van partijen

De opzet van de memories van grieven

4.1
[appellanten] c.s. hebben ervoor gekozen om in hun - wel zeer uitvoerige - memories van grieven in beide zaken eerst een zeer uitgebreide beschouwing te houden over de juridische achtergronden van de zaak, waarin zij kritiek leveren op de door de rechtbank gemaakte keuzes. Na die verhandeling volgen in beide memories, nogal algemeen geformuleerde grieven tegen het vonnis van de rechtbank. Die grieven motiveren [appellanten] c.s. met een verwijzing naar de tientallen pagina’s tellende beschouwing eerder in de memorie van grieven. Aan De Huismeesters c.s. kan worden toegegeven dat deze methode niet de schoonheidsprijs verdient omdat ze De Huismeesters c.s., en het hof, dwingt om bij elke grief in de, zoals gezegd zeer uitvoerige algemene beschouwing, na te gaan wat de kritiek van [appellanten] c.s. op het vonnis van de rechtbank nu precies inhoudt. De memories hebben daardoor enigszins het karakter van een zoekplaatje.

4.2
Toch is het met wat goede wil mogelijk om de weg te vinden in de memories van [appellanten] c.s., omdat zij hun beschouwing wel min of meer systematisch hebben opgebouwd en ook hebben onderverdeeld in subonderdelen. Uit de memories van antwoord van De Huismeesters c.s. volgt dat De Huismeesters erin zijn geslaagd om adequaat te reageren op de stellingen van [appellanten] c.s. Uit hun memories blijkt ook dat voor hen - wellicht na enig speurwerk, maar dan toch - duidelijk is welke bezwaren [appellanten] c.s. hebben tegen het vonnis van de rechtbank.

4.3
De grieven hoeven niet aan bepaalde vormvereisten te voldoen. Voldoende is dat uit de memorie van grieven voldoende duidelijk blijkt op welke gronden appellant meent dat de bestreden uitspraak onjuist is2. Aan dat vereiste is gelet op wat hiervoor is overwogen voldaan.

4.4
Overigens zal het hof het geschil tussen partijen niet aan de hand van de (als zodanig benoemde) grieven van [appellanten] c.s. maar thematisch bespreken. Het hof zal daarbij uiteraard uitgaan van wat partijen over de verschillende thema’s in hun memories - ongeacht in welk onderdeel van de memories - hebben aangevoerd.

Debat over de feiten

4.5
Bij wat het hof hiervoor heeft overwogen over de feiten heeft het rekening gehouden met wat partijen over en weer hebben aangevoerd. Partijen verschilden allereerst van mening over de vraag wat de afstand tussen de achtertuin van de woning van [appellanten] c.s. en de vijver in de voortuin van de woning van [naam1] is. De Huismeesters c.s. hebben hun stelling gebaseerd op een rapport van [naam2] , waarin met behulp van kaarten de afstand is berekend. [appellanten] c.s. hebben dit rapport in hoger beroep niet gemotiveerd weersproken, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Uit dat rapport blijkt dat wanneer [de zoon] in een rechte lijn vanaf de achterzijde van de tuin van [appellanten] c.s. naar de voortuin van [naam1] is gelopen (hij is dan het speeltuintje dwars overgestoken) hij een afstand van 46 meter heeft overbrugd. De 5 meter tot de vijver komen daar nog bij. Wanneer hij het pad achter de woning van zijn ouders is afgelopen, de straat is overgestoken en vervolgens over het trottoir naar de voortuin van [naam1] is gelopen (in feite: op zijn driewieler heeft gereden), heeft hij een afstand van iets minder dan 60 meter overbrugd, waar de 5 meter tot aan de vijver dan nog bijkomen.

4.6
Op de door [appellanten] c.s. overgelegde foto’s van de voortuin van [naam1] zijn paaltjes zichtbaar waaraan draden zijn gespannen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de tuin niet alleen van de straat werd afgeschermd met een (lage) haag, maar ook met draden. Dat volgt trouwens ook uit enkele door [appellanten] c.s. overgelegde verklaringen van omwonenden. In die verklaringen is ook aangegeven dat de vijver vanaf de straat niet zichtbaar was. Verschillende foto’s bevestigen dat en tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellanten] c.s. ook aangegeven dat ervan kan worden uitgegaan dat de vijver niet zichtbaar was vanaf de straat.

4.7
Partijen verschillen van mening over de vraag of er een of twee paden liepen vanaf de vijver naar het pad tussen het trottoir en de voordeur van de woning van [naam1] . Het hof gaat er, met [appellanten] c.s., vanuit dat sprake is van twee paden, een pad dat aan het begin van het pad aftakt in de richting van de vijver en een pad dat aan het eind, dicht bij de voordeur, aftakt. De beide paden zijn ook zichtbaar op een door [appellanten] c.s. overgelegde overzichtsfoto die is gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden en (wat minder duidelijk) op een foto bij een nieuwsitem van SBS.

4.8
Het hof gaat er vanuit dat [de zoon] de achtertuin van de woning van zijn ouders heeft verlaten, vervolgens - of schuin via het speeltuintje of via het pad en het trottoir voor het blok met de woning van [naam1] ; dat blijft onduidelijk - bij de voortuin van de woning van [naam1] is gekomen en via het pad en een van de zijpaden bij de rand van de vijver is beland en vervolgens in het water is terechtgekomen. Zijn driewieler stond naast de vijver, dus [de zoon] zal op zijn driewieler naar de vijver zijn toegereden. Het hof acht het niet waarschijnlijk dat [de zoon] door de haag van de voortuin is gereden. Het is maar de vraag of dat, gelet op de draden, mogelijk was.

4.9
Hoelang [de zoon] in de vijver heeft gelegen, kan achteraf niet goed worden vastgesteld. Partijen verschillen op dat punt van mening. Voor de aansprakelijkheid van De Huismeesters c.s. is dat niet relevant, zodat het hof dat ook in het midden kan laten. Dat geldt trouwens ook voor het antwoord op de vraag hoelang [de zoon] er over heeft gedaan om van de achtertuin van het huis van zijn ouders in de voortuin (en de vijver) van [naam1] te belanden en welke weg hij precies heeft afgelegd.

Rechtsinbreuk?

4.10
[appellanten] c.s. hebben aan hun stelling dat De Huismeesters onrechtmatig jegens [de zoon] gehandeld heeft allereerst ten grondslag gelegd dat De Huismeesters inbreuk hebben gemaakt op een subjectief recht. De rechtbank heeft dat betoog van [appellanten] c.s. verworpen. Volgens de rechtbank is, zo begrijpt het hof het oordeel van de rechtbank, geen sprake van een rechtstreekse inbreuk. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat [appellanten] c.s. De Huismeesters nalatigheid verwijten en dat een nalaten niet kan kwalificeren als een rechtsinbreuk. [appellanten] c.s. hebben enerzijds (met grief 2) bezwaar gemaakt tegen dit oordeel. Anderzijds hebben zij in hoofdstuk 2 van hun memorie van grieven, waarnaar zij in de toelichting op deze grief verwijzen, aangegeven dat het oordeel van de rechtbank dat nalaten niet kan kwalificeren als een rechtsinbreuk juist is. Daarmee hebben zij hun bezwaar tegen dit oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Strijd met een wettelijke plicht?

4.11
[appellanten] c.s. hebben vervolgens aangevoerd dat De Huismeesters in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht. De rechtbank heeft ook die stelling verworpen. [appellanten] c.s. zijn het niet met dit oordeel eens. Volgens hen heeft De Huismeesters in strijd gehandeld met artikel 1a Woningwet, artikel 12 e.v. Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH), artikel 4:7 APV Groningen en artikel 5.1.1 lid 2 en 7.3.2 Bouwverordening gemeente Groningen.

4.12
Het beroep van [appellanten] c.s. op artikel 1a Woningwet gaat niet op, omdat deze bepaling pas op 1 april 2007, dus na het ongeval, is ingevoerd. Dat dit artikel de codificatie is van een eerder bestaande verplichting is, zoals [appellanten] c.s. betogen (overigens zonder dat te onderbouwen), doet er niet aan af dat van een wettelijke verplichting op 4 oktober 2004 (nog) geen sprake was, zodat indien De Huismeesters al gehandeld heeft met de (later) in artikel 1a Woningwet vastgelegde verplichting zij daarmee niet gehandeld hebben in strijd met een wettelijke plicht, als bedoeld in artikel 6:162 lid 1 BW.

4.13
Ook het beroep op het BBSH faalt bij gebrek aan onderbouwing. Deze, inmiddels ingetrokken, algemene maatregel van bestuur droeg toegelaten instellingen, als De Huismeesters, op haar middelen zo in te zetten dat zo veel mogelijk wordt voldaan aan de eisen die ter plaatse in het belang van de huisvesting van de bevolking redelijkerwijs kunnen worden gesteld aan de kwaliteit van de woongelegenheden (artikel 12) en verplichtte deze instellingen bij te dragen aan de leefbaarheid in buren en wijken waar haar woningen zijn gelegen (artikel 12a ). [appellanten] c.s. heeft niet toegelicht waarom de aanwezigheid van de vijver in de tuin van een door De Huismeesters verhuurde woning, zelfs als deze vijver gevaarlijk zou zijn, er toe leidt dat De Huismeesters in strijd met deze (inspannings)verplichting heeft gehandeld.

4.14
Het eerste deel van artikel 5.1.1 lid 2 van de destijds geldende Groninger Bouwverordening bepaalt dat open erven en terreinen geen gevaar mogen opleveren voor de veiligheid. [appellanten] c.s. halen dat eerste deel aan, maar verzuimen het tweede deel te vermelden, waarin is bepaald dat het dan moet gaan om vijf categorieën gevaren, te weten gevaren vanwege drassigheid, stank, verontreiniging, aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte of aanwezigheid van begroeiing. Daargelaten of de voortuin van een woning als een open erf in de zin van deze bepaling kan worden gezien, de aanwezigheid van een vijver is niet een van de in artikel 5.1.1 lid 2 omschreven categorieën.
Artikel 7.3.2 van de Groninger Bouwverordening ziet evenmin op de aanwezigheid van een vijver, maar op het plaatsen van voorwerpen of stoffen bij een bouwwerk of een open terrein, waardoor overlast of hinder voor anderen kan ontstaan.
Artikel 4:7 van de destijds geldende APV Groningen, ten slotte, maakt onderdeel uit van paragraaf 4.2 van de APV, met bepalingen over bodem-, weg- en milieuverontreiniging. De bepaling volgt op een bepaling over straatvegen ( 4.6 APV Groningen). Deze plaatsing, in combinatie van de tekst van de bepaling – “sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen”- pleiten tegen de stelling van [appellanten] c.s. dat de bepaling ziet op de veiligheid van vijvers in de tuinen van particuliere woningen.

4.15
De conclusie is dat [appellanten] c.s. hun stelling dat De Huismeesters in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht onvoldoende hebben onderbouwd.

Gebrekkige opstal

4.16
[appellanten] c.s. hebben ook het standpunt ingenomen dat De Huismeesters in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (kort gezegd: onzorgvuldig) hebben gehandeld door toestemming te verlenen voor de aanleg van de vijver en de door de aanwezigheid van de aan de vijver inherente gevaarlijke situatie te gedogen. Subsidiair hebben zij aangevoerd dat De Huismeesters c.s. als bezitter van een gevaarlijke - en dus gebrekkige - opstal, de vijver, aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is doordat het gevaar zich ook heeft verwezenlijkt.

4.17
Bij de bespreking van deze stellingen van [appellanten] c.s. gaat het hof er, met partijen vanuit, dat de vijver een opstal in de zin van artikel 6:174 BW is. Dat betekent dat de meer-subsidiaire grondslag, de aansprakelijkheid van een gebrekkige zaak (artikel 6:173 BW), niet aan de orde is en verder onbesproken kan blijven.

4.18
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het er, terecht, over eens zijn dat voor beide in 4.16 vermelde juridische grondslagen cruciaal is of de vijver inderdaad gebrekkig is. Indien dat het geval is, is voor het antwoord op de vraag of De Huismeesters c.s. aansprakelijk zijn, de juridische grondslag - gevaarzetting en artikel 6:162 BW of opstalaansprakelijkheid en artikel 6:174 BW - niet relevant, omdat in dit geval niet ter discussie staat dat indien inderdaad sprake is van een gebrekkige opstal De Huismeesters met dat gebrek en het daaraan verbonden gevaar bekend was of kon zijn.

4.19
Een opstal is volgens de tekst van artikel 6:174 BW gebrekkig als deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert. Bij het antwoord op de vraag of een opstal voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, komt het aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikciteria’3. Het gaat er daarbij in de kern om of sprake is van een voldoende niveau van veiligheid. Om te kunnen vaststellen of dat het geval is, moet het risico worden afgewogen tegen de te nemen voorzorgsmaatregelen. Voor het risico zijn van belang de kans op schade en de mogelijke ernst en omvang ervan en ook het te verwachten gebruik van de opstal. Voor het beperken van het risico zijn de aard en de functie van de opstal van belang, en ook de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen. Hieruit volgt dat niet iedere kans op schade verplicht tot het treffen van maatregelen.

4.20
Het gaat in dit geval om een vijver in een voortuin bij een woning, dus om een vijver op privéterrein. De tuin was wel vrij toegankelijk via het niet-afgesloten pad van de deur naar het trottoir en kon, met enige moeite, ook door of tussen de haag bereikt worden, maar was duidelijk afgescheiden van de openbare ruimte. De voortuin was dan ook niet bedoeld voor publiek gebruik. Het pad naar de voordeur, dat ook toegang gaf tot de vijver, was slechts bedoeld voor personen die in de woning woonden, er een bezoek wilden brengen of er wat wilden bezorgen, niet voor willekeurige passanten.

4.21
Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de vijver ten tijde van het ongeval helemaal gevuld was, was de vijver op het diepste punt 50 cm diep. Daarmee was de vijver niet in zijn algemeenheid gevaarlijk. Dat is anders voor zeer jonge kinderen die niet door een ouder(e) werden begeleid en dus niet onder toezicht van een ouder(e) verkeren. Voor die categorie kinderen was de vijver, zoals ook uit het door [appellanten] c.s. overgelegde advies van de partijdeskundige dr. [de deskundige] , deskundige op het gebied van verdrinkingen (hierna: [de deskundige] ), blijkt juist zeer gevaarlijk, omdat indien zo’n kind in de vijver terechtkomt de kans groot is dat het fataal afloopt. [de deskundige] schrijft in dit verband onder meer:
Zeker van peuters is bekend dat zij, eenmaal onder water, zich van geen gevaar bewust zijn en rustig op de bodem blijven liggen tot ze bewusteloos zijn. Mocht [de zoon] zich hebben willen oprichten dan zal dit door de aanwezigheid van de vele waterplanten en de modder op de bodem niet mogelijk zijn geweest. Het beeld dat een peuter die in een vijver valt, net als een volwassene met een nat pak zou opstaan, klopt niet. Zo’n peuter is ten dode opgeschreven als niemand het kind boven water haalt.”
Bovendien is een vijver, zoals ook volgt uit het rapport van [de deskundige] , interessant voor peuters. De combinatie van de interesse opwekkend en het gevaar, maakt dat de vijver zeer gevaarlijk was voor onbegeleide peuters, als [de zoon] .

4.22
Anders dan [appellanten] c.s. acht het hof de kans dat een onbegeleide peuter in de vijver zou terechtkomen zeer klein. Daarbij is allereerst de situering van de vijver van belang. De vijver bevond zich, zoals hiervoor is aangegeven, op privéterrein. De vijver lag ook niet direct bij de ingang van de tuin, direct aan het pad tussen het trottoir en de voordeur, maar aan de zijpaden, 5 meter de tuin in. Het staat bovendien vast dat de vijver vanaf de straat niet te zien was. [de deskundige] gaat er in zijn rapport ten onrechte vanuit dat de vijver (voor een peuter) wel zichtbaar was vanaf de straat. In zijn beoordeling van het risico van de vijver is dat, blijkt uit zijn antwoord op vraag 7, van wezenlijk belang. Hij schrijft in dat verband onder meer:
Te meer daar de vijver in een voortuin ligt, en daarmee interessant is voor kinderen indien ze de vijver op kinderooghoogte kunnen waarnemen. Daarnaast blijkt de vijver vrij toegankelijk te zijn en is er zelfs geen enkele maatregel genomen die de toegang tot het water moeilijker kan maken, laat staan onmogelijk. De interesse en vervolgens de toegang die er voor de peuter bleek te bestaan zal er ook bij iedere andere peuter van zijn leeftijd zijn geweest.
[de deskundige] heeft het weliswaar over kinderooghoogte, maar [appellanten] c.s. hebben niet gesteld, en dat is gelet op de overgelegde foto’s ook niet aannemelijk, dat de vijver op kinderooghoogte wel zichtbaar was vanaf de straat/het trottoir, maar op volwassenooghoogte niet.
Het ging dan ook om een vanaf de straat/het trottoir niet zichtbare vijver op privéterrein. Alleen wie zich op het privéterrein van [naam1] begaf, kon de vijver zien en zich er, indien het een peuter betrof, toe aangetrokken voelen.

4.23
Vervolgens is van belang dat de kans dat een onbegeleide peuter in de voortuin van [naam1] terecht zou komen en dus de vijver zou kunnen waarnemen en er vervolgens naar toeloopt en er in belandt - vooraf beschouwd - uiterst klein is. Dat wordt niet anders doordat de woning van [naam1] , zoals [appellanten] c.s. hebben aangevoerd, in een kinderrijke wijk ligt. Peuters zijn doorgaans alleen onder begeleiding op straat te vinden. Ze kunnen dan aan de aandacht van hun begeleider(s) ontsnappen en even hun eigen weg zoeken, maar de kans dat ze daarbij een bepaalde, voor hen niet bijzonder aantrekkelijke, voortuin - willekeurig welke - inlopen is verwaarloosbaar klein, zelfs als die voortuin schuin tegenover een aan de overkant van de straat gelegen speeltuintje ligt.
c.s. hebben weliswaar aangevoerd dat eerder twee jonge kinderen in de vijver terecht zijn gekomen, maar ook als daarvan wordt uitgegaan - De Huismeesters c.s. hebben dat bestreden - is onduidelijk of het om jonge kinderen ging die, net als [de zoon] , niet begeleid werden. Het feit dat deze kinderen er kennelijk met een nat pak vanaf zijn gekomen wijst er, mede gezien het rapport van [de deskundige] , juist op dat deze kinderen wel begeleid werden of dat toezicht nabij of in de buurt was.

4.24
Het hof volgt [de deskundige] dan ook niet in diens oordeel dat de kans dat een onbegeleide peuter in een vijver in een voortuin terechtkomt reëel is. Dit oordeel van [de deskundige] is niet gebaseerd op, verifieerbare, informatie over het aantal keren dat onbegeleide peuters in het verleden zijn terechtgekomen in vijvers in voortuinen, met ernstig letsel of de dood als gevolg. [de deskundige] heeft weliswaar algemene informatie verstrekt over het aantal in en om het huis verdronken zeer jonge kinderen in Nederland - gemiddeld vier per jaar - en heeft aangegeven dat de verhouding tussen dodelijke en niet dodelijke slachtoffers niet precies bekend is, maar dat het goed verdedigbaar is om een verhouding van 1:10 te hanteren. Daarvan uitgaande, gaat het in Nederland gemiddeld om 40 situaties per jaar met ernstig letsel. Het gaat dan wel om alle (bijna) verdrinkingen in en om het huis, dus ook om verdrinkingen in bad en in een zwembad. In hoeveel van die situaties sprake is van het (bijna) verdrinken van een kind in een vijver, vermeldt [de deskundige] niet, evenmin in hoeveel gevallen het (bijna) verdronken kind zich ‘bij toeval’ bevond op het erf van een ander. Uit het rapport van [de deskundige] leidt het hof af dat zulke gedetailleerde informatie ook niet beschikbaar is. Het ligt naar het oordeel van het hof veel meer voor de hand , en zal ook veel vaker voorkomen, dat een jong kind in de eigen tuin of het eigen huis even zonder toezicht is, dan dat een jong kind zonder begeleiding in de tuin van een ander terechtkomt. Het gaat in dit geval juist om de kans op die laatste situatie.

4.25
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de vijver zeer gevaarlijk is voor onbegeleide, (zeer) jonge kinderen, maar dat de kans dat die kinderen in de vijver terechtkomen uiterst klein is. Het gaat dus om een uiterst kleine kans op een groot gevaar. Per saldo is het risico - door [de deskundige] gedefinieerd als: “Kans x Impact” - dus gering. Naar het oordeel van het hof is dat risico ook zo gering dat op zich betrekkelijk eenvoudig te treffen risicobeperkende maatregelen, zoals het afsluiten van het pad naar de voordeur met een toegangshek, het aanbrengen van barrières om de vijver en/of van een veiligheidsnet in de vijver, achterwege konden blijven. Niet iedere kans op schade verplicht immers tot het treffen van maatregelen.

4.26
De conclusie is dat de vijver geen gebrekkige opstal is en dat De Huismeesters c.s. dus noch op grond van het feit dat De Huismeesters bezitter is van de vijver noch van gevaarzetting aansprakelijk is voor de schade ten gevolge het aan [de zoon] overkomen ongeval.

Tekortkoming in de huurovereenkomst?

4.27
[appellanten] c.s. hebben ook nog aangevoerd dat De Huismeesters (dus niet ook Achmea) aansprakelijk is voor de schade die zijzelf (dus niet ook [de zoon] ) geleden heeft doordat De Huismeesters toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Volgens [appellanten] c.s. was de haag om de achtertuin van de door hen van De Huismeesters gehuurde woning niet volledig dicht. [de zoon] kon er doorheen komen met zijn driewieler. Het feit dat de achtertuin niet volledig kon worden afgesloten vormt een gebrek in het gehuurde, in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW. Vanwege dit gebrek kon [de zoon] uit de achtertuin ontsnappen, met alle fatale gevolgen van dien, aldus [appellanten] c.s.

4.28
Het hof volgt [appellanten] c.s. niet in dit betoog. Op grond van artikel 7:204 lid 2 BW is een gebrek een staat of eigenschap van de gehuurde zaak, in dit geval een woonhuis, waardoor dat woonhuis aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst mag verwachten van een goed onderhouden woonhuis. In dit geval bestond de erfafscheiding bij de achtertuin van de woning van [appellanten] c.s. bij het aangaan van de huurovereenkomst, net als die van de andere woningen in de rij waarvan de woning deel uitmaakte uit een ligusterhaag. Een afsluitbare toegangspoort in die haag gaf toegang tot de achtertuin. [appellanten] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat deze erfafscheiding in die zin gebrekkig was, dat zij hun niet het genot verschafte die zij bij het aangaan van de overeenkomst mochten verwachten. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] aangegeven dat er geen gat in de haag zat. Kennelijk was de op zichzelf dichte haag niet ondoordringbaar, omdat het mogelijk is gebleken dat [de zoon] met zijn driewieler door de haag uit de achtertuin kon komen. Maar dat betekent nog niet dat sprake is van een gebrek in het gehuurde. Dat zou alleen anders zijn indien [appellanten] c.s. bij het aangaan van de overeenkomst mochten verwachten dat de haag volledig kindveilig zou zijn, in die zin dat de achtertuin door de haag en de toegangspoort hermetisch afgesloten konden worden. [appellanten] c.s. hebben niet duidelijk gemaakt op grond waarvan zij dat mochten verwachten. Zij mochten bij het aangaan van de overeenkomst een erfafscheiding verwachten zoals zij die toen aantroffen, een ligusterhaag met toegangspoort. Zij mochten ook verwachten dat deze erfafscheiding hun het genot zou verschaffen dat hoort bij een erfafscheiding bestaande uit een ligusterhaag met een toegangspoort. Dat genot heeft De Huismeesters hun ook verschaft. Dat [de zoon] desondanks door de haag uit de tuin kon komen, doet daaraan niet af. Kennelijk is het mogelijk dat kleine kinderen ook door een goed onderhouden ligusterhaag waarin geen gaten zitten naar buiten kunnen komen.

4.29
Het hof volgt [appellanten] c.s. niet in het betoog dat De Huismeesters ervoor diende te zorgen dat de erfafscheiding kindveilig was, omdat het De Huismeesters bekend was dat [appellanten] c.s. het huis met kleine kinderen gingen bewonen. Het is aan de huurders om in of aan een op zich voor normaal gebruik geschikte huurwoning desgewenst (veiligheids)voorzieningen aan te brengen met het oog op het gebruik van de woning door een gezin met kleine kinderen. Dat kunnen bijvoorbeeld traphekjes zijn, stopcontactbeveiligers, maar ook gaas aan de onderzijde van een ligusterhaag die dient als erfafscheiding. Indien de verhuurder deze voorzieningen niet heeft aangebracht, is nog geen sprake van een gebrek, tenzij de huurder en de verhuurder het aanbrengen van die voorzieningen zijn overeengekomen. In dat laatste geval mag de huurder het genot van die voorzieningen verwachten. Dat een dergelijke afspraak is gemaakt, hebben [appellanten] c.s. niet gesteld.

4.30
De conclusie is dat geen sprake is van een gebrek in het gehuurde. Ook deze grondslag van de vordering van [appellanten] c.s. leidt niet tot toewijzing van hun vorderingen. Om die reden kunnen de stellingen van partijen over het causale verband tussen dit gebrek en de schade van [appellanten] c.s. onbesproken blijven en hoeft de grief van [appellanten] c.s. op dit punt niet te worden behandeld.

Bewijs

4.31
[appellanten] c.s. hebben op veel punten bewijs aangeboden. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hof niet toekomt aan bewijslevering door getuigen en/of deskundigen. Het hof is, voor zover de stellingen van [appellanten] c.s. over de feiten voldoende onderbouwd waren uitgegaan van de door [appellanten] c.s. gestelde feiten, zodat bewijs over die feiten achterwege kan blijven. Voor zover het aanbod tot het leveren van bewijs ziet op andere feitelijke aspecten, zijn die voor de beoordeling van het geschil niet relevant en kan bewijslevering ook achterwege blijven. Het hof ziet ook geen reden een deskundige op het gebied van verdrinkingsgevaar en/of een veiligheidsdeskundige te benoemen of om [de deskundige] te horen, zoals [appellanten] c.s. voorstellen. [appellanten] c.s. hebben niet toegelicht wat [de deskundige] meer of anders kan verklaren dan hij in zijn rapport al naar voren heeft gebracht.

Ten slotte

4.32
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] aangegeven - zo heeft het hof hem begrepen - de gedachte onverdraaglijk te vinden dat De Huismeesters niet aansprakelijk zijn voor het noodlottige ongeval dat [de zoon] is overkomen, omdat in dat geval hij en zijn vrouw (al dan niet juridisch) verantwoordelijk zouden zijn voor het ongeval. Het hof begrijpt dat deze gedachte [appellanten] c.s., die iedere dag met de gevolgen van het ongeval worden geconfronteerd, niet loslaat. Het hof is zich ervan bewust die gedachte niet te kunnen wegnemen, maar merkt wel op dat een ‘of-of redenering’ geen recht doet aan de werkelijkheid. Juristen spreken in dit soort situaties over een ongelukkige samenloop van omstandigheden, om aan te geven dat er iets vreselijk is misgegaan zonder dat iemand daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

Conclusies

4.33
De grieven van [appellanten] c.s. in beide zaken falen. Hun vorderingen zijn niet toewijsbaar. Bij deze stand van zaken kan het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van De Huismeesters onbesproken blijven. Aan de voorwaarde voor het instellen van het incidenteel hoger beroep is immers niet voldaan. ECLI:NL:GHARL:2022:135


AANSPRAKELIJKHEID DIVERS, varia
AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, trein, tram, bus en scheepsongevallen, landbouwvoertuigen

GHARL 110122 botsing trein en op overweg stilgevallen tractor; deskundigenonderzoek tzv claim op dealer

in vervolg op:
GHARL 130421
 botsing trein en op overweg stilgevallen tractor; claim op producent tractor (afgewezen) tzv dealer volgt deskundigenonderzoek

2
2.
De verdere beoordeling van het geschil

2.1
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat en waarom het ervan uitgaat dat de tractor op de overweg stil is komen te staan vanwege de door de deskundigen van HAN vastgestelde knik in de brandstofleiding van de tractor (5.10). Het hof heeft verder overwogen dat Vivat nog niet heeft bewezen dat de monteur van [geïntimeerde] bij de (garantie)werkzaamheden van november 2007 een fout heeft gemaakt en dat daardoor de knik in de brandstofleiding is ontstaan en dat het hof op dit punt behoefte heeft aan voorlichting door een of meer deskundigen. Het hof heeft ook al een aantal aan de deskundige(n) te stellen vragen geformuleerd (5.15).

2.2
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het aantal en de persoon van de deskundige(n), de te stellen vragen en het voorschot op de kosten. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2.3
Partijen zijn het eens over de benoeming van één deskundige, de heer ing. [de deskundige] . Ing. [de deskundige] heeft aangegeven vrij te staan tegenover partijen en heeft zich bereid verklaard een benoeming tot deskundige te aanvaarden. Het hof zal hem tot deskundige benoemen.

2.4
Het hof zal de kosten op het voorschot van de kosten van ing. [de deskundige] op basis van de door hem gegeven prognose (25 uur à € 105,- ex BTW) vaststellen op € 3.250,- . Omdat de bewijslast van haar stelling dat een monteur van [geïntimeerde] een fout heeft gemaakt en de tractor daardoor stil is komen te staan op Vivat rust, en de deskundige op dit punt onderzoek zal doen, zal het hof Vivat belasten met het voorschot op de kosten van de deskundige. Indien partijen zich niet kunnen vinden in dit voorschot, kunnen zij dat laten weten, waarna het hof op hun bezwaren zal beslissen.

2.5
In het tussenarrest heeft het hof de volgende vragen geformuleerd:
a. Door welke oorzaken kan de knik in de brandstofleiding, die door de onderzoekers van HAN is vastgesteld, zijn ontstaan?
b. Kan een dergelijke knik (ook) zijn ontstaan bij de reparatie die in november 2007 heeft plaatsgevonden?
Zo ja, op welke manier en zou dat bij zorgvuldige uitvoering van de reparatie zijn voorkomen?
c. Als een dergelijke knik bij de reparatie ontstaat, hoe groot is de kans dat dit wordt ontdekt wanneer de tractor na de reparatie op vol vermogen wordt getest?
Zijn er andere manieren om na de reparatie te testen of een knik in de brandstofleiding is ontstaan?
d. Als een dergelijke knik bij de reparatie ontstaat, hoe lang duurt het dan naar verwachting dat bij intensief gebruik van de tractor problemen zich in de brandstoftoevoer voordoen?
e. Hoe groot acht u de kans, gelet op wat u heeft vastgesteld over de mogelijke oorzaken van het ontstaan van de vastgestelde knik in de brandstofleiding en het gebruik dat van de tractor is gemaakt, dat de knik bij de reparatiewerkzaamheden is ontstaan? Speelt bij uw oordeel een rol dat ook in de slang van de airco een knik is ontstaan?
f. Geeft uw onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen die mogelijk van belang zijn voor het oordeel over het geschil tussen partijen?
Partijen hebben aangegeven met deze vragen te kunnen instemmen en ing. [de deskundige] heeft verklaard met deze vragen uit de voeten te kunnen, zodat het hof hem deze vragen zal voorleggen.

2.6
[geïntimeerde] heeft daarnaast aanvullende vragen geformuleerd. Vivat heeft tegen deze aanvullende vragen bezwaar gemaakt. Het hof zal de aanvullende vragen van [geïntimeerde] hierna bespreken.

2.7
Vraag a van [geïntimeerde] ziet op mogelijke andere oorzaken van het ongeval dan een knik in de brandstofleiding. Met deze vraag wil [geïntimeerde] terugkomen op de bindende eindbeslissing van het hof op het geschil tussen partijen over de oorzaak van het stil komen staan van de tractor op de overweg. Het hof ziet daar geen reden voor en zal de vraag dan ook niet overnemen.
Vraag b van [geïntimeerde] komt overeen met de vragen a en b van het hof. In de door [geïntimeerde] geformuleerde subvragen wordt een aantal mogelijke oorzaken gesuggereerd. Het hof gaat ervan uit dat de deskundige die mogelijke oorzaken zal betrekken bij zijn onderzoek. Het hof merkt daarbij wel op dat de subvragen over het (al dan niet verantwoorde) ‘rijgedrag’ van de chauffeur het bestek van het onderzoek van de deskundige te buiten gaan. Dat geldt ook voor de op speculaties gebaseerde vraag over het ‘sleutelen’ of een andere eigen handeling aan de tractor door de chauffeur of een andere medewerker van Westo. De deskundige kan deze subvragen/opmerkingen sowieso buiten beschouwing laten.
Bij zijn antwoord op het tweede deel van vraag b en op vraag c van het hof kan de deskundige de subvragen bij vraag c van [geïntimeerde] betrekken.
Het hof gaat ervan uit dat indien de deskundige slechts een beperkte mate van zekerheid kan geven aan zijn antwoorden, bijvoorbeeld omdat een ander antwoord ook zeer goed verdedigbaar is, hij dat tot uitdrukking brengt in de beantwoording van de aan hem gestelde vragen. Daarvan uitgaande heeft vraag d van [geïntimeerde] geen meerwaarde.
Voor vraag e van [geïntimeerde] geldt hetzelfde. De kern van die vraag ligt ook al besloten in de door het hof geformuleerde slotvraag.

2.8
De conclusie is dat het hof de door [geïntimeerde] geformuleerde vragen niet overneemt, maar dat de deskundige met een deel van deze vragen rekening kan houden bij de beantwoording van de hem door het hof gestelde vragen. ECLI:NL:GHARL:2022:133


RECHTSBIJSTANDKOSTEN, divers

RBAMS 260421 tussentijds verzoek in lopende zaak; Rb waardeert 1/3 deel wzh op € 290,00 p.u. 2/3 deel op 145,00

1.1.
Op 16 augustus 2019 heeft … bij een verkeersongeval ernstig letsel opgelopen.

1.2.
Bij brief van 8 oktober 2019 is …. door de gemachtigde van … voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk gesteld. Bij de brief waren het politierapport, de probleemanalyse en een overzicht met kleine schadeposten
gevoegd.

1.3.
…. heeft bij e-mail van 5 november 2019 gereageerd, vooralsnog 50% aansprakelijkheid erkend en een voorschot van € 5.000,- aan …. betaald.
Hierop heeft de gemachtigde van …. met een kort briefje gereageerd.

1.4.
Vervolgens heeft de schaderegelaar aan …. een huisbezoek afgelegd op 13 januari 2020, waarvan een rapport isopgemaakt.

1.5.
Kort na dit huisbezoek heeft …. een op naam van …. gestelde declaratie van 20 januari 2020 van de gemachtigde van …. ontvangen, voor een bedrag van € 5.301,96. Het bedrag is gespecificeerd in € 4.135,80 aan honorarium, € 206,79 aan kantoorkosten, € 5,25 aan belaste voorschotten, € 913,05-aan btw van 21% en € 41,07 aan medische kosten. Bij de declaratie was een Specificatie verrichtingen gevoegd voor 14,24 uur.

1.6.
Op 4 februari 2020 heeft de gemachtigde van …. het recentelijk door hem ontvangen proces-verbaal aan …. gestuurd, onder mededeling dat de aansprakelijkheid verder geen discussie meer behoefde.

1.7.
Bij e-mail van 27 februari 2020 heeft …. de volledige aansprakelijkheid erkend en gevraagd hoe het met …. en zijn herstel ging.

1.8.
Eveneens bij e-mail van 27 februari 2020 heeft …. een aantal opmerkingen gemaakt over de declaratie, waaronder over de hoogte en het niet differentiëren van het uurtarief en over de kantoorkosten. …. Heeft € 3.500,- aan buitengerechtelijke kosten aan de gemachtigde van …..betaald.

Het geschil

2.

….. vordert dat …. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van € 1.801,96 aan buitengerechtelijke kosten , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2020 en met veroordeling van …. in de proceskosten.

3.
….. stelt dat de schaderegeling nog loopt en dat tot op heden op zijn verzoek regelmatig voorschotten en buitengerechtelijke kosten zijn betaald, maar dat ondanks meerdere aanmaningen de declaratie van zijn gemachtigde van 20 januari 2020 niet geheel is voldaan. Dat is onacceptabel nu dat als gevolg zou hebben dat ….. deze kosten zelf moet voldoen.

4.
….. voert tegen de vordering aan dat geen richtlijnen bestaan om te bepalen welk bedrag aan buitengerechtelijke kosten redelijk is. Er bestaat een zogenaamde PIV-staffel (een richtlijn van het Personenschade Instituut Verzekeraars) maar die geldt niet voor letselschadeadvocaten. ….. voert aan dat het bedrag van € 3.500,- dat zij heeft voldaan overeenkomt met een uurloon van € 200,- exclusief btw, dat gezien de aard van de zaak en de verrichte werkzaamheden redelijk is. Kantoorkosten zijn achterhaald en verder was een belangrijk deel van de werkzaamheden voornamelijk administratief. Volgens …… hoefde de gemachtigde van …. slechts het politierapport te bestuderen en was verder juridisch onderzoek niet nodig. Voor eenvoudige werkzaamheden en reistijd is een gedifferentieerd tarief op zijn plaats. Er waren geen bijzondere omstandigheden die specialistische kennis vroegen, aldus ….., die verder blijft bij haar in haar e-mail van 27 februari 2020 gevoerde verweer.

Beoordeling

5.
Het gaat om de vraag of de buitengerechtelijke kosten waarvan …. betaling vordert in redelijkheid zijn gemaakt en of de omvang van de kosten redelijk is. Dat het maken van de kosten redelijk was, staat niet ter discussie. Wel in geschil is de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

6.
In de conclusie van repliek is …. ingegaan op de hoogte van het uurtarief van zijn advocaat in het letselschadedossier en stelt dat gezien diens kennis en ervaring een uurtarief van € 290,- redelijk is. ….. heeft echter (bij antwoord) niet zozeer weersproken dat het uurtarief van de gemachtigde van …. onredelijk is. Wel wordt betwist dat de werkzaamheden die zijn verricht in het letselschadedossier van dien aard waren dat de kennis en ervaring van de advocaat van …. nodig waren. Volgens ….. konden het grootste deel van deze werkzaamheden ook door een stagiaire of (administratief) medewerker worden uitgevoerd.

7.
…. heeft dat niet bestreden en gezien de hiervoor onder de Feiten weergegeven correspondentie - waarbij ….. de volledige aansprakelijkheid zonder veel juridisch getouwtrek vrij snel heeft erkend - valt niet in te zien dat voor de werkzaamheden die in dat kader aan de zijde van …. zijn verricht, een ervaren en gespecialiseerde advócaat nodig was, in ieder geval niet voor alle op de declaratie genoemde werkzaamheden. …… voert terecht aan dat in de betreffende declaratie geen onderscheid is gemaakt in het soort werkzaamheden en dat ook voor reistijd - kennelijk- een uurtarief van € 290,­ gehanteerd. Redelijkerwijs verwacht mocht worden dat de werkzaamheden in tenminste twee categorieën waren gesplitst, waarbij voorts de reistijd onder het lage tarief zou vallen. …. heeft ondanks dit verweer van …… geen toelichting gegeven op de declaratie en de daarin genoemde werkzaamheden en heeft evenmin verweer gevoerd tegen het differentiëren van de werkzaamheden. Gezien de over en weer gestuurde brieven en e-mails wordt geschat dat in redelijkheid één derde van de werkzaamheden of de voorbereiding daarvan door de (ervaren) advocaat van …. zelf diende te worden uitgevoerd en twee derde van de uren ziet op werkzaamheden die een medewerker of administratieve kracht had kunnen doen, dan wel dat deze tijd reistijd betrof. Het tarief dat daarvoor zal worden gehanteerd bedraagt de helft van het uurtarief van mr. Langstraat. Dat komt neer op een honorarium van 4,75 uur x € 290,- (exclusief btw)+ 9,50 uur x € 145,- (exclusief btw) = € 3.333,55 inclusief btw.

8.
Daarnaast heeft …. niet toegelicht waar de door ….. gemotiveerd bestreden kantoorkosten o·p zien (in de huidige gedigitaliseerde tijd), zodat evenmin redelijk wordt geacht deze zonder meer in rekening te brengen bij …….

9.
Dat betekent dat …… met het betalen van € 3.500,- de redelijke vergoeding voor de werkzaamheden als genoemd op de declaratie heeft voldaan. Ook als wordt uitgegaan van een uurtarief van € 290,- voor mr. Langstraat is de vordering van ….. derhalve niet toewijsbaar is.

10.
…. wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten aan de zijde van ….. belast. platformpersonenschade.verzekeraars.nl


RECHTSBIJSTANDKOSTEN, divers

GHAMS 060122 verzoek 529/530 Sv, bovenmatig aantal door advocaten in rekening gebrachte uren in strafzaak

2.
Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
a. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer in twee feitelijke instanties ten bedrage van € 320.175,13;
a.1. in het bedrag sub a. is begrepen een bedrag van € 6.500,00 voor kosten van een door verzoekster ingeschakelde deskundige, die zijn declaratie voor dat bedrag aan de advocaat van verzoekster in rekening heeft gebracht. De advocaat heeft dit bedrag, als verschot opgenomen in haar declaratie van 14 maart 2019, doorbelast aan verzoekster. Daarnaast wordt vergoeding van een aparte declaratie van deze deskundige ad € 1.535,00 verzocht; subsidiair vraagt verzoekster vergoeding van deze twee posten op de voet van artikel 529 Sv;

kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 230,00 of € 455,00.

3
Beoordeling van het verzoek

Bij op 1 december 2020 onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 10 juli 2020 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. Voor het vaststellen van de hoogte van het te vergoeden bedrag is het hof niet gebonden aan de door de advocaat opgestelde declaraties, ook niet indien deze zijn voorzien van een, al dan niet gedetailleerde, urenspecificatie. Een dergelijke declaratie is wel een vertrekpunt maar de rechter heeft de ruimte daarvan af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn (vgl. ECLI:NL:GHARN:2012:BY0240). Die gronden van billijkheid kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in bovenmatigheid van de declaraties wat betreft het in rekening gebrachte aantal uren of de gehanteerde uurtarieven. Het moet in dat geval wel gaan om bovenmatigheid die in meer of mindere mate in het oog springt. Is daarvan geen sprake, dan dient de rechter de omvang van de in rekening gebrachte kosten marginaal te toetsen (vlg. (ECLI:NL:GHLEE:2010:BL8539ECLI:NL:GHARL:2021:2241ECLI: NL: GHAMS:2016:4145).

De gehanteerde uurtarieven acht het hof niet bovenmatig. Verzoekster heeft zich begrijpelijkerwijze in eerste en tweede aanleg van gespecialiseerde, financieel-economisch strafrechtelijke en kwalitatief hoogstaande rechtshulp voorzien omdat het openbaar ministerie tegen haar strafvervolging had ingesteld ter zake van een van verzoeksters kernactiviteiten als commerciële onderneming.

Dat van alle in rekening gebrachte uren en bedragen vergoeding wordt gevraagd acht het hof wel bovenmatig, met het oog op de aard en omvang van de strafzaak, de loop van de procedure, de in rekening gebrachte werkzaamheden en kosten en de overgelegde declaraties. Het hof wijst erop dat verzoekster en haar adviseurs zijn gehouden, al was het maar om billijkheidsredenen, de efficiency van de verdediging in de gaten te houden en de schade waarvan vergoeding wordt gevraagd, te beperken.

Aard en omvang van de strafzaak; loop van de procedure

Verzoekster is een in Luxemburg gevestigde internationale luchtvrachtmakelaar, onder andere actief in Nederland. Zij werd er, kort weergegeven, van verdacht al dan niet opzettelijk goederen te hebben vervoerd /doorgevoerd (van de Verenigde Staten via Schiphol, met bestemming Saoedi-Arabië) in strijd met de (Nederlandse) sanctiewetgeving (artikel 5 lid 1 van het Besluit strategische goederen). Het dossier op grond waarvan deze verdenking was gebaseerd bedroeg 147 pagina’s. In eerste aanleg heeft de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland verzoekster bij vonnis van 24 april 2017 veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,00 voor het tenlastegelegde.

Op 8 mei 2017 is namens verzoekster hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Tot en met dat hoger beroep werd verzoekster bijgestaan door advocaten van Sjöcrona Van Stigt te Rotterdam.

Op 22 mei 2017 is namens verzoekster een korte appelschriftuur met (voorlopig) twee getuigenverzoeken ingediend door de voorganger van mr. Rense, van NautaDutilh. Vanaf dat moment stond dat kantoor verzoekster bij.

Op 10 oktober 2018 hield dit hof in het hoger beroep een korte regiezitting, waarbij mr. Rense namens verzoekster is verschenen. Zij heeft toen een van de twee getuigenverzoeken ingetrokken en aangekondigd dat de verdediging nog een deskundigenbericht zal inbrengen (daarop zien de hiervoor onder a1. beschreven kosten). Het hof heeft de zaak aangehouden voor het verhoor van één getuige door de raadsheer-commissaris. De getuige is gehoord op 18 februari 2019. Daarbij waren namens verzoekster aanwezig mr. Rense en haar kantoorgenoot mr. Roosen.

Een op 20 maart 2020 geplande inhoudelijke zitting van dit hof is niet doorgegaan in verband met de COVID-19 uitbraak. Op 26 juni 2020 was de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Blijkens het dossier heeft mr. Rense toen gepleit aan de hand van 35 pagina’s pleitnotities. Bij die zitting was meegebracht en aanwezig de door de verdediging geraadpleegde deskundige, maar deze heeft niet het woord gevoerd.

Op 10 juli 2020 heeft dit hof de veroordeling door de Rechtbank Noord-Holland vernietigd en verzoekster vrijgesproken, kort gezegd omdat zij niet de normadressaat is van de betreffende strafbepaling.

Door de advocaat-generaal is cassatieberoep ingesteld tegen deze vrijspraak, maar dat is op 1 december 2020 ingetrokken zodat de vrijspraak onherroepelijk werd.

Werkzaamheden en kosten rechtsbijstand; declaraties

De overgelegde declaraties, zowel van het ene als van het andere advocatenkantoor, zijn voorzien van specificaties. De individuele tijdregels zijn telkens echter alleen algemeen omschreven; een precisering ontbreekt. In het verzoekschrift staat dat die details niet verstrekt worden om vertrouwelijkheidsredenen. Het hof stelt vast dat deze keuze de beoordeling van de billijkheid van de gevraagde vergoedingen bemoeilijkt, terwijl in soortgelijke rekestzaken die details wel plegen te worden vermeld.

Verder is zowel in eerste als in tweede aanleg rechtshulp verleend door meerdere advocaten van het zelfde kantoor, meestal een partner en een of meer medewerkers. Het hof is bekend met de praktijk dat de partner eerste aanspreekpunt voor de cliënt en dossierverantwoordelijk is, daarin zelf werkzaamheden verricht en, indien en voor zover mogelijk, werkzaamheden uitbesteedt aan advocaat-medewerkers, -stagiaires of juridisch medewerkers. In beginsel brengt de billijkheidstoets met zich dat, indien dezelfde werkzaamheden verricht zijn door twee of meer advocaten, slechts de kosten van een van hen worden vergoed en wel die van de advocaat die de betreffende werkzaamheden (voornamelijk) heeft uitgevoerd.

Namens verzoekster is op dit punt naar voren gebracht dat de aanwezigheid van alle betrokken advocaten bij besprekingen of zittingen, de communicatie en overdracht van informatie en zodoende de kwaliteit van de rechtsbijstand optimaliseert. Dat doet aan het voorgaande niet af. Het staat elke verdachte rechtspersoon vrij de advocaat of advocaten van haar keuze in te schakelen, maar dat betekent niet dat vergoeding van alle kosten billijk is. In dat verband: in de declaraties van Sjöcrona zijn bepaalde gelijke werkzaamheden door 2 of meer advocaten, slechts voor een van hen in rekening gebracht. In de declaraties van NautaDutilh wordt een dergelijke begrenzing niet doorgevoerd.

Verzoekster heeft verder doen aanvoeren dat een groot deel van de in rekening gebrachte uren is besteed aan een uitgebreide analyse van de feitelijke gang van zaken rond het internationale vrachtvervoer in kwestie. Daarbij is gewezen op het bijzonder summiere (16 pagina’s, exclusief bijlagen) en veelal op aannames gebaseerde proces-verbaal van de betrokken opsporingsdienst. Het hof stelt op basis van het dossier en de pleitnotitie van mr. Janse (zitting 10 april 2017) in eerste aanleg vast dat die uitgebreide analyse van het luchtvervoer in de betreffende luchtvaarketen in eerste aanleg al goeddeels was afgerond. Daarbij komt dat voor deze reconstructie niet zozeer de inbreng van advocaten nodig is als wel die van verzoekster zelf. Zij is immers van de feitelijke gang van zaken – de benodigde, voorgeschreven en al dan niet voor haar beschikbare documenten incluis – en van haar rol en die van de andere betrokken (rechts)personen bij het betreffende vervoer, het best op de hoogte.

In sommige declaraties van NautaDutilh zijn vertaalkosten opgenomen en doorbelast aan verzoekster.

Niet duidelijk is waaraan deze kosten zijn besteed. De opinies van de door verzoekster ingeschakelde deskundige zijn weliswaar in het Engels en het Nederlands ingebracht, maar naar het zich laat aanzien heeft de deskundige die vertalingen zelf vervaardigd (en de kosten ervan in rekening gebracht).

De feitelijke rechtsbijstand in de strafzaak in tweede aanleg is beperkt gebleven. In de drie jaar en zeven maanden van mei 2017 (eerste bemoeienis NautaDutilh) tot en met december 2020 (intrekken cassatieberoep OM) die het hoger beroep heeft beslagen zijn er vijf betrekkelijk korte perioden aan te wijzen waarin strafrechtelijke bijstand nodig was:
-opstellen en indienen appelschriftuur (van 19 tot en met 22 mei 2017);
-de regiezitting in hoger beroep van 10 oktober 2018, inclusief voorbereiding;
-het getuigenverhoor van 18 februari 2019, inclusief voorbereiding;
-de voorbereiding van de zitting van 20 maart 2020, die niet doorging;
-de inhoudelijke zitting op 26 juni 2020, inclusief voorbereiding, (deels) identiek aan 20 maart 2020.

Daarnaast zal nog tijd zijn besteed aan communicatie met de deskundige van wie opinies zijn ingebracht.

Voorts is door de verdediging tussen juli en december 2020 moeite gedaan om het openbaar ministerie over te halen het cassatieberoep in te trekken. Dat hing echter samen met een andere, soortgelijke strafzaak tegen verzoekster waarvan de afloop (sepot) mede afhing van de uitkomst van de onderhavige strafzaak. Nu namens verzoekster is gemeld dat voor die andere, geseponeerde strafzaak eveneens een verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand is ingediend, komen de kosten van rechtsbijstand verleend tussen 1 augustus 2020 en 1 januari 2021 in het bestek van de onderhavige kwestie niet voor vergoeding in aanmerking.

Voor 713 uren rechtsbijstand in hoger beroep wordt vergoeding gevraagd. In eerste aanleg zijn 124 uren aan rechtsbijstand aan de orde, maar die zijn niet alle aan verzoekster in rekening gebracht. Toch zijn ook in die instantie soms dubbele kosten in rekening gebracht.

Conclusie

Ad 1.

Al het bovenstaande in aanmerking genomen acht het hof gronden van billijkheid aanwezig tot vergoeding van 85 percent van het verzochte voor zover het de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg betreft. Dit is € 25.884,00.

Van de in hoger beroep opgevoerde kosten acht het hof vergoeding van 65 percent daarvan billijk; op die kosten breng het hof eerst nog in mindering de € 6.500,00 aan honorarium voor de door verzoekster ingeschakelde deskundige, die in de declaratie van 14 maart 2019 (bijlage 24 bij het verzoek) is verwerkt. Zo resteert € 184.095,00.

Ad 1a

Vergoeding van genoemde € 6.500,00 wordt toegewezen op de voet van artikel 529 Sv, omdat de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft gediend. Dat geldt echter niet voor de declaratie van dezelfde deskundige ad € 1.535,00; deze kosten zien kennelijk op het bijwonen door de deskundige van de terechtzitting in hoger beroep op 26 juni 2020, waar hij niet aan het woord is geweest.

Het verzoek tot vergoeding van dat bedrag wordt afgewezen;

Ad 2

Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor vergoeding van de kosten van het opstellen, indienen en toelichten van het verzoek tot een bedrag van € 455,00. ECLI:NL:GHAMS:2022:37


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, algemeen

RBGEL 292121 verzoek t.z.v. eenzijdige rapportage bij medische stukken voor expertise afgewezen/niet beoordeeld
deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht ingesteld, kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking

2. De beoordeling

2.1. Benadeelde is geboren op [ geboortedatum ] 1998. Op tweejarige leeftijd is bij haar de oogafwijking partieel accommodatieve esotropie gediagnosticeerd.

2.2. Op driejarige leeftijd is Benadeelde ter zake van voornoemde oogafwijking geopereerd. Benadeelde heeft sinds de operatie tot 2009 een bril moeten dragen.

2.3. Op 6 april 2011 is Benadeelde in Harderwijk als fietster aangereden door een stadsbus die ten onrechte aan Benadeelde geen voorrang verleende. Benadeelde is daarbij ten val gekomen en korte tijd bewusteloos geweest. Dezelfde dag heeft Benadeelde de spoedeisende hulp van het ziekenhuis St. Jansdal te Harderwijk (hierna: St. Jansdal) bezocht, waar de diagnose commotio cerebri en een ribfractuur links is gesteld.

2.4. De stadsbus was tegen aansprakelijkheid verzekerd bij Allianz. Allianz heeft aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval en de daaruit ontstane schade erkend.

2.5. Op 28 juli 2011 heeft Benadeelde de polikliniek oogheelkunde van het Universitair Medisch Centrum Utrecht bezocht, alwaar haar een bril is voorgeschreven.

2.6. Bij e-mail van 21 juni 2012 heeft mr. Zandijk namens Benadeelde aan Allianz geschreven dat hij voornemens is een oogarts te vragen om als super-medisch adviseur op te treden en een analyse te maken van de casus van Benadeelde aan de hand van de IWMD vraagstelling.

2.7. Bij e-mail van 27 juni 2012 heeft Allianz geantwoord dat zij zich niet gebonden acht aan de uitkomst van een eenzijdig opgestarte expertise en dat de kosten daarvan dan ook niet door Allianz zullen worden vergoed.

2.8. Op 2 november 2012 heeft dr. A.P.A. Beers (hierna: Beers), werkzaam als oogarts in St. Jansdal, op verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger van (de destijds nog minderjarige) Benadeelde een oogheelkundige expertise bij Benadeelde verricht. In het ter zake door hem opmaakte rapport staat als oogheelkundige diagnose vermeld:
"1. partieel accommodatieve esotropie OD, brilafhankelijk
2. hypermetropie met geringe anisometropie en gering astigmatisme
3. matige amblyopie OD
".

2.9. Op 21 mei 2013 heeft de wettelijk vertegenwoordiger van Benadeelde Allianz voor deze rechtbank gedagvaard en daarbij een verklaring voor recht gevorderd dat Allianz gehouden is om de kosten in verband met het dragen van een bril en contactlenzen te vergoeden, gelet op het causaal verband tussen het ongeval en de oogheelkundige klachten/afwijkingen van Benadeelde. Ook is vergoeding van de door Benadeelde als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade gevorderd. Na het indienen van een conclusie van antwoord door Allianz heeft op 28 oktober 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen zijn ter zitting met elkaar overeengekomen dat zodra Benadeelde de leeftijd van 18 jaar zal hebben bereikt, een oogheelkundig onderzoek bij haar wordt uitgevoerd door een oogarts.

2.10. Op 11 december 2013 is door deze rechtbank in de hiervoor genoemde zaak een tussenvonnis (zaak- en rolnummer C/05/244474/HZ ZA 13-56) gewezen, waarin voor zover thans van belang, is geoordeeld:
"( ... ) 5.3. Beers heeft belang toegekend aan het feit dat Benadeelde op de dag van het ongeval bij de eerste hulp onder meer heeft gemeld dat zij dubbel zag. Allianz heeft de aanvankelijke betwisting van bedoelde melding bij gelegenheid van de comparitie van partijen niet langer gehandhaafd. Vast staat dat Benadeelde vanaf haar 1le levensjaar geen bril meer behoefde te dragen, zij direct na het ongeval klaagde over dubbelzien en zij na bezoek aan het UMC op advies van de oogarts een bril is gaan dragen, waarna de klachten verdwenen. Het rapport van Beers is voorts zodanig onderbouwd dat dezerzijds voorshands wordt aangenomen dat de huidige brilafhankelijkheid in overwegende mate is veroorzaakt door het aan Benadeelde op 6 april 2011 overkomen ongeval. Voorshands, omdat Allianz gemotiveerd heeft gesteld dat het onzeker is of Beers destijds wel over alle relevante informatie betreffende de medische voorgeschiedenis van Benadeelde heeft beschikt en het niet op voorhand kan warden uitgesloten dat naar aanleiding van een eventueel later oogheelkundig onderzoek op gemeenschappelijk verzoek, over het hier bedoelde causaliteitsvraagstuk anders zal worden geoordeeld.
( ... )
"

2.11. Op 20 januari 2016 bereikte Benadeelde de leeftijd van 18 jaar.

2.12. Op 24 juni 2016 heeft Allianz aan mr. Zandijk voorgesteld een oogheelkundige expertise te laten verrichten door oogarts dr. C.J.G. van Tilburg (hierna: Van Tilburg).

2.13. Bij e-mail van 6 december 2016 heeft mr. Zandijk, na daartoe door Allianz te zijn gerappelleerd, namens Benadeelde Allianz bericht niet akkoord te gaan met het benoemen van Van Tilburg.

2.14. Bij brief van 28 maart 2017 heeft Allianz - na vruchteloos de advocaat van Benadeelde te hebben gerappelleerd -, voor zover hier van belang, rechtstreeks aan Benadeelde geschreven:
"Tijdens een Comparitie van partijen op 28 oktober 2013 is overeengekomen dat er een oogheelkundige expertise zou plaatsvinden op het moment dat u de 18-jarige leeftijd had bereikt ( ... ). Vanaf april 2016 heeft onze advocaat geprobeerd hierover overeenstemming te bereiken met Mr Zandijk, ondanks diverse verzoeken is dat echter tot op heden niet gelukt. Wij verzoeken u dan ook vriendelijk Of hierover rechtstreeks contact met ons op te nemen óf Mr Zandijk te verzoeken alsnog op zeer korte termijn te reageren.

2.15. Per e-mail van 8 oktober 2019 is namens Benadeelde aan Allianz een concept aanbiedingsbrief met vraagstelling ten behoeve van de oogheelkundige expertise voorgelegd. Daarbij is in de inventarislijst medische stukken onder nummer 25 de oogheelkundige expertise van Beers (2.8) opgenomen.

2.16. Op 15 oktober 2019 heeft mr. De Hoogh bevestigd dat de e-mail van 8 oktober 2019 is ontvangen en in zijn e-mail aangeven dat in overleg zal worden getreden met de medisch adviseur van Allianz over de oogheelkundige expertise.

2.17. Op 14 januari 2020 heeft Allianz aangegeven in te stemmen met de door Benadeelde voorgestelde vraagstelling en gevraagd of Benadeelde met benoeming van oogarts drs. J.C. Bleeker (hierna: Bleeker) kan instemmen.

2.18. Na rappels van Allianz aan het adres van de advocaat van Benadeelde in maart, juli en augustus 2020 heeft Allianz opnieuw rechtstreeks aan Benadeelde (met afschrift aan haar advocaat) bericht dat partijen niet langer met elkaar in onderhandeling zijn over de afwikkeling van de schade die Benadeelde op 6 april 2011 zou hebben opgelopen.

2.19. Bij e-mail van 1 december 2020 heeft Allianz, voor zover hier relevant, nogmaals aan mr. Zandijk gevraagd of Benadeelde kan instemmen met de benoeming van Van Tilburg of Bleeker.

2.20. Diezelfde dag heeft mr. Zandijk geantwoord dat Benadeelde instemt met de benoeming van Bleeker tot oogheelkundig expert en daarbij geschreven: "Mijn medisch adviseur verzocht ik inmiddels om de aanbiedingsbrief aldus aan te passen en te verzenden. U krijgt daar een afschrift van zodra ontvangen."

2.21. Op 2 december 2021 heeft mr. De Hoogh hierop, voor zover van belang, geantwoord:
"Fijn te vernemen dat er overeenstemming bestaat over de persoon van de deskundige (Bleeker). U geeft aan dat u uw medisch adviseur inmiddels hebt verzocht om de aanvraag uit te zenden, echter zonder eerst de aanbiedingsbrief in concept ter beoordeling aan mij voor te leggen. Dit is niet hoe het hoort. Mijn achterban behoudt zich dan ook het recht voor om de deskundige aanvullend te berichten ingeval blijkt dat de deskundige niet juist of niet volledig is geïnformeerd"

2.22.
Namens Benadeelde is daarop per kerende e-mail door haar advocaat geantwoord: "Reeds op 8 oktober 2019 is de conceptaanbiedingsbrief aan de expertiserend oogarts verzonden aan uw collega mr Haase; kennelijk is dit aan uw aandacht ontsnapt. Het spreekt natuurlijk voor zich, dat de adressant zal worden gewijzigd, evenals dat de inventarislijst medische stukken geactualiseerd zal moeten worden. ( ... ) U krijgt vanzelfsprekend een c.c. zodra de aanbiedingsbrief aan mij is toegestuurd door mijn medisch adviseur."

2.23. Op 3 december 2020 heeft de medisch adviseur van Benadeelde de aanbiedingsbrief verzonden aan Bleeker. Daarbij is in de inventarislijst 'Medische informatie' onder nummer 25 vermeld "2-11-2012 oogarts Beers rapportage".

2.24. Op 10 december 2020 heeft mr. De Hoogh een afschrift van de aan Bleeker verzonden aanbiedingsbrief ontvangen.

2.25. Bij brief van 10 december 2020 heeft mr. De Hoogh namens Allianz, voor zover thans van belang, aan Bleeker geschreven:
"( ... ) In de aanbiedingsbrief van 3 december 2020 is vermeld dat deze expertise op gezamenlijk verzoek van partijen geschiedt. Hoewel dat laatste strikt genomen juist is, geldt wel dat de inhoud van de brief van 3 december 2020 niet eerst, zoals te doen gebruikelijk, ter beoordeling aan mij of mijn achterban is voorgelegd.

Uit het overzicht van de aan u toegezonden medische informatie blijkt dat aan u een rapport is toegezonden van oogarts Beers (van 2 november 2012). Dit betreft een eenzijdige rapportage die zijdens mevrouw Benadeelde is ingewonnen. Allianz is bij de totstandkoming van dit rapport niet betrokken geweest en zij is hieraan ook niet gebonden. Verder bestaan er ook zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen de inhoud van dit rapport, onder meer omdat deze oogarts niet beschikte over de volledige informatie over de pre-existente oogklachten van mevrouw Benadeelde. Voor zover relevant wordt nog opgemerkt dat ook de Rechtbank Gelderland bij vonnis van 13 december 2013 heeft overwogen dat dit rapport niet kon worden gevolgd. Mijn achterban heeft er in ieder geval niet mee ingestemd dat dit rapport onderdeel zou vormen van het medisch dossier dat aan u ter beoordeling zou worden voorgelegd. Namens mijn achterban verzoek ik u dan ook het integrale rapport terzijde te stellen en de inhoud daarvan niet mee te nemen in uw beoordeling. Ik vertrouw u in dezen akkoord. ( ... )"

2.26. Op 11 december 2020 heeft mr. Zandijk namens Benadeelde mr. De Hoogh verzocht de hiervoor in 2.25 geciteerde brief aan Bleeker in te trekken, alsmede om het vonnis van de rechtbank van 11 december 2013 aan Bleeker toe te zenden.

2.27. Bij e-mail van 14 december 2020 heeft mr. De Hoogh namens Allianz, voor zover hier van belang, onder toezending van het in 2.10 genoemde vonnis, aan Bleeker geschreven:
"( ... ) Mijn brief aan u heeft tussen partijen tot discussie geleid over het belang van het eenzijdig ingewonnen rapport van oogarts Beers voor uw onderzoek. Het standpunt van Allianz daaromtrent heb ik in mijn brief van 10 december jl. uiteengezet, waarbij ik ook de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 11 december 2013 heb aangehaald. Mr. Zandijk — de advocaat van mevrouw Benadeelde — is de mening toegedaan dat ik u onjuist over deze uitspraak heb geïnformeerd. Op zijn expliciete verzoek zend ik u een afschrift van de uitspraak toe (bijlage) zodat u hiervan kennis kunt nemen. Naar de opvatting van Allianz wordt er door de rechtbank nog geen definitief causaal verband tussen de oogproblematiek en het ongeval aangenomen, omdat onzeker is of oogarts Beers over alle relevante informatie beschikte en op voorhand niet kan worden uitgesloten dat anders moet worden geoordeeld als onafhankelijk deskundigenonderzoek op gezamenlijk verzoek van partijen heeft plaatsgevonden. Voor dit laatst genoemde onderzoek bent u dus nu ingeschakeld. ( ... )"

2.28. Op 15 december 2020 heeft mr. Zandijk aan Bleeker geschreven dat door Benadeelde een deelgeschilprocedure zal worden gestart en dat de aanvraag tot het uitbrengen van een deskundigenbericht om die reden `on hold' wordt gezet.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Benadeelde verzoekt de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren [beschikking], na wijziging en gedeeltelijke intrekking van het verzoek ter zitting:
I. voor recht te verklaren dat de oogheelkundige expertise van 2 december 2012, als opgenomen in de inventarislijst medische stukken onder nr. 25, als medische informatie betreffende de toenmalige gezondheidstoestand van Benadeelde dient te worden aangemerkt en uit dien hoofde onderdeel dient uit te maken van de inventarislijst medische stukken, als opgenomen en overgelegd in de aanbiedingsbrief aan de op gemeenschappelijk verzoek benoemde expertise oogarts;
II. (ingetrokken)
- Allianz te veroordelen om de kosten van deze procedure te vergoeden conform de kostenbegroting zoals vermeld in productie 6 en
- [Allianz] te bevelen deze kostenveroordeling binnen veertien dagen na de uitspraak over te maken.

3.2. Benadeelde heeft aan haar resterende, gewijzigde verzoek onder 1., bezien in het licht van de vastgestelde feiten, zakelijk weergegeven het volgende ten grondslag gelegd.

Het rapport van Beers is aan te merken als medische informatie betreffende de toenmalige oogheelkundige gezondheidstoestand van Benadeelde en dient uit dien hoofde onderdeel uit te maken van de inventarislijst medische stukken die aan de op gezamenlijk verzoek benoemde expertise oogarts wordt voorgelegd. Allianz heeft geen rechtens te respecteren belang om zich hier tegen te verzetten. Het kan van belang zijn voor Bleeker om kennis te kunnen nemen van de destijds door Beers uitgevoerde oogheelkundige metingen.

3.3. Allianz heeft zich op het standpunt gesteld dat Benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoeken, althans dat die verzoeken dienen te worden afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of een beslissing op het verzoek van Benadeelde (voldoende) kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 1019z Rv.

4.2. Het antwoord op die vraag kan in het midden blijven. Ook als wordt aangenomen dat het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschil, dient het verzoek te worden afgewezen, omdat daaraan het belang ontbreekt. Benadeelde heeft aanvankelijk onder I. verzocht dat voor recht zou worden verklaard dat het rapport van Beers als relevante (onderstreping rb) medische informatie dient te worden aangemerkt en uit dien hoofde onderdeel dient uit te maken van de inventarislijst medische stukken die bij de aanbiedingsbrief aan Bleeker is gevoegd. Ter zitting is door Benadeelde het woord 'relevante' uit het verzoek geschrapt. Door Allianz is echter niet weersproken - in deze deelgeschilprocedure noch buitengerechtelijk, afgaand op de in 2.25 en 2.27 genoemde correspondentie - dat het rapport van Beers medische informatie is en onderdeel uitmaakt van voormelde inventarislijst. Bij toewijzing van het verzoek heeft Benadeelde dus geen belang.

4.3. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.4. Van deze laatste situatie is in dit geval sprake. Dat het verzoek wegens een gebrek aan belang zou worden afgewezen, lag voor de hand. Bovendien heeft Benadeelde de directe aanleiding voor het starten van het deelgeschil (de brief van mr. De Hoogh aan Bleeker, zoals geciteerd onder 2.25) over zichzelf afgeroepen. Immers, namens Benadeelde is bij de aanbiedingsbrief die aan de op gezamenlijk verzoek benoemde deskundige is gestuurd het rapport van Beers gevoegd, zonder daarbij de totstandkoming van dat rapport en de discussie die tussen partijen tot in rechte over dat rapport is gevoerd, te vermelden. Anders dan te doen gebruikelijk, heeft de medisch adviseur van Benadeelde de aanbiedingsbrief aan Bleeker toegestuurd zonder deze eerst ter goedkeuring aan Allianz voor te leggen. De enkele verwijzing naar een op 8 oktober 2019 verstuurde concept aanbiedingsbrief (2.15), waarop nimmer akkoord is gegeven namens Allianz en waaraan Allianz Benadeelde nog eens heeft herinnerd bij e-mail van 2 december 2020 (2.21), is daarvoor niet toereikend. Als de specifieke, aan Bleeker toegestuurde aanbiedingsbrief met bijlagen in concept vooraf wél, zoals te doen gebruikelijk, aan Allianz was toegestuurd, had Allianz, zoals ter zitting ook door haar is toegelicht, al in dat stadium een passage aan de brief kunnen toevoegen waaruit zou blijken dat Benadeelde zich destijds eenzijdig tot Beers heeft gewend en dat Allianz zich om die reden niet aan het rapport van Beers gebonden acht. Bleeker zou dan op voorhand volledig geïnformeerd zijn door middel van een door partijen gezamenlijk geformuleerde, althans geaccordeerde brief. De oogheelkundige expertise had in dat geval zonder verdere vertraging - inmiddels is bijna zes jaar verstreken sinds het moment (2.11) dat partijen daartoe, conform hun ter zitting gemaakte afspraak (2.9), hadden kunnen overgaan - kunnen plaatsvinden en een deelgeschilprocedure was dan niet nodig geweest. Gelet op het voorgaande kunnen de met het deelgeschil gemoeide kosten niet als redelijk worden beoordeeld in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. De kosten van de behandeling van het verzoek komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking, waardoor de begroting achterwege kan blijven.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2022/RBGLD-291221


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, verzekeringsarts, arbeidsdeskundige

GHARL 110122 na psychiatrisch onderzoek volgt benoeming verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige, vraagstelling

In vervolg op
GHARL 130721 Na desk. ber. psychiater is causaal verband tussen klachten en ongeval voldoende aannemelijk; vza en ad-er als volgende stap;

Hof Arnhem-Leeuwarden 200218 toepassing plausibiliteitstoets i.p.v. criterium Zwolsche Algemeene/De Greef; comparitie van partijen gelast

2
De verdere bespreking van de grieven

Inleiding

2.1
In het tussenarrest van 13 juli 2021, het vierde tussenarrest in deze zaak, heeft het hof op basis van het uitgebrachte deskundigenbericht van de psychiater prof. dr. [de psychiater] geoordeeld dat bij [appellante] sprake is van een psychiatrische symptoomstoornis met voornamelijk pijn en van een depressieve stoornis, licht tot matig van ernst (2.22) en dat sprake is van causaal verband tussen deze klachten en het ongeval uit 2010, waaraan de verhoogde kwetsbaarheid van [appellante] niet in de weg staat (2.30). Bij de begroting van de schade kan wel met die verhoogde kwetsbaarheid rekening worden gehouden (2.31). Het hof overwoog verder na het verweer van Bovemij te hebben verworpen dat niet aannemelijk is dat de schade van [appellante] hoger zal zijn dan het aan haar betaalde voorschot (2.34):
Al met al kan er niet aan worden ontkomen om verdere stappen te zetten om de schade van [appellante] te begroten. De benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en vervolgens een arbeidsdeskundige ligt dan het meeste voor de hand. Het heeft de voorkeur van het hof wanneer beide onderzoeken aansluitend plaatsvinden, maar partijen kunnen zich daarover uitlaten. Zij kunnen zich ook uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Het hof merkt in dit verband op dat het wel van belang is dat de verzekeringsgeneeskundige en in zijn/haar voetspoor ook de arbeidsdeskundige onderscheid maken tussen beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval van 2010 en de beperking aan de linker elleboog die het gevolg is van het eerste ongeval.”

2.2
Partijen hebben zich vervolgens uitgelaten over de benoeming van een verzekeringsgeneeskundige. Zij hebben overeenstemming bereikt over de persoon van een te benoemen arbeidsdeskundige, maar niet over de persoon van de te benoemen verzekeringsgeneeskundige. Bovemij heeft twee verzekeringsgeneeskundigen voorgedragen, [appellante] een ander. Ook hebben partijen geen overeenstemming bereikt over de aan de te benoemen deskundigen voor te leggen vragen. Zij hebben het hof laten weten de vraagstelling aan het hof over te laten.

De benoeming van een verzekeringsgeneeskundige

2.3
Bovemij heeft twee verzekeringsgeneeskundigen ter benoeming voorgedragen, [appellante] heeft er één voorgedragen, een ander dan de door Bovemij voorgedragen deskundigen.

2.4
Omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de benoeming van een deskundige en het hof wil voorkomen dat in deze zaak, waarin al zoveel gevoeligheden bestaan, een van partijen al op voorhand geen vertrouwen heeft in de te benoemen deskundige omdat deze door de andere partij is voorgedragen, zal het hof een andere deskundige benoemen. Het is mr. drs. [de verzekeringsgeneeskundige] , verzekeringsgeneeskundige te [plaats] . [de verzekeringsgeneeskundige] heeft de opleiding tot gerechtelijk deskundige gevolgd, heeft ervaring met deskundigenonderzoeken voor gerechten en is ingeschreven in het Landelijk Register Gerechtelijk Deskundigen (LRGD). Hij heeft aangegeven vrij te staan tegenover partijen en een benoeming tot deskundige te aanvaarden.

2.5
Het hof zal [de verzekeringsgeneeskundige] de volgende vragen voorleggen:
a. Wilt u [appellante] oproepen voor een gesprek en aan de hand van dat gesprek en van alle relevante gegevens uit het dossier, waaronder in elk geval de expertiserapporten van dr. [naam1] (naar aanleiding van een eerder ongeval), dr. [naam2] van 19 april 2012, dr. [naam1] van 15 februari 2013 en prof. dr. [de psychiater] van 24 december 2019, de beperkingen van [appellante] omschrijven en de belastbaarheid neerleggen in een belastbaarheidsprofiel, een en ander ten behoeve van arbeidsdeskundig onderzoek?
b. Wilt u bij uw antwoord op vraag a onderscheid maken tussen beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval van 2 april 2010 en de beperkingen aan de linker elleboog die het gevolg zijn van het ongeval uit 2005?
c. Indien in de periode van 2010 tot aan de datum van uw onderzoek wijzigingen zijn opgetreden in de beperkingen (en het belastbaarheidspatroon) van [appellante] , wilt aangeven vanaf wanneer die wijzigingen zich voordeden en wat de gevolgen waren voor de beperkingen (en het belastbaarheidspatroon) vanaf dat moment? Wilt u daarbij ook weer onderscheid maken tussen de beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval van 2 april 2010 en de beperkingen aan de linker elleboog?
d. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?

2.6
Het hof zal het voorschot op de kosten van het te verrichten onderzoek van [de verzekeringsgeneeskundige] (uitgaande van een uurtarief van € 200,- ex btw en een tijdsbesteding van 24 uur) vaststellen op - afgerond - € 6.000,-. Het hof zal Bovemij belasten met het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek (zie het tussenarrest van 9 april 2019 onder 2.11).

De benoeming van een arbeidsdeskundige

2.7
Partijen kunnen instemmen met de benoeming van de arbeidsdeskundige [de deskundige] tot deskundige. [de deskundige] heeft aangegeven vrij te staan tegenover partijen en bereid te zijn een eventuele benoeming te aanvaarden.

2.8
Het hof zal [de deskundige] de volgende vragen voorleggen:

T.a.v. het verdienvermogen
a. Wat is de opleiding, wat is het arbeidsverleden, wat zijn de relevante vaardigheden en affiniteiten van [appellante] ?
b. Wilt u, op uitgaande van het rapport van Radar van 2 maart 2011, de onderneming van [appellante] ten tijd van het ongeval beschrijven, met daarbij aandacht voor de aard van het bedrijf, het product of de dienstverlening, de arbeidsbezetting en de bedrijfsmiddelen?
c. Wat voor werkzaamheden verrichtte [appellante] , uitgaande van het genoemde rapport van Radar, in de periode dat haar op 2 april 20210 het ongeval overkwam? Graag een uitgebreide omschrijving geven van de aard van de taken en verantwoordelijkheden in dat werk, hoeveel uur per week [appellante] in de drie jaar voorafgaand aan het ongeval gemiddeld heeft gewerkt en een toelichting op de fysieke en mentale belasting daarvan.
d. Wat verdiende [appellante] met deze werkzaamheden? Wilt u daarbij rekening houden met het tussenarrest van het Hof van 20 februari 2018 inzake de bepaling van het inkomen van [appellante] ?
e. Wilt u in deze zaak onderzoeken wat de arbeids- en verdienmogelijkheden van [appellante] zouden zijn geweest, de gevolgen van het ongeval weggedacht?

Wilt u daarbij rekening houden met uitgangspositie van de onderneming ten tijde van het ongeval, de ontwikkelingen in de branche en de gevolgen van de Coronamaatregelen in 2020 en 2021 voor het geval u het aannemelijk vindt dat [appellante] dan nog actief zou zijn geweest in haar onderneming?

f. Is [appellante] op basis van de als gevolg van het ongeval bestaande beperkingen en mogelijkheden (hiervoor zal worden verwezen naar het door de verzekeringsgeneeskundige uit te brengen rapport) geschikt of (geheel of gedeeltelijk) ongeschikt te achten voor het maatgevende werk? Wilt u daarbij een onderscheid maken tussen de beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval van 2 april 2010 en de beperkingen aan de linker elleboog?
g. Voor zover [appellante] op grond van de beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval van 2 april 2010 blijvend ongeschikt te achten is voor het werk, wat waren/zijn dan haar mogelijkheden/kansen om te re-integreren in ander werk (parttime en fulltime)? Wilt u bij uw antwoord weer een onderscheid maken tussen de beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval van 2 april 2010 en de beperkingen aan de linker elleboog?
h. Welk inkomen zou zij daarmee kunnen realiseren? Welke opleidingen zou zij eventueel moeten volgen, hoe lang duren die opleidingen en welke kosten zijn daaraan verbonden?

Ten aanzien van de huishoudelijke hulp
i. Wilt u een beschrijving geven van de woning van [appellante] en de inrichting daarvan?
j. Wilt u de belasting in de verschillende deeltaken in het huishouden van [appellante] vanaf 2010 en eventuele wijzigingen daarin beschrijven?
k. Wilt u deze belasting relateren aan de door de verzekeringsgeneeskundige omschreven belastbaarheid en aangeven welke taken [appellante] redelijkerwijs niet meer kan uitvoeren?
l. Wilt u aangeven in hoeverre het realistisch is dat [appellante] , rekening houdend met de beperkingen aan de linker elleboog, deze taken zelf zou hebben verricht in de hypothetische situatie dat haar het ongeval niet zou zijn overkomen?
m. Wat is de behoefte aan huishoudelijke hulp, uitgedrukt in uren per jaar? Welk deel daarvan is toe te schrijven aan de beperkingen aan de linker elleboog.
n. Wat zijn de redelijkerwijs met die hulp (met en zonder beperkingen aan de elleboog) gemoeide kosten?
o. Wilt u aangeven of de hulpbehoefte door bepaalde voorzieningen en/of hulpmiddelen kan worden verminderd? Zo ja, door middel van welke voorzieningen/hulpmiddelen en in welke mate beïnvloeden deze de behoefte aan hulp en de daarmee gemoeide kosten?
p. Acht u het waarschijnlijk dat de door u vastgestelde hulpbehoefte en de daarmee gemoeide kosten in de toekomst nog zullen veranderen? Zo ja, op welke wijze?
q. Indien uw antwoord op vraag l ontkennend luidt, wilt u dan uw antwoorden op de vragen m tot en met p beantwoorden uitgaande van de taken die [appellante] in uw visie in de hypothetische situatie zonder ongeval zelf zou hebben verricht.

Algemeen
q. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

2.9
Het hof zal het voorschot op de kosten van het te verrichten onderzoek door arbeidsdeskundige [de deskundige] (uitgaande van een uurtarief van € 210,- ex btw en een tijdsbesteding van 45 uur) vaststellen op - afgerond - € 11.000,-. Het hof zal Bovemij ook met dit voorschot belasten. ECLI:NL:GHARL:2022:128


KAPITALISATIE, rendement en inflatie

RBMNE 291221 rekenrente conform richtlijnen LOVCK, "spiegelmethode" afgewezen, SO mag pij houden aan afwikkeling ineens
kosten, conform verzoek, toegewezen op 17.9 uur x € 260,00 + 21% = € 5631,34

eerder al op het LSA Letselschade Magazine, nu ook op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2021:6272


CAPITA SELECTA SOCIALE ZEKERHEID, participatiewet, vrij te laten vermogen

RBMNE 131221 moeder verzoekt opheffing BEM-clausule minderjarige vanwege ogv participatiewet opgelegde verplichting; afwijzing

2
De feiten

2.1.
[verzoekster] is de moeder van [voornaam van minderjarige] . De minderjarige [voornaam van minderjarige] is geboren uit het huwelijk tussen verzoekster en de heer [A], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1963 . Dit huwelijk is op [echtscheidingsdatum] 2013 ontbonden door echtscheiding.

2.2.
Op [overlijdensdatum] 2020 is [A] (hierna te noemen: erflater) overleden. Ten tijde van zijn overlijden was erflater ongehuwd en niet geregistreerd als partner. Erflater heeft, naast [voornaam van minderjarige] , geen andere afstammelingen achtergelaten.

2.3.
Erflater heeft niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt, zodat [voornaam van minderjarige] op grond van het wettelijke versterferfrecht enig erfgenaam is van zijn nalatenschap.

2.4.
Het erfdeel van [voornaam van minderjarige] is gestort op een bankrekening met een BEM-clausule.

3
Het verzoek en de beoordeling

3.1.
Verzoekster verzoekt de kantonrechter te oordelen of het noodzakelijk en wenselijk wordt geacht, dat van de gelden op de bankrekening van haar zoon met een BEM-clausule kan worden overgegaan tot opheffing van een deel van de BEM-clausule tot een bedrag ad € 30.000,00. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [verzoekster] – verkort en zakelijk weergegeven – dat zij sinds maart 2013 van de gemeente [naam gemeente] een bijstandsuitkering ontvangt. De gemeente [naam gemeente] heeft de verplichting opgelegd om de BEM-clausule van de bankrekening van [voornaam van minderjarige] gedeeltelijk te laten opheffen en daartoe een machtigingsverzoek in te dienen bij de kantonrechter. Hoewel het verzoek strekt tot het verlenen van de machtiging, wenst [verzoekster] in wezen dat haar verzoek zal worden afgewezen. [verzoekster] vraagt dan ook aan de kantonrechter om op grond van artikel 1:356 BW te beoordelen of het in dit geval noodzakelijk, wenselijk of nuttig is als zij kan beschikken over een deel van het vermogen van haar minderjarige zoon.

3.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. [voornaam van minderjarige] heeft uit de nalatenschap van zijn vader een geldbedrag gekregen. Dit bedrag is gestort op een bankrekening op zijn naam, voorzien van een zogeheten BEM-clausule. Deze clausule zorgt ervoor dat alleen met een machtiging van de kantonrechter bedragen kunnen worden opgenomen. Op deze manier kan worden voorkomen dat het geld van de minderjarige anders wordt besteed dan aan speciale, op het persoonlijk nut van de minderjarige gerichte, uitgaven. Op het moment dat [voornaam van minderjarige] meerderjarig wordt, komt de clausule te vervallen.

3.3.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de kantonrechter voorop dat in deze procedure het belang van [voornaam van minderjarige] centraal staat. Ingevolge artikel 1:356 lid 1 BW geeft de kantonrechter slechts aanwijzingen of machtigingen indien dat in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. De kantonrechter kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan voorwaarden verbinden.

3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat uit het verzoek en de overgelegde stukken niet dan wel onvoldoende is gebleken dat het opnemen van gelden van de rekening met BEM-clausule in het persoonlijke belang van [voornaam van minderjarige] is. Hierop zou de gevraagde machtiging al kunnen worden geweigerd. In dit geval ziet de kantonrechter echter aanleiding om ook nog nader in te gaan op hetgeen verder in deze procedure naar voren is gebracht.

3.5.
In haar verzoekschrift verwijst [verzoekster] naar de bijgevoegde brief van de gemeente [naam gemeente] van 13 april 2021, waarin de gemeente - voor zover hier van belang - het volgende schrijft:

U heeft mogelijk recht op andere inkomsten

De bijstandsuitkering vult uw eigen inkomsten aan tot bijstandsniveau. Als blijkt dat u recht heeft op deze inkomsten heeft u minder bijstand nodig. Uit onderzoek is gebleken dat u mogelijk recht heeft op een deel van het saldo op de BEM-rekening van uw zoon, de heer [naam minderjarige] .

Wat vragen wij van u?

Wij leggen u de verplichting op, om een verzoek bij de Kantonrechter neer te leggen, om de BEM-rekening van uw zoon, de heer [naam minderjarige] , voor het meerdere van € 30.000 tot een bedrag van € 64.825,50 te openen.”

3.6.
Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aanleiding gezien om via verzoekster nadere vragen te stellen aan de gemeente [naam gemeente] .

Bij brief van 26 augustus 2021 zijn de volgende vragen voorgelegd:

1. In de brief van 13 april 2021 stelt de gemeente dat er mogelijk recht bestaat op een deel van het saldo van de BEM-rekening van de zoon van mevrouw [verzoekster] . Kunt u aangeven op grond van welke wet/regelgeving de gemeente van oordeel is dat mevrouw [verzoekster] mogelijke inkomsten heeft voortkomend uit het vermogen van de minderjarige? Ook verzoek ik u uit leggen op grond waarvan en hoe deze inkomsten worden berekend.

2. Vervolgens blijkt dat de gemeente de verplichting oplegt voor het indienen van een verzoekschrift voor het meerdere van € 30.000,-. Waar is deze ondergrens van € 30.000,- op gebaseerd?

3.
Naar het zich laat aanzien is de bovengrens, zoals genoemd in de brief van 13 april 2021, bepaald door het totale bedrag dat de minderjarige heeft geërfd. Welke financiële gevolgen heeft een mogelijke opname van het gestelde bedrag voor de participatiewet-uitkering van mevrouw [verzoekster] en haar zoon?

3.7.
De gemeente [naam gemeente] heeft de vragen beantwoord en verzoekster heeft dat ingebracht in deze procedure. De reactie van de gemeente op de vragen luidt als volgt.

Verder hebben wij antwoorden op de drie vragen van de Rechtbank, waarbij we op de vragen 1 en 2 hetzelfde antwoord hebben:

“Deze ondergrens is gebaseerd op een uitspraak van de kantonrechter van 24 juni 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:6880). In deze uitspraak heeft de kantonrechter geoordeeld dat het de bedoeling is van de BEM-clausule dat er voor gewaakt wordt dat het geld van de minderjarige aan andere zaken wordt besteed dan aan speciale, op het persoonlijk nut van de minderjarige gerichte, uitgaven. Voor het levensonderhoud van minderjarigen en hun ouders worden deze gelden daarom gewoonlijk juist niet gebruikt aangezien ouders de verplichting hebben in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien. In uitzonderlijke gevallen waarbij sprake is van onvoldoende gezinsinkomen kan daarop een uitzondering gemaakt worden. De kantonrechter acht het noodzakelijk en wenselijk dat kind in ieder geval minimaal een bedrag van € 30.000 op een rekening met een BEM-clausule overhoudt voordat er mogelijk kan worden overgegaan tot opheffing van de BEM-clausule voor het doel als bovenvermeld. Daarbij heeft de kantonrechter aansluiting gezocht bij de vermogensgrens die geldt voor het recht op huurtoeslag Dit is volgens de kantonrechter zowel van toepassing op minderjarige- als meerderjarige kinderen.”

Op vraag 3 is door de gemeente het volgende geantwoord:

Op grond van artikel 31 van de Participatiewet (PW) worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Op grond van artikel 34 lid 1 PW wordt onder vermogen verstaan:

a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;

b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.

Lid 3 van hetzelfde artikel geeft de vermogensgrenzen aan:

a. voor een alleenstaande: € 6.295,00;

b. voor een alleenstaande ouder: € 12.590,00;

c. voor de gehuwden tezamen: € 12.590,00

Een mogelijke opname kan tot gevolg hebben dat mevrouw [verzoekster] en haar zoon over meer middelen beschikken dan de voor haar geldende de vermogensgrens van € 12.590,00. Indien dit het geval is bestaat er geen recht meer op een bijstandsuitkering en dient deze derhalve te worden ingetrokken.

3.8.
De gemeente verwijst in haar antwoord naar het feit dat in de literatuur en de jurisprudentie wordt aangenomen dat gelden die een minderjarige uit een nalatenschap verkrijgt gewoonlijk niet worden aangewend voor levensonderhoud. In uitzonderlijke gevallen waarbij sprake is van onvoldoende gezinsinkomen kan daarop een uitzondering gemaakt worden. De gemeente stelt echter niet welke feiten en omstandigheden maken dat in het geval van verzoekster en haar zoon er reden is om een uitzondering te maken op deze algemene regel.

3.9.
Voor zover de gemeente [naam gemeente] heeft bedoeld dat dat er op grond van artikel 1:392 BW een onderhoudsverplichting van [voornaam van minderjarige] jegens zijn moeder kan worden aangenomen, overweegt de kantonrechter als volgt. In lid 1 van artikel 1:392 BW is een onderhoudsverplichting neergelegd van ouders jegens hun kinderen, totdat zij de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Dit artikel bevat ook een onderhoudsplicht van kinderen jegens hun ouders, voor zover de ouder behoeftig is (lid 2) en er geen (vroegere) partner is die onderhoudsplichtig is (lid 3). De wet maakt hierbij geen uitzondering voor minderjarige kinderen. Uit de literatuur en jurisprudentie blijkt echter dat een onderhoudsplicht van minderjarige kinderen jegens een behoeftige ouder omstreden is en niet zonder meer mag worden aangenomen. Uit het verzoek noch uit de brief van 13 april 2021 en de aanvullende informatie van de gemeente [naam gemeente] blijkt in hoeverre [voornaam van minderjarige] onderhoudsplichtig zou zijn jegens zijn moeder. Zo lang dit niet is vastgesteld kan dit geen reden zijn voor opname van geld van de rekening met BEM-clausule ten behoeve van de betaling van levensonderhoud. Daarbij komt dat een eventuele (maandelijkse) bijdrage in het levensonderhoud naar oordeel van de kantonrechter niet kan leiden tot volledige opname van al het geld dat het bedrag van € 30.000,- te boven gaat, zoals door de gemeente [naam gemeente] wordt beoogd.

3.10.
Ten slotte stelt de gemeente dat op grond van artikel 31 van de Participatiewet tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

De kantonrechter wijst de gemeente [naam gemeente] erop dat zij met deze stelling voorbij lijkt te gaan aan het feit dat [verzoekster] niet redelijkerwijs (zelfstandig) kan beschikken over het vermogen van haar zoon, maar dat alleen met toestemming van de kantonrechter in het persoonlijke belang van [voornaam van minderjarige] opnames kunnen worden gedaan.

Het is niet aan de kantonrechter om te oordelen of het vermogen van [voornaam van minderjarige] op grond van de Participatiewet behoort tot de middelen en/of het vermogen als bedoeld in de artikelen 31 en 34 van de Participatiewet. Nu dit niet in rechte is vast komen te staan is er thans ook geen sprake van een vordering van [verzoekster] op haar zoon dan wel van de gemeente [naam gemeente] op [voornaam van minderjarige] .

Al het voorstaande bij elkaar genomen ziet de kantonrechter daarom geen aanleiding voor het geven van een machtiging voor het opnemen van gelden van de rekening van [voornaam van minderjarige] met BEM-clausule.

3.11.
Gelet op al het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de gevraagde machtiging dient te worden geweigerd. ECLI:NL:RBMNE:2021:6426


Deze website maakt gebruik van cookies