Overslaan en naar de inhoud gaan

LSA Letselschade Magazine Week 1 2026


AANSPRAKELIJKHEID MEDISCH, huisarts, delay
CAUSAAL VERBAND EN EIGEN SCHULD, proportionele causaliteit en aansprakelijkheid, kansschade
SMARTENGELD, hand en polsletsel
VERLIES VERDIENVERMOGEN, carrièreontwikkeling, zwarte inkomsten

HUISHOUDELIJKE HULP, ZELFWERKZAAMHEID
RECHTSBIJSTANDKOSTEN, algemeen,invloed eigen schuld

RBMNE 191125 fout huisarts na polsbreuk; 2/3 deel (pijn)klachten toerekenbaar; rb schetst uitgangspunten voor de schadeberekeningen
- carrière in de verzekeringsbranche is aannemelijk en missen daarvan causaal aan gemiste diagnose;  (x 66,67%)
- zwarte inkomsten als drummer en uitmixer 
aannemelijk en missen daarvan causaal aan gemiste diagnose; maar geen € 9000 per jaar tot 68ste, maar € 2500 tot 60ste  (x 66,67%)
- begroting behoefte H.H. a.d.h.v. hhhcalc.nl 12,65 uur p/w; gevorderde 6 uur is reëel; tot 75ste jaar; á € 12,50 per uur tot 2020, daarna € 15,00 (x 66,67%)
- zelfwerkzaamheid cf richtlijn DLR; tot 70ste jaar  (x 66,67%)
- smartengeld cf Rotterdamse schaal, € 25000,  (x 66,67%)
- bgk, uurtarief € 310 en 10 min per afzonderlijke verrichting reëel; volledig toegewezen en niet 2/3 deel

in relatie tot:
RBMNE 200525 verzoek wraking rechter-plaatsvervanger omdat deze hoofdbetrekking heeft bij  aansprakelijkheidsverzekeraar; afgewezen

2de kern van de zaak

2.1.

In het tussenvonnis van 30 juli 2025 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank bepaald dat de in het verleden bij deze zaak betrokken deskundige, de heer [A] , gehoord diende te worden. Dit heeft plaats gevonden op 26 augustus 2025. In dit vonnis draait het om de duiding van de gevolgen van het medisch onzorgvuldig handelen van huisarts [gedaagde sub 1] na de polsbreuk van [eiser] . Deskundige [A] heeft verklaard dat de kans dat er bij [eiser] minder klachten zouden resteren indien er anders zou zijn gehandeld aanzienlijk is. Op basis van de verdere toelichting van [A] komt de rechtbank tot een redelijke toerekening van 66,6% (2/3e deel) van de (pijn)klachten en beperkingen van [eiser] aan het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] . De rechtbank schetst partijen de uitgangspunten voor een herberekening van de letselschade van [eiser] .

3De beoordeling

3.1.

De rechtbank stelde in 4.12 van het tussenvonnis van 30 juli 2025 vast dat het subsidiaire verweer en het meer subsidiaire verweer – die zien op het causaal verband tussen 1) het onzorgvuldig handelen en de klachten en beperkingen en 2) het onzorgvuldig handelen en de schadeposten – nog niet beoordeeld konden worden, omdat er tussen partijen een verschil van interpretatie bestond over de bevindingen van [A] op deze vlakken. Over de juiste interpretatie is inmiddels verduidelijking gegeven door [A] zodat de rechtbank hieronder tot een verdere beoordeling overgaat.

3.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op de conclusie in 4.8 van het vonnis van 30 juli 2025 dat iedere actie die was gevolgd op een fysiek consult in maart 2013 een doorverwijzing naar het ziekenhuis had geïmpliceerd. Gedaagden hebben in hun akte na deskundigenverhoor verzocht om hierop terug te komen, omdat zij betogen dat het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] naar het oordeel van de huisartsdeskundige [D] enkel en alleen bestond uit het feit dat [eiser] op 28 februari 2013 en 5 maart 2013 niet is uitgenodigd voor een fysiek consult. Het onzorgvuldig handelen bestond volgens gedaagden uitdrukkelijk niet uit het nalaten om [eiser] door te verwijzen naar het ziekenhuis. De rechtbank volgt dit standpunt niet omdat uit het rapport van [D] blijkt dat [gedaagde sub 1] [eiser] in maart 2013 had moeten verwijzen voor een nieuwe röntgenfoto, een CT-scan of gipsimmobilisatie. [D] schrijft op pagina 5 van zijn rapport namelijk dat een MRI of een CT-scan in de vroege fase van deze fractuur bijna altijd essentieel is voor de diagnose en op pagina 8 :

“Mijns inziens moet een redelijk bekwaam huisarts weten dat een gewone Röntgenfoto niet altijd meteen uitsluitsel geeft over aan- of afwezigheid van een fractuur van een handwortelbeentje en bij twijfel na ruim een week herhaald moet worden, omdat dan een eventuele fractuurlijn beter te zien is. Het aanleggen van een drukverband tot het nader aanvullend onderzoek is daarbij noodzakelijk.(Keeman 2008). Ook in 2013 was overigens bekend dat een CT-scan voor fractuurdiagnostiek veel sensitiever is dan een gewone Röntgenfoto (deWeber 2019, literatuurverwijzing dateert van 2006).

- De behandeling van een fractuur van een handwortelbeentje is in geval er geen sprake is van dislocatie: immobilisatie d.m.v. een gipsverband gedurende zeker 6 weken.”

Een nieuwe röntgenfoto, een CT-scan of het aanleggen van gips kan alleen in het ziekenhuis plaatsvinden dus dit impliceert hoe dan ook een verwijzing. De rechtbank blijft bij het oordeel dat bij zorgvuldig handelen [eiser] begin maart 2013 al was doorverwezen en dat de behandeling van zijn pols in dat geval dus veel eerder was gestart.

De (pijn)klachten en beperkingen van [eiser] zijn voor 66,6% te wijten aan het onzorgvuldig handelen op 28 februari 2013 en/of 5 maart 2013

3.3.

Zoals in het tussenvonnis van 30 juli 2025 beschreven is bij [eiser] in de huidige situatie sprake van 7% blijvende invaliditeit (BI). De discussie tussen partijen over de gevolgen van het behandeldelay spitst zich met name toe op vraag wat de kans was dat er bij zorgvuldig handelen ook aanzienlijke restklachten zouden zijn geweest en welk percentage BI hieraan verbonden kan worden. Dit percentage speelt voor partijen een belangrijke rol bij de bepaling van het causaal verband tussen het onzorgvuldig handelen en de schade. Volgens [eiser] zou hij bij zorgvuldig handelen een BI van 1% hebben gehad en volgens gedaagden is dit 6%.

3.4.

Om duidelijkheid te krijgen over het bovenstaande stelden gedaagden [A] tijdens de zitting op 26 augustus 2025 onder andere de volgende vraag:

“Bij uw antwoord op vraag 7 in het geneeskundige rapport schrijft u het volgende:

“Maart 2013:

Het resultaat van behandeling met immobilisatie en gips bij een dergelijke fractuur is vaak met restverschijnselen. Bij de meerderheid van de gevallen is verdere degeneratie van het os lunatum onvermijdelijk. [...] Bij verdere degeneratie zijn chirurgische behandelingen geïndiceerd, die hieronder worden behandeld.”

[gedaagde sub 1] c.s. begrijpt daaruit dat ook bij gipsimmobilisatie in het ziekenhuis per maart 2013 in de meerderheid van de gevallen verdere degeneratie van het os lunatum onvermijdelijk is, waarvoor de door u daarna genoemde chirurgische behandelingen geïndiceerd zijn. Dat zou betekenen dat de genoemde chirurgische behandelingen in een meerderheid van de gevallen hoe dan ook geïndiceerd zou zijn. Oftewel: in de meerderheid van de gevallen zou er na (tijdige) gipsimmobilisatie op een later moment operatief ingrijpen noodzakelijk zijn geweest. Kunt u toelichten of dit een juiste lezing is van het betreffende deel van uw rapport?”

3.5.

Het antwoord van [A] luidde als volgt:

“Uw lezing is wel juist maar op basis van een tekst die ik bij nader inzien moet herroepen. Ik kan niet reconstrueren waarom ik de zin heb gebruikt “Bij de meerderheid van de gevallen is verdere degeneratie van het os lunatum onvermijdelijk.” Die is feitelijk onjuist. Die vind ik nu dus een erg ongelukkig gekozen zin en het komt ook niet overeen met wat ik antwoord in het laatste onderdeel van vraag 3, namelijk:

“Wat is de kans dat deze fractuur bij normale behandeling goed geneest, en hoe had de behandeling er dan uitgezien?

Ook dat is koffiedikkijken. Aangezien de fractuur zo weinig voorkomt, zijn over de kans op goede genezing geen betrouwbare getallen bekend. De normale behandeling bestaat uit 4-6 weken immobilisatie door gips.”

Ik vind dat ik had moeten antwoorden dat er na een dergelijke breuk maar zelden helemaal geen restverschijnselen meer zijn. En dan bedoel ik helemaal geen enkele verschijnselen meer en dus zonder enige klachten en beperkingen. Meestal zijn er, en natuurlijk met veel variatie en gradering, altijd wel klachten van pijn en verlies van AROM en/of kracht.”

3.6.

Ten aanzien van het verschil in interpretatie van het percentage BI dat verbonden kan worden aan de situaties met en zonder onzorgvuldig handelen, werd door gedaagden de volgende vraag gesteld:

“Bij uw antwoord op vraag 7 in het geneeskundige rapport schrijft u (iets verderop) tevens het volgende:

“Het is dus aannemelijk dat betrokkene bij gemiddeld herstellen van de aangewezen behandelingen alsnog 6% blijvende functionele invaliditeit zou hebben”.

[gedaagde sub 1] c.s. begrijpen uw stelling zo dat ook als [eiser] in maart 2013 naar het ziekenhuis zou zijn verwezen, het aannemelijk is dat hij 6% blijvende functionele invaliditeit zou hebben. Kunt u toelichten of dat een juiste lezing is van uw rapport?”

3.7.

[A] gaf het volgende antwoord:

“Nee, dat is niet juist. Die 6% is het percentage dat ik noem bij juni 2013 en oktober 2014 als vermoedelijk een andere ingreep nodig zou zijn geweest die ook gelijkenis vertoont met de ingreep die uiteindelijk ook bij betrokkene is uitgevoerd en nu heeft geleid tot 7% WPI.

Dus maart 2013 zou het percentage dus lager zijn geweest, namelijk, 1% WPI.

Graag verwijs ik toch weer naar mijn eerdere opmerkingen in het antwoord op vragen van de wederpartij waarin ik mijn ongemak uit over het hanteren van de percentages die niet een geheel juist afspiegeling geven.”

3.8.

Dat er in onderhavige zaak geen aansluiting gezocht kan worden bij percentages omdat het gebruik van de AMA-guide niet passend is - en dat hiermee de discussie hierover in het midden kan blijven - blijkt onder andere uit het antwoord van [A] op vraag 1 van [eiser] .

“U geeft in antwoord op vraag 7 (p.10) van uw rapport aan dat er een kleine kans is dat de breuk restloos was genezen indien deze direct, adequaat zou zijn behandeld (maart 2013). Interpreteer ik het correct dat u daarmee doelt op 0% WPI (conform class 0 van ‘Fracture’ in tabel 15-3 op pagina 396 van de AMA-Guide 6e editie)?

Ja, dat zou u zo wel kunnen zeggen. Ik plaats alleen de kanttekening dat het gebruik van de AMA-guide hier op duidelijke bezwaren stuit. De diagnosetabel is verre van compleet en ook nog eens niet adequaat genoeg om in veel gevallen, en ook in deze casus, een goede

vergelijking te maken. Het rammelt vaak bij de diagnoses en ook het verschil tussen 1% WPI vanuit een Kienbock en 6% uit een diagnose van juni ’13 en oktober ’14 kunnen zo moeilijk als hard criterium gebruikt worden. Met name die 1% WPI van maart ’13 is wel erg weinig. Die had ook 6% of, bij hoge uitzondering, zelfs hoger kunnen zijn, zoals nu ook

die 7%. Maar gemiddeld 1% in maart ’13 vind ik te laag maar ik kan in de tabel niet een beter passende diagnose vinden. We moeten echt waken om op basis van deze percentages alleen hier een koers te varen. De opdrachtgevers weten ook dat over het algemeen meer waarde wordt gehecht aan de ervaren klachten en beperkingen dan aan de verschillende percentages.

3.9.

Dan resteert nog de beantwoording van de vraag in hoeverre het delay van invloed is geweest op de huidige klachten en beperkingen van [eiser] . De rechtbank overweegt dat [A] in zijn deskundigenrapport uit 2020 de vraag beantwoord heeft wat de kans is dat ook bij zorgvuldig handelen de door hem vastgestelde restverschijnselen bij [eiser] zouden zijn opgetreden. [A] heeft destijds aangegeven dat de kans zeer klein is dat exact deze door hem verklaarbare restverschijnselen ook zouden zijn opgetreden bij wel tijdig en adequaat handelen. Nuancering daarvan diende dan wel te gebeuren. Tegelijkertijd heeft hij immers aangegeven dat de kans eveneens zeer klein is dat [eiser] geheel zonder enige restverschijnselen zou zijn uitbehandeld. [A] sprak van een glijdende schaal naar beide kanten toe. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 augustus 2025 heeft [A] hieraan toegevoegd dat het bepalen van welke beperkingen er bij een adequate behandeling ook zouden zijn geweest koffiedik kijken is en met name omdat er in de literatuur zo weinig bekend is over deze specifieke fractuur. De glijdende schaal acht [A] ook van toepassing op de bij [eiser] aanwezige artrose. [A] geeft aan dat ook bij een doorverwijzing er zeker een kans was geweest op artrose en ook een kans dat de uitkomst exact gelijk zou zijn aan nu. [A] acht het wel aannemelijk dat de mate van artrose vermoedelijk minder zou zijn geweest als in maart 2013 de diagnose gesteld zou zijn en er adequate en succesvolle behandeling zou hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de pijnklachten geeft [A] aan dat pijnbeleving subjectief is. De pijn bij [eiser] is gemiddeld duidelijk hoger dan gebruikelijk maar wordt niet onmogelijk geacht. [A] kan met het oog hierop vanuit zijn vakgebied niet alle (circa 40%) klachten en beperkingen verklaren. In het scenario waarin de pols redelijk goed was genezen (lees: de fractuur was vastgegroeid), neigt hij naar het antwoord dat er dan minder pijn zou zijn geweest. Ten aanzien van de subjectieve beleving van de pijnklachten overweegt de rechtbank dat deze [eiser] niet tegengeworpen kan worden, nu in personenschadezaken het uitgangspunt geldt dat men het slachtoffer moet nemen zoals het is.

3.10.

Het subsidiair opgeworpen verweer – dat erop neerkomt dat de klachten en beperkingen niet anders waren geweest bij zorgvuldig handelen en er dus geen kans op een beter behandelresultaat verloren is gegaan - slaagt gelet op het voorgaande niet. [A] heeft over de exacte omvang van de verloren kans geen uitspraak kunnen doen maar dat betekent niet dat daarom het oorzakelijk verband niet is komen vast te staan.1 Uit zijn antwoorden kan immers worden afgeleid dat door het delay een reële kans op een betere uitkomst verloren is gegaan. De rechtbank zal dus tot een zo goed mogelijke schatting van deze kans moeten komen. [A] geeft aan dat de kans op een slechtere uitkomst met het verstrijken van de tijd groter is geworden. De kans dat [eiser] er bij zorgvuldig handelen met minder klachten en beperkingen vanaf zou zijn gekomen wordt door de rechtbank daarom groter geacht dan dat dit niet zo zou zijn geweest. Het is aan de rechtbank om deze ‘grotere kans’ te vertalen in een percentage waarvan het causaal verband met het onzorgvuldig handelen kan worden aangenomen en voor rekening komt van gedaagden. Gelet op het hetgeen [A] heeft overwogen ten aanzien van de glijdende schaal overweegt de rechtbank dat in de afweging van de goede en kwade kansen aan [eiser] meer goede kansen toebedeeld moeten worden. Door het onzorgvuldig handelen is [eiser] de kans ontnomen om aan te tonen hoe het anders zou zijn gelopen. Binnen deze onzekerheid wordt aan [eiser] het voordeel gegeven. Met inachtneming van het voorgaande komt de rechtbank schattenderwijs op een verdeling van 2/3 versus 1/3 en dus van 66,6 procent versus 33,4 procent. Dit betekent dat de rechtbank vaststelt dat de (pijn)klachten en beperkingen van [eiser] voor 66,6 procent te wijten zijn aan het behandeldelay op 28 februari 2013 en/of 5 maart 2013, en gelet op het voorgaande, dus ook aan het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] .

3.11.

De (tussen)conclusie is dat de gevraagde verklaring voor recht als volgt toewijsbaar is: verklaart voor recht dat huisarts [gedaagde sub 1] op 28 februari 2013 en/of 5 maart 2013 niet lege artis heeft gehandeld en daarmee toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en mitsdien aansprakelijk is voor 66,6 procent van de als gevolg daarvan bij [eiser] ontstane schade.

De schadeposten komen deels voor vergoeding in aanmerking

3.12.

[eiser] vordert hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van zijn schade, vermeerderd met de wettelijke rente. [eiser] heeft (een deel van) zijn schade laten berekenen met behulp van de rekentool Het RekenProgramma. De berekening die als productie 23 bij de dagvaarding is overgelegd dateert van 13 december 2024. [eiser] heeft zijn schade als volgt begroot:

Verschenen schade € 273.481,-

Toekomstige schade € 934.561,-

Fiscale component € 87.590,-

Buitengerechtelijke kosten € 10.182,-

Wettelijke rente € 60.641,- +

Totale schade € 1.366.455,-

Minus: betaalde voorschotten € 12.500,- -

Nog te vorderen (afgerond) € 1.353.955,-

3.13.

Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen de schadeposten van [eiser] . Het (meer subsidiaire) verweer ziet er met name op dat het causaal verband tussen het onzorgvuldig handelen en (een deel van) deze schadeposten ontbreekt. In het kader van deze procedure hebben gedaagden een contra-schadeberekening van de schade ingebracht. De volgens gedaagden geleden en toerekenbare schade is berekend met behulp van dezelfde rekentool als [eiser] heeft gebruikt, te weten Het Rekenprogramma, en de berekening dateert van 16 mei 2025. Hieruit volgt een lager bedrag, namelijk een totale schade (inclusief fiscale component) van € 522.112,- (exclusief buitengerechtelijke kosten).

3.14.

De rechtbank stelt voorop dat in aansluiting op r.o. 3.11 gedaagden niet 100% maar 66,6% van de schade die in verband gebracht kan worden met het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] moeten vergoeden. De rechtbank zal hierna beoordelen welke schade dat is. Daartoe zal zij per betwiste schadepost beoordelen of deze schade het gevolg is van het onzorgvuldig handelen en tot welke bedrag deze voor vergoeding in aanmerking komen.

3.15.

De rechtbank kan zelf de concrete bedragen waartoe haar beoordeling van de verschillende schadeposten leidt niet berekenen. Om in plaats daarvan over te gaan tot toekenning van schade in de vorm van een lumpsum ligt niet voor de hand aangezien er immers een mogelijkheid bestaat om deze schade te laten berekenen. [eiser] en gedaagden hebben eerder berekeningen laten maken met Het RekenProgramma van De Bureaus. Partijen zijn hierbij echter van verschillende uitgangspunten uitgegaan waardoor de uitkomst van de schadeberekeningen ver uiteen ligt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de aansprakelijkheid kunnen partijen een nieuwe schadeberekening laten maken met inachtneming van de hierna door de rechtbank te formuleren uitgangspunten. Het komt de rechtbank voor dat partijen na dit tussenvonnis over voldoende gegevens beschikken om de zaak met elkaar te kunnen afhandelen zonder dat de rechtbank het uiteindelijke bedrag nog in een eindvonnis moet opnemen. Mochten partijen daartoe echter niet in staat zijn, of om een andere reden wensen dat de rechtbank het totale schadebedrag en de overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen (waaronder proceskosten) in een vonnis opneemt, dan zal de rechtbank hieraan uiteraard gevolg geven. In dat geval mogen partijen nog een akte ( [eiser] ) en een antwoordakte (gedaagden) nemen, en zal daarna eindvonnis worden gewezen. [eiser] zal in dat geval inzichtelijk moeten maken hoe hij tot de herberekende bedragen is gekomen, zo nodig met onderliggende onderbouwing, zodat gedaagden in staat zijn om daarop in hun antwoordakte te reageren.

De uitgangspunten voor herberekening

3.16.

Eigen bijdragen zorgverzekering 2016, 2017, 2018

Gedaagden hebben aangevoerd dat deze kosten slechts gedeeltelijk verband hielden met behandelingen aan de pols van [eiser] en dus met het behandeldelay. De rechtbank volgt dit verweer. De in rekening gebrachte eigen bijdragen komen niet voor vergoeding in aanmerking voor zover [eiser] deze zonder polsletsel ook gemaakt zou hebben. Partijen kunnen dit onderling vaststellen.

3.17.

Reiskosten in verband met medische behandelingen

De reiskosten komen volgens gedaagden niet voor vergoeding in aanmerking omdat de behandeling volgens gedaagden geen ander beloop had gehad zonder onzorgvuldig handelen. Dit verweer houdt gelet op hetgeen is overwogen in randnummer 4.8 van het tussenvonnis van 30 juli 2025 en het in dit vonnis vastgestelde causale verband tussen het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] en de opgetreden beperkingen geen stand. Zonder het onzorgvuldig handelen waren de chirurgische ingrepen mogelijk niet nodig geweest. De reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover deze in verband staan met de behandeling van het polsletsel.

3.18.

Het fiscaal verantwoorde verlies aan verdienvermogen

3.18.1.

[eiser] is arbeidsongeschikt verklaard. Hij heeft eerst een WIA-uitkering en daarna een IVA-uitkering ontvangen. [eiser] was in het verleden werkzaam in de verzekeringsbranche. Hij stelt dat hij zijn carrière zonder onzorgvuldig handelen had kunnen vervolgen als schadebehandelaar. In het hypothetische scenario zonder onzorgvuldig handelen wordt ervan uitgegaan dat [eiser] senior schadebehandelaar zou zijn geworden. Hierbij wordt door de jaren heen uitgegaan van een verdiencapaciteit van € 34.900 tot € 58.033 per jaar.

3.18.2.

Gedaagden voeren verweer tegen deze door [eiser] geschetste hypothetische carrière in de schadeverzekeringswereld. Dat [eiser] een (langlopende) carrière in de schadeverzekeringswereld met de nodige promoties zou hebben gehad achten gedaagden onaannemelijk, omdat [eiser] voor 2013 met burnoutklachten en psychische klachten kampte en daardoor is uitgevallen. Daarnaast voeren gedaagden aan dat [eiser] bij het bepalen van zijn (rest)verdiencapaciteit ten onrechte alle klachten en beperkingen aan het onzorgvuldig handelen heeft toebedeeld. Het UWV heeft bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidspercentages niet de relatie met de polsklachten betrokken.

3.18.3.

Het verweer van gedaagden slaagt niet. In de eerste plaats ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat de eerdere psychische klachten van invloed zijn geweest op de huidige (pijn)klachten die tot de arbeidsongeschiktheid geleid hebben. Het standpunt van gedaagden dat het UWV bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidspercentages niet de relatie met de polsklachten heeft betrokken, houdt geen stand gelet op het arbeidsdeskundige rapport dat in het kader van de WIA-beoordeling door het UWV werd opgesteld op 8 februari 2023 (productie 21 bij dagvaarding).

Ten aanzien van de belastbaarheid van [eiser] werd het volgende gerapporteerd:

“3.2. Belastbaarheidsgegevens

Verzekeringsarts mevrouw [E] heeft op 23 januari 2023 de functionele mogelijkheden van de heer [eiser] vastgesteld.

Van de belastbaarheid van cliënt per 29 september 2022 werd een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld en vastgelegd in het CBBS. Klant heeft beperkingen ten opzichte van normaal functioneren. Waar de normaalwaarde is aangegeven zonder toelichting gelden op dat gebied geen beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. De beperkingen zijn:

Persoonlijk functioneren;

Vasthouden van de aandacht in het dagelijks functioneren is norm, kan de aandacht gedurende minstens een half uur richten op één informatiebron maar niet bovennormaal. Verdelen van de aandacht in het dagelijks functioneren is norm (klant kan de aandacht alternerend richten op meerdere uiteenlopende informatiebronnen (maar niet bovennormaal). Klant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken (geen deadlines). Klant is aangewezen op arbeid waarin geen hoog handelingstempo vereist is (geen hoog handelingstempo).

Fysieke omgevingseisen;

Beschermende middelen is beperkt (geen zware dingen als loodschorten). Stof, rook, gassen en dampen is beperkt (aangewezen op schone werkomgeving in verband met kortademigheid bij stof, rook, gassen en dampen). Trillingsbelasting is beperkt (geen trillingen op de R hand).

Dynamische handelingen;

Klant is rechts dominant en de lokalisatie van de beperkingen is rechts. Voor wat betreft hand- en vingergebruik is de pengreep beperkt (rechts beperkt). De pincetgreep is beperkt (rechts beperkt), knijp/grijpkracht is beperkt (rechts beperkt), fijn motorische hand/vingerbewegingen zijn beperkt (rechts beperkt), toetsenbord bedienen en muis hanteren is beperkt (kan alleen met links), schroefbewegingen met hand en arm is beperkt (klant kan geen schroefbewegingen uitvoeren aan de zijde), frequent reiken tijdens het werk is licht beperkt (klant kan zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 600 keer reiken), duwen en trekken is beperkt (klant kan ongeveer 150 N -15 kgf- duwen of trekken), tillen tijdens het werk is beperkt (klant kan ongeveer 5 kg tillen, alleen met links). Dragen tijdens het werk is beperkt (klant kan ongeveer 5 kg dragen en alleen met links), klimmen

is beperkt, kan ten minste een opstapje op en af (kan wel klimmen, maar kan zich niet goed vasthouden met rechts).

Werktijden:

Perioden van het etmaal is beperkt (klant kan 's nachts tussen 00.00 - 06.00 uur niet werken). Uren per dag is enigszins beperkt (klant kan gemiddeld ongeveer 8 uur per dag werken). Uren per week is enigszins beperkt (klant kan gemiddeld ongeveer 40 uur per week werken). Overige beperkingen ten aanzien van werktijden (geen onregelmatige diensten).

Verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks meer te verwachten.”

Ten aanzien van de verdiencapaciteit werd het volgende gerapporteerd:

“5.3. Algemeen geaccepteerde arbeid

Ik heb het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en heb geen of onvoldoende functies kunnen duiden primair vanwege het feit dat cliënt (fors) beperkt is ten aanzien van zijn (dominante) rechterarm/hand waardoor alle functies waarbij er sprake is beiderzijds hand- en vingergebruik, frequent reiken, tillen, duwen of trekken, toetsenbord en muis gebruik kwamen te vervallen. Voorts zijn er diverse functies komen te vervallen door overschrijdingen van de belastbaarheid ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren alsmede door het niet voldoen aan specifieke opleiding- en ervaringseisen.”

Uit het voorgaande blijkt een verband tussen de arbeidsongeschiktheid en de polsklachten. De rechtbank volgt de uitgangspunten zoals deze door [eiser] zijn gemotiveerd en onderbouwd in de dagvaarding ten aanzien van zijn carrièreontwikkeling en -perspectief met de bijbehorende berekening, omdat deze de rechtbank reëel voorkomen en deze onvoldoende zijn weersproken door gedaagden.

3.19.

Het niet-fiscaal verantwoorde verlies aan verdienvermogen

[eiser] vordert een vergoeding van € 9.000,- per jaar ter compensatie van gemiste inkomsten in verband met het drummen op feestelijke gelegenheden en het uitmixen van muziek. Ter onderbouwing van deze schadepost heeft [eiser] twee verklaringen overgelegd van personen die [eiser] in het verleden hebben ingehuurd als drummer of uitmixer en hem hiervoor een vergoeding betaalden. De rechtbank is het met gedaagden eens dat de door [eiser] overgelegde onderbouwing te mager is om een schadepost van deze omvang aan te kunnen nemen. De rechtbank acht het daarnaast niet aannemelijk dat [eiser] tot zijn 68ste in combinatie met zijn gezin en 40-urige werkweek, dermate veel tijd had kunnen besteden aan het drummen en uitmixen van muziek. De rechtbank gaat daarom uit van € 2.500,- per jaar tot de 60-jarige leeftijd. In het kader van de schadeberekening moet dit bedrag nog netto gemaakt worden.

3.20.

Huishoudelijke hulp

3.20.1.

[eiser] heeft deze schade begroot met behulp van de HHH Calculator van [onderneming] en vordert dit tot een leeftijd van 75 jaar. Aan deze calculatie kan een indicatieve waarde worden gehecht. Gedaagden betwisten dat [eiser] voor het delay een inbreng voor huishoudelijke hulp had van 16 uur per week. Gedaagden geven ook aan dat deze schadepost abstract kan worden berekend, maar dat dan wel vast moet staan dat deze hulp door derden is verricht. Het komt de rechtbank voor dat de beperkingen van [eiser] die tot algehele arbeidsongeschiktheid hebben geleid ook beperkingen opleveren voor het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.

3.20.2.

Uit de door [eiser] zelf ingevulde HHH Calculator volgt dat [eiser] voor het delay in de huishoudelijke hulp een aandeel had van 16 uur per week. Na het delay is dat afgenomen tot 3,35 uur per week. Volgens de eigen berekening van [eiser] betreft het verlies 12,65 uur per week, ongeveer 80%. [eiser] vordert in deze procedure een verlies van 6 uur per week.

Dit aantal uren acht de rechtbank gezien de beperkingen van [eiser] reëel en neemt de rechtbank over tot de leeftijd van 75 jaar. Hiervoor dient een redelijk bedrag per uur te worden vergoed. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van de gevorderde bedragen (€ 12,50 per uur tot en met 2020) en daarna € 15,00 per uur).

3.21.

Verlies zelfwerkzaamheid

[eiser] vordert een vergoeding voor verlies zelfwerkzaamheid conform de richtlijn van de Letselschade Raad. [eiser] heeft in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat hij voor het delay dit soort werkzaamheden zelf deed. De rechtbank volgt dan ook deze abstracte schadeberekening conform de richtlijn van de Letselschade Raad. Daarbij wordt wel het verweer van gedaagden gevolgd dat niet is onderbouwd waarom in de situatie van [eiser] moet worden uitgegaan van een eindleeftijd van 75 jaar voor deze schadepost. Het verlies aan zelfwerkzaamheid wordt toegewezen tot de leeftijd van 70 jaar. Dat is namelijk conform de richtlijn.

3.22.

Smartengeld

3.22.1.

[eiser] vordert een vergoeding van € 25.000,- en verwijst hierbij naar nummer 583 en 584 uit de Smartengeldbundel (2024) en naar recente jurisprudentie waaruit de tendens blijkt dat smartengeldbedragen de laatste jaren zijn gestegen, met name in het buitenland. Ook haalt [eiser] deconceptversie van de Rotterdamse Schaal aan, waarbij hij categorie b zwaar polsletsel van toepassing acht.

3.22.2.

Gedaagden hebben gemotiveerd betwist dat de door [eiser] aangehaalde uitspraken uit de Smartengeldbundel vergelijkbaar zijn met de situatie van [eiser] . De tendens waarbij hogere smartengeldvergoedingen worden toegekend, betekent volgens gedaagden nog niet dat dat zou moeten leiden tot een hogere smartengeldvergoeding in deze zaak. Gedaagden wijzen erop dat indien door de rechtbank acht wordt geslagen op de (concept) Rotterdamse Schaal, de beperkingen van [eiser] volgens gedaagden beter passen binnen categorie c middelzwaar polsletsel.

3.22.3.

In de Smartengeldbundel 2025 staan geen recentere uitspraken die meer gelijkenis vertonen met de klachten van [eiser] dan de uitspraken die in de versie van 2024 staan vermeld. De definitieve versie van de Rotterdamse schaal biedt een richtlijn die civiele rechters en strafrechters kunnen gebruiken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Het polsletsel van [eiser] past binnen categorie b: middelzwaar polsletsel. De normbedragen die hierbij horen liggen tussen € 17.000,- en € 27.000,-. De rechtbank acht de vordering van € 25.000,- reëel, gelet op de constatering dat [eiser] zijn rechterhand nagenoeg niet meer kan gebruiken door de pijnklachten. Deze aanzienlijke blijvende beperking hebben geleid tot de arbeidsongeschiktheid van [eiser] en de onmogelijkheid tot het uitoefenen van zijn muziekhobby. In combinatie met de relatief jonge leeftijd en de mate van pijnbeleving rechtvaardigt dit een hoge vergoeding binnen de bandbreedte van categorie b.

3.23.

Rendement en inflatie

[eiser] heeft bij het opstellen van de berekening voor de kapitalisatiefactoren (rente- en

inflatie) aanknoping gezocht bij de meest recente aanbeveling (2024) ter zake van

de Rechtspraak. De rechtbank stelt vast dat gedaagden terecht hebben verondersteld dat [eiser] met de meest recente versie doelt op de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van 1 augustus 2024 en oordeelt dat hierbij aangesloten dient te worden.

3.24.

Wettelijke rente en fiscale component

Deze posten moeten herberekend worden aan de hand van de uitkomst van de herberekening van de schade.

3.25.

Buitengerechtelijke kosten

Gedaagden stellen dat het door [eiser] verzochte bedrag van € 10.182,- niet kan worden toegewezen omdat de buitengerechtelijke kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 sub b en c BW. Het verweer ziet met name op de door gedaagden in rekening gebrachte tijd in relatie tot het uurtarief van € 310,-. Bij dit uurtarief verwachten gedaagden dat er efficiënt wordt gewerkt. Ook stellen gedaagden dat als er meerdere verrichtingen op één dag worden uitgevoerd, per afzonderlijke verrichting telkens minstens 10 minuten in rekening wordt gebracht, terwijl niet elke activiteit steeds 10 minuten in beslag zal hebben genomen. Dit brengt volgens gedaagden met zich dat er met regelmaat meer tijd zal zijn geschreven dan daadwerkelijk aan de zaak is besteed. De vordering van [eiser] komt de rechtbank reëel voor. De genoemde 10 minuten per onderdeel betreft voornamelijk het onderdeel ingekomen post. De rechtbank kan hieraan niet de kwalificatie verbinden dat hier meer tijd aan is besteed dan werkelijk en redelijk is. Met gedaagden is de rechtbank van oordeel dat het gehanteerde uurtarief hoog is maar de rechtbank leest de betwisting van deze schadepost zo dat gedaagden bezwaar maken tegen de bestede tijd. Dat bezwaar is hiervoor behandeld en verworpen. Het gevorderde bedrag van € 10.182,- zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank wijst hier het volledige bedrag toe en niet 2/3e daarvan omdat gedaagden het causale verband volledig hebben betwist en [eiser] ten aanzien van het merendeel van de schadeposten geheel of grotendeels in het gelijk wordt gesteld.

De uiteindelijke (nog nader te berekenen) schadevergoeding

3.26.

Voor alle bovenstaande uitgangspunten – met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten - geldt dat de uiteindelijke vergoeding van de schade evenredig naar het toerekenbare deel vastgesteld moet worden. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen met bovengenoemde uitgangspunten tot overeenstemming kunnen komen over de schade. Indien dit niet het geval is en een eindvonnis dient te worden gewezen, mogen partijen een akte nemen, zoals onder 3.15 beschreven.

Rechtstreekse uitkering door VVAA aan [eiser]

3.27.

heeft de rechtbank verder een verklaring voor recht gevraagd dat VVAA, in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde sub 1] , gehouden is om onder de bij haar afgesloten aansprakelijkheidsverzekering uit te keren schadevergoeding rechtstreeks aan [eiser] over te (doen) maken, dit voor zover de bij haar afgesloten polis dekking biedt. Tegen deze vordering heeft VVAA geen verweer gevoerd en deze komt in een eventueel eindvonnis voor toewijzing in aanmerking.

De proceskosten komen voor rekening van gedaagden

3.28.

Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

276,14

 

- griffierecht

2.723,00

 

- salaris advocaat

13.071,00

(3 punten × € 4.357,00)

- nakosten

178,00

 

Totaal

16.248,14

 

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten (en eventuele betekeningskosten) komen eveneens voor toewijzing in aanmerking. Nu partijen nog een akte gaan nemen (of de zaak buiten rechte regelen) zal de proceskostenveroordeling bij eindvonnis worden uitgesproken als de zaak niet doorgehaald wordt.

1Zie HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987

Rechtbank Midden-Nederland 19 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6838


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, wegbeheerder bij fietsongevallen
SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, algemeen, kosten deskundigenbericht 

GHSHE 050825 vragen voor verkeerskundige n.a.v. van val fietser over biggenrug;
- partijen willen oordeel over aansprakelijkheid; disbalans schade en kosten desk. geen reden om van benoeming af te zien; voorschot t.l.v. van SO € 9.680

in vervolg op:
GHSHE 180325 Hof gelast deskundigenbericht verkeerskundige na val fietser over biggenruggen; vraagstelling
- eerder oriënterend contact tussen deskundige en advocaat slachtoffer staat niet in de weg aan benoeming deskundige

Locatie ongeval: goo.gl/maps

 

9 De verdere beoordeling

9.1.

In het tussenarrest van 18 maart 2025 heeft het hof overwogen voornemens te zijn om ir. A. Walraad , verkeerskundige, als deskundige te benoemen en hem de in het tussenarrest geformuleerde vragen voor te leggen, alsmede om het voorschot op de kosten van de deskundige voorshands ten laste van [geïntimeerde] te brengen en het voorschot daarop te bepalen op € 9.680,00 inclusief btw. Partijen hebben zich bij akte over de genoemde voornemens uitgelaten.

Benoeming van een deskundige

9.2.1.

[geïntimeerde] herhaalt in haar akte haar bezwaar tegen het inschakelen van een deskundige. Met verwijzing naar onder meer het arrest van dit hof van 24 mei 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:1647) betoogt [geïntimeerde] dat het hof eerder heeft geoordeeld dat biggenruggen op zichzelf gezien een gevaarlijke situatie opleveren, waarvoor voldoende dient te worden gewaarschuwd. [geïntimeerde] voert voorts aan dat over de specifieke situatie in de [straatnaam A] in [woonplaats] veel informatie in het geding is gebracht aan de hand waarvan het hof een oordeel kan vellen. Gelet op het belang van de zaak kan het benoemen van een deskundige, met een voorschot dat de persoonlijke schade van [geïntimeerde] overstijgt, volgens [geïntimeerde] als disproportioneel worden aangemerkt.

9.2.2.

Het hof komt niet terug op zijn voornemen om een deskundige te benoemen en zal daartoe overgaan. Zoals in het tussenarrest van 14 november 2023 in rechtsoverweging (rov.) 3.6.9. overwogen, wenst het hof door een deskundige nader te worden voorgelicht, in het bijzonder ten aanzien van de vraag hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is dat een fietser in een situatie als destijds aanwezig in de [straatnaam A] in aanraking komt met een biggenrug en daardoor ten val komt en ten aanzien van de vraag naar de redenen voor de keuze voor een weginrichting met biggenruggen aldaar. Het benoemen van een deskundige is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Een deskundigenbericht strekt in beginsel ter voorlichting van de rechter. [geïntimeerde] heeft voorafgaand aan het laatste tussenarrest al gewezen op twee uitspraken van dit hof die betrekking hadden op de aanwezigheid van biggenruggen, hetgeen voor het hof geen reden is geweest om in deze zaak een deskundigenbericht achterwege te laten.

9.2.3.

Mr. Gossens heeft het hof bij brief van 27 maart 2024 bericht dat over de hoogte van de schade buiten rechte overeenstemming is bereikt, maar dat partijen een oordeel over de aansprakelijkheid wensen. Het hof heeft die brief tijdens de mondelinge behandeling van 3 juni 2024 aan de orde gesteld, waarbij partijen bij dat standpunt zijn gebleven. In dat licht bezien is de mogelijke disbalans tussen de omvang van de schade en de kosten van de deskundige voor het hof geen reden om van benoeming van de deskundige af te zien.

Persoon van de deskundige

9.3.

Partijen hebben geen bezwaar tegen de persoon van de deskundige naar voren gebracht. Het hof zal dan ook overeenkomstig zijn voornemen ir. A. Walraad benoemen.

Voorschot

9.4.

[geïntimeerde] heeft het hof verzocht het voorschot ten laste van de gemeente c.s. te brengen. De gemeente c.s. hebben aangevoerd dat zij met [geïntimeerde] overeenstemming hebben bereikt over het feit dat [Y] het voorschot voorshands voor haar rekening zal nemen, onder voorbehoud van het recht om bezwaar tegen het door de deskundige te hanteren uurtarief te maken zodra dit bekend is. Op grond daarvan zal het hof het voorschot bepalen op € 9.680,00 en dit ten laste van [Y] brengen. Het hof zal de kostenbegroting van de deskundige als bijlage bij dit arrest voegen

Aan de deskundige te stellen vragen (tussenarrest 18 maart 2025 rov. 6.3)

9.5.1.

De gemeente c.s. hebben geen suggesties ten aanzien van de aan de deskundige te stellen algemene vragen. Ten aanzien van de concrete vragen over de biggenruggen ter plaatse van het ongeval verzoeken de gemeente c.s. om een aantal aanvullende vragen op te nemen.

9.5.2.

Als eerste stellen de gemeente c.s. voor om de volgende vraag toe te voegen: “Hoe groot is de kans dat fietsers schuin oversteken en daarbij vanaf de rijbaan het fietspad op willen fietsen? Wilt u bij uw oordeel de doorgetrokken witte strepen en hun functie/zichtbaarheid betrekken?”

9.5.3.

Het hof zal deze vragen aldus overnemen: “Hoe groot is de kans dat fietsers schuin oversteken en daarbij vanaf de rijbaan het fietspad op willen fietsen? Wilt u vervolgens bij uw antwoord betrekken:

a. de doorgetrokken witte strepen en hun functie/zichtbaarheid;

b. hoe groot die kans is als het ‘s nachts gebeurt bij geen verkeersdrukte?”

9.5.4.

Als tweede verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Hoe beoordeelt u de zichtbaarheid van de biggenruggen zowel bij licht als bij donker gezien vanaf de rijbaanzijde, waarbij u ook de naderingsafstand in acht neemt waarbinnen een fietser nog tijd heeft om te remmen/bij te sturen? Wilt u bij deze beoordeling ook de verlichting ter plaatse meewegen?”

9.5.5.

Het hof zal deze vraag overnemen.

9.5.6.

Als derde verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Hoe groot schat u de kans in dat een fietser die zich óp het fietspad aan de [straatnaam A] bevindt de biggenruggen over het hoofd ziet (ten tijde van het ongeval)?” Als vierde verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Hoe beoordeelt u de zichtbaarheid van de biggenruggen (ten tijde van het ongeval) gezien vanaf/gaande over het fietspad?”

9.5.7.

Het hof zal deze vragen niet overnemen. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] onmiddellijk voorafgaand aan haar val op de rijbaan en niet op het fietspad fietste. De zichtbaarheid van de biggenruggen vanaf het fietspad doet dus niet ter zake.

9.5.8.

Als vijfde verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Dient de zwart-witte verkeerszuil als een waarschuwing/markering te worden beschouwd ten aanzien van de biggenruggen die daarachter liggen, cq verlaagt deze zuil het botsrisico voor fietsers tegen de biggenruggen?”

9.5.9.

Het hof zal deze vraag aldus overnemen: “Is voor verkeersdeelnemers voldoende duidelijk welke betekenis de zwart-witte verkeerszuil heeft en wat zij moeten verwachten ten aanzien van de biggenruggen die daarachter liggen, c.q. verlaagt deze zuil het botsrisico voor fietsers tegen de biggenruggen?”

9.5.10.

Als zesde verzoeken de gemeente c.s. om de volgende vraag toe te voegen: “Wilt u beoordelen in hoeverre de afscheiding tussen het fietspad en de rijbaan met biggenruggen de verkeersveiligheid voor fietsers op het fietspad vergroot?”

9.5.11.

Het hof zal deze vraag niet overnemen nu deze besloten ligt in de algemene vragen van het hof als genoemd in rov 6.3 van het tussenarrest.

9.5.12.

Ten aanzien van vraag 6 verzoeken de gemeente c.s. toe te voegen dat de deskundige ook in zijn beoordeling betrekt dat de weginrichting van de [straatnaam A] in ieder geval van voor 2005 is.

9.5.13.

Het hof zal de vraag aan vraag 6 toevoegen. In de vraag ligt een nieuwe stelling besloten, te weten dat de weginrichting in ieder geval van voor 2005 dateert. Weliswaar heeft de gemeente tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het systeem van de gemeente 20 jaar terug gaat en dat de weginrichting toen was zoals die nu is, maar [geïntimeerde] is onvoldoende in de gelegenheid geweest om daarop te reageren. Het hof kan dat dus nu niet vaststellen. Niettemin acht het hof het antwoord op de vraag wel relevant en zal het debat hierover zo nodig tussen partijen uitgeprocedeerd kunnen worden en beslist door het hof.

9.5.14.

Tot slot verzoeken de gemeente c.s. aan de deskundige om vast te stellen in welke mate/hoe schuin [geïntimeerde] is overgestoken en dit mee te wegen bij de beantwoording van vraag 6.

9.5.15.

Het hof zal deze vraag niet overnemen. De gemeente c.s. laten na om toe te lichten hoe de deskundige dit zou kunnen vaststellen.

9.5.16.

[geïntimeerde] voert in haar akte aan dat zij ervan uitgaat dat het hof de foto’s en de video-opname meestuurt aan de deskundige en de deskundige specifiek wijst op productie 10 bij het verzoekschrift om de staat van de weginrichting ten tijde van het ongeval te duiden.

9.5.17.

Het hof zal ook in deze zaak bepalen dat partijen alle processtukken (hof: dus ook de akte van [geïntimeerde] ) aan de deskundige ter beschikking zullen stellen. Daarmee is voldoende aan de wens van [geïntimeerde] tegemoetgekomen.

9.5.18.

Volgens [geïntimeerde] dient de deskundige ook te worden bevraagd over de zichtbaarheid van de biggenruggen in combinatie met de aanwezige straatverlichting ten tijde van het ongeval.

9.5.19.

Het hof zal geen vraag toevoegen. De deskundige kan de zichtbaarheid van de biggenruggen betrekken bij zijn antwoord op vraag 10 a en b.

9.5.20.

Tot slot voert [geïntimeerde] aan van mening te zijn dat de toevoeging “heel” in vraag 7b (nu: 10b) als sturend kan worden ervaren. [geïntimeerde] verzoekt deze weg te laten.

9.5.21.

Het hof tekent aan dat de toevoeging “heel” in de vraag tussen haken is geplaatst en daarom naar zijn oordeel niet “sturend” is. Het hof zal deze handhaven.

9.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat aan de deskundige de volgende vragen worden gesteld.

Zijn er algemene onderzoeksgegevens?

1. Is er statistisch onderzoek verricht naar (het aantal) enkelvoudige ongevallen van verkeersdeelnemers, waaronder fietsers, die in aanraking komen met tijdelijke/permanente fysieke middelen op de weg en in het bijzonder met biggen- (of varkens-) ruggen?

2. Is er wetenschappelijk onderzoek verricht naar het gebruik van vormen van weginrichting, in het bijzonder met toepassing van biggenruggen, ter geleiding van verkeersstromen? Zo ja:

a. is onderzoek gedaan naar en/of geadviseerd over het risico op enkelvoudige ongevallen1 van bestuurders, waaronder fietsers, die in aanraking komen met fysieke middelen, waaronder biggenruggen?

b. is daarbij onderzoek gedaan naar alternatieve maatregelen om de verkeersstromen zo veilig mogelijk, althans veiliger dan door middel van biggenruggen, te geleiden?

c. is daarbij onderzoek gedaan naar en/of geadviseerd over (verbetering van) de zichtbaarheid van fysieke middelen, waaronder biggenruggen?

Algemene vragen over biggenruggen

3. Is er een vaste maatvoering voor de biggenrug/varkensrug? Zo nee, kan worden aangegeven welke maat voor welke situatie geëigend is?

4. Plegen verkeersdeelnemers te worden gewaarschuwd voor de aanwezigheid van biggenruggen en, zo ja, hoe?

5. Hoe zichtbaar dient een biggenrug te zijn en welke maatregelen zijn geëigend om de zichtbaarheid te waarborgen?

Concrete vragen over de biggenruggen ter plaatse van het ongeval

6. Was het plaatsen van de biggenruggen in de [straatnaam A] in [plaats] , een ontsluitingsweg, destijds in overeenstemming met de geldende regelgeving? Zo ja, was de beslissing van de gemeente tot plaatsing een beslissing die een redelijk handelend verkeerskundige op dat moment had kunnen onderschrijven? Zo nee, waarom niet? Wilt u in de beoordeling betrekken dat de weginrichting van de [straatnaam A] in ieder geval van voor 2005 is?

7. Hoe groot is de kans dat fietsers schuin oversteken en daarbij vanaf de rijbaan het fietspad op willen fietsen? Wilt u vervolgens bij uw antwoord betrekken:

a. de doorgetrokken witte strepen en hun functie/zichtbaarheid;

b. hoe groot die kans is als het ‘s nachts gebeurt bij geen verkeersdrukte?

8. Hoe beoordeelt u de zichtbaarheid van de biggenruggen zowel bij licht als bij donker gezien vanaf de rijbaanzijde, waarbij u ook de naderingsafstand in acht neemt waarbinnen een fietser nog tijd heeft om te remmen/bij te sturen? Wilt u bij deze beoordeling ook de verlichting ter plaatse meewegen?

9. Is voor verkeersdeelnemers voldoende duidelijk welke betekenis de zwart-witte verkeerszuil heeft en wat zij moeten verwachten ten aanzien van de biggenruggen die daarachter liggen, c.q. verlaagt deze zuil het botsrisico voor fietsers tegen de biggenruggen?

10.

a. Zijn er naar uw oordeel voldoende maatregelen getroffen om fietsers te waarschuwen voor de biggenruggen in de [straatnaam A] te [plaats] ?

b. Is daarbij naar uw oordeel van belang dat het ongeval ’s nachts - in het donker dus - plaatsvond terwijl het regende en de fietser de kruising (heel) schuin overstak?

11. Was naar uw oordeel de weginrichting in de [straatnaam A] te [plaats] , een ontsluitingsweg, ten tijde van het ongeval in de nacht van 12 op 13 januari 2019:

a. in overeenstemming met aan een deugdelijke weginrichting te stellen eisen?

b. de meest gebruikelijke;

c. de meest veilige?

d. Welke voorzorgsmaatregelen c.q. welk veiliger alternatief voor de in de [straatnaam A] te [plaats] aanwezige weginrichting met biggenruggen waren c.q. was naar uw oordeel mogelijk en redelijkerwijs van de gemeente te vergen, destijds en op een later moment?

Het hof verzoekt u bij de beantwoording van deze vragen rekening te houden met (de rijrichting van) fietsers komende vanuit de [straatnaam B] .

12. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

9.7.

[Y] wordt belast met betaling van het voorschot op de deskundigenkosten. Dat voorschot bedraagt € 9.680,00 inclusief btw.

1https://swov.nl/nl/fact/wegwijzer-welke-soorten-verkeersongevallen-onderscheiden-we

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 augustus 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2178


AANSPRAKELIJKHEID WERKGEVER, ARBEID, beroepsziekten

GHAMS 161225 Schiphol als exploitant luchthaven niet (naast wg-er) aansprakelijk voor schade wn-er grondafhandelingsbedrijf

in vervolg op:
RBNHO 181023 Schiphol niet aansprakelijk voor schade medewerker grondafhandelingsbedrijf

3Feiten

De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.

3.1.

Schiphol is exploitant van de luchthaven Schiphol.

3.2.

[appellant] , geboren 20 december 1971, heeft vanaf medio 2007 werkzaamheden verricht op de luchthaven Schiphol. In eerste instantie was [appellant] in dienst bij [bedrijf 1] als medewerker bagageafhandeling. Vanaf november 2010 heeft [appellant] gewerkt in dienst van (de rechtsvoorganger van) [bedrijf 2] als medewerker Ramp Handling, een afdeling die het laden en lossen van vrachtvliegtuigen verzorgt.

3.3.

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn zogenoemde grondafhandelingsbedrijven. Zij verzorgen in opdracht van de luchtvaartmaatschappijen op de luchthaven Schiphol onder meer de bagageafhandeling en afhandeling van luchtvracht (cargo).

3.4.

Op of omstreeks 20 augustus 2017 heeft [appellant] zich ziekgemeld bij [bedrijf 2] wegens ernstige rugklachten.

3.5.

In een arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 2 augustus 2019 inzake de WIA-beoordeling is [appellant] voor 100% arbeidsongeschikt beoordeeld.

3.6.

[appellant] heeft zijn werkgever [bedrijf 2] aansprakelijk gesteld voor schade die hij heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Naar aanleiding daarvan heeft [appellant] in april 2022 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten met de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijf 2] .

3.7.

Begin september 2022 is in diverse landelijke media aandacht besteed aan de slechte arbeidsomstandigheden bij de grondafhandelingsbedrijven op de luchthaven Schiphol.

3.8.

In een brief van 15 september 2022 heeft [appellant] Schiphol aansprakelijk gesteld voor de schade die hij lijdt als gevolg van zijn arbeidsongeval/beroepsziekte.

3.9.

In reactie daarop heeft Schiphol in een e-mail van 21 oktober 2022 gemotiveerd aan [appellant] meegedeeld dat en waarom zij geen aansprakelijkheid erkent.

4Eerste aanleg

4.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat sprake is van een onrechtmatige daad van Schiphol jegens [appellant] en dat Schiphol aansprakelijk is voor de schade van [appellant] als gevolg van het arbeidsongeval/de beroepsziekte (waarbij Schiphol de schade zal moeten vergoeden, minus hetgeen door [bedrijf 2] is vergoed), met veroordeling van Schiphol in de kosten van de procedure.

4.2.

De kantonrechter is tot het oordeel gekomen dat Schiphol niet aansprakelijk is jegens [appellant] en heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

5Beoordeling

5.1.

[appellant] voert in hoger beroep 15 grieven aan tegen het bestreden vonnis.

In essentie bestrijden deze grieven het oordeel van de kantonrechter dat er geen grondslag bestaat voor aansprakelijkheid van Schiphol jegens [appellant] en lenen zij zich (grotendeels) voor een gezamenlijke behandeling.

Geen onrechtmatige daad

5.2.

[appellant] keert zich tegen de (eind)conclusie van de kantonrechter dat Schiphol niet aansprakelijk is jegens [appellant] . Volgens [appellant] is Schiphol wel aansprakelijk (op grond van art. 6:162 BW), omdat Schiphol tekort is geschoten in haar plicht om zich in te spannen voor een veilige werkomgeving. En dit terwijl zij wist dan wel had kunnen en moeten weten dat door niet dan wel veel te weinig te controleren, niet dan wel veel te weinig te handhaven en de focus te hebben op lage kosten en het toestaan van concurrentie, werknemers schade op zouden lopen. [appellant] heeft ter onderbouwing van deze grondslag - samengevat - gewezen op: de omstandigheid dat Schiphol al sinds 2003 op de hoogte was van de slechte arbeidsomstandigheden en vele malen is gewaarschuwd; de maatschappelijke plicht van Schiphol om voor een veilige luchthaven te zorgen en controles uit te voeren; de plicht van Schiphol om als hoofdorganisatie in de keten te zorgen voor correcte arbeidsomstandigheden; de middelen die Schiphol heeft om in te grijpen; het feit dat Schiphol in handen is van de overheid; de omstandigheid dat Schiphol op haar eigen terrein nota bene heeft weggekeken; de ernst van de gevolgen voor [appellant] en heeft gesteld dat de problematiek samenhangt met het toelaten van te veel grondafhandelingsbedrijven en tot slot dat Schiphol profiteert van de wanprestatie van de grondafhandelingsbedrijven.

5.3.

In de kern gaat deze zaak erover of Schiphol, als exploitant van de luchthaven - naast de werkgever - aansprakelijk is voor schade van een werknemer, opgelopen als gevolg van te zware/onveilige arbeidsomstandigheden bij de werkgever. Daarbij is tussen partijen niet in geschil dat de arbeidsomstandigheden bij de grondafhandelingsbedrijven in algemene zin ondermaats zijn. Het staat vast dat het werk bij de bagage- en luchtvrachtafhandeling fysiek zwaar is met een reëel risico op chronische gezondheidsklachten met langdurige of blijvende gezondheidsschade tot gevolg. Ook betwist Schiphol niet dat zij hiermee al lange tijd bekend was.

5.4.

Het hof stelt net als de kantonrechter bij zijn beoordeling voorop dat de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden en het toezicht daarop primair ligt bij respectievelijk de werkgever en de arbeidsinspectie. Het hof is verder (met de kantonrechter) van oordeel dat op Schiphol geen juridische verplichting rust om de arbeidsomstandigheden van [appellant] , of naleving van de Arbo Voorschriften voor het bagage- en vrachtpersoneel in het algemeen, actief te controleren of daarop toe te zien en overweegt in dat verband als volgt.

5.5.

Niet is komen vast te staan dat uit wet- en regelgeving (ook) voor Schiphol de verplichting voortvloeit om te zorgen voor veilige arbeidsomstandigheden voor [appellant] en/of de arbeidsomstandigheden van [appellant] te controleren. De door [appellant] in dit verband genoemde artt. 2 en 3 van het Algemeen Luchtvaartreglement, Schipholregels, Regeling Toelating Schiphol, Schipholpas en Safety en Security Zakboek zien veeleer op de algehele veiligheid op de luchthaven Schiphol en [appellant] heeft onvoldoende toegelicht dat deze regelingen concrete verplichtingen voor Schiphol op het gebied van (het toezicht op) de arbeidsomstandigheden van [appellant] bevatten.

5.6.

Ten aanzien van de Code Zorgvuldig Marktgedrag, waar [appellant] ook naar heeft verwezen, heeft Schiphol gemotiveerd aangevoerd dat de grondafhandelaren niet onder deze code vallen. Dat Schiphol de plicht en verantwoordelijkheid heeft om de grondafhandelaren aan te spreken op niet-naleven van de code is dan ook niet vast komen te staan.

5.7.

Verder heeft [appellant] (ook) in hoger beroep onvoldoende duidelijk gemaakt dat in het in 2003 verschenen rapport Safety First rechtstreekse aanbevelingen aan Schiphol zijn gedaan die verband houden met de slechte arbeidsomstandigheden, dat Schiphol die niet heeft opgevolgd en dat zij daardoor onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] .

5.8.

Met zijn stelling dat Schiphol een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen door teveel concurrentie toe te laten en een race to the bottom te creëren, ziet [appellant] er aan voorbij dat niet is komen vast te staan dat Schiphol de mogelijkheid had het aantal grondafhandelaren op haar terrein zelfstandig te verminderen. Schiphol heeft die stelling gemotiveerd bestreden en erop gewezen dat de artt. 3 en 5 van de Regeling grondafhandeling luchtvaartterrein die bevoegdheid toekennen aan de verantwoordelijke Minister. [appellant] op zijn beurt heeft daar onvoldoende tegen ingebracht. Dat Schiphol op grond van de artt. 25 en 27 van genoemde regeling de mogelijkheid had aan de Minister een voordracht te doen tot het uitoefenen van zijn bevoegdheid, betekent niet dat Schiphol onrechtmatig heeft gehandeld door van dit recht geen gebruik te maken. Tot slot heeft [appellant] ook in hoger beroep niet duidelijk gemaakt dat en hoe Schiphol in de periode dat [appellant] op Schiphol werkzaam was invloed kon uitoefenen op de prijzen en werkwijzen van de grondafhandelaren.

5.9.

Aan het betoog van [appellant] dat de Staat als meerderheidsaandeelhouder van Schiphol (naast Schiphol) aansprakelijk is voor zijn schade gaat het hof voorbij, omdat de Staat geen partij is in deze zaak en eventuele verantwoordelijkheden van de Staat ook niet zonder meer aan Schiphol kunnen worden toegerekend.

5.10.

Het hof is voorts met de kantonrechter van oordeel dat de mededelingen van de toenmalige directeur van Schiphol ( [naam 1] ) en ceo ( [naam 2] ), gedaan in de media, te weinig concreet zijn om daarop een erkenning van aansprakelijkheid te baseren.

Geen sprake van (aansprakelijkheid voor) het profiteren van wanprestatie

5.11.

[appellant] bestrijdt ook het oordeel van de kantonrechter dat van het bewust onrechtmatig profiteren van een wanprestatie van de grondafhandelaren door Schiphol geen sprake is.

5.12.

Ter onderbouwing van deze grief voert [appellant] het volgende aan. Door talloze afhandelaren toe te laten, meer dan op vergelijkbare luchthavens, werden de afhandelaren, door de moordende concurrentie, gedwongen om zo goedkoop mogelijk te werken en dit ging ten koste van de arbeidsomstandigheden van de medewerkers. Medewerkers op Schiphol betalen de prijs voor een luchthaven gericht op groei, lage prijzen en het stimuleren van onderlinge concurrentie van bagage- en vrachtbedrijven. Schiphol verdient op allerlei manieren geld aan deze bedrijven en luchtvaartmaatschappijen, enkele voorbeelden hiervan zijn de verhuur van gebouwen, loodsen, kantoren, winkelruimtes en havengelden. Door de onderlinge concurrentie waren de bedrijven gedwongen hun diensten zo goedkoop mogelijk aan te bieden en dat maakte Schiphol aantrekkelijker voor luchtvaartmaatschappijen. Schiphol heeft hiervan geprofiteerd, aldus [appellant] , en wel ten koste van zijn arbeidsomstandigheden.

5.13.

Het hof overweegt als volgt. Een geldig tot stand gekomen overeenkomst doet in beginsel slechts voor de partijen bij de overeenkomst verbintenissen ontstaan, en dus niet voor derden. Niettemin kan een derde onder uitzonderlijke omstandigheden uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens één van die contracterende partijen, namelijk als de derde handelt met en profiteert van de wanprestatie van de andere contractspartij onder de overeenkomst. De aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad op basis van dit leerstuk - het profiteren van andermans wanprestatie - wordt niet licht aangenomen. Het handelen met een partij terwijl men weet dat die partij door dit handelen een door hem met zijn contractspartij gesloten overeenkomst schendt, is op zichzelf niet onrechtmatig jegens die contractspartij. Het is enkel onrechtmatig als sprake is van bijzondere omstandigheden.

5.14.

Het leerstuk is in deze zaak niet van toepassing. Gesteld noch gebleken is immers dat sprake is van een handelen van Schiphol met een partij (een grondafhandelaar) die door dit handelen een door hem met zijn contractspartij ( [appellant] ) gesloten overeenkomst schendt. Het is namelijk niet Schiphol die een overeenkomst aangaat met de grondafhandelaren tot het verzorgen van de bagageafhandeling en afhandeling van luchtvracht, maar dat doen de luchtvaartmaatschappijen zelf. Dat deze overeenkomst op het luchthaventerrein wordt uitgevoerd maakt nog niet dat Schiphol, rechtstreeks dan wel via een tussenpersoon, handelt met de grondafhandelaren en van hun wanprestatie profiteert. Ook de ter zitting gebleken omstandigheid dat Schiphol loodsen verhuurt aan de grondafhandelaren voor de opslag van hun materialen, betekent niet dat de grondafhandelaren door dit handelen (onder een enkele huurovereenkomst) een met [appellant] gesloten overeenkomst schenden. Tot slot is het - zoals hiervoor al is overwogen - niet Schiphol maar de Minister die bepaalt hoeveel grondafhandelaren op het terrein van Schiphol worden toegelaten. Reeds hierom faalt deze grief.

5.15.

Maar ook op inhoudelijke gronden slaagt deze grief niet en wel om de volgende redenen. Het toestaan van concurrentie is op zichzelf niet onrechtmatig; ook [appellant] heeft dat – terecht – niet gesteld. Ook kan niet worden gezegd dat concurrentie tussen marktpartijen naar zijn aard (vrijwel) steeds tot gevolg heeft dat die marktpartijen hun werknemers laten werken onder onaanvaardbare arbeidsomstandigheden. Het is dus niet zo dat concurrentie inherent is aan en stelselmatig leidt tot onaanvaardbare arbeidsomstandigheden, en reeds om die reden het toestaan van concurrentie tussen marktpartijen onrechtmatig is jegens de werknemers van die marktpartijen; of omgekeerd, dat slechte arbeidsomstandigheden voor werknemers het gevolg zijn van, en kunnen worden toegerekend aan het toestaan van concurrentie tussen hun werkgevers. [appellant] had daarom nader moeten toelichten op grond van welke bijzondere omstandigheden dit in de kwestie tussen hem en Schiphol anders ligt. Dat heeft hij niet gedaan; hij heeft het gelaten bij de algemene en niet verder toegelichte stelling dat zijn slechte arbeidsomstandigheden het gevolg waren van te veel concurrentie tussen de grondafhandelaren. Dat Schiphol de wanprestatie van zijn voormalig werkgevers heeft uitgelokt of actief bevorderd, is niet gebleken. Voor zover [appellant] heeft bedoeld dat Schiphol ‘te veel’ concurrentie heeft toegestaan, heeft hij bovendien niet toegelicht wat ‘te veel’ is, waar het omslagpunt ligt en waarom op dat punt het oordeel zou moeten omslaan en de handelwijze van Schiphol onrechtmatig wordt.

5.16.

Ook als juist is dat, naast de vliegmaatschappijen waarvoor zijn werkgevers werkten, indirect ook Schiphol enig concurrentievoordeel heeft gehad van de lage grondafhandelingskosten dankzij, naar zij wist, de onaanvaardbare arbeidsomstandigheden daar, maakt dat – in het licht van de vereiste bijzondere omstandigheden - nog niet dat Schiphol onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, ook niet in combinatie met het verweten toestaan van (te veel) concurrentie. Dat zou anders kunnen zijn als het business-model van Schiphol is gebaseerd is op het stelselmatig creëren, bevorderen of in stand laten van slechte arbeidsomstandigheden op haar luchthaven, maar dat heeft [appellant] niet gesteld en is ook niet gebleken.

5.17.

De conclusie is dat er geen gronden of omstandigheden zijn gebleken die het oordeel kunnen dragen dat Schiphol de slechte arbeidsomstandigheden en wanprestatie van de werkgevers van [appellant] heeft uitgelokt en/of daarvan heeft geprofiteerd, of anderszins daarbij betrokken is geweest in een mate die onrechtmatig is jegens [appellant] en Schiphol aansprakelijk maakt voor zijn schade. Ook hierom faalt deze grief.

Geen aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 lid 4 BW

5.18.

[appellant] heeft zich in hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de toepasselijkheid van art. 7:658 lid 4 BW in deze zaak. Hij erkent dat dit artikel ziet op de verhouding tussen werkgever en werknemer en dat hij geen werknemer van Schiphol was. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Schiphol niet is aan te merken als een onderneming die in het kader van de uitoefening van haar bedrijf [appellant] arbeid heeft laten verrichten. Schiphol heeft ook geen feitelijke zeggenschap over [appellant] of instructiebevoegdheid jegens hem. Bovendien staat als onvoldoende weersproken vast dat de materialen die [appellant] bij zijn werkzaamheden gebruikte niet van Schiphol of een aan haar gelieerde vennootschap waren. Het wetsartikel mist dus toepassing in deze zaak en het recht biedt naar het oordeel van het hof geen steun voor de door [appellant] voorgestane analoge toepassing van art. 7:658 lid 4 BW op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Geen aansprakelijkheid in verband met een gebrekkig wegdek

5.19.

[appellant] stelt in hoger beroep dat zijn schade mede is veroorzaakt door dagelijks rijden over het slechte wegdek op Schiphol, waarbij zijn rug de klappen opving als gevolg van de slechte wegen. Hij doelt hierbij alleen op de randwegen op Schiphol waar hij met de vracht en andere zware materialen overheen reed om naar het platform en de loodsen te gaan (en niet op de start- en landingsbanen). Hierover is Schiphol meermalen op de hoogte gesteld via de OR van [bedrijf 2] , aldus [appellant] . [appellant] heeft ter onderbouwing verwezen naar een brief van de OR van [bedrijf 2] van 13 november 2018 waarin volgens hem staat: “De heer Koppen heeft nogmaals contact opgenomen met de luchthaven voor het herstel van het wegdek. Wij blijven dit monitoren” en een verklaring van René de Jong.

Schiphol betwist dat de randwegen op haar terrein gebrekkig waren gedurende de periode dat [appellant] op Schiphol heeft gewerkt en verwijst naar wat zij in dit verband in eerste aanleg heeft aangevoerd. Dit geldt volgens Schiphol eveneens voor de randwegen op Schiphol. Kort gezegd komt dat erop neer dat alle wegen op Schiphol voldoen aan (inter)nationele regelgeving, jaarlijks visueel worden geïnspecteerd en dat ten aanzien van alle wegen een klachtenafhandelingssysteem wordt gehanteerd. Schiphol wijst er verder op dat uit het overzicht van meldingen over het wegdek op Schiphol dat zij bijhoudt, blijkt dat in de periode dat [appellant] op Schiphol werkte, [appellant] noch een van zijn werkgevers melding heeft gemaakt van een mankement aan één van de wegen.

5.20.

Het hof is van oordeel dat [appellant] in het licht van de gemotiveerde betwisting door Schiphol onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat zijn schade mede is veroorzaakt door het slechte wegdek van de randwegen op Schiphol. Uit de verklaring van René de Jong volgt bovendien niet dat die ziet op de kwaliteit van de randwegen (hij schrijft enkel over ‘het wegdek van het platvorm’ en ‘het platvorm’) en uit de brief van 13 november 2018 van de OR van [bedrijf 2] blijkt evenmin dat dit gaat over de kwaliteit van het wegdek van de randwegen. Ook blijkt uit het door [appellant] geciteerde gedeelte uit deze brief niet dat daadwerkelijk is geklaagd bij Schiphol en dat het gaat om een klacht die ziet op de periode dat [appellant] op Schiphol werkte. [appellant] heeft tegen de gemotiveerde betwisting van Schiphol onvoldoende ingebracht terwijl dat wel van hem verwacht mocht worden. Aan bewijslevering komt het hof dan ook hier niet toe.

Geen wanprestatie

5.21.

In hoger beroep heeft [appellant] de grondslagen van zijn vordering aangevuld met wanprestatie (art. 6:74 BW) en dit als volgt toegelicht. [appellant] was werkzaam met een Schipholpas. De Schipholpas wordt door Schiphol verstrekt en hierop zijn regels van toepassing. [appellant] verwijst in dit verband naar de Schipholregels en het toelatingsbeleid. Deze regels golden voor [appellant] als houder van de pas en ook voor Schiphol als uitgever van de pas. Zowel [appellant] als Schiphol moeten zich aan deze regels houden. Schiphol heeft zich niet aan deze regels gehouden en is tekortgeschoten in het toezicht en handhaving van de regels die zien op Arbonormen. Daarom is zij uit hoofde van wanprestatie aansprakelijk voor de schade van [appellant] , steeds aldus [appellant] .

5.22.

Het hof is van oordeel dat [appellant] met deze toelichting onvoldoende concreet heeft gesteld dat uit de genoemde regels verbintenissen van Schiphol (die verband houden met arbeidsomstandigheden van bagageafhandelaren en luchtvrachtafhandelaren) jegens [appellant] voortvloeien en dat Schiphol in de nakoming van haar verplichtingen uit deze verbintenissen jegens [appellant] tekort is geschoten. Deze nieuwe grondslag leidt daarom evenmin tot toewijzing van de vorderingen.

Alle grieven gericht tegen het oordeel dat Schiphol niet aansprakelijk is falen

5.23.

Het voorgaande betekent dat de grieven 1 tot en met 12 falen, en ook de nieuw aangevoerde grondslag van wanprestatie ondeugdelijk is. Het hof komt daarom net als de kantonrechter tot het oordeel dat Schiphol niet aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden.

Overige grieven falen eveneens

5.24.

De grieven 13, 14 en 15 delen het lot van de overige grieven en blijven aldus verder onbesproken. Gerechtshof Amsterdam 16 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3601


AANSPRAKELIJKHEID MISDAAD, mishandeling
SMARTENGELD, oogletsel
VERLIES VERDIENVERMOGEN, economische kwetsbaarheid
ZELFWERKZAAMHEID, MANTELZORG,
MEDISCHE KOSTEN

RBLIM 300425 letsel vanwege in gezicht gegooid glas; schade vanwege oogprothese, incl 2-jaarlijkse vervanging en controles; eindleeftijd 80
- t.z.v. economische kwetsbaarheid is niet gesteld of en in welke zin het werk is aangepast i.v.m. oogletsel
- mantelzorg moeder (verzorging en verpleging) 3 uur per dag x € 8,50 x 42 dagen + hulp vriendin = € 1156,50
- huishoudelijke hulp € 392,00; verlies zelfwerkzaamheid vanwege verlies dieptezicht, cf richtlijn DLR
- smartengeld verlies van een oog door in gezicht gegooid glas € 40.000, mede met oog op aard aansprakelijkheid en 2-jaarlijkse nieuwe prothese

 

2De feiten

2.1.

Op 25 augustus 2013, tijdens het evenement “’t Preuvenemint” op het Vrijthof te Maastricht, heeft [gedaagde] een glas in het gezicht van [eiser] gegooid. [eiser] heeft als
gevolg daarvan ernstig letsel opgelopen aan zijn rechter oog. Op 26 augustus 2013 is hij aan dat oog geopereerd. Het netvlies van het rechter oog is op 16 december 2013 losgelaten. In verband daarmee is [eiser] op 18 december 2013 geopereerd. Daarna zijn er nog meerdere netvliesloslatingen geweest. [eiser] is telkens geopereerd.

2.2.

[gedaagde] is door de strafkamer van deze rechtbank bij vonnis van 23 maart 2015 veroordeeld voor het bewezen verklaarde feit dat hij op 25 augustus 2013 in de gemeente Maastricht [eiser] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een snee in het hoornvlies van het rechter oog met als direct gevolg een recidiverende netvliesloslating) heeft toegebracht, door opzettelijk een glas in de richting van de [eiser] te gooien, welk glas [eiser] ook geraakt heeft.

2.3.

De strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (verder te noemen: het Hof) heeft bij arrest van 8 februari 2018 in hoger beroep zich verenigd met het beroepen vonnis, behalve wat betreft de opgelegde straffen, de strafmotivering en de beslissing op de vordering van [eiser] als benadeelde partij. Het Hof heeft [eiser] als benadeelde partij een schadevergoeding toegewezen van € 28.387,26. Dat bedrag bestaat uit € 3.397,26 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
25 augustus 2013. Uit het arrest blijkt dat een post ‘verlies aan arbeidsvermogen’ van € 1.197,- onderdeel uitmaakt van de toegewezen materiële schade van € 3.397,26. Het arrest van het Hof is onherroepelijk. [gedaagde] heeft de door het Hof aan [eiser] toegekende schadevergoeding betaald.

2.4.

Op 19 maart 2018 heeft de advocaat van [eiser] een brief aan [gedaagde] geschreven. Die brief luidt, voor zover in het kader van dit geschil van belang, als volgt:

“Ondergetekende behartigt de belangen van de heer [eiser] (...) in verband met het door hem opgelopen letsel ten gevolge van de mishandeling op
25 augustus 2013.

Op 6 februari 2018 bent u hiervoor strafrechtelijk veroordeeld.

Het behoeft geen betoog dat uw handelswijze jegens cliënt onrechtmatig is. Door bovenomschreven gedraging heeft u jegens cliënt onrechtmatig gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW, tengevolge waarvan u jegens cliënt schadeplichtig bent ter zake de door hem geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade, daaronder uitdrukkelijk begrepen de kosten van juridische bijstand.

Door de mishandeling heeft cliënt een penetrerend oogletsel opgelopen. De oogbol werd doorboord en de pupil is vervormd. Dit letsel werd in eerste instantie gehecht. In de herstelfase zijn echter verschillende netvliesloslatingen ontstaan, welke volgens zowel de behandelend oogarts als de medisch adviseur een direct gevolg zijn van de penetrerende verwonding. In totaal hebben vijf netvliesloslatingen plaatsgevonden, waarvoor cliënt vijf keer werd geopereerd. Er is volgens de medisch adviseur sprake van een medische eindtoestand.

(…)

Namens cliënt moge ik u verzoeken, voor zover wettelijk vereist onder sommatie hiertoe, binnen twee na heden, over te gaan tot schriftelijke erkenning van aansprakelijkheid, waarna in onderling overleg de schade kan worden geregeld.

(…)

U dient deze brief voorts uitdrukkelijk op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. U dient derhalve rekening te houden dat cliënt nog aanspraak maakt op de hem toekomende vergoeding en zich in dat kader alle rechten voorbehoudt.(…)”

2.5.

In verband met aanhoudende klachten aan het oog heeft [eiser] er in 2022 voor gekozen om (de inhoud van) het rechter oog operatief te laten te verwijderen en te vervangen door een prothese.

2.6.

Op 23 februari 2023 heeft de advocaat van [eiser] wederom een brief aan [gedaagde] geschreven. Die brief luidt, voor zover in het kader van dit geschil van belang, als volgt:

“(…) Bij brief van 19 maart 2018 heb ik u aansprakelijk gesteld, tevens werd namens mijn cliënt de verjaring gestuit (bijlage). Helaas is er tot op heden geen overeenstemming bereikt over de totale schadevergoeding.

De afgelopen jaren heeft cliënt veel bijkomende klachten ontwikkeld van zijn oog. Uiteindelijk heeft men besloten tot evisceratie (verwijdering ooginhoud) en een glazen oogprothese te plaatsen. Een en ander heeft in mei 2022 plaatsgevonden. De operatie is goed verlopen en thans is cliënt alweer hersteld hiervan, doch van een medische eindtoestand kan echter nooit gesproken worden. Momenteel zijn we doende de schade die reeds in kaart kan worden gebracht, in kaart te brengen.

U dient deze brief voorts uitdrukkelijk op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. U dient er derhalve rekening mee te houden dat
cliënt nog aanspraak maakt op de hem toekomende vergoeding en zich in dat kader alle rechten voorbehoudt.(…)”

3Het geschil

3.1.

[eiser] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door op
25 augustus 2013 een glas in zijn gezicht te gooien, waardoor hij ernstig letsel heeft opgelopen aan zijn rechter oog. Inmiddels is hij blind aan dat oog. Door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft hij schade geleden waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. De totale schade, voor zover bekend ten tijde van de dagvaarding, bedraagt volgens [eiser] € 123.877,22.

3.2.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van genoemd incident op 25 augustus 2013;

  2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een voorschot op de materiële en immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 123.877,22, althans een (voorschot)bedrag door de rechtbank in goede justitie, ex aequo et bono, vast te stellen op basis van hetgeen ten aanzien van de schade reeds thans bekend is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2013, althans de dag van betekening van de dagvaarding, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure ten behoeve van het begroten van de overige, nog niet te begroten schade, en toekomstige schade;

  4. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een voorschot op de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 2.597,27, althans een (voorschot)bedrag door de rechtbank in goede justitie, ex aequo et bono, vast te stellen;

  5. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover relevant, hieronder ingegaan.

4De beoordeling

Rechtsvraag

4.1.

Partijen verschillen van mening of [gedaagde] gehouden is om schadevergoeding te betalen aan [eiser] vanwege het incident op 25 augustus 2013.

4.2.

Volgens [gedaagde] moeten de vorderingen worden afgewezen. Hij voert allereerst formele verweren aan, omdat hij vindt dat [eiser] in het exploot van dagvaarding op drie punten het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet correct heeft toegepast. Wat betreft de vraag of hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] , refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot voert hij diverse inhoudelijke verweren.

4.3.

De rechtbank zal eerst ingaan op de drie formele verweren.

Geldigheid dagvaarding

4.4.

Volgens [gedaagde] is de dagvaarding nietig omdat de woonplaats van [eiser] niet is vermeld, doch enkel de domiciliekeuze ten kantore van zijn advocaat.

4.5.

De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 45 Rv bepaalt welke gegevens in een exploot vermeld moeten worden. Lid 3 onder b van dit artikel schrijft dwingend voor dat de dagvaarding de woonplaats vermeldt van degene op wiens verzoek de betekening van het exploot plaatsvindt. Wanneer het exploot een dagvaarding betreft, schrijft artikel 111 lid 2 sub c Rv voor dat naast de gegevens van artikel 45 lid 3 Rv ook vermeld moet worden het kantooradres van de advocaat die door de eiser wordt gesteld. Voorgaande betekent dat het exploot van dagvaarding de woonplaats van [eiser] had moeten vermelden. Artikel 66 Rv bepaalt dat niet-naleving van artikel 45 Rv slechts nietigheid van het exploot meebrengt, voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot bestemd is, door het gebrek onredelijk is benadeeld. Van een onredelijke benadeling is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. [gedaagde] is in de procedure verschenen en hij weet wie de persoon is die de
vordering tegen hem heeft ingesteld. Zijn stelling dat hij in geval van een hoger beroep
tegen het vonnis van de rechtbank door het ontbreken van de woonplaats van [eiser] gedwongen is een dagvaarding in hoger beroep aan het kantoor van de advocaat van [eiser] te laten betekenen, levert niet een dergelijke onredelijke benadeling op.

Substantiëringsplicht

4.6.

[gedaagde] betoogt dat [eiser] in de dagvaarding de substantiëringsplicht van artikel 111 lid 3 Rv schendt. Deze plicht omvat volgens [gedaagde] ook de verplichting voor [eiser] om te vermelden waarom de verweren van [gedaagde] niet zouden opgaan. [eiser] benoemt weliswaar zijn verweren in de dagvaarding, maar hij gaat op die verweren niet in.

4.7.

De rechtbank verwerpt dit betoog van [gedaagde] , omdat het geen steun vindt in het recht. De substantiëringsplicht houdt in dat de eisende partij verplicht is in de dagvaarding te vermelden wat de bekende verweren van de gedaagde partij zijn. De eisende partij is
volgens de wet niet verplicht om in de dagvaarding al op de bekende verweren te reageren.

Stelplicht en verwijzing naar producties

4.8.

[gedaagde] voert aan dat [eiser] in strijd handelt met de eisen van een behoorlijke rechtspleging, omdat [eiser] in de dagvaarding niet verwijst naar twee overgelegde omvangrijke producties, te weten zijn medisch dossier en het strafdossier tegen [gedaagde] .

4.9.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De rechtbank begrijpt dat [eiser] het strafdossier enkel voor de volledigheid in het geding gebracht heeft en niet om daarmee concrete stellingen te onderbouwen. Bij de stellingen in de dagvaarding die betrekking hebben op zijn medische toestand, heeft [eiser] voldoende concreet verwezen naar onderdelen uit het medische dossier.

Onrechtmatige daad

4.10.

Op grond van artikel 161 Rv levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit.

4.11.

Uit het arrest van het Hof leidt de rechtbank af dat er sprake is geweest van een op tegenspraak gewezen arrest. Het arrest is onherroepelijk1. Dat betekent dat het arrest van het Hof, gelezen in combinatie met het vonnis van de rechtbank2, dwingende bewijs oplevert van het feit dat [gedaagde] op 25 augustus 2013, in de gemeente Maastricht, [eiser] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een snee in het hoornvlies van het rechter oog met als direct gevolg een recidiverende netvliesloslating), heeft toegebracht, door opzettelijk een glas in de richting van de [eiser] te gooien, welk glas [eiser] ook geraakt heeft.

4.12.

Dit strafrechtelijk handelen van [gedaagde] is een onrechtmatige daad jegens [eiser] , omdat er sprake is van een inbreuk op een recht van [eiser] (zijn lichamelijk integriteit). Dit handelen kan aan [gedaagde] worden toegerekend en heeft geleid tot schade bij [eiser] . Op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is [gedaagde] verplicht de schade die [eiser] door de onrechtmatige daad van [gedaagde] heeft geleden te vergoeden.

4.13.

De rechtbank zal hieronder de vorderingen van [eiser] en de betwistingen en
inhoudelijke verweren van [gedaagde] bespreken.

Verjaring

4.14.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard. Met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 20103 stelt [gedaagde] dat de brieven van 19 maart 2018 en 23 februari 20234 geen stuitende werking hebben, omdat deze brieven niet een voldoende waarschuwing als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW bevatten. Niet te begrijpen is welk recht [eiser] zich voorbehoudt, waartegen hij zich eventueel moet verweren en welk bewijsmateriaal hij moet bewaren, aldus [gedaagde] .

4.15.

De rechtbank verwerpt het beroep op verjaring. Voor [gedaagde] is steeds voldoende duidelijk geweest dat hij zich moet verweren tegen het verwijt dat hij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, waardoor [eiser] schade geleden heeft. Ook is in de brieven van 19 maart 2018 en 23 februari 2023 duidelijk verwoord dat [eiser] aanspraak maakt op schadevergoeding. Voor een geldige stuiting is niet vereist dat [eiser] in de stuitingsbrieven omschrijft uit welke posten de te vorderen schadevergoeding bestaat en wat de hoogte daarvan is. De brieven hebben dus stuitende werking gehad en de vorderingen zijn niet verjaard.

Eigen schuld en de billijkheidscorrectie

4.16.

[gedaagde] beroept zich op eigen schuld van [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] bijgedragen aan het ontstaan van de schade omdat [eiser] onderdeel uitmaakte van een van de twee groepen waartussen een vechtpartij is ontstaan. [eiser] heeft meegevochten en op geen enkele wijze gepoogd zich hiervan te distantiëren.

4.17.

De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld van [eiser] . [gedaagde] was een omstander van een gevecht van [eiser] met anderen. Het omstreden handelen van [gedaagde] is niet het gevolg van, of een reactie op, een handeling van [eiser] jegens [gedaagde] . Omdat het beroep op eigen schuld wordt verworpen, moet ook het beroep van [gedaagde] op de billijkheidscorrectie worden verworpen.

De vordering onder 1

4.18.

Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.12 is de vordering onder 1 toewijsbaar.

De vordering onder 2 (diverse schadeposten)

4.19.

De rechtbank merkt inleidend op dat zij begrijpt dat waar [eiser] spreekt van een voorschot op de schadevergoeding, [eiser] vergoeding vordert van de schade die tot nu toe te berekenen is.

Medische kosten

4.20.

[eiser] stelt dat tot nu toe de medische kosten begroot kunnen worden op € 25.132,90. Dit bedrag bestaat uit een aantal onderdelen:

  1. betaald eigen risico over de periode van 2013 tot en met 2023 voor diverse controles, behandelingen door specialisten en apotheekkosten;

  2. apotheekkosten, kosten in verband met de aanschaf van contactlenzen en kompressen in de periode 2013 tot en met 2021;

  3. kosten van het maken van een oogprothese, die tweejaarlijks moet worden vervangen, en waarvan de zorgverzekeraar 75% vergoedt. In 2024 bedragen de kosten van een consult en het opnieuw inmeten van een oogprothese € 1.030,--. Daarvan wordt € 595,88 door zijn zorgverzekeraar vergoed. Inclusief het verschuldigde eigen risico bedragen de kosten per jaar € 819,12. Uitgaande van een levensverwachting van 79,7 jaar bedraagt de schade volgens [eiser] 24 x € 819,12 = € 19.658,88;

  4. te betalen eigen risico na 2023 tot de leeftijd van 80 jaar vanwege de jaarlijkse controle aan het oog door de specialist, apotheekkosten en medicatie: 24 x € 125,-- = € 3.000,--.

4.21.

[gedaagde] meent dat hij niet aansprakelijk is voor de medische kosten die verband houden met het plaatsen van de oogprothese, omdat deze kosten niet in direct causaal verband staan met het incident. [eiser] heeft de medische noodzaak voor die keuze niet aangetoond. Subsidiair doet [gedaagde] een beroep op de schadebeperkingsplicht van [eiser] .
[eiser] heeft niet inzichtelijk gemaakt welke andere opties hij had en welke kosten daarmee gemoeid waren. Meer subsidiair stelt [gedaagde] de omvang van de kosten ter discussie. Allereerst meent hij dat de berekening van [eiser] niet juist is. Als de tweejaarlijkse kosten voor het maken van de prothese € 1.030,-- zijn, krijgt [eiser] van zijn ziektekostenverzekeraar € 772,50 terug (75%) en moet hij dus € 257,50 zelf betalen. Omdat [eiser] verder geen facturen heeft overgelegd waaruit blijkt dat die kosten € 1.030,-- bedragen en hij geen bewijs overlegt dat zijn verzekeraar maar 75% van de kosten vergoedt, betwist [gedaagde] ook de verschuldigdheid van het bedrag van € 257,50. Verder betwist [gedaagde] dat [eiser] als gevolg van en sinds het incident ieder jaar zijn eigen risico verbruikt en zal verbruiken. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] ook de kosten van de jaarlijkse controles niet inzichtelijk gemaakt. Conform de richtlijnen van de Letselschaderaad moet worden uitgegaan van een periode tot het 70e levensjaar van [eiser] en niet tot diens 80e levensjaar. [gedaagde] betwist ook de gevorderde schadevergoeding in verband met de diverse netvliesloslatingen. Daarvan is volgens [gedaagde] vier keer sprake geweest, en niet vijf keer, zoals [eiser] stelt. Ten aanzien van alle netvliesloslatingen geldt volgens [gedaagde] dat de behandelend oogarts niet heeft onderbouwd dat die netvliesloslatingen het directe gevolg van het incident zijn.

4.22.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het onherroepelijke arrest van het hof dwingend bewijs bestaat van het feit dat de snee in het hoornvlies van het rechter oog als direct gevolg een recidiverende netvliesloslating heeft gehad. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft om op grond van artikel 151 lid 2 Rv tegenbewijs van dit dwingende bewijs te leveren, is hij daar niet in geslaagd. Uit de medische informatie die [eiser] heeft overgelegd, meer in het bijzonder de informatie van de oogarts van [eiser]5, volgt dat door het incident het rechter oog is geperforeerd. Na de eerste operatie was het zicht 100%. In de brief van
14 mei 20146 meldt de oogarts expliciet dat de netvliesloslating in december 2013 als een direct ongeval van het incident is te beschouwen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusie van de oogarts gelet op de aard van het letsel dat [eiser] heeft opgelopen door het incident. In een korte periode erna is het netvlies nog vier keer losgelaten, te weten op 15 januari 2014, 21 februari 2014, 29 mei 2014 en 2 september 2014. Dit blijkt uit de samenvatting in het advies7 van de medisch adviseur van [eiser] en uit de decursusgegevens van het academisch ziekenhuis Maastricht8. Gezien die korte tijdspanne is het aannemelijk dat deze netvlieslatingen in oorzakelijk verband staan met de aanvankelijke schade aan het rechter oog en dus met het incident. Uiteindelijk is [eiser] door de ingreep in 2022 het zicht in zijn rechter oog verloren.

4.23.

Uit het medisch dossier9 volgt dat in 2022 de verwijdering van (de inhoud van) het rechter oog van [eiser] noodzakelijk was en dat dit, gelet op de klachten van [eiser] , de enige reële optie was voor verdere behandeling. De rechtbank verwijst hierbij naar de brief10 van 31 december 2021 van de behandelend oogarts aan de huisarts van [eiser] waaruit blijkt wat in theorie de alternatieven zijn en waarom deze geen opties zijn voor [eiser] . De keuze van [eiser] voor deze operatie was daarom niet in strijd met zijn schadebeperkingsplicht.

4.24.

Ten aanzien van de gevorderde schade overweegt de rechtbank het volgende.

  1. De bedragen die [eiser] over de periode 2013 tot en met 2023 aan eigen risico heeft moeten betalen, heeft hij toereikend onderbouwd met de bijlagen 1 tot en met 17.

  2. De kosten die hij betaald heeft voor medicijnen, kompressen en contactlenzen in de periode 2013 tot en met 2021 zijn voldoende onderbouwd met de bijlagen 18 tot en met 30.

De kosten a) en b) samen bedragen € 2.474,02 en komen voor vergoeding in aanmerking.

Met productie 19 heeft [eiser] aangetoond dat de kosten van het vervaardigen van de oogprothese in 2024 € 810,-- bedroegen en met productie 20 dat een deel daarvan, ten bedrage van € 214,12, niet door de ziektekostenverzekeraar van [eiser] wordt vergoed en verder dat € 385,00 voor zijn eigen risico komt. De extra kosten in de toekomst in verband met het tweejaarlijks vervangen van de oogprothese voor [eiser] als gevolg van het incident moeten worden berekend tot het 80e levensjaar van [eiser] . Immers, 80 jaar is de huidige, gemiddelde levensverwachting voor een man. De rechtbank begroot de schade op € 599,12 (€ 214,12 + € 385,--) x 24 = € 14.378,88 ter zake de niet-vergoede kosten van het inmeten en vervaardigen van de protheses vanaf 2024 tot de leeftijd van 80 jaar.

[eiser] stelt dat hij nog 48 keer op controle zal moeten in het ziekenhuis. In die periode zal hij 24 keer € 125,-- aan eigen risico moeten betalen. De rechtbank begrijpt dat [eiser] de andere 24 keer buiten beschouwing laat omdat die keren in het kader van post c) als schade eigen risico gevorderd wordt. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de jaarlijkse medische controles en de verstrekkingen door de apotheek toereikend toegelicht zijn. Deze schadepost kan daarom vastgesteld worden op 24 x € 125,00 = € 3.000,--

4.25.

De slotsom is dat de rechtbank de post medische kosten vaststelt op € 2.474,02 +
€ 14.378,88 + € 3.000,-- = € 19.852,90.

Reis- en parkeerkosten

4.26.

[eiser] stelt dat hij diverse reis- en parkeerkosten heeft gemaakt in verband met medische behandelingen en bezoeken aan het Openbaar Ministerie, zijn advocaat, de rechtbank en het gerechtshof. Deze schadepost ad € 242,--, is door het Hof al toegewezen.

In verband met controles en diverse behandelingen is [eiser] regelmatig in het ziekenhuis in Maastricht geweest en éénmaal naar Bussum in verband met het aanmeten van de oogprothese. Voor de periode van 2015 tot de dag van de dagvaarding kunnen de kosten worden begroot op € 500,--. Ook in de komende jaren zal [eiser] worden geconfronteerd met deze kosten. Op basis van zijn huidige medische situatie staat volgens [eiser] vast dat hij nog minimaal 44 keer naar het ziekenhuis in Maastricht zal moeten gaan voor een jaarlijkse controle. Op basis van het normbedrag in de richtlijn Kilometervergoeding bedragen de kosten op jaarbasis € 4,62. Over een periode van 44 jaar is dat € 203,28. Daarnaast stelt [eiser] iedere twee jaar naar Bussum te moeten om een nieuwe prothese te laten aanmeten. De kosten daarvan bedragen € 139,-- (420 km retour x € 0,33) x 24 keer = € 3.336,--. De parkeerkosten worden door [eiser] geschat op € 10,-- per keer en derhalve in totaal op 68 (44 + 24) maal dat bedrag, zijnde € 680,--. Al deze bedragen moeten nog geïndexeerd worden. [eiser] gaat dan ook uit van een stelpost van € 4.500,-- aan toekomstige reis- en parkeerkosten. Het
totaal aan verschenen en toekomstige reis- en parkeerkosten bedraagt € 5.242,02, aldus
[eiser] .

4.27.

Volgens [gedaagde] moet deze vordering worden afgewezen. [eiser] heeft slechts een schatting gemaakt en hij heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze kosten in relatie staan tot het aantal behandelingen. Ten aanzien van de toekomstige schade heeft [eiser] volgens [gedaagde] geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat hij de rest van zijn leven jaarlijks op controle moet. [eiser] levert geen onderbouwing waaruit blijkt dat hij deze kosten heeft gemaakt. Subsidiair stelt [gedaagde] dat het gevorderde fors moet worden gematigd, omdat de periode waarover de schade wordt gevorderd de periode van 2015 tot heden betreft, terwijl volgens een medische advies van 14 augustus 201511 sprake was van een medische eindtoestand. De kosten nadien kunnen dus niet worden verhaald.

4.28.

De rechtbank zal de post reis-en parkeerkosten vaststellen op € 5.242,02. [eiser] heeft door de verklaring van zijn oogarts12 voldoende aangetoond dat en waarom de reiskosten in verband met de medische behandelingen moeten worden gemaakt. Volgens die verklaring moet [eiser] jaarlijks op controle naar het ziekenhuis en dient de prothese iedere twee jaar te worden vervangen. De stelling dat de vergoeding zou moeten worden beperkt tot de periode tot 15 augustus 2015, omdat volgens de toenmalige medisch adviseur sprake was van een medische eindtoestand, moet worden verworpen. Uit hetgeen nadien is voorgevallen, is gebleken dat die conclusie niet juist is.

4.29.

Onderdeel van het bedrag van € 5.242,02 is een bedrag van € 242,-- dat het Hof al heeft toegewezen (als onderdeel van het door het Hof aan [eiser] als benadeelde partij toegewezen bedrag van € 3.397,26). De rechtbank zal voor de duidelijkheid van partijen de
rekenmethodiek van [eiser] in productie 8 van de dagvaarding volgen, waarin hij eerst alle materiële schadeposten optelt en daarna van het totaalsaldo aan materiële schade aftrekt het bedrag aan materiële schade dat is toegewezen door het Hof. Dat betekent dat later in dit vonnis, wanneer de vastgestelde materiële schadeposten bij elkaar opgeteld worden, het door [gedaagde] aan [eiser] reeds betaalde bedrag aan materiële schade, daarop in mindering zal strekken.

Verlies arbeidsinkomsten

4.30.

[eiser] stelt dat hij ten tijde van het incident, naast zijn studie, werkzaam was in de horeca als keukenmedewerker. Door zijn letsel en de daarmee verband houdende beperkingen was hij direct na het incident zes weken arbeidsongeschikt. Uit de door de werkgever verstrekte overzichten van het dienstrooster blijkt dat hij in de weken 35 tot en met 40 van 2013 was ingepland. De volgens dat rooster ingeplande uren heeft hij niet kunnen werken vanwege de in die periode ondergane operaties. Ook als gevolg van de vijf operaties in verband met de netvliesloslatingen was hij telkens enkele weken arbeidsongeschikt. In totaal heeft hij daardoor, naar hij stelt, € 8.160,50 aan nettosalaris misgelopen. Van die vordering heeft het Hof een deel, ter hoogte van € 1.197,--, toegewezen.

4.31.

[gedaagde] merkt op dat [eiser] zijn vordering onderbouwt met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een looptijd van 1 juli 2005 en een einddatum van 30 juni 2006. Volgens hem had [eiser] geen dienstbetrekking op het moment van het incident.
Verder betoogt [gedaagde] dat [eiser] op grond van artikel 7.2 CAO voor het horeca- en aanverwante bedrijf en de toelichting op de CAO Horeca 2012-2013 recht had op 95% loondoorbetaling. De overige 5% is volgens [gedaagde] reeds verdisconteerd in het bedrag dat het Hof al heeft toegewezen.

4.32.

De rechtbank neemt op basis van de verklaringen van de toenmalige werkgever (brasserie La Meuse te Eijsden) en de jaaropgave 2013 aan dat [eiser] ten tijde van het incident werkzaam was op basis van een 0-urencontract13. Met de overzichten van de werkgever heeft [eiser] voldoende aangetoond dat indien het incident hem niet was overkomen, hij op de dagen waarop hij geopereerd is (in verband met het incident en de vijf netvliesloslatingen) en in de weken daarna, waarin hij vanwege de ingrepen niet kon werken, had kunnen werken voor zijn toenmalige werkgever.

4.33.

Het verweer van [gedaagde] , dat [eiser] , op grond van de door [gedaagde] genoemde cao-bepaling, jegens zijn voormalige werkgever recht zou hebben op doorbetaling van zijn loon gedurende de periode dat hij ziek was als gevolg van het incident, en dus enkel jegens zijn werkgever aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de gemiste arbeidsinkomsten, vindt geen steun in het recht. Omdat het verlies aan inkomsten is te wijten aan de onrechtmatige handeling van [gedaagde] , kan [eiser] jegens deze aanspraak maken op vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade bestaande in het missen looninkomsten. Daaraan doet niet af dat [eiser] een vordering had op grond van een loondoorbetalingsplicht op zijn voormalige werkgever.

4.34.

Nu [gedaagde] deze vordering voor het overige niet heeft betwist, stelt de rechtbank de schadepost verlies arbeidsinkomsten vast op € 8.160,50. Onderdeel van deze post is het door het Hof toegewezen bedrag van € 1.197,-- . Later in de beoordeling, wanneer alle vastgestelde schadeposten bij elkaar opgeteld worden, zal het door [gedaagde] aan [eiser] al betaalde schadebedrag, van het totaal worden afgetrokken.

Economische kwetsbaarheid

4.35.

Volgens [eiser] is het voorstelbaar dat het verlies van het zicht van zijn rechter oog zal leiden tot economische kwetsbaarheid, omdat zijn letsel kan leiden tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. Als hij zijn baan zou verliezen, zal hij door het missen van het zicht in zijn rechter oog meer moeite hebben met het vinden van een nieuwe baan, want het lastiger is om bepaalde beroepen uit te oefenen met die handicap. De kans is dus aanwezig dat hij bij een eventueel ontslag langer werkloos zal zijn dan wanneer hij het letsel niet zou hebben. [eiser] berekent de schade op € 18.000,--, zijnde het gemis aan een nettosalaris van € 3.000,-- per maand gedurende een periode van zes maanden.

4.36.

[gedaagde] is van mening dat deze post niet toewijsbaar is.

4.37.

De rechtbank is van oordeel dat deze post moet worden afgewezen. Voor toewijzing van een vergoeding voor verhoogde economische kwetsbaarheid is vereist dat [eiser] werkzaam is in een functie die op zijn maat is gecreëerd door zijn werkgever. Hij heeft niet gesteld of en in welke zin zijn werk is aangepast in verband met zijn handicap als gevolg van het incident.

Mantelzorg

4.38.

[eiser] stelt dat zijn moeder hem in de periode van 2013-2015 mantelzorg (verzorging/verpleging) verleend heeft, te weten de eerste drie weken na de mishandeling en telkens tijdens de eerste week na de diverse operaties. Het betreft in totaal zes weken (42 dagen), gemiddeld 3 uur per dag. Het toepasselijke mantelzorgtarief in die periode bedroeg € 8,50 per uur. Dat leidt tot een vordering van € 1.071,--. In 2022, toen (de inhoud van) zijn rechter oog is verwijderd en de oogprothese werd geplaatst, is mantelzorg verleend door zijn vriendin. De eerste drie dagen na de ingreep heeft zijn vriendin verlof opgenomen om hem te verzorgen. De hulp is toen telkens drie uur per dag verleend. Op grond van het in 2022 geldende mantelzorgtarief, maakt [eiser] aanspraak op een vergoeding van € 85,50 (= 3 x 3 x € 9,50). In totaal vordert [eiser] voor deze post tot en met 2022 € 1.156,50.

4.39.

[gedaagde] voert daartegen aan dat voor het berekenen van deze schadepost aansluiting moet worden gezocht bij de richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschade Raad. Volgens die richtlijn is het bedrag in 2013 geïndexeerd op € 63,00 per week. In totaal is sprake van een schadepost van € 378,-- (6 x € 63,--). Dat bedrag is volgens [gedaagde] al verdisconteerd in de door het Hof toegekende schadevergoeding. Derhalve dient het gevorderde bedrag te worden afgewezen. Ook de vordering ter zake de verlofuren van de vriendin van [eiser] , moet volgens [gedaagde] worden afgewezen, omdat dit geen schade is die door [eiser] is geleden.

4.40.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan [gedaagde] aanvoert, de uren die gevorderd worden voor verpleging/verzorging van [eiser] niet vallen onder de richtlijn Huishoudelijke Hulp. Deze richtlijn verstaat onder zelfredzaamheid: de persoonlijke verzorging en algemene dagelijkse levensverrichtingen. De richtlijn bepaalt expliciet dat zelfredzaamheid niet valt onder de richtlijn Huishoudelijke hulp. Niet betwist is dat in 2013-2015
€ 8,50 per uur een redelijk uurtarief is als vergoeding voor de verleende verpleging/verzorging van [eiser] . Ook de omvang van de uren is niet ter discussie gesteld. Voor door zijn moeder verleende zorg, zal de rechtbank de post mantelzorg vaststellen op € 1.071,--. De stelling dat de bedoelde schade die door de vriendin van [eiser] is geleden niet door [eiser] kan worden gevorderd, vindt geen steun in het recht. De rechtbank verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 5 december 200814. Ter zake kosten voor verpleging/verzorging door zijn vriendin zal de rechtbank een vergoeding toewijzen van € 85,50. In totaal zal de post mantelzorg dus vastgesteld worden op € 1.156,50.

Huishoudelijke hulp

4.41.

[eiser] stelt dat hij de eerste acht weken na de operatie in verband met het verwijderen van (de inhoud van) zijn rechter oog, niet mocht tillen en geen activiteiten mocht verrichten waarbij druk op de oogkas kon ontstaan. In die periode durfde hij bovendien niet naar buiten omdat hij nog geen oogprothese had. [eiser] vriendin deed daarom alles buitenshuis en zij maakte schoon in huis. Volgens [eiser] is het redelijk bij de begroting van deze schadepost de richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschade Raad aan te houden. Uitgaande van het feit dat het om een tweepersoonshuishouden gaat, hij in de bedoelde periode matig beperkt was in de zin van die richtlijn en toen een normbedrag gold van € 98,-- per week, stelt [eiser] volgens die richtlijn aanspraak te kunnen maken op € 392,--
(= € 98,-- x 8 x 50%).

4.42.

[gedaagde] meent dat er geen causaal verband bestaat tussen deze schadepost en het incident. Deze schade kan niet aan hem worden toegerekend. Dat [eiser] niet naar buiten durfde, betekent niet dat hij niet naar buiten kon. Dat [eiser] vriendin hem heeft moeten helpen, komt voor rekening van [eiser] zelf. [eiser] was naar medische objectieve maatstaven in staat deze werkzaamheden zelf te verrichten. De schade als gevolg van het feit dat [eiser] uit gevoel van schaamte niet heeft gehandeld, moet worden gevorderd als onderdeel van smartengeld, en niet als kosten van huishoudelijke hulp.

4.43.

De rechtbank is van oordeel dat het door [gedaagde] betwiste causale verband aanwezig is. Aannemelijk is dat [eiser] gedurende acht weken na de oogoperatie niet mocht tillen en geen activiteiten mocht verrichten waarbij druk op de oogkas kon ontstaan. Dat betekent dat hij in die tijd geen boodschappen kon dragen, in huis geen zware dingen kon tillen en dus ook niet mocht bukken, waardoor hij beperkt was in zijn mogelijkheden om bij te kunnen dragen aan de huishoudelijke activiteiten. Alleen al om die reden kan de post huishoudelijke hulp, die anderszins niet betwist is, vastgesteld worden op € 392,--.

Verlies zelfwerkzaamheid

4.44.

[eiser] stelt dat hij vóór het incident veel in, aan en rondom zijn huis kluste: boren, lassen, meubels in elkaar zetten, timmerwerk verrichten, aanleggen en onderhouden van zijn tuin etc. Als gevolg van zijn letsel ziet hij geen althans weinig diepte, zodat hij voor het verrichten van deze werkzaamheden nu een derde moet inschakelen. Voor de begroting van de daaruit voortvloeiende schade heeft hij aansluiting gezocht bij de richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad. Hij is in zijn berekening uitgegaan van het feit dat hij met ingang van 1 februari 2018 een huurappartement zonder tuin bewoonde en met ingang van
1 juni 2018 een ander huurappartement, wederom zonder tuin, en hij ten slotte vanaf
14 oktober 2022 samen met zijn vriendin eigenaar is van een vrijstaande woning. [eiser] stelt dat de toepasselijke richtlijn uitgaat van een normbedrag van € 161,-- per jaar. Vanaf 14 oktober 2022 moet worden uitgegaan van bewoning van een vrijstaande woning. Het is volgens [eiser] redelijk om 75% van het normbedrag te hanteren, nu hij bepaalde taken nog zelf kan uitvoeren en hij is gaan samenwonen. Op basis van vaste jurisprudentie heeft
[eiser] de schade doorberekend tot zijn 75e levensjaar, hetgeen tot een totaal leidt van € 53.406,20.

4.45.

[gedaagde] betoogt dat het bedrag aan schadevergoeding niet moet worden berekend tot het 75e levensjaar van [eiser] , maar tot diens 70e levensjaar, in lijn met de richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad.

Dat [eiser] bepaalde werkzaamheden niet meer zou kunnen uitvoeren, is volgens [gedaagde] niet onderbouwd met een verklaring van een medisch deskundige. [eiser] heeft geen letsel aan zijn handen, dus hij kan door hem genoemde werkzaamheden verrichten. Werkzaamheden als het maken van meubels, timmerwerk, het lassen en het aanleggen van tuinen, vallen niet onder het begrip “zelfwerkzaamheid” van de richtlijn, aldus [gedaagde] . [eiser] noemt geen werkzaamheden die hij niet kan uitvoeren door het incident en die wel vallen binnen de reguliere onderhoudswerkzaamheden. Derhalve moet deze vordering worden afgewezen.

Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat het percentage van het normbedrag dat [eiser] hanteert (75) niet reëel is. Volgens [gedaagde] moet een percentage van 0 dan wel 25 worden gehanteerd, omdat [eiser] geen letsel heeft opgelopen aan zijn handen. Evenmin is sprake van volledige blindheid. [eiser] kan de bedoelde werkzaamheden dus uitvoeren. [eiser] kan ook praktische handelingen aanleren hoe om te gaan met het zicht met één oog. Er is dus geen volledige beperking op het gebied van de zelfwerkzaamheid. Overigens kan de vriendin van [eiser] de onderhoudswerkzaamheden volledig uitvoeren. [eiser] heeft immers niet inzichtelijk gemaakt hoe de werkzaamheden tussen hen verdeeld waren voor het incident. [gedaagde] voert ook aan dat de omrekenfactor van 0,7 bij appartementen moet worden toegepast. Daarnaast dient volgens [gedaagde] de hoogte van de vordering aanzienlijk te worden gematigd, omdat met verkeerde bedragen is gewerkt. Per 1 januari 2018 moet worden uitgegaan van een bedrag van € 150,-- voor huurwoningen zonder tuin, met weinig onderhoud. Dat bedrag is pas in 2021 verhoog naar € 161,--. Ook moet volgens [gedaagde]
rekening worden gehouden met de sterftekans. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat de toekomstige schade niet wordt geconcretiseerd.

4.46.

De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de door de Letselschade Raad opgestelde richtlijn Zelfwerkzaamheid is dat de schade berekend moet worden tot het moment dat [eiser] 70 jaar wordt. De rechtbank zal daarvan uitgaan.

4.47.

Onder zelfwerkzaamheid verstaat de richtlijn reparatie- en schilderwerkzaamheden in en aan de woning, evenals het aanbrengen van behang en wandbekleding en tuinonderhoud. Uitgaande van deze definitie is er binnen het kader van de richtlijn Zelfwerkzaamheden geen ruimte om rekening te houden met het feit dat [eiser] , zoals hij stelt, als gevolg van het feit dat hij blind is aan zijn rechter oog geen meubels meer kan maken, niet meer kan timmeren en lassen en geen tuinen meer kan aanleggen. Bij al deze activiteiten is immers geen sprake van ‘onderhoud’. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat de onderhoudswerkzaamheden die wel onder de richtlijn vallen niet (goed) meer verricht kunnen worden door [eiser] omdat hij met één oog minder diepte ziet.

4.48.

Het normbedrag voor een huurwoning zonder tuin bedraagt vanaf 1 januari 2018 € 150,-- per jaar. Met ingang van 1 januari 2021 is dat bedrag verhoogd tot € 161,-- per jaar. Per 14 oktober 2022 is het normbedrag voor een eigen woning met tuin en alle onderhoud
€ 1.287,--. Vanaf 1 januari 2023 moet worden uitgegaan van een normbedrag van € 1.354,-- per jaar voor een woning met tuin en alle onderhoud, en met ingang van 1 januari 2025 met een bedrag van € 1.531,-- per jaar. De omrekenfactor bedraagt voor de jaren 2018 tot en met 2022 0,7 (woningtype: appartement) en vanaf 1 januari 2023 1,3 (woningtype: vrijstaande woning). Volgens de richtlijn Zelfwerkzaamheid moet deze schadepost als volgt worden berekend: normbedrag x omrekenfactor x aandeel vóór het ongeval in de onderhoudswerkzaamheden x mate van beperking.

4.49.

[eiser] stelt het aandeel voor het ongeval op 100% omdat zijn vriendin niet handig is. De rechtbank acht een percentage van 100% vanaf het moment dat [eiser] in een vrijstaande woning woont te hoog. De werkzaamheden die horen bij tuinonderhoud zijn van dien aard dat ook de vriendin van [eiser] daarin een aandeel kan nemen. De rechtbank
rekent daarom vanaf 14 oktober 2022 met een aandeel van 50%. [eiser] stelt dat hij niet bij alle taken beperkt is en hij rekent daarom met een percentage van 75%. Dat percentage acht de rechtbank redelijk gelet op de aard van het letsel en de beperkingen die [eiser] ervaart omdat hij geen diepte meer kan zien.

4.50.

Voorgaande betekent dat de rechtbank voor de periode 1 februari 2018 tot en met 31 december 2024 uitgaat van de volgende bedragen:

- 1-2-2018 t/m 31-12-2018: 11/12 jaar x € 150,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 72,18

- 1-1-2019 t/m 31-12-2019: € 150,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 78,75

- 1-1-2020 t/m 31-12-2020: € 150,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 78,75

- 1-1-2021 t/m 31-12-2021: € 161,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 84,53

- 1-1-2022 t/m 13-10-2022: 286/365 dagen x € 161,-- x 0,7 x 1 x 0,75 = € 66,23

- 14-10-2022 t/m 31-12-2022: 79/365 dagen x € 1.287,-- x 1,3 x 0,5 x 0,75 = € 135,80

- 1-1-2023 t/m 31-12-2023: € 1.354,-- x 1,3 x 0,5 x 0,75 = € 660,08

- 1-1-2024 t/m 31-12-2024: € 1.354,-- x 1,3 x 0,5 x 0,75 = € 660,08

4.51.

De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen om bij akte een berekening in het geding te brengen over de periode 1 januari 2025 tot het moment dat [eiser] 70 jaar wordt met inachtneming van voorgaande uitgangspunten. [gedaagde] zal daarna bij
antwoord-akte mogen reageren.

Huur televisie, kosten opvragen medische informatie, kosten medisch advies en kosten GBA-controle

4.52.

[eiser] stelt dat hij in het ziekenhuis kosten heeft gemaakt voor de huur van een televisie ter hoogte van € 20,86. Daarnaast stelt hij kosten te hebben gemaakt in verband met het opvragen van medische informatie, het laten opstellen van een medisch advies en kosten voor GBA-controles ten behoeve van de verzending van de stuitingsbrieven. De totale schadepost bedraagt volgens [eiser] € 784,36.

4.53.

De kosten van de huur van een tv moeten volgens [gedaagde] worden afgewezen omdat daarvan geen causaal verband met het incident bestaat en deze kosten niet aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. Het medisch advies levert geen grondslag op voor aansprakelijkheid. Ten aanzien van deze kosten alsmede ten aanzien van de GBA-controle en het opvragen van het medische dossier zijn volgens [gedaagde] geen facturen overgelegd.

4.54.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de huur van de tv wél in causaal verband staan met het incident. Als gevolg van het incident, waarvoor [gedaagde] verantwoordelijk is, is [eiser] immers in het ziekenhuis beland. Het is gebruikelijk dat tijdens het verblijf in een ziekenhuis tv wordt gekeken door patiënten op hun kamer. Ter zake de kosten van het GBA-controles heeft [eiser] facturen overgelegd, en wel bijlages 37 en 38 bij productie 8 bij de dagvaarding. De kosten van het medisch advies kunnen gegrond worden op artikel 6:96 lid 2 sub b BW, en zijn onderbouwd met bijlage 39. Ook ter zake de huur van de tv heeft [eiser] een factuur overgelegd, te weten bijlage 42 bij factuur 8 bij de dagvaarding. Ten slotte zijn ook ten aanzien het opvragen van het medische dossier facturen overgelegd, te weten bijlage 40 en 41 van productie 8 bij de dagvaarding. Omdat [gedaagde] deze vordering voor het overige niet heeft betwist, zal deze post, zoals gevorderd, vastgesteld worden op € 784,36.

Smartengeld

4.55.

[eiser] maakt aanspraak op een smartengeldvergoeding. Bij de begroting daarvan zijn volgens hem de volgende aspecten relevant. Hij is zwaar mishandeld. Er is sprake van ernstig letsel, nu hij blind is aan één oog. Hij heeft blijvende pijnklachten en beperkingen. Er is sprake van cosmetische schade en van 20% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. Ten slotte is van belang dat weliswaar sprake is van een stationaire toestand, maar niet van een eindtoestand: er is een risico op verslechtering, hetgeen gevolgen kan hebben voor zijn werk. Een bedrag van € 40.000,-- dient in dat licht volgens [eiser] te worden aangemerkt als ondergrens voor een toe te kennen immateriële schade. Nu het Hof ter zake smartengeld al een bedrag heeft toegewezen van € 25.000,--, maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 15.000,--.

4.56.

[gedaagde] voert allereerst eerst dat [eiser] als benadeelde partij in de strafzaak aanspraak maakte op € 35.000,--. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom hij nu aanspraak maakt op een bedrag van € 40.000,--. De gevallen waarop [eiser] zijn vordering baseert zijn volgens [gedaagde] niet vergelijkbaar. Het ‘opzet’ in strafrechtelijke zin waarvan het Hof is uitgegaan, ziet op het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat [eiser] ernstig letsel zal oplopen door het handelen van [gedaagde] . Dit was niet aan de orde in de zaken die [eiser] ter vergelijking aanhaalt. In de volgens [gedaagde] vergelijkbare gevallen wordt aanzienlijk minder smartengeld toegekend.

4.57.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet gebonden is aan de vordering zoals hij die in de strafzaak heeft ingediend. De vordering in de onderhavige civiele procedure heeft [eiser] onderbouwd met volgens hem vergelijkbare gevallen uit de Smartengeldgids.

4.58.

De rechtbank is van oordeel dat toekenning van een bedrag van in totaal
€ 40.000,-- aan smartengeld gerechtvaardigd is. Daartoe is het volgende redengevend. Allereerst de ernst van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Met het gooien van het glas in het gezicht van [eiser] , heeft hij het risico op de koop toegenomen dat [eiser] een verwonding aan zijn oog zou oplopen. [eiser] is ook ernstig gewond geraakt aan zijn rechter oog door het glas. In verband met een vijftal netvliesloslatingen, die alle in oorzakelijk verband staan met het oorspronkelijke letsel, heeft [eiser] evenzovele operaties moeten ondergaan. Uiteindelijk kon het aanvankelijk geredde zicht in zijn rechter oog toch niet gered worden en heeft [eiser] moeten beslissen (de inhoud van) het rechter oog te laten verwijderen en te laten vervangen door een prothese. Niet alleen heeft dat cosmetische gevolgen voor het gezicht van [eiser] , maar bovendien moet tweejaarlijks een nieuwe prothese worden aangemeten en vervolgens ingebracht bij [eiser] . Hij zal dus de rest van zijn leven geconfronteerd blijven met de gevolgen van het incident. Ten slotte is van belang dat [eiser] constant leeft met de geestelijke druk dat er met zijn gezonde oog niets mis mag gaan omdat hij anders geheel blind zal zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank, nu het Hof al
€ 25.000,-- heeft toegekend, nog een bedrag van € 15.000,-- aanvullend als schadepost zal vaststellen.

De vordering onder 3 (verwijzing naar de schadestaatprocedure)

4.59.

Omdat in de toekomst mogelijk nog kosten moeten worden gemaakt ten aanzien van een aantal schadeposten, vordert [eiser] ter begroting van de nog niet begrote kosten en toekomstige schade een verwijzing naar de schadestaat. Het betreft - voor zover nog
relevant gelet op wat hiervoor geoordeeld is over de post economische kwetsbaarheid - de volgende schadeposten: medische kosten, reis- en parkeerkosten, mantelzorg, huishoudelijke hulp, verlies zelfwerkzaamheid, overige kosten en smartengeld.

4.60.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet concreet heeft gemaakt waarin de toekomstige schade exact bestaat. [gedaagde] ziet niet in waarom [eiser] die toekomstige schade niet op dit moment concreet kan maken op de voet van artikel 6:105 BW.

4.61.

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering voor toewijzing gereed ligt. Voldoende voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is, dat aannemelijk is dat in de toekomst mogelijk nog schade zal optreden.15 Daarvan is hier sprake. [eiser] heeft toegelicht wat de mogelijke schadeposten zijn. Of en welke schades zich zullen voordoen, hangt af van toekomstige ontwikkelingen. [eiser] is niet verplicht om de rechtbank te verzoeken de toekomstige schade op de voet van artikel 6:105 BW te begroten; hij mag er voor kiezen verwijzing naar de schadestaat te vorderen, om in een dergelijke procedure die schade te laten vaststellen.

De vordering onder 4 ( advocaatkosten)

4.62.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van advocaatkosten, nu, voordat de onderhavige procedure is gestart, er onderhandeld is over de hoogte van de schade. Volgens
[eiser] komen op grond van artikel 6:96 lid 2 BW de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking. De tot en met 28 mei 2019 gemaakte buitengerechtelijke kosten hebben volgens [eiser] € 2.597,27 bedragen.

4.63.

[gedaagde] verweert zich tegen deze vordering. Hij vindt dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd, zodat niet kan worden beoordeeld of het maken van deze kosten redelijk was en of de hoogte daarvan redelijk was. Subsidiair meent [gedaagde] dat de onderbouwing van het honorarium onvoldoende verifieerbaar is, omdat [eiser] niet inzichtelijk maakt of de bestede tijd in redelijke verhouding tot de verrichte werkzaamheden staan. Meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat gelet op de eigen schuld van [eiser] , dan wel de toepasselijke billijkheidscorrectie, de vordering van [eiser] naar evenredigheid daarvan dient te worden verminderd.

4.64.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd met productie 16 bij de dagvaarding en redelijk zijn. Omdat zoals hierboven reeds overwogen is, geen sprake is van eigen schuld en een billijkheidscorrectie niet aan de orde is, is er ook geen aanleiding om de hoogte van deze post op die gronden te verminderen. De rechtbank stelt de post advocaatkosten dan ook vast op € 2.597,27.

Resumé

4.65.

De rechtbank heeft hiervoor de volgende posten vastgesteld:
- € 19.852,90 medische kosten +

  • - € 5.242,02 reis- en parkeerkosten +
  • - € 8.160,50 verlies arbeidsinkomsten +
  • - € 1.156,50 mantelzorg +
  • - € 392,-- huishoudelijke hulp +
  • - € xxx nog te berekenen verlies zelfredzaamheid +
  • - € 784,36 kosten huur tv, opvragen medische info, medisch advies, GBA-controle +
  • - € 2.597,27 advocaatkosten + € 38.185,55 + xxx
  • - € 3.397,26 toegewezen materiële schade in strafzaak door het Hof
    (incl. € 242,02 reiskosten en € 1.197,-- verlies arbeidsvermogen) -

    € 34.788,29 + xxx

  • - € 15.000,-- smartengeld +

€ 49.788,29 + xxx

4.66.

In afwachting van de aktewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

1Zie hierboven 2.3.

2Zie hierboven 2.2.

3ECLI:NL:HR:2010:BM9615.

4Zie hierboven onder 2.4 en 2.6.

5Zie productie 5 bij de dagvaarding (de brief van 31 december 2021, van de oogarts van [eiser] aan de huisarts van [eiser] ).

6Zie productie 7 bij de dagvaarding.

7Zie productie 6 bij de dagvaarding.

8Zie productie 7 dagvaarding.

9Zie productie 5 bij de dagvaarding (de brief van 31 december 2021, van de oogarts van [eiser] aan de huisarts van [eiser] ).

10Zie productie 5 bij de dagvaarding.

11Zie productie 5 bij de dagvaarding.

12Zie productie 7 bij de dagvaarding (de brief van 3 april 2023, van de oogarts van [eiser] aan de advocate van [eiser] ).

13Zie bijlagen 34 en 35 bij productie 8 bij de dagvaarding.

14LJN BE9998.

15Vergelijk Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.

16type: MT

Rechtbank Limburg 30 april 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12630


AANSPRAKELIJKHEID MISDAAD,  algemeen

Internetconsultatie.nl 201225 Besluit uitbreiding ongemaximeerde voorschotregeling
Dit besluit strekt tot wijziging van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. In dat besluit zijn de delicten opgesomd waarvoor de ongemaximeerde voorschotregeling geldt. Het betreft seksuele misdrijven en bepaalde geweldsmisdrijven. Slachtoffers van deze delicten krijgen, wanneer de dader niet binnen acht maanden betaalt, het volledige bedrag dat voortvloeit uit een opgelegde schadevergoedingsmaatregel door de Staat vergoed, in plaats van het gemaximeerde bedrag van € 5.000. Met deze wijziging wordt de ongemaximeerde voorschotregeling uitgebreid met een aantal geweldsdelicten, waaronder brandstichting en dood door schuld. internetconsultatie.nl


AANSPRAKELIJKHEID MISDAAD,  mishandeling

RBNHO 251125 hoofdelijke aansprakelijkheid na geaccepteerd schikkingsvoorstel voor mishandeling in shoarmazaak in Oostenrijk;
- oordeel over ES bemoeilijkt doordat daders zich de toedracht niet kunnen herinneren vanwege overmatig alcoholgebruik
- tegenverzoek t.z.v. aansprakelijkheid voor schade die uitstijgt boven betaalde schadevergoeding afgewezen; niet geschikt voor deelgeschil
- begroot cf verzoek 2.5 uur x € 240 = € 600

De zaak in het kort

[verzoeker] was op 18 maart 2023 betrokken bij een vechtpartij met [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in Oostenrijk. [verzoeker] heeft daarbij aangezichtsletsel opgelopen. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben een schikkingsvoorstel van het Landesgericht Innsbruck geaccepteerd. [verzoeker] heeft daarna een (door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] betaald) schadebedrag van € 1.500,- ontvangen. [verzoeker] wil nu aanvullende schadevergoeding van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .

In deze deelgeschilprocedure verzoekt [verzoeker] de kantonrechter te bepalen dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het voorval op 18 maart 2023. De kantonrechter wijst dit verzoek toe. De vraag of en zo ja, in welke mate [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voor de aanvullende schadeposten van [verzoeker] aansprakelijk zijn behoeft echter nader onderzoek. Daarvoor leent een deelgeschilprocedure zich niet. De kantonrechter wijst daarom het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] dat in rechte wordt vastgesteld dat zij niet aansprakelijk zijn voor een schadebedrag dat uitstijgt boven de al betaalde schadevergoeding af.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties 1-12;

- de beschikking van 20 juni 2025, waarbij de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, zich onbevoegd heeft verklaard van het verzoek kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond heeft verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad;

- de e-mail van 24 juni 2025 van mr. Heetebrij aan de kantonrechter dat de vordering van [verzoeker] het bedrag van € 25.000,- niet zal overstijgen;

- het verweerschrift tevens tegenverzoek.

1.2.

Op 28 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van het deelgeschil plaatsgevonden in het gerechtsgebouw in Alkmaar. Op de zitting zijn verschenen [verzoeker] , vergezeld door zijn vader en mr. F. Heetebrij, en [verweerder sub 2] en [verweerder sub 1] , vergezeld door de ouders van [verweerder sub 1] en mr. R.H. Bouwman.

1.3.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mr. Heetebrij heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen en aanvullende stukken (een expertiserapport) die hij ter zitting aan de kantonrechter heeft overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen meegedeeld dat op 25 november 2025 een beschikking zal volgen.

2De feiten

2.1.

Op 18 maart 2023 zijn partijen na een woordenwisseling in een shoarmazaak in Westendorf (Oostenrijk) buiten met elkaar slaags geraakt. Het voorval is door getuigen waargenomen.

2.2.

[verzoeker] heeft bij het voorval aangezichtsletsel opgelopen en een operatieve ingreep aan zijn neus moeten ondergaan.

2.3.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zijn door de Oostenrijkse autoriteiten aangehouden. Het Landesgericht Innsbruck heeft tegen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] een strafrechtelijke procedure gestart. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben van het Landesgericht Innsbruck een schikkingsvoorstel ontvangen om verdere strafvervolging ‘af te kopen’.

2.4.

Landesgericht Innsbruck heeft daartoe onder meer het volgende overwogen: “(..) sie hätten am 18.3.2023 in Westendorf im bewussten und gewollten Zusammenwirken als Mittäter den (…) [verzoeker] vorsätzlich am Körper verletzt, indem sie gegen das am Bodem liegende Opfer eintraten und – schlugen, und diesen dadurch, wenn auch nur fahrlässig, schwer am Körper verletzten, wodurch dieser einen repositionsbedürftigen Bruch der Nase erlitt (…)”

2.5.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben het schikkingsvoorstel geaccepteerd. Zij hebben een boete en schadevergoeding betaald: [verweerder sub 1] een bedrag van € 500,- en [verweerder sub 2] een bedrag van € 1.000,-.

2.6.

[verzoeker] heeft via de Oostenrijkse autoriteiten en zijn toenmalige advocaat een bedrag van € 1.500,- ontvangen. De reisverzekeraar van [verzoeker] heeft een bedrag van € 3.939,29 aan hem uitgekeerd.

2.7.

De gemachtigde van [verzoeker] heeft bij brieven van 18 augustus 2023 [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] aansprakelijk gesteld voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade in verband met het voorval op 18 maart 2023. Daarbij is aangegeven dat de schade van [verzoeker] groter is dan de door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voldane betaling.

2.8.

Bij brief van 8 november 2023 hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] daarop als volgt gereageerd, voor zover van belang:

“(...) Ondergetekenden niet verantwoordelijk zijn voor de vermeende schade van de Wederpartij. Ondergetekenden wijzen deze, tot op heden niet onderbouwde, vermeende schade af.
Als summiere reactie hierop brengen wij graag naar voren dat de ‘afgekochte, zware’ mishandeling door de Rechtbank te Innsbruck is afgedaan als zijnde een alledaags handgemeen tussen partijen.
Gelet op het bovenstaande en het feit dat er tot op heden geen ondersteunende stukken zijn aangedragen waaruit de vermeende schade van de Wederpartij blijkt, verzoeken wij u om de Wederpartij te adviseren af te zien van verdere stappen en het voorval in het verleden te laten. (…)”

2.9.

Bij brief van 15 februari 2024 heeft de gemachtigde van [verzoeker] gereageerd. In aanvulling op deze reactie heeft hij op 15 januari 2025 een schadestaat aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] toegezonden en hen een minnelijk voorstel gedaan om een bedrag van € 9.008,14 aan [verzoeker] te vergoeden. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben daaraan geen gehoor gegeven.

3De verzoeken en verweren

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor recht te verklaren dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de mishandeling op 8 (de rechtbank begrijpt: 18) maart 2023, met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de kosten van dit geding.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat afdoende is komen vast te staan dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hem hebben mishandeld en daarmee op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zijn schade. Daarbij baseert [verzoeker] zich op getuigenverklaringen en op de in Oostenrijk gevolgde strafrechtelijke procedure. Daaruit blijkt dat sprake is geweest van een zware mishandeling (een ‘schweren Körperverletzung’). De strafrechtelijke procedure heeft geleid tot een schikkingsvoorstel dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben aanvaard. [verzoeker] heeft echter meer schade geleden dan aan hem is voldaan. Die schade bestaat met name uit smartengeld en verlies aan verdienvermogen. Daarvoor wil [verzoeker] dat de kantonrechter de hoofdelijke aansprakelijkheid vaststelt.

3.3.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voeren aan dat zij zich niet zonder meer aansprakelijk achten voor de opgevoerde aanvullende schadeposten. Daarbij wijzen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] erop, hoewel zij geenszins pogen om geweld te rechtvaardigen, dat [verzoeker] ook een rol heeft gespeeld bij het geweldsincident. De precieze toedracht ervan is onduidelijk. Dat heeft gevolgen voor de mate waarin [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] aansprakelijk zijn voor de schade. Er is ook veel onduidelijkheid over de al betaalde schadevergoeding aan [verzoeker] , wat betreft de betrokkenheid van [verzoeker] bij het bepalen van de hoogte van het bedrag en op welke schadeposten dit ziet. Die onduidelijkheid geldt eveneens voor de opgevoerde aanvullende schadeposten. Deze zijn volgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet voldoende aannemelijk gemaakt om voor hun rekening te laten komen.

3.4.

Op hun beurt verzoeken [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] de kantonrechter daarom om voor recht te verklaren dat zij niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de mishandeling op 18 maart 2023 voor zover deze uitstijgt boven de reeds betaalde schadevergoeding, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van dit geding.

3.5.

[verzoeker] verzet zich tegen toewijzing van het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .

3.6.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Deze zaak heeft internationale aspecten, omdat het schade toebrengende feit (het geweldsincident) zich in Oostenrijk heeft voorgedaan. De kantonrechter zal daarom eerst (ambtshalve) beoordelen of hem rechtsmacht toekomt en zo ja, welk recht van toepassing is.

4.2.

Omdat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] als verwerende partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek van [verzoeker] . Partijen gaan daar ook van uit.

4.3.

Omdat het verzoek van [verzoeker] is gegrond op de stelling dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van de Verordening Rome II.1 Artikel 4 lid 1 van de Verordening Rome II bepaalt dat, tenzij in de verordening anders is bepaald, het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Artikel 4 lid 2 van de Verordening Rome II bepaalt dat, indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, het recht van dat land van toepassing is. Op partijen is deze bepaling van toepassing, zodat Nederlands recht toepasselijk is.

Behandeling in deelgeschil

4.4.

[verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. De rechterlijke uitspraak in een deelgeschil moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.

4.5.

Uit vaste rechtspraak volgt dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan worden gesteld. Een vaststelling van aansprakelijkheid zou de impasse tussen partijen namelijk kunnen doorbreken en een bijdrage kunnen leveren aan het vlot trekken van de onderhandelingen. Het verzoek van [verzoeker] kan dan ook inhoudelijk worden besproken.

Inhoudelijke beoordeling

4.6.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] betwisten niet dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling van [verzoeker] op 18 maart 2023. Zij kunnen daarom op grond van artikel 6:162 BW in samenhang met artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de schade die [verzoeker] als gevolg daarvan heeft geleden en nog lijdt. De kantonrechter zal de door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht toewijzen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

4.7.

Vervolgens moet, gelet op het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , worden beoordeeld of de - door het onrechtmatig handelen veroorzaakte - schade van [verzoeker] die voor vergoeding in aanmerking komt beperkt is gebleven tot het reeds aan [verzoeker] betaalde bedrag.

4.8.

[verzoeker] heeft bij het verzoekschrift een schadestaat gevoegd, waarin hij zijn schade becijfert op € 14.447,43. Na aftrek van de aan hem betaalde bedragen door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] en de reisverzekeraar, resteert een vordering van € 9.008,14. Dit bedrag bestaat voornamelijk uit immateriële schade (smartengeld) en verlies aan verdienvermogen. Het debat over de gestelde aanvullende schadeposten van [verzoeker] is nog niet volledig door partijen gevoerd. Zo heeft [verzoeker] daarover – gelet op de door hem gekozen insteek van het verzoekschrift – geen stellingen ingenomen en ontbreken concrete, heldere gegevens aan de hand waarvan het gestelde verlies aan verdienvermogen kan worden beoordeeld. Zonder nadere (medische) informatie en onderzoek is geenszins het stadium bereikt dat duidelijkheid bestaat over de omvang van de aan de mishandeling toe te rekenen schade.

4.9.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen dat [verzoeker] zelf ook een aandeel heeft gehad in de mishandeling en dat dit gevolgen heeft voor de mate waarin zij aansprakelijk zijn voor de schade. Voor zover [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] daarmee een beroep doen op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, is de kantonrechter van oordeel dat in dit deelgeschil niet kan worden vastgesteld dat daarvan sprake is. Tijdens de zitting is gebleken dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zich de precieze toedracht van het geweldsincident niet kunnen herinneren wegens hun overmatige alcoholgebruik die bewuste dag. De overgelegde getuigenverklaringen bieden ook onvoldoende aanknopingspunten voor een geslaagd beroep op eigen schuld. De verklaring van getuige [getuige 1] bevat geen enkele aanwijzing dat sprake is van eigen schuld van [verzoeker] . Getuige [getuige 2] verklaart dat [verzoeker] na een trap tegen zijn hoofd weer is opgestaan en naar de verdachte is toegelopen, waarna hij weer naar de grond werd gewerkt. Ook als de kantonrechter ervan uitgaat dat het zo is gegaan, is dit onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van eigen schuld van [verzoeker] .

4.10.

Gelet op het voorgaande kan de kantonrechter op dit moment niet vaststellen dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade van [verzoeker] , voor zover deze uitstijgt boven de al betaalde schadevergoeding. Voor nadere bewijslevering is geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Dergelijke bewijslevering verdraagt zich namelijk niet met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en kostenefficiënt moet zijn. De kantonrechter zal het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] dan ook afwijzen.

Kosten deelgeschil

4.11.

De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake, zodat de kantonrechter de kosten die [verzoeker] voor deze procedure heeft gemaakt, zal begroten.

4.12.

Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.13.

De kantonrechter zal de kosten voor de voorbereiding en behandeling van dit deelgeschil overeenkomstig het verzoek van [verzoeker] - waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd - begroten op een bedrag van € 600,- (2,5 uur × een uurtarief van € 240,-). Deze kosten doorstaan de dubbele redelijkheidstoets. De kantonrechter zal het bedrag vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,-, zodat de kosten van dit deelgeschil in totaal € 690,- bedragen. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zullen, zoals verzocht, tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld, omdat de aansprakelijkheid voor de mishandeling is komen vast te staan.

1Verordening (EG) nr. 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen

Rechtbank Noord-Holland 25 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14073


AANSPRAKELIJKHEID DIVERS, varia 

RBGEL 171225 beenletsel door mes tapijtstripper; verhuurder aansprakelijk; verhuurd zonder voldoende toelichting en zonder lederen mesbeschermer
- geen aansprakelijkheid voor oom die mes in gehuurde tapijtstripper monteerde; ook niet uit zaakwaarneming nadat oom gewond was geraakt

2De feiten

2.1.

[eiser] heeft samen met zijn vader ( [betrokkene 1] ) en zijn oom ( [gedaagde 1] ) de woning van zijn oma ontruimd. Voor het verwijderen van het tapijt heeft [betrokkene 1] op 18 juni 2019 bij [gedaagde 1] een tapijtstripper gehuurd van het merk Wolf, type Duo-stripper. De tapijtstripper is een elektrisch aangedreven apparaat voorzien van een scherp geslepen mes dat een heen en weergaande beweging maakt om zo een tapijt los te snijden van de ondergrond. Voor het gebruik moet de gebruiker zelf het mes monteren op de tapijtstripper.

2.2.

In de tussen [betrokkene 1] en [gedaagde 1] gesloten huurovereenkomst voor de tapijtstripper staat, voor zover hier van belang:

“Zie bijgesloten handleiding voor instructie.

(…)

Gevaar voor letsel: bij het verwisselen of verwijderen van het mes altijd de mesbescherming plaatsen en handschoenen dragen! Voor transport mes verwijderen en na de werkzaamheden eveneens altijd de mesbescherming plaatsen!”

In de bijgeleverde handleiding staat de volgende afbeelding:

2.3.

Op 22 juni 2019 waren [eiser] , [betrokkene 1] en [gedaagde 1] bezig in de woning van oma. [eiser] sneed stroken in het tapijt, zodat het tapijt met de tapijtstripper kon worden verwijderd. [betrokkene 1] had een andere taak in de keuken. [gedaagde 1] hield zich bezig met het monteren van het mes op de tapijtstripper. Daarvoor had [gedaagde 1] de tapijtstripper gekanteld op de grond gezet en de meegeleverde smalle kunststof mesbeschermer op het mes geplaatst. Bij het monteren van het mes is de kunststof mesbeschermer doorgesneden en heeft [gedaagde 1] zich gesneden aan het mes. [eiser] is toen naar [gedaagde 1] toegelopen en heeft zich daarbij in zijn rechterkuit gesneden aan het mes van de tapijtstripper.

2.4.

[eiser] is op de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis onderzocht. [eiser] had een snijwond opgelopen van 10 centimeter breed en ongeveer 5 centimeter diep. Zowel de pezen als de spieren en de zenuwen waren doorgesneden. In overleg met de plastisch chirurg is hij direct geopereerd.

2.5.

Bij brief van 3 juli 2019 heeft [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval.

2.6.

[gedaagde 1] heeft van de aansprakelijkstelling melding gedaan aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar Allianz. Allianz heeft op 28 januari 2020 een voorschot van

€ 3.500,00 aan [eiser] betaald en onderzoeksbureau Sedgwick opdracht gegeven tot het verrichten van een toedrachtsonderzoek.

2.7.

Bij brief van 3 februari 2020 heeft [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Nationale Nederlanden heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde 1] aansprakelijkheid afgewezen.

2.8.

In een e-mailbericht van 30 juni 2020 heeft de advocaat van [gedaagde 1] de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] afgewezen.

2.9.

Op 19 november 2020 heeft Sedgwick door middel van een videocall (in verband met de Covid-19 beperkingen) een gesprek gevoerd met [eiser] . Aan de hand daarvan heeft Sedgwick op 16 december 2020 een rapport uitgebracht.

2.10.

[eiser] heeft DEKRA ingeschakeld voor het verrichten van een expertise. [gedaagde 1] en [gedaagde 1] hebben niet willen meewerken aan het onderzoek. De moeder van [eiser] heeft het gebruikte mes en de beschermhoes bij DEKRA afgegeven voor nader onderzoek. In het rapport van expertise van 26 september 2022 staat, voor zover hier van belang:

“Beantwoording vragen

Vraag 1. Kunt u een omschrijving geven van de beschermhoes en tapijtstripper en aangeven wat u heeft geconstateerd?

Antwoord:

(…)

Conform de onderdelenlijst (bijlage 1) en de explosietekening van de toolkit (bijlage 2) wordt de tapijtstripper geleverd inclusief twee messen (afbeelding 3, onderdeel 1 en 2), een smalle kunststof mesbeschermer (afbeelding 3, onderdeel 3), een brede lederen mesbeschermer (afbeelding 3, onderdeel 5) en handschoenen (niet op tekening).

(…)

Afbeelding 3. Toolkit geleverd bij tapijtstripper

(…)

Wij stelden vast dat het mes zeer scherp was. Indien het mes juist gemonteerd wordt, hoeft hierbij geen kracht gebruikt te worden. De sleuven in het mes zijn ruim en met voldoende speling opgezet om eenvoudig het mes om de draadeinden (…) geschoven en gemonteerd te kunnen worden. Belangrijk hierbij is wel dat de moeren waarmee de dekplaat (…) wordt vastgezet voorafgaande aan de montage van het mes voldoende losgedraaid worden. Indien de moeren onvoldoende losgedraaid worden, dan zal onvoldoende ruimte zijn tussen de bovenplaat en de montageplaat (…) en zal het mes “vastlopen” tijdens montage. Ook dienen de montageplaten schoon te zijn omdat vuil de montage kan bemoeilijken.

(…)

De smalle kunststof mesbeschermer is destijds doorgesneden (…) doordat druk is uitgeoefend op deze mesbeschermer aan de geslepen zijde van het mes.

Wij stelden vast dat de mesbeschermer over een lengte van circa 116 mm doorgesneden is. De uiterste rand aan de linkerzijde is niet doorgesneden zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat het mes aan de linkerzijde niet buiten de mesbeschermer stak.

Vraag 2. Zijn er veiligheidsnormen (bijv. NEN-normen) waaraan de tapijtstripper en beschermhoes dienen te voldoen? Zo ja, welke?

Antwoord:

Nee wij hebben geen (NEN-)normen of andere richtlijnen gevonden waarin vermeld staat waaraan de mesbeschermer zou moeten voldoen.

(…)

Vraag 4. Kunt u aangeven of het materiaal dat voor de beschermhoes is gebruikt geschikt is voor de toepassing?

Antwoord:

Bij de tapijtstripper wordt af fabriek met twee verschillende type en formaten mesbeschermers geleverd. Een smalle kunststof mesbeschermer en een brede lederen/rubberen mesbeschermer. Het gebruikte kunststof is een relatief zachte kunststof, ook wel thermoplast genoemd. Dit materiaal is kwetsbaarder voor het doorsnijden dan een lederen mesbeschermer.

Uit de montage-instructie op de website van [gedaagde 1] (…) maken wij op dat de montage van het mes in ieder geval dient te geschieden met de brede lederen/rubberen mesbeschermer om het mes en met gebruik van handschoenen. Wij hebben de brede lederen/rubberen mesbeschermer niet overgelegd gekregen, naar verluidt omdat deze ook niet bij het verhuren van de tapijtstripper door [gedaagde 1] wordt meegeleverd. Ook de handschoenen zijn zoals eerder gemeld bij het verhuren van de tapijtstripper niet meegeleverd.

Een lederen mesbeschermer is niet aan ons overgelegd. Het aannemelijk dat een lederen mesbeschermer een aanzienlijk grotere weerstand heeft tegen doorsnijden dan de smalle kunststof mesbeschermer.

Een optie zou kunnen zijn dat tijdens montage zowel de smalle kunststof mesbeschermer als de brede lederen/rubberen mesbeschermer op het mes zijn c.q. worden aangebracht. Uit de montage instructie van [gedaagde 1] maken wij op dat alleen de brede lederen/rubberen mesbeschermer tijdens montage en demontage gebruikt wordt. Of de brede mesbeschermer voldoende ruimte biedt voor mes met smalle mesbeschermer hebben wij niet kunnen vaststellen, immers de brede mesbeschermer hebben wij niet overgelegd gekregen.

Het spreekt voor zich dat indien twee mesbeschermers worden gemonteerd dit extra bescherming biedt tegen doorsnijden en eventueel letsel.

Het toepassen van de brede mesbeschermer heeft als voordeel dat deze aan de zijkanten dicht is. Hiermee wordt voorkomen dat deze mesbeschermer kan afschuiven via de zijkanten van het mes en daarmee (een deel van) het snijvlak van het mes bloot komt te liggen. Door het opsluiten van het mes aan de zijkanten wordt voorkomen dat een snijdende beweging ontstaat. Bij een snijdende beweging zal het materiaal van een mesbeschermer eerder doorsneden worden dan indien een kracht loodrecht op het materiaal wordt uitgeoefend.

Mocht de brede mesbeschermer van rubber zijn vervaardigd, dan kunnen wij zonder nader onderzoek niets vermelden over de weerstand tegen doorsnijden. Dit is namelijk afhankelijk van de additieven die zijn gebruikt bij het vervaardigen van het eventuele gebruikte rubber van deze mesbeschermer. Indien de juiste additieven zijn gebruikt, dan zal de weerstand tegen doorsnijden aanzienlijk hoger kunnen zijn dan de weerstand die de smalle mesbeschermer had.

Wij hebben proefondervindelijk vastgesteld dat een behoorlijke kracht op de smalle kunststof mesbeschermer uitgeoefend moet worden indien deze kracht loodrecht op het scherpe deel van het mes wordt uitgeoefend. Indien een kracht wordt uitgeoefend op de mesbeschermer onder een kleinere hoek, en er als het ware een snijdende beweging ontstaat, zal het mes makkelijker door de smalle mesbeschermer snijden.

Het schadebeeld aan de mesbeschermer wijst op basis van een visuele beoordeling uit dat en loodrechte dan wel vrijwel loodrechte kracht op de mesbeschermer is uitgeoefend.

Wij hebben met een 10x vergrotende loep niet kunnen vaststellen of de kunststof mesbeschermer al bij levering van de tapijtstripper aan partij 1 beschadigd c.q. (deels) ingesneden was.

Indien de montage van het mes op de juiste wijze geschiedt, zullen beide mesbeschermers voldoen immers, zoals eerder gemeld, is er dan een zeer geringe kracht nodig om het mes te monteren.

(…)

Vraag 6. Bent u van mening dat de tapijtstripper en beschermhoes voldoen aan de eisen die daaraan redelijkerwijs kunnen worden gesteld? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Zoals eerder gemeld, voldoet de mesbeschermer indien op de juiste wijze het mes wordt gemonteerd. Indien er een substantiële kracht op de mesbeschermer wordt uitgeoefend, zal de kunststof onvoldoende weerstand bieden tegen doorsnijden.

Vraag 7. Indien sprake is van een gebrek, bent u dan van mening dat dit gebrek al aanwezig was toen de beschermhoes door de producent in het verkeer werd gebracht?

Antwoord:

Door de producent is de tapijtstripper met kunststof mesbeschermer, lederen mesbeschermer en handschoenen in het verkeer gebracht. Met deze veiligheidsvoorzieningen is geen sprake van een gebrekkig product.

In de eigen instructiefilm van partij 2 [ [gedaagde 1] , toevoeging rb] worden voor de montage van het mes een brede lederen/kunststof mesbeschermer en handschoenen gebruikt. Uitgaande van deze instructiefilm zijn wij van mening dat partij 2 niet alle voorgeschreven veiligheidsvoorzieningen heeft meegeleverd voor de montage van het mes.”

2.11.

[eiser] heeft Triage Medisch Adviesbureau ingeschakeld voor een medisch advies. In het medisch advies van 15 december 2023 van medisch adviseur

[betrokkene 2] staat, voor zover hier van belang:

“Beschouwing/advies

(…)

 Mijn overwegingen

In antwoord op uw specifieke vragen:

1 De aard en ernst van het letsel;

Als gevolg van het ongeval op 22-06-2019 waarbij cliënt met zijn been tegen het blootliggende mes van een tapijtstripper kwam had hij:

- een grote wond aan de buitenzijde van zijn rechter onderbeen tot op zijn scheenbeen, van ongeveer 8-10 cm, met een doof gevoel bij zijn grote teen tot aan de enkel, wat verklaard kan worden door gedeeltelijk letsel n. peroneus superficialis met het gevoel van afgenomen kracht wat verklaard kan worden door gedeeltelijke peesletsel.

(…)

3. het beloop en de vooruitzichten;

Beloop zie boven.

Er is inmiddels sprake van een medische eindtoestand met restklachten en beperkingen aangezien hij niet meer onder behandeling staat waarvan herstel verwacht mag worden.

4. de op medische gronden aan te nemen beperkingen;

Hij werd beperkt bij door de knieën gaan, veel lopen, aanspannen been, op knieën zitten, hurken, op tenen staan, aanzetten, lopen, sprinten en werkzaamheden. De pijn wordt minder door rust.

Door de pijn ervaart hij beperkingen in lopen, algemene activiteit, stemming, normale werkzaamheden, relaties, slaap en plezier.

5. het te volgen medisch traject;

Er zijn behoudens medicatie tegen de pijn, welke hij niet wenst aangezien dit consequenties heeft voor autorijden en zijn werkzaamheden.

6. het te verwachten percentage b.i.;

Gezien zijn aanhoudende klachten en beperkingen kan voor peesletsel gemiddeld genomen 7% BI been, dat wil zeggen 3% BIGM worden toegekend. Voor het zenuwletsel kan eventueel nog een klein percentage extra worden toegekend.

(…)”

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat één of meer gedaagden, hoofdelijk dan wel ieder voor een deel, aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 22 juni 2019,

II. één of meer gedaagden, hoofdelijk dan wel ieder voor een deel, veroordeelt tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van:

- € 8.075,14 aan materiële schade,

- € 7.500,00 aan immateriële schade,

- € 9.216,06 aan buitengerechtelijke kosten,

dit alles vermeerderd met de wettelijke rente,

III. [gedaagde 1] en/of Allianz veroordeelt in de kosten van deze procedure en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien voldoening binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis uitblijft.

3.2.

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] door tijdens de montage geen veiligheidshandschoenen te dragen en de tapijtstripper met het mes naar boven te plaatsen een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen. Volgens [eiser] is [gedaagde 1] daarom aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW). Subsidiair stelt [eiser] dat sprake is van zaakwaarneming (artikel 6:198 BW) omdat hij zich aan de tapijtstripper heeft gesneden toen hij handdoeken wilde halen om de (wat leek op een slagaderlijke) bloeding van [gedaagde 1] te stelpen. Op grond van artikel 6:200 BW is [gedaagde 1] daarom gehouden de letselschade te vergoeden die [eiser] als zaakwaarnemer heeft geleden. Ten aanzien van Nationale Nederlanden doet [eiser] een beroep op het rechtstreeks vorderingsrecht van artikel 7:954 BW.

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] primair op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] gevaarzettend gehandeld door een tapijtstripper te verhuren zonder handleiding en bijbehorende beschermingsmiddelen zoals handschoenen en de door de producent meegeleverde dikke leren/rubberen beschermhoes. Daardoor heeft [gedaagde 1] niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, aldus [eiser] . Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde 1] een gebrekkige zaak heeft verhuurd, omdat [gedaagde 1] kennelijk kracht heeft moeten zetten bij de montage van het mes, waardoor het mes door de beschermhoes bloot kwam te liggen. Doordat het mes bloot is komen te liggen heeft [eiser] letsel opgelopen. Daarom is [gedaagde 1] op grond van artikel 6:173 jo 6:181 BW aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. Ten aanzien van Allianz doet [eiser] op grond van artikel 7:954 BW een beroep op een rechtstreeks vorderingsrecht.

Volgens [eiser] heeft hij als gevolg van het opgelopen letsel last van blijvende klachten zoals chronische zenuwpijn en angstklachten. Hij is vanwege de opgelopen beperkingen niet in staat om het door hem gewenste beroep uit te oefenen en heeft noodgedwongen moeten stoppen met zijn hobby kickboksen. Naast een materiële schadevergoeding vordert hij ook een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding.

3.3.

[gedaagde 1] en Nationale Nederlanden voeren verweer. Zij betwisten dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en voeren aan dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Daarnaast betwisten zij dat sprake is geweest van zaakwaarneming. Tot slot voeren zij ook verweer tegen de hoogte en de redelijkheid van de gevorderde schade.

3.4.

[gedaagde 1] en Allianz betwisten primair de gestelde aansprakelijkheid. Subsidiair voeren zij aan dat de schade niet aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend. Meest subsidiair doen [gedaagde 1] en Allianz een beroep op eigen schuld van [eiser] .

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde 1] /Nationale Nederlanden

4.1.

Als eerste ligt de vraag voor of [gedaagde 1] een verwijt kan worden gemaakt dat kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW).

4.2.

De vraag of de veroorzaking van schade door het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar onrechtmatig is, kan niet uitsluitend worden beantwoord aan de hand van de vraag of schade is ingetreden dan wel of sprake is van de mogelijkheid van een ongeval, maar dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval.1 Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en hoe bezwaarlijk de te nemen veiligheidsmaatregelen zijn.2Gevaarscheppend gedrag is dan ook slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Het enkele feit dat een ongeval heeft plaatsgevonden, betekent dan ook niet zonder meer dat het handelen van [gedaagde 1] gevaarzettend is geweest.

4.3.

[eiser] baseert het gestelde gevaarzettend handelen van [gedaagde 1] op een aantal verwijten, namelijk 1) het monteren van het mes op de tapijtstripper zonder over de juiste kennis te beschikken, 2) het niet dragen van de vereiste veiligheidshandschoenen, 3) het nodeloos veel kracht zetten op het mes, waardoor het mes door de mesbeschermer sneed, en, 4) het gekanteld op de grond plaatsen van de tapijtstripper waardoor [eiser] tegen het mes kon lopen.

4.4.

Op zichzelf kan een op de vloer staande gekantelde tapijtstripper een gevaarlijke situatie opleveren als het mes bloot ligt. Het gevaar heeft zich ook verwezenlijkt doordat [eiser] zich aan het mes heeft gesneden. Voor de vraag of dit ook als gevaarzettend onrechtmatig handelen aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.

4.5.

Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens kluswerkzaamheden, die door relatief onervaren klussers zijn uitgevoerd. Immers is gesteld noch gebleken dat één van hen ervaring had met een tapijtstripper en in het bijzonder met het monteren van het mes op de tapijtstripper. Bij de huur van het apparaat is een A4-tje met een handleiding meegegeven (zie onder 2.2) Dat is de enige informatie die zij hebben gekregen. [gedaagde 1] heeft de handleiding opgevolgd en de bijgeleverde mesbeschermer (zie stap 2 op de afbeelding onder 2.2) op het mes geplaatst, alvorens hij het mes heeft gemonteerd. Bij het monteren van het mes ging het fout doordat de mesbeschermer kapot ging. Of [gedaagde 1] daarbij teveel druk heeft gezet waardoor de mesbeschermer kapot ging, staat niet vast. De rechtbank acht dit ook niet relevant omdat dit, gelet op het feit dat het hier om een relatief onervaren klusser gaat en de handleiding geen informatie geeft over de hoeveelheid druk die nodig is om het mes te plaatsen, geen verwijt is dat [gedaagde 1] kan worden gemaakt. Het niet dragen van handschoenen is weliswaar in strijd met de instructie uit de handleiding, maar daarvan kan niet worden gezegd dat dit in strijd is met een norm die een derde, in dit geval [eiser] , moet beschermen tegen de schade die [eiser] heeft geleden. Immers ziet de instructie tot het dragen van handschoenen op de bescherming van de veiligheid van degene die het mes moet monteren en niet op de veiligheid van de andere aanwezigen. Wat betreft het gekanteld op de grond plaatsen van de tapijtstripper heeft te gelden dat de handleiding geen instructie geeft over hoe de tapijtstripper veilig moet worden geplaatst bij het monteren van het mes.

4.6.

Het bovenstaande kan anders liggen indien de mate van waarschijnlijkheid van het oplopen van letsel door een ander als gevolg van de keuzes die [gedaagde 1] heeft gemaakt zo groot is dat [gedaagde 1] zich van zijn wijze van monteren had moeten onthouden. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde 1] geen rekening hoeven te houden met de kans dat bij het plaatsen van het mes de door hem geplaatste (meegeleverde) mesbescherming het niet zou houden, waardoor het mes bloot zou komen te liggen en een gevaarlijke situatie op zou leveren voor anderen die zich op dat moment niet in de buurt van de tapijtstripper bevonden en zich ook niet bezighielden met de tapijtstripper. De mate van waarschijnlijkheid van het scenario dat heeft plaatsgevonden acht de rechtbank zodanig klein dat [gedaagde 1] niet kan worden verweten dat hij andere keuzes had moeten maken omdat zijn keuzes voorzienbaar gevaarlijk zijn geweest.

4.7.

De rechtbank komt tot de conclusie dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden die niet leidt tot aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de door [eiser] geleden schade op grond van onrechtmatige daad.

4.8.

Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde 1] gehouden is de door [eiser] geleden schade te vergoeden op grond van zaakwaarneming (artikel 6:198 jo 6:200 BW).

4.9.

De rechtbank volgt [gedaagde 1] niet in zijn verweer dat zijn belang niet kan zijn behartigd, omdat op dat moment hem het ongeval (het snijden in zijn hand door het mes van de tapijtstripper) al was overkomen. Immers ziet de gestelde belangenbehartiging door [eiser] niet op het voorkomen van het ongeval, maar op het te hulp schieten om de (niet betwiste hevige) bloeding te stelpen.

4.10.

Voor zaakwaarneming is nodig dat sprake is van de wil en de bedoeling om zich in te laten met de behartiging van het belang van een ander (artikel 6:198 BW). [eiser] stelt dat hij gewond is geraakt toen hij [gedaagde 1] te hulp wilde schieten door handdoeken te halen uit de keuken. [gedaagde 1] betwist dit en voert aan dat [betrokkene 1] handdoeken heeft gehaald en dat [eiser] gewond is geraakt toen hij kwam kijken wat er aan de hand was.

4.11.

De rechtbank stelt vast dat er in het dossier wisselende verklaringen zitten over wie [gedaagde 1] te hulp is geschoten (of te hulp heeft willen schieten) met handdoeken om het bloeden te stelpen. Of [eiser] nu wel of niet de (geobjectiveerde) bedoeling heeft gehad om [gedaagde 1] te hulp te schieten kan echter in het midden blijven. Naar het oordeel van de rechtbank wordt, zoals [gedaagde 1] heeft aangevoerd, niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:200 BW dat het belang van [gedaagde 1] naar behoren is behartigd. Het gaat dan om de wijze waarop de gestelde zaakwaarneming is uitgevoerd en niet om de vraag of [gedaagde 1] uiteindelijk wel of niet is gebaat bij de zaakwaarneming. Gesteld noch gebleken is dat, als [eiser] inderdaad onderweg zou zijn geweest naar de keuken om handdoeken te halen om het bloeden van [gedaagde 1] te stelpen, er voor hem geen andere mogelijkheid was dan zodanig in de buurt van de tapijtstripper te komen dat hij zich daaraan zou verwonden tijdens de zaakwaarneming. De schade is aan te merken als een onredelijk en in de gegeven omstandigheden niet te verwachten opgelopen schade. Hoewel de wetgever de mogelijkheid heeft opengelaten dat een belanghebbende ook een vergoeding verschuldigd kan zijn ter zake van letsel opgelopen door de zaakwaarnemer, heeft daarbij te gelden dat dit slechts in uitzonderlijke gevallen als redelijk wordt geacht. Daarbij is gedacht aan het geval van een reddingspoging waarbij de zaakwaarnemer wordt verwond of overlijdt.3 Daarmee valt het onderhavige geval niet te vergelijken, nu het voor het uitvoeren van de gestelde zaakwaarneming niet nodig was dat [eiser] zich in een gevaarlijke situatie zou gaan begeven. Dit betekent dat voor [gedaagde 1] geen verbintenis uit zaakwaarneming kan worden vastgesteld.

4.12.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vorderingen jegens [gedaagde 1] en Nationale Nederlanden als schadeverzekeraar van [gedaagde 1] zullen worden afgewezen.

Ten aanzien van [gedaagde 1] en Allianz

4.13.

Als eerste ligt de vraag voor of [gedaagde 1] onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld (artikel 6:162 BW). [eiser] stelt dat dit zo is, omdat [gedaagde 1] een tapijtstripper aan een particulier heeft verhuurd zonder de bijbehorende handschoenen, handleiding en dikke lederen/rubberen beschermhoes. [gedaagde 1] en Allianz betwisten dat sprake is geweest van gevaarzettend handelen.

4.14.

[gedaagde 1] verhuurt als professionele partij machines aan particulieren. Dit zijn veelal onervaren gebruikers. De machine waar het hier om gaat, heeft een scherp mes en kan daarom worden aangeduid als een gevaarlijke machine in die zin dat het zonder beschermingsmiddelen een bijzonder gevaar voor personen kan opleveren. Het is aan [gedaagde 1] om ervoor te zorgen dat voldoende indringend wordt gewaarschuwd voor het gevaar dat de machine kan opleveren, om te wijzen op de noodzaak van het gebruik van de bij de machine horende beschermingsmiddelen en om duidelijke instructies te geven ter voorkoming van letsel.

4.15.

Het verweer van [gedaagde 1] en Allianz dat in het geheel geen sprake kan zijn van een geschonden norm die strekt tot bescherming tegen de schade zoals [eiser] die heeft geleden, omdat hij geen gebruiker was van de tapijtstripper, (artikel 6:163 BW) gaat niet op. Een aantal van de maatregelen kunnen ook zien op bescherming van derden die op een andere wijze dan bij gebruik in aanraking kunnen komen met de tapijtstripper. Wat betreft de handschoenen heeft te gelden dat dit een veiligheidsinstructie is die alleen ziet op de bescherming van de gebruiker. Voor zover op [gedaagde 1] een verplichting zou rusten tot het verstrekken van handschoenen bij de verhuur van de tapijtstripper, hetgeen hier door [gedaagde 1] wordt betwist, geldt dan ook dat het niet verstrekken van de handschoenen niet een verwijt is dat kan leiden tot een verplichting tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade.

4.16.

[gedaagde 1] en Allianz hebben onweersproken aangevoerd dat [gedaagde 1] een eigen handleiding heeft verstrekt, de handleiding waarvan onder 2.2 een afbeelding van de gebruiksinstructie is opgenomen. In deze handleiding is opgenomen hoe het mes moet worden gemonteerd. Daarbij is echter niet opgenomen hoe de tapijtstripper moet worden geplaatst bij het monteren van het mes. [gedaagde 1] heeft de tapijtstripper op de grond gekanteld, waardoor het mes ongeveer op beenhoogte is komen te liggen. Niet in geschil is dat [gedaagde 1] een instructievideo op internet heeft gezet waarin onder meer is te zien hoe het mes moet worden gemonteerd. In deze video is te zien dat de tapijtstripper op tafel wordt gezet, zodat het mes ‘plat’ gemonteerd kan worden en de tapijtstripper dus niet ‘op zijn kop’ hoeft te worden gezet om het mes te kunnen monteren. Desgevraagd heeft [gedaagde 1] ter zitting verklaard dat zij huurders van de tapijtstripper niet wijst op het bestaan van deze instructievideo. De stelling van [gedaagde 1] dat huurders zelf actief op zoek moeten gaan naar informatie omtrent de veiligheid van het gebruik van de tapijtstripper gaat eraan voorbij dat op [gedaagde 1] als verhuurder van een potentieel gevaarlijke machine wel een verplichting rust om voldoende te informeren en te waarschuwen voor een veilig gebruik van het gehuurde. Dit betekent dat van [gedaagde 1] mag worden verwacht dat zij, nu in de gegeven handleiding niets staat over hoe de tapijtstripper moet worden geplaatst bij de montage van het mes, terwijl dit informatie is die kan bijdragen aan de veiligheid van zowel de gebruiker als de in de buurt zijnde derden, bij verhuur indringend wijst op het bestaan van de instructievideo.

4.17.

Wat betreft de lederen mesbeschermer geldt het volgende. [gedaagde 1] betwist dat de lederen hoes vanuit de producent aan haar is geleverd. De rechtbank gaat aan deze betwisting voorbij. In het rapport van Dekra is opgenomen dat de tapijtstripper van de fabriek af wordt geleverd met een toolkit (zie de afbeelding onder 2.10) met twee verschillende mesbeschermers, namelijk een smalle kunststof mesbeschermer en een lederen mesbeschermer. Daarnaast is ter zitting vast komen te staan dat op de instructievideo van [gedaagde 1] is te zien dat gebruik wordt gemaakt van een dikkere mesbeschermer, de lederen mesbeschermer die Dekra bedoelt. Daarmee is vast komen te staan dat [gedaagde 1] bekend is met het bestaan van een andere mesbeschermer dan de smalle kunststof mesbeschermer. Het is dan aan [gedaagde 1] om te controleren of zij bij de verhuur van de tapijtstripper alle daarbij horende veiligheidsmaterialen meegeeft.

4.18.

[gedaagde 1] heeft de gebruikers van de tapijtstripper niet actief gewezen op het bestaan van een instructievideo, terwijl zij evenmin de noodzakelijke veiligheidsinstructie ten aanzien van het plaatsen van de tapijtstripper op een tafel tijdens de montage in de door haar verstrekte handleiding heeft opgenomen en er ook niet voor heeft zorggedragen dat naast de smalle kunststof mesbeschermer ook de lederen mesbeschermer bij de tapijtstripper wordt meegegeven. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan haar verplichting om ervoor te zorgen dat voldoende veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen voor het gebruik (in dit geval de montage) van de door haar verhuurde tapijtstripper.

4.19.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit gevaarzettend handelen van [gedaagde 1] ook geleid tot het letsel van [eiser] . Het letsel is immers ontstaan doordat [eiser] in aanraking is gekomen met het mes van de tapijtstripper terwijl de meegeleverde kunststof mesbeschermer niet voldeed (die was gescheurd) waardoor het mes bloot was komen te liggen. Met het rapport van Dekra heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat het mes na enige druk bij het monteren eerder door de zachte kunststof mesbeschermer zou glijden dan door een lederen mesbeschermer. [gedaagde 1] en Allianz hebben onvoldoende weersproken dat in het geval de lederen mesbeschermer zou zijn geleverd en gebruikt het mes niet bloot was komen te liggen en [eiser] zich daar niet aan had gesneden. Het ontbreken van een instructie hoe de tapijtstripper moet worden neergezet (dus niet op de grond of gekanteld, maar op een tafel) bij het monteren van het mes en het ontbreken van de lederen mesbeschermer hebben er ook toe geleid dat [eiser] letsel heeft opgelopen.

4.20.

[gedaagde 1] en Allianz betwisten dat schade van [eiser] aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend, omdat [eiser] zelf tegen het mes is aangelopen toen hij hulp wilde bieden aan een gebruiker van de tapijtstripper die zich niet aan de veiligheidsinstructies heeft gehouden en daardoor een gevaarzettende situatie heeft laten ontstaan.

4.21.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 6:98 BW slechts die schade voor vergoeding in aanmerking komt die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Het feit dat het hier gaat om een aansprakelijkheid die is gebaseerd op schuld, waarbij [gedaagde 1] een schending van een veiligheidsnorm kan worden verweten, welke schending tot letselschade heeft geleid, zorgt er voor dat de rechtbank toerekening van de schade gerechtvaardigd acht. Voor het geval [gedaagde 1] en Allianz hebben willen betogen dat sprake is van een geringe mate van voorzienbaarheid oordeelt de rechtbank dat dit, gelet op het feit dat de veiligheidsnormen ook zien op derden die op een andere manier in aanraking kunnen komen met de tapijtstripper, het oordeel niet anders maakt. Voor het overige heeft te gelden dat de stellingen van [gedaagde 1] en Allianz horen bij het nog te bespreken beroep op eigen schuld.

4.22.

[eiser] heeft de gestelde schade in een schadestaat (productie 10) uiteengezet en deze voorzien van een aantal stukken ter onderbouwing. Het bedrag van € 8.075,14 aan materiële schade bestaat uit schade aan kleding, medische kosten, reiskosten, verlies zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp, verzorgingskosten en parkeerkosten. [gedaagde 1] en Allianz hebben geen verweer gevoerd tegen deze schadeposten noch tegen de hoogte daarvan, zodat de rechtbank vaststelt dat dit de materiële schade is die [eiser] heeft geleden als gevolg van het ongeval.

4.23.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 9.216,06 geldt het volgende. Het overzicht aan buitengerechtelijke kosten ziet volgens [eiser] op kosten voor buitengerechtelijke werkzaamheden jegens zowel [gedaagde 1] /Nationale Nederlanden als [gedaagde 1] /Allianz. Nu de vorderingen jegens [gedaagde 1] en Nationale Nederlanden worden afgewezen, kan [eiser] alleen nog aanspraak maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten die zij jegens [gedaagde 1] en Allianz heeft gemaakt. Van een aantal in het overzicht van buitengerechtelijke kosten opgenomen posten kan worden gezegd dat deze ook zouden zijn gemaakt als [eiser] de procedure alleen tegen [gedaagde 1] en Allianz zou hebben gevoerd. Dit betreffen de volgende kosten: € 3.146,00 aan kosten expertise Dekra,

€ 872,56 aan kosten medische informatie en medisch adviseur en € 225,00 aan kosten voor het opstellen van de schadestaat. In totaal komt dit uit op een bedrag van € 4.243,56. Resteert een bedrag van € 4.972,50 aan buitengerechtelijke kosten. Nu [eiser] deze kosten niet heeft opgesplitst naar aansprakelijke partij, ziet de rechtbank aanleiding om van deze kosten de helft toe te wijzen, zijnde een bedrag van € 2.486,25. In totaal begroot de rechtbank de buitengerechtelijke kosten op een bedrag van € 6.729,81.

4.24.

[eiser] vordert een smartengeldvergoeding van € 7.500,00. Hij stelt dat bij de bepaling van de hoogte van het smartengeld zijn leeftijd (hij was 21 ten tijde van het ongeval), de blijvende chronische pijnklachten en het voorgoed moeten opgeven van zijn hobby kickboksen moeten worden meegewogen. Daarnaast heeft hij een praktische opleiding gedaan en is hij als gevolg van het ongeval beperkt in de beroepen die hij kan uitoefenen, aldus [eiser] .

4.25.

Bij de begroting van een naar billijkheid toe te kennen immateriële schadevergoeding van artikel 6:106 lid 1 sub b BW moet de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij voor de omvang van de smartengeldvergoeding in het bijzonder bepalend is de aard, de ernst en de duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechtbank zal voor de bepaling van de hoogte van het bedrag de gevalsvergelijking toepassen aan de hand van ‘de Rotterdamse Schaal’. Meer specifiek is uitgegaan van de categorie 5.13. sub f (iii) ‘gering beenletsel’ à € 2.675,00 tot € 4.000,00. Niet in geschil is dat [eiser] als gevolg van het ongeval een forse snijwond in zijn been heeft opgelopen en dat hij blijvende klachten en beperkingen ervaart die invloed hebben op het door hem uit te oefenen beroep, nu hij meer theoretisch werk moet doen, terwijl hij stelt juist meer praktisch te zijn aangelegd. Naast deze omstandigheden acht de rechtbank mede de leeftijd van [eiser] een bepalende factor die ervoor zorgt dat een bedrag van € 4.000,00 passend wordt geacht.

4.26.

[eiser] heeft nagelaten in zijn schadebegroting rekening te houden met het reeds betaalde voorschot van Allianz van € 3.500,00. Dit betekent dat dit bedrag nog in mindering moet worden gebracht op het totaal van de hierboven genoemde schadeposten. De totale schade komt uit op een bedrag van € 15.304,95 (€ 8.075,14 + € 6.729,81 + € 4.000,00 - € 3.500,00).

4.27.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door [gedaagde 1] en Allianz aangevoerde omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] . Bij het beroep op eigen schuld benadrukken [gedaagde 1] en Allianz dat [eiser] zelf onvoldoende oplettend is geweest toen hij [gedaagde 1] te hulp schoot. Volgens hen wist [eiser] dat het handletsel van [gedaagde 1] het gevolg was van het gebruik van de tapijtstripper of had hij dat kunnen weten, maar is hij toch achteruit in het mes gelopen, zonder acht te slaan op de tapijtstripper. Daarbij miskennen [gedaagde 1] en Allianz dat voorstelbaar is dat sprake is geweest van een chaotische situatie waarin [eiser] reageert op de heftige bloeding die bij [gedaagde 1] is ontstaan, waardoor enige onoplettendheid [eiser] niet kan worden verweten. [eiser] kon ook niet weten dat het mes zich op kuithoogte bevond. Zelfs als het handelen van [eiser] als een te verwijten gedraging zou kunnen worden aangemerkt, dan heeft te gelden dat de ernst van de gedraging van [eiser] zoveel geringer is in verhouding tot de ernst van de gedragingen van [gedaagde 1] (namelijk het schenden van een veiligheidsnorm), dat de billijkheid in dat geval zou eisen dat de schadevergoedingsplicht van [gedaagde 1] (en Allianz als haar verzekeraar) geheel in stand zou blijven, nu immers vast staat dat het ongeval tot een diepe snee heeft geleid waarvoor een operatie noodzakelijk is geweest en het herstel enige tijd heeft geduurd.

4.28.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 1] op grond van onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW) aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden schade van in totaal € 15.304,95. Op grond van artikel 7:954 BW moet Allianz als schadeverzekeraar van [gedaagde 1] dit bedrag aan [eiser] betalen, zodat de vordering onder II naast [gedaagde 1] eveneens ten aanzien van Allianz kan worden toegewezen voor het bedrag van € 15.304,95. De verzochte verklaring voor recht (de vordering onder I) kan alleen jegens [gedaagde 1] worden toegewezen.

4.29.

De vraag of sprake is geweest van een gebrek aan de tapijtstripper (de subsidiaire grondslag van artikel 6:173 jo 6:181 BW) behoeft geen bespreking meer.

4.30.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente heeft [eiser] voor de materiële schade geen ingangsdatum gevorderd, zodat deze wordt toegewezen vanaf datum dagvaarding, dus 12 september 2024. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt ook toegewezen vanaf datum dagvaarding, nu niet gesteld of gebleken is dat het verzuim eerder is ingetreden. De wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf datum ongeval, dus 22 juni 2019.

1Zie onder meer HR 9 december 1994, LJN ZC1576, NJ 1996/403 (Zwiepende tak) en HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5784, NJ 2001, 300 (Verhuizende zussen)

2HR 5 november 1965, NJ 1966, 136, Kelderluik

3Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 796 e.v. (Asser 6IV 2023, nummer 413)

Rechtbank Gelderland 17 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10852

Met dank aan mr. P.J.A. van Kleef, DAS Rechtsbijstand, voor het attenderen op deze uitspraak


AANSPRAKELIJKHEID DIVERS, ouders 
CAPITA SELECTA VERZEKERINGSRECHT, varia 

RBROT 171225 vader aansprakelijk voor schade zoon vanwege wisselende verklaringen over toedracht ongeval met barbecue;
- geen directe actie op AVP-ass voor die schade; zuivere vermogensschade is niet gedekt; en aansprakelijkheid van vader t.z.v. ongeval met barbecue is niet vast te stellen

in vervolg op:
GHDHA 170522 letselschade 9-jarige a.g.v. ongeval met barbecue; bewijswaardering terzake van wisselende verklaringen vader leidt tot afwijzing

3De feiten

3.1.

[persoon A] is de zoon van de vader.

3.2.

[persoon A] , destijds zeven jaar oud, heeft op 14 juni 2014 ernstige brandwonden opgelopen bij een voorval met een barbecue in de tuin van zijn tante (hierna: het incident). [persoon A] is inmiddels meer dan tien keer geopereerd.

3.3.

In eerste instantie heeft de vader zich namens [persoon A] gericht tot ASR, de aansprakelijkheidsverzekeraar van de tante van [persoon A] bij wie de barbecue plaatsvond. Hij heeft in dat kader verklaringen afgelegd over de toedracht van het incident. Van enige uitkering door ASR is het niet gekomen.

3.4.

De vader had op het moment van het ongeval (en heeft nu nog steeds) een algemene aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren bij ABN Amro. De op deze verzekering toepasselijke voorwaarden bepalen onder andere het volgende:

  • - de verzekering dekt aansprakelijkheid van de verzekeringnemer als particulier;
  • - aansprakelijkheid is de wettelijke verplichting om schade te vergoeden;
  • - schade is (1) een materiële beschadiging of verlies van een zaak of (2) een aantasting van de gezondheid of letsel van een persoon;
  • - aansprakelijkheid voor schade door opzet is niet gedekt;
  • - opzet is opzettelijk gedrag gericht tegen een persoon of zaak dat niet mag volgens het recht.

3.5.

De vader heeft in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon A] op grond van de verzekering ABN Amro aangesproken tot vergoeding van de schade van [persoon A] . Daaraan heeft de vader ten grondslag gelegd dat hij zelf onrechtmatig jegens zijn zoon heeft gehandeld en op die grond aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade.

3.6.

Nadat ABN Amro dekking had geweigerd, heeft de vader (namens [persoon A] ) een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt om alsnog een uitkering onder de verzekering af te dwingen. In die procedure zijn getuigen gehoord over de toedracht van het incident. Bij eindvonnis van 4 december 2019 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de vader aansprakelijk is en dat ABN Amro als aansprakelijkheidsverzekeraar verplicht is tot uitbetaling van datgene dat de vader van ABN Amro te vorderen heeft.

3.7.

Bij arrest van 17 mei 2022 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de vader alsnog afgewezen.1 Het hof heeft in zijn arrest voorop gesteld dat de stelplicht en de bewijslast voor wat betreft de toedracht van het incident op de vader rust en dat het dus aan hem is om te bewijzen het incident is ontstaan doordat hij, terwijl het stevig waaide, benzine op een smeulende barbecue heeft gespoten of gedruppeld en dat hij daarmee is doorgegaan toen [persoon A] dichterbij kwam. Het hof heeft de verschillende verklaringen van de gehoorde getuigen beoordeeld, evenals de verklaringen die zijn afgelegd bij andere gelegenheden, zoals schademeldingen bij verzekeraars van andere personen die bij de barbecue aanwezig waren. Het hof concludeert:

“Al met al is dan ook, gelet op het bovenstaande, sprake van tegenstrijdigheden en/of onjuistheden die de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [de vader] voor het bewijs omtrent de toedracht te zeer aantasten om het bewijs geleverd te achten. Het feit dat [ [persoon A] ] aan het ongeval ernstig letsel heeft overgehouden, dat aannemelijk is dat het letsel op enigerlei wijze samenhangt met de barbecue en dat niet uit te sluiten is dat een van de betrokken volwassenen hiervoor aansprakelijk is te houden (vanwege een gevaar zettend handelen dan wel nalaten), is onder de gegeven omstandigheden – hoe betreurenswaardig ook voor [ [persoon A] ] – onvoldoende om tot aansprakelijkheid van [de vader] te concluderen.”

Het arrest is in kracht van gewijsde gegaan.

3.8.

[eiser] q.q. is bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 14 maart 2024 benoemd tot bijzonder curator.

3.9.

[eiser] q.q. heeft namens [persoon A] de vader aansprakelijk gesteld voor het afleggen van wisselende en tegenstrijdige verklaringen over het incident, als gevolg waarvan hij ( [persoon A] ) een uitkering onder de verzekering is misgelopen. De vader heeft in november 2024 bij ABN Amro melding gedaan van deze aansprakelijkstelling. Bij brief van 12 december 2024 heeft ABN Amro aan de vader laten weten dat er geen dekking wordt verleend voor het hier bedoelde handelen.

4Het geschil

4.1.

[eiser] q.q. vordert, samengevat, het volgende:

  1. een verklaring voor recht dat de vader aansprakelijk is voor de schade van [persoon A] die het gevolg is van het afleggen van wisselende en tegenstrijdige verklaringen over de toedracht van het incident, welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat;

  2. een verklaring voor recht dat ABN Amro verplicht is tot het doen van een uitkering aan [persoon A] ter zake van de onder 1 bedoelde schade.

4.2.

De vader voert geen verweer, maar concludeert tot toewijzing van de vordering.

4.3.

ABN Amro voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiser in de proceskosten.

5. De beoordeling

inleiding

5.1.

[eiser] q.q. legt aan de vordering ten grondslag dat de vader onrechtmatig jegens [persoon A] heeft gehandeld door tegenstrijdige en deels onware verklaringen af te leggen over de toedracht van het incident. [persoon A] heeft daardoor schade geleden, bestaande uit de gemiste verzekeringsuitkering. De aansprakelijkheid van de vader is gedekt onder de lopende aansprakelijkheidsverzekering. ABN Amro behoort dekking te verlenen en de schade van [persoon A] te vergoeden.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering op de vader toewijsbaar. De vordering op ABN Amro is echter niet toewijsbaar. De rechtbank licht dit oordeel in het navolgende toe.

de vader heeft onrechtmatig jegens [persoon A] gehandeld

5.3.

[eiser] q.q. heeft voldoende gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat de vader jegens [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld door tegenstrijdig en deels in strijd met de waarheid te verklaren. De vader heeft dat niet weersproken. De gevraagde verklaring voor recht kan daarom worden gegeven. De mogelijkheid dat [persoon A] als gevolg van dit onrechtmatige handelen schade heeft geleden is aannemelijk. Daarom zal de rechtbank partijen voor de begroting van deze schade, zoals gevorderd, verwijzen naar de schadestaatprocedure.

5.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is de vraag aan de orde gekomen of [persoon A] voldoende belang heeft bij toewijzing van zijn vordering in het geval zijn vordering op ABN Amro niet toewijsbaar is (vergelijk artikel 3:303 BW). Het gaat [persoon A] er immers vooral om dat die laatste vordering wordt toegewezen, niet zozeer om toewijzing van de vordering op zijn vader. Omdat de vordering op ABN Amro daadwerkelijk wordt afgewezen, zal de rechtbank die vraag volledigheidshalve behandelen. Mede gelet op het uitgangspunt dat de rechter terughoudend moet zijn met het afwijzen van een vordering wegens het ontbreken van voldoende belang, is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven omstandigheden aan het vereiste van voldoende belang is voldaan. Met toewijzing van de vordering op de vader staat in elk geval vast dat laatstgenoemde aansprakelijk is. Niet uitgesloten kan worden dat zich omstandigheden zullen voordoen die meebrengen dat die vaststelling voor [persoon A] van belang is, ook al kan de vader geen beroep doen op zijn aansprakelijkheidsverzekering bij ABN Amro.

[persoon A] kan geen betaling vorderen van ABN Amro als verzekeraar van zijn vader

5.5.

[eiser] q.q. heeft ABN Amro in deze procedure aangesproken in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van de vader. De redenering is dat ABN Amro verplicht is om de vader dekking te verlenen voor zijn aansprakelijkheid wegens het afleggen van tegenstrijdige en onware verklaringen en daarom ook verplicht is om aan [persoon A] uitkering te doen van wat de vader onder die verzekering van ABN Amro te vorderen heeft.

5.6.

Een dergelijke vordering van een benadeelde op de verzekeraar van degene die de schade heeft veroorzaakt wordt een ‘directe actie’ genoemd. De directe actie wordt geregeld in artikel 7:954 BW. Volgens die bepaling is een directe actie alleen mogelijk in gevallen waarin schade is geleden door dood of letsel.

5.7.

Op deze beperking van de directe actie loopt de vordering stuk. De schade die [persoon A] heeft geleden als gevolg van het in deze procedure relevante onrechtmatige handelen van zijn vader is geen schade door letsel. Als gevolg van het afleggen van tegenstrijdige en deels onware verklaringen heeft [persoon A] immers geen letsel opgelopen. De schade bestaat uit een gemist geldbedrag, namelijk de verzekeringsuitkering die hij volgens hem zou hebben ontvangen als zijn vader die tegenstrijdige en deels onware verklaringen niet zou hebben afgelegd. Dit is vermogensschade. In zulke gevallen staat geen directe actie van de benadeelde op de verzekeraar open. [persoon A] moet het hebben van een vordering op zijn vader, die vervolgens kan proberen de vordering op grond van de verzekering af te wentelen op ABN Amro.

vermogensschade is niet gedekt onder de verzekering

5.8.

In het navolgende neemt de rechtbank veronderstellenderwijs aan dat in deze procedure voor [persoon A] wel een directe actie openstaat. In dat geval moet worden beoordeeld of de aansprakelijkheid van de vader onder de verzekering is gedekt. [eiser] q.q. gaat daar klaarblijkelijk vanuit, maar ABN Amro betwist dat. Zij wijst erop dat slechts materiële schade aan een zaak of schade door dood of letsel is verzekerd. Hier aan de orde is zuivere vermogensschade en dergelijke schade is niet gedekt, aldus ABN Amro.

5.9.

De rechtbank is van oordeel dat ABN Amro gelijk heeft. De schade die (volgens [eiser] q.q.) het gevolg is van het hier relevante onrechtmatige handelen van de vader bestaat uit de gemiste verzekeringsuitkering. Dat is zuivere vermogensschade en geen schade door dood of letsel. Deze schade is dus niet gedekt onder de verzekering. Hierbij is niet van belang dat het onrechtmatige handelen van de vader, namelijk tegenstrijdig en onwaar verklaren, verband hield met een voorval waardoor wel letsel is ontstaan.

5.10.

[eiser] q.q. heeft een beroep gedaan op het arrest De Onderlinge/NN van de Hoge Raad.2 De zaak die tot dat arrest heeft geleid handelde over de vraag of een AVB-polis dekking moest verlenen voor schade die een werknemer lijdt door het ten onrechte ontbreken van een verzekering tegen aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap), hoewel in die polis alleen personen- en zaakschade is gedekt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de Hoge Raad onder meer gelet op de functie van een AVB-polis in het maatschappelijk verkeer en de daarop gebaseerde verwachtingen van verzekerden en op het feit dat het bij aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW en die op grond van artikel 7:658 BW gaat om dezelfde rechtsgrond, namelijk het beschermen van de werknemer tegen de gevaren van deelname aan het wegverkeer in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

5.11.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat deze vergelijking niet op. De context van de onderhavige zaak is een totaal andere dan die in het arrest De Onderlinge/NN. In de onderhavige zaak had (de vertegenwoordiger van) [persoon A] alle gelegenheid – die ook is benut – om te trachten dekking te verkrijgen voor de als gevolg van het incident met de barbecue geleden letselschade. Als in die procedure de feitelijke toedracht van het incident had kunnen worden vastgesteld en op basis daarvan had kunnen worden geoordeeld dat vader onrechtmatig heeft gehandeld, zou [persoon A] onder de verzekering een vordering op ABN Amro hebben gehad. De feitelijke toedracht is echter door toedoen van de vader zelf niet vastgesteld kunnen worden. Niet gezegd kan worden dat de functie van een aansprakelijkheidsverzekering in het maatschappelijk verkeer meebrengt dat een verzekerde (de vader) redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat de verzekering dekking zou bieden voor vermogensschade die het gevolg is van zijn eigen onrechtmatige handelen waarmee hij dekking onder diezelfde verzekering voor letselschade heeft gedwarsboomd.

[persoon A] is de dupe van de fout van zijn vader

5.12.

[eiser] q.q. heeft betoogd dat het gevolg van dit alles is dat een jonge man, die destijds als jong kind ernstig verbrand is geraakt, door toedoen van de fout van zijn vader met de schade blijft zitten. Deze consequentie valt volgens hem niet te verenigen met de bijzondere positie die jonge kinderen in het aansprakelijkheidsrecht innemen. In het recht is al lang geleden aanvaard dat fouten van de ouders niet aan minderjarige kinderen kunnen worden toegerekend, dat voor eigen schuld van jonge kinderen aan het ontstaan van schade in de regel geen plaats is en dat volwassenen bij gevaar zettend gedrag rekening behoren te houden met onoplettendheid en onvoorzichtigheid van jonge kinderen. Gelet hierop is de weigering van ABN Amro om voor de onrechtmatige gedraging van de vader dekking te verlenen volgens [eiser] q.q. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

5.13.

De rechtbank verwerpt dit betoog. Het is waar dat [persoon A] de dupe is van het onrechtmatige handelen van zijn vader, waar [persoon A] part noch deel aan heeft gehad. Dit laat zich echter niet oplossen via de band van het verzekeringsrecht. Daarvoor zou nodig zijn dat, in weerwil van de wettelijke regeling van de directe actie, wordt aanvaard dat [persoon A] voor de door hem gestelde vermogensschade een vordering op ABN Amro heeft en dat ABN Amro, in weerwil van haar polisvoorwaarden, verplicht is dekking voor die vermogensschade te verlenen, in beide gevallen om geen andere reden dan dat [persoon A] als (jong) kind schade is berokkend door toedoen van zijn vader. Het geldende recht biedt geen steun voor die verstrekkende conclusie. De rechtbank wijst erop dat de onderhavige situatie van een andere aard is dan de door [eiser] q.q. aangehaalde rechtspraak, waar het er steeds om gaat of bepaald handelen van het kind zelf van invloed is op de onrechtmatigheid van het handelen van een volwassene of de mate van schuldverdeling.

ten overvloede: causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade?

5.14.

Het onrechtmatig handelen van de vader heeft er volgens [eiser] q.q. toe geleid dat [persoon A] een uitkering onder de verzekering is misgelopen. Zou de vader immers direct en eenduidig naar waarheid hebben verklaard omtrent het incident met de barbecue, dan zou ABN Amro hoogstwaarschijnlijk dekking hebben verleend en zijn overgegaan tot vergoeding aan [persoon A] van diens letselschade. Die gemiste uitkering is dus volgens [persoon A] het gevolg van het onrechtmatig handelen van de vader.

5.15.

ABN Amro heeft dit bestreden. Zij heeft aangevoerd dat ook in het scenario zonder fout van de vader (dus zonder de tegenstrijdige en onware verklaringen) de toedracht van het incident met de barbecue moet komen vast te staan. De vaststelling van wat er precies is gebeurd is immers noodzakelijk om te kunnen oordelen dat de vader destijds (dus bij de barbecue) onrechtmatig jegens [persoon A] heeft gehandeld. Zonder die onrechtmatigheid is er immers geen dekking onder de verzekering en zou [persoon A] dus (ook) geen vergoeding van zijn letselschade hebben gekregen.

5.16.

Het betoog van ABN Amro snijdt hout. De redenering van [eiser] q.q. is volledig gebaseerd op de aanname dat de vader – als hij geen tegenstrijdige en onware verklaringen zou hebben afgelegd – naar waarheid zou hebben verklaard overeenkomstig de verklaring die hij als laatste heeft afgegeven, namelijk dat hij de barbecue met benzine heeft willen aansteken en dat daarbij een steekvlam is ontstaan waardoor [persoon A] in brand is gevlogen. Dat is echter bepaald niet vanzelfsprekend. In de eerdere procedure is geoordeeld dat de ware toedracht niet kon worden vastgesteld. Daarbij heeft het hof ook onder ogen gezien dat er scenario’s denkbaar zijn die niet leiden tot aansprakelijkheid van de vader, maar bijvoorbeeld tot aansprakelijkheid van de tante bij wie de barbecue werd gehouden of tot de conclusie dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarvoor niemand aansprakelijk gehouden kan worden. Anders dan [eiser] q.q. tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, kan in het licht van de verklaringen van de betrokkenen die in de vorige procedure als getuige zijn gehoord bepaald niet worden aangenomen dat de kans reëel is dat zonder de fout van de vader een onrechtmatige daad van hem bij de barbecue zou zijn aangenomen, waarna ABN Amro tot uitkering zou zijn overgegaan, die [persoon A] door het onrechtmatig handelen van zijn vader (het afleggen van tegenstrijdige verklaringen) is misgelopen.

1ECLI:NL:GHDHA:2022:783.

2HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1295.

 

Rechtbank Rotterdam 17 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14808


CAUSAAL VERBAND EN EIGEN SCHULD, causaal verband algemeen 

RBDHA 021225 toeslagenaffaire; wel degelijk causaal verband tussen medische klachten en terugvordering kinderopvangtoeslag

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eisers zijn gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft

[eisers sub 1] (eiser) voor het jaar 2012 een compensatiebedrag ontvangen van € 20.680 (compensatiebedrag). In het compensatiebedrag is een bedrag van € 7.500 begrepen voor vergoeding van immateriële schade. Het compensatiebedrag is later op grond van de Catshuisregeling aangevuld met een bedrag van € 9.320 (Catshuis surplus).

[eisers sub 2] (eiseres) heeft voor de jaren 2013 en 2014 een opzet/grove schuld-tegemoetkoming (o/gs-tegemoetkoming) ontvangen van in totaal € 14.799.

3. Omdat eisers van mening zijn dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag dan het compensatiebedrag dat zij van verweerder hebben ontvangen, hebben zij een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Daarbij hebben eisers aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van tenminste € 309.133, als volgt gespecificeerd:

-Kosten van vrije dagen niet gespecificeerd

-Verlies aan inkomen eiser € 153.179

eiseres € 153.179

-Vermogensschade niet gespecificeerd

-Andere extra kosten niet gespecificeerd

-Financiële ondersteuning

door derden € 2.775

-Immateriële schade niet gespecificeerd

4. De CWS heeft op 6 juli 2022 haar advies uitgebracht en verweerder geadviseerd om aan eisers geen aanvullende schadevergoeding voor de werkelijke schade toe te kennen.

De materiële schadeposten zijn volgens de CWS niet aannemelijk gemaakt. De immateriële schade is in het advies begroot op een bedrag van € 24.500, maar omdat de reeds door eiser ontvangen vergoeding voor de immateriële schade van € 7.500 hierop in mindering dient te worden gebracht, evenals het Catshuis surplus en de door eiseres ontvangen o/gs-tegemoetkomingen, kan er per saldo geen aanvullende immateriële schadevergoeding aan eisers worden uitbetaald. In het primaire besluit heeft verweerder, conform het advies van de CWS, beslist dat eisers geen aanvullende schadevergoeding ontvangen.

5. Omdat de CWS geen advies heeft kunnen geven over de vraag of en in hoeverre sprake is van inkomensschade als gevolg van bestaande gezondheidsklachten die mogelijk zijn verergerd door de problemen met de kinderopvangtoeslag, heeft verweerder in de bezwaarfase de CWS gevraagd om een medisch deskundige in te schakelen en onderzoek te doen naar de vraag of de medische klachten van eisers zijn onderschat en verband houden met de problemen met de kinderopvangtoeslag. Naar aanleiding hiervan heeft de CWS Sanacare als medisch deskundige ingeschakeld. Sanacare heeft op 18 augustus 2023 een medisch advies uitgebracht (primaire advies). Eiser heeft om hem moverende redenen de eerder aan verweerder gegeven toestemming tot het inzien van het primaire advies, ingetrokken. De CWS heeft het primaire advies wel ingezien en in een nadere reactie van 15 september 2023 het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een verband tussen de medische klachten van eisers en de problemen met de kinderopvangtoeslag.

6. In reactie hierop hebben eisers huisartsenjournalen van 15 januari 2024 (eiser) en 7 februari 2024 (eiseres) overgelegd, waarna de CWS Sanacare om een reactie daarop en op de bezwaren van eisers heeft gevraagd. Sanacare heeft vervolgens gereageerd op 24 april 2024 en 3 juni 2024. Deze nadere reacties hebben niet tot een wijziging van het primaire advies geleid.

7. Verweerder heeft in het bestreden besluit aanleiding gezien om de immateriële schadevergoeding van eisers te verhogen tot een bedrag van € 31.300 en een vergoeding toe te kennen van € 600 voor de tijd die eisers kwijt zijn geweest aan regelzaken rondom de kinderopvangtoeslagproblematiek. Omdat de aanvullende schadevergoeding daarmee nog steeds minder is dan het totaal van de ontvangen compensaties, kan ook nu aan eisers geen aanvullende vergoeding worden uitbetaald. Eisers ontvangen wel een vergoeding van € 500 voor het voeren van de procedure bij de CWS die niet wordt verrekend met de reeds ontvangen compensatie.

Wat vinden eisers in beroep?

8. Eisers stellen dat hun inkomensschade ten onrechte niet is vergoed. Volgens eisers volgt uit de nadere reactie van Sanacare van 3 juni 2024 dat sprake is van een causaal verband tussen de medische klachten van eiser en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Uit het huisartsenjournaal van 15 januari 2024 blijkt dat die problemen de bestaande depressiviteitsklachten van eiser hebben verergerd. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers verwezen naar uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 20241 en 16 december 20242.

Wat vindt verweerder in beroep?

9. Onder verwijzing naar de adviezen van de CWS en de bezwaarschriftenadviescommissie, stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers geen recht hebben op vergoeding van de gestelde inkomensschade. Volgens verweerder is er geen direct oorzakelijk verband tussen de medische klachten van eiser en de kinderopvangtoeslagproblematiek.

Wat is het toetsingskader?

10. Uit artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen volgt dat een aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Concreet betekent dit dat eisers aannemelijk dienen te maken dat zij daadwerkelijk schade hebben geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van verweerder.3

Wat is het oordeel van de rechtbank?

11. In geschil is de inkomensschade die eisers stellen te hebben geleden ten gevolge van de problemen met de kinderopvangtoeslag. Omdat eisers enkel voor het jaar 2012 zijn gecompenseerd, kunnen alleen de gevolgen van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag over dat jaar betrokken worden bij de beoordeling van deze schadepost. Vaststaat dat de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 bij besluit van 1 maart 2014 is stopgezet en bij besluit van 6 maart 2015 is het recht op kinderopvangtoeslag herzien naar nihil, met als gevolg dat eisers geconfronteerd werden met een terugvordering van € 22.489. De eerste dwangverrekening vond plaats in juni 2015.

Inkomensschade van eiser

12. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder ten aanzien van eiser terecht het ontbreken van causaal verband heeft aangenomen. Ter beantwoording van deze vraag heeft eiser een beslissing van het UWV van 7 januari 2022 en het huisartsenjournaal van 15 januari 2024 overgelegd.

12.1

Uit de beslissing van het UWV blijkt dat eiser vanaf 18 november 2021 recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten naar 80 tot 100 %. Eiser is met deze beslissing volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard en niet wordt verwacht dat eisers mogelijkheden om te werken nog zullen verbeteren. Uit het aan die beslissing ten grondslag liggende rapport van 8 december 2021 van de verzekeringsarts blijkt dat eiser bekend is met de diagnoses ADHD en een recidiverende depressieve stoornis die gedeeltelijk in remissie is. Volgens de verzekeringsarts is het aannemelijk dat eisers depressie mede in stand wordt gehouden door ziekmakende externe factoren, zoals dupering door de toeslagenaffaire.

12.2

De rechtbank leest verder in het huisartsenjournaal dat eiser al jaren bekend is met depressieve klachten en ADHD en dat hij nog steeds kampt met een sterk wisselende stemming en onrust. In een mutatie van de huisarts van 23 november 2015 is tevens het volgende vermeld:

“snel boos, toenemend snel geïrriteerd, durft niet meer naar buiten, bang om dan buiten gaan gezien het gedrag, sluit zich steeds vaker op in huis blijkt veel stress te hebben door procedures omtrent ontstane schulden door mogelijke terugvorderingen van de toeslagen. Erg emotioneel. Prikkelbaar/ boos gevoel/gedrag, stress intolerantie gaarne uw begeleiding, verwezen aan de psychiater”.

12.3

De rechtbank acht ook de volgende passages uit het advies van Sanacare van

3 juni 2024 van belang:

“Derhalve kan gesteld worden dat de ouder ontregeld is geraakt door de stress van gevolgen van de KOT bij reeds bestaande psychiatrische problematiek.

(…)

Depressieve episodes zijn begonnen in 2010 (volgens informatie CWS). Dit is voor de periode van de eerste brief van de belastingdienst. Het is aannemelijk dat iemand die al financiële problemen heeft en dan een brief van de belastingdienst ontvangt dat hij geen recht had op de toeslag en geld moet gaan terugbetalen last krijgt van stemmingsproblemen. Uit het huisartsenverslag blijkt dat er toename is, of dat er sprake is van een recidief depressieve stoornis in 2015, het jaar dat ook de financiële problemen door de KOT spelen. Dit was voor de huisarts reden om de ouder te verwijzen naar de psychiater.

(…)

Gezien de meerdere pre-existente stressfactoren bij de ouder is er een mogelijkheid dat hij ook zonder de problemen met de KOT zou zijn ontregeld, doch gezien de verslaglegging van de huisarts is er een samenhang met de extra financiële problemen door de KOT. Mogelijk zou het beloop milder zijn geweest zonder de extra problemen van de KOT.”

12.4

De rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat er een verband bestaat tussen de psychische klachten van eiser en de kinderopvangtoeslagproblematiek en dat deze problemen kennelijk voor eiser de directe aanleiding zijn geweest om zich op 23 november 2015 te wenden tot de huisarts en daarna de psychiater. De mutatie van 23 november 2015 past bovendien in de tijdlijn van gebeurtenissen, aangezien eiser zich ná het terugvorderingsbesluit van 6 maart 2015 en ná de eerste invorderingshandeling in juni 2015 tot de huisarts heeft gewend.

12.5

De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in de situatie van eiser sprake is van reeds langer bestaande psychische problematiek en dat hij al met die klachten kampte voordat de problemen met de kinderopvangtoeslag daadwerkelijk begonnen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat eerder bestaande medische problematiek niet in de weg staat aan het aannemen van een causaal verband indien sprake is van een toename van eerder bestaande medische klachten door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Met dit in het achterhoofd en met inachtneming van de hiervoor vermelde feiten uit het procesdossier, met name de mutatie van de huisarts van 23 november 2015, stelt de rechtbank vast dat uit het huisartsenjournaal onomstotelijk blijkt dat de psychische klachten van eiser zijn verergerd door de (gevolgen van de) terugvordering van de kinderopvangtoeslag.

12.6

Gelet op al het voorgaande kan de rechtbank niet anders dan een direct causaal verband aannemen tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en de toegenomen psychische klachten van eiser. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, geldt dat dit causaal verband voor een schadevergoeding in aanmerking komt nu de eerder bestaande medische problematiek van eiser niet in de weg staat aan het aannemen van aansprakelijkheid voor de schade die eiser als gevolg van zijn verergerde gezondheidsklachten heeft geleden en de daardoor veroorzaakte inkomensschade.

12.7

Gelet hierop dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu voor een nieuwe beslissing op bezwaar nader onderzoek nodig is naar de omvang en hoogte van de schade. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Inkomensschade van eiseres

13. In wat eisers naar voren hebben gebracht en de stukken die zij hebben overgelegd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een causaal verband tussen de (verergerde) gezondheidsklachten van eiseres en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Het huisartsenjournaal van 7 februari 2024 geeft geen informatie over de periode voor 22 juni 2021 en de eerste mutatie waarin een link met de kinderopvangtoeslagproblematiek wordt gelegd dateert van 22 juni 2021, ruim nadat de problemen met de kinderopvangtoeslag zijn begonnen. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de problemen met de kinderopvangtoeslag in haar geval tot inkomensschade hebben geleid.

Immateriële schadevergoeding

14. Eisers hebben ter zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Als een rechtbank de zaak terugwijst naar verweerder om opnieuw een beslissing op bezwaar te nemen, start voor het vaststellen van de redelijke termijn in eerste aanleg geen nieuwe behandelingsfase. Er geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop, dus de opstelsom van het tijdsverloop van de fase vóór terugwijzing en van de fase na terugwijzing langer dan twee jaar heeft geduurd. Daarbij geldt dat de duur van het bezwaar opnieuw ingaat op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen.4 Dat betekent dat op het moment van deze uitspraak de hoogte van de te vergoeden schade nog niet kan worden vastgesteld. De rechtbank geeft verweerder in overweging om bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar tevens een oordeel te geven over dit schadevergoedingsverzoek.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen over de inkomensschade van eiser. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken, gerekend vanaf de dag na verzending van deze uitspraak.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 53 en de proceskosten vergoedt. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Nu de zaak wordt teruggewezen dient verweerder in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar, de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast te stellen.

1ECLI:NL:RBAMS:2024:504.

2ECLI:NL:RBAMS:2024:7990.

3ECLI:NL:RVS:2023:3620.

4Hoge Raad 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1818, r.o. 3.2 en Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1153, r.o. 3.2.

Rechtbank Den Haag 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22400


SCHADEBEPERKINGSPLICHT, re-integratie
SCHADEBEHANDELING REINTEGRATIE, varia
VERLIES VERDIENVERMOGEN,  carrièreontwikkeling, jongeren
RECHTSBIJSTANDKOSTEN, binnen/buiten rechte

HERSTELGERICHTE DIENSTVERLENING
DEELGESCHILLEN, bgk in deelgeschil 

RBOBR 181225 aanvullend voorschot VAV t.t.v. ongeval 18 jarige MBO student interieurbouw (BBL) die na ongeval start met eigen bedrijf in andere branche
- een deelgeschil waarover de onderhandelingen niet in een impasse zijn geraakt is prematuur, maar daarvan is in casu grotendeels geen sprake; wel t.a.v. smartengeld
- SO is niet gehouden om naast of in plaats van de eigen onderneming als werkvoorbereider te werken; ook niet in de opstartfase
- ass dient begeleiding bedrijfseconoom bij opstellen en uitvoeren meerjarenplan te faciliteren
- kosten twee concept verzoekschriften deelgeschil komen i.p. voor vergoeding in aanmerking; afwijzing ongespecificeerde wzh
- verzocht 34 uur x  € 295 + 21%; begroot, mede vanwege overlap met eerdere concepten, 11 uur x € 295 + 21% = € 3.926,45

 

2De feiten

Ongeval

2.1.

Op 12 augustus 2021 is [eiser] , rijdend op zijn bromfiets, aangereden door een auto. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. Zurich heeft, als verzekeraar van de auto, aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

Letsel

2.2.

Door het ongeval had [eiser] een gebroken linkerenkel, een luxatie van de rechter heup en een gebroken lendenwervel.

2.3.

Behandeling bestond aanvankelijk uit operatieve schroeffixatie van de linkerenkel en reponeren van de heupluxatie, gevolgd door fysiotherapie. In mei 2022 is [eiser] in verband met de gebroken lendenwervel in Duitsland geopereerd, waarbij de derde lendenwervel is verwijderd, een implantaat is geplaatst en andere lendenwervels zijn vastgezet, waarna hij langdurig fysiotherapeutische behandeling heeft ondergaan.

2.4.

De door partijen gezamenlijk benoemde verzekeringsarts [A] heeft op 15 augustus 2024 diverse beperkingen vastgesteld.

2.5.

Een medische eindtoestand is nog niet bereikt. In maart 2025 is [eiser] opnieuw geopereerd in Duitsland waarbij osteosynthesemateriaal is verwijderd uit zijn rug en enkel. Verdere operaties zijn naar verwachting niet meer nodig. [eiser] werkt nog altijd aan zijn herstel. Er zal sprake zijn van blijvende beperkingen, onder meer voor rugbelastende activiteiten.

Opleiding en carrière

2.6.

Ten tijde van het ongeval van 12 augustus 2021 was [eiser] 18 jaar oud en volgde hij de mbo-opleiding Interieurbouw (niveau 3). Hij ging één dag per week naar school en werkte daarnaast vier dagen per week in loondienst. In april 2022 heeft hij zijn diploma behaald. Vervolgens heeft hij de tweejarige mbo-opleiding tot werkvoorbereider gevolgd. Ook hierbij kreeg hij één dag per week onderwijs en werkte hij vier dagen per week in loondienst. In juni 2024 heeft hij zijn diploma behaald.

2.7.

Al tijdens de laatste periode van zijn opleiding tot werkvoorbereider heeft [eiser] samen met zijn broer gewerkt aan het opzetten van het bedrijf [B] , dat in april 2024 operationeel is gegaan. Dit bedrijf legt zich toe op het maken en verkopen van shakes op basis van biest. [eiser] en zijn broer zijn inmiddels samen met nog enkele andere startende ondernemers uit de regio door AgriCapital geselecteerd voor een traject van een jaar, waarin zij onder begeleiding van deskundigen werken aan een compleet ondernemingsplan voor [B] . Dit traject is omstreeks begin september 2025 gestart. [B] levert voor [eiser] en zijn broer nog geen inkomen op. De gemaakte omzet wordt nog volledig geïnvesteerd in de onderneming.

Het buitengerechtelijk overleg

2.8.

Het buitengerechtelijk overleg over de schadeafwikkeling is namens Zurich gevoerd door Crawford&Company (hierna: Crawford). Hieronder volgt geen volledig overzicht van het gevoerde overleg, maar slechts een vermelding van een aantal onderdelen daarvan.

2.9.

In maart 2022 heeft Zurich arbeidsdeskundige [D] (hierna: [D] ) ingeschakeld om [eiser] te begeleiden. Die begeleiding is per 1 juni 2023 voorlopig afgerond en is later, op verzoek van [eiser] , hervat.

2.10.

In november 2023 heeft [eiser] aangegeven meer rust nodig te hebben voor zijn herstel en daarom voor de resterende duur van zijn opleiding (gedurende 6 maanden) een dag per week minder te willen werken als werkvoorbereider, in verband waarmee hij Zurich vroeg hem 6 maal € 500,- aan aanvullende voorschotten te verstrekken. Zurich ging hiermee niet akkoord.

2.11.

Begin maart 2024 heeft [eiser] bij de rechtbank een verzoek voorlopig deskundigenbericht ingediend. Doel was het verkrijgen van een verzekeringsgeneeskundig rapport met een belastbaarheidsprofiel, op basis waarvan [D] dan over de noodzaak van minder werken zou kunnen adviseren. Dit profiel zou ook als voorlopig uitgangspunt kunnen worden genomen bij de schaderegeling. Eind juni 2024 hebben partijen samen besloten verzekeringsgeneeskundige [A] te vragen een (tijdelijk) belastbaarheidsprofiel op te stellen. Het verzoek voorlopig deskundigenbericht is daarop, kort voor de mondelinge behandeling, ingetrokken.

2.12.

Op 20 augustus 2024 heeft [eiser] een concept verzoekschrift deelgeschil aan Zurich gestuurd, met het verzoek om overleg. Dit concept verzoekschrift had betrekking op het carrièrepad van [eiser] , de begeleiding door de arbeidsdeskundige en enkele schadeposten. Dat overleg is niet goed op gang gekomen, waarna [eiser] op 18 oktober 2024 opnieuw aankondigde een deelgeschilprocedure te zullen starten.

2.13.

In een brief van 15 november 2024 heeft Zurich zich onder meer op het standpunt gesteld dat het redelijk is om van [eiser] te verwachten dat hij als werkvoorbereider inkomen genereert, om verlies aan verdienvermogen zoveel mogelijk te beperken. Zurich heeft [eiser] echter niet geheel de kans willen ontnemen om zijn onderneming tot een succes te maken, en heeft aangeboden [eiser] daartoe gedurende negen maanden een fictief loon van € 1.500,- per maand te bevoorschotten. Zurich heeft ook toegezegd [D] te zullen vragen de onderneming, de activiteiten en werkzaamheden van [eiser] in kaart te brengen en een inschatting te (laten) maken van de economische haalbaarheid van de onderneming. Na deze periode van negen maanden zou Zurich aan de hand van de berichtgeving van [D] en haar overige bevindingen dan beoordelen hoe op dit punt verder zal worden gegaan.

2.14.

[eiser] wilde gedurende een langere periode van 18 maanden worden bevoorschot, maar heeft in de toezeggingen van Zurich toch aanleiding gezien vooralsnog af te zien van het indienen van een verzoekschrift deelgeschil.

2.15.

In een voortgangsrapportage van 14 januari 2025 heeft [D] laten weten de vraag van partijen om de onderneming, de activiteiten en werkzaamheden van [eiser] in kaart te brengen buiten zijn competenties ligt. Hij heeft voorgesteld om bedrijfseconoom [E] (hierna: [E] ) hiervoor in te schakelen. Op kosten van Zurich heeft [E] op 25 februari 2025 een rapport uitgebracht over de onderneming van [eiser] . [E] heeft daarin een aantal adviezen gegeven en aangeboden [eiser] te begeleiden en adviseren bij het opstellen en uitvoeren van een meerjarenplan voor zijn onderneming.

2.16.

Op 28 februari 2025 heeft [eiser] aan Zurich onder meer laten weten blij te zijn met het aanbod van [E] , en Zurich gevraagd [E] daarvoor opdracht te verstrekken. [eiser] heeft op 18 maart 2025 hierover bij Zurich gerappelleerd.

2.17.

Op 27 maart 2025 heeft [D] aan Zurich en [eiser] opgave gedaan van de kosten voor begeleiding door [E] gedurende één jaar (€ 5.250,- exclusief btw). [eiser] heeft diezelfde dag laten weten graag deze begeleiding te ontvangen. Een reactie van Zurich bleef uit.

2.18.

[D] heeft nadien nog verschillende keren vergeefs geprobeerd in contact te komen met Zurich om de inschakeling van [E] te bespreken. Op 17 april 2025 heeft [D] Zurich gevraagd te laten weten of zij zich kan vinden in het voorstel tot begeleiding door [E] , dan wel breed overleg over dit onderwerp. Een reactie van Zurich bleef uit.

2.19.

Op 14 mei 2025 heeft [eiser] aan Zurich aangekondigd onderhavig verzoekschrift deelgeschil te zullen indienen, dat op 22 mei 2025 door de rechtbank is ontvangen.

Buitengerechtelijke kosten

2.20.

Per 11 juni 2023 is mr. Leemhuis werkzaamheden gaan verrichten in deze zaak. Aan de eerdere belangenbehartiger van [eiser] heeft Zurich ruim € 14.000,- betaald aan buitengerechtelijke kosten.

2.21.

Begin juli 2024 heeft mr. Leemhuis een akkoord gesloten met Zurich over de betaling van zijn buitengerechtelijke werkzaamheden t/m 24 juni 2024 (inclusief de werkzaamheden ter zake van het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht). Het akkoord hield in een slotbetaling van € 5.000,- bovenop het bedrag van € 6.239,57 (inclusief verschotnota’s) dat al aan mr. Leemhuis was vergoed.

2.22.

Op 10 september 2024 heeft mr. Leemhuis Zurich gevraagd om betaling van de nota van verzekeringsarts [A] (€ 1.815,-), om betaling van € 3.557,40 voor door hem verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden, en om betaling van € 8.745,28 voor de kosten die hij had gemaakt voor het voorbereiden van een deelgeschilprocedure in de periode 19 juni t/m 30 augustus 2024.

2.23.

Op 15 november 2024 heeft Zurich gevraagd om een toelichting op de gevraagde vergoeding van € 3.557,40 buitengerechtelijke kosten. Ook heeft Zurich zich kritisch uitgelaten over de door mr. Leemhuis gevraagde vergoeding van € 8.745,28 voor het conceptverzoekschrift deelgeschil: Zurich vond de kosten onnodig gemaakt en buitensporig hoog. De nota van [A] is door Zurich voldaan.

2.24.

Op 25 november 2024 heeft mr. Leemhuis de nota’s met urenspecificatie aan Zurich gestuurd waarop het bedrag van € 3.557,40 is gebaseerd, en bepleit dat de voor het conceptverzoekschrift deelgeschil gemaakte kosten redelijk zijn.

2.25.

Mr. Leemhuis heeft vervolgens veelvuldig gerappelleerd bij Zurich.

2.26.

Op 6 februari 2025 heeft Zurich laten weten nog bezig te zijn met interne afstemming over de kwesties van de buitengerechtelijke kosten en de kosten voor het conceptverzoekschrift deelgeschil.

2.27.

Op 18 februari 2025 heeft Zurich een aanvullende betaling gedaan van € 2.896,74 voor de werkzaamheden van mr. Leemhuis.

2.28.

Op 28 februari 2025 heeft mr. Leemhuis Zurich opnieuw aangesproken tot betaling van de nog niet vergoede buitengerechtelijke werkzaamheden.

2.29.

Op 14 mei 2025 volgde onderhavig verzoekschrift deelgeschil.

3Het verzoek

3.1.

[eiser] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

(1) vast te stellen dat door Zurich niet in redelijkheid van [eiser] mag worden verlangd dat [eiser] als werkvoorbereider inkomen genereert om verlies van arbeidsvermogen te voorkomen;

(2) vast te stellen dat door Zurich niet in redelijkheid van [eiser] mag worden verlangd dat [eiser] zich laat omscholen naar werk in een andere functie of branche, teneinde zijn verlies arbeidsvermogen te beperken;

(3) vast te stellen dat Zurich gehouden is om de begeleiding door arbeidsdeskundige [D] en bedrijfseconoom [E] te vergoeden conform het nu voorliggende voorstel van [E] van 25 februari 2025, inhoudende dat hij [eiser] zal begeleiden en adviseren bij het opstellen van een meerjarenplan en de uitvoering ervan;

(4) verweerster te veroordelen tot betaling van een voorschot op het:

a. verlies van verdienvermogen over de periode tot en met februari 2025 ten bedrage van € 34.915,25, vermeerderd met de wettelijke rente, en

b. verlies van verdienvermogen over de periode van maart 2025 tot en met december 2026, welk verlies kan worden begroot op het verschil tussen het behoudend begrote hypothetische netto inkomen ad € 2.206,31 per maand met aftrek van het daadwerkelijk gerealiseerde inkomen, welk inkomen – bij discussie tussen partijen – zal worden vastgesteld door bedrijfseconoom [E] , te vermeerderen met de wettelijke rente, en

c. smartengeld ter hoogte van € 20.000,- te vermeerderen met wettelijke rente,

(5) Zurich te veroordelen tot betaling van de volledige nog openstaande buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 4.602,26 voor werkzaamheden verricht in de periode van 11 juni 2023 tot en met 6 februari 2025, en

(6) Zurich te veroordelen tot vergoeding van de kosten die gemoeid waren met de concept verzoekschriften deelgeschil en het ingediende verzoek voorlopig deskundigenbericht ter hoogte van € 15.000,-, of een ander bedrag door uw rechtbank vast te stellen,

(7) de kosten van het deelgeschil als bedoeld in artikel 1019aa Rv te begroten op € 12.136,30, inclusief btw, en Zurich te veroordelen tot vergoeding hiervan,

(8) te beslissen dat Zurich gehouden is tot vergoeding van het door [eiser] verschuldigde griffierecht in de onderhavige procedure.

3.2.

Zurich verzet zich tegen toewijzing van deze verzoeken en vordert een veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3.3.

De onderbouwing van deze verzoeken door [eiser] en de verweren die hiertegen door Zurich zijn gevoerd zullen hierna, voor zover nodig, aan de orde komen.

4De beoordeling

4.1.

Het verzoek van [eiser] is een verzoek in deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.2.

De deelgeschilprocedure is bedoeld om partijen die met elkaar in onderhandeling zijn over de afwikkeling van een letselschade, en daarbij in een impasse raken omdat zij het over een bepaalde kwestie niet eens kunnen worden, te helpen om – met een deelbeslissing van de rechter over die kwestie – de onderhandelingen weer te kunnen voortzetten.

Het verzoek betreft een deel van het geschil

4.3.

Zurich voert als verweer aan dat het verzoek van [eiser] niet geschikt is voor behandeling in deelgeschil omdat het verzoek volgens haar meerdere complexe vorderingen bevat, waarmee feitelijk de hele zaak aan de rechtbank wordt voorgelegd. Daarvoor is de deelgeschilprocedure niet bedoeld, zo stelt Zurich.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.1.

In het algemeen geldt dat wanneer een verzoek zo veelomvattend is dat daarmee in feite het hele geschil over de schadeafwikkeling aan de rechter wordt voorgelegd, de deelgeschilprocedure daarvoor niet de geëigende weg is, maar een bodemprocedure moet worden gevolgd. De deelgeschilprocedure is immers bedoeld om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, en als er een beslissing ligt op alle geschilpunten, zijn onderhandelingen niet meer nodig.

4.4.2.

Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor. Het verzoek van [eiser] is weliswaar tamelijk uitgebreid maar omvat naar het oordeel van de rechtbank niet het volledige geschil. Zo ziet het verzoek niet op alle schadeposten. De onderdelen van het verzoek genoemd onder sub (1) t/m (4) sub b, die zien op de schadepost verlies van verdienvermogen, beslaan bovendien niet die volledige schadepost, want de gevraagde voorschotten zijn in tijd beperkt. Die onderdelen zien bovendien ook niet op gederfde ‘zwarte’ inkomsten, waarvan volgens [eiser] wel sprake is. Met een beslissing van de rechtbank op alle onderdelen van het verzoek is dan ook nog niet een beslissing gegeven over het hele geschil. Wel zal een beslissing kunnen bijdragen aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w Rv). De zaak leent zich in zoverre voor behandeling in deelgeschil.

Het verzoek is (grotendeels) niet prematuur

4.5.

Zurich meent dat het verzoek van mei 2025 door [eiser] prematuur is ingesteld en voert daarvoor het volgende aan.

  • - Verzoeken 1 en 2: wat van [eiser] kon worden verlangd voor wat betreft het beperken van zijn verlies aan verdienvermogen vormde nog geen onderwerp van geschil tussen partijen: in november 2024 had Zurich ingestemd met een bevoorschotting voor een periode van negen maanden, waarna partijen in augustus 2025 de haalbaarheid van het ondernemerschap van [eiser] zouden toetsen.
  • - Verzoek 3: [D] was bij de zaak betrokken en zou medio juli 2025 rapporteren. Over diens rol daarna hadden partijen nog niet gesproken. Over de vraag of [E] begeleiding zou mogen bieden, had Zurich zich nog niet uitgelaten.
  • - Verzoeken 4a en 4b: de bevoorschotting voor verlies aan verdienvermogen was geen onderwerp van geschil, gelet op de gemaakte afspraak om nog tot augustus 2025 te bevoorschotten, en daarna de situatie opnieuw te beoordelen.
  • - Verzoek 4c: Zurich heeft € 5.000,- aan smartengeld bevoorschot in november 2024, waarna geen verzoek om een aanvullend voorschot is ontvangen en daarover ook geen geschil is ontstaan.
  • - Verzoeken 5 en 6: over de vergoeding voor werkzaamheden van mr. Leemhuis van juni 2023 tot en met 24 juni 2024 (inclusief de werkzaamheden voor het verzoekschrift voor een voorlopig deskundigenbericht) hadden partijen op 9 juli 2024 al een akkoord (totaal € 11.239,57). Voor de redelijkheid en noodzaak van de gevorderde kosten voor de opgestelde concept verzoekschriften heeft Zurich op 15 november 2024 een toelichting van mr. Leemhuis gevraagd, maar niet verkregen.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.6.1.

Wanneer over een bepaalde schadepost, of over een andere kwestie die relevant is voor afwikkeling van de schade, nog geen relevant inhoudelijk contact is geweest tussen partijen, en zij over en weer daarover nog geen standpunt hebben ingenomen, dan is er op dat punt nog geen sprake van in een impasse geraakte onderhandelingen, en is er geen taak weggelegd voor de deelgeschilrechter.

4.6.2.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [eiser] grotendeels niet prematuur is ingesteld en overweegt daartoe het volgende.

4.6.3.

Het is juist, zoals Zurich stelt, dat in november 2024 door Zurich een aantal toezeggingen is gedaan, met name ook over aanvullende bevoorschotting, waardoor [eiser] onder meer in staat werd gesteld gedurende negen maanden te werken aan zijn onderneming, met begeleiding van [D] . [eiser] heeft nadat die toezeggingen waren gedaan vooralsnog afgezien van het voeren van een deelgeschilprocedure, maar zich wel het recht voorbehouden om dat op een later moment wel te doen.

4.6.4.

Gedurende de hiervoor bedoelde periode van negen maanden heeft [D] laten weten dat de vraag van partijen om de onderneming, de activiteiten en de werkzaamheden van [eiser] in kaart te brengen buiten zijn competenties ligt. [D] stelde voor om [E] in te schakelen. Op 25 februari 2025 verscheen vervolgens het rapport van bedrijfseconoom [E] , die positief was over [eiser] als ondernemer en hem begeleiding aanbood. [eiser] heeft toen direct en herhaaldelijk Zurich gevraagd in te stemmen met een begeleidingstraject door [E] , en ook [D] heeft meermaals geprobeerd hierover duidelijkheid te krijgen van Zurich, maar Zurich heeft daar niet op gereageerd. Ook niet nadat haar omstreeks 26 maart 2025 bekend was wat die begeleiding zou gaan kosten, en [eiser] op 27 maart 2025 liet weten prijs te stellen op deze begeleiding en aan Zurich vroeg daarmee in te stemmen. Zurich had in november 2024 wel afspraken gemaakt over de inschakeling van [D] , maar [D] kon (zelf) niet verder. Deze oude afspraken waren daarmee inmiddels achterhaald. Begin 2025 was voor een voortvarende aanpak de begeleiding van [E] nodig. Zurich had omtrent de inschakeling van [E] een standpunt moeten innemen, maar deed dat niet. Toen [eiser] medio mei 2025 deze deelgeschilprocedure aanhangig maakte, wachtte hij al bijna drie maanden op een antwoord van Zurich.

4.6.5.

Bij de mondelinge behandeling is van de kant van Zurich verklaard dat er niet direct op dit verzoek van [eiser] om begeleiding door [E] is gereageerd omdat Zurich veronderstelde dat er geen haast bij was omdat [eiser] nog aan het herstellen was van de operatie in Duitsland begin maart 2025. In het rapport van [E] stonden bovendien aanbevelingen waar [eiser] ook zelf mee aan de slag kon. Of haar aanname dat er geen urgentie was bij behandeling van het verzoek van [eiser] juist was, heeft Zurich niet bij [eiser] nagevraagd.

4.6.6.

De rechtbank is van oordeel dat van Zurich hier een actievere houding mocht worden verwacht. [eiser] is een nog jonge man die vanaf het moment van het ongeval veel inzet heeft getoond bij het werken aan zijn opleiding en carrière. Ondanks het letsel dat hij opliep bij het ongeval, de operaties die hij in verband daarmee moest ondergaan en de revalidatie die daarna nodig was, heeft hij kans gezien zijn opleiding zonder vertraging af te ronden. Om zijn kansen op de arbeidsmarkt met zijn (mogelijk blijvende) beperkingen te vergroten, heeft hij een vervolgopleiding gedaan en voltooid. En al tijdens die opleiding is hij, met hulp van zijn broer, begonnen met zijn onderneming. Onbetwist heeft [eiser] gesteld dat hij na de operatie in Duitsland van maart 2025 weliswaar fysiek weer moest opbouwen (hij had veel last van zijn enkel en rug), maar ondertussen wel aan zijn bedrijf is blijven werken, onder ander door te werken aan de zichtbaarheid van het product en het verrichten van acquisitie, zoals [E] in zijn rapport had aanbevolen. De rechtbank acht het ook aannemelijk dat [eiser] , zoals hij stelt, na de operatie in maart 2025 het werk voor zijn onderneming snel weer heeft opgepakt. Vaststaat immers dat [eiser] ook tijdens eerdere periodes van herstel na operaties kans heeft gezien zijn opleiding en werkzaamheden voort te zetten. [eiser] was voor zijn loopbaanontwikkeling, waar hij zelf hard aan werkte, voor een deel afhankelijk van Zurich, en had van Zurich slechts de toezegging dat hij nog tot en met augustus 2025 zou worden bevoorschot om zijn bedrijf tot een succes te maken. Het ligt voor de hand dat hij die periode zo goed mogelijk wilde benutten. Van Zurich mocht dan ook worden verwacht dat zij het verzoek van [eiser] om begeleiding van [E] bij het uitbouwen van zijn onderneming voortvarend zou oppakken.

4.6.7.

Onder bovenvermelde omstandigheden heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank mogen constateren dat, door het langdurig (drie maanden) uitblijven van een reactie van Zurich op zijn herhaald verzoek om begeleiding door [E] , sprake was van een impasse in de onderhandelingen over de schadeafwikkeling, die het indienen van een verzoek in deelgeschil rechtvaardigde.

4.6.8.

Het ingediende verzoek behelst meer geschilpunten dan alleen de begeleiding door [E] . Voor al die punten – behalve voor het smartengeld, waarover hierna meer – geldt dat vaststaat dat partijen daarover eerder al discussie hebben gevoerd en inhoudelijk van mening bleken te verschillen. De discussie tussen partijen was weliswaar in mei 2025, toen het verzoek werd ingediend, op sommige punten niet actueel, omdat partijen in afwachting waren van de uitkomst van de evaluatie in de zomer van 2025, maar die punten konden naar het oordeel van de rechtbank wel worden meegenomen in deze deelgeschilprocedure, omdat zij met elkaar verband houden. Voor wat betreft de vergoeding van buitengerechtelijke werkzaamheden van mr. Leemhuis was sprake van een impasse, gelet op het verloop zoals weergegeven in r.o. 2.22 tot en met 2.29. Het verzoek is dan ook niet als prematuur aan te merken.

4.6.9.

Het voorgaande geldt niet voor wat betreft het verzoek van [eiser] om Zurich te veroordelen tot betaling van een voorschot op het smartengeld tot een bedrag van € 20.000,- (verzoek 4c). Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser] bepleit dat en waarom een voorschot van € 20.000,- volgens hem redelijk is. Uit de stellingen van partijen en de vele overgelegde stukken blijkt echter niet dat partijen voorafgaand aan deze procedure inhoudelijk contact hebben gehad over het smartengeld, waarbij standpunten zijn uitgewisseld. Voor verzoek 4c geldt dan ook dat de procedure prematuur is ingesteld, met als gevolg dat de rechtbank daarover geen inhoudelijk oordeel zal geven.

Proportionaliteit en bewijslevering

4.7.

Zurich voert ter verweer aan dat voor het beoordelen van het verzoek nadere bewijslevering en deskundigenonderzoek nodig is, voor het verkrijgen van actuele medische informatie en bedrijfseconomische informatie. Dit maakt dat de zaak zich niet leent voor de snelle en beperkte beoordeling die de deelgeschilprocedure beoogt, zo meent Zurich.

4.8.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.8.1.

In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechter het verzoek om een beslissing in deelgeschil afwijst voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank moet daarbij toetsen of de bijdrage van de verzochte beslissing zodanig is, dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelvragen waarvan te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag neemt, bijvoorbeeld omdat bewijslevering nodig zal zijn, lenen zich minder goed voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De rechter komt hierbij een ruime beoordelingsvrijheid toe. Doorgaans ziet de rechter geen ruimte voor bewijslevering in deelgeschil.

4.8.2.

In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen grond om het verzoek van [eiser] af te wijzen omdat bewijslevering nodig zouden zijn, zoals Zurich bepleit. Zoals zal blijken uit de hiernavolgende beoordeling van de zaak, is bewijslevering niet aan de orde.

Verzoek 1 en 2: werkvoorbereider of omscholen

4.9.

[eiser] verzoekt de rechtbank te bepalen dat van hem in redelijkheid niet mag worden verlangd: (1) dat hij als werkvoorbereider inkomen genereert om verlies van arbeidsvermogen te voorkomen, en (2) dat hij zich laat omscholen naar werk in een andere functie of branche om zijn verlies arbeidsvermogen te beperken.

4.10.

[eiser] voert daarvoor kort gezegd aan dat van hem (in het kader van zijn schadebeperkingsplicht ex artikel 6:101 BW) niet meer dan het redelijke kan worden gevergd, en dat hij – zeker gezien zijn jonge leeftijd - zijn leven in beginsel naar eigen inzicht en wens moet kunnen inrichten. [eiser] wilde graag zelfstandig meubelmaker worden, maar dat is door zijn beperkingen (als gevolg van het ongeval) niet meer mogelijk. Wel wil hij nog graag als zelfstandig ondernemer aan de slag. Werken als werkvoorbereider vindt hij niet leuk. Hij wil de kans krijgen om zijn droom na te jagen en een bestaan op te bouwen met zijn onderneming [B] , waarmee hij al enthousiast en serieus is begonnen. Mocht dat uiteindelijk niet lukken, dan kan altijd nog worden uitgeweken naar het scenario van omscholen, zo stelt [eiser] , die bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de rechtbank (subsidiair) heeft verzocht aan zijn verzoek 2 een termijn te verbinden.

4.11.

Zurich voert aan dat op [eiser] een schadebeperkingsplicht rust en dat hij aan die plicht kan voldoen aangezien hij volledig belastbaar is voor het verrichten van fulltime werkzaamheden als werkvoorbereider, dan wel in een andere vergelijkbare functie. Dat blijkt volgens Zurich uit het rapport van verzekeringsarts [A] . Zurich wijst erop dat het ondernemerschap naar zijn aard een langdurig en onzeker proces is, en dat [eiser] geen inzicht heeft verschaft in de haalbaarheid en levensvatbaarheid van zijn onderneming. Volgens Zurich kan het niet zo zijn dat [eiser] voor onbepaalde tijd niet gehouden zou zijn om zijn verlies aan verdienvermogen te beperken, door enig inkomen te genereren.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.12.1.

In beginsel heeft [eiser] recht op vergoeding van zijn volledige schade. Voor zijn eigen rekening echter blijft die schade die [eiser] met in redelijkheid van hem te vergen maatregelen had kunnen voorkomen (artikel 6:101 BW). In dat verband moet de vraag worden beantwoord of van [eiser] kan worden verlangd dat hij als werkvoorbereider in loondienst aan de slag gaat, of zich laat omscholen, om verlies aan verdienvermogen te voorkomen, of althans te beperken. Deze vraag moet worden beantwoord op de grondslag van de redelijkheid en billijkheid, aan de hand van de omstandigheden van het geval.

4.12.2.

Bij de weging van de omstandigheden van het geval moet in aanmerking worden genomen dat [eiser] tegen zijn wil in de positie van benadeelde is gebracht door het ongeval, waarvoor Zurich aansprakelijk is. Daar komt bij dat aan [eiser] , zoals aan eenieder, in beginsel de vrijheid toekomt om zijn leven naar eigen inzicht en wens in te richten. Dit brengt mee dat niet snel de conclusie kan worden getrokken dat [eiser] tegen zijn wil in als werkvoorbereider aan de slag moet gaan of zich moet laten omscholen, om de schade voor Zurich zoveel mogelijk te beperken. Anderzijds gaat de vrijheid van [eiser] niet zo ver dat hij voor wat betreft het genereren van inkomen om zijn schade te beperken nergens toe gehouden zou zijn.

4.12.3.

Rekening houdend met het voorgaande oordeelt de rechtbank dat van [eiser] in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij inkomen genereert als werkvoorbereider, ook niet als hij daartoe wel in staat zou zijn. De rechtbank acht hierbij van belang dat de keuze van [eiser] om de (vervolg)opleiding tot werkvoorbereider te gaan doen geen volledig vrije keuze was, maar hem min of meer is opgedrongen door de omstandigheid dat het ongeval hem is overkomen. Door dat ongeval, waarvoor Zurich aansprakelijk is, zag [eiser] zijn plan om (zelfstandig) interieurbouwer te worden immers in duigen vallen. Al vroeg tijdens de opleiding ondervond [eiser] dat het werk als werkvoorbereider hem niet goed paste. Hij heeft de opleiding toch afgemaakt om het diploma te halen, maar niet met het idee om daarna ook in die functie te gaan werken. Zurich wist hiervan, want dit is destijds zo besproken met de schadebehandelaar van Zurich. Overigens overkomt het meer jonge mensen dat zij tijdens een door hen gekozen opleiding tot de conclusie komen dat deze niet bij hen past, waarna zij kiezen voor een andere opleiding en carrière. De rechtbank is van oordeel dat om redenen van redelijkheid en billijkheid aan [eiser] het recht toekomt ervoor te kiezen niet te gaan werken als werkvoorbereider, zonder dat dit voor hem betekent dat hij zijn schade wegens verlies van verdienvermogen niet vergoed krijgt. Zijn recht op zelfbeschikking dient hier te prevaleren boven zijn schadebeperkingsplicht. Verzoek 1 van [eiser] zal daarom worden toegewezen.

4.12.4.

Het recht van [eiser] om zelf zijn carrière te kiezen gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat van hem, ook als hij als zelfstandig ondernemer niet in zijn inkomen kan voorzien, niet kan worden verwacht dat hij zich op enig moment laat omscholen naar werk in een andere functie of een andere branche. Verzoek 2 van [eiser] zal daarom worden afgewezen.

4.12.5.

De advocaat van [eiser] heeft bij de mondelinge behandeling de suggestie gedaan om (subsidiair) verzoek 2 toe te wijzen onder een tijdsbepaling. De rechtbank gaat aan dit verzoek voorbij, omdat de advocaat van [eiser] niet heeft aangegeven welke termijn aan [eiser] gegund zou moeten worden om zijn bedrijf verder uit te bouwen en daar inkomen uit te genereren. [eiser] heeft hieromtrent niets gesteld, en Zurich heeft daarop dus ook niet kunnen reageren. Nu stellingen van partijen daaromtrent geheel ontbreken, is het niet aan de rechtbank om te bepalen wat een redelijke termijn zou zijn die Zurich aan [eiser] zou moeten gunnen om zijn bedrijf van de grond te krijgen.

Verzoek 3: begeleiding door [D] en [E]

4.13.

[eiser] verzoekt de rechtbank vast te stellen dat Zurich gehouden is om de begeleiding door arbeidsdeskundige [D] en bedrijfseconoom [E] te vergoeden conform het nu voorliggende voorstel van [E] van 25 februari 2025, inhoudende dat hij [eiser] zal begeleiden en adviseren bij het opstellen van een meerjarenplan en de uitvoering ervan.

4.14.

[eiser] voert aan hij nog heel jong is, dat hij bewust heeft gekozen voor zijn eigen toekomst en daar zijn schouders onder heeft gezet. Hij meent recht te hebben op meer begrip, geduld en begeleiding. Hij wil geen re-integratiecoach voor een zoektocht naar omscholingsmogelijkheden, zoals Zurich heeft voorgesteld, maar begeleiding van arbeidsdeskundige [D] en bedrijfseconoom [E] bij het werken aan mogelijkheden om zijn geld te verdienen als zelfstandig ondernemer. Volgens [eiser] gaat het hier om redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder a BW.

4.15.

Zurich voert gemotiveerd verweer. Zurich voert aan dat het verzoek van [eiser] ten aanzien van [D] onvoldoende bepaald is, en geen termijn of periode bevat. Of het wenselijk is dat [D] [eiser] blijft begeleiden, is volgens Zurich mede afhankelijk van onwikkelingen in deze zaak, waar op dit moment nog geen zicht op bestaat. Over het verzoek ten aanzien van [E] voert Zurich aan dat [eiser] ten tijde van de indiening van het verzoek in deelgeschil voor het voortzetten van zijn ondernemingsactiviteiten niet afhankelijk was van begeleiding van [E] .

4.16.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.16.1.

Het verzoek zal voor wat betreft de gevraagde begeleiding door [D] worden afgewezen omdat het te onbepaald is en ook onvoldoende is onderbouwd. Niet helder is waaruit de begeleiding van [D] zou moeten bestaan, (tot) wanneer die zou moeten plaatsvinden en welk belang [eiser] daar op dit moment bij heeft. Een nadere toelichting en onderbouwing had van [eiser] mogen worden verwacht, nu het er in deze fase om lijkt te gaan dat duidelijk wordt hoe [eiser] invulling geeft aan zijn ondernemerschap en of de onderneming van [eiser] levensvatbaar is. [D] heeft aangegeven dat zijn competenties daar niet liggen en daarvoor nu juist de hulp ingeschakeld van [E] . Van de zijde van Zurich is bij de mondelinge behandeling verklaard dat [D] heeft gevraagd of de zaak voor hem hiermee is afgerond. Op verzoek van [eiser] is het dossier van [D] vooralsnog niet gesloten, maar [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt welke rol hij de komende tijd voor [D] ziet weggelegd.

4.16.2.

Het verzoek zal worden toegewezen voor zover dat ziet op begeleiding door [E] . Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij alle adviezen uit het rapport van [E] , over wat hij zelf kon doen, heeft opgevolgd. Dat is door Zurich niet weersproken. Ook heeft [eiser] verklaard nog altijd graag begeleiding te ontvangen van [E] bij het opstellen van een meerjarenplan en de uitvoering daarvan. Het gaat dan om begeleiding gedurende een jaar, voor maximaal 30 uur in totaal (ad € 5.250,- exclusief btw), waarbij tweemaal zal worden gerapporteerd (halverwege en na afloop), en over belangrijke zaken tussentijds inlichtingen zullen worden gegeven per mail. Volgens [eiser] zal [E] met het bieden van deze begeleiding niet in het vaarwater zitten van het traject dat [eiser] in september 2025 is gestart met AgriCapital. Uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de kant van Zurich naar voren is gebracht, begrijpt de rechtbank dat Zurich in beginsel bereid is de begeleiding door [E] te faciliteren. Het verzoek zal daarom in zoverre worden toegewezen.

Verzoek 4a: voorschot verlies verdienvermogen tot en met februari 2025

4.17.

[eiser] verzoekt Zurich te veroordelen tot betaling van een voorschot op zijn verlies van verdienvermogen over de periode tot en met februari 2025 tot een bedrag van € 34.915,25, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.18.

[eiser] onderbouwt dit verzoek als volgt:

  • - In de denkbeeldige situatie zonder ongeval zou [eiser] , na het behalen van zijn diploma interieurbouwer in april 2022, fulltime zijn gaan werken als meubelmaker in loondienst, om vervolgens gefaseerd richting het zelfstandig ondernemerschap te bewegen. Vermoedelijk zou hij twee jaar na zijn afstuderen volledig als zelfstandige werkzaam zijn geweest, maar hierover is discussie mogelijk. Mogelijk moet hier nog arbeidskundig onderzoek naar plaatsvinden. Voor het berekenen van het voorschot kan worden uitgegaan van het behoudende uitgangspunt dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval als meubelmaker in loondienst werkzaam zou zijn gebleven. Hij zou dan een loon hebben ontvangen dat hoort bij functiegroep D van de CAO Interieurbouw en Meubelindustrie.
  • - In de werkelijke situatie met ongeval is [eiser] , na het behalen van zijn diploma in april 2022, een vervolgopleiding gaan doen waarbij hij vanaf september 2022 in deeltijd heeft gewerkt op basis van een BBL-contract. Vanaf juni 2024 is hij werkzaam voor zijn onderneming, waarmee hij geen inkomsten heeft verworven (de omzet tot februari 2025 is teruggevloeid in het eigen bedrijf en heeft nog geen winst opgeleverd).
  • - Het verschil tussen deze beide situaties vormt de geleden schade. De bij de berekening van die schade gehanteerde bedragen staan vermeld in een schade-overzicht dat is overgelegd als productie 19 bij verzoekschrift. Ter zitting heeft [eiser] daarop nog een toelichting gegeven. De gegevens over de gegenereerde omzet zijn ontleend aan het rapport van [E] van 25 februari 2025.

4.19.

Zurich meent dat niet vaststaat dat [eiser] daadwerkelijk tot het gevorderde bedrag aan verlies aan verdienvermogen heeft geleden en voert daarvoor het volgende aan:

  • - In de denkbeeldige situatie zonder ongeval zou [eiser] naar hij stelt twee jaar na zijn afstuderen volledig als zelfstandige werkzaam zijn geweest. Voor de begroting van het verlies aan verdienvermogen moet dan ook een vergelijking worden gemaakt met deze situatie, waarin [eiser] – net als nu in de situatie met zijn onderneming [B] – te maken zou hebben gehad met alle onzekerheden en financiële instabiliteit die het zelfstandig ondernemerschap met zich meebrengt, wat moet worden meegenomen in de schadebegroting.
  • - In de situatie met ongeval is [eiser] vrijwel volledig belastbaar voor het verrichten van werkzaamheden als werkvoorbereider, dan wel in een vergelijkbare functie. [eiser] heeft zelf ontslag genomen als werkvoorbereider, waardoor hij geen aanspraak heeft kunnen maken op een werkloosheidsuitkering, wat vragen oproept over de causaliteit en redelijkheid van het gestelde verlies aan verdienvermogen.
  • - Voor de schade van [eiser] wegens verlies aan verdienvermogen heeft Zurich vanaf november 2024 (voor de duur van negen maanden) maandelijks een bedrag van € 1.500,- bevoorschot.

4.20.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.20.1.

In een deelgeschil kan om betaling van een aanvullend voorschot worden verzocht. Als de deelgeschilrechter een dergelijk verzoek toewijst dan is de bodemrechter aan die beslissing gebonden (artikel 1019cc lid 1 Rv). Een verzoek tot betaling van een voorschot is in een deelgeschilprocedure daarom in de regel alleen toewijsbaar indien en voor zover rechtens voldoende vaststaat – en ook een bodemrechter tot dat oordeel zou komen – dat de benadeelde een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door de aansprakelijke partij betaalde voorschotten (significant) overschrijdt.

4.20.2.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [eiser] ten aanzien van zijn schade wegens verlies van verdienvermogen over de periode tot en met februari 2025 toewijsbaar is tot een bedrag van € 30.415,25 en zal dat hier toelichten.

4.20.3.

De rechtbank gaat er voor wat betreft de denkbeeldige situatie zonder ongeval vanuit dat [eiser] , zoals hij stelt, vanaf mei 2022 fulltime zou zijn gaan werken als meubelmaker in loondienst en vervolgens in de loop van twee jaar zijn werk in loondienst zou hebben afgebouwd en het werken als zelfstandig meubelmaker zou hebben opgebouwd. Dat [eiser] als zelfstandig ondernemer in de interieurbouw ook een opstartfase zou hebben gekekend (met daarbij behorend geen of minder inkomen) heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling voldoende weersproken. Het is aannemelijk dat [eiser] vanuit een baan als meubelmaker in loondienst geleidelijk zou toewerken naar een eigen interieurbouwonderneming. In de interieurbouw is het immer niet ongebruikelijk om eerst in de weekenden en avonden bij te klussen en wanneer daarmee een klantenbestand is opgebouwd de overstap naar zelfstandig ondernemerschap te maken. Bij het opstarten van een bedrijf als [B] terwijl in loondienst wordt gewerkt (als werkvoorbereider) is dat niet het geval. De rechtbank acht het daarom redelijk om er bij het begroten van de schade vanuit te gaan dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval vanaf mei 2022 tot en met februari 2025 een inkomen had gehad dat (minimaal) gelijk was geweest aan het fulltimeloon voor iemand van zijn leeftijd in functiegroep D van de CAO Interieurbouw en Meubelindustrie.

4.20.4.

Voor wat betreft de werkelijke situatie, met ongeval, overweegt de rechtbank het volgende. Vaststaat dat [eiser] na april 2022 een vervolgopleiding is gaan doen en gelijktijdig heeft gewerkt als werkvoorbereider (in opleiding), waarmee hij maandelijks minder verdiende dan hij als interieurbouwer in loondienst had verdiend. Ook staat tussen partijen vast dat [eiser] , nadat hij in juni 2024 zijn diploma had behaald, per juli 2024 zijn baan als werkvoorbereider heeft opgezegd en zich volledig heeft toegelegd op de opbouw van zijn onderneming, waaruit hij tot en met februari 2025 geen inkomen heeft verworven.

4.20.5.

De rechtbank verwerpt het verweer van Zurich, dat het verlies aan inkomen vanaf juli 2024 voor eigen rekening van [eiser] dient te komen. Voor zover Zurich meent dat [eiser] in het kader van zijn schadebeperkingsplicht als werkvoorbereider in loondienst had moeten (blijven) werken, om dan naast dat werk zijn onderneming [B] op te bouwen, en dat werk in loondienst pas af te bouwen indien hij winst zou gaan maken met zijn onderneming (zoals [eiser] naar eigen zeggen als meubelmaker zou hebben gedaan in de hypothetische situatie zonder ongeval), volgt de rechtbank Zurich hierin niet. Voor dit standpunt van Zurich valt in het algemeen wat te zeggen, maar voor het geval van [eiser] heeft Zurich onvoldoende onderbouwd hoe [eiser] op deze wijze zijn schade had moeten en kunnen beperken. Hierbij merkt de rechtbank op dat van [eiser] in redelijkheid niet kon worden gevergd dat hij (na het behalen van zijn diploma) als werkvoorbereider bleef werken (zie hiervoor onder r.o. 4.12.3), en dat niet duidelijk is hoe [eiser] op andere wijze vanaf juli 2024 in loondienst had kunnen werken en tegelijk aan zijn onderneming had kunnen werken. Ook is hierbij relevant dat eerder (eind 2023, begin 2024) de combinatie werken als werkvoorbereider, één dag per week leren en één dag per week bezig zijn voor [B] te zwaar was voor [eiser] . Dit kostte hem te veel energie gelet op de wekelijkse behandeling bij de fysiotherapeut en het sporten ten behoeve van het versterken van zijn lichaam (zie r.o. 2.10). Of een combinatie van werken in loondienst en werken voor [B] fysiek en qua energie haalbaar zou zijn voor [eiser] blijft onduidelijk. Evenmin staat vast dat een dergelijke combinatie schadebeperkend zou zijn geweest. Het is immers niet onaannemelijk dat bij een combinatie van werk in loondienst en werk voor de eigen onderneming het langer duurt alvorens [eiser] inkomen uit de eigen onderneming zou kunnen genereren. Het is aan Zurich, die een beroep doet op de schadebeperkingsplicht van [eiser] , om haar stellingen te onderbouwen. Die onderbouwing mist in dit geval.

4.20.6.

Het verschil tussen de inkomsten van [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval en in de werkelijke situatie met ongeval, over de periode mei 2022 tot en met februari 2025, beloopt blijkens de berekening zoals die door [eiser] is gegeven in zijn productie 19 een bedrag van € 34.915,25. Dit bedrag vormt voor [eiser] schade wegens verlies van verdienvermogen. Zurich zal dit schadebedrag – minus driemaal € 1.500,- vanwege de voorschotten voor verlies van verdienvermogen die zij reeds heeft betaald over de maanden december 2024 t/m februari 2025 – aan [eiser] moeten vergoeden. Toegewezen zal daarom worden een voorschotbedrag van (€ 34.915,25 - € 4.500,- =) € 30.415,25. Voor het toewijzen van wettelijke rente over dit voorschot, zoals gevorderd maar niet nader toegelicht of onderbouwd, ziet de rechtbank geen grond.

Verzoek 4b: voorschot verlies verdienvermogen van maart 2025 t/m december 2026

4.21.

[eiser] verzoekt Zurich te veroordelen tot betaling van een voorschot op zijn verlies van verdienvermogen over de periode van maart 2025 tot en met december 2026, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.22.

[eiser] stelt tot en met december 2026 geen inkomsten uit zijn bedrijf te verwachten, terwijl hij in de denkbeeldige situatie zonder ongeval een maandinkomen zou hebben gehad van tenminste € 2.206,31 netto als meubelmaker. [eiser] verzoekt de rechtbank dit verschil als schadebedrag te begroten en als voorschot toe te kennen. De rechtbank zou daarbij dan moeten bepalen dat op dit begrote bedrag in mindering moet worden gebracht het eventueel daadwerkelijk gerealiseerde inkomen, en dat – als daarover discussie ontstaat tussen partijen – dat inkomen moet worden vastgesteld door bedrijfseconoom [E] .

4.23.

Zurich voert hiertegen het verweer zoals weergegeven onder r.o. 4.19, aangevuld met het verweer dat het verzoek om betaling van verlies aan verdienvermogen over een periode in de toekomst prematuur en speculatief is.

4.24.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.24.1.

Zoals volgt uit r.o. 4.20.3 is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat [eiser] in de denkbeeldige situatie zonder ongeval ook in de periode vanaf maart 2025 een inkomen had gehad dat tenminste gelijk zou zijn geweest aan dat van iemand van zijn leeftijd in functiegroep D van de CAO Interieurbouw en Meubelindustrie, op dit moment € 2.206,31.

4.24.2.

Onbetwist staat vast dat [eiser] tot het moment van de zitting in oktober 2025 geen inkomen heeft verworven uit zijn bedrijf [B] . Het verweer van Zurich als weergegeven onder r.o. 4.19 slaagt niet, zoals hiervoor onder r.o. 4.20.5 is overwogen, en de rechtbank is dan ook van oordeel dat de schade wegens verlies aan verdienvermogen voor [eiser] over de maanden maart 2025 tot en met oktober 2025 kan worden vastgesteld op (8 x € 2.206,31 =) € 17.650,48. Hierop dienen in mindering te worden gebracht de door Zurich betaalde voorschotten voor verlies van verdienvermogen over de maanden maart 2025 tot en met augustus 2025, te weten (6 x € 1.500,- =) € 9.000,-. Het toe te wijzen voorschot over die periode bedraagt daarom (€ 17.650,48 - € 9.000,- =) € 8.650,48.

4.24.3.

Voor zover het verzoek van [eiser] ziet op de maanden november 2025 tot en met december 2026 is het prematuur en speculatief, zoals Zurich aanvoert. Of [eiser] in deze maanden geen inkomen zal verwerven staat niet vast. De rechtbank kan daarom op dit moment niet met zekerheid vaststellen dat [eiser] over die maanden een aanspraak heeft op schadevergoeding, in verband waarmee een voorschot kan worden toegekend.

4.24.4.

Toegewezen wordt een voorschotbedrag van € 8.650,48 voor verlies van verdienvermogen over de maanden maart 2025 tot en met oktober 2025. Voor het overige wordt verzoek 4b afgewezen. Ook voor toekenning van wettelijke rente ziet de rechtbank geen grond, omdat [eiser] hier verder niets over heeft toegelicht.

Verzoek 4c: voorschot smartengeld

4.25.

[eiser] verzoekt Zurich te veroordelen tot betaling van een voorschot op het smartengeld ter hoogte van € 20.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.26.

De rechtbank oordeelt dat dit verzoek niet kan worden toegewezen, omdat het prematuur is ingediend. De rechtbank zal over het smartengeld geen oordeel geven (zie r.o. 4.6.9).

Verzoeken 5 en 6: vergoeding buitengerechtelijke kosten

4.27.

[eiser] verzoekt Zurich te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door zijn advocaat verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden.

4.28.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiser] geconstateerd dat de in zijn verzoekschrift geformuleerde verzoeken 5 en 6 aanpassing behoeven, in de zin van een eisvermindering, omdat partijen – zoals Zurich heeft aangevoerd – over de buitengerechtelijke werkzaamheden tot en met 24 juni 2024, ínclusief de werkzaamheden voor het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht, al op 9 juli 2024 een regeling hebben getroffen en Zurich daarvoor toen een slotbetaling heeft gedaan.

Verzoek 5: vergoeding buitengerechtelijke kosten periode 25 juni 2024 t/m 6 februari 2025

4.29.

[eiser] vordert ter zake van de buitengerechtelijke werkzaamheden die door zijn advocaat zijn verricht in de periode van 25 juni 2024 tot en met 6 februari 2025 (exclusief de werkzaamheden voor twee conceptverzoekschriften deelgeschil) thans nog een bedrag van € 4.602,26 dat volgens hem niet is vergoed.

4.30.

Zurich stelt dit bedrag niet te kunnen herleiden, maar daarvan € 1.815,- te hebben betaald, te weten de nota van verzekeringsarts [A] .

4.31.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.31.1.

Niet helder is hoe [eiser] het gevorderde bedrag van € 4.602,26 heeft berekend. De nota’s die mr. Leemhuis heeft verstuurd in verband met buitengerechtelijke werkzaamheden (exclusief de werkzaamheden in verband met de verschillende concept verzoekschriften), zijn overgelegd als productie 21 bij verzoekschrift. De nota’s van 1 november 2023, 5 januari 2024, 8 maart 2024, 11 juni 2004 en 24 juni 2024 vallen onder de regeling die partijen daarover op 9 juli 2024 hebben getroffen en moeten hier dus buiten beschouwing blijven. De nota van 10 september 2024 (€ 2.896,74) is door Zurich voldaan op 18 februari 2025. Daarmee resteert de nota van 14 februari 2025 van € 4.730,50, welk bedrag zag op buitengerechtelijke werkzaamheden (€ 2.915,50) en op de nota van verzekeringsarts [A] (€ 1.815,-). Zurich heeft echter onweersproken gesteld dat zij de nota van [A] al op 15 november 2024 aan mr. Leemhuis heeft vergoed. Het door Zurich onbetaald gelaten bedrag beloopt dus slechts € 2.915,50.

4.31.2.

Door Zurich is voor wat betreft deze nota van 14 februari 2025 niet het verweer gevoerd dat deze kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW. Het bedrag van € 2.915,50 zal daarom worden toegewezen.

Verzoek 6: vergoeding kosten twee (concept) verzoekschriften deelgeschillen

4.32.

[eiser] stelt dat zijn advocaat voorafgaand aan deze procedure tweemaal eerder een deelgeschilprocedure heeft moeten voorbereiden en aankondigen om Zurich ‘in beweging te krijgen’ bij het afwikkelen van de schade, voor welke werkzaamheden Zurich geen vergoeding heeft willen betalen. Mr. Leemhuis heeft daar veel tijd aan besteed, niet alleen aan het opstellen van concept verzoekschriften maar ook aan buitengerechtelijk overleg, besprekingen met [eiser] en het opmaken van een schadestaat. Volgens [eiser] gaat het in totaal om € 14.270,74. Omdat die verzoekschriften een overlap hebben met het verzoekschrift waarmee onderhavige procedure is ingeleid, waarvoor ook een kostenvergoeding wordt gevraagd, verzoekt [eiser] niet om vergoeding van het totale bedrag van € 14.270,74 maar beperkt hij zijn vordering tot een bedrag van € 10.000,-.

4.33.

Zurich voert ter verweer aan dat [eiser] de noodzaak en redelijkheid van de gemaakte kosten voor het opstellen van het concept verzoekschrift in deelgeschil van 20 augustus 2024 niet heeft toegelicht of onderbouwd. Volgens Zurich was er zeker in die periode helemaal geen noodzaak voor een deelgeschil en was dat verzoekschrift grotendeels gelijkluidend aan het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht van 8 maart 2024. Een tweede concept verzoekschrift in deelgeschil, waar [eiser] in correspondentie van 18 oktober 2024 naar heeft verwezen, heeft Zurich nooit gezien. Desondanks heeft Zurich op 18 februari 2025 een aanvullende betaling van € 2.896,74 aan mr. Leemhuis gedaan. Daarmee is in totaal ruim € 14.136,61 (exclusief verschotten) vergoed voor zijn werkzaamheden.

4.34.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.34.1.

Indien een belangenbehartiger van de benadeelde een deelgeschilprocedure voorbereid omdat er een impasse is in de onderhandelingen, maar die procedure hoeft vervolgens toch niet te worden gestart omdat er – door de aankondiging van die procedure – toch weer schot in de onderhandelingen is gekomen, dan komen de uren die de belangenbehartiger heeft gestoken in het voorbereiden van die deelgeschilprocedure in beginsel in aanmerking voor vergoeding als buitengerechtelijke werkzaamheden.

4.34.2.

Door [eiser] zijn als productie 22 bij het verzoekschrift nota’s overgelegd ter onderbouwing van de advocaatkosten die zijn gemaakt voor de twee deelgeschilprocedures die zijn voorbereid maar uiteindelijk niet gevoerd. Het gaat dan om vier nota’s voor bij elkaar geteld een bedrag van € 14.270,74.

4.34.3.

De nota van 10 juli 2024 (€ 3.320,24) bevat geen andere specificering van de werkzaamheden dan de enkele vermelding: “9 uur en 48 minuten”. Aangezien hieruit niet blijkt wanneer die uren zijn gemaakt, en waar die tijd aan is besteed, ziet de rechtbank geen grond om te bepalen dat Zurich die nota moet vergoeden. Ditzelfde geldt voor de nota van 2 september 2024 (€ 3.286,36) waarop enkel staat vermeld dat deze ziet op “9 uren en 42 minuten”, zonder specificering van de uitgevoerde werkzaamheden. Zonder urenspecificatie kan Zurich geen onderbouwd verweer voeren en kan niet worden getoetst of aan het vereiste van dubbele redelijkheid is voldaan. Het lag op de weg van [eiser] om de in rekening gebrachte werkzaamheden te specificeren.

4.34.4.

Bij de nota’s van 16 juli 2024 (€ 3.388,-) en 23 december 2024 (€ 4.276,14) is wel een specificatie gevoegd van de tijdsbesteding:

  • - de nota van 16 juli 2024 heeft betrekking op 9 uur voor het opstellen van het eerste concept verzoekschrift, plus 1 uur voor het opstellen van een schadestaat;
  • - de nota van 23 december 2024 heeft betrekking op 2 uur voor het actualiseren van het eerder opgestelde concept verzoekschrift, op 0,5 uur voor het actualiseren van de schadestaat, en op bijna 10 uur voor allerhande correspondentie, telefoongesprekken en besprekingen, voornamelijk in de periode van medio oktober tot 25 november 2024.

4.34.5.

De rechtbank acht aannemelijk dat deze werkzaamheden eraan hebben bijgedragen dat het overleg tussen partijen is geïntensiveerd, wat onder meer heeft geleid tot het maken van nadere afspraken op 25 november 2024. Hoewel het geactualiseerde concept verzoekschrift van oktober 2024 niet is overgelegd, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat mr. Leemhuis daaraan op 14 oktober 2024 heeft gewerkt, zoals op de nota staat, gelet op wat hij schreef in zijn brief aan Zurich van 18 oktober 2024: “Cliënt heeft me gevraagd om mijn werkzaamheden voor het deelgeschil weer op te pakken. Dat heb ik deze week gedaan. Komende week heb ik vakantie. Tijdens mijn vakantie kijkt cliënt naar het concept verzoekschrift. Na mijn vakantie zal ik dat indienen”. Ook voldoende aannemelijk is dat mr. Leemhuis in de aanloop naar de afspraken met Zurich van 25 november 2024 ook tijd heeft besteed aan besprekingen, overleg en correspondentie.

4.34.6.

De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat deze kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW. Het verzoek zal daarom toegewezen tot een bedrag van (€ 3.388,- + € 4.276,14 =) € 7.664,14. Met de door [eiser] erkende overlap in werkzaamheden voor het onderhavige verzoekschrift zal de rechtbank rekening houden bij het begroten van de kosten van het deelgeschil als bedoeld in artikel 1019aa Rv, hierna bij verzoek 7.

Verzoek 7 en 8: de kosten van het deelgeschil

4.35.

[eiser] verzoekt de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 12.136,30 inclusief btw (34 uur tegen een uurtarief van € 295,- exclusief 21% btw), en Zurich te veroordelen tot vergoeding van dit bedrag, alsmede van het door [eiser] betaalde griffierecht.

4.36.

Zurich acht een tijdsbesteding van 34 uur in dit geval buitenproportioneel.

4.37.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.37.1.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Daarbij moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen.

4.37.2.

Met Zurich is de rechtbank eens dat een totale tijdsbesteding van 34 uur in dit geval buitenproportioneel is. Dat mr. Leemhuis 26 uur heeft besteed aan het opstellen van het verzoekschrift, zoals hij stelt, acht de rechtbank niet redelijk, gezien de uren die al zijn gestoken in het opstellen en actualiseren van een eerdere versie van een verzoekschrift deelgeschil, dat voor een belangrijk deel overeenkomt met het verzoekschrift zoals dat nu is ingediend. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van 14 uur in totaal te besteden aan de opvolgende (concept) verzoekschriften deelgeschil (augustus 2024 / oktober 2024 / mei 2025), in verband waarmee de rechtbank in aanvulling op de 9 + 2 uur die zijn gefactureerd voor het opstellen van de eerdere conceptversies (r.o. 4.34.4), voor het opstellen van het onderhavige verzoekschrift een tijdsbesteding van nog 3 uur zal toekennen. Aangevuld met de door mr. Leemhuis berekende 8 uur voor bestudering van het verweerschrift, het voorbespreken en voorbereiden van de zitting, het bijwonen van de zitting (met reistijd) en correspondentie, komt de rechtbank dan tot een aantal van 11 uur.

4.37.3.

Uitgaande van het door mr. Leemhuis gehanteerde uurtarief, waartegen door Zurich geen bezwaar is gemaakt, leidt dat ertoe dat de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW begroot op 11 uren x € 295,- x 1,21 (btw), dus op € 3.926,45 te vermeerderen met het door [eiser] betaalde griffierecht van € 1.374,- (totaal: € 5.300,45).

Proceskostenveroordeling

4.38.

Zurich verzoekt [eiser] in haar proceskosten te veroordelen. De wet voorziet niet in die mogelijkheid. Op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv begroot de rechter alleen de kosten aan de zijde van [eiser] .

Uitvoerbaar bij voorraad

4.39.

De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [eiser] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv. Rechtbank Oost-Brabant 18 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8339


OVERLIJDENSSCHADE, algemeen
RECHTSBIJSTANDKOSTEN, algemeen, binnen rechte 

RBDHA 111225 na overlijdensschade, pas na dagvaarding is duidelijkheid over cessie gegeven; afwijzing bgk en rente; partijen dragen eigen proceskosten

2De feiten

2.1.

Op 13 februari 2023 heeft een ernstig verkeersomgeval plaatsgevonden als gevolg waarvan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is overleden.

2.2.

De heer [naam 2] , bestuurder van R&I, (hierna: [naam 2] ) heeft bij brief van 13 maart 2024 – onder meer – namens mevrouw [naam 3] , een meerderjarige dochter van [naam 1] (hierna: [naam 3] ), een aansprakelijkstelling gezonden aan de verzekeraars van de bij het verkeersongeval betrokken twee voertuigen.

2.3.

Bij emailbrief van 24 mei 2024 heeft de gemachtigde van NN aan R&I laten weten dat NN bereid is om in deze kwestie op te treden als regelend verzekeraar. NN heeft verder bericht dat zij bereid is om de affectieschade aan de nabestaanden van de inzittenden – waar onder [naam 3] – te betalen. NN heeft R&I gevraagd om de complete bankgegevens en een kopie van de bankpassen van de rekeningen van de nabestaanden.

2.4.

In zijn brief van 10 juni 2024 aan de gemachtigde van NN heeft [naam 2] – onder meer – het volgende geschreven: “NN kan de uitkeringen conform de Gedragscode voldoen door overboeking naar de derdenrekening van MKB Advies Apeldoorn BV, zijnde (…).”

2.5.

In een daarop volgende (mail)briefwisseling heeft de gemachtigde van NN aangedrongen op ontvangst van bankrekeninggegevens van de nabestaanden in verband met betaling van de schadevergoeding aan deze nabestaanden, waaronder [naam 3] .

2.6.

Op 10 maart 2025 heeft [naam 2] aan de gemachtigde van NN een email gezonden waarin hij heeft verwezen naar een bijgesloten akte van cessie tussen [naam 3] en R&I. [naam 2] heeft geschreven dat dit bericht als een mededeling ex artikel 3:94 BW moet worden beschouwd en heeft NN gevraagd te betalen op “mijn IBAN rekening (…) tnv Rechtshulp & Incasso”.

3Het geschil

3.1.

R&I vordert – samengevat – veroordeling van NN tot betaling van € 15.248,05, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

R&I legt aan de vordering het volgende ten grondslag. R&I vordert op grond van artikel 7:954 lid 1 BW betaling door NN als aansprakelijkheidsverzekeraar van een vergoeding van de door haar verzekerde veroorzaakte schade. NN heeft erkend dat [naam 3] aanspraak heeft op een vergoeding wegens affectieschade tot een bedrag van € 15.000,00. [naam 3] heeft haar aanspraak op NN gecedeerd aan I&R. Van deze cessie is op 10 maart 2025 door I&R mededeling gedaan aan NN.

3.3.

NN voert verweer. NN concludeert tot niet-ontvankelijkheid van R&I, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van R&I, met veroordeling van R&I in de kosten van deze procedure.

3.4.

NN voert het volgende aan. NN wil het bedrag van de affectieschade niet aan I&R betalen omdat zij zich afvraagt of het bedrag dan ook echt bij [naam 3] terechtkomt. NN acht het haar maatschappelijke plicht om – al is het op marginale wijze – te toetsen of [naam 3] welbewust haar vordering heeft overgedragen en zich daarbij heeft gerealiseerd wat haar rechten waren. NN betwist niet dat zij als gevolg van het hiervoor onder 2.1 genoemde ongeval aan [naam 3] een vergoeding wegens affectieschade van € 15.000,00 dient te betalen. Zij wijst erop dat zij dat het recht van [naam 3] al geruime tijd geleden (al voor de ontvangst van de akte van cessie) heeft erkend. Als NN de door haar gevraagde gegevens omtrent de bankrekening van [naam 3] had ontvangen, dan had zij de vergoeding al aan [naam 3] betaald. Omdat NN steeds heeft willen betalen, is er geen goede reden voor de cessie. NN heeft ook twijfels over de akte van cessie; zij wijst erop dat deze geen titel of koopprijs bevat en dat de handtekening van [naam 3] op die akte er anders uitziet dan haar handtekening op haar identiteitsbewijs. Ook vraagt I&R NN te betalen op een rekening van een bedrijf van [naam 2] . Het gaat daarbij niet om een afgeschermde rekening (een derdengeldenrekening) die de rechthebbenden bescherming biedt. NN brengt naar voren dat [naam 2] geen goede reputatie heeft als het gaat om financieel beheer. NN heeft gevraagd om van [naam 3] zelf – ondersteund door een tolk – te horen over de cessie. NN vraagt de kantonrechter [naam 3] door middel van een Teamsverbinding en met hulp van een tolk te uit te nodigen voor een mondelinge behandeling.

4De beoordeling

4.1.

Dat NN een bedrag van € 15.000,00 dient te betalen staat hier niet ter discussie. Beide partijen gaan daar immers van uit. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of NN dit bedrag aan I&R moet betalen in plaats van aan [naam 3] . Volgens I&R volgt haar recht op betaling uit de akte van cessie waarmee [naam 3] haar aanspraak wegens affectieschade op – onder meer – NN heeft gecedeerd aan I&R. Waarvan op 10 maart 2025 aan NN mededeling is gedaan. De kantonrechter begrijpt dat NN de rechtsgeldigheid van de akte van cessie betwist.

4.2.

Voor een rechtsgeldige cessie is op grond van artikel 3:94 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vereist dat sprake is van een daartoe bestemde akte en een mededeling aan de persoon tegen wie de rechten die worden gecedeerd kunnen worden uitgeoefend. De mededeling van de cessie als bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW kan op grond van artikel 3:37 lid 1 BW in iedere vorm geschieden.

4.3.

De kantonrechter stelt bij haar beoordeling voorop dat de akte van cessie een onderhandse akte is in de zin van artikel 156 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Deze onderhandse akte heeft tussen partijen in deze procedure slechts vrije bewijskracht als bedoeld in artikel 152 lid 1 Rv. De dwingende bewijskracht van een akte (artikel 157 lid 2 Rv) geldt namelijk alleen tussen de partijen die de akte hebben ondertekend (en hun rechtsverkrijgenden). De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de vordering rechtsgeldig is gecedeerd rust op I&R, aangezien zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan, namelijk dat zij rechtsgeldig eigenaar is geworden van de vordering.

4.4.

I&R heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij gerechtigde is tot de vordering waarvan zij in deze procedure betaling vordert, bij dagvaarding een akte in de Nederlandse taal in het geding gebracht met een vertaling in het Slowaaks waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen “Partij [naam 3] cedeert bij deze aan Property & Business World BV gelijk Property & Business BV cessie aanvaardt de volledige aansprakelijkheid van [naam 3] wegens affectieschade op de betrokken verzekeraar Nationale Nederlandsen (…)”.

4.5.

Met NN is de kantonrechter van oordeel dat de handtekening op de akte die volgens I&R van [naam 3] is, zeer vaag is en voor zover deze zichtbaar is aanzienlijk afwijkt van die op het door NN in het geding gebrachte (en niet door I&R betwiste) identiteitsbewijs van [naam 3] . De verschillen tussen de beide handtekeningen – voor zover de handtekeningen op de aktes zichtbaar zijn – is zodanig dat de kantonrechter de twijfels van NN gerechtvaardigd acht. Andere door NN genoemde omstandigheden, die op zichzelf niet in de weg staan aan een geldige cessie (zoals: dat er geen duidelijke reden lijkt te bestaan voor een cessie, dat door I&R betaling wordt gevraagd op een (niet-afgeschermde) rekening van een andere vennootschap van [naam 2] en de weigering van I&R om direct contact met [naam 3] om de twijfel weg te nemen) versterken de door de handtekeningen gerezen twijfels. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat door I&R met de bij dagvaarding overgelegde stukken onvoldoende is onderbouwd dat sprake van een rechtsgeldige akte.

4.6.

I&R heeft echter voorafgaand aan de mondelinge behandeling stukken in het geding gebracht waarmee zij haar stelling omtrent de cessie nader onderbouwt. Blijkens de overgelegde email van I&R aan [naam 3] van 24 juli 2025, heeft I&R haar (in het Nederlands met een Slowaakse vertaling) bericht dat NN heeft gesteld dat haar handtekening op haar legitimatiebewijs afwijkt van haar handtekening op de overeenkomst van cessie en dat I&R nu moet aantonen dat zij ( [naam 3] ) de overeenkomst van cessie heeft ondertekend. Bij dit bericht zijn gevoegd de akte van cessie in het Nederlands en Slowaaks en de email die [naam 3] op 10 maart 2025 aan I&R heeft gestuurd waarbij zij de getekende akten heeft gevoegd. I&R heeft [naam 3] gevraagd om naar een plaatselijke notaris te gaan en deze bijlage te tonen en te verklaren dat zij haar handtekening heeft geplaatst. Uit de overgelegde kopie van een gelegaliseerde verklaring (met Nederlandse vertaling) volgt dat [naam 3] heeft verklaard dat zij op de Nederlandse en Slowaakse akte van cessie van 7 maart 2025 (waarvan een kopie is aangehecht) haar handtekening heeft geplaatst.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat I&R daarmee voldoende heeft onderbouwd dat [naam 3] haar rechten aan I&R heeft gecedeerd. De overige door NN genoemde omstandigheden, kunnen wellicht leiden tot vragen over nut en noodzaak van deze cessie maar staan er niet aan in de weg aan in de weg dat sprake van een rechtsgeldige akte van cessie en is voldaan aan het eerste vereiste van artikel 3:94 BW.

4.8.

Het tweede vereiste betreft de mededeling van de cessie. De wijze waarop de mededeling van de cessie plaats moet vinden is vormvrij en kan dus in iedere vorm geschieden. Dat met het hiervoor onder 2.6 genoemde mailbericht mededing is gedaan aan NN, is door NN niet betwist zodat dat vaststaat.

4.9.

Met de door I&R voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding gebrachte stukken is vast komen te staan dat aan beide vereisten van artikel 3:94 BW is voldaan (akte van cessie en mededeling) en er een rechtsgeldige overdracht van de vordering van [naam 3] op NN heeft plaatsgevonden aan I&R. Het gevolg daarvan is dat NN aan I&R een bedrag van € 15.000,00 dient te betalen zijnde de aan [naam 3] toekomende vergoeding wegens affectieschade.

4.10.

De door I&R gevorderde incassokosten van € 248,05 worden door de kantonrechter afgewezen. Uit het voorgaande volgt immer dat pas met de door I&R voor de mondelinge behandeling in het geding gebrachte stukken (die op 26 september 2025 bij de griffie zijn binnengekomen en waarvan niet is gesteld of gebleken dat deze eerder aan NN zijn gezonden), de noodzakelijke duidelijkheid is gekomen over ondertekening van de akte van cessie door [naam 3] , en daarmee over de rechtsgeldigheid van de cessie op grond waarvan nu wordt geoordeeld dat NN aan I&R dient te betalen. Zoals hiervoor overwogen, waren de twijfels van NN aan de rechtsgeldigheid van de akte van cessie, voor de ontvangst van deze stukken gerechtvaardigd. NN behoefde daarom geen gevolg te geven aan de sommaties van I&R. Niet valt in te zien dat de daarmee gemoeide (incasso)kosten voor haar rekening dienen te komen. Deze worden daarom afgewezen.

4.11.

Om dezelfde reden zal de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom niet eerder dan met ingang van de in het dictum genoemde datum worden toegewezen.

4.12.

Partijen hebben over en weer kosten gemaakt en vorderen dat de andere partij in de proceskosten wordt veroordeeld. Hoewel I&R grotendeels in het gelijk wordt gesteld, is dat omdat zij pas na het uitbrengen van de dagvaarding de daarvoor noodzakelijke onderbouwing heeft verschaft. Dat NN nog niet aan haar de aan [naam 3] toekomende schadevergoeding heeft betaald, is dan ook niet onbegrijpelijk. Daarom komt de kantonrechter tot de beslissing dat de kosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. Rechtbank Den Haag 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23585


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT,  psychiater, arbeidsdeskundige

RBGEL 111225 toeslagenaffaire; toewijzing vdo psychiater en ad-er; bestuursrechtelijk traject geen reden voor afwijzing; voorschot voor verzoekster

2De feiten

2.1.

[eiser] is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Haar kinderopvangtoeslag is stopgezet, ingetrokken en teruggevorderd voor een totaalbedrag van € 7.600,00 over de jaren 2008, 2010 en 2011.

2.2.

Op 6 juli 2022 heeft [eiser] een bedrag van € 30.000,00 ontvangen, de zogeheten Catshuisvergoeding. De Staat heeft vanwege gemaakte fouten bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag een compensatiebedrag vastgesteld van € 21.951,00. De Staat ziet af van het terugvorderen van het verschil tussen de Catshuisvergoeding en dit compensatiebedrag.

2.3.

Bij brief van 26 augustus 2024 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden door de onrechtmatige besluiten kinderopvangtoeslag over de periode 2008, 2010 en 2011.

2.4.

Bij brief van 10 september 2024 heeft de Staat aansprakelijkheid erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend. Voor aanvullende schade verwijst de Staat naar de Commissie Werkelijke Schade (CWS).

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[eiser] verzoekt de rechtbank tot benoeming van een psychiater en een arbeidsdeskundige over te gaan. Zij stelt dat zij meer schade heeft geleden dan het uitgekeerde compensatiebedrag en wil de resterende schade verhalen door middel van de civielrechtelijke weg. Hiervoor heeft zij een beoordeling nodig van onafhankelijke deskundigen die de schade en het causaal verband tussen de schade en het onrechtmatig handelen van de Staat in kaart kunnen brengen. Voor de psychische gevolgen van de onrechtmatige besluiten wil [eiser] een onderzoek door een psychiater. Aansluitend moet dan een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsvinden, waarmee naast de psychische gevolgen ook de eventuele functionele beperkingen en de gevolgen daarvan voor het inkomen, de studie en het carrièreperspectief in kaart kunnen worden gebracht.

3.2.

De Staat voert aan dat [eiser] in een bestuursrechtelijke procedure heeft verzocht om aanvullende compensatie voor werkelijke schade. In die procedure zal de bestuursrechter bij de toetsing van het besluit van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hierbij geldt echter een ruimhartigere toets, nu de aanvrager de schade niet hoeft te bewijzen, maar alleen aannemelijk hoeft te maken. Volgens de Staat kan het niet zo zijn dat [eiser] haar eventuele schade gelijktijdig op twee sporen kan laten beoordelen. De Staat stelt zich op het standpunt dat van haar niet verwacht kan worden dat zij de kosten van een onderzoek voorschiet dat gericht is op het inventariseren van schade met het oog op een civielrechtelijke procedure terwijl die schade al voor vergoeding in aanmerking komt in de bestuursrechtelijke procedure waarvan de Staat de kosten draagt.

4De beoordeling

De toewijsbaarheid van het verzoek

4.1.

Een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 196 Rv-nieuw1 biedt een partij de mogelijkheid om aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en daardoor beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is de procedure te beginnen of voort te zetten. Een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht moet in beginsel worden toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is dat de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is, onvoldoende belang bij het voorlopig deskundigenbericht bestaat, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopige deskundigenbericht.

4.2.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de civielrechtelijke procedure voorlopig deskundigenbericht mogelijk is naast een bestuursrechtelijk traject. Daarbij is van belang dat een procedure voorlopig deskundigenbericht ex artikel 196 Rv-nieuw een instrument is om een inschatting te maken of het raadzaam is een procedure te starten. De toets die de rechter moet hanteren is een terughoudende toets. Het enkele feit dat er al voor een bestuursrechtelijk traject is gekozen leidt niet tot één van de onder 4.1. opgenomen afwijzingsgronden. [eiser] heeft immers gemotiveerd gesteld dat belang bestaat bij een deskundigenonderzoek in een civielrechtelijke procedure, omdat vooraf niet valt vast te stellen of er in het bestuursrechtelijk traject bij CWS een deskundige zal worden benoemd en omdat [eiser] in dat geval geen invloed zou hebben op de persoon en deskundigheid van die deskundige en op de vraagstelling. Dit betekent dat het bestuursrechtelijke traject op zichzelf geen reden oplevert om het onderhavige verzoek af te wijzen.

4.3.

Dit laat onverlet dat, ondanks dat er vanuit de Staat geen verweer is gevoerd tegen de verzoeken, het wel aan [eiser] is om voldoende feiten en omstandigheden naar voren te brengen die wijzen op het mogelijke bestaan van psychische klachten als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat. [eiser] heeft in het verzoekschrift niet specifiek toegelicht dat een expertise door een psychiater is aangewezen, bijvoorbeeld door het overleggen van daarop van toepassing zijnde medische informatie of een advies van een medisch adviseur. Ter zitting heeft [eiser] echter toegelicht dat zij wegens psychische klachten jarenlang onder behandeling is geweest van een psycholoog, dat zij diverse EMDR behandelingen heeft ondergaan en dat zij medicatie heeft gekregen voor haar psychische klachten. Daarnaast kon haar zoon vanwege de financiële problemen niet meer bij haar wonen en is hij bij haar familie in Curaçao gaan wonen. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat een psychiatrisch onderzoek ter zake dienend is.

4.4.

Ten aanzien van het verzochte arbeidsdeskundig onderzoek heeft te gelden dat [eiser] heeft toegelicht dat zij vanwege het stopzetten van de kinderopvangtoeslag gedwongen werd om te stoppen met haar studie. De rechtbank acht deze onderbouwing voldoende om aan te nemen dat er aanknopingspunten zijn dat [eiser] inkomensschade heeft geleden als gevolg van de toeslagenaffaire, zodat een arbeidsdeskundig onderzoek daarover uitsluitsel kan geven. Het verzoek wordt dan ook als ter zake dienend toegewezen.

4.5.

Ter zitting is besproken dat, ter voorkoming van onnodige kosten en tijdrovende onderzoeken, het arbeidsdeskundig onderzoek alleen aan de orde is als het psychiatrisch onderzoek daartoe aanleiding geeft.

De te benoemen deskundigen

4.6.

De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen de door [eiser] voorgestelde deskundige, psychiater [naam deskundige] , verbonden aan WPEX B.V. te Amersfoort. [naam deskundige] heeft desgevraagd verklaard vrij te staan ten opzichte van partijen en bereid en in staat te zijn om het onderzoek te verrichten. Bij het onderzoek zal hij gebruik maken van een GZ psycholoog. [naam deskundige] verbindt aan zijn aanvaarding van de benoeming de voorwaarde dat partijen instemmen met zijn aansprakelijkheidsbeperking die is opgenomen onder artikel 9 van de algemene voorwaarden van WPEX. Desgevraagd heeft de Staat laten weten niet in te kunnen stemmen met een deel van deze voorwaarde. Hierop heeft [naam deskundige] de bepaling aangepast. Vervolgens hebben partijen de rechtbank bericht in te stemmen met de aangepaste algemene voorwaarden. De rechtbank zal dan ook overgaan tot benoeming van [naam deskundige] . De rechtbank zal bij de benoeming opnemen dat [naam deskundige] zich ervan moet vergewissen dat ook de door hem in te schakelen psycholoog vrij staat ten opzichte van partijen.

4.7.

De Staat heeft ook geen verweer gevoerd tegen de door [eiser] voorgestelde deskundige, arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] , verbonden aan BSH Arbeidsdeskundig Advies te Uden. De rechtbank heeft de heer [naam arbeidsdeskundige] daarom benaderd. De heer [naam arbeidsdeskundige] heeft hierop aan de rechtbank meegedeeld dat hij de opdracht niet kan aanvaarden, omdat hij hiervoor geen tijd heeft, nu hij al in een groot aantal soortgelijke onderzoeken als deskundige is benoemd. Dit betekent dat een andere arbeidsdeskundige zal moeten worden gezocht.

De vraagstelling in het psychiatrisch onderzoek

4.8.

De rechtbank zal in de inleiding van de door [eiser] voorgestelde vraagstelling het benoemde ‘voorval’ verder concretiseren door op te nemen dat de deskundige uit moet gaan van het moment van de eerste beschikking waarin de kinderopvangtoeslag is stopgezet, ingetrokken dan wel teruggevorderd. Het is aan partijen om de deskundige daaromtrent duidelijkheid te geven. De door [eiser] voorgestelde vraag 3 heeft de rechtbank anders geformuleerd, nu het niet aan de deskundige is om causaal verband vast te stellen. Tot slot heeft de rechtbank de vraag toegevoegd in hoeverre de deskundige onderzoek door een arbeidsdeskundige aangewezen acht. Voor het overige is de vraagstelling gehanteerd zoals deze is voorgesteld.

De vraagstelling in het arbeidsdeskundig onderzoek

4.9.

De rechtbank acht de voorgestelde vraagstelling op een aantal punten te sturend en zal ook hierin het in de inleiding benoemde ‘voorval’ verder concretiseren door op te nemen dat de deskundige moet uitgaan van het moment van de eerste beschikking waarin de kinderopvangtoeslag is stopgezet, ingetrokken dan wel teruggevorderd. Ook hier is het aan partijen om de deskundige daaromtrent duidelijkheid te geven. Daarnaast moet de vraagstelling iets worden aangepast bij de mogelijkheid van het inschakelen van een rekenkundige.

De kosten

4.10.

De kostenbegroting van [naam deskundige] komt uit op een bedrag van € 8.658,00 inclusief btw. Partijen hebben de gelegenheid gehad om te reageren op deze kostenbegroting en de daaraan ten grondslag liggende specificatie. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze kostenbegroting.

4.11.

De kosten die gemoeid zijn met het arbeidsdeskundig onderzoek zijn nog niet te begroten, nu er nog geen arbeidsdeskundige bereid is gevonden de opdracht te aanvaarden.

4.12.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van artikel 187 Rv-nieuw dat verzoekende partij de kosten van het deskundigenonderzoek moet voorschieten. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat niet is betwist dat er al een traject beschikbaar is voor de vaststelling van schade wegens de aansprakelijkheid van de Staat, dat [eiser] ervoor heeft gekozen ook van dat traject gebruik te maken en dat de schade in dat traject civielrechtelijk wordt getoetst. In deze stand van de procedure is niet duidelijk dat [eiser] meer schade heeft geleden dan wat in die procedure kan worden toegewezen. Ter zitting heeft de Staat gemotiveerd aangevoerd dat in die procedure ook toekomstschade wordt meegenomen. [eiser] heeft dit niet of althans onvoldoende betwist.

4.13.

[eiser] heeft ter zitting verklaard dat zij in dat geval een inkomensverklaring wil overleggen, waardoor de kosten van de deskundige in debet zullen worden gesteld. De rechtbank zal dan, in afwachting van deze nog door [eiser] over te leggen inkomensverklaring, aan [eiser] geen voorschot opleggen, maar het voorschot ten laste van ’s Rijks kas brengen en voorlopig in debet stellen. De rechtbank wijst partijen er op dat zij er rekening mee moeten houden dat na gereedkoming van het deskundigenrapport op de voet van artikel 202 lid 2 Rv-nieuw zal worden beslist welk deel van dit voorschot elk van de partijen dient te dragen. Indien er op dat moment een geding tussen partijen aanhangig is, zal de vraag wie deze kosten dient te dragen bij de proceskostenveroordeling in dat geding worden beoordeeld.

Hoe nu verder?

4.14.

Nu het nog niet is gelukt om een arbeidsdeskundige te vinden die bereid is om de opdracht te aanvaarden, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om zich uit te laten over de persoon van de te benoemen arbeidsdeskundige. De rechtbank verzoekt (de advocaten van) partijen om hierover met elkaar in overleg te treden. De rechtbank acht het wenselijk dat partijen gezamenlijk een (of meerdere) perso(o)n(en) voordragen die in hun ogen geschikt is (zijn) om de opdracht te verrichten, zodat de rechtbank deze kan benaderen. Indien (de advocaten van) partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt de rechtbank aan (de advocaten van) partijen in hun brieven in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen, dan wel mee te delen dat partijen zich op dit punt refereren aan het oordeel van de rechtbank. In het geval er geen overeenstemming is, bestaat de mogelijkheid dat de rechtbank komt tot een benoeming van een niet door (één van) partijen aangedragen deskundige.

4.15.

Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een arbeidsdeskundige houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

Instructies voor het psychiatrisch onderzoek

4.16.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.17.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een onderzoek door een psychiater ter beantwoording van de volgende vragen, waarbij voor het onderzoek gebruik kan worden gemaakt van een tot partijen vrij staande psycholoog:

Inleiding

[eiser] is erkend gedupeerde van de zogeheten kinderopvangtoeslagaffaire. De Staat heeft erkend dat hij aansprakelijk is. Om een beeld te krijgen van de mogelijke gevolgen voor [eiser] van het onrechtmatig handelen door de Staat (hierna: ‘het voorval‘) wordt u verzocht haar te onderzoeken en de volgende vragen te beantwoorden. Voor het moment van intreden van mogelijke gevolgen van het voorval dient u de periode na de eerste beschikking waarin de kinderopvangtoeslag is stopgezet, ingetrokken dan wel teruggevorderd te hanteren. Partijen zullen u hieromtrent verder berichten.

Voorvraag

Heeft u voor de beoordeling van deze casus en/of de beantwoording van de onderstaande vragen alle relevante medische informatie ontvangen? Zo nee, wilt u dan aan (een van de) partijen door tussenkomst van belangenbehartiger(s) van (een van de) partijen de benodigde informatie opvragen?

Vragen

1. Wat is uw diagnose en, voor zover relevant, kunt u eventueel eerder gestelde diagnose(s) bevestigen?

2. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentaal functioneren van betrokkene, zoals:

  • - Het reguleren van emoties;
  • - Cognitief functioneren, het opnemen en weergeven van informatie;
  • - Taalgebruik;
  • - Helderheid van bewustzijn;
  • - Gedrag?

3. Kunnen de stoornissen die bij betrokkene worden gevonden hun oorzaak vinden in het voorval?

4. Zijn er wellicht andere oorzaken dan het voorval (al dan niet ermee samenhangend), die een verklaring kunnen zijn voor de aangetoonde stoornissen?

5. Wat zijn de beperkingen in het functioneren van betrokkene? Kunt u omschrijven of en zo ja, waarom deze beperkingen het gevolg zijn van het voorval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

6. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde klachten en afwijkingen?

a. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

b. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

c. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 5)?

7. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

8. In hoeverre acht u onderzoek door een arbeidsdeskundige aangewezen?

U wordt verzocht uw antwoorden uitgebreid te motiveren en waar mogelijk te onderbouwen met verwijzing naar medisch-wetenschappelijke literatuur.

5.2.

beveelt een onderzoek door een arbeidsdeskundige indien het psychiatrisch onderzoek daartoe aanleiding geeft ter beantwoording van de volgende vragen:

Inleiding

[eiser] is erkend gedupeerde van de zogeheten kinderopvangtoeslagaffaire. Vanaf het door partijen nader aan te geven moment van eerste beschikking waarin de kinderopvang is stopgezet, ingetrokken dan wel teruggevorderd over de jaren 2008 tot en met 2010 kreeg [eiser] te maken met onrechtmatige besluiten kinderopvangtoeslag (hierna verder aangeduid als ‘het voorval’). De Staat heeft erkend dat hij aansprakelijk is. Om een beeld te krijgen van de mogelijke gevolgen van het onrechtmatig handelen door de Staat wordt u verzocht de volgende vragen te beantwoorden.

Voorvraag

Heeft u voor de beoordeling van deze casus en/of de beantwoording van de onderstaande vragen alle relevante informatie ontvangen? Zo nee, wilt u dan aan (een van de) partijen door tussenkomst van belangenbehartiger(s) van (een van de) partijen de benodigde informatie opvragen?

Vragen

1. Wilt u de studie- en/of beroepswerkzaamheden van betrokkene in beeld brengen, voor het begin van het voorval?

2. In hoeverre hebben de door de als deskundige ingeschakelde psychiater voor betrokkene medisch vastgestelde functionele beperkingen invloed gehad op haar studie- en/of beroepswerkzaamheden zoals die waren voor het voorval?

3. Hoe hebben de studie- en/of beroepswerkzaamheden van betrokkene zich ontwikkeld na het voorval?

4. In welke mate hebben de door de als deskundige ingeschakelde psychiater vastgestelde functionele beperkingen van betrokkene invloed op zijn/haar (toekomstig) inkomen?

5. Wilt u naar aanleiding van uw onderzoek bepalen of een onderzoek door een actuarieel rekenkundige noodzakelijk/dienstig is en zo ja, wilt u in dat geval een actuarieel rekenkundige van eigen keuze inschakelen. Hierbij moet u partijen, voordat u deze actuarieel rekenkundige inschakelt, in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de persoon van de actuarieel rekenkundige van uw keuze, de voor te leggen vragen en de kosten. Indien de kosten een overschrijding van het door u opgegeven voorschot teweeg zullen brengen, zult u een nader voorschot moeten vragen, zoals hierna opgenomen. Mocht(en) (een van de) partijen bezwaren hebben tegen de actuarieel rekenkundige van uw keuze of de vraagstelling, dan dient u zich te wenden tot de rechter-commissaris voor overleg.

U dient van de inschakeling van een actuarieel rekenkundige melding te maken in uw rapport en de uitkomsten van dit onderzoek in uw conclusies te betrekken en de verslaglegging van het onderzoek door de actuarieel rekenkundige bij uw expertiserapport te voegen.

6. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

U wordt verzocht uw antwoorden uitgebreid te motiveren.

5.3.

benoemt tot deskundige in het psychiatrisch onderzoek:

[naam deskundige] , verbonden aan WPEX

Postbus 2783

3800 GJ Amersfoort

telefoonnummer: 088-2550630

emailadres: medischsecretariaat@wpex.nl

het voorschot voor het psychiatrisch onderzoek

5.4.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 8.658,00 inclusief btw,

5.5.

verstaat dat de griffier van deze rechtbank dit bedrag ten laste van ’s Rijks kas aan de deskundige betaalt en voorlopig in debet stelt van [eiser] ,

het psychiatrisch onderzoek

5.6.

bepaalt dat [eiser] haar procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

5.7.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek direct kan beginnen en zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

5.8.

wijst de deskundige er op dat:

  • - de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
  • - de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

5.9.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport in het psychiatrisch onderzoek

5.10.

draagt [naam deskundige] op om uiterlijk drie maanden na datum van deze beschikking een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

5.11.

wijst de deskundige er op dat:

  • - uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
  • - de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

5.12.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

5.13.

bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden zich moeten uitlaten over de persoon van de te benoemen arbeidsdeskundige zoals bepaald in rov. 4.14,

5.14.

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een arbeidsdeskundige aan.Rechtbank Gelderland 11 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10976


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT,  psychiater, arbeidsdeskundige

RBAMS 301025 toeslagenaffaire; psychiatrisch vdo ouders en kinderen toegewezen, arbeidsdeskundige aangehouden

2De feiten

2.1.

De ouders zijn gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire. [verzoeker 1] heeft de kinderopvangtoeslag aangevraagd.

2.2.

In een beschikking van 28 april 2023 heeft de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) aan de ouders een compensatiebedrag toegekend van € 60.681,00.

2.3.

Op 28 augustus 2023 hebben de ouders de Staat per brief aansprakelijk gesteld voor schade die zij hebben geleden door besluiten met betrekking tot de vaststelling, verlaging, nihilstelling en terugvordering van kinderopvangtoeslag over de periode 2011 tot en met 2014 en de daarmee samenhangende maatregelen. De ouders stellen zich in die brief op het standpunt dat hun schade hoger is dan de schadevergoeding die zij hebben ontvangen.

2.4.

Op 7 november 2023 heeft de Staat bij brief aansprakelijkheid jegens de ouders erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de UHT compensatie is toegekend. De Staat verwijst de ouders voor aanvullende schade naar de Commissie Werkelijke Schade.

2.5.

Op 26 augustus 2024 is de Staat ook namens de kinderen [minderjarige 1] (2007) en [minderjarige 2] (2009) aansprakelijk gesteld voor schade die zij als gevolg van de hiervoor genoemde besluiten hebben geleden. [verzoeker 3] (2005) is tijdens het indienen van het verzoek meerderjarig. De Staat betwist aansprakelijkheid tegenover de kinderen.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

De ouders verzoeken - samengevat - de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een aan expertisebureau WPEX verbonden psychiater en de heer T. van Summeren, arbeidsdeskundige, als deskundigen te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden, en te bepalen dat de Staat de kosten (het voorschot) van de onderzoeken moet betalen.

3.2.

Aan het verzoek leggen de ouders het volgende ten grondslag. [verzoeker 2] kampt door de voornoemde besluiten met ernstige angstklachten, slapeloosheid, verminderde belastbaarheid en concentratieproblemen. Ze is constant bang om haar bedrijf kwijt te raken. [verzoeker 1] heeft ook ernstige angstklachten en is in behandeling bij een psycholoog. [verzoeker 3] is sinds zijn twaalfde sterk beïnvloed door de toeslagenaffaire. In de beginperiode heeft hij bij zijn oma moeten intrekken. De besluiten hebben ertoe geleid dat hij chronische slaapproblemen heeft, waardoor hij is gestopt met school. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn opgegroeid in een onstabiele gezinssituatie, met gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid. Ook zij hebben studievertraging opgelopen. Verzoekers zijn door de voornoemde besluiten belemmerd in hun persoonlijke en professionele ontwikkeling, aldus de ouders. De ouders willen door deskundigen laten vaststellen welke mentale gevolgen de kinderopvangtoeslagaffaire op verzoekers heeft gehad en de gevolgen daarvan op het sociaal emotioneel functioneren en op het inkomen, de studie en/of het carrièreperspectief. De ouders willen zo hun civielrechtelijke rechtspositie ten opzichte van de Staat nader bepalen, met het oog op een vervolgprocedure of minnelijke regeling.

3.3.

De Staat kiest ervoor om formeel geen verweer te voeren, maar om in de schriftelijke reactie en ter zitting een aantal punten onder de aandacht te brengen. De Staat heeft bezwaar tegen onderzoek door een arbeidsdeskundige naar de kinderen. De Staat vindt het niet doelmatig en efficiënt om ten aanzien van de kinderen een onderzoek te gelasten, omdat de aansprakelijkheid jegens hen niet vaststaat. In verband daarmee voert de Staat verweer tegen het verzoek om haar te belasten met de kosten van het onderzoek naar de kinderen. Verder kan de Staat zich niet geheel vinden in de voorgestelde vraagstelling. Zo vindt de Staat de door verzoekers voorgestelde vraag 3 te breed geformuleerd (“Is het aannemelijk dat de stoornissen die bij betrokkene worden gevonden in causaal verband kunnen worden gebracht met het voorval?”). Daarnaast vindt de Staat dat de vraagstelling te weinig rekening houdt met andere potentieel schadeveroorzakende omstandigheden. [verzoeker 2] heeft vanuit haar onderneming met de Belastingdienst invorderingsgeschillen gehad, die mogelijk ook de nodige impact hebben gehad. Dit moet volgens de Staat ook in het onderzoek worden meegenomen.

4De beoordeling

Toetsingskader voorlopig deskundigenbericht

4.1.

Het doel van een voorlopig deskundigenbericht is onder andere een partij de mogelijkheid te geven om met een onderzoek door een deskundige zekerheid of duidelijkheid te krijgen over feiten en omstandigheden die voor de beslissing van een geschil van belang kunnen zijn. Zo kan een partij een standpunt bepalen en beoordelen of het wenselijk is een procedure te beginnen of daar mee door te gaan.

4.2.

Een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 lid 1 Rv wordt in beginsel toegewezen, als dat verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is alleen anders als verzoekers geen belang bij het verzoek hebben, zoals bedoeld in artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW), of als sprake is van strijd met de goede procesorde, misbruik van recht of een andere gewichtige reden die zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.

Deskundigenonderzoek door psychiater toegewezen

4.3.

De Staat verzet zich niet tegen het verzoek tot de benoeming van een psychiater voor het verrichten van een deskundigenonderzoek naar de ouders. Het verzoek voldoet aan de daaraan te stellen eisen en zal ten aanzien van de ouders worden toegewezen.

4.4.

De rechtbank ziet, ondanks de door de Staat geuite bezwaren, toch aanleiding om het verzoek tot benoeming van een psychiater ook ten aanzien van de kinderen toe te wijzen. Deze verzoekschriftprocedure leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of de Staat ook tegenover de kinderen onrechtmatig heeft gehandeld. In de onderhavige procedure dient de rechtbank het verzoek te toetsen aan het hiervoor weergegeven ruime beoordelingskader. Gelet op de ter zitting gegeven toelichting over de gezinssituatie en de impact die (de nasleep van) de genoemde besluiten op het gehele gezin hebben gehad, kan er ook sprake zijn van schadelijke gevolgen bij de kinderen (hetgeen ook weer van invloed is op de ouders). In zoverre is er sprake van een wisselwerking en samenhang, waardoor het niet is uit te sluiten dat de kinderen een vorderingsrecht hebben jegens de Staat. Dat betekent dat de kinderen net als de ouders belang hebben bij het verzochte deskundigenonderzoek.

4.5.

De rechtbank merkt op dat de mogelijkheid dat er ook andere schadeveroorzakende omstandigheden zijn geweest – volgens de Staat problemen bij “het blauwe deel” van de Belastingdienst – niet wegneemt dat er belang bestaat bij onderzoek naar de klachten van de verzoekers. Het is daarbij aan de psychiater om in zijn beoordeling zo nodig aandacht te besteden aan eventuele andere gebeurtenissen of pre-existente (psychiatrische) problematiek. Het uitgangspunt is dat de deskundige, en niet de rechtbank of partijen, heeft te bepalen welke door partijen te verschaffen gegevens voor de uitvoering van het hem opgedragen onderzoek noodzakelijk zijn.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de verzoeken tot de benoeming van een psychiater voor het verrichten van een deskundigenonderzoek naar de ouders en de kinderen toewijst. Ter zitting is besproken dat de door verzoekers genoemde klachten mogelijk liggen binnen het vakgebied van een psycholoog (waarbij de ouders ook onder behandeling zouden zijn geweest). Verzoekers blijven erbij dat zij (primair) onderzoek door een psychiater aangewezen achten.

4.7.

De ouders hebben voorgesteld om een psychiater van WPEX te benoemen. De Staat heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Dr. J.W. Peterse, psychiater werkzaam bij WPEX, heeft de griffier laten weten dat hij bereid is en in de gelegenheid is het onderzoek te verrichten. Hij zal dus in deze beschikking als deskundige worden benoemd. Dr. Peterse is voornemens GZ-psycholoog mevrouw M. Kramp te betrekken in het onderzoek. Voor het onderzoek naar de kinderen zal H. Bijsterbosch (klinisch neuropsycholoog kind & jeugd) worden ingeschakeld.

De vraagstelling

4.8.

In het verzoekschrift hebben de ouders vragen opgenomen die zij aan de deskundigen willen voorleggen. De rechtbank zal voor het overgrote deel aansluiten bij deze vraagstelling, die overigens eerder ook is gehanteerd door rechtbanken in eerdere vergelijkbare zaken (zoals de beschikking van deze rechtbank van 26 juni 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:6697). De rechtbank zal echter bij vraag 3 “in hoeverre” toevoegen. Ook geeft de rechtbank de psychiater in overweging om bij beantwoording van vraag 4 aandacht te besteden aan het standpunt van de Staat dat de eventuele invorderingsproblematiek met de Belastingdienst ook een mogelijke oorzaak van de door verzoekers genoemde klachten kan zijn geweest. Tot slot heeft de Staat gewezen op het feit dat de kwestie weliswaar gaat over de toeslagjaren 2011-2014, maar dat de (nadelige) besluiten waar de gestelde schade op ziet zijn genomen na 25 januari 2013 en dat deze waren gericht tot de aanvrager, [verzoeker 1] (en niet tot [verzoeker 2] ).

Deskundigenonderzoek door een arbeidsdeskundige

4.9.

Onder meer gelet op de bezwaren van de Staat tegen een arbeidsdeskundig onderzoek zal de rechtbank op dit moment alleen een onderzoek gelasten door een psychiater. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk bij uitstek relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is en voldoet aan het in 4.2 genoemde toetsingskader. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten. De beslissing op het verzoek om een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden.

Voorschot

4.10.

Het voorschot op de kosten van het onderzoek wordt bepaald op het nader door de deskundige op te geven bedrag.

4.11.

De ouders hebben verzocht te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigenonderzoeken door de Staat wordt betaald. De Staat heeft in haar brief van

19 maart 2025 aangegeven dat, in het geval dat aansprakelijkheid jegens de kinderen wordt afgewezen, het de Staat voorkomt dat de op de kinderen betrekking hebbende kosten van het onderzoek door verzoekers worden gedragen.

4.12.

De rechtbank ziet gelet op de erkende aansprakelijkheid jegens de ouders en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de ouders en de kinderen aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek toch door de Staat dient te worden betaald. Dit neemt niet weg dat de Staat terecht heeft gewezen op het risico dat op een later moment (afhankelijk van het verdere verloop) terugvordering kan plaatsvinden.

Slotopmerkingen

4.13.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.14.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, moet zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij verstrekken.

4.15.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een onderzoek door de volgende deskundige:

als psychiater

de heer dr. J.W. Peterse verbonden aan WPEX

Adres: [adres]

Telefoon: [telefoonnummer]

E-mail: [e-mailadres]

5.2.

bepaalt dat aan de psychiater de volgende vraagstelling ter beantwoording wordt voorgelegd:

Inleiding

Verzoekers, [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn erkend gedupeerden van de zogenoemde kinderopvangtoeslagen-affaire. Bij brief van 7 november 2023 heeft de Staat ten aanzien van de ouders de aansprakelijkheid erkend voor onrechtmatige besluiten met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren waarvoor UHT compensatie is toegekend. Het betreft de toeslagjaren 2011 tot en met 2014. De onrechtmatige besluiten (vaststelling, verlaging, nihilstelling en terugvordering) en daarmee samenhangende maatregelen zijn genomen vanaf 2013. Om een beeld te krijgen van de mogelijke gevolgen voor [verzoeker 1] en [verzoeker 2] van het hiervoor omschreven onrechtmatig handelen door de Staat bij de genoemde besluiten en maatregelen (hierna: ‘het voorval’), wordt u verzocht hen te onderzoeken en de volgende vragen te beantwoorden.

Om in beeld te krijgen wat de mogelijke gevolgen zijn voor de kinderen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [verzoeker 3] , van het hiervoor genoemde onrechtmatig handelen van de Staat en de mogelijke impact die dat op hen heeft gehad, wordt u verzocht ook hen te onderzoeken en de volgende vragen te beantwoorden. U wordt verzocht de vragen per persoon te beantwoorden. Zo er samenhang/verband bestaat wordt u verzocht deze te beschrijven en toe te lichten.

Voorvraag

A. Heeft u voor beoordeling van deze casus en/of de beantwoording van de onderstaande vragen alle relevante medische informatie ontvangen? Zo nee, wilt u dan aan (een van de) partijen door tussenkomst van belangenbehartiger(s) van (een van de) partijen de benodigde informatie opvragen?

Vragen

1. Wat is uw diagnose en, voor zover relevant, kunt u eventueel eerder gestelde diagnose(s) bevestigen?

2. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentaal functioneren van betrokkene, zoals:

• het reguleren van emoties;

• cognitief functioneren, het opnemen en weergeven van informatie;

• taalgebruik;

• helderheid van bewustzijn;

• gedrag?

3. In hoeverre is het aannemelijk dat de stoornissen die bij betrokkene worden gevonden in causaal verband kunnen worden gebracht met het voorval?

4. Zijn er wellicht andere oorzaken dan het voorval (al dan niet ermee samenhangend), die een verklaring kunnen zijn voor de aangetoonde stoornissen?

De rechtbank geeft in overweging om hierbij aandacht te besteden aan de door De Staat geschetste problemen die [verzoeker 2] zou hebben ondervonden met de Belastingdienst op het gebied van invordering (al dan niet in verband met haar eigen onderneming).

5. Indien de aangenomen stoornissen kunnen worden toegeschreven aan de gevolgen van het voorval, wat zijn dan de beperkingen in het functioneren van betrokkene die daardoor zijn ontstaan?

Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

6. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde klachten en afwijkingen?

a. Zo ja, welke verbetering of verslechtering vetwacht u?

b. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

c. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 5)?

7. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

U wordt verzocht uw antwoorden uitgebreid te motiveren en waar mogelijk te onderbouwen met verwijzing naar medisch-wetenschappelijke literatuur.

5.3.

bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,

(etc. red. LSA LM) Rechtbank Amsterdam 30 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8461


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT,  verzekeringsarts

RBROT 051225 vdo verzekeringsarts; IWMD-vraagstelling (oud); verzoekster dient toegezegde stukken te verstrekken


1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een aantal afspraken met elkaar gemaakt, waaronder dat [verzoekster] bepaalde stukken aan de medisch adviseur van de gemeente zou verstrekken. De zaak is vervolgens aangehouden om die stukken te verstrekken en om vervolgens te proberen tot een regeling of afspraken over het vervolg te komen. Dat is niet gelukt. Beide partijen hebben, conform afspraak, vervolgens een akte genomen waarin zij hun huidige standpunt hebben weergegeven. Mr. Eskes heeft nadien nog een factuur nagestuurd, waarvan hij aangaf die per abuis niet bij de akte te hebben meegestuurd. De gemeente heeft tegen deze indiening bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft de gemeente gelegenheid gegeven om op die factuur te reageren, waarvan zij gebruik heeft gemaakt.

2Waar gaat de zaak over?

2.1.

[verzoekster] is op 28 juni 2019 betrokken geweest bij een aanrijding. Haar geparkeerde auto, waar zij op dat moment naast stond, werd aan de achterzijde geraakt door een losgeschoten aanhanger van een voertuig van de gemeente, als gevolg waarvan zij is gevallen. [verzoekster] stelt dat zij door het ongeval arm-, schouder-, rug- en psychische klachten heeft opgelopen en beperkingen ondervindt. De gemeente heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Tussen partijen bestaat echter discussie over of er een medisch causaal verband bestaat tussen de gestelde (pijn)klachten en ervaren beperkingen enerzijds en het ongeval anderzijds.

2.2.

[verzoekster] verzoekt een voorlopig deskundigenbericht door een pijnarts te gelasten naar die medische causaliteit, om een inschatting te kunnen maken van haar proceskansen in een eventueel in te stellen rechtsvordering. De gemeente voert hiertegen verweer. Volgens haar is het verzoek prematuur, omdat er onvoldoende medische informatie voorhanden zou zijn om een adequaat deskundigenonderzoek te kunnen (laten) verrichten. Vervolgens zijn de onder 1.2 bedoelde afspraken gemaakt.

2.3.

De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht toe, met dien verstande dat het onderzoek wordt uitgevoerd door een verzekeringsarts – zoals subsidiair door [verzoekster] verzocht – en [verzoekster] de eerder door haar toegezegde (medische) stukken aan die deskundige moet verstrekken. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.

3De beoordeling

Het beoordelingskader

3.1.

Bij de beoordeling van het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht in de zin van artikel 202 lid 1 Rv ‘oud’1 wordt het volgende vooropgesteld. Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht moet in beginsel worden toegewezen, als het ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Het verzoek kan evenwel worden afgewezen als (i) de verzoeker daarbij geen belang heeft als bedoeld in artikel 3:303 BW, (ii) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, (iii) misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een voorlopig deskundigenbericht te verlangen of (iv) er een ander, zwaarwichtig bezwaar is tegen toewijzing van het verzoek.

Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht is niet prematuur en wordt toegewezen

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek voldoet aan de in 3.1 genoemde vereisten en dat het verweer van de gemeente niet slaagt. Dat licht de rechtbank hierna toe.

3.3.

Het verzoek is ter zake dienend, voldoende concreet en betreft feiten die met een deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Een deskundige kan een oordeel geven over de vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk of de door [verzoekster] gestelde klachten in medische zin verband (kunnen) houden met het ongeval.

3.4.

De gemeente voert als verweer dat het verzoek prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde is. Daartoe voert zij – samengevat – het volgende aan. Er is onvoldoende medische informatie voorhanden om een adequaat deskundigenonderzoek te kunnen (laten) verrichten, en zelfs om te kunnen bepalen welke deskundige zou moeten worden benoemd. Met name de voor de beoordeling van de medische causaliteit relevante en noodzakelijke stukken over de medische voorgeschiedenis van [verzoekster] ontbreken. De gemeente heeft [verzoekster] hier veelvuldig op gewezen en herhaaldelijk om nadere (specifieke) medische informatie en stukken verzocht, maar [verzoekster] heeft die niet verstrekt. [verzoekster] is ook de ter zitting gemaakte afspraak om bepaalde stukken te verstrekken niet nagekomen. Het verzochte onderzoek kan dus niet op een zinvolle manier plaatsvinden en bijdragen aan het vaststellen van de schadeomvang en heeft op dit moment dan ook geen enkele meerwaarde.

3.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen bestaat discussie over of [verzoekster] al dan niet voldoende medische informatie aan de medisch adviseur van de gemeente heeft verstrekt om de medische causaliteit te kunnen (laten) beoordelen, waarbij zij zich beide baseren op de bevindingen van hun medisch adviseurs. De rechtbank is van oordeel dat deze discussie niet aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Op basis van hetgeen partijen in deze procedure hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd, kan een deskundige worden aangewezen (zie r.o. 3.7). [verzoekster] heeft ter zitting toegezegd bepaalde door de gemeente verzochte stukken te verstrekken en zal daaraan worden gehouden (zie r.o. 3.14). Indien de te benoemen deskundige nog andere informatie of stukken in het door [verzoekster] te verstrekken medische dossier mist die hij noodzakelijk acht om de medische causaliteit te kunnen beoordelen, kan en moet hij die – op grond van zijn verplichting om de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen2 – opvragen. [verzoekster] is dan verplicht die gevraagde informatie en/of stukken te verstrekken en zij heeft toegezegd dat te doen. Bij deze stand van zaken – en mede in aanmerking nemend dat het ongeval al ruim 6 jaar geleden heeft plaatsgevonden en partijen buiten rechte in een impasse zijn komen te verkeren – is het verzoek dan ook niet prematuur.

3.6.

Er wordt dus een voorlopig deskundigenbericht bevolen.

Er wordt een verzekeringsarts benoemd

3.7.

[verzoekster] heeft primair verzocht een pijnarts te benoemen. De rechtbank acht een pijnarts in dit geval echter niet de aangewezen deskundige. [verzoekster] heeft immers op zichzelf objectief vaststelbaar letsel opgelopen bij het ongeval, dat als uitgangspunt bij dit onderzoek dient. Dat op dit moment kennelijk met name de pijnklachten op de voorgrond staan doet daaraan niet af.

De rechtbank ziet wel aanleiding een verzekeringsarts te benoemen, zoals subsidiair door [verzoekster] verzocht. Gelet op de door [verzoekster] gestelde klachten op uiteenlopende gebieden is het redelijk dat zij onderzoek door een arts met een meer holistische invalshoek wenst. De verzekeringsarts kan voorts kennisnemen van gestelde diagnoses in de behandelende sector en desgewenst artsen van andere specialismes raadplegen en op basis daarvan een beeld geven van [verzoekster] ’s klachten en eventuele beperkingen als gevolg van het ongeval. Indien hij anderen raadpleegt dient hij dat in zijn rapport te vermelden.

De te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen

3.8.

[verzoekster] heeft onder meer de heer drs. J.P.G. Kurris (hierna: Kurris) als deskundige voorgedragen. De gemeente heeft aangegeven tegen deze deskundige geen bezwaar te hebben. Kurris heeft zich bereid en in staat verklaard om als deskundige op te treden. De rechtbank gaat dan ook over tot benoeming van Kurris als deskundige.

3.9.

Partijen zijn het erover eens dat aan de deskundige de IWMD-vraagstelling dient te worden voorgelegd.

Het voorschot

3.10.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de deskundige opgestelde begroting van het voorschot van € 4.140,- tot € 7.590,- inclusief btw. Beide partijen hebben aangegeven hiertegen geen bezwaren te hebben. De rechtbank begroot het voorschot derhalve (ruim) op € 7.590,- inclusief btw.

3.11.

Het uitgangspunt is dat de verzoekende partij met het voorschot wordt belast.3 In de omstandigheid dat de gemeente de aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend, ziet de rechtbank echter aanleiding af te wijken van die hoofdregel en te bepalen dat de gemeente het voorschot moet voldoen. De gemeente krijgt hiervoor een nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.

De medewerkingsplicht

3.12.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

3.13.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

De aan de deskundige over te leggen stukken

3.14.

Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de gemeente om [verzoekster] bij toewijzing van het verzoek te verplichten in ieder geval de door haar ter zitting toegezegde stukken aan de deskundige – en dus ook aan de medisch adviseur van de gemeente – te verstrekken, te weten: (a) het Arbo-dossier vanaf de eerste dag van ziekmelding (zoals bedoeld onder 5.5 tweede punt van het verweerschrift), (b) het dossier van de longarts vanaf twee jaar vóór het ongeval tot aan dat moment en (c) het dossier van de GGZ vanaf twee jaar vóór het ongeval tot aan dat moment. Gelet op de toezegging die [verzoekster] ter zitting, bijgestaan door haar advocaat, heeft gedaan, wordt zij verplicht die stukken aan de deskundige en aan de medisch adviseur van de gemeente te verstrekken (dan wel te zorgen dat de betrokken artsen die verstrekken en daartoe toestemming te geven). Als er bij de GGZ geen dossier van haar bekend is dient zij een bevestiging van die strekking over te leggen. Indien en voor zover [verzoekster] zich op het standpunt stelt dat zij niet over het Arbo-dossier kan beschikken omdat zij niet weet bij welke organisatie de bedrijfsarts van destijds werkt, geldt dat zij via haar toenmalige werkgever kan achterhalen bij welke Arbodienst die destijds was aangesloten (voor zover dat niet bij haar bekend is) en haar dossier bij die Arbodienst kan opvragen. Die inspanning kan in redelijkheid van haar worden verwacht.

De gemeente is nog steeds gebonden aan de afspraak dat zij de met het opvragen gemoeide (redelijke) kosten zal vergoeden.

3.15.

Voor het overige wordt het aan de deskundige overgelaten om te beslissen of het nodig is medische informatie op te vragen. Dit valt onder de vrijheid van de deskundigen om hun onderzoek zelfstandig in te stellen en behoeft niet afzonderlijk door de rechtbank te worden bepaald.

Buitengerechtelijke kosten

3.16.

[verzoekster] verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de gemeente de buitengerechtelijke kosten in verband met het raadplegen van haar medisch adviseur en de daarbij behorende werkzaamheden van haar advocaat vergoedt. Ter onderbouwing heeft [verzoekster] twee facturen met specificaties overgelegd. Dit verzoek wordt afgewezen. De enige grondslag op basis waarvan een dergelijk verzoek in deze procedure zou kunnen worden toegewezen is de door partijen gemaakte afspraak ter zitting. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de gemeente slechts toegezegd om de door [verzoekster] te maken kosten van het opvragen van de (medische) stukken, de kosten van het advies van haar medisch adviseur en haar buitengerechtelijke kosten in dat verband, te vergoeden. De gefactureerde kosten vallen echter niet onder die toezegging nu die niet zijn gemaakt naar aanleiding van het opvragen van de medische stukken.

Proceskosten

3.17.

De gemeente is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoekster] worden begroot op:

- griffierecht € 320,00

- salaris advocaat € 1.535,00 (2,5 punten × tarief € 614,00)

- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.033,00

4De beslissing

De rechtbank

4.1.

beveelt een onderzoek door een verzekeringsarts ter beantwoording van de volgende vragen:

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3. OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

4.2.

benoemt tot deskundige:

 

drs. J.P.G. Kurris

verzekeringsarts bij Kappamedico


(etc. red. LSA  LM)

1Gelet op de datum van indiening van het verzoekschrift is hier het recht dat gold vóór 1 januari 2025 van toepassing (artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht).

2Artikel 205 lid 1 Rv (oud) jo. artikel 198 lid 1 Rv (oud).

3Artikel 195 Rv (oud).

Rechtbank Rotterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14619


CAPITA SELECTA REGRES, loonschade

RBNHO 031225 loonschade vennootschappen na mishandeling bestuurder/directeur; arbeidsongeschiktheid onvoldoende aangetoond; opkomend voordeel uit AOV
- geen vorderingsrecht voor schade bij wg-er vanwege verlies no-claim op AOV

3De feiten

3.1.

[eiser] houdt zich volgens het handelsregister bezig met houdster- en financieringsactiviteiten.

3.2.

Meerlanden houdt zich volgens het handelsregister als aannemersbedrijf bezig met de grond-, weg- en waterbouw en cultuurtechniek, alsmede advisering en projectmanagement, import en groothandel in machines, verkoop van en groothandel in en aanbrengen van diverse (voeg) mortels ten behoeve van de wegenbouw, alsook reparatie van mortels en groothandel in bouwproducten.

3.3.

[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser]. Laatstgenoemde is op haar beurt enig bestuurder en enig aandeelhouder van Meerlanden.

3.4.

[betrokkene] heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [eiser] voor 24 uur per week in de functie van titulair en statutair directeur in de ruimste zin. De functie houdt tevens in het verrichten van werkzaamheden voor aan [eiser] gelieerde vennootschappen waar [eiser] of [betrokkene] als bestuurder is benoemd. Het brutoloon bedraagt € 4.650,- per maand.

3.5.

[betrokkene] heeft tevens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Meerlanden voor twee dagen per week in de functie van uitvoerder/projectleider tegen een bruto loon van € 4.650,- per maand uitgaande van een 40-urige werkweek. Zijn werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit het uitvoeren van door Meerlanden aangenomen (voeg)werken, uitzetten van (voeg)werken, aansturen van werkploegen, transport, klaarmaken van de werkbussen en het maken van calculaties.

3.6.

In beide voormelde arbeidsovereenkomsten is de verplichting opgenomen dat het loon van [betrokkene] in geval van arbeidsongeschiktheid wordt doorbetaald. In de arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene] en Meerlanden is in artikel 10 lid 5 aanhef en sub a nog het volgende opgenomen:

5. Op het door Werkgever verschuldigde loon wordt in mindering gebracht:

a. het bedrag van een uitkering in geld dat Werknemer toekomt op grond van een verzekering krachtens de wet of uit anderen hoofde, of uit enig (sociaal) fonds waarin de deelneming is bedongen of voortvloeit uit deze arbeidsovereenkomst;

3.7.

[betrokkene] heeft in hoedanigheid van directeur/aandeelhouder van [eiser] een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV individueel) bij verzekeraar ASR Schadeverzekering N.V. (hierna: ASR) afgesloten ter dekking van loondoorbetalingsverplichtingen ingeval van ziekte of arbeidsongeschiktheid van hemzelf als werknemer in de functie van interim- en projectmanager. Het verzekerd (jaar)bedrag is € 36.000,-. In de stukken van ASR staat [eiser] als verzekeringnemer vermeld en [betrokkene] als verzekerde.

3.8.

[betrokkene] en zijn echtgenote waren buren van [gedaagden]

3.9.

Na een langdurige burenruzie over parkeerplekken is op 3 september 2021 sprake geweest van een confrontatie tussen [betrokkene] enerzijds en [gedaagde 1] anderzijds, waarbij [betrokkene] ernstig beenletsel heeft opgelopen.

3.10.

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 14 november 2023 is [gedaagde 1] veroordeeld voor mishandeling van [betrokkene] en veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur. Van de door [betrokkene] gevorderde schadevergoeding van € 29.917,31 is een bedrag van € 3.376,50 toegewezen en als schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bestaande uit € 876,50 als vergoeding van materiële schade en € 2.500 aan immateriële schade. De rechtbank heeft bewezen geacht dat [gedaagde 1] [betrokkene] heeft geduwd en geslagen, waardoor laatstgenoemde op ongelukkige wijze tegen een glazen vaas is gevallen en (doordat een stuk glas in zijn been terecht is gekomen) zwaar lichamelijk (spier)letsel heeft opgelopen.

3.11.

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van eveneens 14 november 2023 is [gedaagde 2] veroordeeld voor medeplichtigheid aan voormelde mishandeling, waarbij zij is veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur en waarbij ook een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd van € 3.376,50, bestaande uit € 876,50 als vergoeding van materiële schade en € 2.500 aan immateriële schade.

3.12.

Bij brief van 20 oktober 2021 heeft ASR [betrokkene] geïnformeerd hoe zijn claim onder de AOV Individueel verzekering verder zal worden behandeld. Op basis van zijn dossier is de mate van arbeidsongeschiktheid per 3 september 2021 vastgesteld op klasse 80-100% (= 100% uitkering) en per 11 oktober 2021 op klasse 45-55% (= 50% uitkering). Verder wordt [betrokkene] verzocht een afspraak met de controlerend arts te maken.

3.13.

[betrokkene] is op 28 oktober 2021 bij de controlerend arts op spreekuur geweest. In het ‘Formulier AOV eerste onderzoek’ staat (onder meer) vermeld dat [betrokkene] zelfstandig met de auto naar de afspraak is gekomen en enigszins mank loopt, dat sprake is van geleidelijk herstel, [betrokkene] 2 van de 5 dagen werkt en ervan uitgaat dat hij eind van 2021 weer volledig hersteld is.

3.14.

[betrokkene] is vervolgens op 27 juli 2022 wederom bij de controlerend arts op spreekuur geweest. In het daarvan opgestelde formulier staat (onder meer) vermeld:

verzekerde is een 53 jarige interim/projectmanager die zich ziekmeldde na een zware mishandeling met een messteek door zijn buurman. Hij vertelt dat hij deze aanslag heeft overleefd omdat hij dood had kunnen bloeden (…) De steekwond op het re bovenbeen is reeds 2 x operatief behandeld en hij krijgt een 3e operatie in 2023. Hij heeft last van PTSS en minder kracht in re been (…) Bij onderzoek zie duidelijke afwijkingen van het re bovenbeen en een beeld passend bij PTSS. Beperking ten aanzien lang lopen, zwaar tillen, frequent door de knieën gaan, traplopen en beperkingen tav omgaan met emoties en conflicten en deadlines en veelvuldig oplossen van complexe zaken zijn aannemelijk. Ik verwacht verbetering van de belastbaarheid na adequate psychiologische hulp. De prognose is gunstig omdat de buurman en -vrouw zijn verhuisd medio juli 2022

3.15.

ASR heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] over de periode van 3 september 2021 tot en met 30 november 2022 (einde van de arbeidsongeschiktheid) vastgesteld op de achtereenvolgende percentages van 100%, 50% en 40%. Gerelateerd aan deze percentages heeft ASR een deel van de nettoloonsom die op deze periode betrekking heeft vergoed.

3.16.

[eisers] hebben [gedaagden] bij brief van 31 mei 2024 (herhaald) aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden schade als gevolg van het doorbetaalde nettosalaris aan [betrokkene] gedurende zijn periode van arbeidsongeschiktheid. [gedaagden] hebben in reactie hierop aansprakelijkheid betwist.

4Het geschil

4.1.

[eisers] vorderen, na vermindering en vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.737,74 te vermeerderen met de wettelijke rente;

  2. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van respectievelijk in 2026 € 1.077,01, in 2027 € 803,07, in 2028 € 529,13 en in 2029 € 255,19, zulks in al deze gevallen nadat [eiser] de achtereenvolgens elk van genoemde bedragen in 2026, 2027, 2028 respectievelijk 2029 betaald zal hebben, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 794 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  4. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan Meerlanden te betalen een bedrag van € 12.547,10 te vermeerderen met de wettelijke rente;

  5. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan Meerlanden te betalen een bedrag van € 1.073,41 ter zake van buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente;

  6. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[eisers] leggen aan de vordering – samengevat – ten grondslag dat [gedaagden] door de strafrechter zijn veroordeeld voor mishandeling van [betrokkene]. Mede gelet op artikel 161 Rv staat het onrechtmatig handelen jegens [betrokkene] hiermee vast en zijn zij (op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk) aansprakelijk jegens [betrokkene]. Ingevolge artikel 6:107a lid 2 BW zijn [gedaagden] ook aansprakelijk voor de schade van [eisers] Deze schade bestaat uit de netto loonbetalingen die [eisers] in hoedanigheid van werkgever aan [betrokkene] hebben gedaan, terwijl laatstgenoemde als gevolg van de mishandeling en het hieruit opgelopen letsel, arbeidsongeschikt was, minus de uitkering die de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar aan [eiser] heeft gedaan. Daarnaast bestaat de schade voor [eiser] uit extra premiekosten die zij moet betalen als gevolg van het kwijtraken van de no-claimkorting ten gevolge van het beroep dat zij heeft gedaan op haar arbeidsongeschiktheidsverzekering. [gedaagden] dienen deze schade te vergoeden, aldus [eisers]

4.3.

[gedaagden] voeren verweer.

[gedaagden] betwisten dat met de strafrechtelijke veroordeling de aansprakelijkheid vast staat. Bovendien is de schade volgens [gedaagden] mede aan [betrokkene] toe te rekenen en moet dat bij de beoordeling van de aansprakelijkheid en schadevergoedingsplicht worden meegewogen. Zij voeren voorts aan dat geenszins is aangetoond dat [betrokkene] voor zijn functies bij [eiser] en Meerlanden arbeidsongeschikt was. Er was enkel sprake van beenletsel, zodat niet valt in te zien waarom [betrokkene] zijn bestuurlijke taken niet heeft kunnen uitvoeren. Medische informatie ontbreekt (grotendeels) en [betrokkene] is niet door een Arbodienst of bedrijfsarts gekeurd. De door [gedaagden] ingeschakelde deskundige komt op basis van de wel aanwezige informatie tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn geweest van langdurige arbeidsongeschiktheid. [gedaagden] wijzen er voorts op dat de gevorderde premiekosten (vanwege het verval van de no-claim korting) niet onder het regresrecht van artikel 6:107a BW vallen.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

5.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert een in kracht van gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] door de strafrechter zijn veroordeeld voor (medeplichtigheid aan) mishandeling en dat deze vonnissen onherroepelijk zijn geworden. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [gedaagde 1] [betrokkene] heeft geduwd en geslagen, waardoor laatstgenoemde op ongelukkige wijze tegen een glazen vaas is gevallen en (doordat een stuk glas in zijn been terecht is gekomen) zwaar lichamelijk (spier)letsel heeft opgelopen. Het noodweer verweer is door de rechtbank verworpen. Dit brengt mee dat – behoudens tegenbewijs – als vaststaand dient te worden aangenomen dat [gedaagde 1] [betrokkene] heeft mishandeld en dat [gedaagde 2] daaraan medeplichtig was en dat [betrokkene] als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. [gedaagden] hebben dit onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele verwijzing naar de verklaringen van [gedaagden] in de strafzaak is hiertoe onvoldoende. [gedaagden] zullen daarom niet worden toegelaten tot tegenbewijs van het in de strafvonnissen van 14 november 2023 bewezen verklaarde. Daarmee staat in deze procedure vast dat [gedaagden] aldus toerekenbaar onrechtmatig jegens [betrokkene] hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en aansprakelijk zijn voor de schade die [betrokkene] als gevolg daarvan heeft geleden.

5.2.

Artikel 6:107a lid 2 BW bepaalt dat de werkgever die het loon heeft moeten doorbetalen aan een werknemer die arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, ten opzichte van die ander recht heeft op vergoeding van het doorbetaalde loon. Het gaat om een regresvordering van de werkgever.

Ten aanzien van [eiser]

5.3.

[eiser] vordert naast de hoofdsom bij eisvermeerdering de extra premiekosten die [eiser] moet betalen als gevolg van het kwijtraken van haar no-claimkorting ten gevolge van het beroep dat zij heeft gedaan op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

[gedaagden] betwisten dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Deze betwisting slaagt.

5.4.

Ten aanzien van de gevorderde premiekosten heeft te gelden dat het in artikel 6:107a lid 2 BW bedoelde regresrecht van de werkgever is beperkt tot het netto doorbetaalde loon dat de werkgever op grond van artikel 7:629 lid 1 BW of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid moet doorbetalen. Onder dit loon moet worden verstaan de vergoeding die de werkgever voor de bedongen arbeid is verschuldigd aan de werknemer1. Extra premiekosten voor de werkgever vanwege het vervallen van de no-claimkorting vallen niet onder dit loonbegrip. Reeds op deze grond dienen deze kosten te worden afgewezen.

5.5.

Voor zover [eiser] aan deze vordering tevens onrechtmatig handelen van [gedaagden] ten grondslag heeft willen leggen, kan dat haar niet baten. Van enig onrechtmatig handelen jegens de vennootschappen is immers geen sprake. Het handgemeen vond zijn oorsprong in een burenruzie en richtte zich uitsluitend jegens [betrokkene] als privé persoon (buurman) en niet jegens [betrokkene] in zijn hoedanigheid van bestuurder/werknemer van de vennootschappen.

5.6.

Ten aanzien van het gevorderde doorbetaalde nettoloon stellen [eisers] dat zij [betrokkene] zijn loon hebben doorbetaald tijdens diens arbeidsongeschiktheid als gevolg van eerder genoemde mishandeling. [gedaagden] hebben echter betwist dat [betrokkene] voor zijn functie bij [eiser] arbeidsongeschikt was. [betrokkene] was bij [eiser] 24 uur per week werkzaam in de functie van titulair en statutair directeur. Uit zijn arbeidsovereenkomst blijkt dat deze functie tevens inhoudt het verrichten van werkzaamheden voor aan [eiser] gelieerde vennootschappen waar [eiser] of [betrokkene] als bestuurder is benoemd. Het ging hier derhalve om bestuurlijke werkzaamheden. [gedaagden] voeren aan dat enkel sprake was van beenletsel, zodat niet valt in te zien waarom [betrokkene] zijn bestuurlijke taken niet heeft kunnen uitvoeren. Zij wijzen erop dat medische informatie ontbreekt (grotendeels) en [betrokkene] niet door een Arbodienst of bedrijfsarts is gekeurd en de door [gedaagden] ingeschakelde deskundige op basis van de wel aanwezige informatie tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake kan zijn geweest van langdurige arbeidsongeschiktheid. [eisers] hebben hier tegen in gebracht dat [betrokkene] als gevolg van de mishandeling naast lichamelijke pijn in zijn rechterbovenbeen, tevens geestelijke problemen, waaronder concentratie stoornissen, als gevolg van PTSS, heeft ondervonden. De rechtbank stelt vast dat enige medische informatie hierover ontbreekt. Gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagden] had het wel op de weg van [eisers] gelegen de gestelde geestelijke arbeidsongeschiktheid nader te onderbouwen. Dit hebben zij nagelaten. [eisers] heeft volstaan met te verwijzen naar de overgelegde formulieren AOV van de controlerende arts van ASR. Weliswaar blijkt hieruit dat de controlerend arts in juli 2022 aannemelijk acht dat [betrokkene] vanwege PTSS beperkingen ten aanzien van het omgaan met emoties en conflicten en deadlines en veelvuldig oplossen van complexe zaken ondervindt, maar dit oordeel is uitsluitend gebaseerd op het verhaal van [betrokkene] (in strijd met de waarheid) dat hij bijna was doodgebloed nadat hij door de buurman met een mes was gestoken. Een medische diagnose ontbreekt. Dit is daarom onvoldoende om die conclusie te kunnen dragen. [eisers] hebben hun stelling dat [betrokkene] arbeidsongeschikt was om bestuurlijke werkzaamheden te verrichten, in het licht van voornoemd verweer, dan ook onvoldoende onderbouwd.

5.7.

Uit het vorenstaande volgt dat niet is gebleken dat [betrokkene] arbeidsongeschikt was voor het verrichten van zijn bestuurlijke werkzaamheden. Er is dan ook geen sprake van schade aan de zijde van [eiser] en dus ook niet van een regresrecht als bedoeld in artikel 6:107a lid 2 BW met betrekking tot het door [eiser] doorbetaalde netto loon. Het ten aanzien van [eiser] gevorderde zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van Meerlanden

5.8.

Meerlanden vordert in hoofdsom (dus exclusief wettelijke rente) een bedrag van € 11.211,28 ter zake van het nettoloon dat Meerlanden in de periode van arbeidsongeschiktheid van 2 september 2021 tot en met 30 november 2022 aan [betrokkene] heeft uitbetaald. [gedaagden] hebben betwist dat [betrokkene] voor zijn functies bij Meerlanden arbeidsongeschikt was. Zij voeren aan dat medische informatie ontbreekt, [betrokkene] niet door een Arbodienst of bedrijfsarts is gekeurd en de door [gedaagden] ingeschakelde deskundige op basis van de wel aanwezige informatie tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake kan zijn geweest van langdurige arbeidsongeschiktheid. Bovendien dient de door ASR uitbetaalde uitkering op het betaalde loon in mindering te worden gebracht, zodat hoe dan ook geen vordering resteert. [eisers] betwisten dit en stellen dat de uitkering onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij ASR alleen zag op de arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene] en [eiser] en dat Meerlanden hiervoor niet verzekerd was. [gedaagden] hebben deze stelling gemotiveerd weersproken. Uit de door [eisers] overgelegde (medische) stukken van ASR volgt dit ook niet. Hier volgt eerder uit dat ASR bij het vaststellen van het bepalen van het percentage arbeidsongeschiktheid en de daaraan gekoppelde uitkering mede is uitgegaan van [betrokkene] als werknemer van Meerlanden. Zo wordt in het door [eisers] overgelegde overzicht van de polisgegevens van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van ASR (productie E15), als beroep van verzekerde [betrokkene] vermeld “Interim- en projectmanager”. En in het “Formulier AOV eerste onderzoek” en het “Formulier AOV vervolg onderzoek” van de verzekeringsarts van ASR (productie E8) bij het onderdeel “Werk:” is telkens ingevuld dat het beroep van [betrokkene] “interim- en projectmanager in de wegenbouw/juridisch projectmanagement” is. Voorts wordt uitgegaan van een werkweek van 42 uur terwijl [betrokkene] volgens zijn arbeidsovereenkomst slecht 24 uur ten behoeve van [eiser] werkzaam was en ziet de in dit formulier genoemde beperkingen als gevolg van het letsel voornamelijk op fysieke inspanning, zoals lang lopen, zwaar tillen, traplopen en frequent door de knieën gaan. En ook in het door [eisers] in het geding gebrachte rapport naar aanleiding van een in opdracht van ASR verrichte orthopedische expertise (productie E25) is vermeld dat [betrokkene] door zijn klachten beperkingen ondervindt in zijn werk als “interim- en projectmanager”. Uit de door [eisers] in het geding gebrachte producties (E17 tot en met E19) met betrekking tot een onderneming waar [betrokkene] werkzaamheden voor verrichtte (Amerongen Infra B.V.) volgt ten slotte ook dat de arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] voornamelijk lijkt te zien op werkzaamheden als meewerkend leidinggevende voor Meerlanden, zoals voegwerkzaamheden, mixen van mortel en het laden en lossen van materieel. Onder verwijzing naar hiervoor genoemde AOV formulieren van ASR hebben [gedaagden] aangevoerd dat de uitkering juist betrekking had op [betrokkene] als verzekerde werknemer van Meerlanden. [eisers] hebben deze stelling onvoldoende onderbouwd weersproken. De rechtbank volgt [gedaagden] dan ook in hun betoog dat de uitkering van ASR op grond van artikel 10 lid 5 van de arbeidsovereenkomst van [betrokkene] bij Meerlanden in mindering op het verschuldigde loon moet worden gebracht. Voor het bepalen van de schadevergoeding ex artikel 6:107a lid 2 BW geldt derhalve dat de (door [eisers] gestelde) uitkering van ASR van € 14.352,16 in mindering dient te worden gebracht op de (door [eisers] gestelde) door Meerlanden gedane netto loonbetalingen ad € 11.211,28. Per saldo betekent dat dat de uitkering van ASR hoger is dan het doorbetaalde loon en dat er sprake is van een surplus van (€ 14.352,16 - € 11.211,28=) € 3.140,88, zodat de rechtbank met [gedaagden] van oordeel is dat er geen ruimte is voor een regresvordering als bedoeld in artikel 6:107a lid 2 BW van Meerlanden op [gedaagden] Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten delen hetzelfde lot.

1HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1784

Rechtbank Noord-Holland 3 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14013


DEELGESCHILLEN, 

RBMNE 251125 verzoekschrift van 98 pagina's legt volledig geschil aan rb voor; toch beslissing over drie onderwerpen:
- rb verklaart voor recht dat verzoeker in dienst zou zijn getreden bij autoschadebedrijf, voor in elk geval 1 jaar;
- door neuroloog en psychiater genoemde klachten en beperkingen staan in causaal verband met ongeval
- handelen verzekeraar verdient niet de schoonheidsprijs maar is niet onrechtmatig; geen sec. victimisatie
advocatenkantoor in beginsel niet aansprakelijk t.z.v. beroepsmatige rechtsbijstand aan verzekeraar
verzocht 74,5 x € 275 + 21%, toegewezen 20 uur x  € 275 + 21% = € 6.655

Eerder al op het LSA Letselschade Magazine, nu ook op rechtspraak.nl: Rechtbank Midden-Nederland 25 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6374

in relatie tot:
RBMNE 251125 vdo tegelijk behandeld met deelgeschil; rb benoemt, na psychiater en neuroloog, vza en ad-er


PROCESSUELE ASPECTEN, varia
CAPITA SELECTA VERZEKERINGSRECHT, rechtsbijstandverzekering, algemeen

RBAMS 051225 rechtbank kan bindend advies Kifid t.z.v. geschil met DAS over fouten huisarts slechts marginaal toetsen; vorderingen afgewezen

3De beoordeling

3.1.

De kern van het geschil ziet op de vraag of de bindende uitspraak van de Geschillencommissie moet worden vernietigd. [eiseres] stelt dat dit het geval is omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om haar aan deze uitspraak te houden. DAS betwist dat.

[eiseres] is ontvankelijk

3.2.

Allereerst heeft DAS aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar vorderingen omdat zij niet in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de Geschillencommissie bij de Commissie van Beroep van het Kifid (hierna: de Commissie van Beroep). Volgens DAS heeft [eiseres] hiermee het bindend advies bevestigd en bestaat op grond van artikel 3:55 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet langer de mogelijkheid om zich te beroepen op een vernietigingsgrond.

3.3.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. [eiseres] heeft namelijk toegelicht dat zij via de website van het Kifid de indruk heeft gekregen dat zij de keuze had om in beroep te gaan bij de Commissie van Beroep of het bindend advies aan te vechten bij de civiele rechter. De rechtbank kan haar hierin volgen, omdat dit ook met zoveel woorden staat op de website van het Kifid. Dat [eiseres] niet in hoger beroep is gegaan bij de Commissie van Beroep, betekent dus niet dat zij de bindende uitspraak heeft bevestigd zoals bedoeld in artikel 3:55 lid 1 BW. [eiseres] is daarom ontvankelijk in haar vorderingen.

Het beroep van [eiseres] op artikel 7:904 lid 1 BW slaagt niet

3.4.

Volgens [eiseres] is het bindend advies van de Geschillencommissie vernietigbaar op grond van artikel 7:904 lid 1 BW, kort gezegd omdat de Geschillencommissie in haar oordeel wezenlijke misslagen heeft begaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit beroep niet slaagt. Dat wordt hierna toegelicht.

Toetsingskader

3.5.

Uit artikel 7:904 lid 1 BW volgt dat een beslissing van een partij of een derde alleen kan worden vernietigd als de gebondenheid aan die beslissing in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is een marginale toets. Het gaat er niet om dat de rechter zijn eigen oordeel over de zaak in de plaats stelt van het oordeel van de bindend adviseur (in dit geval de Geschillencommissie), maar het gaat erom of de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies ernstige gebreken vertoont.1

De uitspraak van de Geschillencommissie is niet vernietigbaar

3.6.

Op de eerste plaats betoogt [eiseres] dat de uitspraak van de Geschillencommissie onjuist dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Zij voert hiertoe aan dat de Geschillencommissie het optreden van DAS niet heeft getoetst in het licht van de hamvraag van de onderliggende schadeclaim, namelijk: of de zorgverleners bij het voorschrijven van medicijnen hebben gehandeld als een normaal handelend vakgenoot. Daarnaast vindt zij dat de Geschillencommissie niet heeft beoordeeld of DAS in strijd met de professionele standaard voor de behandeling van een letselschadezaak heeft gehandeld. Volgens [eiseres] heeft DAS onder meer:

  • - zonder haar toestemming haar medische informatie opgevraagd of laten opvragen;
  • - de vraagstelling aan de medisch adviseur onzorgvuldig geformuleerd;
  • - het medisch rapport onvoldoende beoordeeld;
  • - nagelaten om nadere vragen aan de medisch adviseur te stellen, terwijl in het medisch rapport veel punten als onzeker werden weergegeven en er concrete aanknopingspunten bestonden voor een mogelijke aansprakelijkheid.

[eiseres] stelt dat de Geschillencommissie de moraal van het verhaal heeft gemist en onvoldoende op haar essentiële stellingen heeft beslist, aangezien zij zich voornamelijk op haar “klachtjes” heeft gericht.

3.7.

De rechtbank stelt vast dat de klachten die [eiseres] nu tegenover DAS heeft geformuleerd niet, althans niet duidelijk en expliciet genoeg in de procedure bij de Geschillencommissie naar voren zijn gebracht, waarbij nog van belang is dat de Geschillencommissie terecht heeft opgemerkt dat de klacht van de consument heeft geleid tot een omvangrijk dossier. Omdat het debat hier destijds niet over is gegaan, valt niet in te zien waarom de Geschillencommissie hier, kennelijk “ambtshalve”, op had moeten ingaan. Dat [eiseres] in die procedure geen juridische bijstand heeft gehad, waardoor zij niet goed wist hoe zij de kwestie moest doorgronden, maakt dit oordeel niet anders. Dat is immer haar eigen keuze geweest.

3.8.

Los daarvan blijkt uit de uitspraak dat de Geschillencommissie uitvoerig naar de klachten van [eiseres] en het onderliggende probleem heeft gekeken en deze inhoudelijk heeft besproken. Vanwege de door de rechtbank terughoudende toetsing kan dan ook niet worden gezegd dat de inhoud van de bindende uitspraak een (ernstig) gebrek vertoont. Dat de Geschillencommissie volgens [eiseres] ten onrechte aanneemt dat [eiseres] ook klaagt over de medisch adviseur, brengt daar geen verandering in. [eiseres] heeft immers ook bezwaren geuit over de medisch adviseur in de klacht die zij bij de Geschillencommissie heeft ingediend. Omdat de handelwijze van de medisch adviseur niet ter beoordeling aan de Geschillencommissie kan worden voorgelegd, is het niet onbegrijpelijk dat de Geschillencommissie hier een opmerking over heeft gemaakt.

3.9.

Op de tweede plaats stelt [eiseres] dat de Geschillencommissie onvoldoende heeft afgewogen dat de handelwijze van DAS ernstige gevolgen voor haar heeft. De Geschillencommissie heeft echter overwogen dat de klachten die zij gegrond verklaart niet tot schade bij [eiseres] hebben geleid. Het oordeel en de motivering van de Geschillencommissie hierover is niet onlogisch, onbegrijpelijk of onnavolgbaar. Van een (ernstig) gebrek is dan ook geen sprake.

3.10.

Verder betoogt [eiseres] dat de Geschillencommissie geen inhoudelijke motivering heeft gegeven over de omstandigheid dat de medisch adviseur niet over alle medische informatie uit 2021 beschikte, omdat DAS deze informatie niet aan de medisch adviseur had verzonden. De rechtbank volgt haar hierin niet. In overweging 3.11 staat immers, voor zover relevant:

“De klacht over het niet verstrekken van de analyse van de consument uit 2021 aan de extern medisch adviseur is eveneens gegrond, maar leidt niet tot toewijzing van de vordering omdat de consument nog de mogelijkheid heeft om te reageren op het tweede medisch advies.”

De Geschillencommissie is dus wel degelijk op deze klacht ingegaan. Daarom gaat het beroep van [eiseres] op een onvoldoende motivering van de uitspraak op dit punt niet op.

3.11.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de inhoud of de wijze van totstandkoming van de uitspraak van de Geschillencommissie geen (ernstige) gebreken vertoont. De gebondenheid aan die uitspraak is daarom niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Slotsom

3.12.

Dit alles leidt tot de slotsom dat er geen reden is om de uitspraak van de Geschillencommissie te vernietigen. Dat betekent dat [eiseres] gebonden is aan het bindend advies, waardoor de overige vorderingen niet kunnen worden toegewezen. Daaraan staat immers het bindend advies in de weg. De vorderingen van [eiseres] worden dan ook afgewezen.

3.13.

De overige stellingen van partijen hoeven verder geen bespreking. In het bijzonder kan in het midden blijven of DAS juist heeft gehandeld. Dit kan immers niet leiden tot een andere beslissing.

Proceskosten

3.14.

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DAS worden begroot op:

- griffierecht

2.889,00

 

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.295,00

 

3.15.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.16.

De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordeling ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

1Vergelijk HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0727.

Rechtbank Amsterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8532


ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSMAGAZINE, 
CAPITA SELECTA VERZEKERINGSRECHT, algemeen 

RBGEL 171225 AOV; ass. heeft alsnog volledige uitkering toegekend over 2014-2017; impliceert geen tekortschieten door eerder geen uitkering te verstrekken

2De feiten

2.1.

[eiser] is dierenarts. Tussen [eiser] en Achmea is een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen, te weten een Arbeidsongeschiktheidsverzekering InkomensZekerPlan voor Vrije beroepen. In de polis van 18 december 2012 staat dat vanaf 25% arbeidsongeschiktheid wordt uitgekeerd en dat de uitkering gelijk is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage.

2.2.

In de Algemene voorwaarden Arbeidsongeschiktheidsverzekering, die op de verzekeringsovereenkomst tussen partijen van toepassing zijn, staat onder meer het volgende:

Artikel 1 Begrippen

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

Arbeidsongeschiktheid

Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde beperkt is in zijn of haar functioneren. (…)

1. Beroepsarbeidsongeschiktheid

Zonder iets af te doen aan de bovenstaande omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid is arbeidsongeschiktheid aanwezig als de verzekerde voor tenminste het op het verzekeringsbewijs vermelde percentage ongeschikt is voor het verrichten van werkzaamheden die verbonden zijn aan het beroep of bedrijf of die in het beroep of bedrijf in redelijkheid van de verzekerde verlangd kunnen worden. Bij het vaststellen van de werkzaamheden houden wij rekening met mogelijke taakaanpassingen, taakverschuivingen, en/of aanpassing van de werkomstandigheden.

(…)

Eerste dag van arbeidsongeschiktheid

De dag volgend op de dag waarop de verzekerde zich bij arbeidsongeschiktheid onder behandeling van een arts heeft gesteld.

(…)

Artikel 8 Vaststelling van en recht op uitkering bij arbeidsongeschiktheid

1. Wij stellen de mate van arbeidsongeschiktheid vast aan de hand van rapportages van door ons aan te wijzen deskundigen.

(…)

Artikel 11 Verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid

(…)

3 Als u of de arbeidsongeschikte verzekerde zich niet aan de in artikel 11 genoemde verplichtingen houdt, en daardoor onze belangen schaadt, mogen wij het recht op uitkering herzien, opschorten of beëindigen.

4De arbeidsongeschikte verzekerde moet zich direct onder behandeling van een arts stellen, alles doen om zijn of haar herstel te bevorderen en alles nalaten wat zijn herstel kan vertragen of verhinderen.

5De arbeidsongeschikte verzekerde moet redelijkerwijs zijn volledige medewerking verlenen aan alle activiteiten die tot doel hebben om de arbeidsongeschiktheid te verminderen.

2.3.

[eiser] heeft zich op 3 juli 2013 arbeidsongeschikt gemeld bij Achmea wegens psychische klachten. In het intakeformulier van 5 juli 2013 is vermeld dat sprake is van ernstige burn-outklachten, die verband houden met onenigheid in de maatschap waarvan [eiser] deel uitmaakt, waardoor [eiser] uit die maatschap moet treden en hij drie weken de tijd heeft gekregen om een eigen praktijk te starten. Tevens is daarin vermeld dat [eiser] in verband met zijn klachten op 3 juli 2013 zijn huisarts heeft geraadpleegd.

2.4.

In het rapport van de arbeidsdeskundige van 20 september 2013 is onder meer vermeld dat zonder voorafgaand arbeidsdeskundig onderzoek een praktijkondersteuner, de heer [naam 1] , is ingeschakeld vanwege de urgente hulpvraag van [eiser] om in korte tijd een zelfstandige dierenartsenpraktijk op te zetten en dat met [eiser] is besproken dat het beleid van Achmea in eerste instantie op de ondersteuning richting herstel en werkhervatting is gericht, maar dat bij het uitblijven daarvan op enig moment objectivering van de beperkingen voor functioneren zal worden gewenst. Als datum voor vermoedelijke werkhervatting wordt 1 juli 2014 vermeld. In dat rapport staat verder het volgende:

Reïntegratie

Wat is volgens verzekerde de te volgen weg naar herstel?

Hij verwacht een langdurig traject, waarbij van belang zal zijn dat de problemen worden opgelost en er weer perspectief ontstaat. Er is geen behandeling ingesteld. Hij ziet niets in “praten over zijn problemen”, ze moeten worden opgelost. Hij twijfelt nu aan de juistheid van de stappen die hij recent heeft ondernomen.

2.5.

In het rapport van de arbeidsdeskundige van 28 januari 2014 is vermeld dat [eiser] bezig is met het opzetten van de nieuwe praktijk, dat die praktijk wel staat en klandizie heeft, maar dat dat nog te weinig oplevert om van te kunnen leven en dat hij grote energetische en cognitieve beperkingen ervaart. Verder staat daarin dat met [eiser] is gesproken over de mogelijke zin van medische hulp, dat hij ‘daar eigenlijk wars van is’, maar dat hij het wel overweegt, omdat het van kwaad tot erger gaat met zijn persoonlijk welzijn. Onder het kopje ‘Aanvullend advies’ staat:

Ik heb met verzekerde besproken dat gezien de inmiddels verstreken tijd en het ontbreken van uitzicht op beter, Interpolis wellicht zal overgaan tot een onderzoek om de beperkingen voor functioneren te objectiveren. Wellicht is dit in het licht van de situatie ook zeer zinvol, al was het alleen al om therapeutische adviezen te vernemen.

2.6.

Op 24 maart 2014 heeft psychiater [naam 2] [eiser] in het kader van een medische expertise onderzocht. In het rapport van [naam 2] van 1 april 2014 is vermeld dat bij [eiser] sprake is van psychische klachten op basis van een aanpassingsstoornis; een disproportionele emotionele of gedragsmatige reactie, veroorzaakt door een conflict binnen de maatschap en de gevolgen daarvan. Bij psychiatrisch onderzoek worden behalve een verhoogde emotionaliteit geen afwijkingen vastgesteld. Er is sprake van disfunctionele coping1. In de Adviesaanvraag voor Arbeidsdeskundige van 23 april 2014 zijn de bevindingen van de verzekeringsarts vermeld. Daarin staat dat er geen aanwijzingen worden gevonden voor beperkingen binnen de rubriek Persoonlijk functioneren en dat de door de psychiater beschreven overige beperkingen, onder andere door [eiser] gemelde vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen, niet voortkomen uit een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of persoonlijkheidsstoornis, maar zijn te beschouwen als lichte psychische problemen voortkomend uit inadequate coping. Verder is daarin ten aanzien van het dagverhaal van [eiser] vermeld dat hij op doordeweekse dagen hele dagen en op zaterdagochtend in de praktijk aanwezig is en zich bezighoudt met telefonisch spreekuur, samen met de vervangend dierenarts visites rijdt, de administratie doet en beschikbaar is voor spoedgevallen en dat hij in de rest van het weekend bereikbaar is voor spoedgevallen.

2.7.

In het rapport van de arbeidsdeskundige van 11 juni 2014 is vermeld dat naar aanleiding van het psychiatrisch expertise onderzoek van 24 maart 2014 geen beperkingen voor functioneren zijn vastgesteld, dat de arbeidsdeskundige daardoor geen arbeidsongeschiktheid kan vaststellen en dat de arbeidsongeschiktheid dus formeel niet anders kan zijn dan minder dan 25%.

2.8.

Bij brief van Achmea van 18 juni 2014 is aan [eiser] meegedeeld dat uit specialistisch onderzoek naar voren is gekomen dat sprake is van psychische klachten veroorzaakt door een conflict binnen de maatschap, dat er geen beperkingen voor arbeid zijn vastgesteld en dat dat betekent dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de polisvoorwaarden. Verder is meegedeeld dat er geen recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat geheel onverplicht is besloten om de uitkering gelijkelijk af te bouwen, waarbij [eiser] met ingang van 18 juni 2014 een uitkering ontvangt van 50%, met ingang van 1 augustus 2014 van 40%, met ingang van 1 september 2014 van 30% en de uitkering per 1 oktober 2014 wordt beëindigd.

2.9.

Bij brief van 18 augustus 2014 aan Achmea heeft de toenmalige advocaat van [eiser] , mr. Gregoor, bezwaar gemaakt tegen het afbouwen en uiteindelijk per 1 oktober 2014 beëindigen van de uitkering. Daarbij is meegedeeld dat [eiser] zich nog steeds volledig arbeidsongeschikt acht, dat hij in juli 2014 is gezien door twee GZ-psychologen van HSK en dat een behandeling is geïndiceerd. In die brief wordt verzocht de beslissing met betrekking tot het afbouwen van de uitkering te heroverwegen. Verder is meegedeeld dat het noodzakelijk is dat [eiser] een waarnemer voor zijn praktijk kan inschakelen om het beoogde behandeltraject bij de psychologen van HSK te kunnen volgen. Door de afbouw van de uitkering, ontbreekt het [eiser] aan financiële middelen om een waarnemer in te schakelen en is het voor hem niet mogelijk de noodzakelijke behandeling te starten.

2.10.

Op 5 januari 2015 heeft een her-expertise door psychiater [naam 2] plaatsgevonden. Uit zijn rapport van 20 januari 2015 komt naar voren dat er op dat moment sprake is van een matig ernstige depressieve stoornis2. In de Adviesaanvraag voor Arbeidsdeskundige van 10 februari 2015 zijn de bevindingen van de verzekeringsarts vermeld3. Daarin staat dat de eerdere diagnose aanpassingsstoornis, die door de expertisearts in april 2014 werd vastgesteld, in de loop van 2014 is verergerd als gevolg van aanhoudende uitzichtloosheid en frustratie die [eiser] ervaart over zijn leven, tezamen met een aantal nieuwe stressvolle gebeurtenissen het afgelopen jaar. Daarin is tevens het dagverhaal van [eiser] vermeld, met als opmerking dat het niveau van functioneren ongewijzigd is ten opzichte de eerdere expertise van 1 april 2014. Verder is daarin vermeld:

Beperkingenpatroon: binnen de rubriek Persoonlijk functioneren is een beperking gevonden binnen het item Overig: verzekerde rapporteert somberheid, vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. Hij heeft daarbij last van slaapproblemen en een verhoogd spanningsniveau. Het is aannemelijk dat het samenstel van klachten samenhangt met enige afname van energetische belastbaarheid, voortvloeiende uit een depressieve stoornis (…) Uit de expertise blijkt dit verminderde energieniveau met name van invloed te zijn op zijn afgenomen prive-activiteiten en vooralsnog niet die in het werk. In het onderzoek worden verder geen aanwijzingen gevonden voor de andere items binnen de rubrieken van Persoonlijk en Sociaal functioneren. Therapeutisch advies: behandeling middels psychotherapie. Het huidige behandelbeleid bij HSK komt op zich adequaat over. Het is dan wel van belang dat er een oplossing wordt gevonden opdat verzekerde zichzelf vrij kan stellen om aan psychotherapie deel te nemen dan wel medicatie te starten

Prognose: wordt als matig tot redelijk ingeschat.

2.11.

Bij brief van 26 januari 2015 heeft een psycholoog van HSK aan de huisarts van [eiser] meegedeeld dat [eiser] van 3 november 2014 tot en met 26 januari 2015 in behandeling is geweest, maar dat de behandeling niet op gang is gekomen omdat hij vanwege werkomstandigheden niet in de gelegenheid is om regelmatig te komen en tussen de gesprekken door huiswerkopdrachten te verrichten. Daarbij is vermeld dat [eiser] tussen de intake in juli 2014 en de afsluiting in januari 2015 negen afspraken heeft moeten annuleren.

2.12.

Bij brief van 9 maart 2015 heeft Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat ook na de her-expertise geen beperkingen worden gesteld voor arbeid, dat de arbeidsdeskundige aan [eiser] heeft gevraagd aan te geven wat hij nodig heeft om een behandeling te kunnen starten en dat Achmea na ontvangst van die informatie zal bekijken in hoeverre zij hierin kan bijdragen.

2.13.

Daarna is tussen partijen gecorrespondeerd over onder meer het verschil van inzicht over de beperkingen van [eiser] en over wat er nodig is zodat [eiser] met het behandeltraject bij HSK kan starten en hoeveel tijd met dat behandeltraject gemoeid zal zijn.

2.14.

Bij brief van 29 oktober 2015 heeft mr. Gregoor aan Achmea onder meer meegedeeld dat HSK heeft aangegeven dat op [eiser] de richtlijn vier tot acht weken arbeidsongeschiktheid van toepassing is en dat er rekening moet worden gehouden met een termijn van 6 tot 12 maanden totdat [eiser] volledig arbeidsgeschikt is voor eigen werk.

2.15.

Bij e-mailbericht van 23 december 2015 heeft Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat zij bereid is aan [eiser] onverplicht een uitkering te verstrekken, waarbij zij voorstelt om gedurende de eerste vier weken van de behandeling aan [eiser] een uitkering van 100% te verstrekken en daarna nog vier weken een uitkering van 50%. Daarbij is meegedeeld dat dit voorstel los staat van het standpunt van Achmea dat zij nog steeds uitgaat van minder dan 25% arbeidsongeschiktheid bij [eiser] .

2.16.

Bij brief van 15 maart 2016 heeft mr. Gregoor op het voorstel van Achmea gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat het door Achmea voorgestelde behandeltraject te kort is en niet haalbaar. Zij verzoekt Achmea in te stemmen met betaling van een uitkering van 100% gedurende drie maanden, daarna 75% gedurende twee maanden en 50% gedurende één maand. Verder stelt zij voor om op gezamenlijk verzoek een psychiatrische her-expertise te laten verrichten.

2.17.

Bij e-mailbericht van 14 april 2016 heeft Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat zij instemt met een second opinion en bij e-mailbericht van 28 april 2016 heeft Achmea een aantal psychiaters voorgesteld.

2.18.

Bij brief van 13 juni 2016 heeft mr. Gregoor aan Achmea meegedeeld dat [eiser] akkoord is met het verrichten van een expertise door psychiater [naam 3] . Daarbij heeft zij tevens meegedeeld dat [eiser] het voorstel voor een coulance uitkering van vier weken 100%, gevolgd door vier weken 50% wil aannemen met de uitdrukkelijke kanttekening dat dat dit slechts een begin is en dat, als blijkt dat deze twee maanden onvoldoende zijn, opnieuw dient te worden bezien of bijstelling noodzakelijk is.

2.19.

Bij brief van 27 juni 2016 heeft Achmea aan mr. Gregoor bericht dat [eiser] over de periode van 27 juni tot en met 24 juli 2016 een uitkering zal ontvangen van 100% en over de periode van 25 juli tot en met 21 augustus 2016 een uitkering van 50%.

2.20.

In het psychiatrisch expertiserapport van [naam 3] van 21 december 2016 is als diagnose opgenomen: een depressieve stoornis matig tot ernstig met chronisch beloop, voor het eerst geobjectiveerd in april 2014 middels onderzoek bij HSK4.

2.21.

Bij e-mailbericht van 30 maart 2017 heeft de waarnemer van mr. Gregoor, mr. D.N.R. Wegerif, aan Achmea onder meer meegedeeld dat [eiser] op basis van de uitkeringen in juli/augustus 2016 gedeeltelijk in staat was een parttime waarneemster aan te stellen, die per 15 augustus 2016 in dienst is getreden en die sinds korte tijd zodanig is ingewerkt dat zij voor een gedeelte zelfstandig in de praktijk van [eiser] kan functioneren. Om die reden zijn de werkomstandigheden pas op dat moment zodanig dat [eiser] het behandeltraject bij HSK zal kunnen starten. Daarbij wordt voorgesteld om [eiser] met ingang van 8 mei 2017 100% uitkering te verstrekken gedurende een periode van tenminste zes maanden.

2.22.

Bij brief van 18 mei 2017 heeft Achmea aan mr. Wegerif, meegedeeld dat zij een uitkering van 100% aan [eiser] zal verstrekken als hij de behandeling bij HSK start en dat zij graag de startdatum van de behandeling bij HSK en het advies en behandelplan van HSK ontvangt.

2.23.

Bij brief van 9 juni 2017 heeft mr. Wegerif aan Achmea meegedeeld dat [eiser] op 23 juni 2017 met de behandeling bij HSK zal starten.

2.24.

Bij brief van 13 juli 2017 heeft Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat zij aan [eiser] met ingang van 23 juni 2017 een uitkering van 100% betaalt. Daarbij is tevens meegedeeld dat geen arbeidsongeschiktheid van [eiser] wordt aangenomen omdat hij zijn werk niet heeft neergelegd en hij zich niet onder behandeling heeft gesteld en dat daarom het verzoek van [eiser] om premievrijstelling wordt geparkeerd.

2.25.

Bij e-mailbericht van 15 september 2017 is door Achmea aan mr. Gregoor bericht dat zij uit coulance een uitkering van 100% aan [eiser] verstrekt over de periode van 16 juli tot 13 augustus 2017 en dat zij graag het behandelplan wil ontvangen

2.26.

Bij brief van 25 september 2017 is door Achmea aan mr. Gregoor bericht dat vanaf 13 augustus 2017 een uitkering van 100% aan [eiser] is verstrekt en is wederom gevraagd naar het behandelplan.

2.27.

Daarna is tussen partijen gecorrespondeerd over onder meer de beëindiging van de inzet van praktijkondersteuner [naam 1] omdat de begeleiding zich in een afrondende fase bevindt, het verstrekken van een uitkering aan [eiser] na 22 september 2017 en het behandelplan van HSK. Daarbij is namens [eiser] verzocht om de precieze mate van zijn arbeidsongeschiktheid over de periode van juni 2014 tot 23 juni 2017 op basis van het expertiserapport van [naam 3] te laten vaststellen door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige. In dat verband heeft Achmea een onderzoek door een arbeidsdeskundige voorgesteld.

2.28.

In de rapportage van de arbeidsdeskundige van 15 december 2017 is vermeld dat uit informatie van HSK is gebleken dat de behandeling nog niet het beoogde resultaat oplevert en dat er wordt gesproken over een toename van klachten. Verder is daarin het dagverhaal van [eiser] opgenomen, waarbij hij heeft aangegeven dat hij hooguit 10% per dag productief is in zijn praktijk.

2.29.

Bij brief van 21 december 2017 is door Achmea aan mr. Gregoor meegedeeld dat [eiser] in de periode van 23 september 2017 tot 22 december 2017 een uitkering ontvangt van 90%. Daarin is vermeld dat de medisch adviseur van Achmea heeft vernomen dat [eiser] door HSK is verwezen naar een psychiater en dat zal worden afgewacht welke medische adviezen [eiser] zal ontvangen.

2.30.

Bij brieven van 12 april 2018 en 23 juli 2018 heeft Achmea aan mr. Gregoor bericht dat zij voorlopig een uitkering van 90% zal blijven verstrekken aan [eiser] .

2.31.

Naar aanleiding van een concept verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht van mr. Gregoor, heeft Achmea bij brief van 8 november 2018 ingestemd met een arbeidsdeskundige beoordeling door de heer [naam 4] over de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] over de periode van oktober 2014 tot juni 2017.

2.32.

Daarna is tussen partijen gecorrespondeerd over de vraagstelling aan arbeidsdeskundige [naam 4] . Bij brief van 29 juli 2019 is de opdracht aan [naam 4] verstrekt.

2.33.

In juli 2020 heeft [naam 4] een concept rapport aan partijen gezonden. Naar aanleiding daarvan heeft Achmea kenbaar gemaakt dat zij zich niet kan vinden in het concept rapport omdat de door [naam 4] te hanteren beperkingen van [eiser] niet voldoende duidelijk zijn vastgesteld in het expertiserapport van [naam 3] . Achmea meent dat een Functie Mogelijkhedenlijst (FML) dient te worden opgesteld door een verzekeringsgeneeskundige, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid door [naam 4] kan worden vastgesteld. De opvolgend advocaat van [eiser] , mr. De Jong, meent dat een nadere vraagstelling aan [naam 4] niet meer aan de orde is.

2.34.

In de eindrapportage van 6 januari 2021 heeft [naam 4] , samengevat, het volgende vermeld:

  • - Ondanks het ontbreken van een door een verzekeringsarts opgesteld beperkingenpatroon, is hij op basis van het in het expertiserapport van [naam 3] weergegeven overzicht van klachten en belemmeringen die [eiser] ervaart, tot een verantwoorde weging kunnen komen.
  • - Strikt medisch/arbeidsdeskundig gezien is [eiser] in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 volledig arbeidsongeschikt te beschouwen.
  • - Om te achterhalen op welke wijze de omzet is gegenereerd in de praktijk van [eiser] in met name de jaren 2014 tot en met 2016 wordt specialistisch boekenonderzoek geadviseerd, omdat een dergelijk onderzoek zijn expertise op dit gebied overstijgt.
  • - De werkzaamheden die [eiser] in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 heeft verricht in zijn praktijk zijn hem niet toe te rekenen.

2.35.

Bij brief van 5 februari 2021 heeft Achmea aan mr. De Jong meegedeeld dat zij het rapport van [naam 4] afwijst omdat [naam 4] bij het ontbreken van een beperkingenpatroon of functionele mogelijkhedenlijst zelf een aanname heeft gedaan met betrekking tot de beperkingen van [eiser] . Volgens Achmea kan een nieuwe beoordeling enkel plaatsvinden als de arbeidsdeskundige beschikt over uitgeschreven beperkingen in FML-termen.

2.36.

Op 23 juli 2021 heeft [eiser] Achmea gedagvaard om te verschijnen in een civiele procedure bij de rechtbank Gelderland. Daarin vordert [eiser] (i) te bepalen dat het rapport van [naam 4] van 6 januari 2021 tussen partijen geldend is, (ii) te bepalen dat hij in de periode 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 volledig arbeidsongeschikt was zoals bedoeld in de polisvoorwaarden (iii) Achmea te veroordelen tot betaling van een uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid over de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017, te verhogen met wettelijke rente, (iv) Achmea te veroordelen tot betaling van € 5000,00 aan smartengeld, te verhogen met wettelijke rente en (v) € 34.251,00 aan buitengerechtelijke kosten, te verhogen met wettelijke rente, (vi) te bepalen dat [eiser] vanaf 3 juli 2014 recht heeft op premievrijstelling en Achmea te veroordelen om de sindsdien betaald premies aan hem terug te betalen, te verhogen met wettelijke rente en (vii) Achmea te veroordelen in de proceskosten.

2.37.

Bij e-mailbericht van 16 augustus 2021 heeft Achmea aan mr. De Jong bericht dat zij heeft besloten aan [eiser] (i) over de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 een uitkering te verstrekken op basis van 100% arbeidsongeschiktheid, te verhogen met de wettelijke rente, (ii) over die periode premievrijstelling te verlenen, (iii) € 5.000,00 en (iv) € 34.251,00 te betalen. Daarbij heeft Achmea zich bereid verklaard om op haar kosten de belastingschade van [eiser] in kaart te brengen en deze belastingschade aan hem te voldoen.

2.38.

Daarna is de procedure bij de rechtbank geroyeerd.

2.39.

Bij brief van 18 oktober 2022 aan Achmea heeft mr. De Jong namens [eiser] aanspraak gemaakt op betaling van (i) € 34.536,00 aan belastingschade, (ii) € 8.855,39 aan kosten voor de berekening van de belastingschade en (iii) € 250.000,00 aan schadevergoeding wegens de gedwongen verkoop van een aan [eiser] en zijn echtgenote in eigendom toebehorende woning.

2.40.

Bij brief van 21 december 2022 heeft Achmea aan mr. De Jong meegedeeld dat zij de belastingschade en de kosten voor de berekening daarvan aan [eiser] zal betalen, maar dat zij de gestelde schade wegens de verkoop van de woning niet zal vergoeden.

2.41.

Tot het einde van de looptijd van de verzekeringsovereenkomst heeft [eiser] een uitkering van 90% ontvangen. De verzekeringsovereenkomst is per 25 januari 2024 beëindigd omdat [eiser] toen de eindleeftijd heeft bereikt.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert in de dagvaarding dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Achmea zal veroordelen om aan hem te betalen € 211.511,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019, met veroordeling van Achmea in de proceskosten. Ter zitting heeft hij zijn eis verminderd tot een bedrag van € 105.775,50.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] is werkzaam als dierenarts en heeft sinds 1 juni 2008 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Interpolis, een merk van Achmea. Op 3 juli 2013 heeft [eiser] zich arbeidsongeschikt gemeld bij Achmea wegens ernstige psychische klachten. Tot juni 2014 heeft hij van Achmea een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 100% ontvangen. Vanaf juni 2014 is de mate van arbeidsongeschiktheid door Achmea ter discussie gesteld. Op 23 juli 2021 heeft [eiser] Achmea gedagvaard in een civiele procedure. Daarin is onder meer gevorderd om Achmea te veroordelen tot betaling van een uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid over de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017, vermeerderd met wettelijke rente. Achmea heeft vrijwillig aan het petitum van die dagvaarding voldaan. Zij heeft [eiser] onder meer nadere uitkeringen verstrekt op basis van de met terugwerkende kracht vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Daarnaast heeft Achmea belastingschade en de kosten voor berekening van de belastingschade aan [eiser] vergoed. Doordat [eiser] in de periode 2014-2017 geen volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, is bij hem en zijn gezin financiële nood ontstaan. Daardoor kon [eiser] niet meer voldoen aan de verplichtingen uit een overbruggingskrediet bij de ING met een hoofdsom van € 55.000,00. ING dreigde daarop met executieverkoop en [eiser] heeft daarom eind 2018 noodgedwongen een aan hem en zijn echtgenote in gezamenlijke eigendom toebehorende woning moeten verkopen. Hij heeft hierdoor schade geleden, bestaande uit de veel lagere verkoopopbrengst van de woning. Hij begroot de schade op het verschil tussen de verkoopwaarde in 2022 (€ 551.551,00) en de daadwerkelijk eind 2018 ontvangen verkoopprijs (€ 340.000,00). Dat is een bedrag van € 211.551,00. Aangezien hij en zijn echtgenote ieder voor de helft eigenaar waren van die woning, begroot hij zijn schade op € 105.775,50. Achmea is voor deze schade aansprakelijk omdat zij jegens hem is tekortgeschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst, door hem ten onrechte in de periode 2014-2017 geen volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering uit te betalen.

3.3.

Achmea voert verweer. Zij betwist dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [eiser] . Zij beroept zich tevens op rechtsverwerking. Subsidiair betwist zij het causaal verband tussen de beweerdelijke tekortkoming en de schade en de hoogte van de schade. Zij betoogt tevens dat er sprake is van eigen schuld van [eiser] . Achmea concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Toerekenbaar tekortschieten Achmea

4.1.

[eiser] stelt dat Achmea jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten omdat zij hem jarenlang niet de uitkeringen heeft verstrekt waarop hij recht had. Uit het feit dat Achmea uiteindelijk diverse schadeposten heeft vergoed, volgt dat zij zelf ook van oordeel is dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten, aldus [eiser] .

4.2.

Achmea betwist dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten. Zij voert aan dat zij de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] in lijn met artikel 8 van haar polisvoorwaarden heeft beoordeeld op basis van de rapportages van door haar aan te wijzen deskundigen en dat zij dus mocht uitgaan van de rapportages van [naam 2] en [naam 3] . Verder verwijst zij naar de verplichtingen van de verzekerde, die zijn vermeld in artikel 11 van de polisvoorwaarden. Zij voert aan dat [eiser] niet aan die verplichtingen heeft voldaan en dat hij zich tot eind maart 2017 volledig heeft gericht op het opzetten van zijn dierenartsenpraktijk en zich ondanks zijn psychische klachten niet onder behandeling heeft gesteld om van die klachten te herstellen. Pas vanaf 23 juni 2017 heeft [eiser] zich onder behandeling gesteld van HSK en vanaf dat moment heeft zij hem een uitkering verstrekt, aldus Achmea. Op basis van de polisvoorwaarden had [eiser] volgens Achmea dus geen recht op een (volledige) arbeidsongeschiktheidsuitkering in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017. Uit de omstandigheid dat zij naar aanleiding van de door [eiser] uitgebrachte dagvaarding alsnog is overgegaan tot betaling van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering over voormelde periode en overige schadeposten, kan niet worden afgeleid dat zij de gestelde tekortkoming erkend. Achmea heeft toen besloten om haar bezwaren tegen het rapport van [naam 4] te laten varen omdat zij in het voortraject daarvan heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over van welke beperkingen van [eiser] [naam 4] diende uit te gaan. Om die reden heeft zij uiteindelijk besloten alsnog een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] te betalen over voormelde periode en heeft zij eveneens haar standpunt verlaten dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid omdat [eiser] zich in de periode niet onder medische behandeling van zijn klachten had gesteld, aldus Achmea.

4.3.

De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van de tussen partijen geldende polisvoorwaarden is Achmea gehouden een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] te verstrekken indien er in relatie tot ziekte of ongeval bij hem objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor hij beperkt is voor het verrichten van werkzaamheden in zijn bedrijf. De arbeidsongeschiktheid wordt ingevolge artikel 8 van die voorwaarden vastgesteld aan de hand van rapportages van door Achmea aan te wijzen deskundigen. Op grond van artikel 11 van die voorwaarden moest [eiser] zich onder behandeling van een arts stellen, alles doen om zijn herstel te bevorderen en alles nalaten wat zijn herstel kan vertragen of verhinderen.

4.4.

Uit de hiervoor opgenomen feiten volgt dat Achmea in eerste instantie vanaf juli 2013 tot juni 2014 is meegegaan in de hulpvraag van [eiser] om ondersteuning te verlenen bij het opzetten van een nieuwe dierenartspraktijk en dat zij in dat verband [naam 1] heeft ingeschakeld en betaald om [eiser] daarbij te begeleiden. Daarbij is aan [eiser] steeds voorgehouden dat uiteindelijk de arbeidsongeschiktheid zou moeten worden vastgesteld op basis van vaststelling van medische beperkingen voor het verrichten van zijn werkzaamheden. In dat verband is in april 2014 een medische expertise uitgevoerd door psychiater [naam 2] . Op basis daarvan is door de verzekeringsgeneeskundige vastgesteld dat er bij [eiser] geen beperkingen voor het functioneren in zijn praktijk bestaan. Nadat Achmea na afloop van het eerste ziektejaar aan [eiser] heeft meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering zou worden afgebouwd en per 1 oktober 2014 zou worden beëindigd, heeft [eiser] via zijn advocaat kenbaar gemaakt dat hij zich nog steeds volledig arbeidsongeschikt achtte en verzocht om een heroverweging van de beslissing. Naar aanleiding daarvan heeft Achmea in januari 2015 een her-expertise laten uitvoeren door psychiater [naam 2] . Op basis daarvan heeft de verzekeringsgeneeskundige geconcludeerd dat er weliswaar sprake is van verergering van de aanpassingsstoornis en dat sprake is van een verminderd energieniveau bij [eiser] , maar dat dat met name van invloed is op zijn privéactiviteiten en niet zozeer op zijn werk. Er zijn toen geen beperkingen vastgesteld voor het functioneren van [eiser] in zijn praktijk, maar er is hem wel behandeling middels psychotherapie geadviseerd. [eiser] heeft zich eind 2014/begin 2015 onder behandeling gesteld van HSK, maar vanwege het feit dat hij geen waarnemer had voor zijn praktijk en geen middelen had om een waarnemer te betalen, kon hij de behandeling bij de psycholoog niet voortzetten. Hierover is tussen de advocaat van [eiser] en Achmea gecorrespondeerd, waarbij Achmea steeds heeft meegedeeld dat zij bereid was een uitkering te verstrekken aan [eiser] wanneer hij met de behandeling zou starten. In 2016 is voorts tussen partijen gecorrespondeerd over een psychiatrische her-expertise op gezamenlijk verzoek en heeft Achmea daarmee ingestemd. Uiteindelijk heeft [eiser] , mede met hulp van [naam 1] , een waarnemer voor zijn praktijk kunnen regelen en is hij op 23 juni 2017 gestart met het behandelingstraject bij HSK. Achmea heeft vanaf dat moment weer een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] voldaan.

4.5.

Gelet op het voorgaande heeft Achmea conform de polisvoorwaarden gehandeld. Zij heeft conform artikel 8 deskundigen ingeschakeld om de beperkingen voor het functioneren van [eiser] te laten vaststellen. Vervolgens heeft zij op basis van de rapportages van die deskundigen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld en besloten de arbeidsongeschiktheidsuitkering af te bouwen en te beëindigen, omdat er door de verzekeringsarts geen beperkingen konden worden vastgesteld, [eiser] hele dagen werkzaam bleef om zijn praktijk op te zetten en hij zich niet onder medische behandeling stelde. Zonder nader toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan Achmea door aldus te handelen is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst. Achmea heeft toen bleek dat [eiser] het niet eens was met haar beslissing tot het afbouwen en stopzetten van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in januari 2015 een her-expertise door [naam 2] laten uitvoeren, maar op basis daarvan konden evenmin beperkingen worden vastgesteld en kon geen mate van arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld. Niet gesteld of gebleken is dat de rapportages van [naam 2] en/of de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige ondeugdelijk waren. Achmea mocht dus van die rapportages uitgaan.

4.6.

Vervolgens is in de periode van eind januari 2015 tot medio mei 2017 tussen partijen gecorrespondeerd op welke wijze Achmea behulpzaam kon zijn, zodat [eiser] zich onder behandeling van HSK kon laten stellen Vanaf het moment dat [eiser] zich onder behandeling heeft gesteld van HSK (op 23 juni 2017), heeft Achmea de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] hervat. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 11 van de polisvoorwaarden. Ook uit die gang van zaken blijkt niet van enige tekortkoming van Achmea. Het is de keuze van [eiser] geweest om zich, wellicht ten nadele van zijn herstel, eerst en vooral te richten op het opzetten van zijn nieuwe praktijk en zich niet onder behandeling te stellen. Dat kan Achmea niet worden tegengeworpen. Niet gesteld of gebleken is op grond waarvan Achmea gehouden zou zijn te faciliteren dat [eiser] een waarnemer kon aanstellen (en betalen), zodat hij zich onder behandeling van HSK kon stellen. Nog daargelaten dat uit de overgelegde verslagen van [naam 1] blijkt dat hij, [naam 1] , zich op kosten van Achmea ook daarvoor heeft ingezet.

4.7.

Eerst in maart 2016 is namens [eiser] verzocht om een psychiatrische her-expertise op gezamenlijk verzoek. Achmea heeft daaraan zonder dralen meegewerkt en heeft vervolgens in 2018 ingestemd met de inschakeling van arbeidsdeskundige [naam 4] . Uit het enkele feit dat [naam 4] in 2021, dus achteraf, heeft gerapporteerd dat strikt medisch/arbeidsdeskundig gezien [eiser] in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen, kan niet worden afgeleid dat Achmea is tekortgeschoten door in 2014 en 2015 af te gaan op de bevindingen van de door haar ingeschakelde deskundigen. Ook is niet gesteld of gebleken is dat Achmea zich in het traject waarbij op gezamenlijk verzoek een psychiatrische her-expertise door [naam 3] en een arbeidsdeskundig onderzoek door [naam 4] heeft plaatsgevonden, onheus heeft opgesteld of dat zij die deskundigenonderzoeken heeft getraineerd. Weliswaar heeft zij in eerste instantie bezwaar gemaakt tegen de rapportage van [naam 4] , maar zij is uiteindelijk binnen enkele maanden op haar bezwaren teruggekomen. Niet gesteld of gebleken is dan ook dat Achmea niet aan haar verplichting heeft voldaan om op zorgvuldige wijze deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden en op basis van de verkregen adviezen vast te stellen of, en in welke mate, er sprake is van arbeidsongeschiktheid, dan wel anderszins in de periode van 18 juni 2014 tot 22 juni 2017 op ondeugdelijke gronden heeft geweigerd tot uitkering over te gaan.

4.8.

Ook de omstandigheid dat Achmea heeft voldaan aan de vorderingen van [eiser] , zoals vermeld in de dagvaarding van 23 juli 2021, kan niet worden beschouwd als een erkenning door Achmea dat zij is tekortgeschoten. Achmea heeft uiteengezet dat zij nadat de dagvaarding was uitgebracht heeft ingezien dat haar bezwaren tegen het rapport van [naam 4] geen stand hielden, omdat zijzelf bij de opdrachtverlening aan [naam 4] (ook) niet duidelijk was geweest over van welke beperkingen bij [eiser] moest worden uitgegaan en dat zij daarna haar standpunt dat er geen recht op uitkering bestond omdat [eiser] zich niet onder behandeling had gesteld heeft laten varen. Dat is geen erkenning van haar tekortschieten, maar voortschrijdend inzicht over haar proceskansen.

4.9.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat Achmea jegens [eiser] is tekortschoten in het nakomen van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst. [eiser] heeft daartoe, gelet op het gemotiveerde verweer van Achmea, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen. Dat betekent dat er geen grond is voor schadevergoeding. De overige stellingen en verweren van partijen behoeven daarom geen bespreking meer.

1Het rapport van psychiater [naam 2] van 1 april 2014 is niet overgelegd. Deze bevindingen zijn vermeld in de Adviesaanvraag voor Arbeidsdeskundige van 23 april 2014, productie11 bij de conclusie van antwoord.

2Het rapport van psychiater [naam 2] van 20 januari 2015 is niet overgelegd. Deze bevindingen zijn vermeld in de Adviesaanvraag voor Arbeidsdeskundige van 10 februari 2015, productie 17 bij de conclusie van antwoord.

3Zie hiervoor productie 17 en 21 bij conclusie van antwoord

4Het rapport van psychiater [naam 3] van 21 december 2016 is niet overgelegd. De diagnose uit het rapport is vermeld in een brief van mr. Gregoor aan Achmea van 29 november 2017, productie 66 bij conclusie van antwoord

Rechtbank Gelderland 17 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10722