Overslaan en naar de inhoud gaan

LSA Letselschade Magazine Week 3 2026

DLR 010125 Richtlijnen geïndexeerd

In december 2025 is wederom gekeken of en zo ja, welke Richtlijnen moeten worden geïndexeerd. De methode van indexering van de Permanente Commissie Normering is daarvoor gebruikt.

deletselschaderaad.nl


 

DLR 010125 Externe consultatie van de Richtlijn Zelfwerkzaamheid

De Permanente Commissie Normering attendeert u op het feit dat er een externe consultatie is ingesteld voor een nieuwe Richtlijn Zelfwerkzaamheid.

  • Wilt u meer weten over de Externe Consultatie nieuwe Richtlijn Zelfwerkzaamheid, klik op: Externe Consultatie

deletselschaderaad.nl


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, linksafslaand verkeer, elektrische fietsen

RBZWB 191125 linksafslaande fietser en achteropkomende fatbiker; Rb draagt bewijs op ter vaststelling van toedracht ongeval en schade

locatie ongeval: maps.app.goo.gl

3De feiten

3.1.

Op 11 maart 2024 reden [persoon 1] en [persoon 2] beiden in dezelfde richting op de Alleenhouderstraat in [plaats] . [persoon 1] reed op een fiets. [persoon 2] reed op een fatbike. [persoon 2] naderde [persoon 1] van achter.

3.2.

Net na het viaduct onder de Ringbaan West door en een verkeersheuvel met daarop een verkeersbord dat de verplichte rijrichting aan de rechterzijde van de heuvel aangaf (hierna de verkeersheuvel), sloeg [persoon 1] linksaf in de richting van de Ringbaan West. [persoon 2] kon een botsing niet meer voorkomen. De fatbike van [persoon 2] heeft het achterwiel van de fiets van [persoon 1] geraakt.

3.3.

[persoon 1] en [persoon 2] zijn beiden gevallen.

4Het geschil

in conventie

4.1.

[persoon 1] vordert - samengevat –voor recht te verklaren dat [persoon 2] aansprakelijk is voor het verkeersongeval van 11 maart 2024 wat [persoon 1] is overkomen en de daaruit voortvloeiende schade. [persoon 1] vordert verder [persoon 2] te veroordelen een bedrag van € 698,40 te vermeerderen met wettelijke rente te betalen aan [persoon 1] .

4.2.

[persoon 1] legt aan de vordering ten grondslag dat door [persoon 2] onrechtmatig jegens hem is gehandeld door de verkeersheuvel aan de verkeerde zijde (links in plaats van rechts) te passeren en daarna tegen [persoon 1] aan te rijden. Verder heeft [persoon 1] nog aangevoerd dat [persoon 2] zijn snelheid niet heeft aangepast aan de andere verkeersdeelnemers en niet de nodige afstand heeft bewaard om zijn voertuig tijdig tot stilstand te kunnen brengen.

4.3.

[persoon 2] voert verweer. [persoon 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure. Naar het oordeel van [persoon 2] heeft niet hij maar [persoon 1] een of meerdere verkeersfouten gemaakt. Verder stelt [persoon 2] dat sprake is van eigen schuld bij [persoon 1] en doet hij een beroep op matiging vanwege zijn geringe inkomen.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

4.5.

[persoon 2] vordert - samengevat - voor recht te verklaren dat [persoon 1] aansprakelijk is voor de door [persoon 2] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval d.d. 11 maart 2024. [persoon 2] vordert verder [persoon 1] te veroordelen een bedrag van € 395,85 te vermeerderen met wettelijke rente te betalen aan [persoon 1] .

4.6.

[persoon 2] legt aan de vordering ten grondslag dat door [persoon 1] onrechtmatig jegens hem is gehandeld doordat op het moment dat [persoon 2] naast [persoon 1] reed, [persoon 1] plotseling en zonder daarbij voor te sorteren en zijn hand uit te steken linksaf sloeg, waardoor [persoon 2] uit moest wijken, weggleed en het achterwiel van [persoon 1] raakte.

4.7.

[persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 2] in de kosten van deze procedure. Naar het oordeel van [persoon 1] heeft niet hij maar [persoon 2] een of meerdere verkeersfouten gemaakt.

4.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

in conventie en reconventie

5.1.

Vanwege de samenhang tussen de vorderingen van beide partijen zal de kantonrechter de vorderingen gezamenlijk behandelen.

Onrechtmatig handelen

5.2.

Beide partijen stellen zich op het standpunt dat de andere partij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door een of meerdere verkeersfouten te maken die hem kunnen worden toegerekend en waaruit vervolgens schade is voortgevloeid.

5.3.

De kantonrechter beoordeelt of sprake is geweest van onrechtmatig handelen door één van partijen. Pas als vast komt te staan dat één van partijen onrechtmatig heeft gehandeld, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de gevorderde schade.

5.4.

[persoon 1] stelt dat hij ruim voor het ter plaatse aanwezige viaduct onder de Ringbaan West met zijn hand aangaf linksaf te zullen slaan. [persoon 1] was verder al onder het viaduct (tijdig) in het midden, maar wel nog rechts van de verkeersheuvel, voorgesorteerd om linksaf te gaan slaan. Op het moment dat [persoon 1] linksaf sloeg werd hij door [persoon 2] van de zijkant aangereden. Volgens [persoon 1] kan het niet anders zijn dan dat [persoon 2] de verkeersheuvel links (en dus geen rekening houdend met de verplichte rijrichting) is gepasseerd om [persoon 1] vervolgens links in te halen.

5.5.

[persoon 1] stelt dat [persoon 2] hem tegen zijn achterwiel heeft geraakt.

5.6.

[persoon 2] stelt dat hij besloot [persoon 1] links in te halen nadat hij het viaduct en de verkeersheuvel was gepasseerd. [persoon 2] passeerde de verkeersheuvel daarbij (volgens de verplichte rijrichting) aan de rechterzijde. Toen [persoon 2] [persoon 1] bijna volledige gepasseerd was draaide [persoon 1] zijn stuur plotseling naar links om af te slaan, zonder daarbij eerst voor te sorteren, zonder zijn hand uit te steken en zonder zich ervan te vergewissen dat het veilig was om linksaf te slaan.

5.7.

Daar waar [persoon 2] in de stukken heeft aangegeven dat [persoon 1] met zijn voorwiel tegen het achterwiel van [persoon 2] is gebotst, heeft hij ter zitting (meerdere keren) aangegeven dat hij naar links is uitgeweken, dat hij door het slechte weer is gaan schuiven/glijden en dat hij daardoor het achterste deel van het achterwiel van [persoon 1] heeft geraakt.

5.8.

[persoon 2] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een getuigenverklaring in het geding gebracht. Volgens [persoon 2] bevestigt de getuigenverklaring zijn lezing van hetgeen er gebeurd is.

5.9.

De kantonrechter volgt [persoon 2] niet in zijn stelling dat de getuigenverklaring zijn lezing van hetgeen er gebeurd is bevestigt. De getuige bevestigt weliswaar dat [persoon 1] (door de getuige aangeduid als de man op de fiets) ineens een afwijking naar links maakte zonder achterom te kijken en ook zonder met zijn arm richting aan te geven naar links. De getuige zegt echter ook dat [persoon 1] voorop fietste en dat [persoon 2] (door de getuige aangeduid als de jongeman op de elektrische fiets) achter hem fietste en door de plotselinge afwijking van [persoon 1] tegen [persoon 1] aanbotste. Dat bevestigt het standpunt van [persoon 2] niet, want hij zegt dat bij al naast [persoon 1] reed en daardoor niet tijdig meer kon reageren op de voor hem onverwachte actie van [persoon 1] . Met name het feit dat de getuige aangeeft dat [persoon 2] achter [persoon 1] reed en dat de getuige niks zegt over het uitglijden van de fatbike van [persoon 2] , maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat de getuigenverklaring het standpunt van [persoon 2] onvoldoende bevestigt. Zowel de plaats op het fietspad van [persoon 1] en [persoon 2] als de beschrijving van wat er precies gebeurde voorafgaand aan de botsing, zijn naar het oordeel van de kantonrechter van groot belang omdat dit (mede) van invloed is op de vraag wie van beide partijen de verkeersfout heeft gemaakt die tot het ongeval heeft geleid.

5.10.

De kantonrechter stelt, gezien het bovenstaande, vast dat partijen het niet eens zijn over de toedracht van het ongeval. Nu de toedracht vast moet staan om te kunnen beoordelen welke partij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de andere partij, zal de kantonrechter beide partijen - [persoon 1] voor zover het de vordering in conventie betreft en [persoon 2] voor zover het de vordering in reconventie betreft- gelasten de door hen gestelde toedracht te bewijzen. Voor de exacte formulering van de beide bewijsopdrachten verwijst de kantonrechter naar de beslissing (hieronder onder punt 6).

5.11.

De kantonrechter merkt volledigheidshalve nog op dat ter zitting duidelijk is geworden dat partijen het eens zijn over het feit dat [persoon 2] het achterwiel van [persoon 1] heeft geraakt. Uit dat enkele feit kan naar het oordeel van de kantonrechter echter niet worden afgeleid dat het dan dus ook [persoon 2] is geweest die een (verkeers)fout heeft gemaakt. [persoon 1] heeft ter zitting nog aangegeven dat hij zijn fiets had meegebracht en dat die bekeken zou kunnen worden. De kantonrechter heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en aan partijen toegelicht dat zij uit de eventuele schade die op de fiets zichtbaar is, niet af kan leiden of een van partijen en zo ja, wie van partijen dan onrechtmatig zou hebben gehandeld. Om dat vast te kunnen stellen moet vast komen te staan of een van partijen een verkeersfout heeft gemaakt die hem kan worden toegerekend.

Hoe verder als er meer duidelijkheid is over het bewijs van de toedracht

5.12.

Omwille van een efficiënt verloop van deze procedure neemt de kantonrechter partijen nu reeds mee in de situaties die kunnen ontstaan door de bewijslevering over de toedracht. Er kunnen door de bewijslevering drie situaties ontstaan, te weten: (1) beide partijen slagen niet in de bewijslevering, (2) [persoon 1] slaagt in de bewijslevering en (3) [persoon 2] slaagt in de bewijslevering. De kantonrechter zal deze scenario’s hierna verder uitwerken.

Geen van partijen slaagt in het bewijs en de vorderingen zullen worden afgewezen

5.13.

Als geen van beide partijen erin slaagt de eigen versie van de toedracht te bewijzen, dan zullen beide vorderingen worden afgewezen. [persoon 1] zal in dit geval in conventie in de proceskosten worden veroordeeld en [persoon 2] zal dan in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld.

Als [persoon 1] slaagt in het opgedragen bewijs zal een gedeelte van zijn vordering worden toegewezen

5.14.

In het geval [persoon 1] erin slaagt het aan hem opgedragen bewijs te leveren, dan zal de door hem gevorderde schade moeten worden beoordeeld. [persoon 1] vordert schade aan zijn fiets, schade aan zijn jas en immateriële schade.

5.15.

De schade aan de jas is door [persoon 1] in het geheel niet (met stukken) onderbouwd en wordt door [persoon 2] betwist. Deze zal dan ook worden afgewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde immateriële schade. [persoon 1] heeft toegelicht dat hij gedurende enige tijd last heeft gehad van zijn rechterbovenarm, wat hem belemmerde in zijn dagelijks leven. Daarvan is echter geen enkel bewijs overgelegd.

5.16.

Het gevorderde bedrag voor de reparatie van de fiets is door [persoon 1] naar het oordeel van de kantonrechter wel voldoende onderbouwd. Vast staat dat de fiets en de fatbike met elkaar in aanraking zijn gekomen en dat beide partijen met hun voertuig zijn gevallen. Dat daardoor schade is ontstaan is aannemelijk. [persoon 1] heeft laten zien dat hij de fiets op 15 september 2023 nieuw heeft gekocht. Hij heeft op of omstreeks 22 maart 2023, dus binnen twee weken na het ongeval, een offerte op laten stellen. Deze offerte komt de kantonrechter niet onredelijk voor. [persoon 2] heeft nog opgemerkt dat [persoon 1] op de fiets is weggereden na het ongeval. Dat wordt door [persoon 1] betwist. Of [persoon 1] op zijn fiets is weggereden is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant, aangezien ook als [persoon 1] op de fiets is weggereden, er toch schade kan zijn aan de fiets. De opmerking dat de factuur hoog is omdat deze bijna net zo hoog is als de helft van de aanschafwaarde van de fiets, is naar het oordeel van de kantonrechter een onvoldoende gemotiveerde betwisting en zal om die reden ter zijde worden gesteld.

5.17.

[persoon 2] heeft voor het geval hij wordt veroordeeld tot betaling van schade een beroep gedaan op eigen schuld en op matiging. [persoon 2] stelt ter onderbouwing van het beroep op eigen schuld dat de gedragingen van [persoon 1] in overwegende mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van de gevolgen van het ongeval. De gedragingen zouden dan -kort gezegd- hebben bestaan uit het niet uitsteken van de hand en het niet voorsorteren. Echter, in het geval [persoon 1] is geslaagd in zijn bewijsopdracht is nu juist komen vast te staan dat hij wel zijn hand had heeft uitgestoken en dat hij wel heeft voorgesorteerd. Het beroep op eigen schuld kan dan dus niet slagen.

5.18.

Ter onderbouwing van het beroep op matiging wordt door [persoon 2] gesteld dat hij (volledige) toewijzing voor hem zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen, omdat hij student is en geen vast inkomen heeft maar enkel een bijbaantje voor twaalf uur per week. [persoon 1] betwist dat er reden is voor matiging van de vordering. De kantonrechter zal het beroep op matiging afwijzen, als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, nu hij zijn stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

5.19.

De vordering van [persoon 2] (in reconventie) zal in dat geval worden afgewezen. [persoon 2] zal in de proceskosten worden veroordeeld.

Als [persoon 2] slaagt in zijn bewijs zal hij zijn schade nog moeten bewijzen

5.20.

In het geval [persoon 2] erin slaagt het aan hem opgedragen bewijs over de toedracht te leveren, dan zal de door hem gevorderde schade moeten worden beoordeeld. [persoon 2] vordert schade aan zijn telefoon en aan zijn fatbike.

5.21.

[persoon 2] onderbouwt de schade aan zijn telefoon met een foto waarop te zien is dat deze (aan de achterzijde) kapot is. Verder overlegt [persoon 2] een reparatieformulier waaruit blijkt dat de reparatiekosten die zien op de reparatie van de achterkant van de telefoon €200,00 zijn. [persoon 1] heeft betwist dat de schade aan de telefoon is ontstaan door het ongeval. Enerzijds wijst [persoon 1] erop dat de schade aan de telefoon door [persoon 2] niet wordt genoemd in zijn brief van 16 mei 2024 aan de advocaat van [persoon 1] . Anderzijds wijst [persoon 1] erop dat het reparatieformulier gedateerd is op 23 april 2025. Nu dit ruim een jaar na het ongeval is, betwist [persoon 1] dat de schade aan de telefoon een gevolg is geweest van het ongeval op 11 maart 2024.

5.22.

Voor de onderbouwing van de schade aan zijn fatbike verwijst [persoon 2] naar een aantal foto’s en naar een offerte. [persoon 1] merkt op dat de offerte is gedateerd op 24 april 2024. Nu dit ruim een jaar na het ongeval is, betwist [persoon 1] dat de schade aan de fatbike een gevolg is geweest van het ongeval op 11 maart 2024.

5.23.

De kantonrechter oordeelt dat uit de foto’s, het reparatieformulier en de offerte die [persoon 2] heeft overgelegd onvoldoende blijkt dat de schade die wordt gevorderd is geleden door het ongeval op 11 maart 2024. [persoon 2] zal nader bewijs moeten leveren ten aanzien van de door hem gevorderde schade.

5.24.

Vanwege de beperkte omvang van deze bewijsopdracht en omwille van een efficiënt verloop van deze procedure draagt de kantonrechter [persoon 2] nu reeds op om dit bewijs te leveren, dus gelijktijdig met het bewijs over de toedracht. Voor de exacte formulering van de bewijsopdracht verwijst de kantonrechter naar de beslissing (hieronder onder punt 6).

5.25.

Als [persoon 2] er niet in slaagt te bewijzen wat de toedracht van het ongeval is geweest en/of er niet in slaagt te bewijzen dat door het ongeval schade is ontstaan aan zijn telefoon en aan zijn fatbike, zal zijn vordering worden afgewezen. In dat geval zal [persoon 2] worden veroordeeld in de proceskosten in de procedure in reconventie.

5.26.

Als [persoon 2] slaagt in het bewijs van de door hem gestelde toedracht van het ongeval en (gedeeltelijk) slaagt in het bewijs van de schade, dan zal zijn vordering (gedeeltelijk) worden toegewezen. De vordering van [persoon 1] (in conventie) zal dan worden afgewezen en [persoon 1] zal dan in de proceskosten worden veroordeeld.

5.27.Iedere verdere beslissing – in conventie en in reconventie- wordt aangehouden.

 

6De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

draagt [persoon 1] op te bewijzen dat hij ruim voordat hij links afsloeg naar de Ringbaan West op de weghelft waarop hij reed links heeft voorgesorteerd en met zijn linkerhand heeft aangegeven links af te willen slaan,

6.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 december 2025 voor uitlating door [persoon 1] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

6.3.

bepaalt dat, als [persoon 1] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,

6.4.

bepaalt dat, als [persoon 1] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen, hun gemachtigden en de getuige(n) in de maanden november 2025 tot en met februari 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Van den Broek, in het gerechtsgebouw te Tilburg , Piusplein 50,

6.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,

6.7.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

6.8.

draagt [persoon 2] op te bewijzen:

1. dat op het moment dat bij naast [persoon 1] reed, [persoon 1] plotseling en zonder daarbij voor te sorteren en zijn hand uit te steken linksaf sloeg, waardoor [persoon 2] uit moest wijken, weggleed en het achterwiel van [persoon 1] raakte,

2. dat de door hem gevorderde schade aan de telefoon en aan de fatbike zijn ontstaan door het ongeval dat op 11 maart 2024 heeft plaatsgevonden,

6.9.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 december 2025 voor uitlating door [persoon 2] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

6.10.

bepaalt dat, als [persoon 2] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,

6.11.

bepaalt dat, als [persoon 2] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen, hun gemachtigden en de getuige(n) in de maanden november tot en met februari 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.12.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Van den Broek, in het gerechtsgebouw te Tilburg , Piusplein 50,

6.13.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,

6.14.

houdt iedere verdere beslissing aan. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8321


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, scooters; getuigenverhoor

RBMNE 241225 auto niet aansprakelijk voor ongeval met scooter; auto reed op eigen weghelft; partijen onder ede gehoord ter zitting in deelgeschil
- verzocht 15 uur x 295 + 21%; begroot, niet toegewezen, 12 x € 270 excl BTW = € 3240,00; verwijzing naar Van en Salhi; TvP 2025/2

2De kern van de zaak

2.1.

[verzoeker] verzoekt in deze deelgeschillenprocedure de vaststelling van de aansprakelijkheid van Univé voor een verkeersongeval. Partijen verschillen van mening over de toedracht van de aanrijding en wiens schuld het is. De rechtbank wijst het verzoek af omdat niet is komen vast te staan dat [ verweerder sub 2] - de verzekerde van Univé - een verkeersfout heeft gemaakt. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

3De achtergrond van het geschil

3.1.

Op 15 oktober 2024 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen [verzoeker] op een scooter en [ verweerder sub 2] in een auto. [verzoeker] liep daarbij letsel op aan zijn duim, been, enkel en voet. Het ongeval vond plaats op het [straat] in Soest. Onderstaande afbeelding (productie 2 foto b verweerschrift) betreft de situatie ter plaatse, gezien vanuit de rijrichting van [verzoeker] :

Foto: productie 2 foto b verweerschrift

Foto verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.

3.2.

Volgens [verzoeker] is [ verweerder sub 2] aansprakelijk voor het ongeval. Hij reed met een snelheid van ongeveer 15 km per uur rechtdoor op zijn scooter en was voornemens om linksaf het fietspad op te rijden (op de foto tussen de twee roodwitte paaltjes). Voordat hij dit kon doen belandde [ verweerder sub 2] – die vanuit [verzoeker] gezien van rechts kwam - met haar auto op zijn weghelft doordat zij de bocht naar links afsneed. Hierdoor reed [verzoeker] tegen het linker voorportier van [ verweerder sub 2] aan.

3.3.

[ verweerder sub 2] houdt er een andere lezing op na. Volgens haar heeft zij de bocht naar links niet afgesneden maar nam zij in een rustig tempo op haar eigen weghelft de bocht. Zij zag [verzoeker] vanaf de linkerkant naderen op zijn scooter maar [verzoeker] zag haar niet en is daarom, met hoge snelheid, tegen haar auto aangereden toen hij linksaf het fietspad op wilde gaan. Namens [ verweerder sub 2] heeft Univé de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het verkeersongeval afgewezen.

4De beoordeling

Het verzoek van [verzoeker] leent zich naar haar aard voor behandeling in deelgeschil

4.1.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschillenprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.2.

In dit geval verschillen partijen van mening over wie aansprakelijk is voor het ongeval van 15 oktober 2024. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Het verzoek van [verzoeker] leent zich daarom naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.

[ verweerder sub 2] is niet aansprakelijk voor het verkeersongeval

4.3.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om vast te stellen dat Univé als WAM-verzekeraar van [ verweerder sub 2] aansprakelijk is voor het verkeersongeval van 15 oktober 2024. Volgens [verzoeker] heeft [ verweerder sub 2] hem afgesneden en heeft zij hiermee een verkeersfout gemaakt en is zij daarom verantwoordelijk voor het onstaan van het ongeval. [verzoeker] stelt dat een onafhankelijke getuige zijn lezing van de toedracht kan bevestigen en verwijst naar de getuigenverklaring van mevrouw [getuige] (hierna: [getuige] ). [getuige] stelt dat zij het ongeval heeft gezien en verklaarde hierover het volgende:

" Ik [getuige] verklaar hierbij dat de heer [verzoeker] tijdens het ongeluk met de scooter niks verkeerds heeft gedaan de heer [verzoeker] lag ruim 2 meter van de bocht af ervoor op de grond met de scooter boven op hem. De mevrouw in kwestie heeft haar bocht veel te krap genomen aangezien ze met de auto aan de zijkant tegen de heer [verzoeker] aan is gereden terwijl de vrouw in kwestie de bocht naar links maakte en daarbij dus een ruimere bocht had moeten nemen. Je kan normaliter die bocht met 2 normale formaat auto's tegelijkertijd nemen. De mevrouw in kwestie reed niet op het weg deel waar de mevrouw in kwestie normaal had horen te rijden volgens de verkeersregels de mevrouw in kwestie heeft de bocht veel te krap genomen waardoor de mevrouw in kwestie niet aan de rechter kant van de weg reed maar aan de linker kant van de weg en zo op die manier nog 2 meter voor de desbetreffende bocht uw cliënt de heer [verzoeker] aan de zijkant van haar auto raakte .... "

4.4.

Univé stelt dat de getuigenverklaring van [getuige] buiten beschouwing gelaten moet worden omdat [ verweerder sub 2] gemotiveerd betwist dat [getuige] het ongeval heeft zien gebeuren. De aanwezigheid van een getuige staat ook niet op het door partijen ingevulde aanrijdingsformulier vermeld. [getuige] was volgens [ verweerder sub 2] pas een of twee minuten na het ongeval ter plaatse en heeft [verzoeker] toen geholpen met opstaan. Bovendien is de verklaring van [getuige] niet onder ede afgelegd. [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om [getuige] binnen dit deelgeschil als getuige te horen. Univé heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat een deelgeschilprocdure zich niet leent voor een dergelijke uitvoerige bewijslevering.

4.5.

De lezingen van [verzoeker] en [ verweerder sub 2] over de toedracht zijn op enkele punten verschillend, maar desondanks is het volgens de rechtbank – mede aan de hand van de onder ede afgelegde verklaringen ter zitting – voldoende duidelijk geworden onder welke omstandigheden de aanrijding heeft plaatsgevonden en kan de aansprakelijkheidsvraag beantwoord worden. De rechtbank acht een getuigenverhoor van [getuige] niet nodig omdat deze niets zal veranderen aan hetgeen [verzoeker] en [ verweerder sub 2] tijdens de zitting onder ede hebben verklaard.

4.6.

De rechtbank zal eerst vaststellen waar [ verweerder sub 2] zich bevond op het moment van de aanrijding. [ verweerder sub 2] betwist dat zij op de weghelft van [verzoeker] terecht is gekomen. Univé heeft de onderstaande foto als productie 5 bij verweerschrift ingebracht waarop de door [ verweerder sub 2] bestuurde auto (een aantal maanden na het ongeval) ter illustratie is neergezet op exact de locatie waar de aanrijding plaatsvond. Ter zitting heeft [verzoeker] bevestigd dat dit de plek is waar de aanrijding plaatsvond, waarbij hij de kanttekening maakte dat de auto van [ verweerder sub 2] misschien nog iets meer naar rechts stond (richting de trottoirband). Volgens [verzoeker] is er in onderstaande situatie sprake van afsnijden omdat een tegemoetkomende auto de auto van [ verweerder sub 2] niet kan passeren zonder dat deze elkaar dan raken. De rechtbank stelt vast dat partijen het niet helemaal eens zijn met elkaar, maar dat de auto van [ verweerder sub 2] zich ongeveer op de plek bevond zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven.

Foto: productie 5 verweerschrift

Foto verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.

4.7.

Nu is vastgesteld waar [ verweerder sub 2] zich ongeveer bevond op het moment van de aanrijding zal de rechtbank vaststellen waar [verzoeker] zich op dat moment bevond. In dit kader hebben partijen tijdens de zitting onderstaande foto, die als productie 4 bij het verweerschrift is overgelegd, besproken. Deze foto is ongeveer een half uur na het ongeval genomen.

 

Foto: productie 4 verweerschrift

Foto verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.

4.8.

[verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat zijn scooter na het ongeval op deze plek neergezet is. Direct na het ongeval lag hij naar eigen zeggen samen met de scooter iets meer naar links. Op de vraag van de rechtbank hoever de scooter van de stoep af lag, antwoordde [verzoeker] dat dit 2/2,5/3 meter vanaf de trottoirband was. Dit komt overeen met de verklaring van [ verweerder sub 2] aan Univé. Zij heeft verklaard dat [verzoeker] met zijn scooter een aanzienlijk stuk van de stoeprand lag. Dit standpunt heeft [ verweerder sub 2] ter zitting herhaald.

4.9.

De rechtbank stelt naar aanleiding van het voorgaande vast dat niet is aangetoond dat [ verweerder sub 2] tijdens het nemen van de bocht op de weghelft van [verzoeker] terecht is gekomen. Uitgaande van de situatie zoals op de foto van productie 5 bij verweerschrift was er voor [verzoeker] genoeg ruimte om [ verweerder sub 2] te laten passeren en vervolgens zijn weg te vervolgen – linksafslaand - het fietspad op. Ook indien de auto van [ verweerder sub 2] nog iets naar rechts reed hadden beide voertuigen elkaar kunnen passeren, als [verzoeker] zelf voldoende rechts had gehouden en aan [ verweerder sub 2] voorrang had verleend bij het nemen van de bocht naar links. Dit heeft [verzoeker] niet gedaan gezien de plek waar hij ten val is gekomen, namelijk minstens 2 meter vanaf de trottoirband vandaan. Een weg met twee rijrichtingen is gemiddeld 4,5 tot 5,5 meter breed. Bij een afstand van 2 meter vanaf de trottoirband reed [verzoeker] tegen de middenas van de weg aan. Indien [verzoeker] na het ongeval met zijn scooter 2,5 tot 3 meter vanaf de trottoirband had gelegen – hetgeen volgens zijn eigen verklaring ook mogelijk was – dan reed [verzoeker] op de weghelft van [ verweerder sub 2] op het moment van de aanrijding.

4.10.

De rechtbank vindt het scenario dat [verzoeker] te hard heeft gereden en (mede) hierdoor [ verweerder sub 2] niet heeft gezien aannemelijk. Beide partijen hebben verklaard dat zij elkaar voor het eerst zagen toen [verzoeker] net de bocht om kwam vanuit de [straat] het [straat] in en [ verweerder sub 2] bezig was om de bocht naar links op het [straat] te maken. [verzoeker] schatte ter zitting in dat de afstand vanaf de [straat] naar de plaats van de aanrijding maximaal 50 meter is. Indien [verzoeker] – zoals hij op het aanrijdingsformulier en ter zitting heeft verklaard – maximaal 15 km per uur reed, dan had hij er ongeveer 10 seconden over gedaan om de plek van de aanrijding te bereiken. De rechtbank overweegt dat [ verweerder sub 2] de bocht in dat scenario dan al ruim door zou zijn voordat [verzoeker] daar aan zou zijn gekomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [verzoeker] een stuk harder moet hebben gereden dan 15 km per uur.

4.11.

Nu niet is komen vast te staan dat het verkeersongeval aan [ verweerder sub 2] te wijten is, wijst de rechtbank het verzoek van [verzoeker] af. Hiermee wordt niet toe gekomen aan het subsidiaire verweer (tevens te gelden als een voorwaardelijk zelfstandig verzoek) van Univé en [ verweerder sub 2] , te weten indien sprake zou zijn van aansprakelijkheid aan de zijde van [ verweerder sub 2] , dat op haar (en dus op Univé) geen schadevergoedingsverplichting rust jegens [verzoeker] , althans dat op haar een schadeverplichting rust van minder dan 50%.

Begroting van de kosten van het deelgeschil

4.12.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.13.

[verzoeker] verzoekt onder verwijzing naar een specificatie om de kosten van dit deelgeschil te begroten op (15 uur x € 295,- exclusief BTW) € 5.354,25 inclusief BTW, te vermeerderen met het griffierecht. Univé en [ verweerder sub 2] voeren hiertegen aan dat het bedrag gematigd moet worden omdat het aantal bestede uren onredelijk is. Er wordt een bijstelling naar 10 uur verzocht. Daarnaast wordt het uurtarief bovenmatig geacht. Uitgegaan moet worden van € 260,- per uur.

4.14.

De rechtbank is met Univé en [ verweerder sub 2] van oordeel dat het een overzichtelijk en afgebakend geschil betreft, hetgeen een bijstelling van het aantal uren rechtvaardigt. De rechtbank stelt het uurtarief bij naar € 270,- omdat het een juridisch overzichtelijke zaak betreft1. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 12 uren × € 270,-, dus op € 3.240,- exclusief BTW, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,-. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Univé niet veroordelen tot betaling daarvan.

1Vgl. A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025/2

Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7076


AANSPRAKELIJKHEID WERKGEVER, ARBEID, ongevallen met trappen, ladders etc., inleneres, uitleners etc.

RBZWB 261125 aansprakelijkheid opdrachtgever ogv art 7:658 lid 4 BW voor schade ontstaan door val na wegglijden ladder

2De feiten

2.1.

Van 15 januari 2018 tot 24 mei 2024 is [eiser] door zijn werkgever [werkgever] B.V. uitgeleend aan [gedaagde] .

2.2.

[gedaagde] heeft van [bedrijf ] B.V. opdracht gekregen om schilder- en onderhoudswerkzaamheden uit te voeren aan een pand in [plaats] . [eiser] is één van de medewerkers die [gedaagde] op dit project heeft ingezet.

2.3.

Op 16 mei 2024 is [eiser] tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden ten val gekomen met een ladder. Daarbij heeft hij een breuk opgelopen in zijn onderrug. Als gevolg hiervan is [eiser] tot op heden arbeidsongeschikt.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiser] voor de ten gevolge van het (bedrijfs)ongeval van 16 mei 2024 geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] haar zorgplicht als opdrachtgever heeft geschonden, doordat zij [eiser] niet heeft geïnformeerd dat hij voor zijn werkzaamheden de hoogwerker mocht en moest gebruiken. [gedaagde] heeft ook geen antislipmat aan [eiser] ter beschikking gesteld die hij onder de ladder had kunnen plaatsen om te voorkomen dat deze weg zou glijden. Evenmin heeft [gedaagde] [eiser] geïnstrueerd om de ladder niet op de schuine, houten plank te plaatsen. [eiser] kon de houten plank niet in zijn eentje verschuiven, want daar was deze te zwaar voor. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn val van de ladder heeft geleden en nog zal lijden.

3.3.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Zij voert daartoe – in het kort – aan dat zij alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar verlangd konden worden. Met enige regelmaat laat zij een risico-inventarisatie- en evaluatie uitvoeren, waarbij knelpunten op het gebied van veiligheid in kaart worden gebracht. Verder worden de arbeidsplaatsen regelmatig gecontroleerd. Medewerkers ontvangen meerdere keren per jaar veiligheidsinstructies via toolbox-meetings. Enkele weken voorafgaand aan het ongeval heeft [eiser] ook de nodige informatie ontvangen met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden aan het pand. Daarbij is ook de inhoud van het Veiligheids- en Gezondheidsgevarenplan (het VGM-plan) met hem besproken. Hoewel er voor de desbetreffende werkzaamheden een hoogwerker was voorzien, die op simpele wijze door [eiser] kon worden aangemeld bij de verhuurder, mochten deze werkzaamheden ook met behulp van een ladder worden uitgevoerd. [eiser] heeft de verstrekte veiligheidsinstructies echter niet opgevolgd door de ladder op een instabiele ondergrond te plaatsen. [gedaagde] is dus niet aansprakelijk voor de schade van [eiser] .

4De beoordeling

Juridisch kader

4.1.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [gedaagde] . [gedaagde] is op grond van artikel 7:658 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als opdrachtgever aansprakelijk voor die schade, tenzij zij aantoont dat zij haar zorgplicht zoals omschreven in het eerste lid van dat artikel is nagekomen. Die zorgplicht houdt in dat zij verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee zij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

Getroffen maatregelen

4.2.

De werkzaamheden waarbij [eiser] ten val is gekomen (en waardoor hij dus schade heeft geleden), moesten in de buitenlucht en op hoogte worden uitgevoerd. Met het oog op de daaraan klevende veiligheidsrisico’s heeft [gedaagde] voor de werkzaamheden boven de ingang van het pand, waar geen vaste steiger stond, een hoogwerker voorzien. Op 16 mei 2024, de dag waarop het ongeval plaatsvond, heeft zij deze echter afgemeld vanwege de voorspelde regen. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, was het voor [eiser] kennelijk niet zo gemakkelijk om deze zelf weer aan te melden of alsnog in gebruik te nemen. In theorie was dat misschien wel mogelijk, maar [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de hoogwerker in de praktijk altijd werd aan- en afgemeld door de projectleider van [gedaagde] (en dus niet door de medewerkers zelf). Deze projectleider was op de dag van het ongeval echter niet aanwezig op de bouwplaats. Verder staat als zijnde onweersproken vast dat de projectleider ook niet altijd telefonisch bereikbaar was voor zulk soort vragen.

4.3.

[gedaagde] heeft [eiser] niet nadrukkelijk geïnstrueerd om op regenachtige dagen uitsluitend binnen of vanaf de overdekte vaste steiger te werken. Ter zitting heeft [gedaagde] weliswaar aangevoerd dat er op regenachtige dagen in principe niet buiten wordt gewerkt, maar partijen zijn het erover eens dat [eiser] de desbetreffende voorbereidende werkzaamheden voor het schilderwerk wél in de regen kon uitvoeren en dat dit vaker gebeurde. Omdat dit niet vanaf de vaste steiger of de hoogwerker kon, was [eiser] daarvoor aangewezen op een ladder. Gezien de aard en de duur van de werkzaamheden was het gebruik van een ladder volgens de risico-inventarisatie- en evaluatierapportage van [gedaagde] overigens toegestaan.

4.4.

Bovendien wist [gedaagde] dat er voor de ingang van het pand een schuine, houten plank lag, waarmee rolstoelgebruikers toegang werd verschaft tot het pand. In het licht van haar keuze om de hoogwerker af te melden, had [gedaagde] er daarom op berekend moeten zijn dat [eiser] de voorbereidende werkzaamheden boven de ingang van het pand met behulp van een ladder zou gaan uitvoeren, waarbij hij met de houten plank in aanraking zou komen. [gedaagde] had daarop in moeten spelen, bijvoorbeeld door [eiser] te instrueren hoe hij de ladder veilig neer kon zetten. Dit heeft [gedaagde] echter niet gedaan (waarover later meer).

4.5.

Verder oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] meer fysiek toezicht had kunnen en moeten houden op de bouwplaats. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangevoerd dat de werkzaamheden werden uitgevoerd onder supervisie van de hoofdaannemer, [bedrijf ] . In het kader van de zorgplicht die [gedaagde] als werkgever en opdrachtgever heeft, kan zij zich daar echter niet achter verschuilen. [gedaagde] moet zelf (ook) toezicht houden op de bouwplaats en haar medewerkers die daar aan het werk zijn. Daarover heeft zij ter zitting verklaard dat haar eigen projectleider tweemaal per week op de bouwplaats is komen kijken. Niet is gesteld of gebleken dat dit redelijkerwijs niet vaker kon.

Verstrekte aanwijzingen

4.6.

De aanwijzingen die [gedaagde] [eiser] voorafgaand aan het project over het uitvoeren van de werkzaamheden heeft verstrekt, waren niet specifiek gericht op het veilig werken op een ladder. De kantonrechter stelt aan de hand van de overgelegde verslagen van de toolbox-meetings vast dat daar de afgelopen tijd andere onderwerpen aan bod zijn gekomen dan het werken op een ladder. [gedaagde] heeft verder verwezen naar het veiligheidsplan dat zij in 2024 in fysieke vorm aan [eiser] heeft uitgereikt, maar zij heeft niet onderbouwd waar in dat plan uiteen wordt gezet hoe haar medewerkers op veilige wijze een ladder kunnen plaatsen. Voor aanvang van het project heeft [gedaagde] met [eiser] de specifieke veiligheidsrisico’s voor het project besproken, maar niet kan worden vastgesteld dat het veilig werken op een ladder daarbij aan bod is gekomen. Kort voor het ongeval is in opdracht van [gedaagde] verder een risico-inventarisatie- en evaluatierapportage opgesteld, met daarin de risico’s van het werken op een ladder en de in dat kader te nemen voorzorgsmaatregelen, maar voor zover de kantonrechter kan beoordelen heeft [gedaagde] die rapportage niet met [eiser] gedeeld. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] [eiser] betere aanwijzingen had kunnen verstrekken met betrekking tot het veilig werken op een ladder.

Conclusie

4.7.De hiervoor genoemde omstandigheden leiden tot het oordeel dat [gedaagde] niet de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen en instructies heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval op 16 mei 2024 heeft geleden en nog zal lijden. De gevorderde verklaring voor recht zal worden afgegeven. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8727


AANSPRAKELIJKHEID WERKGEVER, ARBEID, vallen van hoogte, trappen ladders etc, inleners, uitleners etc 

RBOBR 181225 pandeigenaar, aannemer en bouwbegeleider hoofdelijk aansprakelijk voor val schilder in trapgat
Oordeel over vrijwaringsvorderingen pandeigenaar, aannemer en bouwbegeleider en projectmanager

1Waar gaan deze zaken over?

1.1.

[eiser] zou op 7 mei 2020, ter uitvoering van een tussen hem en [opdrachtgever eiser] bestaande overeenkomst van aanneming van werk, in het op dat moment in aanbouw verkerende pand van [eigenaar pand] te [plaats] in hal B het plafond komen schilderen (texspuiten).

[bouwbegeleider] is door [eigenaar pand] ingeschakeld via een overeenkomst van bouwbegeleiding.

1.2.

Toen [eiser] en zijn collega’s op 7 mei 2020 aankwamen bij hal B, bleek de vloer niet leeg te zijn. Er lagen nog allerlei materialen en gereedschappen van andere bouwvakkers verspreid over de vloer, waardoor [eiser] en zijn collega’s de vloer zijn gaan vrijmaken.

In een hoek van hal B lag een houten afdekplaat (waarmee het trapgat naar de kelder was afgedicht. Deze was niet afgezet (met een railing of lint) en er bevonden zich geen markeringen of waarschuwingen op of rondom de houten afdekplaat, waardoor het voor [eiser] niet duidelijk was dat zich daaronder een trapgat bevond. Evenmin was de afdekplaat verankerd met de vloer of wand.

[eiser] heeft de afdekplaat opgetild/gekanteld en een stap naar voren gezet met de bedoeling om deze plaat tegen de wand te plaatsen om zo de vloer vrij te maken.

Daarbij is [eiser] door het trapgat gevallen en enkele meters lager op de vloer van de onderliggende kelder terechtgekomen. Door deze val heeft [eiser] een incomplete dwarslaesie opgelopen.

1.3.

[eiser] heeft [opdrachtgever eiser] , [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] aansprakelijk gesteld en heeft hun aansprakelijkheidsverzekeraars (respectievelijk ASR, NN en AIG) gewezen op de aansprakelijkheid van hun verzekerden, waarbij hij hen heeft verzocht dekking te bieden voor de schade van [eiser] .

Alle door [eiser] in rechte betrokken partijen hebben aansprakelijkheid of dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering betwist en hebben elkaar onderling in vrijwaring opgeroepen. Door [eigenaar pand] is in onder vrijwaring [projectmanager] opgeroepen, vanwege de tussen hen gesloten opdracht van projectmanagement. [projectmanager] heeft op haar beurt [bouwbegeleider] in onder onder vrijwaring opgeroepen.

(.... red LSA LM)

4Het geschil in de hoofdzaak

4.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat:

  2. [eigenaar pand] , [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade;

  3. AIG, NN en ASR op grond van de directe actie ex art. 7:954 BW (hoofdelijk) verplicht zijn de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade volledig te vergoeden aan [eiser] ;

  4. (alle) gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des de ene partij betaalt aan [eiser] de ander is gekweten voor dat bedrag, tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van voornoemd ongeval (d.d. 7 mei 2020) geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade;

3) met hoofdelijke veroordeling van (alle) gedaagden in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de deurwaarderskosten ad € 801,971, de griffiekosten en de advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten-veroordeling vanaf veertien dagen na betekening van het in deze kwestie te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

4) de nakosten te begroten op een bedrag van € 132,00 zonder betekening, en verhoogd met € 90,00 ingeval van betekening, althans op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag.

4.2.

[eiser] houdt [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW (al dan niet in combinatie met artikel 6:170 althans 6:171 BW) en [opdrachtgever eiser] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. [eiser] stelt op grond van artikel 7:954 BW een vordering te hebben op gedaagden AIG, NN en ASR, zijnde de aansprakelijkheidsverzekeraars van [eigenaar pand] , [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] .

4.3.

Alle gedaagden voeren verweer en concluderen dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, dan wel dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen en dat [eiser] veroordeeld dient te worden in de kosten van deze (hoofd-) procedure, daaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten voor het geval betaling hiervan niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt.

NN stelt verder dat een eventuele aansprakelijkheid van [bouwbegeleider] niet is gedekt onder de AVB-verzekering die [bouwbegeleider] bij NN heeft afgesloten.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil - nader ingegaan.

5De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

Ten aanzien van [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] staat de vraag centraal of zij, althans een van hen, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

Ten aanzien van [opdrachtgever eiser] staat de vraag centraal of bij de door [eiser] verrichte werkzaamheden waaruit het ongeval is ontstaan, sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW en zo ja, of [opdrachtgever eiser] haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden die tot het ongeval heeft geleid.

De kantonrechter beantwoordt al deze vragen bevestigend en zal hierna per gedaagde, aan de hand van het door hen gevoerde verweer, toelichten waarom.

[eigenaar pand] en AIG

5.2.

De kantonrechter geeft allereerst het verweer van [eigenaar pand] en AIG op hoofdlijnen weer. [eigenaar pand] en AIG stellen dat [eigenaar pand] niet aansprakelijk is voor de val van [eiser] door het trapgat op 7 mei 2020. Volgens hen betrof zijn val een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarbij sprake is geweest van een inschattingsfout door [eiser] en waarvan de gevolgen niet voor risico en rekening van [eigenaar pand] en AIG komen.

5.2.1.

[eigenaar pand] heeft daarbij toegelicht dat zij géén bouw- of aanneembedrijf is, maar zich bezig houdt met het vervaardigen van fietsen, invalidenwagens, sportartikelen, groothandel en productie van rijwielaccessoires en gereedschappen en de verhuur van onroerend

goed (niet van woonruimte). [eigenaar pand] heeft de bouw van het pand in [plaats ongeval] ‘in eigen beheer’ uitgevoerd, omdat zij in haar oude pand in Wassenaar te weinig ruimte had.
Dit betekent niet dat [eigenaar pand] bouwwerkzaamheden heeft verricht. Bouw in eigen beheer houdt volgens [eigenaar pand] niet meer in dan dat er geen hoofdaannemer betrokken is bij het bouwproces. De bouw was volgens [eigenaar pand] als volgt georganiseerd:

 [projectmanager]

Omdat [eigenaar pand] geen expertise in huis heeft in het bouwen van panden, heeft zij een overeenkomst met [projectmanager] gesloten voor het projectmanagement en diens kennis en kunde. Op advies en op voordracht van [projectmanager] heeft [eigenaar pand] met verschillende partijen overeenkomsten gesloten. Die partijen hebben op hun beurt, en naar eigen inzicht, weer overeenkomsten gesloten met onderaannemers. De rol van [eigenaar pand] in het bouwproces was dan ook beperkt.

[eigenaar pand] was enkel de opdrachtgever en de uiteindelijke gebruiker van het pand. Zij was niet op dagelijkse basis aanwezig in het pand.

 [projectmanager] heeft bij monde van de heer [A] (hierna: “ [A] ”) samen met [bouwbegeleider] , het VGM-projectplan opgesteld, waarin de veiligheid op de bouwplaats aan bod komt. In het VGM-plan wordt [bouwbegeleider] als "uitvoerder" gekwalificeerd en [A] ( [projectmanager] ) als "KAM-coördinator".

 [bouwbegeleider]

Op 6 december 2018 heeft [eigenaar pand] met [bouwbegeleider] een overeenkomst van bouwbegeleiding voor de ruwbouw van het te realiseren project aan [adres] te [plaats] gesloten. Hierin staat een opsomming van de werkzaamheden van [bouwbegeleider] , zoals het bijhouden en bewaken van het gestructureerde bouwproces en het aansturen en begeleiden van onderaannemers. [bouwbegeleider] had dus de verantwoordelijkheid en leiding over het reilen en zeilen van het gehele bouwproces en had ook de functie van VGM-functionaris; aldus [eigenaar pand] .

 [opdrachtgever eiser]

De verschillende door [eigenaar pand] gecontacteerde onderaannemers, waaronder ook [opdrachtgever eiser] , hebben ieder een eigen VGM-deelplan opgesteld. Door het indienen van dit deelplan wordt de inhoud van het VGM-ontwerpplan geaccordeerd door de onderaannemer. Opvallend is dat in de bijlage "risico's op de werkplek - wandbekleding" wordt gesproken over het risico van wegnemen van eerder aangebrachte (veiligheids-) voorzieningen. Hierin staat onder meer vermeldt : “(veiligheids) voorzieningen door anderen (eerder) aangebracht, worden in stand gelaten, tenzij dit anders niet mogelijk is (melden)”.

De houten afdekplaat was een eerder aangebrachte veiligheidsvoorzieningen en mocht door [eiser] (als onderaannemer van [opdrachtgever eiser] ) dus niet weggehaald worden, aldus [eigenaar pand] .

5.2.2.

Met betrekking tot de (deugdelijkheid van de) afdekplaat, voert [eigenaar pand] allereerst aan dat de op maat gemaakte afdekplaat een mandragende, stevige houten constructie was die het trapgat in zijn geheel afhechtte. Ook was de houten constructie verzonken en zo gemaakt dat deze niet kon verschuiven.

Het betrof een veiligheidsmaatregel die in opdracht van [bouwbegeleider] , als veiligheids-verantwoordelijke, is gemaakt. Deze maatregel voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Onderstaande foto heeft [eigenaar pand] in het geding gebracht, waaruit voornoemde afdekplaat (met de dwarsbalken ter voorkoming van verschuiving) blijkt:

5.2.3.

[eiser] heeft volgens zijn eigen verklaring de afdekplaat aangezien voor een houten pallet. Hij was echter al 2 maanden werkzaam in het pand van [eigenaar pand] en de afdekplaat lag er al 3 maanden, dus ‘het moet’ volgens [eigenaar pand] dat [eiser] bekend is geweest, althans hij had bekend moeten zijn, met de houten afdekplaat, want op de plek van het trapgat, vanuit de kelder gezien, is door [eiser] en zijn collega's geschilderd2.

Los van het feit dat [eiser] bekend moet zijn geweest met de afdekplaat, geldt dat ook ten tijde van het incident duidelijk moet zijn geweest dat het niet ging om ‘een houten pallet’, maar om een houten constructie die fungeerde als afsluiting van de daar gesitueerde uitsparing ten behoeve van de later te realiseren trap. Er is namelijk een duidelijk verschil tussen de houten afdekplaat en een houten pallet.

5.2.4.

De houten afdekplaat is volgens [eigenaar pand] ook niet gevaarzettend. Deze dient juist ter bescherming van het beoogde valgevaar in de sparing voor de trap. Door de afsluiting van het trapgat is het valgevaar weggenomen.

Het was niet waarschijnlijk dat [eiser] , als ervaren en professionele partij, de afdekplaat zou optillen, want deze mag niet zomaar worden weggehaald.

[eiser] was bovendien bekend met de aanwezigheid van het trapgat en van de houten afdekplaat.

Verder was het niet voorzienbaar dat de afdekplaat voor (i) een pallet wordt aangezien, (ii) onbedachtzaam wordt weggehaald en (iii) bij die handeling een stap naar voren wordt gezet en een persoon in het juist afgedekte trapgat valt.

5.2.5.

Verder voert [eigenaar pand] aan dat voor zover al zou gelden dat bij het plaatsen van de veiligheidsmaatregel van de houten constructie niet is voldaan aan de daaraan te stellen eisen, dit handelen niet door [eigenaar pand] is uitgevoerd en dat daarom dit gesteld onrechtmatig handelen ook niet tot aansprakelijkheid van [eigenaar pand] kan leiden.

Daarbij is volgens [eigenaar pand] van belang dat zij niet zelf bij de bouw betrokken was, maar via en op advies van de [projectmanager] contracten heeft gesloten met partijen ten behoeve van de bouw van het pand. Hierin is [eigenaar pand] zorgvuldig geweest en [eigenaar pand] kan hierover dan ook geen verwijt worden gemaakt. De op advies van [projectmanager] door [eigenaar pand] aangestelde partijen hebben allemaal een aansprakelijkheidsverzekering. Dat NN dekking weigert op basis van een dekkingsverweer doet daar niet aan af. Dat was voor [eigenaar pand] niet voorzienbaar en dit kan [eigenaar pand] evenmin worden toegerekend.

5.3.

De kantonrechter oordeelt met betrekking tot het verweer van [eigenaar pand] het volgende.

Ondeugdelijke veiligheidsvoorziening

5.3.1.

Tussen [eiser] , [eigenaar pand] en AIG is de toedracht van het ongeval van [eiser] niet in geschil.

[eiser] heeft op 7 mei 2020 een houten afdekplaat van 2,5 meter lang en 1,1 meter breed (bestaande uit raamwerk met daar bovenop een houten plaat) opgetild/gekanteld met de bedoeling deze rechtop tegen de muur te zetten. Daarbij heeft hij een stap vooruit gezet en is hij vervolgens door het trapgat naar beneden gevallen en ruim drie meter lager op de betonnen vloer van de kelder terecht gekomen.

De reden waarom [eiser] deze afdekplaat wilde verplaatsen is evenmin in geschil.
Hij voerde schilderwerkzaamheden uit in het in aanbouw zijnde pand van [eigenaar pand] . Op 7 mei 2020 moest in een ruimte (hal B) een plafond gespoten worden, maar deze ruimte stond nog vol met materialen en gereedschappen van andere bouwvakkers, verspreid over de vloer. De vloer moest eerst vrij gemaakt worden, voordat [eiser] en zijn collega’s hun werkzaamheden konden uitvoeren. Daarom zijn zij gaan opruimen. [eiser] heeft de houten afdekplaat, die het trapgat volledig afsloot, aangezien voor een pallet. Dit zag er als volgt uit3:

Vast staat dat de ruimte rondom de houten afdekplaat niet was afgezet en dat er zich geen markeringen of waarschuwingen op- of rondom de afdekplaat bevonden, waardoor het voor [eiser] niet duidelijk was dat zich daaronder een trapgat bevond. Evenmin was de afdekplaat verankerd met de vloer. Hierdoor was het mogelijk voor [eiser] om de afdekplaat op te tillen/kantelen. Het niet markeren en/of borgen van de afdekplaat maakt dat de houten afdekplaat geen deugdelijke veiligheidsvoorziening was.

Daarbij is mede van belang dat één dag na het ongeval van [eiser] , de houten afdekplaat op een eenvoudige en laagdrempelige manier is geborgd met (tenminste twee) hoekijzertjes, die optillen of kantelen van de afdekplaat onmogelijk maakten4:

De kantonrechter zal bij de beoordeling van het verweer van [bouwbegeleider] verder ingaan op de (ook door [eigenaar pand] ) aangevoerde omstandigheden rondom de inschattingsfout van [eiser] , maar die nemen niet weg dat de niet geborgde en/of gemarkeerde houten afdekplaat een ondeugdelijke veiligheidsvoorziening was.

[eigenaar pand] (mede) verantwoordelijk voor een veilige werkplaats

5.3.2.

Met betrekking tot het (meest vertrekkende) verweer van [eigenaar pand] dat zij niet degene is geweest die de afdekplaat heeft aangebracht waardoor dit niet tot aansprakelijkheid van [eigenaar pand] kan leiden, oordeelt de kantonrechter dat [eigenaar pand] - als opdrachtgever voor de bouw van het pand - wel degelijk (mede) verantwoordelijk kan worden gehouden voor (het gebrek aan duidelijkheid over) de veiligheid op de bouwplaats.

Door [eigenaar pand] is een VGM-plan in het geding gebracht (productie 3 bij de conclusie van antwoord in de hoofdzaak). Tijdens de mondelinge behandeling hebben [bouwbegeleider] en [projectmanager] er beiden op gewezen dat het VGM-plan5, wat is geprint op het briefpapier van [eigenaar pand] , niet door hen is ondertekend.

In dit VGM-plan staat [bouwbegeleider] als (hoofd)uitvoerder benoemd en [projectmanager] als KAM-coördinator. Zowel [bouwbegeleider] als [projectmanager] ( [A] ) hebben tijdens de mondelinge behandeling betwist dat zij fungeerden als respectievelijk (hoofd)uitvoerder of KAM-coördinator6 en in die hoedanigheid verantwoordelijk waren voor de veiligheid op de bouwplaats. In dit kader heeft [A] toegelicht dat hij een leeg template van een VGM-plan uit een vorig project naar [bouwbegeleider] heeft gestuurd, die dit vervolgens heeft ingevuld en aan hem heeft teruggestuurd. Deze template was volgens de verklaring van [A] echter maar deels bruikbaar, omdat hierin allerlei rollen zijn toebedeeld aan een projectleider, terwijl er op deze bouw door [eigenaar pand] geen projectleider was aangesteld. Er werd namelijk enkel gebruik gemaakt van neven- en onder aanneming.
[A] was dus géén projectleider van de bouw. Daar heeft [A] opmerkingen over gemaakt in het VGM-plan en daarom heeft hij het VGM-plan nooit ondertekend, aldus [A] . Deze gang van zaken is door [eigenaar pand] niet betwist. [bouwbegeleider] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zich niet exact herinnert hoe het is gegaan, maar dat het zou kunnen dat het zo is gegaan als door [A] verteld.

De conclusie is dat er geen aangepast of ondertekend VGM-plan is. Dit leidt tot de slotsom dat niemand de verantwoordelijkheid voor een veilige bouwomgeving (en het toezicht en de naleving van veiligheidsvoorschriften door alle bij de bouw van het pand betrokken partijen) op zich heeft genomen. Van [eigenaar pand] , die de bouw in eigen beheer uitoefende maar niet dagelijks op de bouw aanwezig was, had mogen worden verwacht dat zij zorg zou dragen voor een veilige bouwomgeving, althans dat zij dit op een deugdelijke en zorgvuldige wijze zou uitbesteden aan daartoe gekwalificeerde partijen (die bovendien adequaat verzekerd zijn).

Conclusie

5.4.

Kortom, de omstandigheid dat [eigenaar pand] gebruik heeft gemaakt van [bouwbegeleider] voor de dagelijkse bouwbegeleiding en van [projectmanager] voor advisering, maakt niet dat [eigenaar pand] zich kan onttrekken aan haar verantwoordelijkheid voor een veilige werkplaats. [eigenaar pand] wordt daarom (mede) verantwoordelijk gehouden voor de ondeugdelijke veiligheidsvoorziening die heeft geleid tot het ongeval van [eiser] .

Omdat [eigenaar pand] haar verzekering tegens bedrijfs- c.q. beroepsaansprakelijkheid ten tijde van het ongeval had ondergebracht bij AIG en het ongeval conform artikel 7:941 BW door [eigenaar pand] aan AIG is gemeld, kan [eiser] op grond van artikel 7:954 lid 1 BW verlangen dat AIG, indien zij tot uitkering verplicht is, die uitkering - voor zover strekkende tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van het ongeval geleden schade - aan [eiser] verricht.

Het risico waartegen [eigenaar pand] zich heeft verzekerd, heeft zich namelijk verwezenlijkt.

[bouwbegeleider] en NN

5.5.

[bouwbegeleider] en NN voeren aan dat [bouwbegeleider] niet aansprakelijk is voor de val van [eiser] door het trapgat op 7 mei 2020.

5.5.1.

Volgens hen is [eiser] daar primair zelf verantwoordelijk voor, omdat [eiser] (a) geen opdracht heeft ontvangen van- of verzoek tot opruiming heeft gedaan aan [opdrachtgever eiser] of [bouwbegeleider] , (b) het verwijderen van de houten afdekplaat was - gelet op de omvang en het gewicht daarvan - onverantwoord (zeker ook om alleen te doen), (c) het tillen van een voorziening met dit gewicht is in strijd met de Arbonormen, [eiser] als professional bekend, (d) [eiser] heeft eerder aangegeven alleen toezichthoudend werk te doen in verband met beperkingen aan een van zijn ogen en (e) het verwijderen van de afdekplaat was voor het verrichten van de schilderwerkzaamheden niet nodig, gelet op de technische voorziening (uitschuifbare werkvloer) die een schaarhoogwerker biedt.

5.5.2.

Verder stellen [bouwbegeleider] en NN zich op het standpunt dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van [bouwbegeleider] in de zin van artikel 6:162 BW, omdat niet voldaan is aan alle vereisten voor de onrechtmatige daad (onrechtmatigheid, toerekenbaarheid, schade, causaliteit en relativiteit). [bouwbegeleider] voert daartoe het volgende aan.

Er is geen wettelijk plicht die [bouwbegeleider] geschonden heeft. De verwijzing naar het Arbobesluit mist toepassing. Daarin is geen norm te vinden die door [bouwbegeleider] geschonden is. Andere (wettelijke) bepalingen dan deze heeft [eiser] niet gesteld. [bouwbegeleider] heeft de maatregelen getroffen die van hem verwacht konden worden, ook de Inspectie SZW heeft geen aanleiding gezien aanwijzingen te geven.

[eiser] heeft er zelf voor gekozen onverantwoorde, niet tot zijn taak behorende handelingen te verrichten. [eiser] was bekend met de situatie – hij liep iedere dag door deze ruimte - en heeft startbouwbesprekingen uit desinteresse niet bijgewoond en heeft daarmee het risico aanvaard niet (voldoende) op de hoogte te zijn van de veiligheidssituatie en de dienaangaande gegeven of te geven instructies.

[bouwbegeleider] heeft geen opdracht gegeven tot ontruiming (het opruimen van de werkvloer) en voor het geval dat er al een partij is die dat tot zijn verantwoordelijkheid moet rekenen, betreft dat [opdrachtgever eiser] . Omgekeerd heeft [eiser] niet aan [bouwbegeleider] verzocht de ruimte te ontruimen, zodat [bouwbegeleider] dienaangaande geen nalatigheid kan worden verweten. [eiser] heeft besloten om zelf de ruimte te ontruimen. [bouwbegeleider] heeft dus geen daad verricht of nagelaten die tot de val heeft geleid. Dat heeft [eiser] zelf gedaan.

[bouwbegeleider] heeft voor een adequate veiligheidsvoorziening zorggedragen bij het afdekken van het trapgat door een relatief groot, horizontaal niet verschuifbaar relatief zwaar object te laten vervaardigen dat ook naar het oordeel van de Inspectie SZW voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Door [bouwbegeleider] is dus geen verplichting geschonden die gesteld was om de belangen van [eiser] te beschermen. Dat [eiser] er zelf voor gekozen heeft dat object (alleen) op te tillen was mede gelet op zijn professionaliteit, zijn zichtbeperking en de omvang en het gewicht van de voorziening niet te verwachten. Het verzoek tot ontruiming had hij moeten richten tot zijn opdrachtgever [opdrachtgever eiser] .

Door het eigenmachtig optreden van [eiser] zelf, danwel het tekortschietend toezicht van [opdrachtgever eiser] heeft het ongeval plaatsgevonden. Het vereiste causale verband ontbreekt, althans staat met het beweerdelijk nalaten van [bouwbegeleider] in een te ver verwijdert verband.

Gelet op de rol - het eigenmachtig optreden van [eiser] - kan het beweerdelijk handelen of nalaten van [bouwbegeleider] niet aan hem worden toegerekend.

Beoordeling kantonrechter; kelderluik-criteria

5.6.

De kantonrechter zal het verweer van [bouwbegeleider] beoordelen aan de hand van de zogenoemde Kelderluik-criteria7.
Ter beantwoording van de vraag of [bouwbegeleider] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld moet namelijk worden onderzocht of hij [eiser] aan een groter risico heeft blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was (‘gevaarzetting’).

Bij de beoordeling zijn de gezichtspunten relevant die onder andere genoemd zijn in het Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079), zoals de kans op schade, de aard en ernst van de gevolgen van de gedraging, de bezwaarlijkheid van het treffen van voorzorgsmaatregelen, de context waarbinnen de gedraging valt (aard van de gedraging) en de mate van waarschijnlijkheid dat de ander niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zal betrachten.

De kans op schade

5.6.1.

Bouwwerkzaamheden roepen een gevaarlijke situatie in het leven, ook indien daarbij wel de nodige voorzichtigheid en oplettendheid wordt betracht. Om te voorkomen dat incidenten zich voordoen, zullen er (voorzorgs)maatregelen getroffen moeten worden om de veiligheid op de bouwplaats te waarborgen. Voor die situaties bestaat een zorgplicht, die in beginsel rust op alle betrokken partijen. Concreet betekent dit dat (werk)instructies of afspraken met betrekking tot de veiligheid zullen moeten worden geformuleerd en dat alle daarbij betrokken partijen deze afspraken dienen na te leven.

In dit geval rust, zoals eerder overwogen, een zorgplicht op [eigenaar pand] als opdrachtgever van de werkzaamheden, maar ook op [bouwbegeleider] als bouwbegeleider. [bouwbegeleider] had als taakomschrijving “het bijhouden en bewaken van het gestructureerde bouwproces en het aansturen en begeleiden van onderaannemers”.8 Hij had dus de dagelijkse leiding en daarmee de verantwoordelijkheid over het reilen en zeilen van het gehele bouwproces. Van [bouwbegeleider] mocht dus verwacht worden dat hij bij de werkzaamheden in voldoende mate aandacht zou besteden aan de veiligheid op de bouwplaats. Zijn zorglicht beperkt zich daarbij niet tot geschreven (wettelijke) normen, maar ook tot ongeschreven normen. In dit kader moet beoordeeld worden of de gebruikte veiligheidsvoorziening - die qua constructie wellicht voldeed aan de daaraan gestelde (wettelijke) normen, zoals [bouwbegeleider] heeft gesteld - ook de toets van de ongeschreven normen kan doorstaan. Dit is niet het geval. De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de houten afdekplaat een ondeugdelijke veiligheidsvoorziening was, omdat deze niet geborgd en/of gemarkeerd was. Vast staat dat [bouwbegeleider] de houten afdekplaat heeft laten maken.

De kans dat daaruit ongevallen ontstaan en de aard en de ernst van de gevolgen

5.6.2.

De kans dat iemand door een onzichtbaar trapgat valt wanneer deze de houten afdekplaat optilt of kantelt, is groot. Ook de aard en ernst van de gevolgen van zo’n val zijn groot.

De bezwaarlijkheid van het treffen van voorzorgsmaatregelen

5.6.3.

Verder staat in rechte vast dat één dag na het ongeval van [eiser] , de houten afdekplaat op een eenvoudige en laagdrempelige manier is geborgd met (tenminste twee) hoekijzertjes en schroeven, die optillen of kantelen van de afdekplaat onmogelijk maakten (vgl. de tweede afbeelding die is ingevoegd in rov. 5.3.1). Later is een houten hekwerk om het trapgat aangebracht, welk hekwerk vast verbonden was met de ondergrond. Het markeren van de afdekplaat (met lint of stickers) is (voor zover bekend) niet gebeurd, maar zou niet bezwarend zijn geweest en was eenvoudig te realiseren.

De mate van waarschijnlijkheid dat de ander niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zal betrachten

5.6.4.

Het was niet onwaarschijnlijk dat [eiser] de vloer zoveel mogelijk vrij wilde maken van materialen om optimaal te kunnen werken. Die bewuste ochtend van 7 mei 2020 was de vloer niet vrij.

De kantonrechter vindt het evenmin ondenkbaar dat [eiser] de houten afdekplaat heeft aangezien voor een pallet c.q. een plaat waarop bepaalde materialen hebben gelegen. De afdekplaat lag niet geheel verzonken in de vloer (vgl. de eerste afbeelding die is ingevoegd in rov. 5.3.1) en dit maakte mogelijk dat [eiser] zijn handen eronder kon zetten en deze vanuit een gebogen of gehurkte positie aan één kant kon optillen en kantelen, waardoor de plaat rechtop tegen de wand kon staan. Dit was ook de reden waarom [eiser] de afdekplaat heeft opgetild/gekanteld (want zo kon met een schaarhoogwerker ook de hoek van het plafond bereikt worden). Deze bedoeling/inschatting van [eiser] vindt de kantonrechter niet ondenkbaar. Dat [bouwbegeleider] ‘nooit had verwacht dat deze beveiliging door één persoon opgetild kon worden9’ was een misvatting van [bouwbegeleider] . Als [eiser] had geweten dat de houten afdekplaat een veiligheidsvoorziening was die een trapgat afsloot, dan had hij deze nooit opgetild.

5.6.5.

[bouwbegeleider] was degene die aanstuurde welke (onder)aannemer wanneer en in welke ruimte werkzaamheden moest verrichten. Hij kan [eiser] dan ook niet tegenwerpen dat hij zelf een opruimtaak op zich heeft genomen, die nodig was voordat hij überhaupt met zijn schilderwerkzaamheden kon starten.

In principe was het ieders taak om zijn eigen spullen op te ruimen en daarmee te zorgen voor een opgeruimde bouwplaats, maar als er dan toch nog spullen van diverse (onder)aannemers zijn blijven liggen, waardoor een ander zijn werkzaamheden niet kan starten, dan zullen die spullen door iemand opgeruimd moeten worden. Zoals [eiser] heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, was het op de bouwplaats wel vaker een rommeltje en was het niet ongewoon dat hij opruimwerk verrichtte. Hij factureerde deze werkzaamheden dan als ‘meerwerk’ bij [opdrachtgever eiser] .
Dat er een opruimploeg op de bouw aanwezig was, zoals [bouwbegeleider] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, is door [eiser] bij gebrek aan wetenschap betwist.
Of deze opruimploeg er wel of niet was, maakt het oordeel ook niet anders. [bouwbegeleider] was de ochtend van het ongeval van [eiser] niet aanwezig, [eiser] kon hem dus niet vragen om de opruimploeg in te schakelen. [eiser] wilde starten met zijn werkzaamheden en heeft ervoor gekozen de werkvloer samen met zijn collega’s vrij te maken om zo te kunnen starten met de werkzaamheden.

5.6.6.

Verder heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat hij nimmer deelnam aan startbouwbesprekingen, althans hij kan zich geen uitnodiging herinneren waarop hij niet is ingegaan. Hierbij heeft [eiser] gewezen op het tijdstip van het ongeval. Nederland zat op dat moment namelijk in een lockdown vanwege Corona en toen werd er geen dagelijkse dagstart gehouden. Dit is door [bouwbegeleider] niet weersproken.

5.6.7.

Ook de stelling dat [eiser] bekend is geweest, althans bekend had moeten zijn, met de houten afdekplaat, omdat op de plek van het trapgat, vanuit de kelder gezien, door [eiser] en zijn collega’s is geschilderd, wordt door de kantonrechter niet gevolgd.
De onderkant van de houten afdekplaat (zoals te zien vanuit de kelder) is niet te zien in hal B en was als zodanig ook niet herkenbaar voor [eiser] . Ook het standpunt dat [eiser] ermee bekend had moeten zijn omdat hij op een eerder moment schilderwerkzaamheden in de kelder heeft verricht, passeert de kantonrechter. Van [eiser] kan in redelijkheid niet verwacht worden dat als hij werkzaamheden in een kelder heeft verricht, hij op het moment dat hij op de verdieping erboven werkzaamheden verricht helder heeft dat en waar zich een trapgat bevindt.

Conclusie

5.7.

[bouwbegeleider] heeft in zijn hoedanigheid van bouwbegeleider (die ook een zorgplicht heeft voor de veiligheid op de bouwplaats) onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] , omdat hij een houten afdekplaat als veiligheidsvoorziening heeft laten maken, die ondeugdelijk was, want deze was niet geborgd en/of gemarkeerd. Hierdoor heeft [eiser] deze afdekplaat niet herkend als veiligheidsvoorziening en heeft hij deze bij het opruimen/vrijmaken van de vloer kunnen optillen/kantelen, waardoor het trapgat open kwam te liggen en [eiser] daardoor naar beneden kon vallen. Deze gevaarzettende situatie heeft tot de (letsel)schade van [eiser] geleid.

Het vorenstaande kan aan [bouwbegeleider] worden toegerekend, want hij heeft [eiser] aan een groter risico blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was (‘gevaarzetting’).

5.8.

[bouwbegeleider] wordt daarom (mede) verantwoordelijk gehouden voor de ondeugdelijke veiligheidsvoorziening die heeft geleid tot het ongeval van [eiser] .

Omdat [bouwbegeleider] zijn AVB-verzekering tegen bedrijfs- c.q. beroepsaansprakelijkheid ten tijde van het ongeval had ondergebracht bij NN en het ongeval conform artikel 7:941 BW door [bouwbegeleider] aan NN is gemeld, kan [eiser] op grond van artikel 7:954 lid 1 BW verlangen dat NN, indien zij tot uitkering verplicht is, die uitkering - voor zover strekkende tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van het ongeval geleden schade - aan [eiser] verricht. Het risico waartegen [bouwbegeleider] zich als bouwbegeleider heeft verzekerd, heeft zich namelijk verwezenlijkt.

Het afzonderlijk gevoerde dekkingsverweer van NN

5.9.

De kantonrechter is van oordeel dat NN tot uitkering verplicht is.

[bouwbegeleider] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk gemotiveerd weersproken dat hij als hoofduitvoerder op de bouw heeft gefungeerd in plaats van als bouwbegeleider.
Het verweer van NN dat schade voortvloeiend uit andere activiteiten (zoals handelen als hoofduitvoerder) buiten de dekking valt, verliest daarmee zijn belang.

De kantonrechter zal dit oordeel later - in de vrijwaringszaak van [bouwbegeleider] tegen NN (rov. 6.6) - nader motiveren.

[opdrachtgever eiser] en ASR

5.10.

[opdrachtgever eiser] en ASR stellen zich - kort gezegd - op het standpunt dat bij de door [eiser] verrichte opruimwerkzaamheden (waaruit het ongeval is ontstaan) geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW.

Voor zover de kantonrechter oordeelt dat dit wel het geval is, menen [opdrachtgever eiser] en ASR dat [opdrachtgever eiser] aan haar zorgplicht jegens [eiser] heeft voldaan.

Ter onderbouwing van dit standpunt voeren [opdrachtgever eiser] en ASR het volgende als verweer aan.

Geen artikel 7:658 lid 4 BW-situatie

5.10.1.

[opdrachtgever eiser] heeft per e-mail van 16 maart 2020 en opvolgende e-mailwisseling van 26 maart 2020, 9 april 2020 en 1 mei 2020, met tussenkomst van [A] , verbonden aan [projectmanager] , van [eigenaar pand] de opdracht gekregen voor het uitvoeren van het schilderwerk van bedrijfsruimten voor het project " [eigenaar pand] te [plaats] ".
[opdrachtgever eiser] heeft per e-mail van 15 april 2020 de opdracht van [eigenaar pand] één op één naar [eiser] doorgestuurd10. Uit de opdracht volgt dat [eiser] de spuitwerkzaamheden diende uit te voeren in de kelder en in de loods/hal van het pand van [eigenaar pand] . Meer precies diende [eiser] wanden, kolommen en plafonds te spuiten.

[eiser] is een schildersbedrijf dat al jaren is gespecialiseerd in verfspuiten en voor de uitvoering van de opdracht had [eiser] eigen mensen meegenomen. Uit het uittreksel van de kamer van koophandel volgt dat [eiser] zijn bedrijf, [handelsnaam eiser] V.O.F, met ingang van 1 januari 2020 heeft opgericht. Ten tijde van het ongeval ging het dus niet om een kleine zelfstandige die schilderwerkzaamheden ging verrichten voor [opdrachtgever eiser] . Evenmin is relevant dat [handelsnaam eiser] V.O.F. vaker door [opdrachtgever eiser] werd ingeschakeld.

[opdrachtgever eiser] wist niets van de opruimwerkzaamheden die door [eiser] werden uitgevoerd. Deze vielen buiten de schilderwerkzaamheden die [opdrachtgever eiser] aan [eiser] had opgedragen. [eiser] is dus - zonder enige mededeling aan [opdrachtgever eiser] - in opdracht van [bouwbegeleider] of op eigen initiatief - op 7 mei 2020 opruimwerkzaamheden gaan verrichten, die buiten de opdracht/schilderwerkzaamheden vielen die [opdrachtgever eiser] aan [eiser] had opgedragen.

Kortom, [eiser] kan geen beroep doen op artikel 7:658 lid 4 BW, want hij heeft in de uitvoering van zijn schilderwerkzaamheden voor [opdrachtgever eiser] niet gehandeld als "een persoon" of als een "zelfstandige zonder personeel" zoals is bedoeld in lid 4 van artikel 7:658 BW. [eiser] heeft ten tijde van het ongeval gehandeld in de uitoefening van zijn eigen vennootschap onder firma als specialist in spuitwerkzaamheden en met zijn eigen personeel. Dat brengt met zich mee dat [opdrachtgever eiser] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW niet als werkgever van [eiser] is te beschouwen.

5.10.2.

Verder is van belang dat [eiser] als eigenaar/directeur van zijn eigen vennootschap onder firma zelf juist invloed had op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder hijzelf en zijn mensen/personeel werkzaamheden dienden te verrichten. Hij heeft zelf- zonder enig overleg met [opdrachtgever eiser] - opruimwerkzaamheden uitgevoerd. [opdrachtgever eiser] had geen enkele zeggenschap over deze opruimwerkzaamheden.

Naast bij [eiser] zelf, lag de zeggenschap over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder [eiser] en zijn personeel de opruimwerkzaamheden dienden uit te voeren bij [bouwbegeleider] die door [eigenaar pand] als bouwbegeleider van het project is ingeschakeld.

[bouwbegeleider] had de dagelijkse leiding en hield zich bezig met het aansturen van de (onder-) aannemers op de bouwlocatie. [bouwbegeleider] , die door [eigenaar pand] is ingeschakeld, was verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouwlocatie en het treffen van veiligheidsvoorzieningen op de bouwlocatie. [bouwbegeleider] kon bepalen op welke plaats en onder welke omstandigheden [eiser] zijn werkzaamheden diende uit te voeren. [bouwbegeleider] was degene die de coördinatie van de werkzaamheden op zich nam en er voor zorgde dat de werknemers op de bouwlocatie werden geïnstrueerd.

[bouwbegeleider] , [A] ( [projectmanager] ) en/of [eigenaar pand] waren dus verantwoordelijk voor het treffen van veiligheidsmaatregelen op de bouwlocatie in de zin van artikel 7:658 BW.

Dat volgt ook uit het feit dat niet [opdrachtgever eiser] de betreffende trapgatafdichting heeft geplaatst, maar dat [bouwbegeleider] dit heeft laten maken en plaatsen. Als sprake was van onvoldoende waarschuwingen en/of markeringen van de afdekking van het trapgat, dan had het op de weg van [bouwbegeleider] of [eigenaar pand] gelegen om deze veiligheidsmaatregelen te treffen. Hierop had [opdrachtgever eiser] (als kleine onderaannemer op de bouwlocatie) geen enkele invloed.
De zeggenschap over de inrichting van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder [eiser] zijn (opruim)werkzaamheden diende te verrichten, rustte dan ook op [bouwbegeleider] .

Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] voor de uitvoering van de (opruim)werkzaamheden voor de zorg van zijn veiligheid niet afhankelijk was van [opdrachtgever eiser] maar afhankelijk was van of zichzelf of van [bouwbegeleider] , [A] en/of [eigenaar pand] . Dat brengt met zich mee dat [opdrachtgever eiser] op grond van artikel 7:658 lid 4 niet als werkgever van [eiser] is te beschouwen.

Geen schending zorgplicht

5.10.3.

Mocht toch sprake zijn van een artikel 7:658 lid 4 BW situatie, dan menen [opdrachtgever eiser] en ASR dat [opdrachtgever eiser] heeft voldaan aan haar zorgverplichting en om die reden niet aansprakelijk te achten is voor het [eiser] overkomen ongelukkig voorval.

[opdrachtgever eiser] heeft de juiste adequate werkmaterialen/gereedschappen ter beschikking gesteld aan [eiser] ten behoeve van de gegeven opdracht.

Ook heeft [opdrachtgever eiser] de vereiste maatregelen getroffen en aanwijzingen gegeven die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn opgedragen werkzaamheden schade zou lijden.

[opdrachtgever eiser] heeft veiligheid hoog in het vaandel staan. Zij streeft ernaar te zorgen voor een optimaal werkklimaat voor haar medewerkers en derden en wil dit bereiken in samenspraak met haar medewerkers en klanten. Met het oog daarop wordt een VGM-beleid gevoerd. Deze informatie is ook aan [eiser] overhandigd.

Daarbij is het bedrijf van [opdrachtgever eiser] volledig VCA gecertificeerd en dienen dus alle medewerkers (waaronder ook de door [opdrachtgever eiser] ingeschakelde partijen) in het bezit te zijn van een VCA-diploma.

Om de veiligheid van de werknemers en van de ingeschakelde zzp'ers te waarborgen werden op de verschillende projecten werkplekinspecties gehouden om toe te zien op de veiligheid. Ook worden dan de gebruikte materialen van de door verzekerde ingehuurde zzp-ers gekeurd. Dat gebeurde ook ten tijde van het project te [plaats] . [opdrachtgever eiser] was wekelijks aanwezig op de bouw om toezicht te houden op de werkzaamheden en de veiligheid.

Relevant in het kader van de zorgverplichting is ook dat [eiser] een gespecialiseerde verfspuiter is met al vele jaren ervaring. Ook was/is [eiser] VCA gecertificeerd. Ten tijde van het ongeval handelde [eiser] in de uitvoering van zijn eigen vennootschap onder firma. Van [eiser] , met veel ervaring, met zijn eigen vennootschap en zijn eigen mensen, mag dan ook een zekere zelfstandigheid worden verlangd.

Van [opdrachtgever eiser] kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat voortdurend toezicht wordt gehouden en/of instructies worden gegeven. Zeker niet op werkzaamheden die buiten de opdracht van [opdrachtgever eiser] vielen. [opdrachtgever eiser] heeft al het redelijke gedaan wat van haar redelijkerwijs in verband met de aard van het werk en de ervaring en opleiding van [eiser] kon worden gevergd.

Van [opdrachtgever eiser] kan rederlijkwijs niet verlangd worden dat de zorgverplichting ook strekt tot andere opdrachten die [eiser] - handelend in de uitvoering van zijn eigen vennootschap - zonder enige mededelingen aan [opdrachtgever eiser] op eigen initiatief of in opdracht van [bouwbegeleider] heeft uitgevoerd. [opdrachtgever eiser] hoefde er geen rekening mee te houden dat [eiser] , buiten de gegeven opdracht, opruimwerkzaamheden zou gaan verrichten. Van dit eigen handelen van [eiser] was [opdrachtgever eiser] niet op de hoogte.

Er was aldus ook geen enkele aanleiding voor [opdrachtgever eiser] om maatregelen te treffen en/of nadere instructies te verstrekken.

Oordeel kantonrechter

5.11.

De kantonrechter oordeelt met betrekking tot het verweer van [opdrachtgever eiser] en ASR het volgende.

Aansprakelijkheid artikel 7:658 lid 4 BW

5.11.1.

Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft (in dit geval: [eiser] ), aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de opdrachtgever ( [opdrachtgever eiser] ) aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

5.11.2.

Als onweersproken staat vast dat [opdrachtgever eiser] per e-mail van 15 april 2020 de overeenkomst van opdracht van [eigenaar pand] aan haar één op één naar [eiser] heeft doorgestuurd.

Uit de opdracht volgt dat [eiser] verf/spuitwerkzaamheden diende uit te voeren in de kelder en in de loods/hal van het pand van [eigenaar pand] . Conform de overeenkomst van 15 april 2020 heeft [eiser] spuitwerkzaamheden uitgevoerd.

Ten tijde van het ongeval had [eiser] als rechtsvorm een eenmanszaak en geen vennootschap onder firma. Na het ongeval heeft hij - met terugwerkende kracht - zijn eenmanszaak omgezet in een vof om zijn bedrijf te kunnen behouden, zoals [eiser] heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling.

Echter, om als “een persoon” in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW te kunnen worden aangemerkt, is bepalend of [eiser] zich, wat betreft de door de [opdrachtgever eiser] in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer van [opdrachtgever eiser] vergelijkbare positie bevindt.

Dit betekent dat hij voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk moet zijn van [opdrachtgever eiser] . Of dit het geval is, wordt onder meer bepaald door de feitelijke verhouding tussen [opdrachtgever eiser] en [eiser] , de aard van verrichte werkzaamheden en de mate waarin [opdrachtgever eiser] , al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van [eiser] en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.

Partijen hebben over deze punten het volgende aangevoerd.

De feitelijke verhouding tussen [eiser] en [opdrachtgever eiser]

5.11.3.

[eiser] ontving al zo’n vier à vijf jaar opdrachten van [opdrachtgever eiser] , wat goed was voor een groot deel van zijn omzet. Daarbij wijst [eiser] ook op de ‘enorme’ marge die [opdrachtgever eiser] had op het werk dat door [eiser] werd uitgevoerd11. Verder leverde [opdrachtgever eiser] de verf en de bedrijfskleding aan.

[opdrachtgever eiser] heeft tijdens de mondelinge verklaring verklaard dat door [eiser] meestal haar bedrijfskleding werd gedragen, maar niet altijd.

De mate waarin [opdrachtgever eiser] invloed had op de werkomstandigheden van [eiser]

5.11.4.

[opdrachtgever eiser] contracteerde met [eigenaar pand] (middels [projectmanager] ), zij heeft een VGM-deelplan ingeleverd, was/mocht aanwezig zijn bij coördinatie- en werkbesprekingen die [A] dan wel [bouwbegeleider] met de aannemers voerde en was regelmatig ter plaatse om de werkomstandigheden en de vorderingen van het werk te bekijken12.

Ook op 6 mei 2020, de dag voor het ongeval, was [opdrachtgever eiser] op de werkplek aanwezig. [opdrachtgever eiser] heeft, zoals verklaard aan de Inspectie SZW, foto’s gemaakt van de ruimte in hal B, waaruit bleek dat de vloer nog vol lag met bouwmaterialen.

Dit staat volgens [eiser] haaks op haar later ingenomen standpunt dat zij er niet van op de hoogte was dat er opruimwerkzaamheden (door [eiser] ) verricht zouden (moeten) worden, voordat de afplak- en spuitwerkzaamheden konden plaatsvinden.

[opdrachtgever eiser] heeft er voor gekozen om haar V&G-coördinator, althans een van de projectleiders die [opdrachtgever eiser] in dienst heeft, niet op dit project in te zetten en daarmee in feite gebruik heeft gemaakt van “hulppersonen” zoals [bouwbegeleider] , aldus [eiser] .

De aard van de verrichte werkzaamheden

5.11.5.

Op 7 mei 2020 zou [eiser] het plafond in hal B spuiten. Om deze opdracht uit te kunnen uitvoeren, moest de vloer van hal B vrij zijn, anders kon de aanwezige schaarwerker die nodig was voor het afplakken en (tex)spuiten van het plafond niet, althans niet goed, gebruikt worden. [eiser] deed en factureerde regelmatig meerwerk (waaronder opruimwerk) aan [opdrachtgever eiser] .

[opdrachtgever eiser] heeft zelf ten overstaan van de Inspectie SZW verklaard dat zij de toestemming voor meerwerk door [eiser] niet vooraf hoeft te geven, en dat alles op basis van redelijkheid en billijkheid gaat. Deze werkwijze heeft [opdrachtgever eiser] tijdens de mondelinge behandeling nogmaals bevestigd. Eén keer in de twee maanden mocht [opdrachtgever eiser] meerwerk factureren bij [eigenaar pand] en dit betrof zoals gezegd “hele lijsten”.

De daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s

5.11.6.

Aan de werkzaamheden van [eiser] , het (tex)spuiten in een bedrijfspand dat in aanbouw is, zijn veiligheidsrisico’s verbonden.

5.11.7.

Uit het voorgaande (5.11.3 tot en met 5.11.6) volgt dat [eiser] in de feitelijke verhouding tot [opdrachtgever eiser] in grote mate gelijkenis vertoont met een werknemer van [opdrachtgever eiser] . [eiser] ontving opdrachten, verf en bedrijfskleding. [opdrachtgever eiser] had invloed op de werkomstandigheden en veiligheidsrisico’s. Ook tijdens het opruimen was [eiser] nog steeds met "de uitoefening van het werk voor [opdrachtgever eiser] ” bezig, deze werkzaamheden factureerde [eiser] immers ook conform afspraak aan [opdrachtgever eiser] .
De stelling van [opdrachtgever eiser] en ASR dat [opdrachtgever eiser] voor de veiligheid van de opruimwerkzaamheden niet verantwoordelijk was, moet dus worden verworpen.

[opdrachtgever eiser] was er, als opdrachtgever in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW, volgens [eiser] wel degelijk verantwoordelijk voor dat de situatie ter plaatse, en dus ook de afdichtingsconstructie, zo veilig mogelijk zou zijn, althans zij was er ten opzichte van [eiser] verantwoordelijk voor hier kennis van de hebben, en [eiser] daarvan in kennis te stellen.

De kantonrechter is - alles wat is aangevoerd in onderling verband bezien - van oordeel dat bij de door [eiser] verrichte opruimwerkzaamheden (waaruit het ongeval is ontstaan) wel degelijk sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW.

Schending zorgplicht

5.11.8.

Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is [opdrachtgever eiser] aansprakelijk voor de schade die [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij [opdrachtgever eiser] aantoont dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtgever eiser] hierin niet geslaagd is. Dat wordt als volgt toegelicht.

5.11.9.

Niet in geschil is dat [opdrachtgever eiser] een VGM-beleid voert, dat zij volledig VCA gecertificeerd is en dat alle medewerkers (waaronder ook de door [opdrachtgever eiser] ingeschakelde partijen, zoals [eiser] ) in het bezit dienen te zijn van een VCA-diploma.

Evenmin is in geschil dat [opdrachtgever eiser] werkplekinspecties hield (op de bouwplaats van [eigenaar pand] wekelijks) waarbij ook werd toegezien op de veiligheid en dat zij (adequate) werkmaterialen/gereedschappen ter beschikking heeft gesteld aan [eiser] ten behoeve van de gegeven opdracht.

Het VGM-plan dat door [opdrachtgever eiser] aan [eiser] is uitgereikt is echter een algemeen document dat niet is toegespitst op een bepaald project en de daaraan specifiek verbonden veiligheidsrisico’s. [eiser] werd daarin dus niet geïnformeerd over de specifieke locatie, bijvoorbeeld waar zich op de werklocatie trapsparingen bevonden en hoe die waren afgedicht. In het VGM-plan wordt enkel in algemene bewoordingen aangegeven dat aangebrachte (veiligheids-)voorzieningen zoveel mogelijk in stand worden gelaten13. Probleem is echter dat [eiser] , toen hij de afdekplaat optilde, zich er niet van bewust was dat dit een veiligheidsvoorziening betrof ter afdichting van een trapsparing.

[opdrachtgever eiser] is op 6 mei 2020, dus daags voor het ongeval, nog in hal B geweest. Hierover heeft [opdrachtgever eiser] het volgende verklaard tegen de Inspectie SZW14:

De foto’s die [opdrachtgever eiser] aan de Inspectie SZW heeft getoond zijn door [opdrachtgever eiser] niet in het geding gebracht, maar de kantonrechter gaat ervan uit dat de vloer in hal B ook
’s-ochtends op 7 mei 2020 nog vol lag met bouwmaterialen. Dat dit niet het geval zou zijn, is gesteld noch gebleken en wordt bevestigd door de foto’s die op 6 mei 2020 door [opdrachtgever eiser] zijn gemaakt.

Verder is gesteld noch gebleken dat [opdrachtgever eiser] de houten afdekplaat heeft opgemerkt, of actie heeft ondernomen om de vloer op te (laten) ruimen, zodat [eiser] de volgende dag zonder voorafgaand opruimwerkzaamheden te verrichten (veilig) zijn spuitwerkzaamheden kon doen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen.

Immers, [opdrachtgever eiser] was er (als opdrachtgever in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW) verantwoordelijk voor dat de situatie ter plaatse, en dus ook de houten afdekplaat, zo veilig mogelijk zou zijn. [opdrachtgever eiser] diende in ieder geval kennis te hebben van de (gevaarzettend gebleken) situatie rondom deze afdichtingsconstructie en [eiser] daarvoor te waarschuwen. Dit is niet gebeurd.

5.11.10.

Tot slot wijzen [opdrachtgever eiser] en ASR nog op het Dakdekkersarrest15, ter onderbouwing van hun stelling dat [opdrachtgever eiser] alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht indachtig de aard van het werk enerzijds, en de werkervaring c.q. opleiding van [eiser] anderzijds.

Hiermee miskennen zij, zoals [eiser] ook heeft aangevoerd, dat een werkgever ook verantwoordelijk is voor de veiligheid van ervaren werknemers en steeds rekening dient te houden met het verschijnsel dat ook die werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is en dat - in geval van [eiser] - de bekendheid of de kennis die [opdrachtgever eiser] zou moeten hebben met de aan het werk verbonden risico’s (zoals dat in een te bouwen pand trapsparingen aanwezig zullen zijn) en het treffen van veiligheidsmaatregelen, niet enkel aan het inzicht van [eiser] had mogen overlaten.

Conclusie

5.12.

Gelet op het vorenstaande is [opdrachtgever eiser] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW (mede) aansprakelijk voor de schade die [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt of heeft geleden.

Omdat [opdrachtgever eiser] zijn verzekering tegens bedrijfs- c.q. beroepsaansprakelijkheid ten tijde van het ongeval had ondergebracht bij ASR en het ongeval conform artikel 7:941 BW door [opdrachtgever eiser] aan ASR is gemeld, kan [eiser] op grond van artikel 7:954 lid 1 BW verlangen dat ASR, indien zij tot uitkering verplicht is, die uitkering - voor zover strekkende tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van het ongeval geleden schade - aan [eiser] verricht. Het risico waartegen [opdrachtgever eiser] zich heeft verzekerd, heeft zich namelijk verwezenlijkt.

Vorderingen in de hoofdzaak

De gevorderde verklaringen voor recht

5.13.

Vorenstaande betekent dat [eigenaar pand] , [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade en dat AIG, NN en ASR op grond van de directe actie ex artikel 7:954 BW (hoofdelijk) verplicht zijn de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade volledig te vergoeden.

De door [eiser] onder 1. gevorderde verklaringen voor recht zullen dan ook worden afgegeven.

Schadevergoeding, nader op te maken bij staat

5.14.

De onder 2. gevorderde hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf het ontstaan van de schade) zal worden toegewezen, zoals onder de beslissing vermeld.

Proceskostenveroordeling

5.15.

Alle gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

5.15.1.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaardingen

801,97

 

- griffierecht

86,00

 

- salaris gemachtigde

2174,00

(2 punten × € 1087,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.196,97

 

5.15.2.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.15.3.

De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6. De procedures in vrijwaring, in onder vrijwaring en in onder onder vrijwaring

6.1.

Hierna zal de kantonrechter per vrijwaringsprocedure beoordelen in hoeverre partijen in hun onderlinge verhouding (al dan niet deels) draagplichtig zijn.

6.2.

De kantonrechter zal allereerst (per zaaknummer) de vrijwaringsprocedures beoordelen, waarin [bouwbegeleider] als eisende partij optreedt en daarbij ook de daarvan afgeleide onder vrijwaring van [eigenaar pand] op [projectmanager] meenemen.

In de hoofdzaak is op 23 november 2023 een tussenvonnis gewezen waarin [bouwbegeleider] toestemming heeft gekregen om [eigenaar pand] , [opdrachtgever eiser] , [eigenaar pand] , NN en [projectmanager] in vrijwaring op te roepen. Tegen [projectmanager] is [bouwbegeleider] uiteindelijk geen vrijwaringsprocedure gestart.

Daarna zal de kantonrechter (per zaaknummer) de vrijwaringsprocedures van
[opdrachtgever eiser] en ASR beoordelen jegens [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] en tenslotte ook de daarvan afgeleide onder vrijwaring van [eigenaar pand] op [projectmanager] en de onder onder vrijwaring van [projectmanager] op [bouwbegeleider] .

[bouwbegeleider] als eisende partij in vrijwaring tegen [opdrachtgever eiser] , [eigenaar pand] en NN

6.3. 10837527

10837527 CV EXPL 23-7712 ( [bouwbegeleider] tegen [opdrachtgever eiser] ):

6.3.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 8 producties van 5 december 2023, waarin [bouwbegeleider] [opdrachtgever eiser] in vrijwaring heeft opgeroepen,

  • -

    de conclusie van antwoord met 7 bijlagen van 7 maart 2024 van [opdrachtgever eiser] .

6.3.2.

[bouwbegeleider] vordert dat de kantonrechter, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak aanhangig onder zaaknummer: 10486568 CV EXPL 23-2614, [opdrachtgever eiser] veroordeelt om:

1. aan [bouwbegeleider] te betalen datgene, waartoe [bouwbegeleider] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling,

2. [opdrachtgever eiser] te veroordelen in de kosten van het geding in deze vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.3.3.

[bouwbegeleider] voert ter onderbouwing van de vordering aan dat [opdrachtgever eiser] gehouden is [bouwbegeleider] in deze zaak te vrijwaren, omdat - waar het de contractuele verantwoordelijkheid betreft - geldt dat [opdrachtgever eiser] de partij is die als hoofdaannemer 'boven' [eiser] verantwoordelijk is, nu tussen [opdrachtgever eiser] en [eiser] een contractuele relatie bestaat en het niet aan [bouwbegeleider] maar aan [opdrachtgever eiser] was (op grond van de hem gegeven opdracht aan [eiser] om te schilderen) de ruimte te ontruimen indien dat noodzakelijk was.
[opdrachtgever eiser] gaf immers opdracht tot de schilderwerkzaamheden (en tot opruimen en schoonmaken) en niet [bouwbegeleider] in de hoedanigheid van bouwbegeleider. [bouwbegeleider] verwijst in dit verband ook naar het VGM-deelplan dat door [opdrachtgever eiser] is opgesteld, waarin de verantwoordelijkheid voor tal van veiligheidsaspecten uitdrukkelijk bij [opdrachtgever eiser] ligt.

6.3.4.

[opdrachtgever eiser] heeft verweer gevoerd en concludeert dat [bouwbegeleider] niet ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat diens vordering dient te worden afgewezen en dat hij veroordeeld dient te worden in de kosten van de onderhavige procedure, dit alles te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en voor het geval de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, uitvoerbaar bij voorraad.

[opdrachtgever eiser] heeft - kort samengevat – als meest vertrekkende verweer aangevoerd dat [bouwbegeleider] de trapafdichting heeft laten plaatsen. Het had volgens [opdrachtgever eiser] dus op de weg van [bouwbegeleider] gelegen om veiligheidsmaatregelen te treffen en de bewuste trapafdichting te voorzien van randbeveiliging, waarschuwingen en/of markeringen.

De beoordeling van de kantonrechter

6.3.5.

De kantonrechter is van oordeel dat in de onderlinge verhouding tussen [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] , [bouwbegeleider] verplicht is tot vergoeding van de schade van [eiser] , en niet [opdrachtgever eiser] , omdat [bouwbegeleider] degene is die de houten afdekplaat als veiligheidsvoorziening heeft laten maken. Deze was als veiligheidsvoorziening, zoals hiervoor overwogen (vgl. rov. 5.8), ondeugdelijk, want de houten afdekplaat was niet geborgd en/of gemarkeerd.
[bouwbegeleider] moet in dat kader [opdrachtgever eiser] vrijwaren en dus niet andersom, zoals [bouwbegeleider] in deze vrijwaringsprocedure, als eisende partij vordert.

De kantonrechter overweegt daarover verder als volgt.

6.3.6.

[bouwbegeleider] had als bouwbegeleider de verantwoordelijkheid en dagelijkse leiding over het reilen en zeilen van het gehele bouwproces. Hij was degene die aanstuurde welke (onder-)aannemer wanneer en in welke ruimte werkzaamheden moest verrichten.

Van [bouwbegeleider] mocht dus worden verwacht dat hij bij de werkzaamheden van de (onder-) aannemers in voldoende mate aandacht zou besteden aan de veiligheid op de bouwplaats.

Hij kan [opdrachtgever eiser] dan ook niet tegenwerpen dat zij de partij is die als hoofdaannemer “boven” [eiser] verantwoordelijk is geweest voor de omstandigheid dat [eiser] hal B is gaan opruimen. Dit was namelijk nodig voordat überhaupt met de schilderwerkzaamheden kon worden begonnen, want het was op de bouwplaats wel vaker ‘een rommeltje’, zoals door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken is gesteld. Het had op de weg van [bouwbegeleider] gelegen om ervoor te zorgen dat de (onder-)aannemer die voor [opdrachtgever eiser] / [eiser] werkzaamheden heeft verricht in hal B, de bouwplaats opgeruimd achter zou laten of om daarvoor een opruimploeg in te schakelen.

Verder is het [bouwbegeleider] geweest die [eiser] aan een groter risico heeft blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was (‘gevaarzetting’) en niet [opdrachtgever eiser] . Immers, [bouwbegeleider] heeft de houten afdekplaat als veiligheidsvoorziening laten maken, die niet geborgd en/of gemarkeerd was. Hierdoor heeft [eiser] deze afdekplaat niet herkend als veiligheidsvoorziening en heeft hij deze bij het opruimen/vrijmaken van de vloer kunnen optillen/kantelen, waardoor het trapgat open kwam te liggen en [eiser] daardoor naar beneden kon vallen. [opdrachtgever eiser] heeft daarbij geen bemoeienis gehad.

6.3.7.

Vorenstaande leidt tot de slotsom dat de vrijwaringsvordering van [bouwbegeleider] jegens [opdrachtgever eiser] moet worden afgewezen.

6.3.8.

[bouwbegeleider] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgever eiser] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

677,00

 

6.3.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.4. 10837521

CV EXPL 23-7711 ( [bouwbegeleider] tegen [eigenaar pand] ):

6.4.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met 8 producties van 5 december 2023, waarin [bouwbegeleider] [eigenaar pand] in vrijwaring heeft opgeroepen,
  • - het incident tot oproeping in onder vrijwaring van 8 februari 2024, waarin [eigenaar pand] en AIG de kantonrechter hebben verzocht om [projectmanager] in onder vrijwaring te mogen oproepen,
  • - de conclusie van antwoord van [bouwbegeleider] in onder vrijwaring van 7 maart 2024,

    met 1 productie,

  • - de akte uitlaten producties van [eigenaar pand] en AIG van 21 maart 2024,
  • - het vonnis in het incident van 18 april 2024,
  • - de conclusie van antwoord van [eigenaar pand] van 16 mei 2024.

6.4.2.

[bouwbegeleider] vordert dat de kantonrechter, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak aanhangig onder zaaknummer: 10486568 CV EXPL 23-2614,
[eigenaar pand] veroordeelt om:

1. aan [bouwbegeleider] te betalen datgene, waartoe [bouwbegeleider] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling,

2. [eigenaar pand] te veroordelen in de kosten van het geding in deze vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.4.3.

[bouwbegeleider] voert als grondslag van zijn vordering aan dat [eigenaar pand] gehouden is [bouwbegeleider] in deze zaak te vrijwaren, omdat zij opdrachtgever is van [bouwbegeleider] , zodat zij aansprakelijk is voor diens doen en nalaten.

[bouwbegeleider] verwijst voor de verdere onderbouwing van zijn standpunt naar hetgeen door hem gesteld is onder de punten 49 van de door [bouwbegeleider] overgelegde conclusie van antwoord van 24 augustus 2023 in de hoofdzaak. Onder punt 49 heeft [bouwbegeleider] ten aanzien van [eigenaar pand] (enkel) het volgende gesteld:

6.4.4.

[eigenaar pand] voert verweer en concludeert om de vorderingen in vrijwaring van [bouwbegeleider] af te wijzen met veroordeling van [bouwbegeleider] in de proceskosten alsmede in de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande 14 dagen na het vonnis wanneer [bouwbegeleider] in gebreke blijft de proceskosten en de nakosten te voldoen.

[eigenaar pand] heeft - kort samengevat - als verweer gevoerd dat niet zij, maar [bouwbegeleider] de partij was die ter plaatse aanwezig was en de concrete werkzaamheden aan de bouwvakkers opdroeg, waarbij mede van belang is dat [bouwbegeleider] zelf de trapgatafdichting heeft laten maken die door [eiser] ten tijde van de opruimwerkzaamheden is opgetild.

De beoordeling van de kantonrechter

6.4.5.

[bouwbegeleider] dient gemotiveerd te stellen dat tussen hem en [eigenaar pand] een rechtsverhouding bestaat die voor [eigenaar pand] een verplichting meebrengt [bouwbegeleider] te vrijwaren voor de gevolgen van een mogelijke veroordeling in de hoofdzaak. Aan dit vereiste heeft [bouwbegeleider] niet voldaan.

Dat wat [bouwbegeleider] daartoe heeft gesteld in zijn inleidende dagvaarding, namelijk dat [eigenaar pand] opdrachtgever is van [bouwbegeleider] ‘zodat zij aansprakelijk is voor diens doen/handelen en nalaten’ is daartoe onvoldoende. Zonder nadere toelichting van de (grondslag van de) vordering die ontbreekt, is deze vordering niet toewijsbaar. Het verweer van [eigenaar pand] in deze vrijwaringsprocedure behoeft daarom geen verdere bespreking meer.

6.4.6.

[bouwbegeleider] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De proceskosten van [eigenaar pand] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

677,00

 

6.4.7.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.5. 11094103

CV EXPL 24-3215 ( [eigenaar pand] tegen [projectmanager] )

6.5.1.

De afwijzing van de vordering in de vrijwaringsprocedure van [bouwbegeleider] tegen [eigenaar pand] heeft eveneens tot gevolg dat ook de vorderingen in de daaraan gelieerde procedure in onder vrijwaring van [eigenaar pand] op [projectmanager] worden afgewezen. Immers, de beslissing in de vrijwaringszaak valt voor [eigenaar pand] voordelig uit: de vorderingen van [bouwbegeleider] worden afgewezen, met veroordeling van [bouwbegeleider] in de proceskosten. [eigenaar pand] heeft in deze vrijwaringsprocedure dus geen verhaal (nodig) op [projectmanager] .

Alles wat in het kader van deze onder vrijwaringsprocedure door [eigenaar pand] en [projectmanager] is aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking meer.

6.5.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan in deze onder vrijwaringsprocedure geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.6. 10837488

CV EXPL 23-7710 ( [bouwbegeleider] tegen NN)

6.6.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met 8 producties van 5 december 2023, waarin [bouwbegeleider] NN in vrijwaring heeft opgeroepen,
  • - de conclusie van antwoord van NN met 8 bijlagen van 8 februari 2024.

6.6.2.

[bouwbegeleider] vordert dat de kantonrechter, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak aanhangig onder zaaknummer: 10486568 CV EXPL 23-2614,

NN veroordeelt om:

1. om aan [bouwbegeleider] te betalen datgene, waartoe [bouwbegeleider] als gedaagde in de hoofdzaak jegens

[eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling,

2. NN te veroordelen in de kosten van het geding in deze vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en
- voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.6.3.

[bouwbegeleider] voert - kort samengevat - als grondslag van zijn vordering aan dat NN gehouden is [bouwbegeleider] in deze zaak te vrijwaren, omdat zij, als de AVB-verzekeraar van [bouwbegeleider] , dekking moet verlenen indien [bouwbegeleider] wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [eiser] .

6.6.4.

NN voert verweer en concludeert om de door [bouwbegeleider] ingestelde vorderingen af te wijzen en [bouwbegeleider] te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

NN heeft - kort samengevat - als verweer aangevoerd dat er geen sprake van een verzekerde hoedanigheid op basis waarvan NN onder de betreffende AVB-polis dekking zou moeten verlenen. De werkzaamheden en verantwoordelijkheden die [bouwbegeleider] als (hoofd)uitvoerder op zich heeft genomen, namelijk de verantwoordelijkheid voor toezicht en veiligheid op de bouw, vallen buiten de verzekerde hoedanigheid. [bouwbegeleider] is alleen verzekerd voor de werkzaamheden ‘bouwbegeleiding’. NN is daarom niet gehouden tot het vrijwaren van [bouwbegeleider] ten aanzien van de vordering die [eiser] tegen [bouwbegeleider] instelt in de aanhangige hoofdzaak.

De beoordeling van de kantonrechter

6.6.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [bouwbegeleider] op 7 november 2019, via zijn tussenpersoon, een aanvraag Zekerheidspakket Bouw bij NN heeft aangevraagd.
De aangevraagde verzekering is per 1 januari 2020 ingegaan16.

Als verzekerd beroep/bedrijf/activiteiten is daarbij - evenals in het aanvraagformulier - vermeld:

[bouwbegeleider] heeft bij NN op 22 juli 2020 melding gemaakt van een ongeval op een bouwplaats nadat hij aansprakelijk was gesteld door [eiser] . Na ontvangst van de schademelding van [bouwbegeleider] heeft NN bureau [B] ingeschakeld om onderzoek te doen naar het ongeval en de betrokkenheid van [bouwbegeleider] daarbij. Uit het toedrachtsrapport van [B] van 6 april 202117 volgde, zoals NN stelt, dat [bouwbegeleider] werkzaamheden als hoofduitvoerder heeft verricht voor [eigenaar pand] . Zo blijkt uit het rapport dat [bouwbegeleider] (hoofd)uitvoerder was en bovendien ook verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouw. In het VGM-plan wordt [bouwbegeleider] ook aangemerkt als “hoofduitvoerder”. [bouwbegeleider] moest begrijpen dat de werkzaamheden van een hoofduitvoerder met de vergaande verantwoordelijkheden die hij op zich heeft genomen, buiten de verzekerde hoedanigheid van een “bouwbegeleider” vielen, aldus NN.

NN heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de door [bouwbegeleider] uitgevoerde werkzaamheden niet onder de verzekerde hoedanigheid vallen en heeft hem vervolgens dekking ontzegt. NN heeft uitvoerig uitgelegd dat bouwbegeleider en hoofduitvoerder twee verschillende functies zijn waarbij onder andere de mate van verantwoordelijkheid tussen deze twee functies enorm verschilt.

6.6.6.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [bouwbegeleider] gemotiveerd betwist dat hij als (hoofd)uitvoerder op de bouwplaats fungeerde. Het VGM-plan waarnaar [B] heeft verwezen, is (in template) door [A] ( [projectmanager] ) naar [bouwbegeleider] toegestuurd, maar is door [bouwbegeleider] nooit ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat er een aangepast of ondertekend VGM-plan is.

[A] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat deze template maar deels bruikbaar was, omdat hierin allerlei rollen zijn toebedeeld aan een projectleider, terwijl er op deze bouw door [eigenaar pand] geen projectleider of hoofdaannemer was aangesteld. [projectmanager] maakte namelijk enkel gebruik van neven- en onder aanneming. [A] was dus géén projectleider van de bouw en [bouwbegeleider] was geen (hoofd)uitvoerder, zoals vermeldt staat in deze template. [bouwbegeleider] fungeerde (slechts) als bouwbegeleider, zoals overeengekomen in de overeenkomst van bouwbegeleiding van 6 december 2018. Daarin staat ook opgenomen wat onder bouwbegeleiding verstaan moet worden. Veiligheid is geen taak die (specifiek) bij [bouwbegeleider] is belegd. Dat [bouwbegeleider] verantwoordelijk zou zijn voor de veiligheid op de bouwplaats wordt in de overeenkomst van bouwbegeleiding niet genoemd.

Zoals hiervoor in de hoofdzaak is overwogen, is [bouwbegeleider] ook als bouwbegeleider (mede) verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouwplaats.

Voor zover NN heeft aangevoerd dat hieruit zou volgen dat [bouwbegeleider] als (hoofd)uitvoerder moet worden gekwalificeerd, wordt deze stelling door de kantonrechter verworpen.

De conclusie is dat [bouwbegeleider] bouwbegeleider is op het project. Tijdens de mondelinge behandeling heeft NN (nogmaals) verklaard dat [bouwbegeleider] , in het geval dat komt vast te staan dat hij bouwbegeleider is, dan dekking heeft onder de door hem afgesloten verzekering. Vorenstaande leidt dus tot de slotsom dat NN dekking moet verlenen aan [bouwbegeleider] .
Dit betekent dat de vrijwaringsvordering van [bouwbegeleider] jegens NN toewijsbaar is.

6.6.7.

NN is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eigenaar pand] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

677,00

 

6.6.8.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

[opdrachtgever eiser] en ASR als eisende partij in vrijwaring tegen [eigenaar pand] en [bouwbegeleider]

6.7. 10843103

CV EXPL 23-7751 ( [opdrachtgever eiser] en ASR tegen [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] )

6.7.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met 8 producties van 6 december 2023,
  • - het incident tot oproeping in onder vrijwaring van [eigenaar pand] en AIG van 8 februari 2024,
  • - de conclusie van antwoord van [bouwbegeleider] met 8 producties van 8 februari 2024,
  • - het antwoord in het incident van [opdrachtgever eiser] en ASR van 7 maart 2024,
  • - het vonnis in het incident 18 april 2024,
  • - de conclusie van antwoord van [eigenaar pand] van 16 mei 2024.

6.7.2.

[opdrachtgever eiser] en ASR vorderen dat de kantonrechter, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak, [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] veroordeelt aan ASR en [opdrachtgever eiser] al datgene te voldoen waartoe ASR en [opdrachtgever eiser] in de hoofdzaak jegens [eiser] worden veroordeeld, met veroordeling van [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de (na)kosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

6.7.3.

[opdrachtgever eiser] en ASR voeren - kort samengevat - als grondslag van hun vordering aan dat - indien de kantonrechter in de hoofdzaak tot het oordeel komt dat [opdrachtgever eiser] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade ten gevolge van voornoemd ongeval - niet zij maar [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] op grond van artikel 6:162 BW de schade van [eiser] dienen te dragen en dat [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] , [opdrachtgever eiser] en ASR dienen te vrijwaren als [opdrachtgever eiser] jegens [eiser] aansprakelijk wordt gehouden.

Dat blijkt volgens [opdrachtgever eiser] en ASR onder andere uit het volgende:

  • - [eigenaar pand] en de door [eigenaar pand] ingeschakelde aannemers waaronder [bouwbegeleider] , waren verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouwplaats en het treffen van veiligheidsvoorzieningen op de bouwplaats;
  • - [bouwbegeleider] heeft de bewuste trapgatafdichting laten maken;
  • - [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] zijn verantwoordelijk voor het feit dat geen veiligheidsmaatregelen (randbeveiliging, geborgde sparing, waarschuwingen, markeringen) zijn getroffen rondom de trapgatafdichting;
  • - [eiser] was voor wat betreft de veiligheid op de bouwlocatie alsmede voor wat betreft de veiligheid bij de uitvoering van de (opruim)werkzaamheden voor de zorg van zijn veiligheid afhankelijk van [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] .

Daarbovenop heeft te gelden dat op de overeenkomst tussen [eigenaar pand] en [opdrachtgever eiser] de aansprakelijkheid van [opdrachtgever eiser] is uitgesloten via de van toepassing zijnde

"algemene voorwaarden zakelijk markt voor het AF-erkende schilders-, behangers- en glaszetbedrijf in Nederland (Onderhoud NL Garantie)"18.

Op grond van deze voorwaarden dient [eigenaar pand] [opdrachtgever eiser] te vrijwaren voor eventuele aanspraken, aldus [opdrachtgever eiser] en ASR.

6.7.4.

[bouwbegeleider] heeft verweer gevoerd en concludeert dat de kantonrechter ASR en [opdrachtgever eiser] hun vorderingen dient te ontzeggen, met veroordeling van ASR en [opdrachtgever eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de (na)kosten, een ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dat vonnis en voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

6.7.5.

[eigenaar pand] heeft ook verweer gevoerd en verzoekt de kantonrechter de vorderingen in vrijwaring van [opdrachtgever eiser] en ASR af te wijzen, met veroordeling van [opdrachtgever eiser] en ASR in de proceskosten alsmede in de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande 14 dagen na het vonnis wanneer [opdrachtgever eiser] en ASR in gebreke blijven de proceskosten en nakosten te voldoen.

6.7.6.

Voor zover van belang voor de beoordeling, zal de kantonrechter hierna ingaan op dat wat [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] in deze vrijwaringsprocedure als verweer hebben aangevoerd.

De beoordeling van de kantonrechter t.a.v. de vordering tegen [bouwbegeleider]

6.7.7.

In de hiervoor beoordeelde vrijwaringsprocedure van [bouwbegeleider] tegen [opdrachtgever eiser] (zaaknummer: 10837527 CV EXPL 23-7712) heeft de kantonrechter onder rechtsoverweging 6.3 reeds geoordeeld dat in de onderlinge verhouding tussen [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] , [bouwbegeleider] verplicht is tot vergoeding van de schade van [eiser] , en niet [opdrachtgever eiser] , Dit omdat - kort samengevat - [bouwbegeleider] degene is die de houten afdekplaat als veiligheidsvoorziening heeft laten maken, die ondeugdelijk was, want deze was niet geborgd en/of gemarkeerd. [bouwbegeleider] moet in dat kader dus [opdrachtgever eiser] vrijwaren. Voor een uitgebreidere motivering verwijst de kantonrechter naar de overwegingen onder 6.3.

Dit betekent dat de vrijwaringsvordering van [opdrachtgever eiser] en ASR jegens [bouwbegeleider] toewijsbaar is.

De beoordeling van de kantonrechter t.a.v. de vordering tegen [eigenaar pand]

6.7.8.

De kantonrechter zal allereerst het beroep van [opdrachtgever eiser] en ASR op de vrijwaringsclausule beoordelen, zoals opgenomen in artikel 8 lid 6 van hun algemene voorwaarden, die zij aan hun vrijwaringsvordering jegens [eigenaar pand] ten grondslag leggen.

Daarin wordt het volgende bepaald:

“Opdrachtgever vrijwaart opdrachtnemer van alle succesvolle aanspraken van derden terzake van door opdrachtnemer verrichte werkzaamheden en/of geleverde zaken waardoor die derde schade mocht hebben geleden onverschillig door welke oorzaak of op welk tijdstip die schade is geleden”.

6.7.9.

[eigenaar pand] heeft daartegen als verweer aangevoerd dat zij op geen enkele wijze gespecialiseerd was in bouwtechnische aangelegenheden. De bouwbedrijven die op de bouwplaats werkzaam waren, waaronder ook [opdrachtgever eiser] , waren wèl gespecialiseerd in die werkzaamheden en hebben ieder voor zich hun eigen verantwoordelijkheid die zij niet (op de leek) [eigenaar pand] kunnen afschuiven.

Het kernargument van [opdrachtgever eiser] en ASR dat [eigenaar pand] hen moet vrijwaren, is gebaseerd op de overeenkomst die met tussenkomst van [A] formeel is gesloten tussen [opdrachtgever eiser] en [eigenaar pand] . Materieel gezien was [eigenaar pand] hier alleen maar partij omdat de door haar ingeschakelde specialist [A] ( [projectmanager] ) deze overeenkomst in het kader van de bouw van het pand noodzakelijk vond. Op de als productie 4 bij de vrijwarings-dagvaarding door ASR en [opdrachtgever eiser] overgelegde overeenkomst staat ook uitdrukkelijk aangegeven dat [A] de opdrachtgever is. [opdrachtgever eiser] wist dus heel goed dat zij niet rechtstreeks met [eigenaar pand] een overeenkomst aanging, maar met [A] ( [projectmanager] ).

Voor zover de algemene voorwaarden door [opdrachtgever eiser] jegens [eigenaar pand] als leek ingeroepen zouden kunnen worden - des neen - geldt in ieder geval ook dat deze niet aan [eigenaar pand] ter hand zijn gesteld en bovendien is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in deze specifieke omstandigheden van het geval onredelijk om de algemene voorwaarden aan [eigenaar pand] tegen te werpen. Dat geldt in het bijzonder voor het vrijwaringsbeding.

6.7.10.

[opdrachtgever eiser] en ASR hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het niet relevant vinden dat [eigenaar pand] voor het sluiten van contracten [projectmanager] ( [A] ) heeft ingeschakeld en evenmin dat [eigenaar pand] zich volledig heeft laten leiden door [projectmanager] . Schade die daaruit voortvloeit komt voor rekening en risico van [eigenaar pand] zelf. Bovendien staat in de mailwisseling tussen [projectmanager] en [opdrachtgever eiser] steeds een verwijzing met link naar de algemene voorwaarden19. Ook is door (of namens) [eigenaar pand] de overeenkomst van opdracht getekend20. Door het tekenen van de opdrachtbevestiging is de gelding van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:231 sub c BW door [eigenaar pand] aanvaard.
Via de dus van toepassing zijnde algemene voorwaarden is de aansprakelijkheid van [opdrachtgever eiser] uitgesloten, aldus [opdrachtgever eiser] en ASR.

Beroep op vrijwaringsbeding

6.7.11.

De kantonrechter oordeelt dat het beroep van [opdrachtgever eiser] en ASR op het vrijwaringsbeding uit de algemene voorwaarden slaagt en licht dat toe als volgt.

6.7.12.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen een vrijwaringsbeding is overeengekomen dat erop neerkomt dat in de onderlinge verhouding tussen [eigenaar pand] en [opdrachtgever eiser] alleen [eigenaar pand] verplicht is tot vergoeding van de schade van [eiser] , en niet [opdrachtgever eiser] , en dat [eigenaar pand] in dat kader [opdrachtgever eiser] dus moet vrijwaren.

Het gaat in deze zaak in feite om de vraag of [opdrachtgever eiser] een beroep kan doen op het vrijwaringsbeding, dan wel of dat beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en alleen [opdrachtgever eiser] - in afwijking van de tussen partijen gemaakte afspraken - de door [eiser] geleden schade moet vergoeden.

De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtgever eiser] een beroep kan doen op het vrijwaringsbeding en dat dit niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De kantonrechter zal de vordering van [opdrachtgever eiser] en ASR tot vrijwaring daarom toewijzen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Wettelijk kader

6.7.13.

Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel of beding is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). De rechter moet daar terughoudend mee omgaan. Alle omstandigheden van het geval kunnen een rol spelen, waaronder de aard en de overige inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de wederzijds kenbare belangen van partijen en hun maatschappelijke positie en onderlinge verhouding21.

6.7.14.

[eigenaar pand] heeft onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat het beroep van [opdrachtgever eiser] en ASR het op het vrijwaringsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dit geval gaat het om twee professionele partijen die zaken met elkaar hebben gedaan, wat meebrengt dat er minder snel reden is om aan te nemen dat een beroep op het vrijwaringsbeding onaanvaardbaar is. Dat [eigenaar pand] niet gespecialiseerd was in bouwtechnische aangelegenheden doet daaraan niet af, want om die reden heeft zij [projectmanager] ingeschakeld. De stelling van [eigenaar pand] dat de algemene voorwaarden die [opdrachtgever eiser] hanteert niet van toepassing zijn, omdat deze niet ter hand zijn gesteld is door [opdrachtgever eiser] tijdens de mondelinge behandeling voldoende weersproken. In de mailwisseling tussen [projectmanager] en [opdrachtgever eiser] staat steeds een verwijzing met link naar de algemene voorwaarden en dat is voldoende22.

Ook is niet weersproken dat door (of namens) [eigenaar pand] de opdrachtbevestiging is getekend en hiermee is de gelding van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:231 sub c BW door [eigenaar pand] aanvaard. Verder is [eigenaar pand] verzekerd voor de schade, althans is sprake van een schade die op zichzelf redelijkerwijs verzekerbaar is. Dat [eigenaar pand] naar eigen zeggen enkel ‘materieel’ partij was, omdat [projectmanager] deze overeenkomst in het kader van de bouw van het kantoor van het bedrijfsgebouw noodzakelijk vond, is onvoldoende reden om aan te nemen dat het beroep van [opdrachtgever eiser] op het vrijwaringsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

6.7.15.

De conclusie is dat [opdrachtgever eiser] een gerechtvaardigd beroep toekomt op het vrijwaringsbeding en dat de vordering van [opdrachtgever eiser] en ASR op [eigenaar pand] toewijsbaar is.

Alles wat partijen verder nog hebben aangevoerd kan buiten beschouwing blijven.

Proceskostenveroordeling

6.7.16.

[bouwbegeleider] en [eigenaar pand] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgever eiser] en ASR worden begroot op:

- kosten van de dagvaardingen

220,26

 

- griffierecht

128,00

 

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.025,26

 

6.7.17.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

[eigenaar pand] als eisende partij in onder vrijwaring tegen [projectmanager]

6.8.

De kantonrechter zal verder de onder vrijwaringsprocedure van [eigenaar pand] beoordelen, waarin [eigenaar pand] [projectmanager] heeft opgeroepen.

11093547 CV EXPL 24-3213 ( [eigenaar pand] tegen [projectmanager] )

6.8.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met 5 producties van 2 mei 2024,
  • - het incident tot oproeping in onder onder vrijwaring, tevens conclusie van antwoord in onder vrijwaring met 3 producties van [projectmanager] van 11 juli 2024,
  • - de conclusie van antwoord in het incident van [eigenaar pand] tevens conclusie van repliek in onder vrijwaring van 8 augustus 2024,
  • - het vonnis in het incident van 3 oktober 2024.

6.8.2.

[eigenaar pand] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak (10486568
CV EXPL 23-2614) en de vrijwaringsprocedure (10843103 CV EXPL 23-7751):

  1. [projectmanager] veroordeelt om aan [eigenaar pand] te betalen al datgene waartoe [eigenaar pand] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] en als gedaagde in de vrijwaringszaak jegens ASR en [opdrachtgever eiser] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordelingen;

  2. [projectmanager] daarnaast veroordeelt in de kosten van het geding in deze onder vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.8.3.

[eigenaar pand] voert - samengevat - als grondslag van haar vordering in onder vrijwaring bij inleidende dagvaarding aan dat [projectmanager] in strijd met de tussen [eigenaar pand] en [projectmanager] gesloten overeenkomst van opdracht niet heeft zorggedragen voor de veiligheid op de bouwplaats. Gezien de (contractuele) rechtsverhouding tussen partijen is [projectmanager] verplicht de nadelige gevolgen van een eventueel verlies van [eigenaar pand] (in de hoofdzaak van [eiser] en in de vrijwaringszaak van [opdrachtgever eiser] en ASR) te dragen.

[eigenaar pand] licht dit als volgt toe.

In de op 10 april 2018 gesloten overeenkomst van opdracht voor projectmanagement staan de werkzaamheden en verantwoordelijkheden van [projectmanager] voor de begeleiding van het bouwproces beschreven. [eigenaar pand] heeft zich volledig laten adviseren door [projectmanager] en op haar advies contracten gesloten met de aangewezen partijen voor bepaalde aspecten van de bouw, waaronder met [bouwbegeleider] als coördinator van het bouwproces en [opdrachtgever eiser] voor de schilderwerkzaamheden. [A] sloot deze contracten namens [eigenaar pand] en hij was het aanspreekpunt voor de contracterende partijen. [A] had dus dagelijks een belangrijke rol en grote verantwoordelijkheid bij de begeleiding van het bouwproces, ook voor wat betreft de veiligheid en toezicht op de bouwplaats. Hij was hét aanspreekpunt voor de verschillende contractuele partijen. Niet [eigenaar pand] . [eigenaar pand] was niet op dagelijkse basis aanwezig op de bouwplaats.

[projectmanager] heeft samen met [bouwbegeleider] het VGM-(veiligheids)plan opgesteld, waarin de veiligheid op de bouwplaats aan bod komt. [eigenaar pand] is hierbij niet betrokken geweest. In het VGM-plan worden verschillende preventief uit te voeren veiligheidsmaatregelen benoemd, alsmede hoe en door wie toezicht wordt gehouden op de naleving van deze veiligheids- maatregelen. In het VGM-plan wordt [bouwbegeleider] als uitvoerder van het bouwproject gekwalificeerd en [A] als KAM-coördinator.

[A] had tijdens de tweewekelijkse bouwvergaderingen en de wekelijkse kwaliteitscontroles moeten signaleren dat de mandragende houten constructie ter afdichting van een gat waar nog een trap gerealiseerd moest worden niet voldoende veilig was. [projectmanager] was hiervoor verantwoordelijk, aldus [eigenaar pand] .

6.8.4.

[projectmanager] voert verweer en concludeert om:

(i) [eigenaar pand] niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van [eigenaar pand] af te wijzen, met veroordeling van [eigenaar pand] in de proceskosten;

(ii) [eigenaar pand] te veroordelen om de proceskosten te voldoen binnen 14 dagen na de datum van het vonnis, en - voor het geval dat voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor de voldoening;

(iii) [eigenaar pand] te veroordelen tot betaling van de nakosten ad € 173,-- zonder betekening, dan wel € 263,-- in het geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen nadat het vonnis is gewezen en - voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

6.8.5.

[projectmanager] heeft als verweer aangevoerd dat zij inderdaad met [eigenaar pand] een overeenkomst van opdracht voor projectmanagement heeft gesloten, maar dat zij uitdrukkelijk betwist dat uit die overeenkomst volgt dat [projectmanager] verantwoordelijk was voor de veiligheid op de werkplek. [projectmanager] diende slechts ter zake van het bouwproject de juiste partijen in te schakelen en in dat kader, namens [eigenaar pand] , de overeenkomsten met die partijen aan te gaan. Daarnaast volgt uit die overeenkomst dat het de taak van [projectmanager] was om toe te zien op de voortgang van het project. In het kader van die verplichtingen heeft [projectmanager] het advies uitgebracht om, gezien de snelheid en omvang van het project, een project coördinerende en controlerende partij in te huren voor de dagelijkse controle van het bouwproject. Daarbij heeft [projectmanager] [bouwbegeleider] als mogelijke partij voorgedragen. [eigenaar pand] heeft dit advies opgevolgd en zij is met [bouwbegeleider] een overeenkomst aangegaan. Het was juist [bouwbegeleider] die verantwoordelijk was voor het dagelijkse toezicht en de veiligheid op de werkplek.

[projectmanager] kan verder erkennen dat er tweewekelijks een bouwvergadering plaatsvond. Dergelijke bouwvergaderingen zien op de voortgang van het project. Besproken wordt of een en ander nog volgens plan verloopt en of er aanpassingen in de planning noodzakelijk zijn. Dit was ook de directe taak van [projectmanager] , namelijk toe te zien op de voortgang van het project. Gezien het vorenstaande is het weliswaar juist dat [projectmanager] een belangrijke rol bij de begeleiding van het bouwproces had, maar dit gold niet voor de veiligheid. Die verantwoordelijkheid voor de veiligheid was nu juist neergelegd (en dat was de taak van [projectmanager] ) bij [bouwbegeleider] . [bouwbegeleider] was verantwoordelijk voor de veiligheid.

[projectmanager] stelt zich dan ook op het standpunt dat zij aan al haar verplichtingen onder de met [eigenaar pand] gesloten overeenkomst van opdracht heeft voldaan (en in ieder geval heeft [eigenaar pand] niet het tegendeel gesteld, althans niet bewezen). Dit leidt er dan ook toe dat van enige vrijwaringsverplichting van [projectmanager] jegens [eigenaar pand] geen sprake kan zijn.

Mocht de kantonrechter echter desondanks oordelen dat [projectmanager] op grond van de met [eigenaar pand] gesloten overeenkomst wel gehouden is om [eigenaar pand] te vrijwaren, dan beroept [projectmanager] zich op de DNR 2005, die op de overeenkomst tussen [projectmanager] en [eigenaar pand] van toepassing is23.

6.8.6.

In haar conclusie van antwoord in incident tot oproeping in onder onder vrijwaring tevens houdende conclusie van repliek in onder vrijwaring heeft [eigenaar pand] er (nogmaals) op gewezen dat [projectmanager] op grond van de overeenkomst van opdracht een ruime verantwoordelijkheid droeg. Zij had, blijkens die overeenkomst, tal van verplichtingen die "nodig" waren "om het ontwikkel-, bouw- en opleveringsproces volledig gecontroleerd te laten verlopen." Zo droeg [projectmanager] onder meer de verantwoordelijkheid om de voortgang van het project te waarborgen. Ook had [projectmanager] de verantwoordelijkheid om het "volledige bouwproces" te structureren, op te zetten en te begeleiden. Verder diende [projectmanager] de bouwvergaderingen én kwaliteitscontroles te houden en vast te leggen. Veiligheid is daarvan een inherent onderdeel en dat blijkt ook uit de bouwverslagen, waarin het onderwerp veiligheid steeds aan de orde komt. Dat [projectmanager] [bouwbegeleider] heeft betrokken in het bouwproces, doet aan het een en ander niet aan af.

Verder had van [projectmanager] verwacht mogen worden dat zij in de contracten met de door haar aangewende partijen een vrijwaringsclausule ten behoeve van [eigenaar pand] uitonderhandelde en overeenkwam. [eigenaar pand] is van oordeel dat [projectmanager] niet of onvoldoende effectief aan deze verplichting heeft voldaan. Dat levert een wanprestatie van [projectmanager] op jegens [eigenaar pand] en [projectmanager] dient de gevolgen daarvan te dragen.

Voor wat betreft de inhoud van de overeenkomst van opdracht en in het kader van de ruime verantwoordelijkheid die op [projectmanager] rustte, betwist [eigenaar pand] dat de DNR 2005 van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht, althans dat [projectmanager] een beroep kan doen op de door [projectmanager] gestelde (en bovendien vergaande) inhoud daarvan.

De beoordeling van de kantonrechter

6.8.7.

In deze onder vrijwaringsprocedure is de vraag aan de orde of (en in hoeverre) [projectmanager] draagplichtig is met betrekking tot de schade waarvoor [eigenaar pand] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] en als gedaagde in de vrijwaringszaak jegens ASR en [opdrachtgever eiser] moet worden veroordeeld.

6.8.8.

Allereerst is een processueel punt aan de orde. Deze procedure is de onder vrijwaring in de vrijwaringsprocedure tussen [opdrachtgever eiser] en ASR tegen [eigenaar pand] (zaaknummer 10843103 CV EXPL 23775). In die procedure is geoordeeld dat [eigenaar pand] [opdrachtgever eiser] en ASR moet vrijwaren (vgl. rov. 6.7.15). Gelet op het doel van een vrijwaringsprocedure - namelijk het vrijwaren voor hetgeen waartoe wordt veroordeeld in de hoofdzaak - ligt in deze onder vrijwaring alleen de beoordeling voor of [projectmanager] [eigenaar pand] moet vrijwaren voor de veroordeling die is uitgesproken in de procedure tussen [opdrachtgever eiser] en ASR tegen [eigenaar pand] . Voor zover [eigenaar pand] vordert dat [projectmanager] haar vrijwaart voor de schade waarvoor [eigenaar pand] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] wordt veroordeeld, had [eigenaar pand] in die zaak [projectmanager] in vrijwaring moeten oproepen. Die vordering ligt niet in deze vrijwaringsprocedure voor.

6.8.9.

Vervolgens is het volgende wettelijke kader van belang.

De hoofdregel van de interne draagplicht bij hoofdelijkheid staat in artikel 6:10 lid 1 BW. In artikel 6:102 lid 1, tweede zin, is uitgewerkt dat in beginsel aan de hand van de maatstaf van artikel 6:101 BW moet worden bepaald in hoeverre de vergoedingsplicht ieder van de hoofdelijke medeschuldenaren met het oog op de verplichting tot bijdragen, bedoeld in artikel 6:10 lid 1 BW, intern aangaat. Op grond van artikel 6:101 BW is de primaire verdelingsmaatstaf de wederzijdse causaliteit. De schade wordt over de hoofdelijke aansprakelijke schuldenaren verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder van hen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, naar rato van de causaliteit van die omstandigheden.

6.8.10.

Ten aanzien van [eigenaar pand] en [projectmanager] wordt in het kader van de onderlinge draagplicht het volgende overwogen:

Zoals de kantonrechter in rechtsoverweging 5.3.2. reeds heeft geoordeeld, kan [eigenaar pand] - als opdrachtgever - (mede) verantwoordelijk worden gehouden voor (het gebrek aan duidelijkheid over) de veiligheid op de bouwplaats. Dat [eigenaar pand] gebruik heeft gemaakt van [projectmanager] voor advisering, maakt niet dat [eigenaar pand] zich kan onttrekken aan haar verantwoordelijkheid voor een veilige werkplaats. Hetzelfde geldt voor [projectmanager] .

Het was, zoals [projectmanager] in haar conclusie van antwoord in onder vrijwaring terecht heeft opgemerkt, haar taak om de verantwoordelijkheid voor de veiligheid “bij de juiste partij te beleggen” en daarin heeft [projectmanager] verzaakt. Immers, zoals gebleken is tijdens de mondelinge behandeling, is de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de werkplek nooit belegd bij één van partijen. Het VGM-plan waar door partijen op gewezen is, is namelijk niet ondertekend en gesteld noch gebleken is dat er een aangepast of ondertekend VGM-plan is.

Verder hebben [projectmanager] ( [A] ) en [bouwbegeleider] tijdens de mondelinge behandeling betwist dat zij fungeerden als respectievelijk KAM-coördinator of (hoofd)uitvoerder en in die hoedanigheid verantwoordelijk waren voor de veiligheid op de bouwplaats.

Zoals eerder in rechtsoverweging 5.4 overwogen, leidt dit tot de slotsom dat niemand de verantwoordelijkheid voor een veilige bouwomgeving (en het toezicht en de naleving van veiligheidsvoorschriften door alle bij de bouw van het pand betrokken partijen) op zich heeft genomen en de verantwoordelijkheid ook formeel niet bij iemand was belegd. Van [eigenaar pand] , die de bouw in eigen beheer uitoefende maar niet dagelijks op de bouw aanwezig was, maar ook van [projectmanager] , die een belangrijke rol had bij de begeleiding van het bouwproces en als taak had om de juiste partijen in te schakelen en namens [eigenaar pand] de overeenkomsten met die partijen aan te gaan, had mogen worden verwacht dat zij zorg zouden dragen voor een veilige bouwomgeving, althans dat zij dit op een deugdelijke en zorgvuldige wijze zouden uitbesteden aan daartoe gekwalificeerde partijen.

Dit is niet gebeurd.

Voor zover [projectmanager] in dit verband heeft gesteld dat zij aan al haar verplichtingen onder de met [eigenaar pand] gesloten overeenkomst van opdracht heeft voldaan en dat van enige vrijwaringsverplichting van [projectmanager] jegens [eigenaar pand] geen sprake kan zijn, wordt door de kantonrechter dan ook verworpen.

6.8.11.

Ook het beroep van [projectmanager] op de algemene voorwaarden (DNR 2005), kan niet slagen. Daarvoor is redengevend dat [eigenaar pand] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld dat [projectmanager] geen beroep toekomt op de algemene voorwaarden, omdat deze niet aan [eigenaar pand] ter hand zijn gesteld, zodat van toepasselijkheid daarvan geen sprake kan zijn. Dit verweer van [eigenaar pand] wordt gehonoreerd.

De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

Het terhandstellingsvereiste van algemene voorwaarden, zoals opgenomen in artikel 6:233 sub b BW, is op grond van artikel 6:246 BW dwingendrechtelijk van aard.

Op de gebruiker ( [projectmanager] ) rust de bewijslast omtrent de met een beroep op het bepaalde in art. 6:234 lid 1 betwiste terhandstelling van de algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst24.

Daarbij merkt de kantonrechter (wellicht ten overvloede) op dat [projectmanager] in het kader van de zogenoemde tweeledige mededelingsplicht dus niet kon volstaan met de volgende opmerking in de opdrachtbevestiging van 10 april 2018:

“Op deze aanbieding is van toepassing "De Nieuwe Regeling 2005" (DNR 2005), zoals op 5 oktober 2004 gedeponeerd ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam onder nummer 139/2004”.

Gesteld noch gebleken is immers dat [projectmanager] aan [eigenaar pand] heeft medegedeeld dat deze algemene voorwaarden op verzoek onverwijld aan [eigenaar pand] zullen worden toegezonden.

Conclusie

6.8.12.

Van een 100% draagplicht van de ene of de andere partij, zoals door beide partijen is betoogd, kan in dit geval geen sprake kan zijn. Voor beide partijen geldt immers dat zij mede verantwoordelijk worden gehouden voor (het gebrek aan duidelijkheid over) de veiligheid op de bouwplaats.

Niettemin komt de kantonrechter bij een afweging van de aan ieder van partijen toe te rekenen omstandigheden die tot de schade van [eiser] hebben bijgedragen tot het oordeel dat op [projectmanager] het grootste deel van de draagplicht met betrekking tot de vergoeding van de schade van [eiser] rust nu zij in gebreke is gebleven de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de werkplek (en het toezicht en de naleving van veiligheidsvoorschriften door alle bij de bouw van het pand betrokken partijen) bij iemand te beleggen, terwijl het haar taak was om de juiste partijen in te schakelen en namens [eigenaar pand] de overeenkomsten met die partijen aan te gaan om zo het bouwproces volledig gecontroleerd te laten verlopen25. Deze omstandigheid heeft naar het oordeel van de kantonrechter het meest bijgedragen tot de schade.

De kantonrechter komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW [projectmanager] voor 60% draagplichtig is met betrekking tot de schade waarvoor [eigenaar pand] als gedaagde in de vrijwaringszaak jegens ASR en [opdrachtgever eiser] wordt veroordeeld en [eigenaar pand] voor 40%. Voor het overige wordt de vordering van [eigenaar pand] afgewezen.

Alles wat partijen verder nog hebben aangevoerd kan buiten beschouwing blijven.

Proceskosten

6.8.13.

Partijen hebben te gelden als over en weer in het ongelijk gesteld.

Daarom zullen de proceskosten in deze onder vrijwaring worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

[projectmanager] als eisende partij in onder onder vrijwaring tegen [bouwbegeleider]

6.9.

De kantonrechter zal tot slot de onder onder vrijwaringsprocedure beoordelen, waarin [projectmanager] [bouwbegeleider] heeft opgeroepen.

11391055 CV EXPL 24-7944 ( [projectmanager] tegen [bouwbegeleider] )

6.9.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met 5 producties van 29 oktober 2024,
  • - de conclusie van antwoord met 5 producties van 9 januari 2025.

6.9.2.

[projectmanager] vordert dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak (10486568 CV EXPL 23-2614), de vrijwaringsprocedure (10843103 CV EXPL 23-7751) en de onder vrijwaringsprocedure (11094103 CV 24-3215):

  1. [bouwbegeleider] te veroordelen om aan [projectmanager] te betalen al datgene waartoe [projectmanager] als gedaagde in de onder vrijwaringszaak jegens [eigenaar pand] B.V. mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling;

  2. [bouwbegeleider] daarnaast te veroordelen in de kosten van het geding in deze onder onder vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval dat voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor de voldoening, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.9.3.

[projectmanager] voert bij dagvaarding aan dat [bouwbegeleider] haar dient te vrijwaren, omdat - kort gezegd - [bouwbegeleider] , als hoofduitvoerder en projectverantwoordelijke (zie in dat kader ook het VGM-plan dat als productie 4 wordt overgelegd) verantwoordelijk was voor het dagelijkse toezicht en de veiligheid op de werkplek. Het was ook [bouwbegeleider] die verantwoordelijk was voor het opstellen van het VGM-projectplan en die dit plan ook heeft opgesteld. Voor wat betreft de inhoud van het VGM-plan wijst [projectmanager] erop dat in artikel 5.5. is bepaald dat de uitvoerder, dus [bouwbegeleider] , verantwoordelijk is voor het dagelijks toezicht op de veiligheid op het project. Ook is hij daarmee de aangewezen VGM-functionaris op het project.

[projectmanager] merkt verder nog op dat er tweewekelijks een bouwvergadering plaatsvond. Dergelijke bouwvergaderingen zien op de voortgang van het project en niet op de veiligheid. De veiligheid, zeker de dagelijkse veiligheid op de werkplek, was een duidelijke verantwoordelijkheid van [bouwbegeleider] .

6.9.4.

[bouwbegeleider] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering tot (onder onder) vrijwaring, met veroordeling van [projectmanager] in de kosten.

Daartoe voert [bouwbegeleider] aan dat niet hij, maar [A] ( [projectmanager] ) als projectleider en als KAM-coördinator met de veiligheid was belast, zodat op [projectmanager] ook de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid rust voor zover veiligheidsaspecten in het geding zijn. [bouwbegeleider] wijst in dit verband op:

  • - de maandelijkse en wekelijkse (veiligheids)inspectierondes onder leiding van [A] , die duidelijk maken dat de (eind) verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de bouwplaats niet bij [bouwbegeleider] ligt, maar bij [A] ,
  • - [bouwbegeleider] voerde de opdrachten uit die door [A] werden gegeven.

    [A] gaf aan [bouwbegeleider] opdracht tot het laten maken van een trapafdichting. Op de uitvoering daarvan is door verantwoordelijke [A] nimmer enige aanmerking gemaakt bij een van zijn inspectierondes nadien.

De beoordeling van de kantonrechter

6.9.5.

In deze onder onder vrijwaringsprocedure is de vraag aan de orde of (en in hoeverre) [bouwbegeleider] draagplichtig is met betrekking tot de schade waarvoor [projectmanager] als gedaagde in de onder vrijwaring jegens [eigenaar pand] moet worden veroordeeld.

De kantonrechter oordeelt dat [bouwbegeleider] niet draagplichtig is jegens [projectmanager] en overweegt daartoe het volgende.

6.9.6.

[projectmanager] baseert zich in haar vordering op de stelling dat [bouwbegeleider] , als hoofduitvoerder en projectverantwoordelijke verantwoordelijk was voor het dagelijkse toezicht en de veiligheid op de werkplek. Daarbij beroept zij zich op het VGM-plan, maar zoals tijdens de mondelinge behandeling gebleken en hiervoor reeds overwogen26 is dat plan door beiden, [projectmanager] en [bouwbegeleider] , niet ondertekend, omdat zoals [A] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard “het VGM-plan niet klopte”. Hieruit kan dus niet worden afgeleid dat [bouwbegeleider] , die in het VGM-plan is betiteld als ‘hoofduitvoerder’ en ‘projectverantwoordelijke’ verantwoordelijk was voor het dagelijkse toezicht en de veiligheid op de werkplek. Er was namelijk geen projectleider of hoofdaannemer aangesteld op de bouwplaats.

De bouwvergaderingen en wekelijks of maandelijks gehouden inspectierondes zagen op de voortgang van het project en niet zozeer op de veiligheid, hebben beide partijen verklaard.

Vaststaat dat [bouwbegeleider] de houten afdekplaat heeft laten maken. Echter, [bouwbegeleider] was niet als ‘(hoofd)uitvoerder’ verantwoordelijk voor de veiligheid, zoals door [projectmanager] in deze onder onder vrijwaringsprocedure is aangevoerd. Immers, zoals gebleken is tijdens de mondelinge behandeling, is de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de werkplek (en het toezicht en de naleving van veiligheidsvoorschriften door alle bij de bouw van het pand betrokken partijen) nooit belegd bij [bouwbegeleider] (of één van de andere partijen), terwijl het de taak van [projectmanager] was om de juiste partijen in te schakelen en namens [eigenaar pand] de overeenkomsten met die partijen aan te gaan om zo het bouwproces volledig gecontroleerd te laten verlopen.

6.9.7.

De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van [projectmanager] op [bouwbegeleider] wordt afgewezen.

Proceskostenveroordeling

6.9.8.

[projectmanager] is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bouwbegeleider] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

677,00

 

6.10.

Al het vorenstaande leidt tot de volgende beslissingen.

7De beslissing in de hoofdzaak (10486568 CV EXPL 23-2614)

De kantonrechter:

7.1.

verklaart voor recht dat:

  1. [eigenaar pand] , [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade;

  2. AIG, NN en ASR op grond van de directe actie ex art. 7:954 BW (hoofdelijk) verplicht zijn de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade volledig te vergoeden aan [eiser] ,

7.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des de ene partij betaalt aan [eiser] de ander is gekweten voor dat bedrag, tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van voornoemd ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade,

7.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 3.196,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

7.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

7.5.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordelingen tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad,

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

8De beslissing in de vrijwaringszaken met [bouwbegeleider] als eisende partij

(en de daaraan gelieerde onder vrijwaring van [eigenaar pand] tegen [projectmanager] )

10837527 CV EXPL 23-7712 ( [bouwbegeleider] tegen [opdrachtgever eiser] ):

De kantonrechter:

8.1.

wijst de vrijwaringsvordering van [bouwbegeleider] jegens [opdrachtgever eiser] af,

8.2.

veroordeelt [bouwbegeleider] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bouwbegeleider] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

8.3.

veroordeelt [bouwbegeleider] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

8.4.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordelingen tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad.

10837521 CV EXPL 23-7711 ( [bouwbegeleider] tegen [eigenaar pand] ):

De kantonrechter:

8.5.

wijst de vrijwaringsvordering van [bouwbegeleider] jegens [eigenaar pand] af,

8.6.

veroordeelt [bouwbegeleider] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bouwbegeleider] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

8.7.

veroordeelt [bouwbegeleider] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

8.8.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordelingen tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad.

11094103 CV EXPL 24-3215 ( [eigenaar pand] tegen [projectmanager] in onder vrijwaring)

De kantonrechter:

8.9.

wijst de vorderingen af,

8.10.

compenseert de kosten van deze onder vrijwaringszaak, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

10837488 CV EXPL 23-7710 ( [bouwbegeleider] tegen NN)

De kantonrechter:

8.11.

veroordeelt NN om aan [bouwbegeleider] te betalen datgene, waartoe [bouwbegeleider] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling,

8.12.

veroordeelt NN in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als NN niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

8.13.

veroordeelt NN tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

8.14.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

9. De beslissing in de vrijwaringszaak met [opdrachtgever eiser] en ASR als eisende partij (en de daaraan gelieerde onder vrijwaring van [eigenaar pand] tegen [projectmanager] en de onder onder vrijwaring van [projectmanager] jegens [bouwbegeleider] )

10843103 CV EXPL 23-7751 ( [opdrachtgever eiser] en ASR tegen [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] )

De kantonrechter:

9.1.

veroordeelt [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] om aan [opdrachtgever eiser] en ASR al datgene te voldoen waartoe [opdrachtgever eiser] en ASR in de hoofdzaak jegens [eiser] worden veroordeeld,

9.2.

veroordeelt [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] in de proceskosten van € 1.025,26, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

9.3.

veroordeelt [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

9.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

11093547 CV EXPL 24-3213 ( [eigenaar pand] tegen [projectmanager] in onder vrijwaring)

De kantonrechter:

9.5.

veroordeelt [projectmanager] tot betaling van een gedeelte van 60% van hetgeen waartoe [eigenaar pand] in de vrijwaringszaak jegens ASR en [opdrachtgever eiser] wordt veroordeeld, met inbegrip van de proceskostenveroordeling,

9.6.

compenseert de kosten van deze onder vrijwaringszaak, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

9.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

9.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

11391055 CV EXPL 24-7944 ( [projectmanager] tegen [bouwbegeleider] in onder onder vrijwaring)

9.9.

wijst de onder onder vrijwaringsvordering van [projectmanager] jegens [bouwbegeleider] af,

9.10.

veroordeelt [projectmanager] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [projectmanager] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

9.11.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordeling tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op

18 december 2025.

1Zie de nota van de deurwaarder aan de gemachtigde van [eiser] (productie 43 bij dagvaarding).

2Ook op de houten afdekplaat is witte verf zichtbaar.

3Zie productie 45 ingebracht door [eiser] .

4Zie productie 46 ingebracht door [eiser] .

5Een Veiligheid-,Gezondheid- en Milieuplan (VGM-plan) beschrijft hoe een opdrachtgever of aannemer de veiligheid, gezondheid en milieuzorg waarborgt tijdens de uitvoering van werkzaamheden (op de bouwplaats).

6Een Kwaliteit- Arbeidsomstandigheden- en Milieu-coördinator (KAM-coördinator) is verantwoordelijk voor het opzetten, uitvoeren en bewaken van beleid op het gebied van onder meer veiligheid

7Zie HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 en de nadien in de jurisprudentie ontwikkelde gezichtspunten.

8Overeenkomst van 6 december 2018, productie 1 bij conclusie van antwoord houdende incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [bouwbegeleider] in de hoofdzaak

9Zie productie 42 aan de zijde van [eiser] .

10Zie productie 2 bij de conclusie van antwoord van [opdrachtgever eiser] en ASR.

11[eiser] rekende € 2,25 a € 2,75 per vierkante meter, waarbij reiskosten (behoudens in geval van meerwerk) en klein materiaal, zoals tape, maar ook de verfspuiten, zijn inbegrepen. [opdrachtgever eiser] bracht € 8,50 per vierkante meter bij [eigenaar pand] in rekening, met optionele meerprijzen.

12[opdrachtgever eiser] verklaarde bijvoorbeeld tegenover de Inspectie SZW dat hij één keer per week op de bouwplaats was en dan ook naar de veiligheid keek.

13[eiser] verwijst hierbij naar de laatste bladzijde van het VGM-plan van [opdrachtgever eiser] .

14Zie productie 40 bij dagvaarding.

15Zie Hoge Raad 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7000.

16Zie productie 3 bij conclusie van antwoord.

17Zie productie 4 bij conclusie van antwoord.

18Zie productie 5 van deze dagvaarding in vrijwaring.

19Zie productie 3 bij de dagvaarding in vrijwaring.

20Zie productie 3 bij dagvaarding.

21Zie HR 25 april 1986, ECLI:NL:HR:1096:AC9329 en HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153.

22[opdrachtgever eiser] heeft [eigenaar pand] de in artikel 233 onder b BW bedoelde redelijke mogelijkheid geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen, omdat hij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij langs elektronische weg ter beschikking heeft gesteld op een zodanige wijze dat deze door haar kunnen worden opgeslagen en voor haar toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming.

23Zie productie 1 van het incident tot oproeping in onder onder vrijwaring, tevens conclusie van antwoord in onder vrijwaring.

24Zie HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394.

25Zoals blijkt uit productie 1 bij incidentele conclusie tot onder vrijwaring zag 60% van de betaling van [eigenaar pand] aan [projectmanager] op het bouwproces.

26Zie rechtsoverwegingen 5.3.2. en 6.8.10.

Rechtbank Oost-Brabant 18 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8879


AANSPRAKELIJKHEID DIEREN, honden

RBAMS 261125 letsel door spelende hond; ES 40% omdat ook eiseres aanlijnplicht niet in acht had genomen; geen billijkheidscorrectie
- geen verwijzing naar schadestaatprocedure

2De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

[eiseres] is op 3 februari 2023 tijdens het uitlaten van haar hond op de grasstrook aan de [locatie] ( [woonplaats 1] ) omver gelopen door een hond en gevallen (hierna: het ongeval), terwijl zij met twee andere hondeneigenaren aan het praten was, te weten met [gedaagde 1] en met [naam 1] . De honden liepen los (niet aangelijnd) op de grasstrook en waren met elkaar aan het spelen.

2.2.

[gedaagden] zijn eigenaar van de hond genaamd [naam hond 1] , een zwarte labrador.

[naam hond 2] , de hond van [eiseres] , is een kruising tussen een labradoodle en een labrador.

2.3.

Op 4 februari 2023 is in het ziekenhuis (OLVG) geconstateerd dat [eiseres] een complexe breuk aan haar linker scheenbeen heeft opgelopen (tibia plateau fractuur links) waarbij een deel van het plateau c.q. gewrichtsoppervlak was ingezakt. Op de eerste hulp is het linker been geïmmobiliseerd met een gipsspalk.

2.4.

Op 15 februari 2023 is [eiseres] in het OLVG geopereerd aan haar linkerbeen. Daarbij zijn de breukdelen middels ORIF (Open Reduction Intertal Fixation) met een plaat en schroeven aan elkaar vastgezet. De dag erna is [eiseres] uit het ziekenhuis ontslagen om thuis verder te herstellen, waarbij zij haar linker been in ieder geval de eerste zes weken in het geheel niet mocht belasten.

2.5.

Na de operatie is [eiseres] gestart met revalidatie onder begeleiding van een fysiotherapeut.

2.6.

Uit beeldmateriaal dat op 30 maart 2023 en 6 juni 2023 is gemaakt, blijkt dat de stand van het tibia plateau na de operatie in beginsel goed is hersteld. Wel is osteofytvorming aan de mediale en laterale zijde te zien en ook patellofemoraal. Dat wil zeggen dat er sprake is van botwoekering aan binnen- en buitenzijde van de knie en onder de knieschijf.

2.7.

De rechtsbijstandverzekeraar van [eiseres] (DAS Rechtsbijstand) heeft [gedaagden] op 15 maart 2023 per e-mail aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor de schade die zij als gevolg van het ongeval lijdt en zal lijden. Omdat een reactie uitbleef heeft DAS Rechtsbijstand op 29 maart 2023 nog een rappel aan [gedaagden] gestuurd en op 14 april 2023 nog een aangetekend verzonden brief.

2.8.

Op 8 mei 2023 heeft [gedaagde 1] per e-mail gereageerd en kenbaar gemaakt niet verantwoordelijk te zijn voor het ongeval. Daarbij heeft zij onder meer geschreven: “I am not responsible for the incident mentioned in the letter and therefore am not liable and will not be paying the associated costs”, en eveneens op 8 mei 2023 “My animal did not cause the damage, therefore I am not liable for your client’s damages. I have a witness who can confirm this to be true.”

2.9.

Een op 14 mei 2023 door [naam 1] ingevuld en door haar ondertekend formulier luidt voor zover hier relevant als antwoord op de vraag ‘Wat is volgens u de oorzaak van het voorval’: “Een labrador (zwart) [naam hond 1] rende tegen de onderbenen van [eiseres] (mijn overbuurvrouw) aan.”

2.10.

In het kader van een door [eiseres] geïnitieerd voorlopig getuigenverhoor zijn op

30 november 2023 in enquête de volgende getuigen onder ede gehoord: [eiseres] , [gedaagde 1] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ), [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ).

2.10.1.

[eiseres] heeft daarbij, onder meer verklaard: “De honden waren aan het spelen in het water en wij waren met elkaar aan het kletsen. We stonden een beetje uit elkaar. Het was iets voor half negen. Ineens zie ik [naam hond 1] recht op mij af komen. In een split second denk ik nog: moet ik aan de kant springen, maar daar was denk ik achteraf geen tijd voor geweest. [naam hond 1] loopt recht door mij heen alsof ik glas was. Zij liep keihard tegen mijn linkerbeen aan. Ik val voorover met [naam hond 1] onder mij als een soort worst. […] Ik had meteen heel veel pijn en voelde dat ik niet meer kon staan. […]

Mevrouw [naam 1] stond op ongeveer 1,5 meter afstand naast mij toen het gebeurde. Zij heeft het echt zien gebeuren. […] Heeft u daadwerkelijk gezien dat het [naam hond 1] was die aan kwam rennen? Ja. […]

Dit kan niet uw eigen hond geweest zijn? Nee. [naam hond 2] kwam achter [naam hond 1] aan en daarna nog andere honden. Dit heb ik niet gezien, maar gehoord van anderen. Zij waren met zijn allen aan het rennen. […]”

2.10.2.

[naam 1] heeft voor zover relevant als volgt verklaard:

“De hondjes waren aan het spelen. Ik zag dat de zwarte labrador rende en daarachter rende de hond van [eiseres] , [naam hond 2] . [eiseres] en ik stonden vlak bij elkaar met elkaar te praten. Ik zag dat de voorste hond, de zwarte labrador, recht op de onderbenen van [eiseres] afrende waardoor zij viel. […] Ik stond met mijn gezicht meer naar het water dan recht tegenover [eiseres] en kon vanaf de zijkant de honden zien aanrennen.[…] Ik kon zien dat de honden met een noodvaart naar ons toe renden. Ik kon allebei de honden zien. Ik kon [eiseres] haar gezicht zien, de hondjes zien en keek schuin richting het water. […]

Kon [eiseres] de honden ook zien? Ja. De honden kwamen recht op haar af. In een rechte lijn van haar vooraanzicht.

Waar herkende u de hond die op de onderbenen van [eiseres] afrende aan? Het was een zwarte labrador. Ik denk dat die labrador van die mevrouw is. […] Zij spreekt Engels. […]

Kunt u specificeren hoe de hond op de onderbenen van [eiseres] afliep? De hond ging recht op haar scheenbenen af alsof [eiseres] er niet stond. Hij week niet uit en wij schrokken allemaal heel erg dat de hond er niet omheen ging, maar recht op de benen af en doorrende. [eiseres] viel onmiddellijk om. […] [eiseres] lag daar meteen te kermen van de pijn. Ze moest huilen en had heel veel pijn en kon alleen maar ‘oh je’ zeggen en zei: dit is waarschijnlijk heel erg. Ik vroeg of zij op kon staan. Zij zei dat ze dacht van niet en dat het heel veel pijn deed. […]

Heeft u het goed kunnen zien? Ja, zeker. […]

Vindt u dat [naam hond 2] en [naam hond 1] op elkaar lijken? Oh ja, [naam hond 1] heet die hond. Nee. Die lijken niet op elkaar. [naam hond 1] is een grote grove hond met korter haar. [naam hond 2] is wat slanker met wat langere haren en wat bruin in het snoetje. Ik vind dat een hele andere hond.

Is het mogelijk dat u zich heeft vergist in welke hond kwam aanrennen? Nee. […]

Kunt u uitleggen hoe dat ging met de honden? Waren ze achter elkaar aan het rennen?

Dat doen die hondjes heel vaak. Het achter elkaar aanrennen is een Soort spel. Nu zag ik [naam hond 2] achter die labrador aanrennen. Die labrador was voorop en [naam hond 2] rende daarachteraan. Dat doen ze vaker.”

2.10.3.

[gedaagde 1] heeft onder meer het volgende verklaard:

“De honden gingen spelen en de hond van de derde vrouw was veel kleiner dan de hond van mij en mevrouw [eiseres] . De kleine hond begon om ons heen te rennen. De kleine hond wilde dat [naam hond 2] achter de kleine hond aan zou gaan. Dat deed [naam hond 2] . [naam hond 1] ging achter [naam hond 2] aan. We stonden in een soort driehoek. De derde vrouw stond iets verder naar achter, achter mevrouw [eiseres] , dus ik denk dat haar zicht een beetje werd geblokkeerd door mevrouw [eiseres] . De kleine hond rende achter de derde vrouw en mevrouw [eiseres] langs. Hij kon veel harder rennen. De hond van mevrouw [eiseres] zat daar achteraan. Mijn hond zat daar vlak achter. Ze raakten elkaar bijna aan. De hond van de derde vrouw was al ver weg en zij keek naar dat hondje. Omdat [naam hond 2] tussen ons door rende, rende hij tegen mevrouw [eiseres] aan, die daardoor viel op mijn hond. […] Mijn man was bij mij. Hij stond iets achter me. […] Mevrouw [eiseres] stond ongeveer op een meter afstand tegenover mij. We hadden allebei ons lichaam een beetje geopend naar dezelfde kant. Aan de linkerkant van [eiseres] en iets daarachter stond de derde vrouw. Zij keek niet richting [naam hond 1] en [naam hond 2] , maar naar haar hond. Die eigen hond rende achter [eiseres] en de derde vrouw langs. [naam hond 2] en [naam hond 1] kwamen van een afstandje in de richting van mij en mevrouw [eiseres] lopen. Ik zag ze aankomen en deed een stapje naar achter. Mevrouw [eiseres] bleef staan en stapte niet weg. [naam hond 1] en [naam hond 2] waren aan het rennen. [naam hond 2] rende tegen de benen van [eiseres] aan. Dat ging zo hard dat haar benen omhoog schoten. Dus eigenlijk rende [naam hond 2] onder haar door. Door was wellicht niet het juiste woord. De hond liep op mevrouw [eiseres] in. [naam hond 2] liep iets voor

[naam hond 1] en liep door mevrouw [eiseres] heen, waardoor mevrouw [eiseres] viel over [naam hond 1] heen. [naam hond 2] liep door. […]

Vind u dat [naam hond 2] op [naam hond 1] lijkt? Ja. Ik keek recht naar ze en aan de kop zie je dat ze anders zijn, maar alleen ik en mijn man keken echt naar ze. Ik kon het zien omdat ik mijn hond ken. […]

Hoe verklaart u dat u de enige was die de honden aan zag lopen? Onze lichamen stonden naar elkaar toe, maar onze gezichten niet. Ik keek naar de honden terwijl mevrouw [eiseres] tegen mij praatte. […]

In andere verklaringen die we hebben gehoord is verklaard dat de zwarte labrador tegen de benen van mevrouw [eiseres] is aangerend. U stelt dat [naam hond 2] voorop rende. Kunt u dit verschil verklaren? Dat is logisch. Dat was omdat niemand keek. Ze konden het niet duidelijk zien omdat de honden heel dicht bij elkaar waren en ze lijken ook heel erg op elkaar. Het is dus makkelijk ze door elkaar te halen. Het ging allemaal ook heel snel. Dat is mijn beste verklaring voor het verschil.

Andere getuigen hebben verklaard de honden te hebben zien aanlopen. Kan u het gemist hebben?

Nee. [eiseres] keek in ieder geval niet die kant op. Die was tegen mij aan het praten en keek een soort van over mijn schouder. Misschien de andere vrouw, maar die kent mijn hond niet goed genoeg om hem te herkennen, maar [eiseres] keek in ieder geval richting mijn lichaam.

De derde vrouw keek dus wel richting de honden? De laatste kant die ik haar op zag kijken was richting haar hond. Dat was precies de andere kant op, omdat het hondje zo snel was. Die was rechts van mij, terwijl de andere honden links waren.

2.10.4.

[naam 3] en [naam 2] hebben het ongeval niet zelf, met eigen ogen, zien gebeuren.

2.11.

In contra enquête is op 19 maart 2024 [gedaagde 2] onder ede als getuige gehoord. Hij heeft voor zover relevant het volgende verklaard:

“De honden begonnen te spelen, wij stonden stil om met elkaar te praten. Ik was iets verder doorgelopen en stond verderop naar de honden te kijken. […] De hond van mevrouw [eiseres] , [naam hond 2] , rende achter de hond van de vriendin aan. Mijn hond, [naam hond 1] , rende daar weer achteraan. De hond van de vriendin rende achter de dames langs. Om deze hond in te halen rende [naam hond 2] tussen [gedaagde 1] en mevrouw [eiseres] door. [naam hond 2] rende tegen het rechter been van mevrouw [eiseres] aan waardoor zij viel. Mevrouw [eiseres] viel op mijn hond. [naam hond 1] zat vast onder mevrouw [eiseres] . […] [naam hond 2] raakte mevrouw [eiseres] en daardoor viel ze. Terwijl ze viel, viel ze recht voorover met haar torso op [naam hond 1] . […] Vanuit mijn perspectief en [gedaagde 1] ’s perspectief, was [naam hond 2] vanaf de linkerkant tegen mevrouw [eiseres] aangerend. Van mevrouw [eiseres] ’ perspectief kwam [naam hond 2] van de rechterkant. Ik zag [naam hond 2] rennen tegen de zijkant van het rechterbeen en daarna rende ze door. […] Ik weet de naam niet van die vriendin van mevrouw [eiseres] die erbij was. Ik heb haar maar een paar keer gezien. Ik geloof niet dat zij het ongeval heeft zien gebeuren, volgens mij keek zij meer naar haar eigen hond. Zij stond aan de rechterkant van mevrouw [eiseres] vanuit het perspectief van mevrouw [eiseres] min of meer op dezelfde lijn, mogelijk een paar stappen naar achter. Nu u mij dit voorhoudt, vul ik aan, dat de kleine hond achter mevrouw [eiseres] en de vriendin langs liep en door bleef rennen.”

2.12.

Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] op 21 mei 2024 conservatoir beslag laten leggen op het appartementsrecht van [gedaagden] , rechtgevende op het exclusieve gebruik van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Ook heeft [eiseres] conservatoir derdenbeslag laten leggen op bij ABN AMRO aangehouden bankrekeningen.

2.13.

Anderhalf jaar na het ongeval is [eiseres] (nog) niet volledig hersteld. Zij kampt nog met diverse beperkingen.

3Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert in conventie bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht te verklaren dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het ongeval op 3 februari 2023;

II. primair [gedaagden] te veroordelen tot vergoeding aan [eiseres] van de door haar als gevolg van het ongeval van 3 februari 2023 geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 125.382,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2023;

III. subsidiair, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat nader (deskundigen) onderzoek noodzakelijk is om de schade van [eiseres] vast te stellen [gedaagden] te veroordelen tot vergoeding van een voorschot op de schadevergoeding van € 65.000,- en [gedaagden] te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat;

IV. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, met inbegrip van de kosten van de procedure voorlopig getuigenverhoor en de conservatoire beslagprocedure, te voldoen binnen veertien dagen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na datum vonnis.

3.2.

[eiseres] baseert haar vordering op het bepaalde in artikel 6:179 BW (risico aansprakelijkheid voor dieren) juncto de artikelen 6:162 BW en 6:180 BW. [eiseres] stelt hiertoe dat het de hond van [gedaagden] was ( [naam hond 1] ) die tegen haar is aangerend waardoor zij is gevallen en haar scheenbeen heeft gebroken. Deze toedracht kan ook worden afgeleid uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor, in samenhang met de schuldbewuste whatsapp berichten die [gedaagde 1] na het ongeval met [eiseres] heeft uitgewisseld. Als eigenaar van [naam hond 1] zijn [gedaagden] op grond van artikel 6:179 BW risicoaansprakelijk voor de gedragingen van [naam hond 1] die voortkomen uit de eigen energie van het dier. [eiseres] stelt dat zij ten gevolge van het ongeval zowel materiële als immateriële schade heeft geleden. De totale reeds geleden schade stelt [eiseres] op € 65.382,-. Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op vergoeding van € 60.000,- wegens in de toekomst nog te lijden schade.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer. Zij bestrijden dat zij aansprakelijk zijn. Zij betwisten allereerst de gestelde toedracht. Het was volgens [gedaagden] niet [naam hond 1] maar de eigen hond van [eiseres] ( [naam hond 2] ) die haar omver heeft gelopen waardoor zij viel. Subsidiair beroepen [gedaagden] zich op substantiële eigen schuld van [eiseres] in de zin van artikel 6:101 BW. [eiseres] heeft de aanlijnplicht overtreden. Door haar hond onaangelijnd te laten spelen met andere los lopende honden en tussen die spelende honden te gaan staan, heeft [eiseres] zelf bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [gedaagden] menen dat om die reden sprake is van 50% althans 40% of 30% eigen schuld van de zijde van [eiseres] . Daarnaast betwisten [gedaagden] dat het letsel, gelet op de aard en ernst daarvan, (uitsluitend) kan zijn veroorzaakt doordat een hond tegen het been van [eiseres] aanliep. Mogelijk is zij na het ongeval opnieuw gevallen of heeft zich, na het ongeval en voordat [eiseres] de volgende dag naar het ziekenhuis ging, nog een ander incident voorgedaan. Dat het gestelde letsel door de val van [eiseres] is ontstaan, is volgens [gedaagden] niet aannemelijk. [gedaagden] wijzen er daarbij op dat [eiseres] niet onmiddellijk maar pas de volgende dag medische hulp heeft gezocht. Bovendien betrof het een val van geringe hoogte en ook nog eens een val op gras en bovenop een hond die de val heeft gebroken/gedempt. Het gestelde letsel betreft een gecompliceerde breuk die zeldzaam is en doorgaans pas ontstaat bij een zeer harde en/of directe impact op het scheenbeen, zoals bijvoorbeeld bij een verkeersongeluk of sportongeval waarbij sprake is van een grote krachtsinwerking. Verder betwisten [gedaagden] ook de omvang van de door [eiseres] beweerdelijk geleden schade.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagden] vorderen in reconventie, samengevat weergegeven, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de onmiddellijke opheffing van de gelegde conservatoire (deren)beslagen op de woning en de bij ABN AMRO aangehouden bankrekeningen met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten inclusief nakosten.

4.2.

[eiseres] voert gemotiveerd verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

In conventie

Ten aanzien van de toedracht van het ongeval

5.1.

[eiseres] baseert haar vordering op de wettelijke risico aansprakelijkheid voor (bezitters van) dieren als bedoeld in artikel 6:179 BW in combinatie met artikel 6:180 BW. Artikel 6:179 bepaalt dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de “vorige afdeling” zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het “tenzij”-gedeelte zoals hiervoor genoemd hier niet aan de orde is. Artikel 6:180 eerste lid BW bepaalt verder dat in de gevallen van, onder meer, artikel 6:179 BW medebezitters hoofdelijk aansprakelijk zijn. Tussen partijen staat vast dat [gedaagden] samen de bezitters/eigenaars zijn van [naam hond 1] .

5.2.

Allereerst is van belang de vraag wiens hond op 3 februari 2023 tegen het linker been van [eiseres] is aangelopen, [naam hond 1] zoals [eiseres] stelt of [naam hond 2] zoals [gedaagden] aanvoert. Van de gestelde toedracht draagt [eiseres] , gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en de bewijslast. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:179 BW moet komen vast te staan dat [eiseres] door [naam hond 1] omver is gelopen. Daarbij komt het aan op de waardering van het in deze procedure door [eiseres] overgelegde bewijs. Dat bestaat volgens [eiseres] uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd tijdens het gehouden voorlopig getuigenverhoor, de daaraan voorafgaand al door getuigen afgelegde schriftelijke verklaringen via het invullen van een formulier en de tussen partijen na het ongeval gevoerde (whatsapp) correspondentie. Ander nog te leveren bewijs is er niet, zo heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling verklaard.

5.3.

Verder wordt voorop gesteld dat de door [eiseres] zelf afgelegde getuigenverklaring slechts beperkte bewijskracht heeft als bedoeld in artikel 164 tweede lid Rv (oud) dat weliswaar per 1 januari 2025 is vervallen maar hier nog toepasselijk is omdat de dagvaarding vóór die datum is uitgebracht. Dat betekent dat de eigen verklaring van [eiseres] ten aanzien van door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel oplevert tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van ander (onvolledig) bewijs. Dat wil zeggen dat naast haar verklaring steunbewijs of aanvullend bewijs nodig is ten aanzien van de door haar te bewijzen toedracht van het ongeval.

5.4.

De rechtbank acht [eiseres] geslaagd in het bewijs dat het [naam hond 1] is geweest die haar omverliep. De rechtbank licht dat als volgt toe.

5.5.

[eiseres] en [naam 1] hebben allebei verklaard dat het [naam hond 1] was die tegen [eiseres] aan is gerend. Deze twee verklaringen ondersteunen elkaar op essentiële onderdelen. [eiseres] heeft uit eigen waarneming verklaard dat zij [naam hond 1] voorop zag rennen en recht op zich af heeft zien komen en dat het [naam hond 1] was (en niet [naam hond 2] ) die haar omver liep. Dat sluit aan bij wat [naam 1] heeft verklaard. Ook haar verklaring is direct, stellig, overtuigend en uit eigen waarneming. Ook zij heeft verklaard dat het [naam hond 1] was die [eiseres] omver liep en ook dat zij zich er niet in kan hebben vergist welke hond voorop liep en tegen het been van [eiseres] is aangerend.

De rechtbank hecht veel waarde aan de verklaring van [naam 1] , die de enige getuige is die het incident zelf heeft zien gebeuren en die geen partij is bij deze procedure. Dat zij [eiseres] wel kent als (onder)buurvrouw en van het gezamenlijk uitlaten van de honden doet, anders dan [gedaagden] stelt, niet automatisch af aan de waarde die aan haar verklaring kan worden toegekend. Feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat [naam 1] onder ede opzettelijk niet naar waarheid heeft verklaard, hebben [gedaagden] niet naar voren gebracht. Ook komt [naam 1] ’ onder ede afgelegde verklaring overeen met de eerder al door haar afgelegde schriftelijke verklaring, zoals vastgelegd in het hiervoor onder 2.9 geciteerde formulier.

Anders dan [gedaagden] aanvoert geeft de opmerking van de rechter-commissaris zoals weergegeven in het proces-verbaal van getuigenverhoor inhoudende het verzoek ‘om duidelijk onderscheid te maken tussen wat zij later heeft gehoord en dat wat zij zelf heeft waargenomen‘ geen aanleiding te veronderstellen dat [naam 1] niet uit eigen waarneming heeft verklaard over de toedracht en dat haar verklaring daarom onbetrouwbaar is. Deze opmerking van de rechter commissaris werd niet gemaakt toen [naam 1] verklaarde over de toedracht van het ongeval maar ten aanzien van de vraag of er na het ongeval nog andere mensen of omstanders bij waren gekomen.

5.6.

Tegenover de getuigenverklaringen van [eiseres] en [naam 1] staan de getuigenverklaringen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Deze verklaringen acht de rechtbank echter minder overtuigend dan de verklaringen van [eiseres] en [naam 1] .

Zo stond [gedaagde 2] blijkens zijn eigen verklaring iets verder af van [eiseres] , [gedaagde 1] en [naam 1] . Hij verklaart al iets te zijn doorgelopen. Hierdoor stond hij verder af van het incident. Om die reden heeft [gedaagde 2] op onderdelen onjuist verklaard, zoals over het lopen van de hond tegen het rechter been van [eiseres] in plaats van tegen haar linker been. Vaststaat immers dat [eiseres] letsel aan haar linker been heeft opgelopen en niet aan haar rechter been. Het is dan ook de vraag of [gedaagde 2] het incident evengoed heeft kunnen zien als [eiseres] en [naam 1] .

Dat [naam 1] en/of [eiseres] , in tegenstelling tot [gedaagden] , niet zelf hebben kunnen zien en waarnemen welke hond als eerste op [eiseres] kwam aflopen, zoals [gedaagden] aanvoeren, is niet komen vast te staan en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] verklaren dit niet met zekerheid te weten, maar spreken over ‘ik denk dat haar zicht werd geblokkeerd door mevrouw [eiseres] ’ en ‘ik geloof niet dat zij het heeft zien gebeuren’ en ‘[eiseres] keek niet die kant op. Misschien de andere vrouw, maar die kent mijn hond niet zo goed’ en ‘de laatste kant die ik haar op zag kijken was richting haar hond.’ Daartegenover staat dat zowel [naam 1] als [eiseres] overtuigend verklaren dat zij zelf het incident hebben zien gebeuren. Dat [naam 1] en/of [eiseres] op enig moment een andere kant opkeken, zoals in de richting van de hond van [naam 1] , sluit niet uit dat zij daarvoor of daarna wel in de richting van [naam hond 2] en [naam hond 1] hebben gekeken en de honden op dat cruciale moment op [eiseres] af hebben zien rennen.

Dat de honden verder erg op elkaar lijken en dat zowel [eiseres] als [naam 1] zich daarom mogelijkerwijs hebben vergist in de voorop rennende hond acht de rechtbank evenmin aannemelijk. In de eerste plaats is er, gelet op de in de procedure overgelegde foto’s, een duidelijk verschil te zien in het uiterlijk van [naam hond 2] en [naam hond 1] . [naam hond 1] is een kortharige labrador en [naam hond 2] een langharige hond met een andere lichaamsbouw en een andere vorm van de snuit. Daarnaast hebben zowel [eiseres] als [naam 1] duidelijk en stellig verklaard dat zij zich niet erin hebben kunnen vergissen welke hond tegen het been van [eiseres] is aangelopen.

5.7.

Voor de waardering van het bewijs hecht de rechtbank weinig waarde aan wat zich direct na het ongeval heeft afgespeeld of hoe partijen zich nog later via tussen hen gevoerde (whatsapp) correspondentie hebben geuit, nu daaruit geen uitdrukkelijke erkenning van aansprakelijkheid kan worden afgeleid. Het zich verontschuldigen of het zeggen/schrijven van “sorry” is hiertoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de wijze van reageren door [gedaagden] op de vraag of zij in het bezit is van een aansprakelijkheidsverzekering.

De door [naam 3] en [naam 2] afgelegde (getuigen)verklaringen acht de rechtbank voor de waardering van het bewijs evenmin relevant omdat zij het ongeval zelf niet hebben zien gebeuren. Ook uit gedrag van [gedaagde 1] direct na het ongeval, dat volgens [eiseres] schuldbewust was, kan geen bewijs geput worden voor de toedracht daarvan. In aanmerking moet worden genomen dat iedereen die het incident heeft zien gebeuren (inclusief [gedaagde 1] ) hevig was geschrokken en de situatie enorm vervelend vond voor [eiseres] .

Slotsom ten aanzien van de toedracht van het ongeval

5.8.

Alles bij elkaar bezien acht de rechtbank de getuigenverklaring van [eiseres] , die wordt ondersteund door de verklaring van [naam 1] , het meest overtuigend. Hiertegenover leggen de minder overtuigende verklaringen van [gedaagden] onvoldoende gewicht in de schaal. De rechtbank acht [eiseres] daarom geslaagd in het door haar te leveren bewijs en gaat ervan uit dat het [naam hond 1] was die tegen haar op is gelopen op 3 februari 2023 en niet, zoals [gedaagden] hebben aangevoerd, haar eigen hond [naam hond 2] .

Risicoaansprakelijkheid voor dieren

5.9.

Dat leidt er toe dat [gedaagden] , als gezamenlijke bezitters en eigenaren van [naam hond 1] , op grond van de artikelen 6:179 en 6:180 BW jegens [eiseres] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van het incident door [eiseres] geleden en nog te lijden schade. Onbetwist is verder dat het gedrag van [naam hond 1] ten tijde van het incident voortkwam uit haar eigen energie en niet (ook) werd veroorzaakt door andere, van buitenkomende factoren.

Het beroep op eigen schuld ex artikel 6:101 BW

5.10.

De vraag is vervolgens of [gedaagden] volledig schadeplichtig is jegens [eiseres] of dat hun schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW dient te worden verminderd wegens voor risico van [eiseres] komende omstandigheden die hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Het gaat daarbij niet alleen om eigen gedragingen van [eiseres] waaraan zij schuld heeft, maar ook om gedragingen en omstandigheden die tot de risicosfeer van [eiseres] behoren.

5.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van dergelijke aan [eiseres] toe te rekenen en voor risico van [eiseres] komende omstandigheden. Vaststaat immers dat zowel [eiseres] als [gedaagden] hun honden uitlieten op een groenstrook/grasveld waarbij zij beiden de aldaar geldende aanlijnplicht niet in acht namen. Beiden, dus ook [eiseres] , hebben hun hond van de lijn afgehaald en hebben het goed gevonden dat hun honden ongestoord en ongehinderd met elkaar gingen spelen. Daarbij zijn de honden al spelend achter elkaar aan gaan rennen waarbij [naam hond 1] voorop, maar achteraan gezeten door [naam hond 2] , in volle vaart, zonder uit te wijken, rennend tegen het linker been van [eiseres] is gebotst. Het gedrag van [naam hond 1] is dus niet los te zien van de gedraging van de eigen hond van [eiseres] , [naam hond 2] , omdat [naam hond 2] , spelend met [naam hond 1] , vlak achter [naam hond 1] aan rende. Het achterna rennen van [naam hond 1] door [naam hond 2] is dan ook mede oorzaak geweest voor het ontstaan van het ongeval en dient betrokken te worden bij de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid van [gedaagden]

Een verdeling van de schade over [eiseres] en [gedaagden] in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen leidt tot het oordeel van de rechtbank dat [gedaagden] 60% van de ten gevolge van het incident geleden schade dient te vergoeden en dat dus 40% van de schade voor eigen rekening van [eiseres] dient te blijven. Daartoe wordt overwogen dat het aandeel van [naam hond 1] in het veroorzaken van het incident iets groter wordt geacht dan die van [naam hond 2] omdat [naam hond 1] , achterna gezeten door [naam hond 2] , niet is uitgeweken maar in volle vaart tegen [eiseres] is aangerend. Feiten of omstandigheden die maken dat op grond van de billijkheid tot een andere verdeling van de aansprakelijkheid moet worden gekomen, zijn niet gesteld of gebleken.

Het causaal verband tussen het incident en de door [eiseres] gestelde letsel (het oplopen van een tibia plateau fractuur links)

5.12.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagden] dat geen causaal verband zou bestaan tussen het incident en het door [eiseres] gestelde letsel. Dat [eiseres] pas een dag na het incident naar de huisarts en de spoedeisende hulp is gegaan, staat niet aan het aannemen van dat causaal verband in de weg. [eiseres] heeft een en ander eerst aangekeken en heeft een dag later medische hulp gezocht. Hieruit kan in ieder geval niet worden afgeleid dat haar scheenbeen niet is gebroken als gevolg van het incident met [naam hond 1] , maar door een of ander niet nader door [gedaagden] geduid ander incident dat ná het incident plaatsgevonden zou kunnen hebben. Als niet betwist en uit de getuigenverklaringen volgt dat [eiseres] meteen na het incident erg veel pijn had, niet zelfstandig kon lopen en haar linker been meteen al niet meer kon belasten. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat [eiseres] , na het incident en voordat zij medische hulp zocht, nog een ander ongeval is overkomen. Dat een dergelijke breuk niet kan zijn ontstaan door de impact van de in volle vaart rennende [naam hond 1] is niet komen vast te staan.

5.13.

De rechtbank gaat er derhalve van uit dat [eiseres] tegen gevolge van het incident met [naam hond 1] een tibia plateau fractuur links heeft opgelopen.

De (omvang van de) gevorderde schadevergoeding

5.14.

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van door haar geleden materiële- en immateriële schade alsmede van in de toekomst nog te lijden schade.

5.15.

De rechtbank acht het met partijen wenselijk dat de te vergoeden schade in deze procedure zal worden vastgesteld en dat de zaak niet naar een schadestaat procedure wordt verwezen, zoals subsidiair wordt gevorderd, met als bijgevolg dat partijen nog vele male langer, mogelijk zelfs jarenlang, met elkaar in een procedure verwikkeld zullen zijn.

De al geleden schade

5.16.

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van een totaalbedrag van € 65.382,- aan al geleden schade, waaronder een bedrag van € 38.565,- aan verlies aan verdienvermogen en € 15.000,- aan immateriële schade. Bij conclusie van antwoord hebben [gedaagden] in algemene zin (summier) verweer gevoerd tegen de opgevoerde schadeposten. Dat verweer is pas tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagden] nader geconcretiseerd, zie met name punt 10-18 van de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagden] Omdat [eiseres] bij de mondelinge behandeling onvoldoende in de gelegenheid was om op deze verweren in te gaan, zal [eiseres] hiertoe alsnog gelegenheid krijgen. In een nader te nemen akte zal [eiseres] daarom de door haar gevorderde schade nader kunnen toelichten en daarbij alsnog kunnen ingaan op de hiertegen door [gedaagden] gevoerde verweren.

Huisartsenjournaal

5.17.

In de te nemen akte zal [eiseres] ook gelegenheid krijgen om nog te overleggen het huisartsenjournaal over een periode van twee jaar voorafgaand aan het incident, een en ander conform haar toezegging hiertoe als gedaan tijdens de mondelinge behandeling (zie punt 3.3 van de spreekaantekeningen).

Toekomstige schade

5.18.

[eiseres] maakt verder aanspraak op vergoeding van € 60.000,- aan nog te lijden schade. Zij stelt hiertoe dat het volgens de artsen niet de vraag is of zij in de toekomst, in verband met traumatische artrose, een knieprothese nodig zal hebben maar eerder wanneer. [eiseres] verwijst in dit verband naar een als productie 11 overgelegd rapport van verzekeringsarts [naam 4] van 3 mei 2024 waarin deze onder meer schrijft dat vanwege de verhoogde kans op het later optreden van posttraumatische artrose van de knie bij tibia plateau fracturen er de kans bestaat dat na een aantal jaren het plaatsen van een knieprothese noodzakelijk zal zijn en deze noodzaak vaak, maar mogelijk eerder of later, optreedt na zo’n 5 à 10 jaar. Dat acht de rechtbank echter nog onvoldoende concreet om tot een veroordeling van een bedrag van € 60.000,- aan toekomstig nog te lijden schade, waaronder verlies aan verdienvermogen, te kunnen komen.

5.19.

De rechtbank verlangt van [eiseres] , ter onderbouwing van de door haar gevorderde toekomstige schade, een nadere concretisering en onderbouwing dat een dergelijke knieprothese door het incident noodzakelijk/medisch geïndiceerd zal zijn, althans hoe groot die kans daarop is, op welke termijn een dergelijke medisch ingreep redelijkerwijs te verwachten valt en wat hiervan de financiële gevolgen voor [eiseres] zullen zijn, mede met het oog op eventueel te verwachten (tijdelijk) verlies aan verdienvermogen.

Nu een gekapitaliseerd bedrag ineens aan toekomstige schade vooruit wordt gevorderd, dient [eiseres] haar vordering bovendien nader te onderbouwen aan de hand van een gebruikelijke berekening met rekenrente. [eiseres] zal deze nadere concretisering (met over te leggen stukken/berekeningen) in het geding kunnen brengen bij de nog door haar te nemen akte.

Immateriële schade

5.20.

Ten aanzien van het eveneens gevorderde bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.

Op zichzelf genomen lijkt een dergelijk bedrag aan immateriële schadevergoeding, waarvan [gedaagden] uiteindelijk 60% dient te vergoeden, redelijk en in lijn met de jurisprudentie en ook met de zogenaamde Rotterdamse Schaal. Voor de begroting van de omvang van de immateriële schadevergoeding is echter medebepalend of nader medisch ingrijpen, in de zin van een knieprothese, in de toekomst nog noodzakelijk zal zijn en, zo ja, op welke termijn deze ingreep verwacht wordt, wat op dit moment nog niet vast staat. Ook het oordeel over de te vergoeden immateriële schade zal daarom worden aangehouden.

Vervolg van de procedure in conventie

5.21.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de zaak naar de rol worden verwezen voor een door [eiseres] te nemen akte voor het in de rechtsoverwegingen 5.16, 5.17 en 5.19 weergegeven doel. Vervolgens zal [gedaagden] bij antwoordakte mogen reageren.

5.22.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

In reconventie

Ten aanzien van het gelegde beslag

5.23.

Bij deze stand van zaken, waarbij [gedaagden] voor 60% aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van het incident geleden schade, is de gevorderde opheffing van het beslag (nog) niet toewijsbaar. Niet is summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [eiseres] ingeroepen recht gebleken of van een onnodig gelegd beslag en evenmin van een situatie waarin voor een geldvordering voldoende alternatieve zekerheid is gesteld.

Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank vaststelt dat [gedaagden] voor maximaal 60% van de gevorderde schade aansprakelijk is en dat daarmee de vordering tot maximaal € 75.229,20 in hoofdsom toewijsbaar kan zijn. Het beslag is echter voor een hogere vordering gelegd. Mede gelet op ieders belangen bij instandhouding dan wel opheffing van het beslag, is het in het belang van alle partijen om zo snel mogelijk tot een oplossing te komen en de verkoop van de woning niet onnodig langer te blokkeren, met alle financiële gevolgen voor [gedaagden] van dien nu de lasten van de woning blijven doorlopen terwijl de woning al geruime tijd niet meer door [gedaagden] wordt bewoond maar leeg staat. [eiseres] heeft bij de mondelinge behandeling ook niet duidelijk weten te maken waarom zij niet meewerkt aan verkoop van de woning waarbij (een deel van) de overwaarde/verkoopprijs onder de notaris blijft als zekerheid voor [eiseres] om zich op te kunnen verhalen na een definitieve uitspraak van de rechtbank over de omvang van de door [gedaagden] aan haar te betalen schadevergoeding.

5.24.Iedere verdere beslissing in reconventie wordt aangehouden. Rechtbank Amsterdam 26 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9169


AANSPRAKELIJKHEID SPORT EN SPEL, algemeen

HR 111194 negeren stopcommando bij judo is onrechtmatige daad; geen ES

3. Uitgangspunten

Hierna kan van het volgende worden uitgegaan.

Op 16 november 1978 namen [eiser] en [verweerder] deel aan een judoles, die zij als leden van de gemeentepolitie gehouden waren te volgen. Onder leiding van instructeur [de instructeur] werden werptechnieken geoefend. [eiser], [verweerder] en [de instructeur] waren in dienst van de Gemeente. Tengevolge van een door [eiser] ingezette worp is [verweerder] zo ongelukkig op de grond terecht gekomen dat hij letsel heeft opgelopen, welk letsel heeft geleid tot een post-traumatisch cervicaal syndroom, ook wel "whiplash-injury" genoemd.

De Rechtbank heeft, uitgegaande van de juistheid van de door [verweerder] gegeven lezing van de toedracht, te weten, dat [eiser] de schouderworp heeft ingezet, nadat [de instructeur] een stopcommando had gegeven, aan [eisers] opgedragen te bewijzen dat kort voor de fatale schouderworp, door [eiser] met [verweerder] uitgevoerd, geen stopcommando door [de instructeur] is gegeven en dat voor zover een dergelijk commando wel is gegeven, dit pas is geschied toen de schouderworp al door [eiser] was ingezet en niet meer kon worden afgebroken.

Het Hof heeft de hiertegen gerichte grieven ongegrond geoordeeld.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De Rechtbank heeft [eisers] voormeld bewijs opgedragen, na te hebben overwogen dat zij, gelet op de ondersteuning van de lezing van [verweerder] door het rapport van de instructeur [de instructeur] er "voorshands" van uitgaat dat deze lezing de juiste is en dat, als daarvan wordt uitgegaan, [eisers] aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het aan [verweerder] overkomen ongeval. Het Hof heeft, dit vonnis bekrachtigend, overwogen dat voorshands moet worden aangenomen dat [eiser] zich ten opzichte van [verweerder] heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad door niet te reageren op het stopcommando van [de instructeur]. Met betrekking tot dit commando heeft het Hof geoordeeld dat "vooralsnog" - behoudens door [eisers] te leveren tegenbewijs - ervan dient te worden uitgegaan dat het door [de instructeur] metterdaad is gegeven.

[verweerder] heeft betoogd dat de beslissing van het Hof blijkens het gebruik van de woorden "voorshands moet worden aangenomen" een voorlopige uitspraak is, dus geen bindende waarop niet kan worden teruggekomen, zodat cassatieberoep op grond van art. 399 Rv. niet openstaat en [eisers] in hun beroep niet ontvankelijk moeten worden verklaard.

De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Het Hof heeft, in navolging van de Rechtbank, geoordeeld dat [eisers] aansprakelijk zijn, zo zij niet slagen in het hun opgedragen bewijs. Daaraan kan niet afdoen dat het Hof hier enigszins misleidend de term "voorshands" heeft gebezigd waar het kennelijk slechts heeft bedoeld dat het de lezing van [verweerder], behoudens tegenbewijs, bewezen heeft geoordeeld. Die beslissing is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven. [eisers] zijn derhalve ontvankelijk in hun cassatieberoep.

5. Beoordeling van het middel

5.1 De onderdelen 1.1 en 1.2 keren zich met respectievelijk een rechtklacht en een motiveringsklacht tegen 's Hofs oordeel dat voorshands moet worden aangenomen dat [eiser] zich ten opzichte van [verweerder] heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad door niet te reageren op het stopcommando van [de instructeur] en door te gaan met de oefening (rov. 4.2).

De onderdelen voeren aan dat het Hof heeft miskend dat niet reeds het enkele overtreden van de spelregels, waaronder regels ter bescherming van de veiligheid van de spelers, onrechtmatig is, en dat de overtreding van een spelregel slechts een factor is die meeweegt bij de beoordeling van de onrechtmatigheid, althans dat het Hof zijn oordeel in het licht van bedoelde maatstaf ongenoegzaam heeft gemotiveerd.

De onderdelen zijn tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft niet blijk gegeven van een andere rechtsopvatting dan die welke is aanvaard in HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622, en die de onderdelen terecht tot uitgangspunt nemen.

Het Hof heeft overwogen dat de aan de judosport verbonden risico's, die aan [eiser] bekend waren, meebrengen dat "het van zeer groot belang (is) dat de deelnemers acht slaan op en gevolg geven aan aanwijzingen van scheidsrechters, instructeurs e.d. ".

Kennelijk heeft het Hof de omstandigheid dat [eiser] op dat punt in gebreke is gebleven, naar het Hof voorshands heeft aangenomen, aangemerkt als een zo zwaarwegende factor dat deze nalatigheid [eiser] moet worden aangerekend als een onrechtmatige daad. Zoals hierna in 5.3 nog wordt overwogen, heeft het Hof het grote belang dat het eraan heeft gehecht dat op het stopcommando terstond acht wordt geslagen hierop gegrond dat de deelnemers na dat commando, anders dan daarvóór, niet langer behoeven te verwachten dat zij op de grond zullen worden geworpen.

's Hofs oordeel geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het is niet onbegrijpelijk en behoefde niet nader te worden gemotiveerd.

5.2 Onderdeel 1.3 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft het Hof niet geoordeeld dat het acht slaan op en gevolg geven aan de aanwijzingen van scheidsrechters, instructeurs e.d. niet behoort tot de spelregels die de onderhavige tak van sport beheersen.

5.3 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat zonder nadere redengeving niet valt in te zien waarom de fout van [eiser] ernstig is, terwijl het Hof ervan is uitgegaan dat de gedragingen van [eiser] niet onrechtmatig zijn indien komt vast te staan dat geen stopcommando is gegeven, dan wel is gegeven op zodanig moment dat de worp niet kon worden afgebroken. Het onderdeel faalt. Het Hof heeft zijn oordeel omtrent de onrechtmatigheid van het gedrag van [eiser] kennelijk gegrond op de overweging dat, zolang geen stopcommando was gegeven, [verweerder] rekening diende te houden met een door [eiser] uit te voeren worp, maar dat [verweerder] zulks niet behoefde te verwachten nadat de instructeur een dergelijk commando had gegeven. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en genoegzaam gemotiveerd.

5.4 Onderdeel 3 keert zich met motiveringsklachten tevergeefs tegen 's Hofs oordeel dat het feit dat [eiser] het stopcommando van de instructeur niet gehoord heeft, hem niet disculpeert, nu geen relevante feiten of omstandigheden zijn gesteld, die dit niet horen rechtvaardigen (rov. 4.2). Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de les zich afspeelde in een kleine zaal, waarin zich destijds niet meer dan tien personen bevonden en dat, volgens de verklaring van [de instructeur], de ramen van het op de derde verdieping gelegen sportzaaltje gesloten waren en geen hinder van het straatverkeer ondervonden werd.

Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover het onderdeel veronderstelt dat het Hof heeft aangenomen dat [eiser] het stopcommando wel heeft gehoord, mist het feitelijke grondslag en kan het om die reden niet tot cassatie leiden.

5.5 Onderdeel 4.1 keert zich tegen 's Hofs verwerping van het door [eisers] gedane beroep op medeschuld van [verweerder]. Het onderdeel voert aan dat een beoefenaar van de judosport die zich in de omstandigheden bevindt, als door het Hof met betrekking tot [verweerder] aangenomen, ermee rekening dient te houden dat degene met wie hij de sport beoefent, niet terstond gevolg zal geven aan een commando als het onderhavige, en zulks van belang is, niet voor het antwoord op de vraag of sprake is van medeschuld van de speler jegens wie de overtreding is begaan, maar voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de gedragingen van de andere speler.

Het onderdeel faalt. Het Hof heeft geoordeeld dat [verweerder] niet erop verdacht behoefde te zijn dat [eiser] de oefening zou voortzetten. Daarin ligt besloten 's Hofs verwerping van de stelling dat [verweerder] ermee rekening diende te houden dat [eiser] geen gevolg zou geven aan het commando. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

5.6 De onderdelen 4.2 en 4.3, die beide tot uitgangspunt nemen dat [verweerder] ermee rekening had behoren te houden dat [eiser] geen gevolg zou geven aan het stopcommando, bouwen voort op het vorige onderdeel en moeten dus het lot daarvan delen. Hoge Raad 11 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1533
zie ook Parket bij de Hoge Raad 23 september 1994, ECLI:NL:PHR:1994:54


VERLIES VERDIENVERMOGEN, zelfstandigen

RBROT 070126 Westenberg-Smit; Schadestaatprocedure Kat; deel juridische kosten toegewezen; afwijzing omzetderving en immateriële schade

zie ook

VVCS.nl 011218 Westenberg/Smit – derogerende werking R&B en korte verjaringstermijn art. 3:310 BW

1De zaak in het kort

1.1.

Deze zaak is een schadestaatprocedure en volgt op de volgende hoofdprocedures:

1) de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met zaaknummer 200.172.773/02, die is geëindigd bij eindarrest van 26 mei 2020, en

2) de zaak tussen [eiser] en de Staat bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met zaaknummer 200/280.336/01, die is geëindigd bij eindarrest van 21 maart 2023.

1.2.

Deze hoofdprocedures volgden op hun beurt op een procedure (in eerste aanleg en in hoger beroep) die [gedaagde] , oud-rechter in de rechtbank Den Haag, tegen [eiser] , journalist, had gevoerd. De aanleiding daarvan was de publicatie van een door [eiser] geschreven boek, waarin [eiser] verslag deed van een gesprek met een advocaat die [gedaagde] verweet dat hij in de zogenoemde Chipshol-zaak voorafgaand aan een zitting met advocaten had gebeld. Volgens [gedaagde] had dat telefoongesprek niet plaatsgevonden. Deze procedure is in eerste aanleg en in hoger beroep voor [gedaagde] gefinancierd door de Staat.

1.3.

In de hoofdprocedure van [eiser] tegen [gedaagde] heeft het gerechtshof
’s-Hertogenbosch vastgesteld dat het hiervoor bedoelde telefoongesprek wel had plaatsgevonden en heeft het hof geoordeeld dat [gedaagde] , door een procedure tegen [eiser] aan te spannen op de onjuiste feitelijke grondslag van ontkenning van dat telefoongesprek, misbruik van procesrecht heeft gemaakt/onrechtmatig heeft gehandeld. Om die reden heeft het hof [gedaagde] veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van dat misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen.

1.4.

In de hoofdprocedure van [eiser] tegen de Staat en de Raad voor de rechtspraak heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de Staat veroordeeld om aan [eiser] te vergoeden de schade die het gevolg is van het feit dat de Staat de procedure heeft gefinancierd die [gedaagde] tegen [eiser] heeft gevoerd, vanaf de procedure in hoger beroep.

1.5.In deze schadestaatprocedure stelt [eiser] dat de door hem geleden schade bestaat uit inkomensschade, immateriële schade en juridische kosten en vordert hij dat [gedaagde] en de Staat tot vergoeding daarvan worden veroordeeld. In dit vonnis beoordeelt de rechtbank de door [eiser] gestelde schadeposten. De rechtbank komt tot de conclusie dat alleen toewijsbaar is een deel van de gevorderde juridische kosten ten aanzien van [gedaagde] . De overige vorderingen worden afgewezen Rechtbank Rotterdam 7 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6


DIVERSE SCHADEPOSTEN, Schadebegroting in het kader van de toeslagenaffaire
(NB: NIEUWE CATEGORIE)

RBZWB 091225 toeslagenaffaire; afwijzing VAV, schade door aanwenden erfenissen, gedwongen verkoop woning en huur, immateriële schadevergoeding

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de aan hem toegekende aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade correct heeft vastgesteld. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 3 januari 2022 is aan eiser in het kader van de hersteloperatie toeslagen een bedrag van € 25.250,- aan aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.1.

In het besluit van 29 augustus 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Voor het voeren van de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) is een vergoeding van € 500,- toegekend.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn echtgenote [persoon 1] , de gemachtigde van eiser en namens Dienst Toeslagen mr. [persoon 2] en mr. [persoon 3] .

Beoordeling door de rechtbank

Feiten

3. Eiser is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft hij voor de jaren 2007, 2009 en 2010 een compensatiebedrag ontvangen van in totaal € 53.320,-.

Eiser heeft vervolgens een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade ingediend bij de CWS.

3.1.

Bij het besluit van 3 januari 2022 (primair besluit) heeft Dienst Toeslagen aan eiser een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend van € 25.250,- conform het advies van de CWS van 9 december 2021. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

3.2.

Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 heeft Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard in navolging van het advies van de bezwaarschriften-adviescommissie (BAC) van 15 augustus 2024. Daarnaast heeft Dienst Toeslagen getoetst aan het op 1 juli 2024 door de CWS gepubliceerde nieuwe schadekader. Dit heeft geleid tot het toekennen van € 500,- voor het voeren van een procedure bij de CWS. De totale aanvullende compensatie komt hiermee op € 25.750,-

Beroepsgronden

4. Eiser stelt dat de toegekende compensatie voor de werkelijke schade te laag is. Volgens eiser is voor een aantal schadeposten, veroorzaakt door de toeslagenaffaire, ten onrechte geen compensatie toegekend. Het gaat dan om inkomensschade van hemzelf en zijn echtgenote, en vermogensschade vanwege het noodgedwongen aanwenden van erfenissen, de noodgedwongen verkoop van de woning en het huren van een woning. De immateriële schadevergoeding is volgens eiser te laag vastgesteld.
Eiser stelt verder dat het schadekader dat door de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) wordt gehanteerd, op onderdelen tot een hogere schadevergoeding zou hebben geleid.

Tot slot stelt eiser dat hij recht heeft op een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Eisers beroepsgrond over geleden schade door het gedwongen afbreken van het leasecontract van zijn auto heeft hij ter zitting niet langer gehandhaafd.

Toetsingskader

5. In artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), is bepaald dat aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid en met zevende lid, op aanvraag door Dienst Toeslagen aanvullende compensatie voor de werkelijk schade wordt toegekend.

5.1.

De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dienst Toeslagen dient bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is.1

5.2.

Het schadekader dat sinds juli 2024 wordt toegepast door de CWS, en ook in het bestreden besluit is gehanteerd, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade’2 (Schadekader CWS). In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade wordt berekend aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten.

5.3.

Eiser heeft betoogd dat bij de beoordeling van de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade niet alleen gekeken moet worden naar het Schadekader CWS, maar ook naar het schadekader dat de SGH hanteert, omdat de vergoeding via de SGH-route vaak hoger uitvalt dan de vergoeding bij de CWS-route. Op het moment dat eiser zijn aanvraag voor aanvullende compensatie indiende, bestond de mogelijkheid van de SGH-route nog niet.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat er thans voor het bepalen van de werkelijk geleden schade meer schaderoutes met afzonderlijke schadekaders mogelijk zijn.

Zo kunnen gedupeerde ouders sinds september 2023 ook via de zogenoemde SGH-route gecompenseerd worden. Het schadekader binnen de SGH-route bevat een aantal schadeposten waaraan een vaste forfaitaire vergoeding is verbonden. Het gaat bij deze route niet om het vaststellen van de daadwerkelijk geleden schade maar om een (gewogen) forfaitair bedrag op basis van aannemelijkheid van causaliteit.3 Deze route leidt tot een vaststellingsovereenkomst.

5.5.

De rechtbank overweegt dat het in deze beroepsprocedure te beoordelen besluit is genomen op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht. In dat kader is de CWS aangewezen als adviserende commissie.4 Aan de CWS is onder meer de taak opgedragen om schadekaders ten behoeve van haar adviestaak op te stellen en aan te passen.5 Het opgestelde schadekader CWS is daarom terecht door de Dienst Toeslagen, in navolging van het advies van de CWS, in het bestreden besluit gehanteerd. Dat eiser, op basis van enkele voorbeelden, stelt dat het schadekader van de SGH-route voor hem gunstiger zou kunnen uitpakken, kan dan ook niet leiden tot het toepassen van dat kader. Het is niet mogelijk om te ‘shoppen’ uit onderdelen van de schadekaders al naar gelang er op concrete punten een hogere schadevergoeding zou volgen. Overigens geldt dat, indien en voor zover het ene schadekader ten opzichte van een ander schadekader op onderdelen gunstiger zou uitvallen, dat nog niet betekent dat dat over de hele linie het geval is.6

De omstandigheid dat eiser bij zijn aanvraag om aanvullende compensatie niet de keuze heeft gehad om de SGH-route te volgen, omdat deze route op dat moment nog niet bestond, leidt niet tot een ander oordeel.7

Te beoordelen schadeposten

6. Hierna zullen de schadeposten worden beoordeeld waarvoor volgens eiser geen of te weinig schadevergoeding is toegekend.

Inkomensschade door arbeidsongeschiktheid

7. Eiser heeft aangevoerd dat hij een goedlopend schildersbedrijf had. Als gevolg van de neurologische aandoening reflex syncope (kort bewustzijnverlies door daling van bloeddruk of hartslag) kon hij zijn beroep als schilder niet meer uitvoeren. Stress en spanning verergeren zijn klachten acuut. Door de stress rondom de problemen met de kinderopvangtoeslag werd de reflex syncope zo getriggerd dat hij zijn werk niet meer kan doen en leeft van een WIA-uitkering. Eisers echtgenote heeft psychische klachten gekregen door de problemen met de kinderopvangtoeslag en is niet meer in staat te werken.

De toeslagenaffaire is een blijvende stressfactor in het leven van eiser en zijn echtgenote. Er bestaat causaal verband tussen problemen met de kinderopvangtoeslag en de arbeidsongeschiktheid van eiser en zijn echtgenote. De aanhoudende stress en het handelen van Dienst Toeslagen heeft volgens eiser tot verlies aan arbeidsvermogen geleid.

7.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser kampt met de neurologische aandoening reflex syncope, dat zijn echtgenote psychische klachten heeft en dat zij beiden een WIA-uitkering ontvangen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er causaal verband bestaat tussen de problemen rondom de kinderopvangtoeslag en de inkomensachteruitgang van eiser en zijn echtgenote.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat de problemen rondom de kinderopvangtoeslag voortkwamen uit het op nihil stellen van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007, 2009 en 2010. Eiser is daardoor in de periode van 20 juli 2009 tot 29 oktober 2013 geconfronteerd met terugvorderingen. In totaal is in deze periode een bedrag van € 10.354,- ten laste van eiser verrekend of door eiser betaald. De totale schuld betrof een bedrag van € 31.522,- waarvan een bedrag van € 21.171,- is afgeboekt als oninbaar.

7.3.

Dienst Toeslagen acht het voorstelbaar dat de terugvorderingen spanningen hebben veroorzaakt bij eiser en zijn gezin. Op basis van het door eiser verstrekte informatie acht CWS het echter niet aannemelijk gemaakt dat eiser en zijn echtgenote als gevolg daarvan beiden vrijwel volledig arbeidsongeschikt zijn geworden en dat de gestelde inkomensschade het directe gevolg is van de stopzetting en terugvordering van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007, 2009 en 2010. Volgens Dienst Toeslagen ontbreekt relevante informatie, te weten informatie over het einde van het dienstverband van de echtgenote van eiser, inzicht in de medische rapportages van bijvoorbeeld behandelaren en/of het UWV van zowel eiser als zijn echtgenote in verband met hun beider arbeidsongeschiktheid en een toelichting op de gezondheidssituaties vanaf medio 2009, het moment waarop eiser werd geconfronteerd met de eerste terugvorderingen. Ook in bezwaar heeft eiser deze stukken niet overgelegd.

7.4.

Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij in bezwaar wel medische stukken heeft overgelegd, maar die stelling is niet onderbouwd. Verder blijkt uit een e-mailbericht van 12 december 2022 van [persoon 4] van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen aan eiser, dat eiser in de gelegenheid is gesteld om de ontbrekende stukken in te sturen, welke daarna zouden worden doorgezonden naar de CWS voor aanvullend advies. Volgens de inhoud van deze e-mail heeft eiser echter geen gebruik gemaakt van die gelegenheid en heeft hij verklaard dat de bezwaarprocedure bij de BAC te willen vervolgen.

7.5.

De rechtbank acht aannemelijk dat de stopzetting en terugvordering van de kinderopvangtoeslag hebben geleid tot stress en dat eiser en zijn gezin hierdoor in een moeilijke situatie zijn komen te verkeren. Echter, eiser zal aannemelijk moeten maken dat er causaal verband bestaat tussen de problematiek rondom de kinderopvangtoeslag en de medische klachten en daarop volgende arbeidsongeschiktheid en inkomensachteruitgang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen door het ontbreken van achterliggende medische stukken, in het bestreden besluit op goede gronden geconcludeerd dat dit causaal verband niet aannemelijk is gemaakt.

7.6.

In de beroepsfase heeft eiser alsnog medische stukken ingediend, te weten brieven van de neuroloog van 15 juni 2017 en 8 februari 2024 over eiser en een rapportage van een verzekeringsarts van 8 september 2021 met de WIA-beoordeling van de echtgenote van eiser. Verder heeft eiser op 15 oktober 2025 een grote hoeveelheid stukken ingediend, waarvan de rechtbank op de zitting besloten heeft dat deze stukken worden toegelaten voor zover daarnaar (in de begeleidende brief) is verwezen. Dat zijn in dit kader de brief van de neuroloog van 4 december 2024 en een (ongelakt) behandelplan van de GGZ van 26 oktober 2020 van de echtgenote van eiser.

7.7.

Deze stukken geven Dienst Toeslagen geen aanleiding om anders over het causaal verband te oordelen. De rechtbank kan Dienst Toeslagen daarin volgen.

Uit de brieven van eisers neuroloog blijkt weliswaar dat bewustzijnverlies vanwege de reflex syncope gerelateerd is aan negatieve stress, maar niet duidelijk is vanaf wanneer sprake was van de reflex syncope, of deze is ontstaan als gevolg van de stress rondom de kinderopvangtoeslag en of de reflex syncope heeft geleid tot eisers arbeidsongeschiktheid. Er is namelijk niet met stukken onderbouwd op grond van welke (andere) klacht(en) eiser op 6 januari 2014 arbeidsongeschikt is geworden.


Ten aanzien van eisers echtgenote blijkt uit de overgelegde stukken dat zij in 2016 opnieuw is gaan werken, op 5 september 2019 arbeidsongeschikt is geworden vanwege psychische klachten en vanaf 2 september 2021 een WIA-uitkering heeft. Bij de beoordeling van het causaal verband zal buiten beschouwing worden gelaten of eisers echtgenote ten tijde van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag niet/minder heeft gewerkt vanwege de stress over die terugvorderingen. Eiser vraagt namelijk schadevergoeding vanaf de inkomensachteruitgang door arbeidsongeschiktheid vanaf 2019. Deze arbeidsongeschiktheid doet zich geruime tijd nadat de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag plaatsvonden (juli 2009 tot en met oktober 2013) voor, waardoor het causaal verband tussen de stress van de terugvorderingen en de arbeidsongeschiktheid en inkomensachteruitgang minder aannemelijk is. In het behandelplan van de GGZ van 2020 en de WIA-rapportage van 2021 is, zo de rechtbank begrijpt, op grond van de anamnese, als stresserende factor de toeslagenaffaire genoemd, maar daarnaast speelden ook andere stressoren, waaronder zeer belastende ervaringen uit haar jeugd en latere negatieve gebeurtenissen. De invloed daarvan op de uitval van eisers echtgenote in 2019 is niet volledig in beeld.

Op grond van de aanwezige stukken is niet duidelijk geworden of er een causaal verband bestaat tussen de belastende terugvorderingen in de periode van juli 2009 tot en met oktober 2013 en de ontstane arbeidsongeschiktheid en inkomensachteruitgang van eiser en zijn echtgenote. Dit betekent dat ook niet kan worden toegekomen aan de vaststelling van een proportionele aansprakelijkheid, zoals door eiser verzocht.

7.8.

De rechtbank ziet niet in dat eiser in een situatie van bewijsnood is komen te verkeren. Eiser is zowel in de bezwaarfase als in beroep in de gelegenheid geweest om (de gevraagde) stukken te overleggen, waarna mogelijk door de CWS een deskundige had kunnen worden ingeschakeld of eiser zelf een deskundige had kunnen inschakelen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om zelf een deskundige te benoemen, zoals door eiser verzocht.

7.9.

Omdat het vereiste causale verband ontbreekt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de berekende schade in de door eiser overgelegde rapporten van Laumen Expertise BV van 12 november 2024.

De rechtbank ziet daarom geen aanleiding een kostenvergoeding voor het laten opmaken van deze rapporten uit te spreken.

Vermogensschade door aanwenden erfenissen

8. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding voor het moeten aanwenden van twee erfenissen van in totaal ruim € 12.000,- voor het aanpakken van zijn schuldenproblematiek. Eiser stelt dat hij, als hij geen slachtoffer was geworden van de toeslagenaffaire, geen schulden had opgebouwd en er ook geen schuldsaneringstraject zou zijn toegepast. De erfenissen had hij in dat geval vrij kunnen besteden.

8.1.

De rechtbank is met Dienst Toeslagen van oordeel dat het feit dat beide erfenissen zijn aangewend om bestaande schulden af te lossen, niet heeft geleid tot vermogensschade. Immers, in vermogensrechtelijke zin is de ouder als gevolg van het aanwenden van de erfenissen niet verarmd. Weliswaar is een positief vermogensbestanddeel van de ouder (bestaande uit liquide middelen ontvangen vanwege beide erfenissen) verdwenen, maar daar staat tegenover dat een negatief vermogensbestanddeel in verband met schulden aan derden ook is verdwenen doordat die schulden zijn afbetaald. In vermogensrechtelijke zin is de betaling van een schuld dan ook neutraal, zodat geen sprake is van schade.

8.2.

Overigens acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser de ontvangen erfenissen vrij had kunnen besteden als hij geen slachtoffer van de toeslagaffaire was geworden. Daartoe wijst de rechtbank op het feit dat in de periode april 2013 tot en met maart 2016 schuldsanering is toegepast. Omdat eiser aanspraak kreeg op de erfenissen ten tijde van de schuldsaneringsregeling, had eiser al om die reden niet de mogelijkheid om vrij te beschikken over die erfenissen, mede gelet op de hoogte van de schulden. Naast de schulden die verband hielden met de kinderopvangtoeslag (in totaal € 31.522,- waarvan een bedrag van € 10.354,- door middel van verrekeningen was voldaan) had eiser ook andere hoge schulden bij diverse schuldeisers (onder meer betreffende de inkomstenbelasting). De rechtbank wijst in dit verband op de slot-uitdelingslijst van de schuldsanering, waarin wordt gesproken over een totale schuld van € 477.088,11.

Ook zonder de schulden die verband houden met de problemen rondom de toeslagenproblematiek, zou eiser zijn erfenissen hebben moeten aanwenden om de bestaande schulden af te lossen.

Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de vele andere schulden zijn ontstaan door de problemen rondom de kinderopvangtoeslag. De enkele – niet nader onderbouwde – stelling dat hij door de problemen rondom de kinderopvangtoeslag zijn boekhouder niet langer kon betalen, waardoor hij te laat was met de belastingaangifte, wat vervolgens heeft geleid tot forse (belasting)schulden, is daartoe onvoldoende.

Vermogensschade door gedwongen verkoop woning en huur

9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser tijdens de schuldsaneringsperiode zijn woning onder de marktwaarde heeft moeten verkopen, maar dat hij daardoor geen directe vermogensschade heeft geleden. De restschuld van de hypothecaire lening is namelijk gesaneerd in de schuldsanering die op 31 maart 2016 met een schone lei is beëindigd.

9.1.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat de schade is gelegen in de gemiste waardestijging vanaf de datum van de verkoop. Als hij zijn woning niet in 2014 had hoeven verkopen, was de woning in 2024 aanzienlijk in waarde gestegen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een waarderapport van Huispedia ingebracht, waaruit blijkt dat de geschatte verkoopprijs van eisers voormalige woning op 8 juli 2024 € 509.000,- is. Verder stelt eiser dat hij als gevolg van de gedwongen verhuizing hoge huurkosten heeft gehad.

Schadepost gemiste waardestijging woning

9.2.

De rechtbank stelt voorop dat in het ten tijde van het bestreden besluit toepasselijke Schadekader CWS 2024 is opgenomen dat schadevergoeding mogelijk is vanwege een gemiste waardestijging van een woning door een gedwongen verkoop die (mede) het gevolg was van de problemen met de kinderopvangtoeslag.

9.3.

Ter zitting heeft Dienst Toeslagen toegelicht dat primair het standpunt wordt ingenomen dat geen sprake is van schade. Subsidiair stelt de gemachtigde van Dienst Toeslagen dat er geen causaal verband bestaat tussen de verkoop van de woning en de problemen rondom de kinderopvangtoeslag.

9.4.

De rechtbank is van oordeel dat, voor zover eiser schade heeft geleden door de misgelopen waardestijging van de woning, deze schade terecht niet vergoed wordt, omdat geen sprake is van een causaal verband tussen de problemen rondom de kinderopvangtoeslag en de gedwongen verkoop van de woning. In de periode april 2013 tot en met maart 2016 is schuldsanering toegepast, vanwege de vele hoge schulden die eiser op dat moment had. In deze periode is de woning verkocht (mei 2014). Naast de schulden die verband hielden met de kinderopvangtoeslag (in totaal € 31.522,- waarvan een bedrag van € 10.354,- door middel van verrekeningen was voldaan) had eiser ook andere hoge schulden. De rechtbank wijst in dit verband op de slot-uitdelingslijst van de schuldsanering, waarin wordt gesproken over een totale schuld van € 477.088,11. Ook zonder de schulden die verband houden met de problemen rondom de toeslagenproblematiek, zou eiser zijn woning hebben moeten verkopen om de bestaande schulden af te lossen/te kunnen saneren.

Schadepost huur vervangende woning

9.5.

Ten aanzien van de huurkosten voor de vervangende woning als gevolg van de gedwongen verhuizing na verkoop van de woning verwijst de rechtbank naar wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de gemiste waardestijging van de woning. Omdat causaal verband tussen de problemen omtrent de kinderopvangtoeslag en de gedwongen verkoop van de woning ontbreekt, ontbreekt ook causaal verband tussen die problemen en de daarop volgende verhuizing en de gemaakte huurkosten.

Immateriële schade

10. Volgens eiser doet de toegekende immateriële schadevergoeding geen recht aan de situatie waarin hij en zijn gezin zijn komen te verkeren. Zij zijn langdurig aan stress blootgesteld en arbeidsongeschikt geraakt.

10.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser in het kader van de integrale beoordeling € 12.000,- aan immateriële schadevergoeding heeft ontvangen. Ter zitting is gemeld dat in de beslissing op het bezwaar van 15 oktober 2025 tegen de integrale beoordeling dit bedrag is verhoogd naar € 16.500,-. In het kader van de huidige procedure heeft de CWS op 9 december 2021 geadviseerd eiser € 25.000,- aanvullende immateriële schadevergoeding toe te kennen. In de bezwaarfase heeft de CWS de immateriële schade in een nader advies van 26 juli 2023 begroot op € 20.800,-. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit echter vastgehouden aan het voor eiser hogere bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 25.000,-.

10.2.

Dienst Toeslagen heeft aan het toekennen van de immateriële schadevergoeding ten grondslag gelegd dat aannemelijk is dat eiser en zijn gezin over de toeslagjaren 2007, 2009 en 2010 stress en verdriet hebben ervaren. Ook het feit dat sprake is geweest van een dwangverrekening is meegewogen. Het is aannemelijk dat de kinderen van eiser juist tijdens hun jeugd een gespannen gezinssituatie hebben ondervonden. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit vooral is veroorzaakt door de slechte financiële situatie van eiser en zijn echtgenote.

10.3.

De rechtbank ziet niet in dat de immateriële schadevergoeding tot een te laag bedrag zou zijn vastgesteld, mede in aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen over het causale verband tussen de problematiek omtrent de kinderopvangtoeslag en de (financiële) situatie waarin eiser en zijn gezin verkeerden. Aanknopingspunten om tot een hogere schadevergoeding te concluderen, ontbreken.

Overschrijding redelijke termijn

11. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.

11.1

De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

11.2.

Het bezwaarschrift van eiser is door Dienst Toeslagen ontvangen op 8 februari 2022. Vanaf de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift door Dienst Toeslagen tot de datum van deze uitspraak is, afgerond naar hele maanden, 46 maanden verstreken. De redelijke termijn is dus, afgerond, met 22 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. Omdat de gehele overschrijding binnen de bezwaarfase is gelegen, komt deze schadevergoeding voor rekening van Dienst Toeslagen.

1Zie ECLI:NL:RVS:2023:3620, overweging 15.3.

2Te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties

3(Gelijk)waardig Herstel Herstelmodel, Validatie, Aanpak en Schadeposten.

4Artikel 5.2 van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade Instellingsregeling.

5Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling.

6Zie het rapport van [persoon 5] van 12 december 2024 en de brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 20 december 2024 (2024-0000585337).

7Zie ook ECLI:NL:RVS:2024:5011.

8ECLI:NL:RVS:2025:5294

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8811


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, neuroloog, neuropsycholoog, kosten deskundigenbericht
PROCESSUELE ASPECTEN, varia

GHSHE 260825 procesafspraken bij mondelinge behandeling na aanbrengen; benoeming neuroloog en (evt) neuropsycholoog
- kosten voor rekening verzoekend ass.: neuroloog 40 uur x € 280 + 6% + 21%, neuropsycholoog 20 uur x 264 + 21%

in vervolg op

GHSHE 281124 vdo ergotherapeut hangende hoger beroep, ter beoordeling van behoefte aan 24-uurs zorg bij ernstig hersenletsel

en:

RBLIM 280623 24 uurs zorg bij ernstig hersenletsel
- beslissing in deelgeschil gegrond op onjuiste feiten; in 2016 wist rb niet van % alcohol; blijkt 2,4 te zijn geweest
- meerkosten particuliere zorg boven wlz/pgb
        - voor nu: begroting cf tarieven uit Financiële Paragraaf
        - voor de toekomst: schadebeperkingsplicht noopt tot wonen in wlz instelling
- onvoldoende duidelijkheid rond overwaarde verbouwde mantelzorgwoning; bij verkoop dient inzicht gegeven te worden
- SO is in beginsel vrij te kiezen voor som ineens maar voor zorgkosten is i.c. periodieke afwikkeling aangewezen
- toekomstverwachting 29 jarige magazijnmedewerker; begroting cf carrière als magazijnchef
- afwijzing fiscale component; wettelijke basis voor de berekening is komen te ontvallen
- 50% rapport rekenkundigen vergoed, ook kantoorkosten afgewezen
- organisatie contacten met advocaat (met tussenkomst van ander bureau) niet kostenefficiënt
- kosten fiscaal jurist (€ 267.321,00) integraal afgewezen

6De beoordeling

Waar deze zaak over gaat

6.1.

[de volmachtgever] is het slachtoffer van een verkeersongeval waardoor hij ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Zijn ouders, [appellanten] vorderen namens hem vergoeding van de schade die hij hierdoor lijdt van de aangesproken partij Transdev en van de verzekeraar van Transdev, NN.

De feiten

6.2.

Gelet op de huidige stand van het hoger beroep volstaat het hof wat betreft de vaststelling van de feiten voorshands met een verwijzing naar de feiten zoals deze zijn vastgesteld door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.13 van het bestreden tussenvonnis.

De door partijen ingediende aktes met het oog op de benoeming van een neuroloog ten behoeve van te verrichten neurologisch onderzoek

6.3.

Op 26 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden. Tijdens die mondelinge behandeling heeft het hof met partijen (proces)afspraken gemaakt. Die (proces)afspraken zijn opgenomen op de pagina’s 2 en 3 van het proces-verbaal van die zitting, onder 1 tot en met 5. Onderdeel daarvan is dat een neurologisch onderzoek zal worden verricht. Op grond van die (proces)afspraken hebben partijen op de rolzitting van 29 april 2025/13 mei 2025 ieder een akte genomen als bedoeld onder 2 van vermelde (proces)afspraken, te weten voor het doel zich uit te laten over de persoon van de neuroloog en de aan de neuroloog te stellen vragen met het oog op een te verrichten neurologisch onderzoek. Ook hebben partijen zich uitgelaten over de wijze waarop ergotherapeut [persoon A] (hierna: [persoon A] ) - die als zodanig is benoemd naar aanleiding van de daartoe door [appellanten] separaat bij het hof aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure (rolnummer 200.344.396/01) - verder zal gaan met haar onderzoek. Daarbij heeft Transdev in haar akte te kennen gegeven dat zij zich volledig schaart achter de inhoud van de akte van NN. Hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot de akte van NN heeft daarom ook te gelden ten aanzien van Transdev.

6.4.

Door NN zijn bij haar akte zes producties overgelegd, te weten de producties A tot en met F. Productie A betreft een medisch advies van 18 april 2025 van [persoon B] (hierna: [persoon B] ), medisch adviseur bij NN. [appellanten] hebben tegen die productie bezwaar gemaakt op de grond dat het in het geding brengen ervan strijd oplevert met het beginsel van hoor en wederhoor, omdat - kort gezegd - zij redelijkerwijs binnen de termijn die is gegeven voor het indienen van hun akte niet kunnen reageren op dat medisch advies. Uit de door NN in haar akte op productie A gegeven toelichting begrijpt het hof dat NN deze productie heeft overgelegd ter toelichting op de door NN onder 2.4 van haar akte voorgestelde neurologen en de door haar in randnummer 2.9 van haar akte bepleite inrichting van het onderzoek. Het hof overweegt als volgt.

6.5.

Wat betreft de door NN voorgestelde neurologen begrijpt het hof uit de verdere inhoud van de akte van NN, in het bijzonder hetgeen is uiteengezet in onderdeel 7 van die akte, dat haar eerdere voorstel inmiddels is achterhaald. Tussen partijen bestaat thans, zo volgt ook uit in de periode tussen 22 juli 2025 en 7 augustus 2025 door partijen met het hof gewisselde e-mailcorrespondentie, consensus over de te benoemen neuroloog, te weten: dr. W.B. Gunning (hierna: Gunning). Partijen zijn het blijkens de zojuist bedoelde e-mailcorrespondentie ook eens over de te benoemen neuropsycholoog, te weten: mw. J. Ebbinge (hierna: Ebbinge). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan niet in te zien welke betekenis in dit opzicht nog toekomt aan het als ‘medisch advies’ betitelde document dat door NN als productie A is overgelegd. Dan valt zonder nadere toelichting, die als gezegd ontbreekt, evenmin in te zien welk belang [appellanten] in dit opzicht nog hebben bij hun bezwaar tegen productie A.

6.6.

Ten aanzien van de inrichting van het onderzoek bepleit NN, onder verwijzing naar het medisch advies van [persoon B] , dat het dient te zijn gebaseerd op een meerdaagse intramurale observatie, opdat de deskundigen een volledig beeld krijgen van het functioneren van [de volmachtgever] door de tijd heen in plaats van dat zij slechts een beeld krijgen op basis van een momentopname. NN acht dit temeer van belang, omdat door [appellanten] is gesteld dat [de volmachtgever] last heeft van zogeheten ‘freezing’ en ‘prikkelintolerantie’, maar hiervan volgens NN tot heden iedere objectieve waarneming ontbreekt (randnummer 2.10 van de akte van NN). Verder ziet NN als meerwaarde van een onderzoek dat is gebaseerd op een meerdaagse intramurale observatie dat het een onderzoek zal zijn zonder aanwezigheid van derden en zonder invloeden van buitenaf (randnummer 2.11 van de akte van NN).

6.7.

[appellanten] hebben zich in hun akte (randnummer 8) gemotiveerd verweerd tegen de argumenten die NN in haar akte heeft gegeven voor het door haar bepleite neurologisch onderzoek gebaseerd op een meerdaagse intramurale observatie. Het hiervoor bedoelde medisch advies van [persoon B] bevat over de door NN voorgestane inrichting van het onderzoek niet meer of andere argumenten dan die door NN in haar akte zijn gehanteerd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat [appellanten] zich daartegen voldoende hebben kunnen verweren met hetgeen zij daartegen in hun akte hebben aangevoerd. Daarom valt ook in dit opzicht niet in te zien welk belang [appellanten] nog hebben bij hun bezwaar tegen productie A. Voor zover zij hun standpunt eveneens hadden willen laten controleren of bevestigen door een partijdeskundige, staat het [appellanten] vrij dat alsnog te doen en dat aan de deskundige te doen toekomen. Zoals hierna zal blijken (6.13) neemt het hof in dit tussenarrest enkel een processuele en geen inhoudelijke beslissing over de inrichting van het onderzoek.

6.8.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen grond voor weigering van productie A. Productie A maakt deel uit van de gedingstukken.

De te benoemen deskundigen

6.9.

Nu tussen partijen overeenstemming bestaat over de benoeming van Gunning en Ebbinge als deskundigen zal het hof deze als zodanig benoemen. Daarbij begrijpt het hof uit hetgeen [appellanten] hebben uiteengezet in randnummer 11 van hun akte en NN in de randnummers 2.7 en 6.15 en volgende van haar akte, in onderlinge samenhang bezien, dat partijen een neuropsychologisch onderzoek zien als hulponderzoek van de neuroloog waarbij het aan Gunning als neuroloog moet worden gelaten om te beslissen of zo’n neuropsychologisch onderzoek in dit geval nodig is. Mocht Gunning zo’n onderzoek nodig oordelen, dan dient dit te worden verricht door Ebbinge, zo verstaat het hof de zienswijze van partijen verder. Gelet hierop zal het hof bepalen dat het aan Gunning wordt gelaten om te beslissen of in het kader van het te verrichten neurologisch onderzoek nodig is dat ook een door Ebbinge uit te voeren neuropsychologisch onderzoek wordt verricht.

De aan de deskundigen te stellen vragen

6.10.

Uit hetgeen [appellanten] hebben uiteengezet in randnummer 13 van hun akte en NN heeft uiteengezet in de randnummers 2.7 en 6.13 van haar akte begrijpt het hof dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de aan Gunning voor te leggen vragen in het kader van het neurologisch onderzoek. Transdev heeft in randnummer 5 van haar akte nog wel gesteld dat daarover tussen partijen geen overeenstemming zou zijn bereikt, maar nu Transdev in randnummer 3 van haar akte ook uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zich volledig te scharen achter de inhoud van de akte van NN en zij daarbij heeft verzocht om alles wat in de akte van NN is opgenomen als herhaald en ingelast te beschouwen in haar eigen akte, houdt het hof het ervoor dat dit ook geldt voor hetgeen NN heeft betoogd ten aanzien van de aan de deskundigen voor te leggen vragen. Het hof gaat daarom voorbij aan wat Transdev over de te stellen vragen heeft opgenomen in randnummer 5 van haar akte.

6.11.

De tussen partijen bestaande overeenstemming over de aan Gunning te stellen vragen houdt in dat daartoe de zogenoemde IWMD-vraagstelling zal worden gehanteerd. Gelet daarop zal het hof Gunning de volgende vragen stellen:

ALGEMENE TOELICHTING OP DE VRAAGSTELLING

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld?
Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en 2.2.7 RMSR)
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR)
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en 2.2.18 RMSR)
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR).

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?


Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3 OVERIG (aanbeveling2.2.11 RMSR)

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

b. Acht u onderzoek op een ander vakgebied aangewezen?

6.12.

NN heeft in randnummer 2.7 van haar akte ook voorgesteld deze vragen aan te vullen met de aldaar onder A. tot en met C. geformuleerde vragen. Het hof verstaat echter dat dit voorstel van NN inmiddels in zoverre is achterhaald dat partijen het eens zijn dat, zoals hiervoor al overwogen (rechtsoverweging 6.9), het aan Gunning moet worden gelaten om over nut en noodzaak van een aanvullend neuropsychologisch onderzoek te beslissen en dat, als zo’n onderzoek nodig wordt geoordeeld, dit zal worden verricht door Ebbinge. In dit verband heeft NN in haar akte verder voorgesteld dat Ebbinge dan de standaardvraagstelling uit de Richtlijnen Functieverlies 2020 zal hanteren, meer in het bijzonder de in randnummer 6.18 van haar akte onder 1 tot en met 4 geformuleerde vragen. In hun akte hebben [appellanten] daartegen geen verweer gevoerd, althans niet een voldoende concreet verweer. Gelet daarop zal het hof bepalen dat, indien Gunning nodig oordeelt dat een neuropsychologisch onderzoek wordt verricht, aan Ebbinge de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?

2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een bepaalde (nader te omschrijven) gebeurtenis of aandoening?

3. Zijn er wellicht andere oorzaken dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?

4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?

De inrichting van het door de deskundigen te verrichten onderzoek

6.13.

Partijen zijn het niet eens over de inrichting van het door de deskundigen te verrichten onderzoek. Zoals hiervoor (rechtsoverweging 6.6) al is overwogen, bepleit NN een onderzoek gebaseerd op een meerdaagse intramurale observatie. [appellanten] verzetten zich daartegen, omdat in hun visie een aldus ingericht onderzoek naar verwachting zal leiden tot forse en langdurige ontregeling van [de volmachtgever] , terwijl partijen niet is gevraagd zich uit laten over de inrichting van het onderzoek.

6.14.

Naar het oordeel van het hof dient aan het oordeel van de deskundigen te worden overgelaten hoe het onderzoek dient te worden ingericht gelet op het doel waarvoor het wordt verricht, waarbij het hof ervan uitgaat dat de deskundigen daarbij eveneens rekening houden met de belangen van [de volmachtgever] . Mocht Gunning nodig oordelen dat een neuropsychologisch onderzoek plaatsvindt, dient Gunning dat zo spoedig mogelijk aan de raadsheer-commissaris in deze zaak (zie hierna onder 7.14) te berichten, opdat nadere afstemming met Ebbinge zal kunnen plaatsvinden over het moment waarop zij dat onderzoek zal verrichten. Mocht één van de deskundigen, of beiden, een meerdaagse intramurale observatie van [de volmachtgever] nodig oordelen voor hun onderzoek, dan dienen [appellanten] en [de volmachtgever] daaraan hun medewerking te verlenen. Zodra de deskundigen, of één van hen, een meerdaagse intramurale observatie van [de volmachtgever] nodig oordelen, dient dat aan de raadsheer-commissaris in deze zaak (zie hierna onderdeel 7.14) te worden bericht, opdat dan in overleg met partijen kan worden bezien waar een dergelijke observatie zal kunnen plaatsvinden en aan welke eventuele eisen daarbij zal moeten worden voldaan, bijvoorbeeld ten aanzien van de locatie.

Aan te vullen medische informatie over [de volmachtgever]

6.15.

NN betoogt gemotiveerd (randnummers 6.28 tot en met 6.30 van haar akte) dat voorafgaande aan het door de deskundigen te verrichten onderzoek eerst het medisch dossier over [de volmachtgever] moet worden aangevuld met de medische informatie die door [persoon B] is opgevraagd in zijn medisch advies van 23 oktober 2024, onderste helft van pagina 2 en bovenaan pagina 3 (onderdeel van productie C bij de akte van NN). Het hof begrijpt uit de akte van [appellanten] (randnummer 14) dat zij tot zodanige aanvulling bereid zijn. Het hof zal in het dictum van dit arrest bepalen dat [appellanten] voorafgaande aan het door de deskundigen te verrichten onderzoek, het medisch dossier over [de volmachtgever] dienen aan te vullen met de hiervoor bedoelde door [persoon B] in zijn brief van 23 oktober 2024 aangeduide medische informatie.

De kosten van het onderzoek door de deskundigen

6.16.

Het hof ziet geen aanleiding om NN te volgen in haar standpunt dat het aandeel van NN en Transdev in het te deponeren voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek op 75% moet worden gesteld. Van het door NN aangehaalde vonnis van de rechtbank Limburg van 24 januari 2024 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. Om die reden ligt aansluiting daarbij naar het oordeel van het hof in dit stadium niet voor de hand. Voorts acht het hof hierbij van belang dat Transdev c.s. de partijen zijn die hebben verzocht om een neuro(psycho)logisch onderzoek. Het hof zal bepalen dat Transdev c.s. het voorschot op de kosten voor het deskundigenonderzoek dienen te voldoen. Door Gunning is als voorschot op de kosten een bedrag van € 14.365,12 opgegeven, gebaseerd op 40 uur à € 280/u + 6% bureaukosten + 21% BTW. Hierbij is nog geen rekening gehouden met eventuele meerkosten als het onderzoek deels meerdaags intramuraal dient te worden verricht. Ebbinge heeft als voorschot op de kosten een bedrag van € 6.388,80 opgegeven, gebaseerd op 20 uur maal 264 euro plus 21 % BTW. Het hof zal in zijn beslissing aan het slot van dit arrest uitgaan van de aldus opgegeven voorschotbedragen.

Het onderzoek door zorgschade-expert [persoon A]

6.17.

Tussen partijen is bij dit hof een verzoekschriftprocedure aanhangig geweest, met zaaknummer 200.344.396. Daarin is bij beschikking van 28 november 2024 beslist tot een voorlopig onderzoek door zorgschadedeskundige [persoon A] . Uit wat partijen daarover over en weer naar voren hebben gebracht, begrijpt het hof dat [persoon A] inmiddels een concept-rapportage heeft opgesteld, gedateerd 7 april 2025.

6.18.

[appellanten] bepleiten in hun akte (randnummer 18) dat partijen nu de gelegenheid wordt gegeven vragen te stellen naar aanleiding van het concept-rapport, waaronder over de noodzakelijke zorguren, opdat [persoon A] de komende periode kan gebruiken om de vragen van partijen te beantwoorden en aldus onnodige vertraging wordt voorkomen. Het als uitvloeisel van het onderhavige arrest op te stellen bericht van de deskundigen Gunning en Ebbinge kan dan te zijner tijd met [persoon A] worden gedeeld waarbij dan aan [persoon A] de vraag kan worden voorgelegd of, en zo ja, in hoeverre de bevindingen op neuro(psycho)logisch vlak aanleiding geven tot aanpassing van het rapport. NN bepleit daarentegen dat het te verrichten neurologisch onderzoek aanleiding geeft het zorgschade-onderzoek van [persoon A] in de huidige concept-fase aan te houden, stellende dat uit pragmatisch oogpunt en omwille van de proces-en kosten-efficiency eerst de uitkomst van het neurologisch onderzoek moet worden afgewacht voordat op het concept-rapport van [persoon A] wordt gereageerd (randnummers 5.1 tot en met 5.4 in combinatie met randnummers 6.31 tot en met 6.33 van de akte van NN).

6.19.

Het hof overweegt naar aanleiding van het voorgaande het volgende.

6.20.

De verzoekschriftprocedure die eerder door [appellanten] aanhangig is gemaakt, is procesrechtelijk een aparte en op zichzelf staande procedure. Zij heeft geresulteerd in een aparte en op zichzelf staande beslissing tot een voorlopig onderzoek door [persoon A] , neergelegd in de hiervoor genoemde beschikking van 28 november 2024. Aan die aparte en op zichzelf staande beslissing dient daarom uitvoering te worden gegeven. Dat wordt niet anders door de (proces)afspraken die het hof met partijen heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen op 26 maart 2025, maar zou hooguit anders kunnen zijn als partijen na overleg met [persoon A] onderling overeenkomen om afronding van het onderzoek van [persoon A] aan te houden totdat het in de onderhavige procedure te verrichten neurologisch onderzoek is afgerond. Van een dergelijke overeenkomst tussen partijen is het hof thans niet gebleken. Het hof ziet geen grond voor de door NN verzochte aanhouding van het zorgschade-onderzoek van [persoon A] in de concept-fase. Partijen dienen zich met [persoon A] te verstaan over hetgeen nodig is om tot afronding van het rapport van [persoon A] te geraken als ook over het daarbij verder aan te houden tijdpad. Na afronding daarvan kan het eindrapport van [persoon A] door partijen in het onderhavige geding als productie worden ingebracht waarbij zij te gelegener moment te kennen kunnen geven dat zij reden zien voor aanvullend onderzoek door [persoon A] naar aanleiding van de resultaten van het neurologisch onderzoek en het eventuele neuropsychologische onderzoek, waarna in het onderhavige geding dan benoeming van [persoon A] als deskundige voor dat doel kan volgen, ervan uitgaande dat [persoon A] bereid is dergelijk aanvullend onderzoek te doen.

Slotoverweging

6.19.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 augustus 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2313


SCHADEBEHANDELING GEDRAGSREGELS EN NORMERING, advocatuur en belangenbehartigers

TADRARL 050126 waarschuwing advocaat; cliënt onvoldoende meegenomen in de te volgen strategie en te volgen route
 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 In 2020 heeft klaagster een arbeidsongeval gehad. Het bedrijf waar klaagster destijds aan het werk was heeft de aansprakelijkheid erkend.

2.2 Klaagster heeft in het begin zelf gecommuniceerd met de schaderegelaar. Na bijna een half jaar zijn zij echter niet tot een akkoord gekomen over de hoogte van het inkomensverlies.

2.3 Op 6 juli 2023 heeft klaagster zich tot verweerder gewend voor bijstand.

2.4 Bij brief van 7 juli 2023 heeft verweerder namens klaagster aan de schaderegelaar het verzoek gedaan om een aanvullend voorschot aan klaagster beschikbaar te stellen. Bij brief van 26 juli 2023 heeft de schaderegelaar zich gemeld.

2.5 Bij brief van 28 juli 2023 heeft verweerder nogmaals verzocht om aanvullende bevoorschotting.

2.6 Bij brief van 2 augustus 2023 heeft de schaderegelaar dat verzoek afgewezen.

2.7 Op 17 augustus 2023 heeft klaagster verweerder laten weten dat zij met hem wil overleggen over onder meer een mogelijk kort-geding als de bevoorschotting weer wordt afgewezen.

2.8 Op 24 augustus 2023 heeft verweerder een e-mailbericht aan de schaderegelaar gezonden, vooruitlopend op een gepland gesprek met de schaderegelaar op 30 augustus 2023. Dat gesprek heeft niet plaatsgevonden.

2.9 Per e-mail van 27 september 2023 heeft verweerder klaagster geadviseerd de looptijd van de schade te beperken tot 2023 en in reactie daarop heeft klaagster laten weten dat zij de schade wil laten doorlopen tot 1 oktober 2023.

2.10 Bij brief van 31 oktober 2023 heeft de verzekeraar het aanbod gedaan om de zaak te regelen tegen een slotbetaling van € 12.500.

2.11 Per e-mail van 8 november 2023 heeft verweerder klaagster geadviseerd om een tegenvoorstel te doen met de looptijd van de schade tot 1 januari 2023. In reactie daarop heeft klaagster dat advies afgewezen.

2.12 Per e-mail van 14 november 2023 heeft klaagster het aanbod van de verzekeraar afgewezen.

2.13 Op 20 december 2023 heeft verweerder van de advocaat van de verzekeraar vernomen dat klaagster een directieklacht tegen de verzekeraar heeft ingediend. Nu deze klacht niet via verweerder is verlopen, zijn verdere beslissingen in het dossier ‘on hold’ gezet. Ook door de advocaat van de verzekeraar is op 4 januari 2024 bevestigd dat de behandeling van het dossier stil ligt tot de directieklacht is afgehandeld.

2.14 Per e-mail van 12 februari 2024 heeft verweerder namens klaagster aan de verzekeraar het voorstel gedaan van een slotbetaling van € 40.000. Dit voorstel is door de verzekeraar op 15 februari 2024 afgewezen.

2.15 Per e-mail van 6 maart 2024 heeft verweerder in overleg met klaagster een bedrag van € 35.000 aan de verzekeraar voorgelegd, welk bedrag diezelfde dag door de verzekeraar is afgewezen.

2.16 Na meerdere afwijzingen op verschillende voorstellen en regelingen, zoals inschakeling van een arbeidsdeskundige of mediation, heeft verweerder in april 2024 per e-mail de optie van de Kamer Langlopende Letselschadezaken aan de verzekeraar voorgelegd. Op 12 april 2024 heeft verweerder deze optie ook aan klaagster voorgelegd.

2.17 Op 30 april 2024 heeft klaagster de opdracht aan verweerder beëindigd en op 2 mei 2024 is de verzekeraar hiervan op de hoogte gebracht.

2.18 Een paar weken later heeft klaagster besloten om de zaak toch aan de Kamer voor Langlopende Letselschadezaken voor te leggen. Zij heeft dit opnieuw aan de verzekeraar voorgelegd, die hiermee akkoord is gegaan.

2.19 In juli 2024 heeft aldaar een zitting plaatsgevonden en binnen een maand volgde de beslissing. Uiteindelijk is er bij de Kamer voor Langlopende Letselschadezaken een bedrag van € 15.000 aan klaagster toegekend.

2.20 Per e-mail van 13 oktober 2024 heeft klaagster verweerder verzocht om haar meerdere schade te vergoeden. Per e-mail van 18 oktober 2024 heeft verweerder dat verzoek afgewezen.

2.21 Daarna is door klaagster een klacht ingediend bij het kantoor van verweerder en op 18 maart 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) onvoldoende zorgvuldig en voortvarend de zaak van klaagster te behandelen door

i) zonder overleg met klaagster brieven aan de wederpartij te sturen met onjuistheden en in een onnodig dreigende en escalerende toon;

ii) klaagster onvoldoende, dan wel onjuist te informeren;

Toelichting : De zaak is onnodig enorm gerekt. Tijdens het eerste gesprek van 6 juli 2023 heeft klaagster verweerder uitdrukkelijk gevraagd om zo snel mogelijk in gesprek te gaan en te onderhandelen. Ook heeft zij aangegeven geen interesse te hebben in langlopende trajecten als die bij de rechtbank. Tijdens dat eerste gesprek heeft verweerder medegedeeld dat het inkomensverlies tot het einde van 2023 gehanteerd kon worden en dat dit boven de € 50.000 zou uitkomen. Verweerder heeft klaagster toen geadviseerd om een bedrag van € 50.000 te vorderen tegen finale kwijting. De eerste brief van verweerder aan de wederpartij is niet eerst in concept aan klaagster gezonden en ook de brieven die verweerder daarna heeft verzonden zijn nooit in concept aan klaagster voorgelegd. Het eerste (telefoon)gesprek tussen verweerder en de schaderegelaar stond gepland op 30 augustus 2023. Op 24 augustus 2023 heeft verweerder echter een bericht aan de schaderegelaar gezonden met daarin een aparte toon en vol van dreigementen. Volgens klaagster heeft de zaak door dat bericht een voor haar slechte wending gekregen, wat erin heeft geresulteerd dat klaagster enorm is benadeeld. Op de dag van het geplande gesprek, 30 augustus 2023, vernam klaagster van verweerder dat de schaderegelaar hem niet ging bellen. Ook zou de verzekeraar, waarschijnlijk naar aanleiding van het bericht van 24 augustus, een advocatenkantoor hebben ingeschakeld. Vanaf toen zijn weken verloren gegaan en werden alsmaar lagere of verlaagde bedragen voorgesteld door verweerder aan de verzekeraar, die allemaal werden afgewezen.

b) klaagster onvoldoende (schriftelijk) op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, geen duidelijkheid te scheppen omtrent de kansen en risico’s van zijn optreden en zonder overleg met klaagster een andere route te kiezen;

Toelichting : Verweerder heeft de optie van Kamer voor Langlopende Letselschadezaken aan de advocaat van de verzekeraar voorgesteld zonder dit eerst met klaagster besproken te hebben en zonder haar akkoord. Verweerder heeft klaagster ook niet over de risico’s van dit traject geïnformeerd. Verweerder had klaagster bovendien al in 2023 kunnen en moeten informeren over deze mogelijke optie. Als verweerder zich vanaf het begin had gericht op een goed gesprek en onderhandelingen dan had klaagster niet een groot gedeelte van haar inkomensverlies gemist.

3.2 Klaagster heeft haar klacht op de mondelinge behandeling nader toegelicht.

4 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.3 De raad zal de afzonderlijke klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Deze komen er in de kern op neer dat verweerder zonder overleg met klaagster handelingen verrichte, haar onvoldoende informeerde en haar onvoldoende op de hoogte hield.

5.4 Het eerste gesprek tussen klaagster en verweerder vond plaats op 6 juli 2023. Vast is komen te staan dat naar aanleiding van dat gesprek door verweerder geen advies of plan van aanpak met klaagster is besproken of opgesteld, met daarin de te volgen route en mogelijke scenario’s. Vast is ook komen te staan dat verweerder aan klaagster geen concepten van door hem aan de wederpartij te verzenden brieven heeft gezonden en deze ook niet vooraf met klaagster heeft besproken. De werkwijze van verweerder is naar zijn zeggen om wel altijd direct een kopie van de verzonden stukken aan zijn cliënt(en) te doen toekomen.

5.5 Hoewel de raad zich er iets bij kan voorstellen dat niet ieder te versturen bericht met de cliënt vooraf wordt besproken, ligt dit naar het oordeel van de raad toch wel anders bij voor de zaak inhoudelijk relevante stukken. In deze zaak gaat het dan in het bijzonder om het bericht dat verweerder op 24 augustus 2023 per e-mail aan de verzekeraar heeft gezonden. Daarin worden de verzekeraar diverse verwijten gemaakt en wordt gedreigd met het indienen van directieklachten. Een dergelijk bericht had naar het oordeel van de raad vooraf met klaagster besproken dienen te worden.

5.6 Ook het bericht van verweerder van 7 juli 2023 aan de verzekeraar is niet eerst in concept aan klaagster voorgelegd, terwijl ook dit bericht inhoudelijk relevant was. Bovendien bevat die brief volgens klaagster een onjuistheid die zij bij toezending van een concept had kunnen corrigeren. Relevant was ook de mogelijkheid van de Kamer voor Langlopende Letselschadezaken die met klaagster is besproken, echter eerst nadat dit door verweerder al aan de verzekeraar was voorgelegd.

5.7 Het ontbreken van een voor klaagster duidelijk plan van aanpak en mogelijke scenario’s, gecombineerd met de werkwijze van verweerder om klaagster weliswaar een kopie van alle stukken te doen toekomen, maar inhoudelijk relevante stukken en stappen niet eerst met klaagster te bespreken, hebben geleid tot de onderhavige klacht. De raad is van oordeel dat verweerder op dit onderdeel een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en zal de klacht op dit onderdeel daarom gegrond verklaren.

5.8 Niet is komen vast te staan dat verweerder de zaak onvoldoende voortvarend heeft aangepakt, eerder nog zou het tegendeel het geval zijn. Voor zover de klacht daarop ziet, zal de raad de klacht ongegrond verklaren. Dat geldt ook voor zover verweerder klaagster onjuist zou hebben geïnformeerd, ook dat is de raad niet gebleken.

5.9 Concluderend is de raad van oordeel dat verweerder klaagster onvoldoende heeft meegenomen in de te volgen strategie en te volgen route. Verder heeft verweerder klaagster eerst achteraf op de hoogte gebracht van belangrijke informatie, zoals de te sturen brieven en het voorleggen aan de Kamer voor Langlopende Letselschadezaken. Dat heeft geleid tot onduidelijkheid en onbegrip bij klaagster en uiteindelijk tot de onderhavige klacht en dat kan verweerder verweten worden.

6 MAATREGEL

6.1 Nu de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart rijst de vraag of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke.

6.2 De raad neemt daarbij in overweging dat uit de gedragsregels volgt dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Een duidelijk plan van aanpak kan hierin al veel schelen. Dat plan ontbrak. De raad is van oordeel dat in de onderhavige zaak de maatregel waarschuwing passend en geboden is.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50 aan forfaitaire reiskosten van klaagster,

b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500 kosten van de Staat. ECLI_NL_TADRARL_2026_3


CAPITA SELECTA FAILLISSEMENT-SCHULDSANERING-ECHTSCHEIDING, echtscheiding

HR 241097 aanspraken op vergoeding van materiële en van immateriële schade verknocht en dienen buiten de verdeling te blijven

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1977 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd; het huwelijk is op 14 oktober 1991 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 15 augustus 1991.

(ii) De vrouw is tijdens het huwelijk in 1987 het slachtoffer geworden van een ongeval, waarbij zij een whiplash-leasie heeft opgelopen. Als gevolg hiervan kan zij haar beroep van fysiotherapeute niet meer uitoefenen.

(iii) De vrouw heeft vóór de ontbinding van het huwelijk de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van het ongeval aangesproken tot vergoeding van haar materiële en immateriële schade. Nog tijdens het huwelijk heeft de verzekeraar een voorschot van f 12.000, -- uitgekeerd; over de hoogte van de totale uit te keren schadevergoeding bestond toen nog geen overeenstemming.

(iv) Bij onderhandse akte van 19 december 1991 hebben partijen de gemeenschap van goederen partieel gescheiden en gedeeld. Daarbij is voormeld voorschot sans préjudice in de boedelscheiding betrokken en tussen partijen bij helfte verdeeld.

(v) Na de ontbinding van het huwelijk is door de verzekeraar nog f 178.000, -- aan schadevergoeding uitgekeerd. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat van het totaalbedrag van f 190.000, -- een bedrag van f 20.000, -- strekt ter vergoeding van immateriële schade en f 170.000, -- ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit inkomensschade, kosten van huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid. Naar het Hof - eveneens in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, heeft de man niet gesteld en is evenmin gebleken dat de tijdens het huwelijk door de gemeenschap geleden materiële schade uitgaat boven het bedrag van f 12.000, -- dat krachtens de hiervoor onder (iv) genoemde akte gelijkelijk tussen partijen is verdeeld.

3.2 In het onderhavige geding heeft de man een verklaring voor recht gevorderd dat de aanspraken ter zake van materiele en immateriële schade, door de vrouw geleden als gevolg van het haar in 1987 overkomen ongeval, voor zover deze op 19 december 1991 nog niet waren voldaan, behoren tot het actief van de gemeenschap van goederen, die tussen partijen ten tijde van het ongeval bestond. De vrouw heeft voorwaardelijk - voor het geval dat de Rechtbank zou oordelen dat haar aanspraken op schadevergoeding in de huwelijksgemeenschap zouden vallen - in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat haar aanspraken op schadevergoeding bij toescheiding aan haar niet tussen partijen behoren te worden verrekend.

De Rechtbank heeft zowel de vordering in conventie als die in reconventie toegewezen.

Het Hof heeft geoordeeld dat zowel de aanspraak op vergoeding van materiele schade als die op vergoeding van immateriële schade - voor zover deze het reeds voor de ontbinding van het huwelijk ontvangen bedrag van f 12.000, -- te boven gaan - naar hun aard in ieder geval in zoverre aan de vrouw zijn verknocht, dat zij bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling dienen te blijven. Ten overvloede heeft het Hof overwogen dat, voor zover zou moeten worden aangenomen dat de aanspraak op vergoeding van materiële schade en/of die op vergoeding van immateriële schade wel in de gemeenschap vallen - de eisen van redelijkheid en billijkheid, die partijen bij de verdeling jegens elkaar in acht hebben te nemen, in ieder geval meebrengen dat de schadevergoeding, voor zover het bedrag van f 12.000, -- te bovengaande, zonder nadere verrekening aan de vrouw moet worden toebedeeld. Op deze gronden heeft het Hof de vonnissen van de Rechtbank vernietigd en de vordering van de man alsnog afgewezen.

Hiertegen richt zich het middel.

3.3 Onderdeel 1 bestrijdt met een aantal rechts- en motiveringsklachten 's Hofs oordeel dat zowel de aanspraak op vergoeding van materiele schade als die op vergoeding van immateriële schade naar hun aard in ieder geval in zoverre aan de vrouw zijn verknocht, dat zij bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling dienen te blijven.

Het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan één der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW - hangt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (HR 23 december 1988, NJ 1989, 700) .

Te dien aanzien heeft het Hof overwogen dat de aanspraak op vergoeding van immateriële schade naar zijn aard bestemd is om te dienen als compensatie voor het leed - zoals pijn, verdriet en verminderde levensvreugde - dat de vrouw heeft ondergaan en gelet op de aard van het letsel (whiplash) in de toekomst zal ondergaan, en dat de vergoeding derhalve uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van de vrouw verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Met betrekking tot de aanspraak op vergoeding van materiële schade heeft het Hof overwogen dat hiervoor evenzeer geldt dat deze betrekking heeft op financiële nadelen die na de ontbinding van het huwelijk uitsluitend door de vrouw zullen worden geleden; de inkomensschade betreft immers, aldus het Hof, het nadeel als gevolg van het verlies van haar verdiencapaciteit en de vergoeding strekt dan ook tot vervanging van de arbeidsinkomsten die zij - voornamelijk ná de ontbinding van het huwelijk - zal derven, terwijl ook de vergoeding voor het verlies aan zelfwerkzaamheid en voor de kosten van huishoudelijke hulp strekt ter compensatie voor in de toekomst door de vrouw te maken extra onkosten als gevolg van haar letsel. Hieraan heeft het Hof toegevoegd dat, voor zover als gevolg van het ongeval reeds tijdens het huwelijk van partijen materiële schade is geleden, deze moet worden geacht te zijn gedekt door het toen reeds ontvangen voorschot op de schadevergoeding van f 12.000, -- , dat tussen partijen gelijkelijk is verdeeld, nu de man niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat de tijdens het huwelijk door de gemeenschap geleden schade boven dat bedrag uitgaat.

Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld - zoals 's Hofs rov. 4.5 kennelijk moet worden verstaan - dat zowel de aanspraak op vergoeding van immateriële als die op vergoeding van materiële schade naar hun aard op bijzondere wijze aan de vrouw zijn verknocht en dat die bijzondere verknochtheid meebrengt dat deze aanspraken bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling moeten blijven en dus in zoverre niet in de gemeenschap vallen. Deze oordelen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geven geen blijk van een onjuiste opvatting met betrekking tot de in art. 1:94 lid 3 vervatte maatstaven; zij zijn ook niet onbegrijpelijk of ongenoegzaam gemotiveerd. Hierop stuiten alle klachten van onderdeel 1 af. Hoge Raad 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2470
zie ook Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1997, ECLI:NL:PHR:1997:48


DEELGESCHILLEN, in beroep

GHARL 231225 hoger beroep richt zich ook tegen beslissingen in deelgeschil ofschoon daartegen in exploot van dagvaarding geen beroep was ingesteld


in vervolg op:
RBMNE 090425 hoger beroep toegestaan; beschikking in deelgeschil na aansprakelijkheid skicentrum na val op kunstmatige skibaan

in vervolg op:

RBMNE 010524 ernstig letsel na val op kunstmatige skibaan; alleen helmadvies is onvoldoende; skicentrum aansprakelijk
- toegewezen conform verzoek 25 uur x € 225,00 + 21% = € 6.806,25

 

Het oordeel van het hof

3.1

Het hof zal oordelen dat [appellant1] ontvankelijk is in haar hoger beroep. Deze beslissing zal het hof hierna uitleggen.

3.2

Op [datum] is [geïntimeerde] tijdens een skiles op de indoor skibaan van [appellant1] gevallen. [geïntimeerde] droeg tijdens de les geen helm en heeft door de val ernstig letsel opgelopen. In een zogenoemde deelgeschilprocedure heeft [geïntimeerde] verzocht om een verklaring voor recht dat [appellant1] aansprakelijk is voor de schade die hij door het ongeval heeft geleden. De rechtbank heeft in de beschikking beslist dat [appellant1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van haar advies om tijdens de les een helm te dragen.

3.3

[appellant1] is het niet eens met deze beslissing en heeft in de bodemprocedure bij de rechtbank gevorderd om terug te komen op de bindende beslissingen die zijn opgenomen in deze beschikking dan wel om toestemming om daarvan in hoger beroep te gaan. In het vonnis van 9 april 2025 heeft de rechtbank die toestemming verleend.. Met betrekking tot de verleende toestemming heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat een deelgeschilbeschikking, voor zover die ziet op bindende eindbeslissingen over de materiële rechtsverhouding van partijen, gelijk wordt gesteld met (eind)beslissingen in een tussenvonnis en dat in dat geval – net als bij een tussenvonnis – hoger beroep kan worden ingesteld nadat tussentijds verlof is verleend.

3.4

[appellant1] heeft vervolgens bij dit hof hoger beroep ingesteld. In het exploot van dagvaarding heeft zij het volgende opgenomen:

“[…] het vonnis, op 9 april 2025 door de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad gewezen onder zaak/rolnummer C/16/587439 / HL tussen mijn opdrachtgeefsters als gedaagden en gerekwireerde als eiser, vernietigt en opnieuw rechtdoende aan geïntimeerde alsnog zijn vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instantiën, uitvoerbaar bij voorraad, en daarnaast te veroordelen tot restitutie van hetgeen appellante heeft voldaan […]uit hoofde van het vonnis van 9 april 2025 voornoemd.”

3.5

In de memorie van grieven heeft [appellant1] mede bezwaren gericht tegen de deelgeschilbeschikking en geconcludeerd als volgt:

“[…] tot vernietiging van de bestreden beschikking en het tussenvonnis van 9 april 2025 waarin ten onrechte is geweigerd op vorenstaande gronden de bestreden beschikking te herzien (evident richt zich deze conclusie niet op de toestemming om tussentijds hoger beroep te mogen instellen) […]”

3.6

[geïntimeerde] is van mening dat [appellant1] niet ontvankelijk is in haar hoger beroep omdat zij in de memorie van grieven bezwaren heeft gericht tegen beslissingen in de beschikking, terwijl zij in het exploot van dagvaarding daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld.

3.7

Het hof stelt bij de beoordeling van dit standpunt van [geïntimeerde] voorop dat het bij de uitleg van gedingstukken, zoals in dit geval het exploot van de dagvaarding in hoger beroep, niet aankomt op een (geïsoleerde) beschouwing van enkel de (letterlijke) bewoordingen van wat daarin is opgenomen, maar dat daarbij ook de inhoud van wat aan de eis ten grondslag is gelegd, de wijze waarop de wederpartij een en ander heeft opgevat of redelijkerwijs heeft moeten opvatten en het overige partijdebat moet worden betrokken.1 Tegen dit licht bezien en om reden van het navolgende snijdt het betoog van [geïntimeerde] geen hout. Allereerst heeft te gelden dat, anders dan [geïntimeerde] kennelijk veronderstelt, de dagvaarding in hoger beroep niet al een definitieve afbakening van het geschil inhoudt. Voor eerder gewezen tussenvonnissen geldt dat de appellant de vrijheid heeft om bij nadere omlijning van het hoger beroep in de memorie van grieven ook grieven te richten tegen beslissingen in voorafgaande tussenvonnissen, behoudens uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen.2 Toepassing van deze regel in deze situatie leidt niet tot strijd met de goede procesorde en de gerechtvaardigde belangen van [geïntimeerde] worden hiermee evenmin geschaad. Voor [geïntimeerde] moet verder voldoende duidelijk zijn geweest dat het hoger beroep van [appellant1] zich ook richtte tegen de deelgeschilbeschikking omdat [appellant1] juist daarvoor toestemming heeft gevraagd en verkregen van de rechtbank. Daarnaast heeft [appellant1] in de afsluitende conclusie van de dagvaarding in hoger beroep (‘het petitum’) wel degelijk gevorderd ‘om aan geïntimeerde alsnog zijn vorderingen te ontzeggen’, wat onmiskenbaar verwijst naar de beslissingen in de beschikking.

De conclusie

3.8

Het voorgaande betekent dat de incidentele vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

1Zie onder meer HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1314.

2Zie onder meer HR 26 oktober 2001, NJ 2001, 665 en HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7494.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8622


PROCESSUELE ASPECTEN, varia
FAILLISSEMENT, aansprakelijke partij
GEDRAGSREGELS en NORMERING houding (proces)partijen

RBDHA 070126 aansprakelijke partij verkoopt woning aan dochter en schenkt jubelton; rb vernietigt beide transacties; benadelingshandeling t.o.v. slachtoffer

in vervolg op:
GHDHA 220725 val schilder van balkon; er was sprake van a-ovk; wg-er aansprakelijk; grief tegen beoordeling VAV faalt
- Betekenis strafvonnis waartegen cassatieberoep is ingesteld; geen dwingende bewijskracht, geen gezag van gewijsde

2. De feiten
2.1. Op 25 augustus 2021 is [eiseres] een ongeval overkomen bij de uitoefening van zijn werkzaamheden als schilder. Bij het schilderen van een daklijst van een woning stond hij op een keukentrap op het balkon. Op enig moment is hij naar beneden gevallen, als gevolg waarvan hij blijvend lichamelijk letsel heeft opgelopen. Omdat [eiseres] geen officiële verblijfsstatus had in Nederland, kan hij geen aanspraak maken op sociale voorzieningen en ontvangt hij geen uitkering.

2.2. Op 22 oktober 2021 is [gedaagde 1] door de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Inspectie) gehoord als verdachte van strafbare feiten. De verdenking zag op overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). [gedaagde 1] is op 8 februari 2022 aangehouden en nogmaals verhoord. Het onderzoek van Inspectie SZW is op 1 april 2022 afgerond.

2.3. [eiseres] heeft [gedaagde 1] op l november 2021 aansprakelijk gesteld. [gedaagde 1] heeft die aansprakelijkheid op 17 december 2021 van de hand gewezen.

2.4. Met ingang van 1 januari 2022 heeft [gedaagde 1] zijn onderneming opgeheven. Hij heeft sindsdien geen betaald werk meer verricht en leeft van een bijstandsuitkering.

2.5. Op 9 maart 2022 hebben [gedaagde 1]. [gedaagde 2] en de dochter een koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) gesloten ten aanzien van de woning aan de XXXstraat te D. (hierna: de woning), waarin zij samen woonachtig waren. De koopsom bedroeg E 238.000. Levering van de woning heeft plaatsgevonden op 12 april 2022.

2.6. Een deel van de koopsom voor de woning, namelijk een bedrag van E 106.302, is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de dochter geschonken (hierna: de schenkingsovereenkomst).

2.7. [gedaagde 1] is strafrechtelijk vervolgd. Op 11 februari 2025 heeft het Gerechtshof Den Haag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan [gedaagde 1] opgelegd voor de duur van zes maanden wegens overtreding van artikel 32 Arbowet (overtreding van veiligheidsvoorschriften) en de artikelen 197b Sr (tewerkstellen van een vreemdeling) en 308 Sr (zwaar lichamelijk letsel door schuld). Daarbij is de vordering van [eiseres] als benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van E 84.784,26. Tegen dit arrest heeft [gedaagde 1] cassatieberoep ingesteld.

2.8. Op 14 mei 2024 heeft de kantonrechter in deze rechtbank voor recht verklaard dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor alle als gevolg van het ongeval op 25 augustus 2021 door [eiseres] geleden schade, bekend en onbekend, voor nu en in de toekomst. Daarbij is [gedaagde 1] veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag van E 120.592,11 te betalen als vergoeding voor (im)materiele schade en gemaakte kosten.

2.9. [eiseres] heeft conservatoir beslag gelegd op de woning.

3. Het geschil
3.1. [eiseres] vordert — samengevat — vernietiging van de koopovereenkomst en de levering van de woning en vernietiging van de schenkingsovereenkomst, met veroordeling van [gedaagde cs] in de beslagkosten en de proceskosten. Deze vernietiging moet ook worden ingeschreven in de openbare registers.

3.2. Aan de vorderingen legt [eiseres] kort gezegd ten grondslag dat hij, als schuldeiser van [gedaagde 1], is benadeeld in zijn verhaalspositie door het sluiten van de koopovereenkomst en de schenkingsovereenkomst en de levering van de woning. Deze rechtshandelingen zijn onverplicht verricht, terwijl [gedaagden cs] op de hoogte waren van de aansprakelijkstelling en het onderzoek van de Inspectie. Daardoor is sprake van benadeling van schuldeisers in de zin van artikel 3:45 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.3. [gedaagden c.s] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling
4.1. Voor vernietiging van een rechtshandeling op grond van artikel 3:45 BW is nodig dat die rechtshandeling onverplicht is verricht en dat de schuldeiser door die rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld, terwijl bij de schuldenaar wetenschap bestond van deze benadeling. Met wetenschap van benadeling wordt bedoeld dat met redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien dat een schuldeiser benadeeld zou worden (HR 26 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:A10369, rov. 3.5.2). Niet nodig is dat de handeling is verricht met de bedoeling de schuldeiser te benadelen. Evenmin is nodig dat de schuldenaar en degene met wie hij handelde wisten hoever de benadeling van de schuldeiser zou gaan (HR l oktober 1993, NJ 1994/257).

4.2. Ten aanzien van de schenkingsovereenkomst is alleen vereist dat [gedaagde 1] wetenschap had van die benadeling, omdat de schenking een rechtshandeling om niet is. Ten aanzien van de koopovereenkomst is vereist dat ook [gedaagde 2] en de dochter daarvan wetenschap hadden (artikel 3:45, tweede lid, BW).

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst en de schenkingsovereenkomst tussen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en de dochter onverplicht zijn aangegaan. Omdat [gedaagden c.s] hebben toegelicht dat de fiscale regeling voor deze schenking (de jubelton') een doorslaggevende rol speelde bij de verkoop van de woning, gaat de rechtbank ervan uit dat de koopovereenkomst zonder de schenking niet zou zijn gesloten. Beide rechtshandelingen moeten daarom als één geheel worden beschouwd. Verder stelt de rechtbank vast dat [eiseres] is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden. Als gevolg van de koopovereenkomst en de levering van de woning kon [eiseres] zich daarop niet langer verhalen en door de schenkingsovereenkomst resteerde ook geen verkoopopbrengst waaruit de schade van [eiseres] kon worden vergoed. [gedaagden c.s] hebben nog wel gesteld dat er andere mogelijkheden voor verhaal bestonden, maar dat is door [eiseres] betwist en het is ook niet verder onderbouwd. De rechtbank concludeert daarom dat het ging om onverplichte rechtshandelingen die hebben geleid tot benadeling van [eiseres] als schuldeiser.

4.4. De belangrijkste vraag is of bij [gedaagden] wetenschap bestond dat [eiseres] zou worden benadeeld door de verkoop van de woning met schenking van een deel van de koopprijs. Ten aanzien van [gedaagde 1] is het antwoord op die vraag eenvoudig: op het moment dat de koopovereenkomst werd gesloten en de woning werd geleverd wist hij van de aansprakelijkstelling door [eiseres] en het feit dat hij door de lnspectie was aangemerkt als verdachte van ernstige strafbare feiten. Op het moment dat de overeenkomsten werden gesloten was hij al twee keer als verdachte verhoord. Hij moest dus rekening houden met het scenario dat hij de schade die [eiseres] door zijn toedoen had geleden zou moeten vergoeden en dat hij daar na de verkoop van de woning niet langer toe in staat zou zijn.

4.5. Ook bij [gedaagde 2] en de dochter bestond naar het oordeel van de rechtbank wetenschap van benadeling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de dochter verklaard dat zij aanvankelijk niet wist van het ongeluk van [eiseres] en de aansprakelijkstelling van [gedaagde 1], maar dat [gedaagde 1] zijn gezin hiervan op de hoogte heeft gebracht op 8 februari 2022, de dag waarop hij werd aangehouden als verdachte. Hij heeft toen alles verteld over het ongeval, de aansprakelijkstelling en het strafrechtelijke onderzoek. De rechtbank concludeert daaruit dat [gedaagde 2] en de dochter vanaf dat moment dus wisten dat [gedaagde 1] aansprakelijk was gesteld en dat hij verdacht werd van strafbare feiten. Ook zij moesten vanaf dat moment rekening houden met het scenario dat [gedaagde 1] de schade van [eiseres] zou moeten vergoeden. Voor hen was met redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien dat [eiseres] in zijn verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld als de woning aan de dochter werd verkocht met schenking van de helft van de koopprijs.

4.6. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van benadeling van [eiseres] als schuldeiser en dat zijn vorderingen tot vernietiging van de verrichte rechtshandelingen kunnen worden toegewezen. Voor een bevel tot inschrijving van het vonnis in de openbare registers ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat dit voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis niet noodzakelijk is en [eiseres] verder ook niet heeft onderbouwd waarom een dergelijk bevel nodig is.

4.7. De rechtbank realiseert zich dat toewijzing van de vorderingen verstrekkende gevolgen heeft. Vernietiging heeft immers terugwerkende kracht, wat betekent dat de vernietigde handelingen worden geacht nooit te hebben plaatsgevonden. Dit heeft tot gevolg dat de woning weer terugvalt in het vermogen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat de dochter de betaalde koopprijs als onverschuldigd betaald van hen kan terugvorderen. [eiseres] kan zich dus alsnog op de woning verhalen. Vanwege deze verstrekkende gevolgen hebben partijen ruim de tijd gekregen om hierover te overleggen, maar dat heeft niet tot onderlinge oplossing geleid.

4.8. De vordering tot vergoeding van de beslagkosten zal worden afgewezen, omdat [eiseres] niet heeft onderbouwd om welke kosten het gaat en wat daarvan de omvang is.

4.9. [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [gedaagden] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - griffierecht E 90,00
- salaris advocaat E 1.228,00 (2 punten x E 614,00)
- nakosten 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de besl issing) Totaal 1.496,00

4.10. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet tneer te betalen.

5. De beslissing

De rechtbank:
5.1. vernietigt de tussen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en de dochter gesloten koopovereenkomst van 9 maart 2022 met betrekking tot de woning aan de XXXstraat te D.

5.2. vernietigt de levering van de woning aan de XXXstraat te D. door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de dochter;

5.3. vernietigt de tussen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en de dochter gesloten schenkingsovereenkomst ter hoogte van E 106.320,00 met betrekking tot de woning aan XXXstraat te D.;

5.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van E 1.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met E 92,00 als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Met dank aan mr. J. Roth, SAP Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBDHA-070126


PROCESSUELE ASPECTEN, bestuurs- of burgerlijke rechter

RBDHA 161225 door gemeente afgewezen claim; beroep niet gericht tegen voor beroep vatbaar besluit; rechtbank onbevoegd

Inleiding

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft op 31 januari 2025 een online formulier ingevuld waarin hij de gemeente aansprakelijk stelt voor opgelopen letselschade. Langdurige werkzaamheden in zijn buurt hebben volgens hem geleid tot een ongeval waarbij hij gewond is geraakt. De verzekeraar van de gemeente heeft eiser op 29 april 2025, 14 mei 2025 en 3 juli 2025 laten weten dat de gemeente alle aansprakelijkheid voor de gestelde schade van de hand wijst. Hierop heeft eiser een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Dit staat in artikel 8:1 van de Awb. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. In het derde lid van dat artikel staat daarnaast uitgelegd wat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

4. De rechtbank stelt vast dat het gestelde onrechtmatig handelen van verweerder geen besluit betreft zoals bedoeld in de Awb. Het gaat om feitelijk handelen. De afhandeling van het schademeldingsformulier over de gestelde onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek) ziet ook niet op een aanvraag als bedoeld in de Awb en kan niet leiden tot een besluit waartegen beroep openstaat bij de bestuursrechter. Voor procedures over schadevergoeding op grond van het Burgerlijk Wetboek is de bestuursrechter onbevoegd. Eiser kan daarvoor wel een procedure bij de burgerlijke rechter starten. Op de website van de rechtspraak (www.rechtspraak.nl) is te lezen hoe een procedure bij de burgerlijke rechter kan worden gestart.

5. Omdat het beroep van eiser niet is gericht tegen een voor beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb, is de bestuursrechter kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Eiser krijgt daarom het griffierecht van de rechtbank terug.1 Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Rechtbank Den Haag 16 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24176


VERJARING,
PROCESSUELE ASPECTEN, internationale aspecten

GHARL 010425 Verkeersongeval in Polen; is vordering naar Pools recht verjaard; is beroep op verjaring naar Pools recht aanvaardbaar?

in vervolg  op:
RBOVE 291123 vorderingen tzv verkeersongeval in 2008 in Polen verjaard naar Pools recht, NL rechter bevoegd vanwege woonplaats eiser ttv dagvaarding

2De kern van de zaak en de beslissing van het hof

2.1.

[appellant] is op 18 juni 2008 betrokken geweest bij een verkeersongeval op de autosnelweg in Polen. Allianz is de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke bestuurder. In deze procedure vordert [appellant] in de kern dat voor recht wordt verklaard dat alle (letsel)schade die hij als gevolg van het ongeval lijdt en heeft geleden in causaal verband staat met het ongeval en dat Allianz wordt veroordeeld tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat.

2.2.

Allianz heeft zich (onder andere) op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [appellant] zijn verjaard.

2.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat het Pools recht van toepassing is op de vorderingen van [appellant] . De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] vervolgens afgewezen omdat de vorderingen van [appellant] naar Pools recht zijn verjaard.1

2.4.

Met zijn grieven bestrijdt [appellant] dat zijn vorderingen zijn verjaard en legt hij opnieuw zijn vorderingen aan het hof voor. Het hof oordeelt daarover als volgt.

3De beoordeling door het hof


rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1. Het geschil heeft een internationaal karakter omdat [appellant] ten tijde van het ongeval in [land1] woonde, hij in ieder geval vanaf het moment van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in Nederland woont en Allianz in Polen is gevestigd. Het hof dient ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter bevoegd is. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Het hof verwijst naar de motivering die de rechtbank heeft gegeven en neemt deze over. Over het toepasselijk recht zijn partijen het eens en er zijn ook geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank op dit punt. Het hof gaat daarom ook uit van de toepasselijkheid van Pools recht.

verjaring

de feiten

3.2.

Op 18 juni 2008 is op de autosnelweg in Polen een aanhanger van een vrachtwagen op de auto gevallen waarin [appellant] reed. Bij dit ongeval was ook een andere weggebruiker en vriend van [appellant] , [naam1] , betrokken. Hij is, gezeten in een andere auto, door dezelfde vrachtauto aangereden.

3.3.

In een brief (met kenmerk [kenmerk] – [naam1].) van 19 januari 2009 heeft
mr. Camps aan Allianz geschreven:
“(…) Bij mij is gekomen de heer [naam1] wonende te [woonplaats] (…) in verband met het ernstige auto-ongeval dat hem overkwam in Polen op 18 juni 2008. (…) De wederpartij is (…), de vermoedelijke dader. Ik verzoek u deze aansprakelijkheid te erkennen en met mij de schade te regelen. Client reed een [merk] met kenteken [kenteken] . Tevens is ook betrokken geweest zijn broer [bedoeld is: vriend; hof], de heer [appellant] , wonende te [woonplaats] (…). Client is ook eigenaar van deze laatste auto, maar deze stond tijdelijk op naam van zijn broer. (…)’
3.4. In een brief van 30 januari 2009 onder vermelding van ‘Uw referentie [kenmerk] [naam1] ’ heeft Allianz hierop gereageerd:
“Wij bevestigen de ontvangst van uw brief van 19 januari 2009 (…). U treft hierbij het expertiserapport aan waaruit blijkt dat de totale schade (…) bedraagt. Wij vernamen telefonisch van de heer [naam1] dat hij en zijn broer [bedoeld is: vriend; hof] bij dit ongeval gewond zijn geraakt. Neemt u ook de belangen waar in zake de letselschade of dienen wij hiertoe rechtstreeks contact met beide betrokkenen op te nemen?’

3.5.

In een emailbericht van Allianz aan mr. Camps met kenmerk ‘[kenmerk] [naam1]’ staat: ‘Hierbij bevestigen wij ons telefoongesprek van 31 augustus 2010. In bovengenoemd dossier is aansprakelijkheid door Allianz Polen erkend.’
3.6. Allianz en [naam1] hebben in oktober/november 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de door [naam1] als gevolg van het ongeval geleden schade.

3.7.

In een brief van Allianz aan mr. Camps van 29 november 2011 onder vermelding van “uw referentie [kenmerk] [naam1] ” staat:
‘(…) Het bedrag van EUR 25.000,00 wordt overgeschreven naar bankrekening (…). Dit betreft een slotuitkering. (…)”

3.8.

[appellant] heeft op 2 januari 2012 telefonisch contact opgenomen met Allianz waarbij hij Allianz heeft laten weten een claim te zullen indienen.

3.9.

In een emailbericht van Allianz aan mr. Camps van 20 januari 2012 met als onderwerp ‘[kenmerk] [naam1] staat: ‘(….) De vordering is volgens Pools recht niet verjaard. Kunt u ons informeren over het letsel? Indien u niet op de hoogte bent over het letsel en dergelijke lijkt het ons een goed idee om een gezamenlijk bezoek te brengen? (…)”

3.10.

Op 28 februari 2012 is er telefonisch contact geweest tussen mr. Camps en Allianz. In de telefoonnotitie van Allianz staat:
“Wat ik wil weten? Nou of er nog een claim komt wat de svz is, of er een bezoek dient plaats te vinden? Hij weet het niet. hij heeft de passagier nog niet gesproken en ook nog geen opdracht gegeven om het in behandeling te nemen. hij gaat hem bellen en med info verzamelen en dan komt hij op de zaak terug
oke ik wacht het af’

3.11.

In een brief van 1 maart 2012 heeft mr. Camps aan Allianz geschreven:
“In aansluiting op uw e-mail van 28 februari jl. heb ik een gesprek gehad met client, [appellant] . Hij verblijft thans in Nederland bij zijn vriend, de heer [naam1] , u bekend. Hij is voornemens zich in Nederland te vestigen in plaats van [land1] . (…) Ik liet client een lijst invullen met al zijn klachten sinds het ongeval, deze treft u hierbij aan. (…) Ik neem aan u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en bericht u nader.’

3.12.

Allianz heeft in de eerste helft van 2012 aansprakelijkheid voor de gevolgen van het [appellant] overkomen ongeval erkend. Iteb Schadeservices heeft namens Allianz in het voorjaar van 2012 de schadeafwikkeling ter hand genomen.
3.13. Op 4 juli 2012 heeft Allianz aan mr. Camps geschreven:
“(…) Via onze schaderegelaar ontvingen wij het bezoekrapport. Wij ontvangen graag een lastgeving zodat wij het voorschot kunnen overmaken. De medische informatie van de neuroloog zien wij graag op zeer korte termijn tegemoet, zodat een medisch advies kan worden aangevraagd. (…)”. Allianz heeft zowel een voorschot onder algemene titel betaald als een voorschot op de buitengerechtelijke kosten.

3.14.

In een email van 17 december 2012 schrijft Allianz aan mr. Camps:
“Hierbij berichten wij u dat de behandeling van bovengenoemd schadegeval is overgenomen door ondergetekende. (…) Voor zover wij kunnen nagaan, ontvingen wij nog geen reactie op onze e-mail van 17 oktober 2012. Graag ziet onze medisch adviseur de medische informatie vanuit de behandelend sector over de periode van september 2008 tot het voorjaar van 2012 tegemoet. Wilt u ons met betrekking tot het gestelde inkomensverlies van uw client in bezit stellen van de relevante bewijsstukken? (…)
Partijen zijn daarna blijven corresponderen over de medische informatie die Allianz wenste te ontvangen.

3.15.

De medisch adviseur van Allianz heeft medisch adviezen gegeven op 10 oktober 2012, 6 januari 2014, 7 juni 2019 en 3 mei 2022 waarbij het advies steeds luidt dat er geen medische indicatie is om over te gaan tot een expertisetraject.

het wettelijk kader naar Pools recht

3.16.

Bij de beoordeling van het beroep op verjaring zijn de volgende (in het Engels weergegeven) bepalingen uit het Pools Burgerlijk Wetboek (hierna: PBW) van belang.

Artikel 442
Limitation of claims for damages and interruption of the limitation period
1) A claim for compensation for damage caused by a tort shall become time-barred after three years from the date on which the aggrieved party learned or with due diligence could learn about the damage and about the person obliged to repair it, but this period may not be longer than ten years from the date of the event causing the damage.
2) If the damage resulted from a crime or misdemeanor, a claim for damages shall be statute-barred after twenty years from the date on which the offense was committed, irrespective of when the aggrieved party learned about the damage and about the person obliged to repair it.
3) In the event of damage to a person, the limitation period may not end earlier than three years from the date on which the aggrieved party learned about the damage and about the person obliged to repair it.
Artikel 123
The limitation period is interrupted:
1) by any action before a court or other body appointed to hear cases or enforce claims of a given type, or before an arbitration court, undertaken directly for the purpose of pursuing or establishing or satisfying or securing the claim,
2) by recognition of the claim by the person against whom the claim is entitled or
3) by commencement of mediation.

Artikel 819
1) Claims under an insurance contract become barred by a statute of limitations after three years.
(…)
3) In the case of a third party liability insurance, the aggrieved party’s claims against the insurer for compensation or recompense become barred by the statute of limitations after the period provided for such a claim in the provisions on liability for damage caused by tort or arising from non-performance or improper performance of an obligation.
4) The running of the limitations period of a claim for a performance against an insurer is also interrupted by a claim being filed with the insurer or by an event covered by the insurance being reported. The limitations period starts running anew from the day on which the party filing the claim or reporting the event receives a written declaration form the insurer according or refusing the performance.

3.17.

Uit deze bepalingen volgt dat een vordering tot vergoeding van schade verjaart na drie jaar vanaf het moment dat de schadelijdende partij bekend was of kon zijn met de schade en de aansprakelijke partij maar de termijn mag niet langer zijn dan tien jaar gerekend vanaf de schadeveroorzakende gebeurtenis. Hetzelfde geldt voor een rechtstreekse vordering op een verzekering tegen schade toegebracht aan derden. Als de schade het gevolg is van een strafbaar feit, verjaart de vordering tot vergoeding van schade twintig jaar na de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

de beoordeling van het beroep op verjaring

3.18.

Allianz heeft (voor het eerst) in de conclusie van antwoord van 30 november 2022 het standpunt ingenomen dat de vorderingen van [appellant] zijn verjaard. Volgens Allianz was [appellant] op 18 juni 2008 (datum ongeval) dan wel op 24 juni 2008 (datum ontslag ziekenhuis) bekend met de schade. Ook wist hij wie de aansprakelijke persoon was omdat op het aanrijdingsformulier dat na het ongeval is ingevuld Allianz Polska als verzekeraar van de aansprakelijke bestuurder staat. De vorderingen zijn dus uiterlijk op 24 juni 2011 verjaard. Voor die tijd heeft [appellant] de verjaring niet gestuit. Dat heeft hij pas op 2 januari 2012 gedaan toen hij telefonisch aan Allianz heeft medegedeeld een claim te zullen indienen maar toen was de termijn van drie jaar reeds verstreken. De rechtbank heeft Allianz hierin gevolgd.

3.19.

Bij de beoordeling van de grieven die [appellant] tegen het vonnis heeft gericht, zal het hof de legal opinions betrekken die beide partijen hebben overgelegd. Het gaat daarbij om door Allianz overgelegde legal opinions van K. Siwek, attorney at law, van 10 oktober 2022, 13 februari 2023, 22 maart 2013 en 2 september 2024. [appellant] heeft een legal opinion van J. Budzowksa, attorney at law, van 31 mei 2024 overgelegd.

3.20.

Net als de rechtbank oordeelt het hof dat in dit geval een verjaringstermijn van drie jaar geldt vanaf het moment waarop [appellant] bekend was met de aansprakelijke persoon en de schade. [appellant] heeft in de memorie van grieven aangevoerd dat op grond van artikel 442 lid 1 PBW een verjaringstermijn van 10 jaar geldt vanaf de bekendheid met de aansprakelijke bestuurders en de rechtspersoon van de Poolse verzekeraar maar dat standpunt berust, zoals uit de tekst van de wettelijke bepaling volgt, op een onjuiste lezing van artikel 442 lid 1 PBW. [appellant] heeft ook nog aangevoerd dat het hem niet bekend is of de aansprakelijke bestuurders strafrechtelijk zijn veroordeeld, in welk geval op grond van artikel 442 lid 2 PBW een verjaringstermijn van 20 jaar vanaf het strafbare feit geldt. Volgens [appellant] is het aan Allianz om dat uit te zoeken. Allianz is er niet mee bekend dat de aansprakelijke bestuurder strafrechtelijk is veroordeeld. Er zijn ook verder geen aanknopingspunten dat het ongeval kwalificeert als een strafbaar feit. De verjaringstermijn van 20 jaar is daarom in deze zaak niet aan de orde.

3.21.

[appellant] heeft in hoger beroep bestreden dat hij op 18 of 24 juni 2008 bekend was of had moeten zijn met de (verzekeraar van de) aansprakelijke persoon. Hij heeft aangevoerd dat hij pas bekend werd met Allianz als aansprakelijke verzekeraar in 2009 nadat [naam1] hem bij de raadsman had aangemeld (memorie van grieven onder 36) dan wel dat hij met de aansprakelijke verzekeraar bekend werd vanaf 1 augustus 2010 (memorie van grieven onder 24) omdat hij daarop toen attent werd gemaakt door [naam1] .
Allianz heeft onder verwijzing naar het aanrijdingsformulier haar standpunt gehandhaafd dat [appellant] op de genoemde data bekend was met de aansprakelijke verzekeraar.
3.22. [appellant] heeft gelet op het voorgaande gemotiveerd betwist dat hij op 18 of 24 juni 2008 al bekend was met de (verzekeraar van de) aansprakelijke persoon. In dat kader stelt het hof vast dat op het aanrijdingsformulier waarop Allianz zich ter onderbouwing van de gestelde bekendheid met de aansprakelijke persoon beroept (productie 3 bij conclusie van antwoord) geen datum staat althans dat het hof die niet heeft aangetroffen. Daarmee rijst de vraag wanneer [appellant] het aanrijdingsformulier heeft ingevuld en heeft kennisgenomen van de vermelding daarop van de aansprakelijke verzekeraar.
Allianz krijgt de gelegenheid zich hierover uit te laten, waarna [appellant] daarop mag reageren. Allianz wordt eveneens gevraagd zich uit te laten over de bewijsmiddelen waarover zij beschikt ten aanzien van de stelling dat [appellant] op 18 dan wel 24 juni 2008 kennis heeft genomen van het aanrijdingsformulier c.q. dat hij dat formulier toen heeft ingevuld.
3.23. Vooruitlopend op de verdere beoordeling van de vraag naar het aanvangsmoment van de verjaring, oordeelt het hof over de door [appellant] gestelde stuitingshandelingen als volgt. Uit artikelen 123 PBW volgt dat de verjaring van een rechtsvordering kan worden gestuit door iedere handeling voor een gerecht of voor een scheidsgerecht die rechtstreeks strekt tot het geldend maken, het vaststellen of het verzekeren van een vordering, dan wel door erkenning van de vordering door de persoon tegen wie de vordering is gericht. Uit artikel 819 PBW volgt dat de verjaring ook wordt gestuit door het indienen van een vordering tegen de verzekeraar of door het melden van een gebeurtenis die door de verzekering wordt gedekt.
3.24. Er is geen sprake van een handeling van [appellant] voor een gerecht of scheidsgerecht voor het verstrijken van de termijn van drie jaar. [appellant] heeft aangevoerd dat de verjaring is gestuit met de erkenning van aansprakelijkheid op 31 augustus 2010. Dat gaat niet op. De erkenning van aansprakelijkheid in de brief van 31 augustus 2010 heeft uitsluitend betrekking op de schade van [naam1] . Dat volgt niet alleen uit de inhoud van de erkenning, waarin wordt gerefereerd aan ‘bovengenoemd dossier’ te weten ‘[kenmerk] [naam1]’ maar ook uit het feit dat mr. Camps op dat moment nog niet optrad voor [appellant] . Allianz heeft dat expliciet aan mr. Camps gevraagd op 30 januari 2009 en daarop is geen bevestigend antwoord gevolgd. [appellant] heeft pas op 2 januari 2012 telefonisch melding gemaakt bij Allianz van een claim die hij zal indienen en vlak daarna is mr. Camps zijn belangenbehartiger geworden.

3.25.

[appellant] heeft aangevoerd dat de vordering is gestuit met de onderhandelingen tussen Allianz en [appellant] . Zonder nadere toelichting en verwijzing naar specifieke correspondentie oordeelt het hof dat niet is gebleken dat de verjaring hierdoor is gestuit.

3.26.

[appellant] heeft onder verwijzing naar het advies van J. Budzowska aangevoerd dat de verjaring is gestuit op grond van artikel 819 lid 4 PBW doordat in de brief van 19 januari 2009 aan Allianz is gemeld dat een verzekerde gebeurtenis heeft plaatsgevonden (het ongeval op 18 juni 2008) en dat [appellant] daarbij betrokken was. Allianz heeft hier, onder verwijzing naar de laatste legal opinion van Siwek, tegenin gebracht dat uit die brief slechts terloops volgt dat [appellant] volgens [naam1] bij het ongeval betrokken was en dat de brief onvoldoende is voor een rechtsgeldige stuiting in de zin van artikel 819 lid 4 PBW. Volgens Allianz moet de melding van de verzekerde gebeurtenis worden gedaan door degene die rechten kan ontlenen aan de verzekering. [naam1] had weliswaar als slachtoffer van het ongeval een wettelijk en reëel belang ten aanzien van het melden van de verzekerde gebeurtenis maar daarmee vertegenwoordigde hij nog niet mede de belangen van [appellant] .

3.27.

Het hof volgt Allianz in haar verweer. Een melding van een verzekerde gebeurtenis in de zin van artikel 819 lid 4 PBW moet worden gedaan door of namens degene die rechten kan ontlenen aan de verzekering. De brief van mr. Camps van 19 januari 2009 kwalificeert niet als een mededeling van [appellant] aan Allianz van een verzekerde gebeurtenis. In de brief van 19 januari 2009 introduceert mr. Camps zich als advocaat van [naam1] , beschrijft hij dat [naam1] een ongeval is overkomen en verzoekt hij Allianz aansprakelijkheid te erkennen en de schade te regelen. Mr. Camps besluit de brief met de mededeling dat [appellant] ook betrokken was bij het ongeval. Mr. Camps trad op dat moment echter niet op voor [appellant] . Op 30 januari 2009 heeft [naam1] telefonisch aan Allianz medegedeeld dat hij en [appellant] betrokken waren bij het ongeval en dat zij schade hebben geleden. Ook van deze mededeling van [naam1] kan niet worden gezegd dat deze namens [appellant] is gedaan. Dat wordt nog eens onderstreept door de expliciete vraag van Allianz op 30 januari 2009 aan mr. Camps of hij voor zowel [naam1] als [appellant] optreedt, waarop mr. Camps kennelijk niet instemmend heeft gereageerd.

3.28.

De conclusie luidt dat niet is gebleken van eerdere stuitingshandelingen dan de telefonische mededeling van [appellant] aan Allianz op 2 januari 2012 dat hij een claim zal indienen. De vraag of [appellant] de verjaring daarmee heeft gestuit voor het verstrijken van de termijn van drie jaar, hangt af van het aanvangsmoment van de verjaring waarover het hof na uitlating van partijen verder zal oordelen.

3.29.

[appellant] heeft het ten slotte het standpunt ingenomen dat het beroep op verjaring van Allianz in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat Allianz haar recht heeft verwerkt om een beroep op verjaring te mogen doen. Het hof zal dit verweer om proceseconomische redenen – vooruitlopend op de nog verder te beoordelen verjaringsvraag en veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de verjaring niet tijdig is gestuit – nu beoordelen. Het hof begrijpt het standpunt van [appellant] aldus dat hij ter onderbouwing daarvan zich op de volgende feiten en omstandigheden beroept:
- de erkenning van aansprakelijkheid door Allianz voor de schade die [appellant] als gevolg van het ongeval heeft geleden in de eerste helft van 2012 (dus nadat de vordering volgens Allianz was verjaard);
- de schriftelijke mededeling van Allianz aan mr. Camps in de brief van 20 november 2012 (dus nadat de vordering volgens Allianz was verjaard) dat de vorderingen van [appellant] naar Pools recht niet zijn verjaard. Daarbij stelt het hof vast dat Allianz niet heeft bestreden dat deze mededeling betrekking heeft op [appellant] , hetgeen ook strookt met het feit dat er op dat moment met [naam1] al een vaststellingsovereenkomst was gesloten;
- het inschakelen door Allianz van schaderegelaar Iteb die de schaderegeling ter hand heeft genomen in welk kader jarenlang is gecorrespondeerd;
- het betalen door Allianz van voorschotten.
In dat kader stelt het hof vast dat, uitgaande van het door Allianz gestelde aanvangsmoment, in welk geval de stuiting op 2 januari 2012 ongeveer een half jaar na het verstrijken van de verjaringstermijn heeft plaatsgevonden, er sprake is van een geringe overschrijding van de verjaringstermijn.

3.30.

In de door beide partijen overgelegde legal opinions is niet ingegaan op de vraag of er naar Pools recht een wettelijke grondslag is (zoals we naar Nederlands recht een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, rechtsverwerking, afstand van recht of misbruik van recht kennen) om onder de hiervoor geschetste omstandigheden een beroep op verjaring te passeren. Het hof verzoekt partijen om met legal opinions hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de hiervoor geschetste omstandigheden te (laten) betrekken. Als het naar Pools recht zo is dat, zoals Allianz lijkt te stellen, pas in een proces(stuk) een beroep op verjaring kan worden gedaan, dan rijst de vraag of betekenis toekomt aan de onder 3.29. genoemde omstandigheden. Ook daarop zal in de legal opinions zo nodig moeten worden ingegaan.

3.31.

De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van Allianz als bedoeld in 3.22. en 3.30., gevolgd door een antwoordakte aan de zijde van [appellant] . Indien en voor zover naar het oordeel van het hof aangewezen, zal Allianz op de antwoordakte van [appellant] mogen reageren en [appellant] tot slot daar weer op. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1939


PROCESSUELE ASPECTEN, wraking 

RBDHA 291225 Wrakingsverzoek toegewezen; weigering om pleitnota voor te laten dragen; schijn van partijdigheid

2Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de hoofdzaak tussen de gemeente Den Haag (als verzoekster) en verzoekster (als verweerder).

2.2. (

De gemachtigde van) verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak van 2 december 2025 (hierna: het proces-verbaal) en zoals toegelicht tijdens de zitting van de wrakingskamer, het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter is bevooroordeeld jegens verzoekster en heeft haar geen eerlijk proces gegeven in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tijdens de zitting heeft de rechter de wederpartij in de gelegenheid gesteld om een pleitnota voor te dragen en toen de gemachtigde vervolgens ook een pleitnota wilde voordragen, heeft de rechter dit niet toegestaan. De rechter heeft gezegd dat de gemachtigde alleen mocht reageren op de standpunten die de wederpartij in eerste termijn, in de pleitnota, naar voren had gebracht, omdat de gemachtigde als laatste in de procedure had gereageerd door middel van een verweerschrift en daarin alle standpunten van zijn cliënte had moeten opnemen. De gemachtigde heeft meermalen voorgesteld het aldus te doen dat hij eerst reageert op de standpunten van de wederpartij en daarna zijn pleitnota voordraagt, maar ook dit heeft de rechter niet toegestaan.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

3De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen worden gewraakt als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

3.2.

Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 december 2025 volgt dat de rechter na aanvang van de zitting eerst de gemachtigde van de gemeente de gelegenheid heeft gegeven om haar pleitnota voor te dragen en de gemachtigde van verzoekster vervolgens heeft gevraagd daarop te reageren. Toen deze gemachtigde daarop zei dat hij ook een pleitnota wilde voordragen, heeft de rechter gezegd dat hij eerst moest reageren op hetgeen de gemeente tijdens de zitting naar voren had gebracht. Over het verdere verloop van de zitting lopen de zienswijzen van (de gemachtigde van) verzoekster en de rechter uiteen.

3.3.

Uit de schriftelijke reactie van de rechter en zijn toelichting tijdens de zitting van de wrakingskamer volgt dat hij regie heeft willen voeren en structuur heeft willen aanbrengen en hij de gemachtigde van verzoekster met dat doel heeft verteld dat het tijdens de zitting de bedoeling is dat eerst wordt gereageerd op het verweer van de verzoekende partij. Toen de gemachtigde van verzoekster zei dat in zijn pleitnota punten stonden die nog niet aan de orde waren geweest, heeft de rechter tot drie keer toe geprobeerd uit te leggen dat in een verweerschrift in beginsel alle elementen van het verweer moeten staan en dat nadien geen nieuwe punten meer kunnen worden ingebracht. Volgens de rechter heeft de gemachtigde hem daarbij steeds onderbroken met de vraag of hij zijn pleitnota mocht voordragen. De rechter heeft telkens gezegd dat hij daarop zou terugkomen. Naar zijn mening heeft de rechter de gemachtigde op geen enkele wijze belet om het woord te voeren. Uit het proces-verbaal blijkt ook niet, aldus de rechter, dat hij heeft gezegd dat de gemachtigde zijn pleitnota niet mócht voordragen.

3.4.

Volgens de gemachtigde is het verloop van de zitting in het proces-verbaal onvolledig en niet correct weergegeven. In dat proces-verbaal wordt niet vermeld dat de gemachtigde meermalen heeft voorgesteld om eerst te reageren op de standpunten van de gemeente en daarna zijn pleitnota voor te dragen en dat de rechter ook dit niet toestond. Anders dan in het proces-verbaal is vermeld, heeft de rechter niet tegen de gemachtigde gezegd dat hij de gelegenheid krijgt om alles te zeggen wat hij wil. In ieder geval blijkt uit het proces-verbaal niet dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om zijn pleitnota voor te dragen. Als dit wel zo was geweest, had de gemachtigde het wrakingsverzoek niet hoeven indienen.

3.5.

De wrakingskamer stelt vast dat het in de hoofdzaak gaat om een verzoekschrift van de gemeente tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoekster wegens ernstig verwijtbaar handelen en over de vraag of zij recht heeft op een transitievergoeding. Nadat de gemeente haar verzoekschrift had ingediend en verzoekster daarop had gereageerd bij verweerschrift, is een mondelinge behandeling bepaald. De rechter heeft gezegd dat hij – juist in het kader van het recht op een eerlijk proces – tijdens die mondelinge behandeling regie heeft willen voeren en structuur heeft willen aanbrengen door de gemeente eerst te laten reageren op het verweerschrift en (de gemachtigde van) verzoekster vervolgens de gelegenheid te geven om daar weer op te reageren. De wrakingskamer stelt vast dat de gemachtigde van verzoekster op dat moment heeft gezegd dat hij (ook) een pleitnota wilde voordragen en dat de rechter hem toen direct heeft beknot en hem heeft verteld dat hij alleen mocht reageren op de standpunten van de gemeente zoals verwoord in de zojuist voorgedragen pleitnota. Terwijl de gemeente een pleitnota van negen pagina’s had voorgedragen, heeft de rechter de gemachtigde van verzoekster (op dat moment) dus niet toegestaan om zijn pleitnota voor te dragen, zonder kennis te nemen van de inhoud daarvan. Hoewel het tot de taak en de functie van de rechter behoort om de orde op zitting te bewaken en regie te voeren, is het gevolg van deze handelwijze dat de gemeente haar voorbereide standpunt ter zitting heeft kunnen uitspreken en dat dat standpunt door overlegging van pleitaantekeningen aan de rechtbank onderdeel van de processtukken is geworden, terwijl verzoekster daartoe niet in de gelegenheid is gesteld. Partijen verschillen van mening over wat er tijdens de mondelinge behandeling wel en niet gezegd is, maar uit het proces-verbaal blijkt in ieder geval niet dat de rechter heeft gezegd dat de gemachtigde zijn pleitnota in een later stadium alsnog zou mogen voordragen, eventueel nadat hij had gereageerd op de standpunten van de gemeente. Uit het proces-verbaal volgt evenmin dat de rechter – zoals hij in zijn schriftelijke standpunt heeft verwoord – drie keer zijn zin niet heeft kunnen afmaken en daardoor niet heeft kunnen zeggen of hij aan de gemachtigde van verzoekster al dan niet de gelegenheid zou geven om de pleitnota voor te dragen. De wrakingskamer acht het ook niet aannemelijk dat de rechter van plan was om de gemachtigde zijn pleitnota alsnog te laten voordragen, nu dat een eenvoudige mededeling was geweest, en de gemachtigde in dat geval geen aanleiding had gehad om het wrakingsverzoek in te dienen.

3.6.

De rechter heeft (de gemachtigde van) verzoekster niet toegestaan zijn pleitnota voor te dragen, terwijl de andere partij onmiddellijk daarvoor wel in de gelegenheid was gesteld een pleitnota voor te dragen. Door zonder kennis te nemen van de inhoud van de pleitnota te weigeren dat deze wordt voorgedragen en te eisen dat de gemachtigde eerst (zonder pleitnota) reageert op de standpunten van de wederpartij, heeft de rechter te veel ingegrepen in de processuele verhouding tussen partijen, hetgeen tenminste de schijn van partijdigheid oplevert. Het wrakingsverzoek wordt dan ook toegewezen. Rechtbank Den Haag 29 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25947


En dan nog

RBDHA 090323 procedure na verstek; vorderingen t.o.v. Wbf afgewezen; vordering tot terugbetaling te laat ingediend

2De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

Op 21 april 2022 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de Rechtbank Den Haag Het Waarborgfonds bij verstek veroordeeld om tegen bewijs van kwijting aan [geopposeerde] te betalen de som van € 19.168,59 vermeerderd met de wettelijke rente over € 18.211,48 vanaf 17 juli 2020 tot de dag der voldoening, met veroordeling van Het Waarborgfonds in de proceskosten.

3Het geschil

3.1.

Het Waarborgfonds vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in het verzet:

  • - ontheffing van de veroordeling tegen haar uitgesproken bij vonnis van 21 april 2022;
  • - opnieuw rechtdoende de vorderingen af te wijzen;
  • - veroordeling van [geopposeerde] in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis.

3.2.

Aan deze vordering heeft Het Waarborgfonds ten grondslag gelegd – kort samengevat – dat [geopposeerde] een onjuiste voorstelling van de zaken heeft gegeven rondom de vaststelling van de toedracht van de schadeclaim, met als doel een schadevergoeding te ontvangen waar hij geen recht op heeft. Zo is [geopposeerde] onduidelijk over de schadedatum, Het Waarborgfonds heeft de auto niet zelf uit kunnen lezen. Er zijn door diverse door [geopposeerde] benaderde derden rapporten opgemaakt over het ontstaan van de schade. Een van de rapporteurs, [naam 2] , rapporteert zeer summier, en er zijn ter onderbouwing geen aanvullende foto’s overgelegd, hoewel daar meerdere keren door het Waarborgfonds om is verzocht. Ook zijn er rapporten opgemaakt door [naam 3] en [naam 4] . Die rapporten zijn onduidelijk, en bevatten innerlijke tegenstrijdigheden, aldus het Waarborgfonds.

3.3.

[geopposeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt de vorderingen van Het Waarborgfonds af te wijzen en het verstekvonnis in stand te laten, met veroordeling van Het Waarborgfonds in de kosten. Tevens verzoekt [geopposeerde] Het Waarborgfonds te veroordelen in de door de kantonrechter te bepalen hoogte van de waardevermindering. Op het verweer van [geopposeerde] zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het Waarborgfonds is tijdig in verzet gekomen van het verstekvonnis.

4.2.

[geopposeerde] heeft gesteld dat de schade aan zijn auto bij stilstand zou zijn ontstaan door een ander onbekend gebleven voertuig. Partijen verschillen echter van mening over de toedracht van het schade voorval en over aard en omvang van de schade aan de auto van [geopposeerde] .

4.3.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van zowel het voorval als aard en omvang van de schade op [geopposeerde] . De kantonrechter is van oordeel dat [geopposeerde] hier niet aan heeft voldaan en overweegt hierover het volgende.

4.4.

[geopposeerde] heeft zich ter onderbouwing van zijn standpunt beroepen op een drietal rapporten van respectievelijk EBD, [naam 4] en [naam 3] waaruit zou moeten volgen dat de schade is ontstaan bij stilstand door een ander voertuig, hetgeen door Het Waarborgfonds gemotiveerd is betwist.

4.5.

Het Waarborgfonds heeft zich daarbij beroepen op de rapportage van OAN. Daarin wordt gemotiveerd aangegeven waarom de rapportage van [naam 4] niet juist is. Daarnaast heeft Het Waarborgfonds onder meer gewezen op de navolgende feiten:

- [geopposeerde] heeft niet willen meewerken aan het uitlezen van de auto, het geven van nadere informatie, het overleggen van aanvullende foto’s;

- de herstelnota is niet verstrekt;

- [de getuige] , de “getuige”, wil haar verklaring niet bevestigen;

- bij import van de auto had deze al, onder andere, schade aan de velg. Dit blijkt uit de verklaring van [geopposeerde] tijdens de mondelinge behandeling van 9 augustus 2021. Hij heeft verklaard dat de auto bij de import geen deuk had, maar wel motorschade, schade aan het dak en schade aan de voorvelg en dat er problemen met de elektronica waren. Behalve de schade aan de voorvelg is de schade gerepareerd. De schade aan de voorvelg wordt nu ook gevorderd.

[geopposeerde] – zo blijkt hieruit – verkondigt dus onwaarheden over de schade die aan zijn auto zou zijn ontstaan door toedoen van een onbekend gebleven bestuurder, aldus het Waarborgfonds.

4.6.

Het Waarborgfonds heeft er – naar het oordeel van de kantonrechter terecht en op begrijpelijke gronden – op gewezen dat de rapportages van [naam 4] , [naam 2] en [naam 3] , niet tot nader bewijs kunnen dienen, aangezien dit eenzijdige rapportages zijn waarbij Het Waarborgfonds op geen enkele wijze is betrokken, en [geopposeerde] geen inzicht geeft in de vraagstelling aan de betreffende garagebedrijven die de rapportages hebben opgesteld. Ook geeft [geopposeerde] geen inzicht in of toelichting op het fotomateriaal dat door of namens hem is verstrekt. Ook spreken de rapporten elkaar volgens het Waarborgfonds tegen. [naam 4] concludeert dat het schadebeeld op de velg bepalend is om vast te stellen dat er geen sprake was van rotatie, maar anderzijds schrijft [naam 4] ook dat de schade aan de velg een oude schade is. [naam 2] merkt echter op dat de gehele schade aan de velg te wijten is aan de aanrijding. [naam 2] heeft het niet over oude schades. [naam 4] kwalificeert de schade aan het linker voorscherm als oude schade, terwijl [naam 2] en [geopposeerde] dat niet doen. De opvatting van [naam 3] sluit niet aan bij die van [naam 2] en/of [naam 4] . [naam 3] kwalificeert de schade aan de linker voorvelg als oude schade, en stelt hierbij dat [naam 2] hiervoor een aftrek nieuw-voor-oud zou hebben toegepast. Dit volgt echter niet uit de rapportage van [naam 2] zelf. In afwijking van [naam 4] stelt [naam 3] ook nog dat de schade aan het linker voorscherm niet te kwalificeren is als een oude schade. [naam 3] kan niet met zekerheid stellen dat dat de schade aan het dak is ontstaan door de aanrijding. In afwijking van [naam 4] en [naam 2] stelt [naam 3] nog dat de schade zou zijn ontstaan door drie botsingen, terwijl [naam 2] juist tot de conclusie komt dat de schade is doorgezet vanaf één plek, aldus het Waarborgfonds.

4.7.

Met het Waarborgfonds is de kantonrechter van oordeel dat de door [geopposeerde] overgelegde rapportages niet zonder meer een afdoende onderbouwing vormen van de door [geopposeerde] gestelde toedracht van het ontstaan van de door hem gestelde schade. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de stellingen van [geopposeerde] en van de door hem overgelegde rapportages, had het op de weg van [geopposeerde] gelegen zijn stellingen nader te onderbouwen, door (op zijn minst) een verklaring te geven voor de vele onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen van de door [geopposeerde] benaderde garagebedrijven, zoals die door het Waarborgfonds zijn beschreven. Dat heeft [geopposeerde] niet gedaan, en derhalve moet de conclusie zijn dat [geopposeerde] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Op grond hiervan zal de kantonrechter het verstekvonnis van 21 april 2022 vernietigen, en de vordering alsnog afwijzen.

4.8.

Het Waarborgfonds heeft bij akte nog een vordering tot terugbetaling ingediend. Dit is te laat. Een eventuele eis in reconventie moet bij conclusie van antwoord aanhangig worden gemaakt, of, in dit geval, bij dagvaarding in het verzet aan de kantonrechter worden voorgelegd. De vordering is dus te laat aanhangig gemaakt. Het Waarborgfonds is daarom niet-ontvankelijk in die vordering, die Het Waarborgfonds in een aparte procedure aan de rechter dient voor te leggen.

4.9.

[geopposeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure, met uitzondering van de kosten voor de verzetdagvaarding op grond van artikel 141 Rv. Rechtbank Den Haag 9 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22387


RBDHA 110424 terugvordering betaling door wbf toegewezen, reconventionele vordering op Wbf misbruik van recht; veroordeling tot werkelijke proceskosten

2Feiten

2.1.

Op 21 april 2022 heeft de rechtbank Den Haag het Waarborgfonds bij verstek veroordeeld om aan [partij B] betalen een bedrag van € 19.168,59, vermeerderd met de wettelijke rente over € 18.211,48 vanaf 17 juli 2020 tot de dag der voldoening, met veroordeling van het Waarborgfonds in de proceskosten.

2.2.

Het Waarborgfonds is op 15 juni 2022 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis van 21 april 2022.

2.3.

Nadat door [partij B] executoriaal beslag onder de bank van het Waarborgfonds is gelegd heeft het Waarborgfonds op 22 juni 2022 een bedrag van € 21.395,34 aan de executerende deurwaarder voldaan.

2.4.

In de verzetprocedure is het Waarborgfonds bij vonnis van 9 maart 2023 in het gelijk gesteld en is het verstekvonnis van 21 april 2022 vernietigd. De oorspronkelijke vordering van [partij B] is afgewezen.

3Vordering, grondslag en verweer

in conventie

3.1.

Het Waarborgfonds vordert, na eisvermeerdering, veroordeling van [partij B] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan het Waarborgfonds te betalen een bedrag van € 22.713,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 22.024,89 vanaf 8 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [partij B] in de werkelijke kosten van deze procedure.

3.2.

Het Waarborgfonds legt aan deze vordering het navolgende ten grondslag. Uit het vonnis van 9 mei 2023 volgt dat [partij B] jegens het Waarborgfonds geen enkel recht op betaling heeft. Het Waarborgfonds heeft dan ook aan [partij B] onverschuldigd een bedrag van

€ 21.395,34 betaald. Dit bedrag dient [partij B] terug te betalen. Omdat het Waarborgfonds in de verzetprocedure heeft nagelaten om dit bedrag terug te vorderen vordert het Waarborgfonds in deze procedure alsnog terugbetaling. Daarnaast is [partij B] wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3.3.

[partij B] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

in reconventie

3.4.

[partij B] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [partij B] tegen het Waarborgfonds een recht op een

schadevergoeding geldend kon maken van € 17.207,18, naar aanleiding van het schade-incident van 26 juni 2020 met betrekking tot de Maserati;

II. voor recht te verklaren dat het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de door [partij B]

gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van € 1.004,30 met betrekking tot voornoemd schade-incident;

III. voor recht te verklaren dat het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de door [partij B]

gemaakte kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte van € 957,11.

3.5.

[partij B] legt aan deze vordering het navolgende ten grondslag. Op grond van artikel 25 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) heeft [partij B] aanspraak op een schadevergoeding van het Waarborgfonds. Uit het rapport van [naam 2] blijkt dat de schade naar aanleiding van de aanrijding tegen de Maserati € 17.207,18 bedraagt. Verder heeft [partij B] kosten moeten maken voor het inschakelen van deskundigen. Ook deze kosten moeten door het Waarborgfonds worden vergoed.

3.6.

Het Waarborgfonds heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

4Beoordeling

4.1.

Gelet op hun onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie hierna gezamenlijk worden beoordeeld.

Gezag van gewijsde

4.2.

De centrale vraag die ter beoordeling voorligt is of er een rechtsgrond bestaat voor de betaling die het Waarborgfonds op 22 juni 2022 aan [partij B] heeft verricht. In dat kader wijst het Waarborgfonds terecht op het feit dat de vordering van [partij B] , die eerder bij verstek was toegewezen, in de verzetprocedure alsnog is afgewezen. Kort gezegd oordeelde de kantonrechter in de verzetprocedure dat [partij B] de door hem gestelde toedracht van het ontstaan van de door hem gestelde schade onvoldoende heeft onderbouwd. Door [partij B] is geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 9 maart 2023 in de verzetprocedure is gewezen.

4.3.

Artikel 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben.

4.4.

Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen.

4.5.

[partij B] meent dat, ondanks het in de verzetprocedure gewezen vonnis, niet onherroepelijk is komen vast te staan of [partij B] tegen het Waarborgfonds al dan niet een recht op een schadevergoeding geldend kon maken. Volgens [partij B] is doorslaggevend dat hij in de verstekprocedure een condemnatoir vordering had ingesteld, terwijl hij in de onderhavige procedure een declaratoire vordering heeft ingesteld. De kantonrechter volgt [partij B] niet in dit standpunt. Zoals reeds onder 4.4. overwogen kan een partij zich beroepen op het gezag van gewijsde zodra over een geschilpunt tussen partijen reeds in een eerder geding is beslist. Met het Waarborgfonds is de kantonrechter van oordeel dat in deze procedure hetzelfde geschilpunt centraal staat als in de verstekprocedure. In beide zaken staat immers centraal of [partij B] het Waarborgfonds met succes kan aanspreken voor een vergoeding van de door hem gestelde geleden schade aan zijn auto. Dat [partij B] nu, zoals hij aanvoert, een andersoortige vordering instelt, betekent niet dat het gezag van gewijsde niet kan worden ingeroepen, aangezien deze vordering immers is gebaseerd op dezelfde grondslag als in de verstekprocedure.

4.6.

Verder voert [partij B] aan dat de dragende overwegingen in het verstekvonnis niet eenduidig zijn. Volgens [partij B] , zo begrijpt de kantonrechter, blijkt uit het verzetvonnis onvoldoende of in die procedure ook een oordeel is geveld over het door [partij B] gestelde voorval. Uit het verstekvonnis volgt echter duidelijk dat de kantonrechter van oordeel was dat [partij B] de door hem gestelde toedracht van het ontstaan van de door hem gestelde schade aan zijn auto onvoldoende heeft onderbouwd. Indien [partij B] zich niet kon vinden in het gewezen vonnis in de verzetprocedure, dan had het op zijn weg gelegen om hiertegen in hoger beroep te gaan. Dat heeft [partij B] niet gedaan.

4.7.

De conclusie is dat het beroep op het gezag van gewijsde slaagt. Dit betekent dat de beslissing zoals deze in het eerdere geding is genomen, namelijk het afwijzen van de vordering van [partij B] , in het onderhavige geding bindende kracht heeft. Door [partij B] zijn geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou moeten blijken dat er een rechtsgrond bestond voor de door het Waarborgfonds aan [partij B] verrichte betaling. Om die reden komt vast te staan dat het Waarborgfonds zonder rechtsgrond aan [partij B] heeft betaald, zodat zij op grond van artikel 6:203 lid 1 BW gerechtigd is dit bedrag als onverschuldigd betaald terug te vorderen. De door het Waarborgfonds gevorderde hoofdsom van € 21.395,34 zal dan ook worden toegewezen.

4.8.

De wettelijke rente over de hoofdsom wordt als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen.

4.9.

Hiervoor is reeds overwogen dat over de feiten die aan de reconventionele vordering ten grondslag liggen al in het verstekvonnis een oordeel is geveld. Het is niet mogelijk om vervolgens dezelfde feiten door opnieuw ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. [partij B] wordt dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn reconventionele vordering.

Proceskosten

4.10.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [partij B] zowel in conventie als in reconventie worden veroordeeld in de proceskosten van het Waarborgfonds.

4.11.

Het Waarborgfonds vordert zowel in conventie als in reconventie vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. In dat kader stelt het Waarborgfonds dat [partij B] door het voeren van verweer in conventie en door het instellen van een reconventionele vordering misbruik maakt van recht. [partij B] betwist dat er een aanleiding is om hem te veroordelen in de werkelijke proceskosten van het Waarborgfonds.

4.12.

De kantonrechter overweegt als volgt. Met het Waarborgfonds is de kantonrechter van oordeel dat [partij B] uit het vonnis in de verzetprocedure had kunnen afleiden dat hij zonder rechtsgrond van het Waarborgfonds een betaling heeft ontvangen. Als hij dit bedrag had terugbetaald dan was de onderhavige procedure niet nodig geweest. Anders dan het Waarborgfonds meent, betekent dit echter nog niet dat het [partij B] niet is toegestaan om in deze procedure verweer te voeren, of dat hij dan misbruik zou maken van recht. Ten aanzien van de procedure in conventie bestaat dan ook geen grond om [partij B] te veroordelen in de werkelijke proceskosten van het Waarborgfonds. De gevorderde vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de procedure in conventie wordt dan ook afgewezen.

4.13.

Dat is echter anders in het geval van de proceskosten voor de procedure in reconventie. Aangezien het verstekvonnis in kracht van gewijsde is gegaan had [partij B] al op voorhand kunnen en moeten weten dat een tegenvordering geen kans van slagen zou hebben. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt [partij B] misbruik van recht door het instellen van een reconventionele vordering waarvan hij op voorhand had moeten weten dat deze kansloos zou zijn. Om die reden wordt [partij B] in reconventie veroordeeld in de werkelijke proceskosten van het Waarborgfonds.

4.14.

In conventie wordt [partij B] in de volgende proceskosten veroordeeld:

Griffierecht € 1.384,-

Dagvaardingskosten € 130,49

Salaris € 543,- (1 salarispunt)

Nakosten € 135,-

Totaal € 2.192,49

4.15.

In reconventie wordt [partij B] veroordeeld in de werkelijke proceskosten. De kantonrechter ziet aanleiding om de werkelijke proceskosten te begroten op de helft van het totale bedrag dat het Waarborgfonds aan proceskosten heeft begroot. Dit betekent dat in reconventie een bedrag van € 2.994,75 (50% van € 5.989,50) aan proceskosten wordt toegewezen. Rechtbank Den Haag 11 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:24009