LSA Letselschade Magazine Week 2 2026
- Meer over dit onderwerp:
AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, bromfietsers, snelheid, eigen schuld
DEELGESCHILLEN, algemeen
RBGEL 031225 van rechts komende, te hard rijdende bromfietser, in verkeerde rijrichting, veroorzaakt letsel bij automobilist; ES auto 25%
- verwijzing naar schadestaat i.s.m. doel deelgeschilprocedure: dat schade zonder verdere rechterlijke bemoeienis zal worden geregeld
- kosten procedure niet uitgesplitst; begroot op € 660,66 -25% vanwege eigen schuld
1De beoordeling
1.1.
Op 25 augustus 2024 heeft in [plaats] op de gelijkwaardige kruising van de [straat 1] en de [straat 2] een verkeersongeval plaatsgevonden. [verzoeker] reed in een auto op de [straat 1] in westelijke richting. [verweerder 2] reed op een ingevolgde de WAM bij Univé verzekerde bromfiets op de [straat 2] in zuidelijke richting. Op het kruisingsvlak zijn de auto en de bromfiets met elkaar in botsing gekomen. [verweerder 2] kwam voor [verzoeker] van rechts. [verweerder 2] had daar echter niet in die richting mogen rijden op zijn bromfiets. De [straat 2] is een eenrichtingsweg. Daarop mag niet in zuidelijke richting worden gereden, behalve door fietsers.
1.2.
Op 26 augustus 2024 heef [verzoeker] met pijnklachten aan de nek zijn huisarts bezocht. [verzoeker] is wegens pijnklachten in de nek tussen 27 augustus 2024 en 29 april 2025 onder behandeling geweest van een fysiotherapeut.
1.3.
Univé heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Buiten rechte hebben partijen onderhandeld over de vraag of [verzoeker] eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Daarover kon geen overeenstemming worden bereikt. [verzoeker] heeft vervolgens aan de rechtbank op de voet van art. 1019w Rv verzocht om voor recht te verklaren dat [verweerder 2] , althans Univé, volledig aansprakelijk is voor schade als gevolg van het ongeval, althans voor een door de rechter te bepalen deel van de schade.
1.4.
Univé stelt dat [verzoeker] aan [verweerder 2] ten onrechte geen voorrang heeft verleend en daarom een deel van de schade zelf moet dragen. Dat bevrijdende verweer slaagt. Zoals in art. 15 lid 1 RVV 1990 is bepaald had [verzoeker] aan [verweerder 2] , een van rechts komende bestuurder, voorrang moeten verlenen. De uitzonderingen die in lid 2 op deze regel worden gemaakt zijn hier niet van toepassing. [verzoeker] had dus aan [verweerder 2] ruimte moeten laten om voorlangs te rijden, te meer nu [verzoeker] naar eigen zeggen pas na de heg zicht had op de [straat 2] . Uit de bewegende beelden van de aanrijding volgt dat [verzoeker] dat niet heeft gedaan. Hij is te ver de kruising opgereden. Dat [verweerder 2] niet uit die richting mocht komen doet er niet aan af dat [verzoeker] hem voorrang had moeten verlenen. Dit volgt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1384, waarin eigen schuld werd aangenomen van een bestuurder die geen voorrang verleende aan een bestelbus die in de verboden rijrichting reed. Hier komt bij dat [verzoeker] hoe dan ook bedacht had moeten zijn op fietsers van rechts. Zonder deze voorrangsfout was het ongeval niet gebeurd. [verzoeker] schade is dan mede een gevolg van een aan hem toerekenbare omstandigheid.
1.5.
Vervolgens is het de vraag in welke mate de vergoedingsplicht verminderd moet worden. [verweerder 2] heeft twee verkeersfouten gemaakt. In de eerste plaats reed hij tegen de verkeersrichting in (art. 5a lid 1 aanhef en onder j WVW). Dat de verplichte rijrichting met twee borden is aangegeven wil niet zeggen dat [verweerder 2] twee afzonderlijke fouten heeft gemaakt, zoals [verzoeker] heeft bepleit. [verweerder 2] heeft echter ook te hard gereden. [verzoeker] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [verweerder 2] de maximumsnelheid van 30 km/u heeft overschreden. Dit kan daarom niet worden vastgesteld. Uit de videobeelden blijkt evenwel dat hij wel met onverminderd hoge snelheid op de kruising is afgereden en mede daarom niet tijdig zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen. Ook als het klopt dat [verweerder 2] zijn gas heeft losgelaten heeft dat niet tot een wezenlijke snelheidsvermindering geleid. Dit weggedrag is gevaarlijk en in strijd met art. 5 WVW en art. 19 RVV 1990. Voor beide fouten geldt dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden als [verweerder 2] deze fouten niet zou hebben gemaakt.
1.6.
De schade van [verzoeker] is dus gevolg van drie verkeersfouten, waarvan er twee aan [verweerder 2] zijn toe te rekenen en een aan [verzoeker] . Evenredige vermindering van de vergoedingsplicht brengt dan mee dat deze tot ⅔ wordt verminderd.
1.7.
Zoals [verzoeker] stelt eist de billijkheid echter een verdergaande vergoedingsplicht. Uit de beelden blijkt dat [verzoeker] weliswaar te ver is doorgereden op de kruising, maar ook dat hij met bescheiden snelheid aan kwam rijden en snel tot stilstand is gekomen toen hij [verweerder 2] gewaar werd. Zoals gezegd heeft [verweerder 2] gevaarlijk rijgedrag vertoond. De kantonrechter weegt daarom de ernst van de fouten van [verweerder 2] wezenlijk zwaarder dan die van [verzoeker] . Verder speelt mee dat [verweerder 2] verzekerd is. Dit alles afwegende stelt de kantonrechter de vergoedingsplicht vast op ¾ van de schade. Voor recht kan dan worden verklaard dat Univé en [verweerder 2] aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoeker] lijdt als gevolg van het ongeval en dat zij 75% van deze schade moeten vergoeden. Anders dan [verzoeker] heeft verzocht zal geen verwijzing naar de schadestaat volgen. Dat verzoek is in strijd met het doel van deze deelgeschilprocedure, namelijk dat de schade verder zonder rechterlijke bemoeienis zal worden geregeld.
Kosten
1.8.
[verzoeker] verzoekt Univé te veroordelen in de kosten van de procedure en tevens in de tot op 24 november 2025 gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 4.653,66.
1.9.
Art. 289 Rv, waarin is bepaald dat een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken is hier niet van toepassing, gelet op art. 1019aa lid 3 Rv. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [verzoeker] het oog heeft op begroting van zijn kosten bij de behandeling van het verzoek op de voet van art. 1019aa Rv en op een veroordeling tot betaling van deze kosten door Univé.
1.10.
Blijkens de specificatie van de buitengerechtelijke kosten waarvan [verzoeker] vergoeding vordert, zien deze kosten op de werkzaamheden van haar advocaat vanaf het intakegesprek op 27 augustus 2024 tot en met 24 november 2025, de dag waarop de specificatie in het geding is gebracht (12 uur en 54 minuten en € 3.993,00 inclusief btw en daarnaast 2 uur en 6 minuten en € 660,66 inclusief btw voor het opstellen van het onderhavige verzoekschrift op 17 juni 2025). Klaarblijkelijk maken de kosten van [verzoeker] bij de behandeling van dit verzoek onderdeel uit van de buitenrechtelijke kosten waarvan hij vergoeding vordert. In beide gevallen komen voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
1.11.
De advocaat van [verzoeker] hanteert klaarblijkelijk een uurtarief van ongeveer € 310,00 inclusief btw (€ 4.653,66 gedeeld door 15 uur). Dat is een relatief fors tarief. Redelijk is dan te verlangen dat de zaak efficiënt wordt aangepakt.
1.12.
[verzoeker] heeft, behoudens de opgave van de kosten voor het opstellen van het rekest die de kantonrechter redelijk acht, niet uitgesplitst wat de advocaatkosten van de onderhavige procedure zijn. Deze kosten worden daarom zoals verzocht begroot op € 660,66, vermeerderd met € 90,00 aan griffierecht.
1.13.
Univé is aansprakelijk voor de schade. Zij zal daarom veroordeeld worden om de kosten te betalen, met dien verstande dat zij ook van deze schadepost van € 750,66 maar ¾ hoeft te vergoeden, vanwege eigen schuld van [verzoeker] . [verzoeker] heeft niet gesteld dat de billijkheid eist dat tere zake van deze kosten een groter deel wordt vergoed.
1.14.
Wat de overige buitengerechtelijke kosten betreft geldt het volgende. Of de kosten waarvan [verzoeker] vergoeding verlangt redelijk zijn hangt mede af van het belang van de zaak ten gronde. Vast staat dat de buitengerechtelijke werkzaamheden voor een groot deel hebben gezien op het regelen van de zaakschade. De kosten daarvan komen in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking. [verzoeker] heeft ter zitting enig inzicht gegeven in de concrete omvang van de letselschade, maar heeft onvoldoende aanknopingspunten geboden om te kunnen beoordelen welke kosten zien op de letselschade en of de hoogte van het gevraagde bedrag redelijk is. Nu Univé wel heeft erkend buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn, zal de kantonrechter bij wege van een voorschot op deze kosten een bedrag van € 1.000,00 toewijzen.
1.15.
Deze mondeling uitgesproken beschikking zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [verzoeker] heeft daarbij geen belang. Tegen de beschikking staat geen rechtsmiddel open (art. 1019bb Rv).
Het voorwaardelijke zelfstandige verzoek
1.16.Haar zelfstandige verzoek is ‘voor zover nodig’ gedaan. [verzoeker] heeft verzocht vast te stellen dat sprake is van volledige aansprakelijkheid, dus zonder vermindering van de vergoedingsplicht vanwege eigen schuld, althans aansprakelijkheid voor een door de rechter te bepalen deel van de schade. Nu het eigen schuldverweer al in dat kader is beoordeeld is het zelfstandige verzoek niet nodig. Dat zelfstandige verzoek behoeft dan als zodanig verder geen bespreking. De kosten van [verzoeker] bij de behandeling van dit voorwaardelijke zelfstandige verzoek worden begroot op nihil, zodat een veroordeling tot betaling achterwege zal blijven. Rechtbank Gelderland 3 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11148
AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, fietsers, overmacht
RBMNE 211125 fietser rijdt tegen flank vrachtwagen; beroep op overmacht slaagt
- begroot, niet toegewezen, conform verzoek 15 uur x € 270 = € 4.900,50 + kosten tolk € 952,58
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter op verzoek van partijen de behandeling van het deelgeschil aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een ongevallenanalyse uit te laten voeren. Partijen hebben vervolgens verkeersongevallendeskundige ing. [B] ingeschakeld om het onderzoek uit te voeren. Op 20 mei 2025 heeft hij een rapportage uitgebracht. Partijen hebben de rechtbank om uitstel gevraagd voor de toelichting die zij hierop mochten geven en dat hebben zij gekregen. Op 19 september 2025 heeft [verzoekster] een akte na deskundigenbericht ingediend en daarbij het onderzoeksrapport gevoegd. Op 17 oktober 2025 heeft Achmea een antwoordakte na deskundigenbericht ingediend.
1.3.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.
2De kern van de zaak
2.1.
[verzoekster] is op een industrieterrein rijdend op haar fiets in botsing gekomen met een vrachtwagen. Zij heeft daardoor zwaar letsel aan haar linkerbeen opgelopen. Zij vraagt in dit deelgeschil om voor recht te verklaren dat Achmea (als WAM-verzekeraar van de vrachtwagen) geen beroep op overmacht toekomt en dat Achmea aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van het ongeval. Deze verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen. Het beroep van Achmea op overmacht slaagt namelijk.
3. De beoordeling
3.1.
Het verzoek van [verzoekster] kan, gelet op de discussie over de aansprakelijkheid voor letsel na een ongeval, als deelgeschil worden behandeld. Het gaat over een ongeval dat heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2023 op de kruising van de Professor Zernikestraat en de Einsteinstraat in Sneek. Daarbij was [verzoekster] als fietser en een werknemer van een verzekerde van Achmea als bestuurder van een vrachtwagen betrokken.
3.2.
[verzoekster] heeft als gevolg van het ongeval zwaar letsel aan haar linkerbeen opgelopen, namelijk drie complexe beenbreuken, die gepaard gingen met grote wonden.
3.3.
In dit deelgeschil gaat het om de vraag of Achmea als WAM-verzekeraar aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] als gevolg van het ongeval (volgens [verzoekster] is dat zo) of dat Achmea een beroep op overmacht toekomt (volgens Achmea is dat het geval).
Kader overmacht
3.4.
Bij het ongeval waren een gemotoriseerde (de verzekerde van Achmea als vrachtwagenchauffeur) en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer ( [verzoekster] als fietser) betrokken. Voor deze situatie geldt artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW). Uit die bepaling en vaste jurisprudentie volgt dat de eigenaar van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer aansprakelijk is voor (in ieder geval 50% van) de schade, tenzij sprake is van overmacht.
3.5.
Volgens vaste jurisprudentie slaagt een beroep op overmacht alleen als aan de bestuurder van het motorvoertuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de manier waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, omdat het ongeval uitsluitend is te wijten aan fouten van een ander en die fouten voor de bestuurder van het motorvoertuig zo onwaarschijnlijk zijn dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Dit betekent dat men er in het verkeer in het algemeen niet altijd op mag vertrouwen dat iedere verkeersdeelnemer zich precies aan de verkeersregels houdt en dat men zich op zo’n manier moet gedragen dat een passende reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft. Het betreft een strenge norm waardoor, als in juridisch opzicht aan de verzekerde van Achmea enig verwijt te maken valt, hoe klein ook, het beroep op overmacht faalt.
3.6.
Daarbij geldt dat de eigenaar of houder van het motorvoertuig niet hoeft te bewijzen, dat de aanrijding is te wijten aan overmacht. Overmacht behoeft slechts aannemelijk te zijn. Voldoende is, dat de rechter de overtuiging heeft, dat het ongeval aan overmacht is te wijten.1
Andere toekomst
3.7.
Zoals uit de stukken en ter zitting naar voren kwam is het heel verdrietig dat het ongeval [verzoekster] is overkomen. Zij stond samen met haar echtgenoot en kinderen aan de vooravond van een nieuwe toekomst, ze woonden in een [.] en waren op weg naar de Gamma om vloerbedekking uit te zoeken voor hun nieuwe woning in [plaats] . Het ongeval had nog slechter kunnen aflopen en is dat gelukkig niet gebeurd maar door het ongeval moeten zij hun toekomst nu heel anders tegemoetzien.
Het beroep op overmacht slaagt
3.8.
De vrachtwagenchauffeur kan echter geen enkel verwijt van het ongeval worden gemaakt. Dit betekent dat het beroep van Achmea op overmacht slaagt en dat de verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
Het ongeval
3.9.
[verzoekster] fietste met haar echtgenoot over de Professor Zernikestraat. Haar echtgenoot reed voor haar en toen zij de kruising met de Einsteinstraat naderden (een voorrangsweg, op hun weg aangegeven met haaientanden), lukte het haar echtgenoot om zijn fiets (met handremmen) op tijd te stoppen maar [verzoekster] (op haar fiets met terugtraprem) lukte dit niet en zij is toen tegen de rechterzijkant van de vrachtwagen gebotst.
De ongevalsplek was overzichtelijk
3.10.
Op een screenshot van Google Maps Streetview van de ongevalslocatie (productie 1 [verzoekster] ) is te zien dat het een vrij overzichtelijk kruispunt betreft. Dat blijkt ook uit de onderstaande foto in de ongevallenanalyse van [B] , eveneens van Google Maps Streetview (van september 2023). Daarop heeft de verkeersongevallendeskundige met de rode pijl de rijrichting van de vrachtwagen aangegeven en met de gele pijl de rijrichting van [verzoekster] .
De snelheid was passend
3.11.
Het ongeval vond plaats binnen de bebouwde kom, op een industrieterrein waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. De verkeersongevallendeskundige heeft van een beveiligingscamera van een bedrijfspand in de buurt van het ongeval beelden van het ongeval gekregen. Aan de hand van onder andere de videobeelden heeft hij de snelheden geanalyseerd op/rondom het botsmoment. In zijn rapport komt hij over de gereden snelheid tot de volgende conclusie:
“De vrachtwagen reed op het botsmoment met een snelheid van ca. 38 km/u (10,6 m/s).
Bij nadering van de botsplaats reed de fietser met een gemiddelde snelheid van ca. 11 km/u (3 m/s).”
3.12.
Een snelheid van 38 (of mogelijk 40) kilometer per uur acht de rechtbank passend gelet op de overzichtelijke verkeerssituatie. Ook tegen de achtergrond, waar [verzoekster] op wijst, dat het een extra lange vrachtwagencombinatie was, dat op het betreffende bedrijventerrein ook een aantal gelijkwaardige kruisingen zijn en dat en in de betreffende straat volgens haar eerder ernstige ongevallen zijn geweest.
Het aanrakingspunt was ongeveer 13,5 meter vanaf het front van de vrachtwagencombinatie
3.13.
Uit de foto’s van de schade aan de vrachtwagencombinatie die zijn opgenomen in de ongevallenanalyse blijkt dat de fiets van [verzoekster] op ongeveer 13,5 meter voorbij het front van de vrachtwagencombinatie de vrachtwagen heeft geraakt. Dat het aanrakingspunt op het achterste gedeelde van de vrachtwagen was, blijkt ook uit het proces-verbaal van de politie en de verklaringen van [verzoekster] en haar echtgenoot. [verzoekster] en haar echtgenoot hebben allebei verklaard dat zij op het middelste wiel van de vrachtwagen is gebotst en in het proces-verbaal van de politie is over het raakpunt het volgende vermeld:
“Op camerabeelden is te zien dat de bestuurder van de fiets niet op tijd remde en met haar fiets tegen de rechterzijkant van de vrachtwagen reed. Op haar fiets zat aan de voorzijde een witten metalen mand. De bestuurder van de fiets botste met haar fiets tegen de aldaar op de oplegger zittende gereedschapsbak. Op deze bak waren witte sporen van de metalen mand zichtbaar. Nadat de bestuurder van de fiets tegen de vrachtauto was gereden kwam zij ten val en kwam net achter de laatste as van de oplegger op het wegdek terecht. Hierdoor werd zij wonder boven wonder niet overreden door de laatste as van de oplegger.”
3.14.
In de ongevallenanalyse zijn de botsposities als volgt weergegeven.
3.15.
Daarbij heeft de verkeersongevallendeskundige het volgende vermeld:
“In figuur 2 heb ik een indruk gegeven van de botspositie in boven aanzicht.
Daarbij moet wel aangetekend worden dat de lengte van de oplegger niet correct is. Tussen het front en de plaats waar de fietser in botscontact is gekomen met de oplegger is een afstand gesitueerd van (in werkelijkheid) ca. 13,5 meter (terwijl dat in de tekening van figuur 2 slechts ca. 9,5 meter is).
Rechts van figuur 2 heb ik het (uitvergrote) beeld geplaatst uit de videobeelden waarop te zien dat de fietser ten val komt als gevolg van de botsing tegen de rechterflank van de oplegger.”
De eindstand/eindpositie
3.16.
Aan de hand van de videobeelden heeft de verkeersongevallendeskundige op de volgende foto met de groene cirkel de plek aangegeven waar [verzoekster] direct na de botsing terecht is gekomen.
3.17.
Over de eindpositie van de vrachtwagencombinatie heeft hij het volgende vermeld:
“De video laat niet zien waar de vrachtwagen combinatie tot stilstand is gekomen.
Met de door [onderneming] aangeleverde beelden uit het Track en Trace systeem heb ik ter plaatse opgemeten/benaderd dat het front van de trekker op ca. 38 meter voorbij het hart van de kruising (oranje pylon op de foto's) tot stilstand is gekomen. Dat betekent dat het front van de trekker tussen de botsplaats en de eindpositie een afstand heeft afgelegd van ca. 27 meter.
Wanneer de chauffeur van de vrachtwagen in ongeveer 1 seconde heeft gereageerd op de aanrijding (die hij kon zien in zijn rechter buitenspiegel) en daarna heeft geremd met ca. 4 m/s2 zal hij voor het stoptraject (10,6 + 14 =) ca. 25 meter nodig hebben gehad. Deze afstand kan goed stroken met de zojuist genoemde 27 meter. Een en ander kan niet alleen aannemelijk maken dat [C] op het botsmoment gereden heeft met een snelheid van ca. 38 km/u maar ook dat hij zijn combinatie tot stilstand heeft gebracht als reactie op het zien (of horen) van de aanrijding.”
Het zicht van de vrachtwagenchauffeur
3.18.
De verkeersongevallendeskundige heeft het zicht van de vrachtwagenchauffeur als volgt in beeld gebracht.
3.19.
Hij heeft daarbij het volgende vermeld:
“Tussen het front van trekker en de plaats waar de fiets tegen de flank van de oplegger botste is een afstand gesitueerd van ca. 13,5 meter. Wanneer er (aannemelijk) vanuit wordt gegaan dat de fiets ongeveer 2,5 meter rechts van de pylon tegen de oplegger is gebotst, brengt dit met zich mee dat bovenstaande foto het zicht van [C] weergeeft op ca. 15 + 13,5 + 2,5 = ca. 31 meter vóór de botsplaats. Met een snelheid van 38 km/u legt [C] per seconde een afstand af van ca. 10,6 meter. Oftewel: Toen [C] 31 meter vóór de botsplaats reed was dat op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment. Wanneer voor de fietser een snelheid van 11 km/u (3 m/s) wordt aangehouden (benaderd vanuit de videobeelden) kan bepaald worden dat [verzoekster] toen nog ca. 2,9 x 3,0 = ca. 8,7 meter verwijderd was van de botsplaats (en ca. 8 meter van de rijbaankant). De (globale) positie van de fietsster (op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment) wordt in bovenstaande foto aangeduid met een rode streep.”
Het zicht van [verzoekster]
3.20.
Op de volgende foto heeft de ongevallenverkeersdeskundige het zicht van [verzoekster] weergegeven. Met de rode dubbele pijl heeft hij de (globale) positie weergegeven van het front van de vrachtwagencombinatie op circa 2,9 seconden vóór het botsmoment.
3.21.
Hij heeft daarbij het volgende vermeld:
“Toen [C] de van rechts naderende [verzoekster] waarnam op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment reed de fiets op ca. 8 meter vóór de rijbaangrens. Vanuit een fietssnelheid van 3 m/s zou mw. [verzoekster] eenvoudig tot stilstand kunnen zijn gekomen vóór de rijbaangrens. Voor [C] - die een voorrangskruising naderde en er derhalve vanuit mocht gaan dat hij in principe voorrang zou gaan krijgen van de naderende fietsers - was er naar mijn mening (op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment) vanwege het ontbreken van een ongevaldreiging, geen (enkele) aanleiding om acties te gaan ondernemen ter voorkoming van een aanrijding. Bovendien zou hij vanuit de op dat moment gereden snelheid (ca. 38 km/u) al niet meer met het front van de trekker vóór de botsplaats tot stilstand kunnen zijn gekomen.
Met andere woorden: Als [C] eerder was gaan remmen zou de fietser tegen een ander deel van de vrachtwagen flank zijn gebotst.
Omgekeerd,kan gesteld worden dat [verzoekster] op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment de van links komende vrachtwagen goed had kunnen zien. Volgens [onderneming] waren de zwaailichten aan de voor- en achterzijde van de combinatie in werking. Ik kan dit vanuit de videobeelden niet bevestigen. Het is namelijk een "lastige" waarneming vanwege het feit dat het ongeval zich afspeelt in een "hoekje" van het (niet al te scherpe) videobeeld.
[verzoekster] had aan de haaientanden en het in de berm geplaatste bord B06 van het RVV kunnen vaststellen dat zij aan het verkeer op de Einsteinstraat voorrang moet verlenen. Door op ca. 2,9 sec. het botsmoment (en ca. 8 meter vóór de rijbaankant) te gaan reageren op de naderende vrachtwagen had zij eenvoudig tot stilstand kunnen komen vóór/ter hoogte van de haaientanden en zodoende zou zij in staat zijn geweest om aan [C] voorrang te verlenen. Kennelijk heeft zij wel geprobeerd om haar fiets af te remmen maar werd die manoeuvre te laat uitgevoerd dan wel mislukte dit als gevolg van een niet (goed) werkende achterrem (…)”
De chauffeur heeft het ongeval niet kunnen voorkomen
3.22.
De rechtbank volgt de conclusie van de verkeersongevallendeskundige dat [verzoekster] ongeveer 2,9 seconden vóór het botsmoment op ongeveer 8 meter vóór de rijbaan van de Einsteinstraat was. De rechtbank volgt de verkeersongevallendeskundige ook dat de chauffeur ervan uit mocht gaan dat hij in principe voorrang zou gaan krijgen van de naderende fietsers en dat er op ongeveer 2,9 seconden vóór het botsmoment geen ongevalsdreiging was. In die situatie was het zo onwaarschijnlijk dat [verzoekster] niet op tijd zou remmen dat de chauffeur bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Hij hoefde er daarom niet op te anticiperen dat [verzoekster] niet (op tijd) kon remmen, of met de mogelijkheid rekening te houden dat [verzoekster] niet tijdig zou remmen. Bovendien kon de chauffeur, zoals uit de ongevallenanalyse blijkt, toen al niet meer met het front van de trekker tot stilstand te komen vóór de botsplaats. Immers als hij eerder was gaan remmen dan zou [verzoekster] tegen een ander deel van de vrachtwagen flank zijn gebotst. De chauffeur van de vrachtwagencombinatie heeft het ongeval dus niet kunnen voorkomen.
3.23.
De rechtbank neemt hierbij volledigheidshalve nog in aanmerking dat [verzoekster] erkent dat zij niet adequaat heeft geremd (punt 2 van de akte). Niet valt in te zien dat hiervan aan de vrachtwagenchauffeur enig verwijt kan worden gemaakt, los gezien van hetgeen hierboven in deze rechtsoverweging is geoordeeld. Dat geldt ook voor de opmerking van [verzoekster] in de akte (de punten 10 en 12) dat de vrachtwagencombinatie te hard reed en dat die snelheid een causale bijdrage aan het ontstaan van het ongeval heeft geleverd. Die conclusie kan niet worden onderbouwd met de door de deskundige vastgestelde feiten, terwijl [verzoekster] die feiten op zichzelf ook niet heeft weersproken.
3.24.
De rechtbank laat in het midden of [verzoekster] niet adequaat heeft geremd doordat, zoals Achmea aanvoert, de rem van de fiets van [verzoekster] kapot was. Dit kan de rechtbank niet vaststellen. De politie heeft dat weliswaar vastgesteld, maar heeft niet onderzocht of de rem al vóór het ongeval kapot was. De rechtbank laat ook in het midden of de zwaailichten van de vrachtwagencombinatie in werking waren. De deskundige heeft dat ook niet kunnen vaststellen. Het doet er ook niet toe, omdat dit niet aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen.
Conclusie: het beroep van Achmea op overmacht slaagt
3.25.
Dit betekent dat het beroep van Achmea op overmacht slaagt en dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen. Aan het subsidiaire beroep van Achmea op eigen schuld komt de rechtbank daarom niet toe en dat geldt dus ook voor het verweer op dit punt over de kosten.
Nadere opmerking
3.26.
De rechtbank beseft dat deze beslissing voor [verzoekster] een hard gelag is. Haar letsel is immers zeer ernstig en het is niet voorspelbaar of [verzoekster] hiervan volledig zal herstellen. Dit gegeven kan echter op zichzelf niet bijdragen aan de eventuele aansprakelijkheid van Achmea, omdat uit de beslissing volgt dat haar verzekerde een terecht beroep op overmacht toekomt. Aan de vrachtwagenchauffeur kan naar het oordeel van de rechtbank immers niet het kleinste verwijt worden gemaakt, ook al is het letsel van [verzoekster] ernstig.
De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 5.853,08 inclusief btw en exclusief griffierecht
3.27.
De rechtbank moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten, ook als een verzoek niet wordt toegewezen. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Daaruit volgt dat de rechtbank bij de begroting van de kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
3.28.
Namens [verzoekster] is bij de mondelinge behandeling 15 uur opgegeven voor dit deelgeschil met een uurtarief van € 270,00 exclusief btw. Achmea heeft geen verweer gevoerd tegen het aantal uren en het uurtarief. De rechtbank heeft gekeken naar het dossier en naar het gehanteerde tarief en is van oordeel dat een tijdsbesteding van 15 uur met een uurtarief van € 270,00 exclusief btw passend is, dat komt in totaal op (€ 4.050,00 exclusief btw =) € 4.900,50 inclusief btw. [verzoekster] maakt ook aanspraak op vergoeding van de kosten van de vertaling van haar verklaring van € 150,97 inclusief btw en de kosten van de tolk bij de mondelinge behandeling van € 801,61 inclusief btw. Achmea is niet bereid deze kosten te voldoen zolang de aansprakelijkheid niet vaststaat maar zij heeft geen apart verweer gevoerd tegen de begroting van deze kosten. Deze kosten zullen daarom als verschotten worden mee begroot. Daarbij moet het griffierecht van € 87,00 nog worden opgeteld.
De beschikking wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.29.
Een uitspraak die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, moet worden gevolgd ook al stelt een van partijen hoger beroep in tegen de uitspraak. Maar tegen de uitspraak over dit deelgeschil kan niet rechtstreeks in hoger beroep worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad voegt dus niets toe. Dit deel van het verzoek wordt dan ook afgewezen.
1Asser/Sieburgh 6-IV 2023/288
Rechtbank Midden-Nederland 21 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6373
DEELGSCHILLEN, in beroep en bodemzaak
RBMNE 171225 verlof tussentijds hoger beroep t.z.v. aansprakelijkheid voor letsel na val op bospad tijdens bedrijfsuitje met E-step
in vervolg op:
RBMNE 090425 wg-er o.b.v. 7:658 aansprakelijk voor letsel na val op bospad tijdens bedrijfsuitje met E-step
- Overeenkomst Resultaatsgerichte Beloning (RUB) voldoet niet aan dubbele redelijkheidstoets
- verzocht 43 uur x € 327,50 + 21%, toegewezen 30 uur x € 280 + 21% = € 10.164
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 september 2025 met het verzoek verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking;
- de akte overlegging producties van 24 september 2025 van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ;
- de conclusie van antwoord van 22 oktober 2025 van [gedaagde] .
1.2.
Zonder dat de kantonrechter [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] daarvoor de gelegenheid heeft gegeven hebben zij op de roldatum van de conclusie van antwoord, 22 oktober 2025, een akte overlegging aanvullende producties ingediend. Het gaat om stukken uit de deelgeschilprocedure die [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] met de eerdere akte overlegging producties nog niet hadden overgelegd. In de conclusie van antwoord maakt [gedaagde] er ook een punt van dat het procesdossier (van de deelgeschilprocedure) niet compleet is. De kantonrechter heeft geconstateerd dat het bij die nadere stukken gaat om de producties die bij het verzoekschrift in het deelgeschil zijn overgelegd (productie 14) en om de pleitaantekeningen van de advocaat van [gedaagde] die zijn voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van het deelgeschil (productie 15). De akte is daarom toegelaten. De griffier heeft partijen daarop met het e-mailbericht van 29 oktober 2025 laten weten dat een beslissing zal worden genomen over het verzoek om toestemming te geven om tussentijds hoger beroep in te stellen. Daarbij is aan [gedaagde] de gelegenheid gegeven om, als hij dat wil, in het kader van dat verzoek nog te reageren op de akte met aanvullende producties van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] . Van die mogelijkheid heeft [gedaagde] gebruik gemaakt. Hij heeft op 12 november 2025 de ‘akte uitlating hoger beroep’ ingediend.
1.3.
Nu volgt deze uitspraak.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zijn het niet eens met de uitspraak van 9 april 2025 die de kantonrechter heeft gedaan in de deelgeschilprocedure met zaak-/rekestnummer 11509201 / AE VERZ 25-6. Zij willen daarvan in hoger beroep. [gedaagde] sluit zich als het daar om gaat aan bij het oordeel van de kantonrechter. Wel wil [gedaagde] , als het verlof wordt verleend, zelf ook (incidenteel) hoger beroep instellen over de kosten van het deelgeschil. De kantonrechter geeft partijen in dit vonnis toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
Tijdens een bedrijfsuitje van zijn werkgever [eiseres sub 2] , waarbij met een elektrische step een toer werd gemaakt, is [gedaagde] gevallen. Hij heeft daar blijvend letsel aan overgehouden. [gedaagde] heeft [eiseres sub 2] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen die het ongeval voor hem heeft. [eiseres sub 2] en haar bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar [eiseres sub 1] hebben geen aansprakelijkheid erkend, ook niet nadat bij de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor is gehouden. Om duidelijkheid te krijgen over de aansprakelijkheid van zijn werkgever is [gedaagde] bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure begonnen. De deelgeschilrechter heeft geoordeeld dat het bedrijfsuitje onder de reikwijdte van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt omdat het uitje in voldoende nauw verband stond met de werkzaamheden. Vervolgens heeft de deelgeschilrechter geoordeeld dat [eiseres sub 2] niet aan haar zorgplicht uit dat artikel heeft voldaan, waarna is beslist dat [eiseres sub 2] aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het ongeluk van [gedaagde] . Over de positie van [eiseres sub 1] heeft de deelgeschilrechter beslist dat als het uiteindelijk op uitkeren aankomt [eiseres sub 1] die uitkering rechtstreeks aan [gedaagde] moet betalen. De kosten van het deelgeschil zijn, na matiging, begroot op € 10.254,00.
4De beoordeling
Toetsingskader voor het geven van verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep
4.1.
Om van een uitspraak in een deelgeschilprocedure hoger beroep te kunnen instellen moet eerst een bodemprocedure worden gestart. In die bodemprocedure moet dan aan de bodemrechter verlof worden gevraagd om in hoger beroep te mogen van de deelgeschilbeschikking. Door deze route krijgt een deelgeschilbeschikking kort gezegd de status van een tussenvonnis in een bodemprocedure. Dit betekent dat beslissingen die in de deelgeschilbeschikking staan dezelfde bindende kracht hebben als (eind)beslissingen in tussenvonnis. Verder is het zo dat van een deelgeschilbeschikking alleen hoger beroep kan worden ingesteld als en voor zover daarin bindende eindbeslissingen staan over de materiële rechtsverhouding van partijen. Dit volgt uit artikel 1019bb samen met artikel 1019cc lid 1 en 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Over de termijn voor het instellen van hoger beroep heeft de Hoge Raad in het arrest van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1924) beslist dat deze gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Omdat een deelgeschilbeschikking in een bodemprocedure zoals gezegd de status krijgt van tussenvonnis zal de kantonrechter als het gaat om de start van de appeltermijn aansluiten bij deze regeling ook al wijkt die af van dat wat in de wet in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv staat over het aanvangsmoment van de appeltermijn. Bij het beoordelen van het verlenen van verlof moet de rechter er van de Hoge Raad ook op letten of het openstellen van hoger beroep niet tot onredelijke vertraging van de procedure leidt (zie punt 3.2.4 van het arrest van 17 december 2021 ECLI:NL:HR:2021:1924).
Er is beslist over de materiële rechtsverhouding tussen partijen
4.2.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de deelgeschilrechter een beslissing heeft genomen over de materiële rechtsverhouding: alleen dan is hoger beroep mogelijk van de deelgeschilbeschikking. In de beschikking van 9 april 2025 is de deelgeschilrechter tot de conclusie gekomen dat [eiseres sub 2] tegenover [gedaagde] aansprakelijk is voor (de gevolgen van) de val van [gedaagde] tijdens het bedrijfsuitje en dat is ook voor recht verklaard. Daarmee is een beslissing gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.
4.3.
Ook wat de deelgeschilrechter heeft beslist over de begroting van de kosten van het deelgeschil is een bindende eindbeslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Ook daar kan dus tegen op gekomen worden in hoger beroep. Dit geldt niet voor de veroordeling tot betaling van de kosten van het deelgeschil die, in situaties waarin aansprakelijkheid vast staat of is komen vast te staan, volgt op een begroting van deelgeschilkosten. De kantonrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1407).
Het verzoek is op tijd gedaan
4.4.
Vervolgens moet gekeken worden of het verzoek om toestemming voor het instellen van hoger beroep op tijd is gedaan. Door het arrest van 17 december 2021 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1924) dat de kantonrechter hiervoor onder 4.1 heeft genoemd moet daarvoor niet langer worden aangesloten bij de eerste roldag of de datum van de beschikking waartegen men op wil komen zoals vermeld staat in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv, maar bij de datum van het vonnis waarin de mogelijkheid van hoger beroep wordt opengesteld. Daarmee is het verzoek op tijd gedaan.
Het hoger beroep leidt niet tot onredelijke vertraging
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat een tussentijds hoger beroep in deze zaak niet leidt tot onredelijke vertraging van de procedure. Daarbij heeft de rechtbank ook gelet op het feit dat [gedaagde] heeft aangegeven zich aan te sluiten bij het oordeel van de kantonrechter hierover.
Het verlof wordt verleend
4.6.
Dat wat de kantonrechter hiervoor heeft overwogen betekent dat het verlof zal worden verleend. Hierbij heeft de kantonrechter meegewogen dat er ook niet is gesteld of op een andere manier is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of een juridische misslag wat dan voor de bodemrechter reden zou kunnen zijn om terug te komen op de beslissing die (in deelgeschil) is gegeven over de aansprakelijkheid. De kantonrechter is dus gebonden aan de beslissing dat [eiseres sub 2] niet aansprakelijk is. Het kan zijn dat het hof daarover anders beslist. Daarom, en om redenen van proceseconomie, staat de rechtbank tussentijds hoger beroep toe van de beschikking van 9 april 2025.
Deze zaak gaat naar een roldatum over zes maanden
4.7.
Omdat de zaak nu eerst naar het hof gaat, zal de kantonrechter deze zaak naar een roldatum over zes maanden verwijzen zodat partijen zich dan kunnen uitlaten over de stand van zaken op dat moment. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Rechtbank Midden-Nederland 17 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7045
AANSPRAKELIJKHEID MEDISCH, informed consent
IGJ 021225 Gezondheidsverschillen en gelijke toegang tot zorg
Gelijke toegang tot zorg staat onder druk omdat zorg voor grote groepen mensen vaak niet begrijpelijk of niet passend is. Door verschillen in taalvaardigheid, gezondheidsvaardigheden, achtergrond en leefomstandigheden sluit zorg niet altijd aan bij wat patiënten nodig hebben. Dit vergroot gezondheidsverschillen. Dat betekent dat patiënten moeite hebben met het vinden, begrijpen en gebruiken van gezondheidsinformatie. Zorgorganisaties kunnen dit verbeteren door begrijpelijke communicatie, aandacht voor uiteenlopende doelgroepen en zorg die beter aansluit op de wensen en mogelijkheden van de patiënt.
Als de zorg niet is afgestemd op de persoon, is er een grotere kans op ongelijke toegang tot zorg en uiteindelijk op gezondheidsverschillen. Daarom keek de IGJ in 2025 naar:
Begrijpelijke zorg.
Dat betekent dat mensen informatie kunnen vinden, begrijpen en gebruiken. Denk aan een duidelijk aanmeldproces, begrijpelijke uitleg of eenvoudige brieven met duidelijke instructies.
Passende zorg.
Dat betekent dat de zorg aansluit bij iemands behoeften, achtergrond en mogelijkheden. Niet iedereen herkent zich in het bestaande zorgaanbod of voelt zich welkom in de zorg. Verschillen in cultuur, taal, gender, opleidingsniveau of stress door bijvoorbeeld schulden beïnvloeden wat iemand nodig heeft en hoe goed de zorg daarop aansluit.
Wat horen we van patiënten?
In 2025 sprak de IGJ met patiënten, cliënten en naasten over begrijpelijkheid in de zorg. Daaruit bleek dat driekwart van hen moeite heeft met het begrijpen van zorginformatie. Veel mensen kregen geen of onduidelijke uitleg. Zij vonden de gebruikte taal te moeilijk. Ook is het lettertype in brieven of folders soms te klein. Of zij misten naast mondelinge uitleg schriftelijke informatie om later terug te kunnen lezen. Soms is informatie alleen digitaal beschikbaar, zoals digitale afspraken of folders. Daarmee wordt geen rekening gehouden met verschillen in (digitale) gezondheidsvaardigheden van mensen.
Wat zien we bij zorgorganisaties?
We vroegen zorgorganisaties en zorgnetwerken wat zij doen om te zorgen dat informatie door de patiënt wordt begrepen en dat de zorg aansluit bij de patiënt. Dat bleek erg verschillend te zijn. Er zijn organisaties die geen aandacht hebben voor het onderwerp, maar er zijn ook organisaties en netwerken die hier al heel ver in zijn. IGJ.nl
AANSPRAKELIJKHEID MISDAAD, seksueel misbruik
RBROT 271125 ook civiel is strafrechtelijk veroordeelde partij aansprakelijk voor seksueel misbruik
- verzocht 9,7 uur x 291,50 + 21%; toegewezen 8 uur x € 265 + 21% = € 2565,20
Eerder al op het LSA Letselschade Magazine, nu ook op Rechtbank Rotterdam 27 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13965
AANSPRAKELIJKHEID MISDAAD, schadefonds geweldsmisdrijven (NIEUWE CATEGORIE)
Schadefonds GeweldsMisdrijven 010126 Per 1 januari 2026 treedt de nieuwe Beleidsbundel en Letsellijst in werking
Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming van het Schadefonds, moet de aanvraag voldoen aan alle voorwaarden uit de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. De wettelijke regels zijn uitgewerkt in onze beleidsbundel. Hierin leest u hoe het Schadefonds een aanvraag beoordeelt. Klik hier voor de beleidsbundel van 1 januari 2026.
Hieronder volgt een overzicht van de aanpassingen:
- Psychisch letsel door getuige zijn
Het Schadefonds geeft een tegemoetkoming als iemand psychisch letsel krijgt door getuige te zijn van een gewelds- of seksueel misdrijf. Een voorwaarde hiervoor is dat dit onverwachts gebeurt. Per 1 januari 2026 komen ook mensen in aanmerking die kort na een misdrijf direct geconfronteerd werden met de gevolgen van een gewelds- of seksueel misdrijf. Bijvoorbeeld door het zien van (het lichaam van) het slachtoffer in het ziekenhuis of in het mortuarium tijdens de identificatie. In deze gevallen hebben wij medisch bewijs nodig van het opgelopen psychisch letsel.
Zie hoofdstuk 1.3.1 - Nabestaanden
Sinds 1 januari 2012 geeft het Schadefonds tegemoetkomingen aan nabestaanden van slachtoffers die door een opzettelijk gepleegd gewelds- of seksueel misdrijf om het leven zijn gekomen. Per 1 januari 2026 is de groep die in aanmerking komt uitgebreid. Ook een kind dat voor het misdrijf al was verwekt, daarna is geboren en nog leeft, wordt als nabestaande gezien.
Zie paragraaf 2.1 - Hoogte uitkering derving van levensonderhoud
Een meerderjarig kind van een overledene die nog middelbaar onderwijs volgt kan nu ook een tegemoetkoming aanvragen voor derving van levensonderhoud.
Zie E.2
Letsellijst
In de letsellijst staat welke tegemoetkoming past bij welk letsel. De letsellijst bestaat uit twee delen: fysiek (lichamelijk) letsel en psychisch (geestelijk) letsel. Klik hier voor de letsellijst van 1 januari 2026. Hieronder volgt een overzicht van de aanpassingen:
- Ontsierend litteken
De uitleg over wanneer een litteken als ontsierend wordt gezien, is aangepast. De beoordeling is niet veranderd, alleen de uitleg is verduidelijkt. - Vooronderstellen van ernstig psychisch letsel op basis van het gewelds- of seksueel misdrijf
- In letselcategorie 1 is een seksueel misdrijf zonder seksueel binnendringen onder verzwarende omstandigheden toegevoegd.
Zie hoofdstuk 2A - Er is meer duidelijkheid over het verschil tussen letselcategorie 2 en letselcategorie 3 bij een seksueel misdrijf.
Zie hoofdstuk 2A - Bij een rechtstreekse bedreiging met een mes of wapen is de verzwarende omstandigheid ‘het raken van inwendige organen of vitale structuren’ verwijderd.
Zie hoofdstuk 2A
- In letselcategorie 1 is een seksueel misdrijf zonder seksueel binnendringen onder verzwarende omstandigheden toegevoegd.
- Beoordeling van psychisch letsel op basis van medische informatie
De uitleg is uitgebreid met extra informatie over ‘afhankelijkheid’. Dit gaat over hoe het Schadefonds het verminderde vermogen van iemand om zelfstandig deel te nemen aan het dagelijks leven beoordeelt. De voorwaarden zijn verder verduidelijkt en die staan bij de toelichting van de letselcategorie 4, 5 en 6. De beoordeling zelf is niet veranderd, maar wordt nu uitgebreider uitgelegd in de letsellijst.
Zie hoofdstuk 2B
Overgangsbeleid
De nieuwe beleidsbundel en letsellijst gelden voor aanvragen die op of na 1 januari 2026 zijn ingediend, ongeacht wanneer het misdrijf gebeurde. Dit betekent dat de datum van de aanvraag bepaalt welke beleidsbundel en letsellijst wij gebruiken bij de beoordeling.
Als bij aanvragen van voor 1 januari 2026 blijkt dat de letsellijst en beleidsbundel van 1 januari 2026 beter zijn voor de aanvrager, gebruiken we deze versies.
Bij bezwaar gebruiken we de beleidsbundel en letsellijst die geldig waren op het moment van het nemen van de beslissing. https://schadefonds.nl
CAUSAAL VERBAND EN EIGEN SCHULD, algemeen
SCHADEBEHANDELING PRIVACY EN LETSELSCHADE, privacy medisch, patiëntenkaart
RBOVE 231225 causaal verband tussen bedrijfsongeval en schade niet aangetoond; volgt afwijzing
- onvoldoende medische gegevens beschikbaar; dat sprake is van blanco medische voorgeschiedenis niet aangetoond
3De feiten
3.1.
[eiser] was vanaf 16 juli 2018 werkzaam bij [gedaagde] als [functie] . Op 18 juli 2018 is [eiser] een bedrijfsongeval overkomen tijdens het werk.
3.2.
[eiser] heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval. Partijen heb enige tijd gediscussieerd over de aansprakelijkheid. De Goudse, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde], heeft uiteindelijk de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend op 25 maart 2021.
3.3.
De Goudse heeft op 16 augustus 2021 een voorschot op de schadevergoeding van € 5.000,00 betaald aan [eiser] .
3.4.
[eiser] ontvangt sinds 16 juli 2020 een uitkering op grond van de Wet WIA.
4Het geschil
4.1.
[eiser] stelt als gevolg van het ongeval schade te hebben geleden en vordert daarom in deze procedure om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
- - het verlies aan verdienvermogen vanaf de datum van het ongeval t/m 31 december 2024 ter hoogte van € 41.640,05,
- - een smartengeldvergoeding van € 45.000,00,
- - een voorschot op de kosten van ondersteuning door twee familieleden van € 25.000,00 ,
- - een materiële schadevergoeding van € 900,00,
- - de buitengerechtelijke kosten van € 5.040,00,
- - de wettelijke rente.
Daarnaast vordert [eiser] een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het vaststellen van het verlies aan verdienvermogen vanaf 2024.
4.2.
[eiser] stelt dat hij door het bedrijfsongeval niet meer kan werken. Hij ontvangt een WIA-uitkering en stelt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het verlies aan verdienvermogen. Daarnaast stelt [eiser] dat hij intensief verzorgd moet worden door familie en daarvoor kosten moet maken. Volgens [gedaagde] is het causaal verband tussen de gevorderde schadevergoeding en het ongeval niet aangetoond en zijn de diverse door [eiser] gevorderde schadeposten onvoldoende onderbouwd.
5De beoordeling
5.1.
Het draait in deze procedure om de vraag of de door [eiser] gestelde schade het gevolg is van het ongeval waarvoor [gedaagde] aansprakelijk heeft erkend. De vraag of de na het ongeval opgetreden medische klachten van [eiser] het gevolg zijn van het ongeval kan alleen beantwoord worden na onderzoek door een of meer medische deskundigen. Deze informatie is ook nodig om te kunnen beoordelen of er in juridische zin sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de gestelde schade.
5.2.
[eiser] zal moeten aantonen dat hij als gevolg van het ongeval medische klachten heeft en daardoor schade lijdt. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de stelling van [eiser] dat de medische klachten van [eiser] zijn veroorzaakt door het ongeval. In het medisch advies van 21 mei 2021 staat bovendien dat de medisch adviseur niet kan beoordelen of de klachten en beperkingen van [eiser] het gevolg zijn van het ongeval, omdat er medische informatie ontbreekt. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt dat zij meerdere keren om deze ontbrekende informatie heeft gevraagd bij [eiser] . Het gaat om het huisartsenjournaal van [eiser] van twee jaar voor het ongeval en om de medische informatie van de spoedeisende hulp waar [eiser] direct na het ongeval is geweest. In letselschadezaken waarin moeilijk vast te stellen is waardoor de medische klachten zijn veroorzaakt is het gebruikelijk dat medische informatie van voor het ongeval wordt overgelegd door de benadeelde partij. Het verzoek van [gedaagde] aan [eiser] om deze medische informatie aan te leveren is daarom ook redelijk. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij niet over meer medische informatie beschikt, maar aan die stelling gaat de kantonrechter voorbij. [eiser] stelt weliswaar dat hij een blanco medische voorgeschiedenis heeft, maar dat wil nog niet zeggen dat het onmogelijk is om bij zijn huisarts de gevraagde medische informatie op te vragen. [eiser] heeft bovendien ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij wel geprobeerd heeft om deze informatie te verzamelen.
5.3.
In het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagde] had het dus op de weg gelegen van [eiser] zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen. Dat heeft [eiser] onvoldoende gedaan. [eiser] was als sinds het medisch advies van 21 mei 2021 op de hoogte van de vragen die [gedaagde] had over de oorzaak van de medische klachten. Tot op heden heeft hij nagelaten de gevraagde informatie te overleggen, terwijl hij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Dat betekent dat [eiser] niet zal worden toegelaten om de gevraagde stukken alsnog te overleggen. Nu de gevraagde stukken ontbreken kan niet worden beoordeeld of de gestelde medische klachten zijn veroorzaakt door het ongeval. Een causaal verband tussen de gestelde schade en het ongeval komt daarom niet vast te staan. Aan de begroting van de schadeposten komt de kantonrechter om die reden ook niet toe. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
5.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.900,00 |
(2 punten × € 950,00) |
|
- nakosten |
€ |
135,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.035,00 |
5.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Rechtbank Overijssel 23 december 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7571
RECHTSBIJSTANDKOSTEN, Resultaatsafhankelijke UrenBeloning, RUB
NOVA, ingangsdatum 010126 Wijzigingsverordening resultaatgerelateerd honorarium en experiment letsel- en overlijdensschadezaken 2025
Besluit van het college van afgevaardigden van 30 september 2025 inhoudende de wijziging van de Verordening op de advocatuur in verband met het informeren van de deken over het resultaatgerelateerd honorarium en experiment letsel- en overlijdensschadezaken (Wijzigingsverordening resultaatgerelateerd honorarium en experiment letsel- en overlijdensschadezaken 2025)
Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten;
gelet op artikel 28, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet;
gezien het voorstel van de algemene raad;
gehoord het advies van de raad van advies;
gezien het advies van de adviescommissie regelgeving;
gezien het advies van het dekenberaad;
stelt de navolgende bepalingen vast:
ARTIKEL I
De Verordening op de advocatuur wordt gewijzigd als volgt:
A In paragraaf 7.4.3 (Experiment letsel- en overlijdensschadezaken) vervalt in de titel het begrip “Experiment”.
B Artikel 7.13 Informeren deken over resultaatgerelateerd honorarium vervalt.
C Artikel 10.3 Einde experiment letsel- en overlijdensschadezaken vervalt.
ARTIKEL II
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.
ARTIKEL III
Deze Verordening wordt aangehaald als: Wijzigingsverordening resultaatgerelateerd honorarium en
experiment letsel- en overlijdensschadezaken 2025.
ARTIKEL IV
Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
voor meer achtergronden: advocatenorde.nl
daar ook:
Gevolgen voor de advocatuur
De advocaat heeft de mogelijkheid om met betrekking tot het resultaatgerelateerd honorarium
afspraken te maken bij letsel- en overlijdensschadezaken met inachtneming van de bepalingen in
paragraaf 7.4.3 (Letsel- en overlijdensschadezaken) van de Voda.
Toezicht en handhaving
De voorliggende Wijzigingsverordening brengt wijzigingen aan in de organisatie en verantwoordelijkheden voor de organen van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) omdat de informatieverplichting aan de deken over het aangaan van overeenkomsten inzake resultaatgerelateerd honorarium in de zin van artikel 7.13, eerste en tweede lid, van de Voda, vervalt.
De verplichting voor dekens om alle informatie aan de algemene raad te verstrekken die relevant is voor de beoordeling van de doeltreffendheid en de effecten van paragraaf 7.4.3 (Experiment letsel en overlijdensschadezaken) in de zin van artikel 7.13, derde lid, van de Voda, vervalt eveneens.
Omdat het experiment wordt omgezet naar een permanente praktijk in de Voda, is het verzamelen van de informatie zoals vermeld in artikel 7.13 (informeren deken over resultaatgerelateerd honorarium) van de Voda voor evaluatiedoeleinden eveneens niet langer noodzakelijk.
De controle op de naleving van de in de nieuwe paragraaf 7.4.3 (Letsel- en overlijdensschadezaken) opgenomen voorschriften vindt plaats binnen het reguliere toezicht van de dekens van de orden in de arrondissementen in de zin van artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet.
RECHTSBIJSTANDKOSTEN, richtlijn EU
RBMNE 101225 advocatendeclaratie, kostenbeding niet transparant maar niet oneerlijk; korting 20%; rentebeding van 1% per maand is wél oneerlijk
2De verdere beoordeling
Het tussenvonnis van 15 oktober 2025
2.1.
De kantonrechter neemt over en verwijst naar wat is overwogen in het tussenvonnis van 15 oktober 2025.
Reactie van [eiser]
2.2.
heeft, kort samengevat, toegelicht dat [gedaagde] telefonisch contact met zijn kantoor heeft opgenomen met het verzoek hem bij te staan in een verzoekschriftprocedure. Tijdens dat gesprek heeft [eiser] [gedaagde] verteld dat hij voor zijn werkzaamheden € 185,00 (exclusief btw) rekent, vermeerderd met kosten die ‘derden’ hem in rekening brengen (de verschotten), dat op zijn diensten de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat hij in beginsel maandelijks factureert. Ook heeft [eiser] op voorhand [gedaagde] verteld dat hij moeilijk kon inschatten hoeveel tijd er nodig is om tot oplossingen te komen. Hij heeft daarbij verteld dat rechtszaken geregeld tussen de € 5.000,00 en € 10.000,00 kosten en dat het om die reden verstandig is om te kijken of een minnelijke regeling mogelijk is. [eiser] heeft [gedaagde] ook gevraagd naar zijn gezinssituatie. [eiser] kwam tot de conclusie dat [gedaagde] vanwege zijn inkomen niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. [eiser] is na bevestiging van de opdracht en akkoord van [gedaagde] aangevangen met zijn werkzaamheden voor [gedaagde] . [eiser] heeft vervolgens in januari 2025, februari 2025 en april 2025 zijn uitgevoerde werkzaamheden gefactureerd.
2.3.
Volgens [eiser] heeft hij voldaan aan de verplichtingen in artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’). [gedaagde] heeft zich ook niet beklaagd dat [eiser] niet heeft voldaan aan die verplichtingen.
2.4.
Volgens [eiser] heeft hij in zijn dagvaarding voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten en rente aansluiting gezocht bij de wet. Hij begrijpt dat eventuele bedingen in de algemene voorwaarden, ook al doet hij daar geen beroep op, alsnog relevant zijn. Hij heeft zijn algemene voorwaarden voor zijn dienstverlening inmiddels aangepast op de website.
Kwalificatie van de overeenkomst en de werkzaamheden
2.5.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht gekwalificeerd moet worden als een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 6:230h lid 1 BW, waarbij [gedaagde] heeft gehandeld als consument en [eiser] als handelaar in de zin van artikel 6:230g lid 1 sub b BW.
2.6.
De kantonrechter leidt uit de toelichting van [eiser] en uit de afspraak- en opdrachtbevestiging af dat de overeenkomst tijdens een telefonisch gesprek is gesloten en niet op kantoor van [eiser] . De overeenkomst moet aldus gekwalificeerd worden als een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte in de zin van artikel 6:230m BW.
Ambtshalve toetsing kernbeding
2.7.
Op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn oneerlijke bedingen moet de kantonrechter kernbedingen (zo nodig ambtshalve) in consumentenovereenkomsten toetsen op oneerlijkheid als het kernbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (het transparantievereiste).
2.8.
De bepaling dat [eiser] voor zijn werkzaamheden een uurtarief van € 185,00 exclusief btw en verschotten rekent, is een kernbeding. Dit is expliciet in de opdrachtbevestiging opgenomen. Niet gesteld of gebleken is dat er over dit kostenbeding afzonderlijk is onderhandeld. De kantonrechter moet daarom beoordelen of het kostenbeding in de tussen partijen gesloten overeenkomst voldoet aan het hiervoor genoemde transparantievereiste. Daarvoor moet aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 (zaak C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14).
Het kostenbeding is niet transparant
2.9.
De kantonrechter is van oordeel dat het beding niet transparant is. Gelet op de door [eiser] gegeven toelichting begrijpt de kantonrechter dat de totale kosten in dit geval niet te voorspellen waren, maar van [eiser] had toch verwacht mogen worden dat hij informatie aan [gedaagde] had gegeven met aanwijzingen om de kosten enigszins in te kunnen schatten, eventueel tot een bepaald moment. Dat [eiser] maandelijks factureerde en daarbij een specificatie verstrekte, leidt niet tot een ander oordeel. Ook de algemene opmerking dat rechtszaken geregeld tussen de € 5.000,00 en € 10.000,00 kosten, is onvoldoende. Die globale kostenberaming was namelijk niet toegespitst op de situatie van [gedaagde] . Tegen die achtergrond is een globale kostenberaming dan ook weinig informatief.
2.10.
Op basis van de door [eiser] verstrekte informatie kon [gedaagde] dan ook de (financiële) gevolgen niet overzien voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
Het kostenbeding is niet oneerlijk
2.11.
Omdat het kostenbeding niet transparant wordt bevonden, moet worden beoordeeld of het beding ook oneerlijk is. Hoewel de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) niet rechtstreeks van toepassing is, brengt een richtlijnconforme uitleg mee dat de kantonrechter een oneerlijk beding op grond van artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet vernietigen (zie het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:691). Artikel 6:233 onder a BW bepaalt dat een beding onredelijk bezwarend (oneerlijk) is wanneer het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (de consument). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft uitdrukkelijk geoordeeld dat een niet transparant beding niet meteen een oneerlijk beding is, maar het gebrek aan transparantie wel meeweegt bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid.
2.12.
Ten eerste moet worden nagegaan of de consument het beding ook zou hebben aanvaard als er op eerlijke en billijke wijze over was onderhandeld. Daarnaast moet er sprake zijn van een aanzienlijke verstoring in het evenwicht van de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen, ten nadele van de consument. Ook zijn alle andere omstandigheden rond het sluiten van de overeenkomst relevant.
2.13.
De kantonrechter stelt voorop dat het in de praktijk ongebruikelijk is dat over een uurtarief van een advocaat wordt onderhandeld. In deze zaak is niet gesteld of gebleken dat dit in dit geval wel had gemoeten. Het door [eiser] gehanteerde uurtarief waar dus wel vooraf over is gesproken is ook marktconform. Op dit punt is er daarom in ieder geval geen sprake van een oneerlijke of onbillijke onderhandeling. Verder is niet gebleken dat [gedaagde] het kostenbeding van [eiser] niet had aanvaard als [eiser] wel had voldaan aan het transparantievereiste door meer informatie over de totaal te verwachten kosten te geven. Bijvoorbeeld doordat [gedaagde] niet meer dan een bepaald bedrag wilde uitgeven voor de werkzaamheden. [eiser] mocht er daarom redelijkerwijs van uitgaan dat [gedaagde] ook had ingestemd met het kostenbeding als er afzonderlijk over was onderhandeld.
2.14.
Van een aanzienlijke verstoring in het evenwicht ten nadele van [gedaagde] van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen is ook geen sprake. Daarbij weegt mee dat er geen wettelijke bepalingen zijn die uurtarieven voor advocaten voorschrijven en dat het kostenbeding [gedaagde] dus niet in een minder gunstige positie plaatst dan die welke voortvloeit uit het Nederlandse recht. Een opdrachtgever is namelijk in ieder geval een redelijk loon verschuldigd (artikel 7:405 lid 2 BW). Een advocaat moet volgens de voor de beroepsgroep geldende gedragsregels ook een redelijk loon in rekening brengen. Het is de kantonrechter niet gebleken dat het kostenbeding afwijkt van deze beginselen en, zoals hiervoor is overwogen, is het uurtarief ook marktconform.
2.15.
De conclusie is dat de kantonrechter het beding, alles afwegende, niet oneerlijk acht.
Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel gehouden is tot betaling van de openstaande facturen.
Ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieplichten
2.16.
Aan de hiervoor in overwegingen 2.9. en 2.10. vastgestelde schending van de informatieplicht (op de juiste wijze informatie geven over de totale kosten) moet de kantonrechter de gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.17.
De kantonrechter zal daarom op grond van de schending de overeenkomst met toepassing van de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van [gedaagde] alleen ten aanzien van het in rekening gebrachte honorarium van € 2.943,73 wordt verminderd met 20%.
Conclusie ten aanzien van de hoofdsom
2.18.
Het voorgaande leidt er toe dat de hoofdsom toewijsbaar is tot het bedrag van € 2.354,98 (= 80% van € 2.943,73).
[gedaagde] hoeft de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen
De buitengerechtelijke incassokosten
2.19.
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 342,48. In artikel 4.7. van de algemene voorwaarden is daarover een beding opgenomen. De kantonrechter is van oordeel dat het beding oneerlijk is. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
2.20.
De tekst van het beding sluit namelijk niet uit dat de incassokosten al zijn verschuldigd zodra een sommatie of herinnering is verzonden, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor ten nadele van consumenten aanzienlijk afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het beding is aldus oneerlijk ten opzichte van [gedaagde] en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. [gedaagde] hoeft de buitengerechtelijk incassokosten van € 342,48 niet aan [eiser] te betalen.
2.21.
Omdat sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk.
De rente
2.22.
[eiser] maakt ook aanspraak op vergoeding van rente van € 92,70. In artikel 4.6. van de algemene voorwaarden is daarover een beding opgenomen. De kantonrechter is van oordeel dat het beding oneerlijk is. De rente wordt daarom afgewezen.
2.23.
De bedongen rente van 1% per maand (12,68% per jaar) is namelijk hoger dan de wettelijke rente voor handelstransacties (12,25% per jaar per 1 juli 2024) was op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Door die hoge bedongen rente wordt het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Om die reden is het rentebeding oneerlijk en wordt het door de kantonrechter vernietigd. Als gevolg daarvan moet de gevorderde rentevergoeding van € 92,70 worden afgewezen. Ook heeft hier te gelden dat er niet teruggevallen kan worden op de wettelijke regeling, omdat het beding oneerlijk is.
De verwerking van de betalingen van [gedaagde]
2.24.
In de dagvaarding heeft [eiser] opgenomen dat [gedaagde] in totaal € 730,00 heeft aanbetaald (zie 3e alinea van punt 7 van de dagvaarding / zie productie 5 van [eiser] ). [eiser] heeft voor de verwerking van de betalingen een beroep op artikel 6:44 BW gedaan. Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekt deze betalingen eerst in mindering op de door [eiser] gemaakte kosten, daarna op de rente en ten slotte op de hoofdsom. Omdat de buitengerechtelijke incassokosten en rente zijn afgewezen, wordt het totaalbedrag van € 730,00 in mindering gebracht op de toewijsbare hoofdsom van € 2.354,98, waardoor er van de hoofdsom een bedrag van € 1.621,98 (= € 2.354,98 - € 730,00) resteert. De hoofdsom wordt dan ook toegewezen tot het bedrag van € 1.621,98.
2.25.
Voor zover [gedaagde] na 26 mei 2025 nog betalingen aan [eiser] heeft verricht, moet [eiser] die betalingen in mindering laten strekken op de toewijsbare vorderingen. Rechtbank Midden-Nederland 10 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6865
SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, psychiater, verzekeringsarts, toeslagenaffaire
RBROT 181225 toeslagenaffaire; vdo psychiater toegewezen, ad onderzoek aangehouden; voorschot t.l.v. staat; aansprakelijkheid jegens kinderen betwist
Rechtbank Rotterdam 18 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14895
RBROT 181225 toeslagenaffaire; vdo psychiater toegewezen, ad onderzoek aangehouden; voorschot t.l.v. staat; aansprakelijkheid jegens kinderen betwist
Rechtbank Rotterdam 18 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14896
RBROT 181225 toeslagenaffaire; vdo psychiater toegewezen, ad onderzoek aangehouden; voorschot t.l.v. staat; aansprakelijkheid jegens kind betwist
Rechtbank Rotterdam 18 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14897
DEELGESCHILLEN, in beroep en bodemgeschil
RBMNE 241225 eiseres niet ontvankelijk nu enkel verlof voor hoger beroep is gevraagd en geen procedure ten principale is ingesteld
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] is het niet eens met de uitspraak van 9 april 2025 die deze rechtbank heeft gedaan in de deelgeschilprocedure met zaak-/rekestnummer 586925 / HA RK 25-1. Zij wil daarvan in hoger beroep. SOM en [gedaagde sub 2] hebben daar geen bezwaar tegen. De rechtbank geeft in dit vonnis geen toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep, omdat niet het hele geschil aan de bodemrechter wordt voorgelegd. De rechtbank verklaart [eiseres] daarom niet-ontvankelijk.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
[eiseres] en [gedaagde sub 2] zijn als fietsers met elkaar in botsing gekomen. [eiseres] is daarbij gevallen en gewond geraakt. Zij vindt dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het ongeval en haar schade moet vergoeden. Omdat partijen daar met elkaar niet uitkwamen is [eiseres] bij deze rechtbank een deelgeschilprocedure begonnen om duidelijkheid te krijgen over de aansprakelijkheid. De deelgeschilrechter heeft beslist dat [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk is voor het ongeval, kort gezegd omdat [eiseres] geen voorrang had. De verklaringen voor recht over aansprakelijkheid en schadevergoeding die [eiseres] in deelgeschil heeft gevraagd zijn daarom afgewezen.
4De beoordeling
Toetsingskader voor het geven van verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep
4.1.
Om van een uitspraak in een deelgeschilprocedure hoger beroep te kunnen instellen moet eerst een bodemprocedure worden gestart. In die bodemprocedure moet het hele geschil, ‘de eigenlijke rechtsvraag’, worden voorgelegd of, in de woorden van artikel 1019cc lid 3 Rv, er moet een ‘procedure ten principale’ worden ingesteld. Anders dan bij een deelgeschil kan dus niet volstaan worden met het voorleggen van een ‘deel van het geschil’ (een of enkele aspecten waarover discussie is). Door deze route krijgt een deelgeschilbeschikking kort gezegd de status van een tussenvonnis. Dit betekent dat beslissingen die in de deelgeschilbeschikking staan dezelfde bindende kracht hebben als (eind)beslissingen in tussenvonnis. In de bodemprocedure moet dan aan de bodemrechter verlof worden gevraagd om in hoger beroep te mogen van de deelgeschilbeschikking (als van een tussenvonnis). Verder is het zo dat van een deelgeschilbeschikking alleen hoger beroep kan worden ingesteld als daarin bindende eindbeslissingen staan over de materiële rechtsverhouding van partijen. Dit volgt uit artikel 1019bb samen met artikel 1019cc lid 1 en 3 Rv. Over de termijn voor het instellen van hoger beroep heeft de Hoge Raad in het arrest van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1924) beslist dat deze gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Omdat een deelgeschilbeschikking in een bodemprocedure zoals gezegd de status krijgt van tussenvonnis zal de rechtbank als het gaat om de start van de appeltermijn aansluiten bij deze regeling ook al wijkt die af van dat wat in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv is bepaald over het aanvangsmoment van de appeltermijn. Bij het beoordelen van het verlenen van verlof moet de rechter er van de Hoge Raad ook op letten of het openstellen van hoger beroep niet tot onredelijke vertraging van de procedure leidt (zie punt 3.2.4 van het arrest van 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924).
Niet het volledige geschil wordt voorgelegd
4.2.
Met de dagvaarding van 24 oktober 2025 is [eiseres] een bodemprocedure gestart. Aan het einde van de dagvaarding is de vordering (het petitum) opgenomen. Dat petitum is zo geformuleerd:
“mitsdien het de rechtbank moge behagen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiseres] verlof te verlenen om (tussentijds) hoger beroep te mogen instellen tegen de deelgeschilbeschikking van 9 april 2025;
II. een mondelinge behandeling te bepalen als uw rechtbank meent dat de vordering dient te worden toegelicht.”
4.3. De rechtbank is van oordeel dat met deze vordering geen ‘procedure ten principale’ is ingesteld zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 3 Rv. Gevorderd wordt verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep. Dat is geen vordering die normaal gesproken in een bodemprocedure wordt (kan worden) ingesteld. Om te bereiken dat in een lopende bodemzaak, na een tussenvonnis, hoger beroep mag worden ingesteld, moet een verlofverzoek aan de zaaksrechter worden gedaan. Er wordt in de zaak zoals die (voor) [eiseres] is aangebracht aan de rechtbank geen oordeel gevraagd over de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en ook niet over daarmee samenhangende onderwerpen zoals de verplichting tot het betalen van schadevergoeding door [gedaagde sub 2] en/of SOM.
Het verlof wordt niet verleend, [eiseres] is niet-ontvankelijk
4.4.
Dat wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat geen verlof wordt verleend voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking, ook al is daarin met het oordeel dat [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk is tegenover [eiseres] wel een beslissing gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv. Dit geldt ook voor het feit dat het verzoek wel op tijd is gedaan en de inschatting is dat een hoger beroep ook niet tot onredelijke vertraging zal leiden. Ook al is dus (verder) aan alle vereisten voor het instellen van tussentijds hoger beroep voldaan, kan dat er toch niet toe leiden dat de rechtbank toestemming geeft om in hoger beroep te gaan van de deelgeschilbeschikking van 9 april 2025.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
4.5.
[eiseres] krijgt geen gelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van SOM en [gedaagde sub 2] worden begroot op het bedrag van € 714,00 dat voor griffierecht aan de rechtbank is betaald.Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7072
RBDHA 191225 KG; aanvullend voorschot schadevergoeding € 20.000, met klemmend advies € 10.000 te reserveren t.b.v. medische expertises
in vervolg op
RBDHA 250123 te hard rijdende, met wheelie, tegemoetkomende motorfiets botst op linksafslaande auto; ES motor 75%; geen bill.correctie
- verzocht 16,7 uur x € 270 + 7%, toegewezen 12 uur à € 250,00 + 21% = € 3630,00 x 25% vanwege ES
- kosten eenzijdige verkeersongevallenanalyse afgewezen; geen overleg en geen specificatie voor de bestede 35 uur
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 31 augustus 2019 heeft op de Vreeswijksestraat te Den Haag een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [eiser] als bestuurder van een motorfiets en de heer [naam 1] als bestuurder van een personenauto (met Bulgaars kenteken) betrokken waren. De heer [naam 1] was ten tijde van het ongeval voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Dallbogg.
2.2.
[eiser] heeft als gevolg van de aanrijding letsel aan zijn rechterarm opgelopen. Hij is tot op heden meer dan twintig keer geopereerd, maar zijn rechterarm/hand functioneert tot op heden niet volledig.
2.3.
Voor het ongeval was [eiser] APK-keurmeester en eigenaar van een garage. Sinds 3 augustus 2015 had hij een eenmanszaak genaamd [bedrijfsnaam]. [eiser] handelde in tweedehands (schade)voertuigen, waarbij zijn verdienmodel erop was gericht om schadevoertuigen in te kopen om die na reparatie (die hij zelf uitvoerde) met winst te verkopen. Na het ongeval heeft hij niet meer voor zijn eigen onderneming kunnen werken. Op 21 november 2019 is de onderneming opgeheven.
2.4.
Na het ongeval is Dallbogg namens [eiser] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade van [eiser]. Vervolgens heeft [eiser] een verzoekschrift tot een deelgeschil ingediend bij de rechtbank Den Haag. Op 25 januari 2023 heeft de rechtbank Den Haag een beschikking gewezen. Hierin is geoordeeld dat [eiser] voor 75% aansprakelijk is voor het ongeval en dat Dallbogg op haar beurt 25% aansprakelijk is voor het ongeval.
2.5.
Na de beschikking van 25 januari 2023 hebben partijen geprobeerd om de kwestie in der minne te regelen. In februari 2024 is door Dallbogg een voorschot van € 10.000,00 aan [eiser] ter beschikking gesteld. Op 1 maart 2024 is in opdracht van Dallbogg een medisch advies uitgebracht. Hierin staat onder meer1:
“Sprake is geweest van zeer complex traumatisch onderarmletsel (…)
Er bestaat een rechtstreeks direct traumatisch verband tussen en het ongeval en het zeer ernstige zenuw-, pees- en spierletsel in de rechteronderarm. (…)
Alle beperkingen die samenhangen met een vrijwel volledige functionele uitval van de rechterarm moeten worden beschouwd als ongevalsgevolg. (…)
Een voorzichtige inschatting mijnerzijds is dat er sprake is van een functieverlies dat zal liggen in de ordergrootte van 30-60% BIGP. (…)
Ik adviseer allereerst om na te gaan of alle vormen van op verbetering van de functie van de rechterarm en -hand gerichte behandelingen thans beëindigd zijn. Als dat zo blijkt te zijn, adviseer ik ter afwikkeling in dit dossier een handplastisch-chirurgische expertise te laten uitvoeren door plastisch chirurg [naam 2] (…) of prof. [naam 3] (…).”
2.6.
In de periode van maart 2024 tot en met mei 2025 heeft de belangenbehartiger van [eiser] gecorrespondeerd met de gemachtigde, de heer F. Krougman, van Dallbogg (althans CCN), over onder andere aanvullende voorschotten, een huisbezoek en een minnelijke regeling. Op 25 maart 2024 stuurde de belangenbehartiger van [eiser] een bericht aan Krougman met daarin onder meer het volgende:
“Natuurlijk heeft hij veel gehad aan dit voorschot, waarvoor dank, maar in de afgelopen jaren heeft hij zich zodanig in de schulden gewerkt (door het uitvallen van zijn inkomen en het feit dat hij maar een karige bijstandsuitkering ontvangt) dat hij diverse betalingsregelingen heeft lopen die hij niet altijd kan nakomen zelfs.
Ik wil je verzoeken om bij jouw opdrachtgever een aanvullend voorschot van € 15.000,- te vragen voor cliënt, zodat hij zich aan zijn schadebeperkingsplicht kan blijven houden.”
2.7.
Op 22 april 2024 schreef de belangenbehartiger van [eiser] onder meer:
“Gezien de ernstige gevolgen van het ongeval en het complexe letsel (zoals uw medisch adviseur oom omschrijft) wil ik het verzoek vanuit redelijkheid en billijkheid bij uw opdrachtgever voorleggen om de medisch advieskosten van mijn medisch adviseur voor 100% voor haar rekening te nemen.”
2.8.
Een nader voorschot en/of een toezegging over het betalen van het volledige bedrag voor een nadere expertise van Dallbogg bleven uit, waardoor [eiser] een kort geding is gestart en op 20 juni 2025 een zitting was bepaald. Voor de zitting heeft Dallbogg vervolgens alsnog een voorschot van € 20.000,00 aan [eiser] toegekend. In de periode daarna hebben partijen wederom getracht een schikking te bereiken en is ook een concreet voorstel besproken, maar Dallbogg is uiteindelijk niet akkoord gegaan.
2.9.
Met de dagvaarding van 10 november 2025 heeft [eiser] bij de rechtbank Den Haag een bodemprocedure tegen Dallbogg aanhangig gemaakt. Daarin heeft [eiser] onder andere gevorderd dat aan hem verlof wordt verleend om in hoger beroep te gaan tegen rechtsoverwegingen 4.5 tot en met 4.10 (waarin de verdeling van de aansprakelijkheid is vastgesteld) van de beschikking van de deelgeschilrechter van 25 januari 2023. Bij uitspraak van 3 december 2025 is dat tussentijds hoger beroep toegestaan en is de bodemprocedure in afwachting daarvan verwezen naar de parkeerrol.
2.10.
In de tussentijd heeft [eiser] op 12 november 2025 bij verzoekschrift aan de rechtbank Den Haag verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. In die zaak vond op 11 december 2025 een mondelinge behandeling plaats. Verder is [eiser] dit kort geding gestart waarin hij een aanvullend voorschot vordert.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. Dallbogg te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een aanvullend voorschot van € 32.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, uit hoofde van de aansprakelijkheid van Dallbogg voor 25% zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2023;
II. Dallbogg te veroordelen in de proceskosten;
subsidiair:
III. dat de voorzieningenrechter een zodanige voorlopige voorziening treft die hij passend en geboden acht, teneinde aan [eiser] het gevraagde voorschot of deel daarvan toe te kennen, gelet op de spoedeisendheid, het ernstig letsel, de erkende aansprakelijkheid en de financiële en medische noodsituatie van eiser.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Dallbogg is voor 25% aansprakelijk voor de schade van [eiser]. Dat [eiser] een bodemprocedure is gestart en dat hem verlof is verleend om in hoger beroep te gaan tegen de deelbeschikking doet daar niet aan af. Hoewel Dallbogg slechts gedeeltelijk aansprakelijk is, ontslaat dit haar niet van haar verplichting om ten minste dat deel van de schadevergoeding waarvoor zij wel aansprakelijk is voortvarend en conform de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) af te wikkelen. [eiser] heeft met een voorlopige schadestaat onderbouwd dat hij inmiddels € 67.866,86 aan arbeidsvermogensschade heeft geleden, zonder daarbij rekening te houden met overige schadeposten en immateriële schade (smartengeld). Slechts € 35.000,00 is tot op heden aan voorschotten betaald. Er bestaat zodoende in ieder geval een tekort in de bevoorschotting van € 32.866,86. [eiser] heeft blijvend letsel met zware beperkingen overgehouden aan het ongeval, waardoor het aannemelijk is dat hij schade zal lijden tot in de lengte van vele jaren. Zijn uiteindelijke schade zal minstens in de tonnen lopen. Daarom ligt het in de rede om [eiser] een substantieel voorschot toe te kennen, aldus [eiser]. Een voorschot van € 32.000,00, waarbij alleen gekeken is naar arbeidsvermogensschade en slechts tot en met december 2025, acht [eiser] in dit stadium zo reëel en aannemelijk, dat het mogelijke restitutierisico (voor zover aanwezig) als verwaarloosbaar is aan te merken, aldus [eiser].
3.3.
Dallbogg voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eiser] op Dallbogg voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.
4.2.
Dallbogg is in haar conclusie van antwoord uitgebreid ingegaan op het aansprakelijkheidsvraagstuk en stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de schade voor de volle 100% voor rekening van [eiser] komt. De voorzieningenrechter stelt daarentegen voorop dat voorshands moet worden uitgegaan van de schuldverdeling zoals deze door de deelgeschilrechter in de beschikking van 25 januari 2023 is vastgesteld; het oordeel in kort geding wordt afgestemd op het oordeel van de deelgeschilrechter, zolang dat van kracht is. Dat betekent dat de voorzieningenrechter uitgaat van 25% aansprakelijkheid aan de zijde van Dallbogg voor de schade van [eiser].
4.3.
In dit kort geding staat de vraag centraal of Dallbogg een aanvullend voorschot aan [eiser] moet voldoen. Hierbij is van belang om vast te stellen of voldoende aannemelijk is dat het bedrag aan reeds verschenen schade het reeds betaalde voorschotbedrag overstijgt en of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure een hoger bedrag aan uiteindelijke schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegewezen dan tot nu toe aan voorschotten door Dallbogg is betaald. En vanzelfsprekend is van belang of er een spoedeisend belang bestaat bij de gevorderde voorziening.
4.4.
[eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt en dat hij drie maanden na het ongeval zijn onderneming heeft moeten sluiten. Sinds het ongeval heeft [eiser] geen inkomen uit arbeid meer ontvangen, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter. Enkele weken na het ongeval heeft [eiser] een bijstandsuitkering aangevraagd. Voor een ziektewetuitkering komt hij niet in aanmerking. [eiser] ontvangt een (bij gebreke van een vaste verblijfplaats: gekorte) bijstandsuitkering van € 799,39 per maand.
4.5.
[eiser] heeft ten aanzien van zijn verlies aan arbeidsvermogen een schadestaat opgesteld en de arbeidsvermogensschade met de volgende formule berekend:
Het maandelijks netto inkomen in de hypothetische situatie – feitelijk inkomen in de werkelijke situatie × het aantal verstreken maanden.
Voor berekening van het maandelijks netto inkomen is gekeken naar de jaarcijfers van de onderneming van [eiser] van 2017, 2018 en 2019. De berekening van [eiser] komt neer op € 4.371,33 - € 799,39 × 76 maanden = € 271.467,44. Op dit laatste bedrag is een correctie van 25% uitgevoerd, omdat Dallbogg slechts voor 25% aansprakelijk is. De arbeidsvermogensschade komt zodoende volgens [eiser] neer op € 67.866,86 tot en met december 2025. Dallbogg heeft tot op heden € 35.000,00 aan voorschotten betaald. Ter zake van de verschenen schade is dus sprake van een achterstand van € 32.866,86, aldus [eiser].
4.6.
Dallbogg vindt het geschetste toekomstperspectief voor de rest van 2019 en voor de overige hypothetische situatie tot aan de AOW-leeftijd te speculatief en onvoldoende onderbouwd. Daarbij moet worden meegewogen dat inmiddels € 35.000,00 door haar is betaald en dat is de helft van de totale door [eiser] gestelde schadepost. Dallbogg voert verder aan dat [eiser] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door niet naar ander passend werk te zoeken of zich te laten omscholen. Er is onduidelijkheid over de vraag of [eiser] in staat is om ander werk te verrichten en er is nog geen begin gemaakt om dit te laten onderzoeken. Het had volgens Dallbogg op weg van [eiser] gelegen om dit wel te doen om zo schadebeperkend te handelen. Om deze reden moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn met het toekennen van een te groot voorschot op deze schadepost. Ook zou [eiser] het spoedeisend belang bij zijn vordering onvoldoende hebben toegelicht. Het enkele stellen van financiële problemen is volgens Dallbogg niet genoeg. Tot slot is volgens Dallbogg sprake van een onaanvaardbaar restitutierisico, dat ertoe zou moeten leiden dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
4.7.
Het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na die gebeurtenis en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder die gebeurtenis zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten (in de bodemprocedure) in beginsel op [eiser] als benadeelde. Omdat het (de verzekerde van) Dallbogg is die aan [eiser] de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied, kunnen aan die bewijslast niet steeds de gebruikelijke eisen worden gesteld. Bij beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt.2
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij, mede op basis van eerdere jaarcijfers, het toekomstperspectief voor de hypothetische situatie heeft berekend. Dallbogg vindt dit weliswaar onvoldoende onderbouwd en te speculatief, maar licht daarbij niet toe wat er concreet aan de berekeningen van [eiser] niet klopt. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat [eiser] ten aanzien van het arbeidsvermogen in ieder geval het door hem berekende bedrag aan schade heeft geleden of in totaal zal lijden. Het betreft immers uitsluitend schade tot en met december 2025.
4.9.
Dallbogg stelt, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat [eiser] een deel van zijn arbeidsvermogensschade zelf moet dragen, omdat aan de zijde van [eiser] sprake zou zijn van eigen schuld, zoals bedoeld in artikel 6:101 BW, waardoor de vergoedingsplicht van Dallbogg zou moeten worden verminderd. [eiser] stelt dat hij arbeidsongeschikt is, maar Dallbogg betwijfelt dat. Volgens de voorzieningenrechter valt er – bij de huidige stand van zaken – niet volledig uit te sluiten dat er voor [eiser] mogelijkheden zijn voor ander passend werk. Over die (on)mogelijkheid bestaat nu onduidelijkheid. Tussen partijen staat niet ter discussie dat (mede) in dit kader nader onderzoek nodig is. Zo moet er een handplastisch-chirurgische expertise plaatsvinden, zoals omschreven in het medisch advies van 1 maart 2024, om te bepalen of er ten aanzien van de functie van de rechterarm en -hand nog verbetering mogelijk is. In dit kader heeft de advocaat van [eiser] ter zitting onweersproken aangevoerd dat een dergelijk onderzoek al snel € 10.000,00 kost. Ook zou een arbeidsdeskundig- en/of re-integratie-onderzoek moeten plaatsvinden, om nader te laten beoordelen wat de mogelijkheden van [eiser] zijn met betrekking tot het verrichten van (ander) passend werk. [eiser] wenst mee te werken aan dergelijke onderzoeken, maar heeft de financiële middelen niet om, conform de vastgestelde verdeling van aansprakelijkheid, 75% van de kosten van dergelijke onderzoeken te betalen. Dallbogg houdt in dat kader vast aan haar 25% aansprakelijkheid en is tot op heden niet bereid geweest om nu, zoals door [eiser] ook verzocht, 100% van de kosten voor een expertise voor haar rekening te nemen en dit later in de eindafrekening te verrekenen.
4.10.
Hiermee zijn partijen in een patstelling geraakt en is de afwikkeling van de letselschadezaak volledig vastgelopen. Zonder nadere expertise(s) kunnen partijen immers niet verder, maar Dallbogg wil – kortgezegd – niet meer betalen dan 25% en [eiser] heeft de middelen niet om 75% van de kosten te betalen. Hierin – en in het 4.8 overwogene – ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan [eiser] een voorschot toe te wijzen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [eiser] zich in een moeilijke situatie bevindt. Sinds het ongeval (nu ruim zes jaar geleden) heeft hij een minimaal inkomen, enige schulden, geen vaste woon- en verblijfplaats en is hij voor onderdak en vervoer van en naar zijn ziekenhuisafspraken en medische behandelingen volledig afhankelijk van familie en vrienden. Dit staat in schril contrast tot hoe het leven van [eiser] voor het ongeval. Dat [eiser] zich in een financieel penibele(re) situatie bevindt en dat een aanvullend voorschot hem enig perspectief biedt, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk. Een aanvullend voorschot op de schadevergoeding, welke schadevergoeding in het kader van dit kort geding slechts voor één aspect is begroot en slechts voor reeds verschenen schade en op basis van de 25% aansprakelijkheid zoals door de deelgeschilrechter begroot, acht de voorzieningenrechter gerechtvaardigd. Hiermee kan [eiser] zijn leven weer een beetje op de rit krijgen, maar óók de afwikkeling van zijn letselschadezaak bevorderen. De voorzieningenrechter zal [eiser] daarom een klemmend advies meegeven ter zake de besteding van het toe te wijzen voorschot.
4.11.
Om de zaak uit de impasse waarin deze zich bevindt te halen, zal de voorzieningenrechter een voorschot van € 20.000,00 aan [eiser] toewijzen waarbij [eiser] geacht wordt vooralsnog (minimaal) € 10.000,00 beschikbaar te houden om zo nodig bij te dragen aan de kosten van een nadere (medische) expertise, waar hij in de verzoekschriftprocedure bij deze rechtbank zelf ook om verzoekt, om zijn schade nader in kaart te brengen en ter bevordering van afwikkeling van de letselschadezaak. De voorzieningenrechter kan dit uiteraard niet bindend aan [eiser] opleggen maar geeft het mee als een klemmend advies teneinde eraan bij te dragen dat de schaderegeling nu op afzienbare termijn gestalte kan krijgen. De voorzieningenrechter acht, op basis van het vooralsnog geldende uitgangspunt dat Dallbogg voor 25% aansprakelijk is, in dit kader voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de totale schade meer beloopt dan het straks in totaal door Dallbogg betaalde bedrag aan voorschotten. Het door Dallbogg aangevoerde restitutierisico acht de voorzieningenrechter – bij deze stand van zaken – dan ook verwaarloosbaar.
4.12.
Dallbogg is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht € 90,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.375,00
4.13.
Ter nadere toelichting op voormelde begroting wordt overwogen dat de eisende partij heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, de verschotten en vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding. Ten slotte vallen onder de proceskosten ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel. In geval van betekening van het vonnis wordt een extra bedrag aan salaris toegekend. De explootkosten van de betekening van het vonnis komen in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking.
1Citaten worden weergegeven inclusief eventuele taal- en tikfouten.
2Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590.
Rechtbank Den Haag 19 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24536